zondag 25 juni 2017

Zondagochtendmuziek - Daniil Trifonov - Beethoven - Piano Sonata No 32 in C minor, Op 111



Vrienden waren laaiend enthousiast over de uitvoering van de Pianosonate nr. 32 (opus 111) van Beethoven door Murray Perahia in Eindhoven. Daar was ik helaas niet bij.

Maar het maakte me wel weer even benieuwd naar uitvoeringen van die laatste pianosonate van Beethoven. Jan de Kruijff geeft daarover veel informatie.

Maar deze uitvoering uit 2014 in New York door de in 1991 in Nizhny Novgorod geboren Daniil Trofonov komt daarin nog niet voor. Ik heb er ademloos naar geluisterd en gekeken. In de commentaren wordt veel geklaagd over het kuchende publiek. Maat dat was me eigenlijk helemaal niet opgevallen.

vrijdag 23 juni 2017

Na de privatiseringsgolf is er nu volop renationalisering - Welke lessen zijn daaruit te trekken?

Een onderdeel van de opkomst van de ideologie van de kleine overheid enkele tientallen jaren geleden was de vaste overtuiging dat publieke diensten veel beter geprivatiseerd konden worden. 

Openbaar vervoer, levering van water en energie, kinderopvang, zwembaden en zelfs gevangenissen, alles kon beter via de markt verschaft worden. Want door gebrek aan concurrentie was overheidsvoorziening altijd inefficiënt, duur en van slechte kwaliteit. Als bedrijven en hun werknemers niet onder druk staan van de tucht van de markt, dan spannen ze zich niet genoeg in en leveren ze slecht werk af.

En zo kwam er wereldwijd een privatiseringsgolf. Maar de aanwijzingen zijn dat er nu een tegengestelde beweging plaats vindt. Er wordt weer volop gerenationaliseerd. Wat eerder de markt op werd geduwd, komt nu weer terug in overheidshanden.

Dat blijkt uit het rapport Reclaiming Public Services:How cities and citizens are turning backprivatisation, waar Trouw vandaag over bericht: Privatisering wordt wereldwijd weer volop teruggedraaid.

Dat rapport opent met een fraai inleidend hoofdstuk, waar ik de eerste alinea's maar even uit citeer (lees daarna verder voor de lessen die zijn te trekken):
You would be forgiven, especially if you live in Europe, to think that public services are by nature expensive, inefficient, maybe even somewhat outdated, and that reforming them to adapt to new challenges is difficult. It would seem natural to assume – because this is what most politicians, media and so-called experts tell us continuously – that we, as citizens and users, should resign ourselves to paying ever higher tariffs for services of an ever lower standard, and that service workers have no choice but to accept ever more degraded conditions. It would seem that private companies will inevitably play an ever larger role in the provision of public services, because everything has a price, because politicians have lost sight of the common good and citizens are only interested in their own individual pursuits. 
This book, however, tells a completely different story. Sometimes it may feel as though we are living in a time when profit and austerity – when it is not authoritarianism and xenophobia – are our only horizons. In reality, below the radar, thousands of politicians, public officials, workers and unions, and social movements are working to reclaim or create effective public services that address the basic needs of people and respond to our social, environmental and climate challenges. They do this most often at the local level. Our research shows there have been at least 835 examples of (re)municipalisation of public services worldwide in recent years, involving more than 1,600 cities in 45 countries. And these (re) municipalisations generally succeeded in bringing down costs and tariffs, improving conditions for workers and boosting service quality, while ensuring greater transparency and accountability.
This (re)municipalisation1 wave is especially strong in Europe, but it is also gaining strength elsewhere in the world. What is more, many of the 835 examples we identified are not merely technical changes in ownership but very often entail broader economic, social and environmental changes. (Re)municipalisation initiatives emerge from a range of motivations, from addressing private sector abuse or labour violations, recovering control over the local economy and resources, or providing affordable services to people, to implementing ambitious energy transition and environmental strategies. (Re)municipalisations occur at all levels, with different models of public ownership, and with various levels of involvement from citizens and workers. But out of this diversity a coherent picture nevertheless can be drawn: the movement for (re)municipalisation is growing and spreading, despite the continued top-down push for privatisation and austerity policies. 
Remunicipalisation refers to the return of public services from private to public delivery. More precisely, remunicipalisation is the passage of public services from privatisation in any of its various forms – including private ownership of assets, outsourcing of services and public-private partnerships (PPPs) – to public ownership, public management and democratic control. While our main focus in this research is on cases of return to full public ownership, the survey also includes cases of predominantly publicly owned services when the model is implemented with clear public values, to serve public objectives and when it contains a form of democratic accountability.
Een eerste les die daaruit valt te trekken is dat we kennelijk met zijn allen nog niet zo goed weten hoe we in het publieke domein de dienstverlening het beste kunnen organiseren. Dat is niet verwonderlijk, want we hebben als mensheid nog maar kort ervaring met de werking van de markt en van de overheid. En met hoe deze beide coördinatiemechanismen aansluiten op de natuurlijke vermogens en beperkingen van mensen.

