dinsdag 30 juli 2019

Wat maakt het uit om vaker verhuisd te zijn? Over vertrouwdheid en sociale vluchtigheid

In de mensheidsgeschiedenis heeft de periode dat mensen hun leven doorbrachten in de sociale kring van vertrouwde anderen, verreweg het langst geduurd. Op die onderlinge vertrouwdheid zijn we als groepsdier nog altijd ingesteld. Maar we leven tegenwoordig in een nog maar klein kringetje van onderlinge vertrouwdheid, omgeven door een zee van sociale vluchtigheid.

Dat neemt niet weg dat er grote verschillen bestaan tussen mensen in de mate waarin ze vertrouwdheid dan wel sociale vluchtigheid ervaren. Veel sociaalwetenschappelijk onderzoek gaat over die verschillen en over de oorzaken daarvan.

Een onderzoekslijn in dat verband gaat over wat het voor mensen betekent om vaak verhuisd te zijn of om in een buurt te wonen met een hoge mate van "residentiële mobiliteit", een buurt dus met sterk wisselende samenstelling.

Een bekend onderzoeker op dat terrein is Shigehiro Oishi. Sterker, hij is die onderzoekslijn. We kwamen hem al tegen in het bericht Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen.

Nu is er van Oishi, samen met Hyewon Choi, een nieuw overzicht van onderzoek: The Psychology of Residential Mobility: A Decade of Progress. Hieronder een lijstje met inzichten die daaruit zijn voortgekomen.

1. Mensen die in hun jeugd vaker verhuisd zijn, zien hun eigen persoonlijkheid (personal self) als centraler dan hun groepslidmaatschappen (collective self).

2. Mensen die vaker verhuisd zijn of in buurten wonen waarin vaker verhuisd wordt (mobiele buurten), hebben een meer voorwaardelijke (minder hechte) band met de groepen waartoe ze zich rekenen. En ze hebben een voorkeur voor zulke groepen, waar je makkelijk kunt toetreden en ook makkelijk weer afscheid van kunt nemen. In lijn daarmee zijn er in meer mobiele Amerikaanse staten meer megakerken en in meer mobiele steden meer meetup-groepen.

In dit NRC.nl bericht uit 2017 over megakerken in Nederland (Een reuzenhal waar je de ‘flow’ voelt) komt een bezoeker aan het woord die verklaart: „Tijdens zo’n dienst voel je je enorm connected met anderen.” Wat suggereert dat die megakerken een instant-verbondenheid bieden als substituut voor meer authentieke verbondenheid die mensen in hun dagelijks leven missen.
Ik vroeg me in dat verband af of het gebruik van dating apps zoals Tinder in de meer mobiele omgeving van de grote stad meer voorkomt (ook als je controleert voor leeftijd) of daar meer een andere functie heeft dan in de meer stabielere sociale omgeving van het platteland. Het zou kunnen dienen als middel tot instant-verbondenheid in de gevallen waarin het gaat om one-night stands. Maar anders dan met die megakerken gaat het hier vaak om de zoektocht naar een stabiele partner. En in die gevallen is in de stedelijke omgeving het aanbod groter, waardoor de stad aantrekkelijker is als je op zoek bent. Lees stadsgeograaf Cody Hochstenbach daarover naar aanleiding van het Amerikaanse onderzoek dat laat zien dat inmiddels bijna 40 procent van de heteroseksuele stellen elkaar online heeft ontmoet: Hoe Tinder de stad woest aantrekkelijk maakt.

3. Mensen die vaker verhuisd zijn hebben gefragmenteerde (minder dichte) netwerken, wat wil zeggen dat hun contacten meer gespreid zijn over activiteiten of contexten. De een ontmoet je alleen bij de sportclub, de ander alleen op je werk of alleen als buur en nog weer een ander alleen als familielid. Het gefragmenteerde zit er in dat de mensen die jij kent elkaar niet kennen.

4. Het op jeugdige leeftijd vaker verhuisd zijn heeft negatieve effecten op het gebied van onderwijsloopbaan, welzijn en gezondheid

5. Alleen voor mensen in een meer mobiele, dus wisselende, sociale omgeving is een groter sociaal netwerk belangrijk voor financieel succes en sociale stijging. Hoe wisselender je sociale omgeving, hoe meer het er dus op aankomt om meer mensen te kennen. Dat zijn dan instrumentele contacten, waarmee je hulp en informatie uitwisselt.

Tenslotte: Choi en Oishi noemen als een mogelijk voordeel van een een meer wisselende sociale omgeving dat mensen minder wantrouwend en vijandig zouden staan tegenover vreemden, zoals immigranten.
Maar is dat wel zo? In een meer stabiele sociale omgeving voelen mensen weliswaar meer verbondenheid met de eigen groep (in-group loyalty), maar dat gaat niet systematisch samen met vijandigheid tegenover andere groepen (intergroup hostility). Die is er alleen in het geval van echte of vermeende bedreigingen. Zie nog eens het bericht De uitspraken van minister Blok sociaalwetenschappelijk bekeken - Politici zouden beter op de hoogte moeten zijn van het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

zondag 28 juli 2019

Zondagochtendmuziek - Erik Satie - Gymnopédies No. 1 and 3 | Symfonieorkest Vlaanderen

Vorige week zondag belanden we op ons fietstochtje door het Reitdiepdal in het noorden van Groningen in het kerkje van Klein Wetsinge. Een prachtige ambiance voor een pianoconcertje, met Bach, Chopin en Satie. En daarna een geweldige lunch. Later op de middag zou Tineke Postma optreden, maar daar konden we helaas niet meer bij zijn.

