Posts tonen met het label sociale contacten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale contacten. Alle posts tonen

vrijdag 29 juli 2022

Sociale vluchtigheid maakt dat sociale winst niet tot stand komt - mensen zouden vaker "iets van zich moeten laten horen" dan ze doen

We moeten het weer eens over sociale vluchtigheid hebben.

In de maatschappij die wij kennen leidt vrijwel iedereen zijn/haar leven onder de conditie van sociale vluchtigheid. Dat wil zeggen dat de meeste mensen buiten de eigen, vaak kleine, kring van vertrouwde anderen, familie, vrienden. dagelijks te maken hebben, face to face of via sociale media, met anderen die ze niet of alleen maar vluchtig kennen.

Onze sociale leefwereld is dus voor een groot deel vluchtig. Daar groeien we in op, we zijn eraan "gewend" en staan er zelden bij stil. Maar als je bedenkt dat wij een sociale diersoort zijn, die in de loop van zijn evolutie morele gemeenschapsintuïties heeft ontwikkeld, dan dringt zich aan je op dat die sociale vluchtigheid ons voor grote uitdagingen stelt. Scrol maar eens door al die berichten achter het label sociale vluchtigheid om meer te weten te komen over de aard van die uitdagingen.

Het punt is dat we in die vluchtige sociale leefwereld ons niet altijd zo maar door onze morele gemeenschapsintuïties kunnen laten leiden. We zijn daar altijd enigszins of sterk op onze hoede. Misschien komen we in een statusstrijd terecht en dan moeten we daaraan meedoen. Of voelen we de drang om daaraan mee te doen. En dan gaan we voor de zekerheid maar in de aanval. We bluffen en doen stoerder dan we eigenlijk zijn. Of we kruipen in onze schulp omdat de ander ons al heeft geïntimideerd. 

Het gaat er om dat we in die sociaal vluchtige leefwereld altijd onzeker zijn over wat we kunnen verwachten en over hoe we ons het beste kunnen opstellen. Dat maakt dat we in ons leven niet alleen te maken hebben met de sociaal veilige leefwereld van de kring van vertrouwde contacten, maar ook met de sociale onveiligheid van die sociale vluchtigheid. En het is die sociale onveiligheid die maakt dat zoveel mensen lijden aan de stress van statuscompetitie en eenzaamheid en aan de psychische aandoeningen die daaruit voortkomen.

Die sociale onzekerheid is natuurlijk een informatieprobleem. Want je komt misschien met anderen in een statusstrijd terecht, terwijl geen van de betrokkenen daar op uit was. Er is vaak collectieve stoerdoenerij. Om maar niet de eigen kwetsbaarheid te laten zien. Of mensen zijn terughoudend in pogingen om contacten met anderen te leggen (een praatje maken), uit vrees om te worden afgewezen en als zwak of zielig over te komen. Of terughoudend in het vragen om hulp. Terwijl onderzoek uitwijst dat we ons beter voelen door een praatje met een vreemde en als we door anderen om hulp gevraagd worden.

Zo'n informatieprobleem blijkt er ook te bestaan in die gevallen waarin mensen een ooit vertrouwd contact, een goede vriend of vriendin, uit het oog zijn verloren. Dat kan nu eenmaal gemakkelijk gebeuren in een sociaal vluchtige maatschappij. Door verhuizing of baanverandering. Je wilde allebei contact houden, maar dat kwam er niet van. En je voelt nu schroom om opnieuw contact te zoeken. Omdat je niet weet hoe de ander dat zal opvatten. Misschien is er van de andere kant helemaal geen interesse meer in hernieuwd contact. Stel dat de ander koel reageert. Dat kan pijnlijk zijn en dus laat je het erbij.

Welnu, er is goed nieuws. Uit een serie deelonderzoeken waarover in de nieuwe studie The Surprise of Reaching Out: Appreciated More Than We Think verslag wordt gedaan, blijkt dat mensen die zich afvragen of ze "iets van zich zullen laten horen" sterk onderschatten hoe prettig de ontvangers daarvan dat zouden vinden. En die onderschatting maakt dus dat het herstel van oude vriendschappen te weinig gebeurt. Er blijkt sociale "winst" te zijn die niet tot stand komt.

Dat is dus ook een uitdaging van de sociale vluchtigheid. Schroom overwinnen en toch de stap zetten om na lange tijd weer eens iets van je te laten horen. Dat wordt dus meer op prijs gesteld dan je geneigd bent te denken.

vrijdag 10 mei 2019

Door meer contact en dus vertrouwdheid bewegen we naar het gemeenschapsevenwicht - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 7

Update. Zie nu ook deel 8 van deze reeks: Wat is eigenlijk een sociaal probleem? De socioloog kan het je niet vertellen.
Als het vak sociologie zich zou baseren op het inzicht van de ambivalente menselijke sociale natuur  en op het inzicht dat van de twee sociale evenwichten die daaruit voortkomen het gemeenschapsevenwicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht, dan zou dat kunnen helpen om het vak maatschappelijk belangrijker te maken. Zie hier het vorige deel van deze reeks berichten.

Het theoretische construct van het gemeenschapsevenwicht zou dan richtinggevend werken voor onderzoeksvragen en voor beleidsadvisering. Het gaat dan om onderzoek naar de voorwaarden waaronder dat gemeenschapsevenwicht meer aanwezig is en over beleid om die voorwaarden dichterbij te brengen. Denk wat dat laatste betreft maar even aan de gedachte van het omwegbeleid.

Allerlei bestaand sociologisch onderzoek gaat natuurlijk al over die voorwaarden. Het zou vreemd zijn als dat niet zo was. Alleen, het is verspreid over allerlei theoretische aanzetten.

Een boeiende vraag is nu in hoeverre een en ander geïntegreerd kan worden in het kader van die drie stellingen van de Dual Mode-theorie, de theorie dus die zich rekenschap geeft van die ambivalente sociale natuur.

Ik moest in dat verband denken aan het onderzoek in het kader van de sociale contact-hypothese. Zie daarover de eerdere berichten Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt en Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact - Nieuwe aanwijzingen.

De aanduiding sociale contact-hypothese wijst er al op dat het hier niet gaat om een in een algemener theoretisch kader ingebedde aanzet. Maar dat kader is er dus wel. Want we weten dat de kans op gemeenschapsgedrag (of pro-sociaal gedrag) en dus op een beweging in de richting van het gemeenschapsevenwicht groter is als mensen meer met elkaar vertrouwd zijn. Onderlinge vertrouwdheid schept een gevoel van veiligheid, een toestand waarin statuscompetitie niet aan de orde is. Zie Draait alles om vertrouwdheid?