De privatiseringsgolf was op het vermoeden gebaseerd dat mensen bij uitstek door de noodzaak van concurrentie met anderen en door het streven naar winst gemotiveerd worden. Maar de huidige renationaliseringsgolf lijkt erop te wijzen dat we die andere menselijke motivatie, die om bij te dragen aan de publieke zaak, om iets te doen voor het collectief, niet moeten verwaarlozen.

En dat is de tweede belangrijke les. Want door een publieke dienst te privatiseren en daarmee het signaal te geven dat vanaf nu vertrouwd wordt op de werking van het egoïstische concurrentie- en winstmotief, gooien we dat pro-sociale motief overboord. De wens om je voor het collectief, voor anderen, voor je "klanten", in te spannen wordt door dat signaal als het ware verdrongen. Denk aan dat proces van crowding out.

En misschien is die extra, pro-sociale inspanning nu juist erg nodig als het gaat om publieke dienstverlening. Ik moest denken aan het bezoek dat ik ergens eind jaren tachtig bracht aan een waterleidingbedrijf in het kader van een stagebegeleiding. Dat bedrijf moest weliswaar niet geprivatiseerd worden, maar wel commerciëler gaan werken. Dat hield onder meer in dat er uitkeringen zouden moeten worden verstrekt aan de aandeelhouders, dat wil zeggen de gemeenten. Gemeenten kregen daardoor een belang bij hogere uitkeringen. Het winstmotief zou moeten worden aangeboord.

Het hoofd personeelszaken, die later waarschijnlijk HR-manager is gaan heten, was sceptisch. Hij vertelde dat hij tot dan toe ervan uit kon gaan dat zijn personeel sterk gemotiveerd was door het publieke karakter van hun werk. Mensen moesten altijd kunnen rekenen op veilig drinkwater, dat stond voorop en dat rechtvaardigde de extra inspanningen die soms nodig waren. Hij vreesde dat het winstmotief die motivatie zou verzwakken.

Inzicht in dat proces van crowding-out zou wel eens te maken kunnen hebben met die renationaliseringsgolf die we nu meemaken.

En dat zou geheel in lijn zijn met onderzoek dat laat zien dat werkers in de publieke sector pro-socialer zijn dan in de marktsector. Denk aan Werkers in publieke sector zijn pro-socialer dan in bedrijfsleven en aan Mensen die er meer voor anderen willen zijn, werken meer in de publieke sector dan in de marktsector.

maandag 19 juni 2017

Politiek is niet een debatwedstrijd, maar een zaak van leven en dood - Chris Dillow over de Grenfell-ramp

Het aantal doden als gevolg van de brand in de Grenfell Tower in Londen is nu naar alle waarschijnlijkheid opgelopen tot 79. De ramp is bezig het symbool te worden van een gebroken Groot-Brittannië, van een land waar nu al jaren lang de ideologie van de kleine overheid, de bezuinigingszeepbel, hoogtij vierde.

De ellende die dat idiote bezuinigingsbeleid veroorzaakte, juist ook in economische zin idioot, kon lang verborgen blijven, maar komt nu wel heel schrijnend aan het licht. In Grenfell Tower, blijkt nu, werd onverantwoord bezuinigd op de brandveiligheid. Vanity Fair omschreef dat als volgt:
Indeed, as we now know, the apartment block had just one external stairway, no central alarm or sprinkler systems, and was clad in a combustible material that would have generally been banned in the United States for buildings taller than 40 feet. The tenants were essentially living on the top of a highly inflammable firetrap, one in which mass evacuation was impossible, as was evidenced when a few of victims filmed their last moments with their phones. The authorities appeared to have ignored multiple warnings that drew from the experience of fires in other properties under their control, simply because they were not constrained by the law and knew the tenants were powerless to do anything. The conclusion seemed clear to many—if the complaints and warnings had been made by tenants in any of the wealthier areas of the Royal Borough of Kensington and Chelsea, something would have been done.
Daarmee staat de brand symbool voor wat een politiek kan aanrichten die in de neo-liberale fantasiewereld gelooft van de overheid als probleem in plaats van als oplossing. Minder regulering, meer privatisering, minder sociale zekerheid. Denk ook even aan dat andere symbool, de prachtige en ontroerende film I, Daniel Blake van Ken Loach. En neem kennis van de protesten waar de ramp aanleiding toe heeft gegeven: ‘We want justice’: Grenfell Tower protests spill on to streets.