Satie (1866 - 1925) klonk heel goed in dat mooie kerkje. Ik ontdekte dat muziek van Satie ook georkestreerd is. De Gymnopédie nr. 1 door Debussy en de Gymnopédie nr. 3 door Poulenc. Geheimzinnige muziek, hier uitgevoerd door het Symfonie Orkest Vlaanderen onder leiding van Jan Latham-Koenig.

En ik ontdekte dit interessante, lange betoog van Reinbert de Leeuw in De Gids uit 1971 over Satie en zijn muziek: Monsieur le pauvre. Met deze prachtige alinea:
Tot in de kleinste details waren Satie's wijze van leven, zijn gedrag, zijn manier van converseren excentriek. Dat deze excentriciteit geen uiterlijke façade was of een poging om voor oorspronkelijk door te gaan, bewijst de bijna strenge consequentie waarmee hij zijn bizarre verhouding tot de buitenwereld tot aan zijn dood handhaafde. Hoewel hij de lijnen waarlangs deze communicatie verliep, meer dan eens wijzigde, bleef zijn wonderlijk samengestelde wereld nauwlijks doordringbaar en stelde hij iedereen voortdurend opnieuw voor raadsels.

donderdag 25 juli 2019

Veel van het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar het statusmotief is individualistisch, ja, atomistisch, van opzet

De nieuwe studie Drivers of Desire for Social Rank geeft een fraai overzicht van het onderzoek naar het statuscompetitiemotief, het zich willen inspannen om een hogere status te bereiken. Samen met de eerder verschenen studie Is the desire for status a fundamental human motive? A review of the empirical literature geeft het een aanvulling op de empirische aanwijzingen voor het vermoeden dat de menselijke sociale natuur innerlijk ambivalent is tussen enerzijds het statuscompetitiepatroon en anderzijds het gemeenschapspatroon.

In dat eerste overzicht gaat het over de volgende vijf vragen:
  1. Waarom willen mensen een hoge sociale status?
  2. Bij welke mensen is die wens het sterkst?
  3. Onder welke omstandigheden is die wens het sterkst?
  4. Wat zijn de gevolgen van de wens een hoge status te hebben?
  5. Wanneer en waarom kiezen mensen er voor om niet een hoge status te willen?
Onderaan dit bericht vind je het overzicht dat de onderzoekers maakten van wat onderzoek per vraag aan antwoorden heeft opgeleverd. Zo vind je bijvoorbeeld dat het streven naar status eruit kan voortkomen dat mensen autonoom willen zijn of een gevoel van zelfwaardering willen hebben. En dat het streven naar status sterker is bij mensen met een hoog testosteron-niveau en een hoge dominantie-oriëntatie.

Maar wat bovenal opvalt is dat er in het onderzoek kennelijk geen aandacht is voor de omstandigheid dat mensen bij hun "keuze" voor dat statuscompetitie-motief worden beïnvloed door de "keuzes" van anderen in hun sociale omgeving. (Keuzes tussen aanhalingstekens, omdat er niet altijd een bewuste afweging hoeft te zijn.) Het lijkt alsof al het onderzoek dat hier aan de orde komt, een atomistisch mensbeeld als verborgen veronderstelling heeft. Mensen "kiezen" voor dat statuscompetitiemotief alsof ze alleen op de wereld zijn, los van wat ze waarnemen van de 'keuzes" van anderen. Sociale beïnvloeding bestaat niet.

Anders gezegd: het inzicht van Stelling 2 van de Dual Mode-theorie ontbreekt geheel. Dat is de stelling dat mensen bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen (statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag) sterk beïnvloed worden door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.

En dat is precies het inzicht dat de aandacht vestigt op de sociale processen van bewegingen in de richting van oftewel het statuscompetitie-evenwicht oftewel het gemeenschapsevenwicht. Processen waar Stelling 3 van de Dual Mode-theorie op wijst.

Dat sociale beïnvloedingsproces had gemakkelijk aan de orde kunnen komen waar het gaat om de antwoorden op de vraag naar de omstandigheden waaronder mensen meer of minder het statuscompetitiemotief hebben. Want daar gaat het om omstandigheden waarin de behoefte aan controle en zelfwaardering worden bedreigd.

Omstandigheden die meer zullen bestaan als je meer omgeven wordt door anderen die sterk gemotiveerd zijn om naar status te streven. Want anderen zien jou dan als concurrent en hebben dus niet het beste met jou voor.

Omstandigheden die dus minder zullen bestaan als je meer omgeven bent door anderen die gekozen hebben voor gemeenschapsgedrag. Want die hebben daarmee een sociaal veilige omgeving gecreëerd, waarin mensen het wel goed met elkaar voor hebben.

Opmerkelijk dat veel van het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar wat mensen beweegt, nog zo individualistisch, ja, atomistisch, in elkaar steekt. Je beoefent sociale wetenschap, maar kijkt naar mensen als naar sociale atomen.