En die sociale contact-hypothese past daar precies in. Want hoe meer contact er tussen mensen is geweest, hoe meer ze met elkaar vertrouwd zijn. En dus hoe meer ze elkaar vertrouwen en hoe meer ze onderling, elkaar versterkend, gemeenschapsgedrag zullen vertonen.

Het is natuurlijk niet toevallig dat die sociale contact-hypothese in de sociologie, en breder de sociale wetenschap, is opgekomen. De oorsprong ervan ligt in het werk van Gordon Allport in de jaren vijftig van de vorige eeuw, waarin het ging om hoe mensen in de smeltkroes van een immigrantenmaatschappij kunnen leren om samen te leven. Want in de hedendaagse samenlevingen is die onderlinge vertrouwdheid altijd maar beperkt aanwezig.

In dat verband is er nu de pas verschenen studie Humans adapt to social diversity over time. De onderzoekers analyseerden datasets die beschikbaar waren voor meer dan 100 landen over een periode van 20 jaar.

Ze komen tot de conclusie dat een toename van (religieuze) diversiteit aanvankelijk leidt tot een verlaging van de kwaliteit van leven (een index waarin geluk, tevredenheid met het leven en de zelf-gerapporteerde gezondheid zijn gecombineerd), maar dat dit effect na verloop van tijd verdwijnt.

En dat verdwijnen kan er aan worden toegeschreven dat het sociale contact tussen groepen toeneemt en daarmee het onderlinge vertrouwen. Samengevat in het onderstaande plaatje:


Een toename van diversiteit heeft dus aanvankelijk tot gevolg dat het gemeenschapsevenwicht verder weg komt te liggen, maar als je op de langere termijn kijkt, dan zie je dat het door meer contact en daardoor meer onderling vertrouwen weer dichterbij komt.

En wat beleidsadvisering betreft, wijst dit dus op het belang van sociale contacten en daarmee op het bevorderen van de voorwaarden waaronder die contacten tot stand komen.

maandag 6 mei 2019

Hoe meer gemeenschapsgedrag, hoe beter - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 6

Update. Zie nu ook deel 7 van deze reeks.
Om een maatschappelijk belangrijker vak te kunnen zijn, zou de sociologie zich wat toepassing betreft moeten kunnen oriënteren op een empirisch onderbouwd inzicht in wat sociaal gezien nastrevenswaardig is. Een conclusie van de vorige berichten in deze reeks (zie hier deel 5)  was dat van de twee evenwichten die je op grond van de ambivalente menselijke sociale natuur als uitkomsten kunt verwachten, het gemeenschapsevenwicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Dat gemeenschapsevenwicht is te omschrijven als de toestand waarin iedereen heeft "gekozen voor" gemeenschapsgedrag. En omdat mensen van elkaar verschillen, zal dat voor de een een "keuze" betekenen uit innerlijke overtuiging en misschien voor de ander meer een aanpassing aan wat kennelijk de norm is. Uiteraard gaat het hier om een theoretisch construct, dat zeker in grotere groepen en maatschappijen nooit volledig te realiseren valt, maar dat wel richtinggevend kan werken.

De noodzaak van zo'n richtinggevend construct wordt gelukkig steeds meer ingezien. Zoals in de pleidooien voor een breder welvaartsbegrip dan alleen het economische. Zie over dat brede welvaartsbegrip ook de eerdere berichten op dit blog:
In de betogen over dat brede welvaartsbegrip gaat het natuurlijk ook over de vraag welke indicatoren geschikt zijn om het sociale aspect er van te meten. Christine Carabain en Kim Putters van het Sociaal en Cultureel Planbureau buigen zich nu over de vraag naar mogelijke indicatoren voor sociale samenhang als een belangrijk onderdeel van brede welvaart. Zie Brede welvaart vereist een brede en kritische blik op sociale samenhang.

Een van de problemen die ze daarbij signaleren is dat sociale samenhang weliswaar belangrijk is, maar dat meer er van niet per se beter is. Want als je bij sociale samenhang denkt aan de contacten die mensen hebben, dan zou de frequentie van contacten die mensen "binnen hun eigen groep" hebben wel eens te kosten kunnen gaan van de contacten en de verbondenheid met mensen buiten die groep. En dat zou dan de sociale samenhang in de maatschappij als geheel kunnen schaden.

Waar ze hier op wijzen is een bekend sociologisch talking point. In navolging van een veel geciteerd artikel van de socioloog Mark Granovetter uit 1973 (The Strength of Weak Ties), wordt dan onderscheiden tussen sterke en zwakke bindingen en wordt gewezen op het belang van die zwakke bindingen. Bij Granovetter ging het erom dat die zwakke bindingen (kennissen, mensen die je vaag of via-via kent) juist erg behulpzaam kunnen zijn bij het vinden van een baan. Meer algemeen: het zijn bronnen van informatie over verder af gelegen zaken. Waar de mensen dichtbij, je sterke bindingen, weinig over te vertellen hebben.

Dat klopt ook allemaal wel, maar het veel gehoorde talking point is dat het hebben van veel sterke bindingen daardoor ook wel eens niet goed zou kunnen zijn. In de woorden van Carabain en Putters:
Het uitgangspunt van de indicator ‘frequentie van sociale contacten’ van dashboard ‘hier en nu’ is: hoe meer contacten, hoe beter dit is voor de brede welvaart. Deze indicator richt zich op contacten binnen groepen. Sterke binding binnen groepen hoeft echter niet altijd positief te zijn voor de samenleving in haar geheel. Integendeel, want zwakkere verbondenheid binnen groepen kan zelfs het bruggen slaan naar andere groepen bevorderen.
Maar klopt dat wel? We hebben op dit blog al het onderzoek zien voorbijkomen over het belang van sociale contacten voor mensen en over de negatieve gezondheidseffecten van de stress van eenzaamheid en statuscompetitie. Zou het dan echt zo zijn dat mensen toch ook te veel hechte contacten kunnen hebben? Dat het maar beter is om niet heel goede vriendschappen te hebben, omdat je daardoor minder betrokken kunt zijn bij anderen? Is het maar beter om met zoveel mogelijk mensen een zwakke binding te hebben? Is het beter om een sociaal vluchtige maatschappij te hebben?

Dat lijkt onwaarschijnlijk. Sterker, het klopt niet. Want er is al het onderzoek dat er op wijst dat het hebben van hechte contacten met je eigen groep helemaal niet gepaard gaat met meer afstandelijkheid tot andere groepen.

Ik stond daarbij stil in dit bericht, waarin het ging om het overzicht dat Marilynn Brewer gaf van dat onderzoek. Mensen hebben wel de neiging om hun eigen groep positief te beoordelen, maar het is niet zo dat dat samenhangt met negatieve oordelen over andere groepen. Gehechtheid aan de eigen groep staat niet gelijk aan vijandigheid tegenover andere groepen.