Chris Dillow verbindt er de les aan dat politiek niet zomaar een debatspelletje is, maar een zaak van leven en dood. De media in Engeland, maar evenzeer in Nederland, hebben er een handje van om politiek als een vorm van amusement te presenteren. Dat zal wel iets te maken hebben met de strijd om kijkcijfers. Dillow daarover:
There’s one aspect of the Grenfell catastrophe that is perhaps under-appreciated – that it should finally kill off what is perhaps the dominant conception of politics in the media.
I’m thinking here of the idea that politics is an Oxford Union-style game. There’s jockeying for position, gossip and backbiting in which (over)-confidence, fluency and a particular conception of “credibility” are prized above all, but the game is mostly among jolly good chaps. And it’s a low-stakes one. The worst crime is to conduct a “car crash” interview, and the losers retire to spend more time with their trust funds and sinecures.
De hoop is dat het drama eraan bijdraagt dat politiek weer gezien wordt als wat het is, een serieuze zaak, die serieus en met verantwoordelijkheidsgevoel dient te worden beoefend en in de media behandeld. Daarzonder kan de democratie niet gedijen.
Herein lies my hope. Grenfell might – just might - be a turning point. It shows that politics can no longer be seen as a debating game from which the poor are excluded. It must instead become a serious matter which has life and death consequences, in which the interests and voices of the worst off are finally given full value, and in which there's no place for childish games.
De blogs van Chris Dillow (op Stumbling and Mumbling) zijn eigenlijk altijd stof tot nadenken.

woensdag 14 juni 2017

Waardoor hebben adolescenten eigenlijk niet allemaal het gevoel dat ze zichzelf kunnen zijn?

Adolescenten staan in onze manier van samenleven voor grote uitdagingen. Ze moeten voldoen aan de eisen van de school en ze moeten een plek zien te vinden in de sociale omgeving van de leeftijdsgenoten. Adolescenten zijn in onze maatschappij ook altijd scholieren.

Dat zijn uitdagingen die slecht tegemoetkomen aan de menselijke behoefte aan authenticiteit, aan de behoefte om jezelf te kunnen zijn. Het onderwijs blijft nu eenmaal een setting waarin je door een molen gaat van vakken, roosters, proefwerken, huiswerkverplichtingen en examens. En de peer group nodigt uit tot een strijd om wie populair is en in die strijd kun je vaak juist niet jezelf zijn.

In de studie Happy To Be “Me?” Authenticity, Psychological Need Satisfaction, and Subjective Well-Being in Adolescence keken onderzoekers naar het belang van jezelf kunnen zijn voor het welzijn van adolescenten. De mate waarin je van oordeel bent dat je jezelf kunt zijn, werd vastgesteld met de Authenticity Scale, die eruit bestaat dat je van de volgende 12 uitspraken moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn:
  1. I think it is better to be yourself, than to be popular.
  2. I don’t know how I really feel inside.*
  3. I am strongly influenced by the opinions of others.*
  4. I usually do what other people tell me to do.*
  5. I always feel I need to do what others expect me to do.*
  6. Other people influence me greatly.*
  7. I feel as if I don’t know myself very well.*
  8. I always stand by what I believe in.
  9. I am true to myself in most situations.
  10. I feel out of touch with the ‘real me.’*
  11. I live in accordance with my values and beliefs.
  12. I feel alienated from myself.*
Hoe minder je de uitspraken met een sterretje op jou van toepassing vindt en hoe meer de andere uitspraken, hoe meer je het gevoel hebt dat je authentiek kunt zijn.

Uit het onderzoek, deels in Nederland en deels in Engeland uitgevoerd, blijkt een duidelijke samenhang tussen de mate van authenticiteit en het welzijn (gemeten aan het ervaren van positieve en negatieve gevoelens en aan de tevredenheid met het leven). Je voelt je beter als je meer jezelf kunt zijn.

Voor alle duidelijkheid, dat wijst erop dat adolescenten/scholieren dus maar beperkt zichzelf kunnen zijn. Hoogstwaarschijnlijk als gevolg van die structuren die wij aan hen opleggen, die van de school en van de groep van leeftijdsgenoten. Een (flink) deel slaagt er desondanks in om toch behoorlijk goed zichzelf te zijn, maar een ander deel lukt dat veel minder. En dat blijkt gevolgen te hebben voor hoe je je voelt. Hoe minder authenticiteit, hoe minder positieve gevoelens, hoe meer negatieve gevoelens en hoe minder tevreden met je leven.