Hieronder het overzicht van de vragen en antwoorden dat ik overnam uit die studie Drivers of Desire for Social Rank

Table 1. Key Findings from Drivers of Desire for Social Rank.
Review QuestionsAnswer Summary
Why do people desire high social rank?
Satisfies fundamental desires and needs (e.g., autonomy, need to belong)
Reaps reproductive benefits
Provides a sense of control
Boosts self-esteem
Enhances social acceptance
For whom is the desire for social rank the strongest?
Individuals with high testosterone
Individuals high in self-monitoring
Individuals with abstract information processing style
Individuals high in prestige or dominance-orientations
Under which circumstances is the desire for social rank the strongest?
Situations that threaten or challenge one’s:
o
Control
o
Self-esteem
o
Competence
o
High rank
What are the consequences of the desire for high social rank?
Increased monitoring, attention, and reaction to cues that signal threat to high rank
Behavioral signaling of competence and dominance (e.g., taking more risks)
Building interpersonal capital
Greater negative affect
Reduced life satisfaction
Negative physiological symptoms
Trade-offs in performance and creativity
Unethical behavior and aggression
When and why do people not desire to maximize their social rank?
High rank can be stressful, particularly for those with lower testosterone
To avoid falling short of others’ high expectations
Having high rank is associated with negative perceptions from others (e.g., inauthenticity)

dinsdag 23 juli 2019

Rechts-extremistisch populisme als verschijningsvorm van het statuscompetitiepatroon - aangewakkerd door bestaansonzekerheid

We leven in een tijd van rechts-extremistisch populisme en dus in een tijd waarin het statuscompetitiepatroon de kop opsteekt ten koste van het gemeenschapspatroon. Zie, uit 2017: We maken een tijd mee waarin het statuscompetitiepatroon gaat overheersen in het publieke domein.

Wat populisten gemeen hebben is dat ze bevreesd zijn dat 'het eigene", "het volk", de eigen cultuur, de traditie, bedreigd worden door "vreemden", oftewel de "kosmopolitische elite", die het bestaan van het eigene loochent, het "verraadt", oftewel de letterlijk vreemden, de etnisch of religieuze minderheden en in het bijzonder de migranten. Zie Wat de populisten werkelijk gemeen hebben. Mooie analyse van Jan-Werner Müller.

Het statuscompetitieve karakter van het populisme zit hem in dat rechts-extremistische wereldbeeld van een allesoverheersende statushiërarchie. Het eigene is niet alleen het vertrouwde, maar het is ook fundamenteel superieur aan het vreemde. Wat betekent dat van iedereen dient te worden vastgesteld of hij tot het eigene behoort of daar wel voldoende respect voor betoont of dat hij tot het vijandelijke kamp moet worden gerekend. Love us. Or go back to where you came from.

Door die nadruk op superioriteit heeft het populisme ook altijd een hang tot narcisme. Collectief narcisme, als het om de eigen groep gaat, en individueel narcisme, als een narcist door de populistische horde in het zadel wordt geholpen en vanuit die positie die horde aanvuurt en opzweept.

Het is dus ook niet toevallig dat populisten eigenlijk altijd een persoonlijkheidscultus vormen. En zo de narcistische leider bevestigen in zijn grandioze, maar meestal uiterst kwetsbare, zelfbeeld. Die de indruk weet te wekken dat hij er is voor zijn volgelingen, maar die alleen maar om zichzelf geeft. Een mooie omschrijving van dit patroon geeft Paul Rosenberg in Understanding our bully-in-chief: Donald Trump's "antisocial personality disorder" fits a pattern. En merk op hoe daar de link wordt gelegd met het statuscompetitiepatroon van het pesten onder adolescenten.

Het wordt steeds duidelijker dat het rechts-extremistisch populisme een voedingsbodem nodig heeft van economische bestaansonzekerheid. Zie mijn bericht van vorig jaar voor de empirische aanwijzingen in die richting: Door economische bestaansonzekerheid meer succes van rechts-extremistische partijen - Nieuwe aanwijzingen.

De meeste mensen zijn goed in staat en bereid tot gemeenschapsgedrag. Maar een toestand van veiligheid helpt daarbij. Als die veiligheid in gevaar komt, en het bestaan onzeker wordt, gaan we op zoek naar oplossingen in een wereld die we maar moeilijk doorgronden. En precies daar liggen de kansen voor de narcistische leider, die naast een schare van volgelingen ook altijd vijanden nodig heeft.

Zie over die rol van bestaansonzekerheid vandaag ook Dani Rodrik: What’s driving populism? Met afsluitend als overduidelijke les voor de politiek:
There is little debate here. Economic remedies to inequality and insecurity are paramount.

dinsdag 16 juli 2019

Wat was er voor we ons zelfbewustzijn hadden ontwikkeld? Over het "besef" van het eigen lichaam

Zelfbewustzijn ontstaat bij kinderen zo ongeveer in de tweede helft van het tweede levensjaar. Als het er is, dan zijn kinderen in staat om de spiegeltest te doorstaan. Om zichzelf in de spiegel te herkennen. Zie het bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering.