Die vijandigheid is er uitsluitend als daar redenen voor zijn, echte of vermeende redenen. Dus als er aanleidingen zijn om een andere groep als een bedreiging te zien. Maar die bedreigingen hebben dan ook een oorzaak: ze zijn echt of ze worden kunstmatig aangewakkerd. Marilynn Brewer over dat laatste:
When groups are political entities, however, these processes may be exacerbated by group leaders’ deliberate manipulations to mobilize collective action to secure or maintain political power. Social category differentiation provides the fault lines in any social system that can be exploited for political purposes.
En dat komt natuurlijk bekend voor, in deze tijd van opkomend rechts-extremisme.

Politici kunnen er belang bij hebben om mensen tegen elkaar op te zetten. En door meer bestaansonzekerheid kunnen maatschappelijke tegenstellingen worden aangewakkerd  Maar het is dus niet zo dat sociale samenhang binnen de eigen groep automatisch leidt tot tegenstellingen tussen groepen.

Anders gezegd, dat gemeenschapsevenwicht is gewoon nastrevenswaardig: hoe meer gemeenschapsgedrag, hoe beter.

donderdag 17 mei 2018

Waarom we zo actief zijn op sociale media - En over hoe de markt inspeelt op onze primaire sociale behoeften

Het CBS publiceert vandaag een aflevering van Statistische Trends over opvattingen over sociale media. Wat valt er zoal op?

87 procent van de ondervraagden (18 jaar of ouder) zijn actief op sociale media. Voor bijna iedereen van deze groep (rond de 90 procent) is de de belangrijkste reden om dat te doen het in contact blijven met anderen.

En dat in contact blijven, dat lukt ook goed. Want ruim 60 procent ervaart een positieve invloed van de activiteit op sociale media op het contact met familie en vrienden (en bijna niemand een negatieve invloed).

Jongeren (18 - 25 jaar) zijn het meest actief op sociale media: ruim 80 procent van hen spendeert er ten minste 1 - 5 uur per dag aan, oplopend tot 10 uur per dag of meer. Onder hen vinden we ook de meesten die zichzelf verslaafd vinden aan sociale media, hoewel dat toch niet meer is dan tegen de 30 procent.

Dat jongeren meer dan ouderen actief zijn, zal eraan liggen dat hun sociale contacten meer in beweging zijn, door gebeurtenissen als veranderen van opleiding, overgang van opleiding naar werk en verlaten van het ouderlijk huis. Daardoor ervaren ze meer sociale vluchtigheid, wat aanzet tot grotere inspanningen om contacten te onderhouden en voor nieuwe contacten open te staan. Zie Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid. En misschien hebben ze door dat dit de tijd is om vrienden te maken, omdat er later in de levensloop nog maar weinig vrienden bij komen.

Dat de sociale media die belangrijke functie van het in contact blijven met anderen zijn gaan vervullen en dat zoveel mensen er zo snel actief op zijn gaan worden, is wel iets om bij stil te staan.

Want het lijkt erop dat het op de markt komen van deze nieuwe technologie ons in staat stelt om meer dan daarvoor te voldoen aan onze sociale behoeften. Onze 'ouderwetse" behoefte aan het vanzelfsprekende contact met vertrouwde anderen komt door onze leefwijze in het gedrang. We hebben al lang niet meer die fysieke omgeving waarin we onze vertrouwden als onderdeel van onze dagelijkse bezigheden eigenlijk altijd dicht in de buurt hadden.

Maar als groepsdier bij uitstek zijn we nog steeds wel ingesteld op die vanzelfsprekende nabije aanwezigheid van anderen. Daar komt die voortdurende behoefte aan contacten uit voort, die vaak latent is, maar vaak ook manifest, wanneer we ons eenzaam voelen.

En wat is er gebeurd? De markt heeft die behoefte ontdekt en een aanbod aan sociale media ontwikkeld, waar wij geld voor over hebben om er actief op te kunnen zijn. En waar we blootstelling aan reclame en opgeven van onze privacy voor over hebben.

Het is een voorbeeld van die vele gevallen waarin iets dat eerst als vanzelf voortkwam uit onze Primaire Sociale Orde, het domein van de persoonlijke relaties, nu als een "voorziening" tot stand komt via de omweg van de Markt. Dus via de omweg van een commercieel product.
Die hoofdletters slaan op het OMOP-schema, dat onze huidige maatschappij ziet als bestaande uit twee geconstrueerde sociale ordes, Overheid en Organisaties, en twee spontane sociale ordes, Markt en Primaire Sociale Orde. Met die onderscheidingen en de bewegingen en beïnvloedingen tussen die ordes kun je eigenlijk het hele onderzoeksgebied van de sociologie, of breder, van de sociale wetenschap karakteriseren. De Groningse sociologie-opleiding is rond het OMOP-schema opgebouwd. Zie ook Sociale Welvaart.
Vergelijkbaar is de introductie en snelle verspreiding van de televisie als een commercieel product dat ons in staat stelde om een soort pseudo-sociale contacten aan te gaan met televisiepersoonlijkheden (parasociale relaties) als onvolkomen substituut voor de ontbrekende echte contacten. Zie Door toename vrije tijd gingen we vooral meer televisiekijken. En wat deden we met onze sociale contacten?

woensdag 27 december 2017

Hoe een sociale diersoort sociale media uitvond en ging gebruiken - neem nu WhatsApp en WhatsApp-stress

Het internet heeft ons de sociale media opgeleverd. Zo zijn velen van ons lid geworden van een of meer WhatsApp-groepen. Waarom zijn we dat in zo grote getale gaan doen? Hoe worden we erdoor beïnvloed en hoe gaan we ermee om?

Toen ik die vragen gesteld kreeg, bedacht ik me dat je veel van het menselijk gedrag kunt begrijpen als dat van een sociale diersoort die verzeild is geraakt in een nieuwe omgeving. Een omgeving die afwijkt van de oorspronkelijke omgeving, waarin die diersoort is geëvolueerd en waaraan hij is aangepast. Die gedachte staat wel bekend als die van de evolutionaire mismatch theorie.

Mensen zijn geëvolueerd in en aangepast aan hun zogenaamde Omgeving van Evolutionaire Aangepastheid (de term is van de hechtingsonderzoeker John Bowlby), ruwweg de omstandigheden die bestonden in de lange periode dat mensen leefden als jagers-verzamelaars. De uitdagingen in die periode bestonden eruit dat je door samenwerken en delen moest zien te overleven.