De onderzoekers keken ook naar de samenhang met de mate waarin werd tegemoetgekomen aan de intrinsieke behoeften aan autonomie, verbondenheid met anderen en competentie. (Denk aan de zelfbeschikkingstheorie.)  Het bleek toen dat degenen die meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn, ook hoger scoorden op de mate waarin aan die drie behoeften werd tegemoetgekomen.

En dat zegt dus ook iets over de beperkte mate waarin onze adolescenten een leven kunnen leiden waarin die drie fundamentele, intrinsieke behoeften kunnen worden gerealiseerd.

Want zou eigenlijk niet iedereen dat gevoel van autonomie moeten kennen, het gevoel dus van niet alleen maar te moeten doen wat anderen zeggen? En dat gevoel van verbonden te zijn met anderen? En dat gevoel van competentie, van iets te kunnen wat de moeite waard is?

maandag 12 juni 2017

Een natuurlijk experiment met een kleinere overheid. Het Kansas-debacle

In de Amerikaanse staat Kansas hebben de Republikeinen, de ideologen van de kleine overheid, de afgelopen jaren hun kans gegrepen om hun ideologie in de praktijk te brengen. Onder leiding van Gouverneur Sam Brownback voerden ze drastische belastingverlagingen door, met de vaste overtuiging dat ze door deze "adrenalinestoot" snel de economische groei zouden kunnen aanjagen.

Met dit "natuurlijke experiment", zoals Brownback het noemde, zou vast en zeker bewezen worden dat een kleinere overheid beter is voor de economie. Geheel in overeenstemming met de adviezen van economen als Arthur Laffer en Stephen Moore, die eerder President George W. Bush aanzetten tot belastingverlagingen en die nu de auteurs-op-de-achtergrond zijn van de belastingplannen van President Donald Trump.

Maar de feitelijke ontwikkelingen in Kansas komen niet overeen met de hooggestemde verwachtingen. De economische groei en de groei van de werkgelegenheid lopen juist sterk achter bij het gemiddelde van de andere staten. Bovendien heeft de staat grote budgettaire problemen. Terwijl sterk bezuinigd werd op de uitgaven aan infrastructuur en onderwijs. Het Hooggerechtshof greep in met het oordeel dat het gebrek aan middelen in het onderwijs indruiste tegen de Grondwet.

Gematigde Republikeinen die dit beleid aanvankelijk ondersteunden, keren nu op hun schreden terug. Samen met de Democraten beschouwen ze het experiment als mislukt en hebben ze de belastingverlagingen grotendeels teruggedraaid. Tegen de wil van Brownback en andere diehard conservatieven in. Zie de recente berichten Kansas Republicans raise taxes, ending their GOP governor’s ‘real live experiment’ in conservative policy en Kansas Republicans end the state’s failed tax reform experiment. Update. En Finally, Something Isn’t the Matter With Kansas.

Het is een interessante ontwikkeling. De neoliberale ideologie van de kleine overheid kent nog steeds veel aanhangers, ook in Nederland. Mark Rutte behoort daartoe, maar ook de PvdA en de meeste andere politiek partijen. Het is de ideologie die ten grondslag lag aan het idee dat je er juist in een crisis snel weer bovenop komt door, procyclisch, snel en veel te gaan bezuinigen. Eigenlijk hebben we daarmee ook in Nederland een natuurlijk experiment meegemaakt. Dat net als in Kansas geheel verkeerd uitpakte (hoewel de media dat angstvallig proberen te negeren). Zie nog maar weer eens Bas Jacobs, Coen Teulings en de ING.

Dat verband tussen de omvang van de overheid en de economische groei ligt natuurlijk veel genuanceerder als je echt de moeite neemt om naar de wetenschappelijke literatuur te kijken. Die overzie ik geloof ik niet in zijn geheel, maar het lijkt me dat GOVERNMENT SIZE AND GROWTH: A SURVEY AND INTERPRETATION OF THE EVIDENCE van Andreas Bergh en Magnus Henrekson de stand van zaken goed weergeeft.