Met daarin ook de aanwijzingen dat de ontwikkeling van dat zelfbewustzijn een sociaal proces is. Als het kind maar voldoende wordt betrokken in sociale interactie, dan leert het gaandeweg om te kijken naar zichzelf met de blik van anderen. Die voorwaarde van "voldoende sociale interactie" komt ermee overeen dat zelfbewustzijn alleen voorkomt bij bepaalde groepsdieren (chimpansees, olifanten, dolfijnen en mensen).

Maar wat is er dan precies bij kinderen jonger dan twee en een half jaar dat het mogelijk maakt om die stap naar zelfbewustzijn te maken? Omdat dat de periode is van de childhood amnesia, waar we dus geen expliciete herinnering aan hebben, kunnen we ons daar moeilijk een beeld van vormen. Hoe is het om (nog) geen zelfbewustzijn te hebben? Er is iets niet, maar wat is er dan wel?

Een intrigerende vraag, ook al omdat hij ook gaat over onze relatie tot alle andere dieren die zelfbewustzijn ontberen. Wat gebeurt er precies als je met je kat of met je hond communiceert? Wat "denkt" dat beest als jij denkt dat hij jou "begrijpt"?

Vragen waarop we misschien nooit een antwoord krijgen.

Maar we weten wel iets. Dat realiseerde ik me toen ik Other Minds. The Octopus and the Evolution of Intelligent Life van Peter Godfrey-Smith las.

Want daarin vertelt Godfrey-Smith wat de evolutionaire ontwikkeling van organismen die zichzelf kunnen voortbewegen, dieren dus, met zich mee heeft gebracht. Als je je zelf kunt voortbewegen, kruipen, lopen, zwemmen, springen, vliegen, dan maakt het voor je overleving en voortplanting wat uit waar je op welk moment bent. (Terzijde: denk ook even terug aan het bericht Ontstond de hang naar vertrouwdheid op het moment in de evolutie dat levende wezens zich gingen voortbewegen?)

Je moet gevaren vermijden en op tijd voedsel en voortplantingsmogelijkheden vinden, met als restrictie dat voortbeweging energie kost. Dus moet je je omgeving kunnen leren kennen en daarvoor is waarneming nodig. Kijken, horen, voelen, ruiken.

Daardoor ben je in staat om veranderingen in je omgeving waar te nemen. Maar om daar goed op te kunnen reageren, moet je ook in staat zijn om die veranderingen te onderscheiden van de veranderingen die jijzelf teweegbrengt. Je moet dus een besef hebben van wat jijzelf doet en dus van je eigen lichaam. Godfrey-Smith geeft het voorbeeld van de regenworm (p. 83):
An earthworm withdraws when something touches it - the touch might be a threat. But every time the worm crawls forward, it causes part of its body to be touched in just the same way. If it withdrew at every touch, it could never move at all. The worm succeeds in moving forward by canceling the effects of those self-produced touches.
Dieren kunnen dus niet zonder een "besef" van hun eigen lichaam en lichaamsbewegingen. Waardoor ze ook in staat zijn om te "beseffen" dat een object hetzelfde object blijft ook als de positie van waaruit jij het waarneemt, verandert. Dat lijkt een heel eenvoudige vaardigheid, maar probeer je eens voor te stellen hoe die in de evolutie is ontstaan.

Dus: wat was er voor we zelfbewustzijn ontwikkelden? Een "besef" van ons eigen lichaam. En daarmee het vermogen tot waarneming. (Besef steeds tussen aanhalingstekens, omdat we niet goed weten wat dat eigenlijk inhoudt.)

Wel heel toevallig dat ik net vanochtend de mooie studie The Development of Body Self-Awareness onder ogen kreeg. Uit 2007, maar niet eerder opgemerkt. De onderzoekers, onder wie Chris Moore en Daniel J. Povinelli, gingen na of kinderen rondom de anderhalf jaar in staat waren om een speelgoedwinkelkarretje voort te bewegen terwijl daar een matje aan was bevestigd waarop je zou staan als je probeerde om het voort te duwen. Kinderen die er niet in slaagden om het karretje voort te duwen, omdat ze zelf op het matje stonden, hadden kennelijk nog niet een besef van hun eigen lichaam. Als ze er wel in slaagden, gingen ze naast het matje lopen.

Het bleek toen dat er een verband was tussen het succes bij de spiegeltest en bij het oplossen van het matjesprobleem. Kinderen die duidelijk voor de spiegeltest slaagden en waarbij dus het zelfbewustzijn was ontwikkeld, hadden snel door dat ze niet op het matje moesten lopen.

Maar dat het verband niet sterk was, wijst erop dat het "besef" van het eigen lichaam en het zelfbewustzijn niet aan elkaar gelijk zijn. Er waren kinderen die nog niet de spiegeltest doorstonden, dus nog niet zelfbewustzijn hadden, die met wat trial and error er wel in slaagden om het karretje voort te duwen. Dus wel een "besef" hadden van hun eigen lichaam. In de woorden van de onderzoekers:
But what counts as having an objective sense of self? On the one hand, representing self from an objective point of view entails understanding that the self is a unique object. The mirror self-recognition task reveals young children’s awareness of the self as a particular entity—the self is a person who can be differentiated from other people based on visual appearance. On the other hand, representing the self objectively entails recognizing that the self is also an object like other objects—it has physical properties that play a causal role in the world of objects. The shopping cart task assesses this aspect of the self.
Om een besef te krijgen van wat het betekent om geen zelfbewustzijn te hebben, kun je dus proberen om je te verplaatsen in dat kind dat zich niet zelf herkende in de spiegel, maar wel in staat was om te "beseffen" dat je niet een karretje kunt voortduwen als jezelf op het matje staat dat daaraan vastzit.

zondag 14 juli 2019

Zondagochtendmuziek - G. F. Händel, Lascia Chio pianga. Soprano; Julia Lezhneva

Net zo als naar Bach, kun je eigenlijk altijd, elk moment van de dag, naar Händel luisteren. Ook nog eens tijdgenoten, in hetzelfde jaar (1685) geboren.