Dat bleek te lukken, en wel zeer succesvol, in min of meer stabiele groepen waarin je elkaar persoonlijk kende. Met naburige groepen was van tijd tot tijd contact, al was het maar in het kader van de uithuwelijking. De relaties binnen en tussen de groepen waren gebaseerd op de voor die samenwerking en dat delen wenselijke vertrouwdheid.

Voor de individuele levensloop hield dat in dat je opgroeide en je leven doorbracht in een groep van vertrouwde anderen. Daarbinnen ontwikkelde iedereen de bijpassende sociale motivaties en vaardigheden. Het was nodig om voldoende vrijgevig, bescheiden en vriendelijk te zijn en om je voldoende in te spannen voor de anderen en het gezamenlijke welzijn. Denk even aan Persoonlijkheid en maatschappij: de Big Five en de Big Two.

Tegen die achtergrond is het niet verwonderlijk dat in onze huidige maatschappij de sociale media en in het bijzonder die WhatsApp-groepen werden bedacht en zo snel populair werden.
Ik schreef daarover in 2004, toen de sociale media nog minder ver ontwikkeld waren, maar die ontwikkeling zich al wel aandiende: Community and Human Social Nature in Contemporary Society: Opportunities and Restrictions for Online Cooperation.
De naam WhatsApp is een samentrekking van 'What's up' (Hoe is het? en Wat is er?) en 'Application'. Wij hebben nu veel minder altijd die groep van vertrouwde anderen om ons heen. Familie en vrienden zijn over de ruimte verspreid en we ontmoeten elkaar niet dagelijks en niet als vanzelf. Een sociaal leven is niet vanzelfsprekend en moet altijd georganiseerd worden.

Vandaar dat we als we elkaar dan toch ontmoeten, altijd eerst vragen "hoe het gaat". We proberen de ontbrekende gezamenlijke tijd zo gauw mogelijk weer in te vullen. De vertrouwdheid dient steeds opnieuw te worden hersteld. Eigenlijk verlangen we, onbewust, naar die gezamenlijke, continue geschiedenis van weleer.

Aan die behoefte aan vertrouwde sociale contacten komt onze huidige manier van leven altijd maar beperkt tegemoet. We verkeren ook veel onder vluchtige contacten en die geven ons minder een goed gevoel dan de vertrouwde contacten.

Vandaar dat bijna iedereen graag meer (vertrouwde) sociale contacten zou willen. Want hoe meer contact met familie, vrienden en buren, hoe gelukkiger. En vandaar dat we niet graag alleen zijn en dat we eenzaamheid erkennen als een belangrijk maatschappelijk probleem.

De vraag is dan natuurlijk in hoeverre de sociale media ons nu echt behulpzaam zijn in ons sociale leven. Eerder onderzoek wees uit dat tijdsbesteding op sociale media, in tegenstelling tot tijdsbesteding aan face-to-face contacten, niet gelukkiger maakt. Maar onderzoek naar de effecten van WhatsApp-groepen heb ik nog niet onder ogen gehad.

Wat me wel opvalt is dat de populariteit ervan samen gaat met negatieve berichten van gebruikers. Die gaan niet alleen over de vraag naar de veiligheid ervan, maar ook over de "sociale druk" die ervan uit kan gaan. Je hebt je telefoon eigenlijk altijd bij je en op elk moment kan er een berichtje binnenkomen. Dat maakt nieuwsgierig, waardoor je gaat kijken en de ander kan zien dat je hebt gekeken. En dus hoopt hij of zij op een reactie. Omdat iedereen, ook jijzelf, zo nu en dan de behoefte voelt om iets van zich te laten horen, kan dat dus de hele dag doorgaan. Hoe ga je daar mee om, is een veel gestelde vraag. Hoe voorkom je "WhatsApp-stress"?

Misschien hangt die stress ermee samen dat het medium nog nieuw is en dat we nog moeten leren hoe het in ons dagelijks leven in te passen.

In ieder geval zou het kunnen helpen om je te realiseren dat die sociale druk niet alleen door de anderen op jou wordt uitgeoefend, maar dat jij omgekeerd hetzelfde doet. Net zo als in het echte sociale leven is het goed om wat tolerant te zijn voor elkaar. Net als de anderen, heb jij ook zelf wel eens behoefte aan belangstelling en aandacht. Een zekere mate van "druk" hoort er dus bij. Is nu eenmaal een onderdeel van dat sociale leven dat we nodig hebben en dat ons gelukkiger maakt. Misschien moeten we dus weer leren om er voldoende tijd en aandacht voor te hebben.

Maar aan de andere kant is het ook een onderdeel van datzelfde sociale leven om elkaar zo nu en dan te corrigeren. Als iemand teveel aandacht opeist, dan kunnen we dat laten weten. Dat kan, net zo als in het echte sociale leven, een subtiele feedback zijn. Wat langer laten wachten op een reactie of zelfs niet reageren. Of een grapje als "nou kan ie wel weer".

Misschien is die WhatsApp-stress dezelfde sociale stress die we so wie so al kennen. Onze sociale contacten zijn nu eenmaal minder vanzelfsprekend en vertrouwd dan ze in het verleden waren. Zo heel goed weten we vaak niet wie onze echte vrienden zijn. Daardoor zijn we wel eens bang of we "er nog wel bij horen". En menen we al gauw signalen van sociale afwijzing te bespeuren. Waardoor we sneller die sociale druk ervaren. Toch maar snel reageren, anders zien ze mij over het hoofd.

Maar dat is dus "gewoon" de sociale stress die we toch al hadden. Ook zonder WhatsApp.

woensdag 6 december 2017

Over het sociale leven van anderen zijn we eenzijdig geïnformeerd. Daarom denken we dat anderen een rijker sociaal leven hebben

Mensen zijn geneigd te denken dat zij een minder rijk sociaal leven hebben dan anderen. De onderzoekers van de studie Home alone: Why people believe others’ social lives are richer than their own geven daarvoor een reeks van aanwijzingen. Zie ook het bericht van gisteren op dit blog.

In verschillende groepen respondenten en bij verschillende manieren van vragen duikt hetzelfde resultaat op: mensen denken dat anderen (let wel: anderen die zij kennen) een rijker sociaal leven hebben dan zijzelf. Anderen hebben meer vrienden, hebben een groter sociaal netwerk, gaan vaker uit, enzovoort.

Stel dat het inderdaad zo is dat we allemaal denken dat anderen een rijker sociaal leven hebben dan wijzelf, waar zou dat aan kunnen liggen? In ieder geval een deel van de verklaring lijkt te zijn dat, als we aan "anderen" denken, degenen die sociaal bijzonder actief zijn ook degenen zijn die het eerst bij ons boven komen.