Zij komen tot de conclusie dat voor de rijkere landen inderdaad geldt dat een grotere omvang van de overheid (als percentage van het BNP) samengaat met een wat lagere economische groei. Maar ook geldt dat de richting van het oorzakelijke verband eigenlijk niet valt te achterhalen:
In fact, it is close to conceptually meaningless to discuss a causal effect from an aggregate such as government size on economic growth. Thus, scholars like Kneller et al. (1999) and Bassaniniet al. (2001) have in our view rightly concluded it is more fruitful to analyse separately the mechanisms through which different taxes and expenditure affect growth. Not all taxes are equally harmful, and some studies identify public spending on education and public investment to be positively related to growth.
Maar ook wijzen Bergh en Henrekson op het gegeven dat er landen zijn, zoals de Scandinavische landen, waar een omvangrijke overheid juist heel goed samengaat met hoge economische groei. En dat zou er aan kunnen liggen dat dat landen zijn met een hoge mate van vertrouwen van burgers in elkaar. Dat vertrouwen maakt een omvangrijke overheid mogelijk, met weinig corruptie en weinig belastingontwijking en -fraude. Terwijl vertrouwen bovendien goed is voor de economie.

Dat is boeiend, als je bedenkt dat die ideologie van de kleine overheid psychologisch gezien wel eens zou kunnen voortkomen uit een lage mate van vertrouwen in anderen. Als je anderen wantrouwt, dan wil je zo weinig mogelijk van anderen afhankelijk zijn. En wil je dus zo weinig mogelijk collectief regelen.

Anderen zijn er immers alleen maar op uit om van jouw inspanningen te profiteren. Klaplopers en profiteurs! Moochers! Daar wil je niets mee te maken hebben. In die psychologie van de kleine overheid zou wantrouwen wel eens de cruciale factor kunnen zijn.
Update. Lees nu ook Paul Krugman over het Kansas-debacle en over de republikeinse partij: We’re Not Even In Kansas Anymore.

vrijdag 9 juni 2017

Over de negatieve gezondheidseffecten van politiek die haat, vooroordeel en verdeeldheid zaait

We weten al veel over het verband tussen de persoonlijke sociale omgeving waarin mensen verkeren en hun gezondheid. Dan gaat het erover dat eenzaamheid en de stress van statuscompetitie de kans op gezondheidsproblemen vergroten. Zie De weg van eenzaamheid en sociale stress via verhoogde ontstekingsactiviteit naar gezondheidsproblemen.

Maar onze sociale omgeving omvat meer dan de persoonlijke relaties die we wel of niet hebben. Er is daaromheen ook het wijdere publieke domein, waarin de politiek zich afspeelt.

En ook de politiek kan onze gezondheid beïnvloeden. Natuurlijk in de eerste plaats doordat die politiek tot beleidsmaatregelen leidt die uitwerkingen hebben op onze gezondheid. Denk even aan de WRR-lezing van Martin McKee van eind vorig jaar (Martin McKee over het vergeten belang van verzorgingsstaat en bestaanszekerheid).

Maar daarnaast staan we ook bloot aan wat politici te melden hebben en aan de stemming en de atmosfeer die ze daarmee in het land creëren.

Als ze oproepen tot vooroordeel, haat en verdeeldheid, dan heeft dat een negatieve uitwerking op de gezondheid van bevolkingsgroepen. In het medisch tijdschrift The New England Journal of Medicine vragen onderzoekers daar aandacht voor: Health Effects of Dramatic Societal Events — Ramifications of the Recent Presidential Election. Zie ook dit bericht op Vox voor een interview met een van de onderzoekers: Study: the wave of hostility under Trump is going to make us sick.

De aanleiding daartoe is de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. Het lijkt erop dat die verkiezing het onderlinge gedrag van Amerikanen negatief heeft beïnvloed en het anti-minderhedensentiment in het land heeft versterkt. Ik stond daar in het bericht van gisteren al bij stil (Over de slechte invloed van statuscompetitieve leiders. En dus over Donald Trump). 

Een indruk van de ontstane atmosfeer geeft deze passage uit dat artikel:
One of the first postelection messages on the Daily Stormer, a hate website, claimed that the election was a referendum on “multiculturalism” and encouraged verbal intimidation of foreigners, especially those wearing Islamic clothing. It declared, “We want these people to feel unwanted. We want them to feel that everything around them is against them. And we want them to be afraid.”
Waarna de onderzoekers een overzicht geven van de aanwijzingen dat zulke vormen van racisme, vooroordelen tegen minderheden en vijandigheid tegen immigranten negatieve gezondheidseffecten hebben op de betreffende bevolkingsgroepen. Die effecten ontstaan deels doordat mensen rechtstreeks blootstaan aan zulke gedragingen en uitingen, maar ook door een algehele toename van zorgen, waakzaamheid en piekeren.