Hier de wonderschone aria Lascia Chio pianga, die eigenlijk nooit verveelt. Gezongen door Julia Lezhneva, die op dit blog al eens eerder langskwam. Toen zong ze in het Amsterdamse Concertgebouw.

Nu in het Noorse Trondheim, in de open lucht. In de commentaren op YouTube lees je twee opmerkingen over de man achter haar. Volgens de eerste heeft hij net de zin van het leven ontdekt. En volgens de tweede vraagt hij zich af waar hij ook al weer de auto geparkeerd heeft. Ik ga voor de eerste.

vrijdag 12 juli 2019

Statuscompetitie en de eercultuur (culture of honor)

Net zo als het patroon van het gemeenschapsgedrag (zie Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag?), is ook het statuscompetitiepatroon een complex geheel, met verschillende verschijningsvormen. Zie
De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchieSekse-ongelijkheid als verschijningsvorm van statuscompetitie en De oorlog tegen de kwetsbaren en de armen als verschijningsvorm van de statuscompetitie.

Een verschijningsvorm die op dit blog nog maar zijdelings aan de orde kwam (zie 
Mannen, mannelijkheid en statuscompetitie - en weer over Donald Trump) is die van de eercultuur (culture of honor). Daaronder wordt een cultuur verstaan waarin het van het allergrootste belang wordt geacht om je reputatie (je status) en die van je familie en van je gemeenschap te verdedigen tegen bedreigingen en beledigingen.

Dat brengt met zich mee dat je altijd bedacht moet zijn op zulke bedreigingen en beledigingen en ook bij de geringste aanwijzing in die richting moet laten merken dat je daarvan niet gediend bent. En dat laat je merken door altijd met zoveel agressie te reageren dat je een reputatie opbouwt dat er met jou niet valt te spotten.

Dat grote belang van die reputatie hangt er natuurlijk mee samen dat je een wereldbeeld hebt waarin er altijd gevaar dreigt en waarin je nooit zomaar op de goedwillendheid van anderen kunt vertrouwen. Denk aan de twee wereldbeelden van het rechts-extremisme. Wat er meteen op wijst dat rechts-extremisme een politieke verschijningsvorm is van statuscompetitie en eercultuur.

Die eercultuur heeft sociaalwetenschappelijk al de nodige aandacht gekregen. Zo is er onderzoek gedaan waarin staten van de Verenigde Staten waarin die eercultuur meer lijkt voor te komen, vooral de zuidelijke staten, werden vergeleken met de andere staten.

Ryan P. Brown schreef daarover het boek Honor Bound. How a Cultural Ideal Has Shaped the American Psyche, waarin je onder meer kunt lezen dat in eercultuurstaten meer doodslag (argument-based homicide) voorkomt en meer verkrachtingen en huiselijk geweld (beide alleen onder de witte bevolkingen). Ook liggen de uitgaven en de voorzieningen voor geestelijke gezondheidszorg lager in de eercultuurstaten, wat er op wijst dat je in een eercultuur minder makkelijk toegeeft dat je het moeilijk hebt.

Maar er is ook onderzoek waarin geprobeerd is om het aanhangen van de ideeën van de eercultuur als een individueel kenmerk vast te stellen. Zo ontwikkelde diezelfde Ryan P. Brown samen met anderen in 2012 de Honor Ideology for Manhood Scale (HIM), een lijst van 16 stellingen waarvan je kunt aangeven in hoeverre je het er mee eens of oneens bent:
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who calls him an insulting name.
  • A real man doesn’t let other people push him around.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who slanders his family.
  • A real man can always take care of himself.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who openly flirts with his wife.
  • A real man never lets himself be a “door mat” to other people.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who trespasses on his personal property.
  • A real man can “pull himself up by his bootstraps” when the going gets tough.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who mistreats his children.
  • A real man will never back down from a fight.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who steals from him.
  • A real man never leaves a score unsettled.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who vandalizes his home.
  • A real man doesn’t take any crap from anybody.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who insults his mother.
  • A real man is seen as tough in the eyes of his peers.
Het blijkt dan dat degenen die hoger scoorden op deze schaal, dus meer aanhanger waren van de eercultuur, militanter zouden reageren op een mogelijk terroristische daad en meer voorstander waren van extreme ondervragingstechnieken.

Dat bleek ook het geval te zijn als gecontroleerd werd voor Right-Wing Authoritarianism (RWA) en voor de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO). Wat erop wijst dat het aanhangen van de eercultuur nog weer net een ander aspect van statuscompetitie afdekt. Zie voor RWA en SDO het bericht: Over het verband tussen narcisme en rechts-extremisme.