Het onderzoek geeft daar inderdaad aanwijzingen voor. Als we bij ons eigen sociale leven stilstaan, vergelijken we ons vooral met anderen met een bijzonder rijk sociaal leven. Waarbij wijzelf negatief afsteken.

Maakt het wat uit? Ja, want het beïnvloedt onze tevredenheid met het leven. Hoe meer we vinden dat we negatief afsteken bij anderen, hoe ontevredener we zijn over ons eigen leven.

En dat komt er mee overeen dat degenen die zichzelf meer negatief vinden afsteken bij anderen, ook degenen zijn die graag een rijker sociaal leven zouden willen hebben. Er is dus ook een echt gemis dat kan verklaren waarom je ontevredener bent.

Dat we ons vooral vergelijken met anderen die, althans naar onze waarneming, een rijk en actief sociaal leven hebben, is eigenlijk niet verrassend. Want we zijn natuurlijk niet volledig geïnformeerd over het sociale leven dat anderen leiden. En de informatie die we hebben, ontlenen we aan directe ontmoetingen en aan de sociale media. De berichten die mensen op Facebook zetten, gaan vaak over bezoekjes, uitstapjes en feestjes. Als anderen in hun eentje thuis zitten, dan krijgen wij dat dus meestal niet te weten.

Terwijl we heel goed van onszelf weten wanneer we thuis alleen op de bank zitten.

Dat lijkt een kenmerk te zijn van onze huidige manier van leven. Doordat onze sociale netwerken gefragmenteerd zijn, zijn we altijd eenzijdig geïnformeerd over het sociale leven van anderen. Eenzijdig, in de zin dat vooral de sociale kant daarvan tot ons komt.

En alleen van onszelf kennen we, vaak maar al te goed, ook de eenzame kant.

dinsdag 5 december 2017

De meeste mensen denken dat hun eigen sociale leven minder rijk is dan dat van anderen

Stel dat je de vraag gesteld krijgt hoe rijk jij denkt dat jouw sociale leven is in vergelijking met anderen die jij kent. En stel dat je die die vraag op 6 manieren krijgt voorgelegd:

  • Wie gaat naar meer feestjes, jij of anderen?
  • Wie heeft meer vrienden, jij of anderen?
  • Wie ziet zijn familie vaker, jij of anderen?
  • Wie heeft meer sociale kringen, jij of anderen?
  • Wie heeft een groter sociaal netwerk, jij of anderen?
  • Wie gaat vaker met anderen uit eten, jij of anderen?
Hoe zou je antwoorden als je dat op een zogenaamde vijfpuntsschaal van - 2 naar + 2 zou mogen doen? Als je 0 aankruist, betekent dat dat jij denkt dat er geen verschil is tussen jouw sociale leven en dat van anderen. - 2 en - 1 betekenen dat jouw sociale leven (veel) minder rijk is en + 1 en + 2 dat jouw sociale leven juist (veel) rijker is. Zouden jouw antwoorden meer naar links neigen of juist meer naar rechts? Is jouw sociale leven rijker, gelijk aan of juist minder rijk dan dat van anderen?

Onderzoekers legden die zes vragen voor aan ruim driehonderd bezoekers van Amazon Mechanical Turk. Je ziet hieronder de antwoordverdelingen als staafdiagrammetjes afgebeeld.


Je ziet een duidelijk patroon: de antwoorden neigen sterk naar links. Dat betekent dat de meeste mensen denken dat hun eigen sociale leven minder rijk is dan dat van anderen.

Hoe zou dat komen? Vanwaar die negatieve bias?

In het onderzoek Home alone: Why people believe others’ social lives are richer than their own, waar deze resultaten uit afkomstig zijn, vind je meer aanwijzingen voor die negatieve bias.

En de onderzoekers proberen een antwoord te geven op de vraag hoe het komt dat wij denken dat anderen het sociaal gezien beter voor elkaar hebben dan wijzelf. Daarover een volgende keer.

zondag 3 december 2017

Het voelt goed om je buren te leren kennen

Er wordt vaak over geklaagd dat we onze buren niet meer kennen. Is dat terecht?

Ja, dat is terecht in de zin dat er een onvervulde behoefte bestaat aan sociale contacten en dat die contacten bijdragen aan ons welzijn en onze gezondheid. Zie Hebben mensen gelijk als ze meer sociale contacten willen? Over het verband tussen contacten en geluk.

En het bij elkaar in de buurt wonen kan een aanleiding zijn tot het maken van contact. Tot het uitbreiden van je vrienden- en kennissenkring.

Het CBS verzamelt gegevens over onze contacten met buren (en met familie en vrienden). Het blijkt dat in 2016 14,8 procent dagelijks contact met buren had (in 2012 nog 19,4) en 46,1 procent minstens 1 maal per week. Dat valt dus nog wel mee, zou je denken. Hoewel dat dagelijkse contact dus wel flink afneemt. (19,7 procent had minstens 1 maal per maand contact, 7.5 procent minder dan 1 maal per maand en 12 procent zelden of nooit.)

Maar die cijfers vertellen niet met hoeveel buren je contact hebt. Het zou ook kunnen gaan om niet meer dan de naaste buren. En dat kan betekenen dat alle andere buren vreemden voor je zijn, mensen die je niet kent.

Die klachten dat we onze buren niet meer kennen, die moet je dus misschien wel serieus nemen. Zeker als je bedenkt dat althans volgens deze sociaalwetenschappelijke inschatting in 2016 43 procent van de volwassen bevolking als eenzaam kan worden beschouwd (33 procent matig eenzaam en 10 procent ernstig of zeer ernstig eenzaam).

Maar hoe leer je je buren kennen? Tip: googel eens "buren leren kennen". Ik deed dat eerder vandaag en had 729.000 resultaten.

Dit alles bedacht ik me toen ik in The Guardian het artikel ‘It feels good to know who lives behind those doors’: Lionel Shriver, Jon McGregor and others meet the neighbours las. De redactie vroeg aan vijf romanschrijvers om bij hen in de straat bij vreemden aan te bellen en kennis te maken. En daarover kort een verslagje te schrijven. Het resultaat is intrigerend om te lezen.

Natuurlijk moest ik ook terug denken aan dat ontroerende boek van Peter Lovenheim: In the Neighborhood. The Search For Community on an American Street, One Sleepover At A Time. Lees nog eens Is een sociaal buurtleven maakbaar?

dinsdag 1 augustus 2017

Hoe komt het dat we ons in vertrouwde contacten beter voelen dan in vluchtige contacten?