Politiek is, dat wisten we natuurlijk al, niet een onschuldig tijdverdrijf. Maar niet alle politici lijken daar oog voor te hebben.

woensdag 7 juni 2017

Over de slechte invloed van statuscompetitieve leiders. En dus over Donald Trump

De tijd waarin we leven is boeiender dan je zou wensen. Dat wil zeggen dat je vaak je hart vasthoudt voor hoe het verder moet. Toekomstige historici zullen er met de afstand die dan mogelijk is verstandige dingen over kunnen zeggen. Nu kunnen we niet veel meer doen dan proberen om de eerste indrukken zo goed mogelijk onder woorden te brengen.

Een van die indrukken die zich aan mij opdringen is dat we in het publieke domein in alle hevigheid een periode van strijd meemaken tussen de algemeen-menselijke, aan elkaar tegengestelde neigingen tot enerzijds statuscompetitie en anderzijds gemeenschapsgedrag. Waarbij het erop lijkt dat de statuscompetitie aan de winnende hand is.

Als het statuscompetitiepatroon overheerst, dan gaan mensen ervan uit dat je niet op de goedgezindheid van anderen kunt vertrouwen. Je moet altijd op je hoede zijn. En om te voorkomen dat anderen over je heen lopen, waar ze altijd op uit zijn, moet je je altijd krachtig en vastberaden proberen voor te doen.

Laat nooit je kwetsbare kanten zien. Straal krachtdadigheid uit. Intimideer anderen, om te voorkomen dat anderen jou intimideren. Beschouw anderen als instrumenten om jouw doelen te bereiken, om een zo hoog mogelijke positie in de statushiërarchie te bereiken. Ga allianties aan, maar alleen met dat doel. Laat anderen meteen vallen als ze niet meer voor jou nuttig zijn.

Statuscompetitie gaat dus altijd gepaard met een sterke nadruk op uiterlijkheid en uiterlijk vertoon. Het theatrale staat voorop. Enscenering is van levensbelang.

Het gedrag van veel van onze hedendaagse leiders en anderen die leiderschap ambiëren past naadloos in dat statuscompetitiepatroon. Waar je dan natuurlijk meteen aan denkt is het gedrag van Donald Trump, de leider van het machtigste land ter wereld.

Ik denk even aan dit bericht van gisteren dat de nadruk op het theatrale en de enscenering mooi illustreert: Trump launches infrastructure initiative with fake signing ceremony. Het gebeuren zou vermakelijk zijn als het een minder machtige leider betrof. Ik citeer even de eerste alinea:
Donald Trump, a fan of spectacles and spotlights, has a habit of signing executive orders that don’t actually do anything. The president likes to appear before cameras and give the appearance of work, but in nearly every instance, Trump’s “accomplishments” are little more than political theater.
Die hang naar het theatrale, met volstrekt voorbijgaan aan enige eigen inhoudelijke inbreng, blijkt ook dit interview met Trumps biograaf: Trump biographer: "He's an actor who's been playing himself for his entire life".

En ik denk aan de mooie column van David Brooks van al weer een paar dagen geleden: Donald Trump Poisons the World (met dank aan Arie Glebbeek). Waarin Brooks niet alleen precies dat statuscompetitiepatroon beschrijft, maar vooral ook waarschuwt voor de sociale beïnvloeding die ervan uitgaat als zulk gedrag prominent in de media belicht wordt.

Goede leiders hebben, schrijft Brooks, wel degelijk oog voor de egoïstische en competitieve kanten van de menselijke sociale natuur, maar, zo vervolgt hij:
they have another foot in the realm of the moral motivations. They seek to inspire faithfulness by showing good character. They try to motivate action by pointing toward great ideals.
Realist leaders like Trump, McMaster and Cohn seek to dismiss this whole moral realm. By behaving with naked selfishness toward others, they poison the common realm and they force others to behave with naked selfishness toward them. (McMaster en Cohn zijn medewerkers van Trump)
By treating the world simply as an arena for competitive advantage, Trump, McMaster and Cohn sever relationships, destroy reciprocity, erode trust and eviscerate the sense of sympathy, friendship and loyalty that all nations need when times get tough.
By looking at nothing but immediate material interest, Trump, McMaster and Cohn turn America into a nation that affronts everybody else’s moral emotions.
Dat het gedrag van een slechte leider als Donald Trump ook inderdaad invloed uitoefent, blijkt uit het bericht Kids Are Quoting Trump To Bully Their Classmates And Teachers Don’t Know What To Do About It.