En nu is er ook de studie Honor to the core: Measuring implicit honor ideology endorsement, met Ryan P. Brown als laatste auteur, waarin een impliciete meting van eercultuur wordt gebruikt en getest. 

Dat gebeurt met de Affect Misattribution Procedure (AMP), waarin je woorden krijgt gepresenteerd die gekoppeld zijn aan eercultuur (zoals "eer") en neutrale woorden, waarna je moet aangeven hoe aangenaam je een pictogram (een Chinees teken) vindt. Hoe meer je dan dat pictogram aangenaam vindt als je vlak daarvoor naar een eergerelateerd wordt hebt gekeken, hoe meer je een aanhanger blijkt te zijn van de ideeën van de eercultuur.

dinsdag 9 juli 2019

Hebben de uitvoerders van de verzorgingsstaat nog wel voldoende inzicht in belang van bestaans- en rechtszekerheid?

Op het niveau van nationale staten kun je het gemeenschapsevenwicht dichterbij brengen door mensen in de vorm van de regelingen van de verzorgingsstaat bestaans- en rechtszekerheid te verschaffen. Zie het bericht Het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht op het niveau van nationale staten.

Daarom was de na-oorlogse ontwikkeling van de verzorgingsstaat zo'n belangrijke stap in de geschiedenis.

Maar mensen kunnen het belang ervan uit het oog verliezen. In ons land is dat al een poos aan de gang. In de politiek ontstond het idee dat de verzorgingsstaat niet te handhaven zou zijn en dat het allemaal wat minder moest.

De uitwerking van die gedachte vergrootte de bestaans- en rechtsonzekerheid onder grote delen van de bevolking, met als gevolg een toename van maatschappelijke tegenstellingen en van politiek rechts-extremisme. Dus van een beweging in de richting van het statuscompetitie-evenwicht.

Nu blijkt dat niet alleen de politici, maar ook de ambtenaren van de uitvoeringsinstanties van de verzorgingsstaat, dat belang van bestaans- en rechtszekerheid niet meer zo goed voor ogen hebben.

Actueel speelt er de toeslagen-affaire. Er komt aan het licht dat de Belastingdienst bij honderden, en misschien duizenden, ouders de toeslag voor de kinderopvang onrechtmatig heeft stopgezet. "Toevallig" allemaal ouders met een tweede nationaliteit.

Lees wat Pieter Klein hier gisteren over schreef: Een ongekende heksenjacht. En hoe hij wijst op hoe de rechtszekerheid hier in het geding is:
Dát was de heksenjacht. Tegen honderden goedwillende ouders. Bijna allemaal met een tweede nationaliteit. Op basis van gefabriceerd nep-bewijs en flut-onderzoek. Relevante informatie werd stelselmatig achtergehouden voor rechters en voor de Tweede Kamer. Pas na een reeks onthullingen begon staatssecretaris Snel in juni in te zien dat het in deze zaak grondig mis is, dat de kern van onze rechtsstaat in het geding is, en dat hijzelf ook te lang leed aan 'tunnelvisie'. En dat het niet een enkele ambtenaar was die z’n boekje te buiten ging, maar dat het gewoon staand beleid van de top van de Belastingdienst was om tegen de wet te handelen. En dat sommige ambtenaren intern al in 2015 waarschuwden.
Het is nogal verontrustend dat we er niet meer vanuit kunnen gaan dat ambtenaren doordrongen zijn van het belang van rechtmatigheid en rechtszekerheid.

Eerder hadden we de affaire dat de Belastingdienst en het UWV bij beslag op loon of uitkering in geval van schulden niet de wettelijk voorgeschreven beslagvrije voet bleken te hanteren. Waardoor mensen onder het grondwettelijk voorgeschreven bestaansminimum terecht kwamen. Zie Is in Nederland het recht op het absolute bestaansminimum wel gegarandeerd? Nee dus.

Dat speelt al vanaf 2015. En ook daar moest de Nationale Ombudsman aan te pas komen. Nu is er vandaag, eindelijk, het bericht dat het UWV er voor zorg zal dragen dat het recht op dat bestaansminimum gerespecteerd wordt. Zie op de website van de Nationale Ombudsman: UWV stapt af van laagste beslagvrije voet bij meerdere beslagleggers.

maandag 8 juli 2019

Empirische ondersteuning voor de Moral Politics Theory van George Lakoff - Over de moraliteit van de zorgzaamheid en de moraliteit van-de-strenge-vader

George Lakoff onderscheidt in zijn Moral Politics Theory (MPT) twee morele intuïtie-pakketten, de moraliteit van de zorgzaamheid en de moraliteit-van-de-strenge-vader, die sterk overeenkomen met mijn onderscheid tussen de gemeenschapsintuïties en de statuscompetitie-intuïties. Ik stond daarbij stil in het bericht George Lakoff over morele intuïties in de politiek en over Trump. En over de Dual-Mode theorie.

Bij Lakoff gaat het om intuïties met betrekking tot de verhoudingen binnen het gezin en de opvoeding van kinderen. Volg de link in de vorige alinea voor hoe hij zelf die twee verschillende intuïtie-pakketten omschrijft. En lees daar ook hoe hij die twee ziet als onderling tegenstrijdig (mutually inhibitive): om naar de wereld te kunnen kijken vanuit de intuïties van de zorgzaamheid is het nodig om de intuïties-van-de-strenge-vader te onderdrukken. En andersom. Net zo als de gemeenschapsintuïties en de statuscompetitie-intuïties elkaar niet verdragen.