Dat wij groepsdieren zijn, wil zeggen dat we er als gevolg van onze evolutionaire geschiedenis op zijn ingesteld om op te groeien en ons te bewegen in een groep van vertrouwde anderen.

In zo'n groep werken we samen en delen we de beschikbare middelen. En hebben we een gezamenlijke geschiedenis, die eraan bijdraagt dat we de onderlinge relaties als vanzelfsprekend accepteren. Daardoor is de onderlinge (status-)competitie afwezig of neemt hij onschuldige vormen aan, zoals die van spel en wat we tegenwoordig sport noemen. Wat de ruimte creëert om jezelf te kunnen zijn, want je hoeft je niet beter voor te doen dan je bent. Er zijn redenen om te denken dat het leven in zo'n groep van vertrouwde anderen het zinvolle leven is. Zie Gedachten over de positieve gezondheidseffecten van een zinvol leven.

Maar in onze huidige maatschappij is zo'n groep van vertrouwde anderen (familie, vrienden) er nog maar beperkt. Niet alleen is hij voor de meesten van ons nog maar klein van omvang (vandaar de problemen van het sociale isolement van gezinnen en van eenzaamheid), maar ook hebben we daarnaast contacten met anderen met wie we niet of veel minder vertrouwd zijn. Dat zijn de vluchtige contacten of "zwakke bindingen" of "kennissen".

We weten al dat je veel van die vluchtige contacten kunt hebben, terwijl je toch eenzaam bent. Wat eenzaamheid betreft, kunnen we dus het gemis aan die vertrouwde contacten niet compenseren door vluchtige contacten.

Maar het is ingewikkeld, want toch blijken die vluchtige contacten iets toe te voegen aan ons geluksgevoel. Mij lijkt dat je dat moet opvatten als een aanwijzing dat voor de meesten van ons die kring van vertrouwde anderen te klein is. We zoeken naar meer en vinden dat een beetje door die contacten aan de rand van onze groep.

Maar je zou verwachten dat we de voorkeur geven aan de omgang met die vertrouwde contacten. Omdat we daarin meer ons zelf kunnen zijn.

En precies dat komt uit het nieuwe onderzoek Hedonic Benefits of Close and Distant Interaction Partners: The Mediating Roles of Social Approval and Authenticity.

Het onderzoek werd uitgevoerd met behulp van de Experience Sampling Method, die inhield dat een groep van 178 studenten gedurende twee weken vier maal per dag op toevallige tijdstippen een mail ontvingen met een kort vragenlijstje over de laatste interactie die ze daar voor gehad hadden en over hoe goed of slecht ze zich voelden. Dat laatste gebeurde met behulp van de Positive and Negative Affect Schedule .Zo ontstond een bestand van bijna 7000 korte verslagen van sociale interacties. (Natuurlijk had je liever een bredere groep gehad dan alleen studenten.)

De onderzoekers konden vervolgens laten zien dat de studenten zich beter hadden gevoeld in contacten met vertrouwde anderen dan in vluchtige contacten.

En waardoor voelden ze zich beter? Doordat ze meer het gevoel hadden te worden geaccepteerd (meer gerespecteerd worden, aardiger gevonden worden) en meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn (trouw aan zichzelf, niet beïnvloed, trouw aan eigen principes en waarden).

Ook een klein en beperkt onderzoekje kan dus zomaar uitwijzen dat wij nog steeds die sociale diersoort zijn die zich graag omgeven voelt door vertrouwde anderen.

donderdag 27 juli 2017

Mensen kunnen veel contacten hebben en toch eenzaam zijn. En zonder dat anderen daar weet van hebben.

Eenzaamheidsgevoelens komen voort uit een gemis aan vertrouwde sociale contacten, contacten dus met degenen bij wie je je jezelf kunt zijn. Waarin je je niet beter of sterker of slimmer hoeft voor te doen dan je in werkelijkheid bent.

Dat betekent dat eenzaamheid bestaat uit twee componenten. De ene is die van het volstrekte sociale isolement. Je komt niet (meer) onder de mensen en verpietert. Je mist niet alleen die vertrouwde sociale contacten, je ontbeert elk contact. De extreme gevallen daarvan kennen we uit de berichten over mensen die na weken of maanden dood in hun woning worden aangetroffen.

Maar er is ook de component van het eenzaam zijn zonder sociaal isolement. Je komt wel onder de mensen, maar je voelt je desondanks eenzaam. Die toestand houdt in dat er iets ontbreekt aan de (vluchtige) contacten die je wel hebt. En dat is dat element van vertrouwdheid, dat maakt dat je "echt" contact kunt hebben, waarin je openhartig kunt zijn over wat je bezighoudt.

Dat onderscheid tussen die twee componenten komt in het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar voren in het verschil tussen subjectief ervaren eenzaamheid als een gevoel en eenvoudigweg het aantal contacten dat je hebt (of in een vragenlijst aangeeft te hebben). En die twee hangen doorgaans statistisch significant samen, maar het verband is vaak niet sterk. Wat o.a. inhoudt dat mensen met veel contacten nog behoorlijk eenzaam kunnen zijn.

Dat is ook het geval in het nieuwe onderzoek Feeling lonely when not socially isolated. Het gaat om een klein onderzoekje, maar de resultaten zijn interessant. Ruim honderd Koreanen vulden een vragenlijstje in en hielden een week lang een dagboekje bij over hun sociale interacties. In dat vragenlijstje gaven ze aan hoe eenzaam ze zich voelden (met de Revised UCLA Loneliness Scale). Dat werd aangevuld met de inschatting van hun eenzaamheidsgevoel door drie informanten, bekenden die zij zelf hadden opgegeven. Ook gaven ze aan hoeveel contacten ze hadden (met de Social Network Index).

Het bleek toen inderdaad dat eenzaamheid en het aantal contacten zwak, maar wel significant, samenhingen. Bovendien hing eenzaamheid negatief samen met het aantal interacties met vertrouwde contacten (strong ties) zoals dat uit het dagboekje naar voren kwam. Hoe minder van zulke vertrouwde interacties, hoe eenzamer. En hoe minder positieve gevoelens en hoe minder wederzijds openhartigheid.

Daarentegen hing het aantal interacties met vluchtige contacten (weak ties) niet samen met hoe eenzaam je je voelde. Anders gezegd: eenzaamheid als het gebrek aan contacten met vertrouwde relaties is niet te compenseren met het hebben van meer vluchtige contacten. (Maar bedenk daarbij dat volgens ander onderzoek meer contacten met die weak ties wel bijdragen aan onze geluksgevoelens. Zie Is de kring van mensen waarmee we omgaan te klein? Dat zou kunnen liggen aan het verschil tussen niet eenzaam zijn en gelukkig zijn.)