Kinderen herkennen het gedrag maar al te goed en zien het als een aanmoediging om zich net zo te gedragen. Buzzfeeds News inventariseerde 54 incidenten verspreid over de Verenigde Staten, waarin een leerling een mede-leerling bestookt met verwijzing naar Trump als een soort van rechtvaardiging. Ik citeer:
On a school bus in San Antonio, Texas, a white eighth-grader said to a Filipino classmate, “You are going to be deported.” In a classroom in Brea, California, a white eighth-grader told a black classmate, “Now that Trump won, you're going to have to go back to Africa, where you belong.” In the hallway of a high school in San Mateo County, California, a white student told two biracial girls to “go back home to whatever country you're from.” In Louisville, Kentucky, a third-grade boy chased a Latina girl around the classroom shouting “Build the wall!” In a stadium parking lot in Jacksonville, Florida, after a high school football game, white students chanted at black students from the opposing school: “Donald Trump! Donald Trump! Donald Trump!”
Je vraagt je dus wel af hoe dat moet aflopen nu we zulke slechte leiders aan de macht hebben. En zoveel media-aandacht voor andere figuren die die macht ambiëren.

dinsdag 6 juni 2017

Hoe langer in flexibele arbeidsrelaties, hoe meer stress en hoe slechter de gezondheid

Een van de neoliberale obsessies is die met de flexibiliteit van de arbeidsmarkt. Terwijl in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog de voordelen werden ingezien van langdurige arbeidsrelaties (de invisible handshake in plaats van de invisible hand), heerst nu de opvatting dat "de economie" vraagt om flexibiliteit. Banen voor het leven bestaan niet meer en horen ook niet meer te bestaan.

Dat heeft zoals bekend zijn uitwerking niet gemist. Volgens het CPB (Flexibiliteit op de arbeidsmarkt) hadden in 2016 vier van de tien werkenden geen vast contract. Zowel het aandeel flexibele dienstverbanden als het aandeel zzp'ers nam sterk toe, sterker dan in de meeste andere landen.

Die snelle toename leidt wel tot discussie over de voordelen en de nadelen ervan. Zo was er vorige week de KVS-lezing aan gewijd, met bijdragen van Bas Jacobs, Paul de Beer en Bas ter Weel (Flexibiliteit op de arbeidsmarkt, vloek of zegen?)

Maar mijn indruk is dat die discussie zich vooral afspeelt binnen de nauw getrokken grenzen van de economie. Als voordeel wordt opgevoerd dat meer flexibiliteit goed is voor het "aanpassingsvermogen" van de economie. Hij brengt ons dichter bij het ideaal (de fantasiewereld) van de zo onbelemmerd mogelijke werking van het marktmechanisme.

Maar daar staan nadelen tegenover, zoals minder loyaliteit met het bedrijf, minder scholing op het werk en een grotere (bestaans-)onzekerheid. Het CPB zegt daarover:
Op economische gronden valt niet te zeggen welk aandeel flexibele arbeidsrelaties in de beroepsbevolking wenselijk is. Een flexibele arbeidsmarkt heeft voordelen, zoals een sterker aanpassingsvermogen van de economie. De nadelen die aan flexibele arbeidsrelaties zijn verbonden, komen echter voor een betrekkelijk groot deel voor rekening van zwakkere groepen op de arbeidsmarkt. 
Maar er valt veel voor te zeggen dat de negatieve welzijns- en gezondheidseffecten van flexibilisering in die discussie te weinig aandacht krijgen.

Een voordeel van langdurige arbeidsrelaties is dat ze beter tegemoetkomen aan de fundamentele menselijke behoefte aan bestaanszekerheid. Dat kan doen vermoeden dat flexibilisering inderdaad negatief uitwerkt op welbevinden en gezondheid en daarmee ook economische kosten met zich meebrengt (ziekteverzuim, gezondheidszorg).

Het nieuwe onderzoek The Unintended Consequences of Flexicurity: The Health Consequences of Flexible Employment geeft een goed inzicht in die negatieve effecten van flexibele arbeidsrelaties (hier full text).

De onderzoekers kunnen met gebruikmaking van de gegevens van de British Household Panel Survey de gezondheidseffecten inschatten van de duur die werknemers in flexibele arbeidsrelaties hebben doorgebracht (seizoenswerk en tijdelijke contracten).

Daaruit komen de negatieve gezondheidseffecten (zoals op zelf ervaren gezondheid, hartproblemen, spijsvertering, ademhaling, angst/depressie en migraine) duidelijk naar voren. Die effecten bleven bestaan toen de onderzoekers er rekening mee hielden dat het verband ook omgekeerd kan zijn: dat gezondheidsproblemen de kans op een flexibele arbeidsrelatie vergroten.