Lakoff denkt dat die twee moraliteiten weliswaar in de schoot van het gezin en de persoonlijke relaties ontstaan, maar dat ze ook hun uitwerking hebben op hoe mensen over de gewenst inrichting van de maatschappij en dus over de politiek denken. De moraliteit van de zorgzaamheid zou meer in de richting van politiek links (progressive) sturen en de moraliteit-van-de-strenge-vader meer in de richting van politiek rechts (conservative).

In de nieuwe studie Measuring Moral Politics: How Strict and Nurturant Family Values Explain Individual Differences in Conservatism, Liberalism, and the Political Middle krijgen de ideeën van Lakoff empirische ondersteuning. Een ondersteuning die dus ook relevant is voor de eerste stelling van de Dual Mode-theorie.

Onderdeel daarvan is de ontwikkeling en validering van de twee schalen om die twee intuïtie-pakketten te meten en om te controleren of ze inderdaad elkaar uitsluiten. Uit de twee lijstjes van uitspraken kun je aflezen hoezeer ze overeenkomen met de gemeenschapsintuïties en de statuscompetitie-intuïties.

Hier zijn de uitspraken van de moraliteit van de zorgzaamheid, waarbij de (R) betekent dat die uitspraak omgekeerd gecodeerd wordt:
  • Children must learn to see the world through other people’s eyes
  • Parenting means nurturing the child’s true nature.
  • Knowing how to care for others is not a central thing for a child to learn. (R)
  • Children will grow up to be happy adults if parents encourage them to follow their curiosity.
  • In order to truly nurture children one needs to be empathic.
  • Learning to understand others and accepting them for who they are is not important for children to learn. (R)
  • Children shouldn’t feel obligated to care about the well-being of people they do not know. (R)
  • Siblings should receive parental support in accordance to their individual needs
  • I’d rather see my child play cooperatively than play competitively.
  • Tending to the needs of others is not a sign of responsibility in children. (R)
  • Children should learn to understand others needs and attend to them.
  • Parents should empower children as much as possible so that they may follow their dreams.
  • It’s not important for parents to explain to their children why they set certain rules and limits. (R)
  • It’s not critical for children to learn to take the perspective of others into account. (R)
En hier de uitspraken van de moraliteit-van-de-strenge-vader:
  • Children must be disciplined through strict rules at home. 
  • Bad behavior in children must be punished sufficiently.
  • I will not have my child talk back to me.
  • Sometimes it’s okay to let bad behavior in children go unpunished. (R)
  • Children need to be disciplined in order to build character.
  • Obedience must be instilled in children.
  • When grownups talk children ought to be quiet.
  • It’s fine for children to have secrets and hide things from their parents. (R)
  • “Tough love” is required to raise a child right.
  • Children must always be on time.
  • When in doubt, parents should err on the side of lenience rather than strictness. (R)
  • Parents shouldn’t handicap their children by making their lives too easy.
  • While other people must not be one’s concern, within a family, everyone should look after each other. 
  • Children must be taught that people get what they deserve.
  • At times it’s okay for children to disobey their parents. (R) 
Merk op dat het in beide moraliteiten zowel gaat om hoe het in het gezin er aan toe behoort te gaan (zorgzaamheid versus hiërarchie) als om het voorbereiden van kinderen op de maatschappij (onderlinge zorgzaamheid versus ieder-voor-zich).

zondag 7 juli 2019

Zondagochtendmuziek - John Coltrane, Stan Getz, Oscar Peterson, - Hackensack

De tenorsaxofonist Stan Getz (1927 - 1991) trad in 1961 met zijn kwartet op in de Village Gate in New York. Daar werden opnamen van gemaakt, maar die bleven tot voor kort ergens liggen. Getz ontdekte de bossa nova en had daarmee, en samen met Astrud Gilberto, groot commercieel succes. Even geen ruimte meer voor bop en hardbop.

Maar die opnamen zijn nu alsnog uitgebracht: Getz at the Gate. In de Volkskrant maakte Gijsbert Kamer er melding van: Na 60 jaar is dit prachtige stukje jazzhistorie van saxofonist Stan Getz eindelijk uitgebracht. Inderdaad een geweldige toevoeging aan de geschiedenis van de jazz.

Gijsbert Kamer merkt op dat je kunt horen hoe Getz door John Coltrane was beïnvloed. Maar dat Coltrane ook hoog opgaf van het spel van Getz. Hij moet gezegd hebben dat "we allemaal wel zouden willen klinken als Stan Getz als we dat konden".

Er zijn opnamen van hen samen. Zoals deze uit 1960, met Oscar Peterson, Paul Chambers en Jimmy Cobb.

dinsdag 2 juli 2019

De belichaming van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 13

Update. Zie nu ook het bericht Empirische ondersteuning voor de Moral Politics Theory van George Lakoff - Over de moraliteit van de zorgzaamheid en de moraliteit van-de-strenge-vader voor meer ondersteuning voor de eerste stelling van de Dual mode-theorie.
In deel 1 van deze reeks berichten ging het erover dat het voor een maatschappelijk belangrijker vak sociologie nodig is dat het vak zich baseert op empirisch gefundeerde inzichten in wat mensen op sociaal vlak kunnen en willen. Op inzichten dus in de aard van de menselijke sociale natuur. (Zie hier het vorige bericht in deze reeks.)