Sociale vluchtigheid als het hebben van veel oppervlakkige contacten kan dus goed samen gaan met sterke gevoelens van eenzaamheid. Die overigens niet hoeven te worden opgemerkt door anderen. Want het onderzoek laat zien dat de eenzaamheid van degenen met een groot aantal contacten minder samenhing met de door de informanten ingeschatte eenzaamheid dan in het geval van degenen met weinig contacten.

Je kunt een groot netwerk hebben en toch eenzaam zijn, zonder dat anderen daar weet van hebben.

dinsdag 30 mei 2017

Over veerkracht na partnerverlies in een maatschappij met sociaal isolement van gezinnen

We leven in een maatschappij met een historisch gezien hoge mate van sociaal isolement van gezinnen. Een gevolg daarvan is dat het verlies van je partner een ingrijpende gebeurtenis is. Als je voor je sociale leven erg op elkaar was aangewezen, dan kan het verlies van de ander als een mokerslag aankomen.

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de gevolgen van die ingrijpende gebeurtenis kom je vaak de notie van veerkracht (resilience) tegen. Uit dat onderzoek leek je namelijk te kunnen opmaken dat opvallend mensen (60 procent of meer) over veerkracht beschikken. Na een zo groot verlies blijken ze toch behoorlijk goed in staat om hun leven weer op te pakken, zonder blijvende schade.

Maar dat positieve beeld kan er ook aan liggen dat dat onderzoek vaak beperkt van opzet was. Vaak was de verandering in welbevinden maar beperkt gemeten, met maar een enkele indicator (zoals tevredenheid met het leven). En vaak bestreken de metingen een beperkte periode. Het zou kunnen zijn dat de veerkracht van mensen daardoor is overschat.

Dat laatste is de strekking van de nieuwe studie The Multidimensional Nature of Resilience to Spousal Loss. De onderzoekers maakten gebruik van gegevens van de Household Income and Labour Dynamics of Australia Study (HILDA). Die gegevens kwamen voort uit 13 jaarlijkse metingen over de periode 2001 - 2013. Van alle ondervraagden waren er 421 personen die gedurende het onderzoek het verlies van hun partner meemaakten. De gemiddelde leeftijd was tegen de 69 jaar. De jongste was 22 en de oudste 93 jaar.

De onderzoekers maakten gebruik van de gegevens van (maximaal) vijf jaar voor het partnerverlies en (maximaal) vijf jaar er na. Bovendien hadden ze de beschikking over een reeks van indicatoren voor het welbevinden, namelijk: tevredenheid met het leven, negatieve gevoelens, positieve gevoelens, de zelf ervaren gezondheid en het fysieke functioneren.

Het bleek toen dat de veranderingen na het partnerverlies tussen die verschillende indicatoren sterk verschilden. Als je veerkracht opvat als geen verandering op alle vijf indicatoren, dan was slechts 8 procent veerkrachtig. Daartegenover was 20 procent niet veerkrachtig in de zin dat ze op alle vijf indicatoren een negatieve verandering ondergingen. Anders gezegd: met een op de vijf ging het ronduit beroerd.

Wat de onderzoekers doet opmerken:
Considered collectively, our findings emphasize the dangers in definitively declaring “rates of resilience” based on a limited set of measured outcomes.
En wat bleek vooral het verschil te maken? Dat was de mate waarin op bestaande sociale contacten kon worden teruggevallen. Hoe minder de partners voor hun sociale leven uitsluitend op elkaar waren aangewezen, hoe groter de veerkracht na het partnerverlies. Hoe meer de achtergeblevenen het gevoel konden hebben dat er anderen zijn om je te steunen, hoe veerkrachtiger.

En dat wijst dus op hoe kwetsbaar we kunnen zijn bij een hoge mate van sociaal isolement van gezinnen.

maandag 29 mei 2017

Met het verstrijken van de levensloop minder contacten met vrienden - Nieuwe aanwijzingen

Een bekend sociologisch inzicht is dat voor het ontstaan en onderhouden van sociale contacten nodig is dat er geregelde spontane ontmoetingen zijn in een veilige sfeer waarin mensen niet op hun hoede hoeven te zijn.

En evenzeer weten we dat in onze huidige manier van samenleven maar beperkt aan deze voorwaarden is voldaan. Dat verklaart onder meer dat we in ons volwassen leven nog maar weinig nieuwe vrienden maken. Zie Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden?

Er is nu het nieuwe onderzoek Getting Together: Social Contact Frequency Across the Life Span dat in dezelfde richting wijst. De onderzoekers konden met behulp van gegevens van het German Socioeconomic Panel mensen van tussen de 15 en 85 jaar gedurende vijftien jaar volgen.

In dat panel was onder meer gevraagd naar hoe vaak mensen bezoek uitwisselden met buren, familie en vrienden. Uit de analyses blijkt dat die frequentie gedurende de levensloop alleen maar afneemt. Vooral tot het vijftigste levensjaar is die afname opvallend sterk. Daarna zwakt hij wat af, waarna hij na de leeftijd van 70 jaar weer steiler wordt. (Zie over de afname van het uitwisselen van bezoek in Nederland: We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd.)

Er was ook bekend of mensen waren verhuisd over een afstand van 100 kilometer of meer. Hoewel we weten dat het vaker verhuisd zijn tot een grotere sociale vluchtigheid leidt, bleek er in dit onderzoek geen verband tussen verhuisd zijn en de frequentie van contact met buren, vrienden en kennissen.

De algemenere les lijkt te zijn dat het in onze huidige maatschappij moeilijk is om gedurende de volwassen levensloop sociale contacten in stand te houden en nieuwe contacten aan te gaan. Vandaar dat we een eenzaamheidsprobleem hebben.

Bedenk daarbij dat contacten via telefoon en sociale media een beperkte vervanging zijn voor het bij elkaar over de vloer komen. Zie Facebook is leuk, maar geen vervanging voor echte sociale contacten en Gelukkiger door real-life vrienden, niet door on-line vrienden.

En het is natuurlijk een aanleiding om weer eens stil te staan bij alles wat we weten over de negatieve gezondheidseffecten van weinig sociale contacten.

En bij de negatieve effecten van het sociale isolement van gezinnen op het opgroeien van kinderen.

donderdag 5 januari 2017

Tijdsbesteding aan sociale media maakt eenzamen juist (nog) ongelukkiger

We leven in een maatschappij waarin het hebben van sociale contacten niet vanzelf spreekt.

Daardoor komt aan het licht dat het wel hebben van sociale contacten bevorderlijk is voor welzijn en zelfs gezondheid. En omgekeerd, een gebrek aan sociale contacten en eenzaamheid maken ziek. Achter de labels geluk en gezondheid is op dit blog het vele onderzoek besproken dat hierover uitsluitsel geeft.