Bovendien kan het onderzoek licht werpen op hoe deze effecten tot stand kwamen. Het bleek namelijk dat het ervaren van stress de tussenliggende stap is tussen flexibiliteit en de gezondheidsproblemen. Hoe langer in flexibele arbeidsrelaties, hoe meer stress (slapeloosheid, besluiteloosheid, gespannenheid, kwetsbaarheid, vertrouwensverlies) en daardoor meer gezondheidsproblemen.

Zoveel flexibiliteit is dus niet goed voor mensen. Zo verwonderlijk is dat niet. Er wordt wel gedacht dat vooral jongeren die onzekerheid niet zo erg vinden. Maar juist ook jongeren willen graag een vast contract: Millennials willen echte banen: vast en zeker.

donderdag 1 juni 2017

Er zijn twee motivaties voor pro-sociaal gedrag: streven naar geluk en voldoen aan morele verplichting

Hoe zouden kinderen (van 3 en van 5 jaar) een beloning (zes stickers) anoniem verdelen over zichzelf en een ander kind, als ze die beloning zelf verdiend hadden en ze dus niet hoefden te delen, en als die beloning samen verdiend was en er dus een gevoel van morele verplichting bestond om te delen? En waar zouden ze gelukkiger van worden, van delen in het geval dat delen niet hoeft of van delen in het geval van een verplichting?

In beide gevallen is het delen een vorm van pro-sociaal gedrag. De kinderen hadden ook egoïstisch de stickers voor zichzelf kunnen houden.

We weten dat je door pro-sociaal gedrag je geluksgevoel kunt vergroten. Ook kinderen blijken dat inzicht te hebben. Zie Hebben kinderen beter door dan volwassenen dat je je door te delen gelukkiger voelt?

Maar zou dat gelukseffect ook bestaan als dat delen voortkomt uit een gevoel van morele verplichting? En zou het dan dus zo zijn dat in beide gevallen de motivatie voor het delen er uit kan bestaan dat je verwacht je er gelukkiger door te voelen?

Het pas verschenen onderzoek Motivation Counts: Autonomous But Not Obligated Sharing Promotes Happiness in Preschoolers wijst erop dat dat geluksgevoel alleen optreedt in het geval van het spontane delen.

In de experimentele onderzoeksconditie waarin je spontaan kon delen, waren de kinderen die dat gedaan hadden, gelukkiger dan de kinderen die egoïstisch alle stickers voor zichzelf hadden gehouden. (De verschillen in geluk werden vastgesteld door onafhankelijke beoordelaars, die de emotionele expressie van de kinderen codeerden volgens een vaker gebruikt en gevalideerd procedé.)

Daartegenover was er in de conditie waarin er een morele verplichting bestond om te delen, geen verschil in geluk tussen de kinderen die deelden en de kinderen die alles voor zichzelf hielden.

Je ziet de resultaten in het plaatje afgebeeld. Links de conditie van het spontane (autonome) delen en rechts die van het moreel verplichte delen. De hoogtes van de staafjes staan voor de mate van geluk. In het geval van egoïstisch gedrag is het staafje blauw en in het geval van pro-sociaal gedrag oranje.



In de conditie van het spontane delen is het verschil groot genoeg om statistische significantie te bereiken. Als het delen moreel verplicht was, zie je dat het egoïstische gedrag juist gepaard ging met meer geluk, maar het verschil is niet groot genoeg om toeval te kunnen uitsluiten.

Wat natuurlijk ook opvalt is dat er in het geval van morele verplichting meer gedeeld werd dan in het geval van het spontane delen (het blauwe staafje rechts is langer dan het blauwe staafje links). Dat wijst er op dat een gevoel van morele verplichting ook inderdaad werkt zoals "bedoeld".

De resultaten zijn in de lijn met eerder onderzoek dat er op wijst dat pro-sociaal gedrag op tweeërlei wijze gemotiveerd kan zijn:
  • als een gedrag waarvan je verwacht of kunt verwachten dat je je er gelukkiger door voelt (pleasure-based prosocial motivation
  • of als een gedrag waartoe je je moreel verplicht voelt (pressure-based prosocial motivation). 
En dat is om over na te denken. Want pro-sociaal gedrag kan dus zowel voortkomen uit ons streven naar het goede gevoel (hedonisme) als uit onze behoefte om te voldoen aan een gevoel van morele verplichting.  Het is dus zaak om altijd beide motieven als mogelijke verklaringen en veroorzakers van pro-sociaal gedrag in de beschouwing te betrekken.