Zulke inzichten zijn aanwezig en liggen voor het oprapen. Ik vatte ze samen in de drie stellingen van de Dual Mode-theorie. De eerste twee vind je in deel 1 en de derde in deel 2.

Volgens de eerste stelling is de menselijke sociale natuur innerlijk tegenstrijdig: er zijn twee gedragspatronen die mensen gemakkelijk aanleren en uitvoeren, gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, en elk van die twee is slechts uitvoerbaar als de andere wordt onderdrukt.

Ik verwees al naar de evolutionaire achtergrond van dat inzicht en de overlapping met de empirisch onderbouwde life history theory. En ik noemde de aanwijzingen die voortvloeien uit het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar sociale gedragspatronen (relational models).

Maar er is meer te melden over de empirische onderbouwing van die eerste stelling (en indirect over de tweede). Ik realiseerde me dat toen ik de aankondiging zag van de Nederlandse vertaling van
The Polyvagal Theory. Neurophysiological Foundations of Emotions, Attachment, Communication, and Self-Regulation van Stephen W. Porges (De polyvagaaltheorie. De neurofysiologische basis van emoties, gehechtheid, communicatie en zelfregulatie). Verschijnt oktober 2019.
Update. In vertaling is nu verschenen: Stephen W. Porges, De Polyvagaaltheorie en de transformerende ervaring van veiligheid. Traumabehandeling, sociale betrokkenheid en gehechtheid
Die polyvagaaltheorie kwam op dit blog al eens indirect aan de orde, namelijk in het bericht De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren. Maar dat dateert al weer van 2014 en was mij even ontschoten.

Hoe dan ook, ik sloeg er nog eens het hoofdstuk Neurobiology and the Evolution of Mammalian Social Behavior op na, dat Porges samen met C. Sue Carter schreef voor het boek Evolution, Early Experience and Human Development. Daarin vind je een beknopte omschrijving van de empirisch onderbouwde inzichten van die polyvagaaltheorie. Een uitgebreide samenvatting geeft Porges in The polyvagal perspective

Waar het mij nu om gaat, kan ultrakort worden samengevat in het volgende plaatje:


Je ziet drie neurale circuits en bijbehorende gedragspatronen afgebeeld (I, II en III), die hiërarchisch zijn georganiseerd. 

Circuit I is fylogenetisch het oudste, dus in de evolutie het vroegst ontstaan, en wordt aangestuurd door het onderste (beneden het middenrif) gedeelte van het parasympathische zenuwstelsel (de nervus vagus of zwerfzenuw). 
De zwerfzenuw ontspringt uit de hersenen en vertakt zich naar het hoofd (o.a. strottenhoofd en stembanden) en naar de ingewanden van de borst- en buikholte. Het is de belangrijkste parasympathische zenuw van het autonome zenuwstelsel (ANS).
Het bijbehorende gedragspatroon is dat van de immobilisering, het bevriezen, als reactie op dreigend gevaar.

Circuit II is dat van de sympathische vechten-of-vluchten reactie op gevaar en komt overeen met het statuscompetitiepatroon. Het is fylogenetisch recenter en kan pas in werking komen als circuit I wordt onderdrukt.

Circuit III is dat van het nieuwste, parasympathisch hogere (boven het middenrif), patroon, dat rust en herstel mogelijk maakt en daardoor ook communicatie en pro-sociaal gedrag. Het komt overeen met gemeenschapsgedrag en kan ook weer pas in werking komen als circuit II, de statuscompetitie, wordt onderdrukt.

Het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon komen dus overeen met twee van de drie neurale circuits. De vraag die nu even blijft staan is of er goede redenen zijn om apart ruimte te maken voor circuit 1. Update. Op die vraag kom ik natuurlijk nog een keer terug.)

Ter verdere toelichting een citaat van Carter en Porges (p. 142-143):
The newest circuit is the branch of the parasympathetic nervous system that coordinates activity in the face and head, permitting social communication. This newer circuit is used first in response to challenges to the organism. If th enewest circuit fails to provide safety, older survival-oriented circuits are recruited sequentially, with the defensive fight-or-flight response preceding the use of an immobilization response. It is important to note that social behavior, social communication, and visceral homeostasis, as promoted by the newest circuit, are largely incompatible with neurophysiological states and behaviors that are regulated by circuits that support the defense strategies of both "flight and fight" and immoblization. Inhibition of systems that are in general defesive or protective is necessary to initiate social engagement and to allow positive social behaviors. Conversely, positive social behaviors may be inhibited during prolonged periods of adversity. However, systems that support sociality, because they are intertwined with restorative physiological states, also may be protective against the destructive effects of chronic fear or stress.
Met in de laatste zin meteen een verklaring voor de positieve gezondheidseffecten van gemeenschapsgedrag!
Ik zie net dat de polyvagaaltheorie toch ook al wel in een sociologietijdschrift aan de orde is gekomen. Zie On the Elementary Neural Forms of Micro-Interactional Rituals: Integrating Autonomic Nervous System Functioning Into Interaction Ritual Theory uit 2016.