Sinds we naast face-to-face contacten ook contacten hebben via sociale media, komt de vraag op of online contacten in de plaats kunnen komen van de echte, fysieke contacten. Daarover waren aanvankelijk wel optimistische geluiden.

Dat was het zelfde optimisme dat heerste in de sociologie van na de Tweede Wereldoorlog. In het vak heerste toen het "functionalisme", dat kort gezegd uitdroeg dat in de maatschappij alles vanzelf weer goed komt. Zo herinner ik me van de Amerikaanse socioloog Eugene Litwak (voor vakgenoten: een leerling van Talcott Parsons) de passage dat het helemaal niet erg was dat familieleden en vrienden verder uit elkaar gingen wonen, want ze konden elkaar toch bellen en in de auto stappen. En voor elkaar helpen konden ze geld overmaken.
Ik zocht het even op en het gaat om het artikel Primary Group Structures and Their Functions: Kin, Neighbors, and Friends uit 1969. 
Face-to-face hoefde helemaal niet. En als dat verloren ging, dan zorgden nieuwe, technische ontwikkelingen er als vanzelf voor dat er iets voor in de plaats kwam dat dezelfde functie had. Als de functionalisten van toen gelijk hadden gehad, dan hadden we nu niet het probleem van eenzaamheid gekend.

Zoals gezegd, dat optimisme kwam weer een beetje terug met de opkomst van internet. Maar onderzoek wees al gauw uit dat het zo niet werkte. Zie de eerdere berichten op dit blog:
Gelukkiger door real-life vrienden, niet door on-line vrienden en Facebook is leuk, maar geen vervanging voor echte sociale contacten.

Er is nu het nieuwe onderzoek Social Network Sites, Individual Social Capital and Happiness dat in dezelfde richting wijst. De onderzoekers analyseerden de gegevens van ruim 600 deelnemers van tussen de 15 en 44 jaar aan de Dutch Longitudinal Internet Studies for the Social Sciences (LISS). Van hen waren bekend hoeveel tijd ze besteedden aan sociale media (Facebook, Hyves, Myspace, Sugababes, Twitter en dating sites), hoe gelukkig ze zich voelden, hoe vaak ze contact hadden met familie en vrienden, hoe tevreden ze waren met hun contacten en hoe eenzaam ze zich voelden.

Uit de analyses komt dan naar voren dat inderdaad degenen die vaker face-to-face contact hebben met familie en vrienden gelukkiger zijn. Daarentegen maken de contacten op de sociale media, gemeten aan de tijdsbesteding daaraan, niet gelukkiger. Het verband is zelfs negatief, maar niet statistisch significant. Online contacten zijn dus zoals verwacht geen vervanging voor echte contacten.

Maar wat ook bleek is dat het meer actief zijn op de sociale media degenen die zich eenzaam voelden en die ontevreden waren met hun sociale contacten juist minder gelukkig maakten. En dat is opvallend. Als je eenzaam bent, kun je kennelijk beter eenzaam zijn met minder sociale media-activiteit dan met meer.

Het is uit het onderzoek niet duidelijk wat het oorzakelijk verband is. Worden de eenzamen ongelukkiger doordat ze meer actief zijn op de sociale media? Of zijn het de meer ongelukkigen onder de eenzamen die meer bezig zijn met sociale media?

Omdat de de deelnemers (althans een deel daarvan) twee keer ondervraagd werden, met een tussenpoos van een jaar, hadden de onderzoekers kunnen proberen daar een antwoord op te vinden. Waarom ze dat niet gedaan hebben is mij niet helemaal duidelijk.

dinsdag 22 november 2016

Mild zijn voor jezelf doe je niet in je eentje - Over compassietraining als substituut voor sociale contacten

Kun je mild zijn voor jezelf? Jezelf geruststellen en moed inspreken? Of ben je eerder kritisch, zelfs zo kritisch dat je soms een hekel aan jezelf hebt?

Het blijkt dat mensen verschillen in hoe mild of hoe kritisch ze naar zichzelf kijken. En we weten dat mildheid voor jezelf meestal samengaat met mildheid voor anderen, met meer pro-sociaal gedrag en met een hoger welbevinden. Jezelf niet zien zitten maakt ongelukkig.

Vandaar dat Paul Gilbert een mildheids- (of compassie-)training ontwikkelde, die mensen helpt om milder te zijn voor zichzelf en anderen. Ik besteedde daar aandacht aan in het bericht Meer pro-sociaal gedrag door compassietraining.

Maar los van die training, waar zouden verschillen in mildheid en zelfkritiek van af kunnen hangen? Het nieuwe onderzoek Receiving support, giving support, and self-reassurance: A daily diary test of social mentality theory geeft daar een mogelijk interessant antwoord op.

De onderzoekers lieten proefpersonen een week lang een dagboekje bijhouden, waarin ze aan het eind van elke dag rapporteerden hoe mild of zelf-kritisch ze die dag waren geweest, hoeveel steun ze anderen hadden gegeven en hoeveel steun ze van anderen hadden ontvangen.

Voor mildheid/zelf-kritiek werd een sub-schaal van de Self-Criticism/Self-Reassuring Scale gebruikt. Het ging om uitspraken als “I was able to feel lovable and acceptable”, “I encouraged myself for the future” en "I had a sense of disgust with myself", waarvan moest worden aangegeven in hoeverre ze van toepassing waren.

En uitwisseling van (materiële en emotionele) steun werd vastgesteld met een verkorte versie van de Social Provisions Scale, waarin het gaat over uitwisseling van goede raad, emotionele en materiële steun.

Het blijkt dan dat het meer uitwisselen van steun samengaat met meer mildheid en dus minder zelfkritiek. Dit geldt zowel als je personen met elkaar vergelijkt als wanneer je bij personen de dagen vergelijkt. Na een dag met meer uitwisseling met anderen ben je dus milder voor jezelf en voor anderen en heb je minder een hekel aan jezelf.

Omdat uitwisseling van steun een aanwijzing is voor het hebben van positieve sociale contacten, kun je ook zeggen dat het meer hebben van een actief netwerk van positieve relaties, waarin je er voor elkaar bent, het gemakkelijker maakt om milder te zijn voor jezelf en anderen.

Nog anders gezegd, eenzaamheid zal vaak samengaan met zelfkritiek en negatieve gevoelens over jezelf en over anderen.

En dat wijst er weer op dat zo'n compassietraining eigenlijk een substituut is voor positieve sociale contacten. Als die contacten er zijn, heb je een compassietraining niet nodig.

Dat geldt natuurlijk algemener: veel psychosociale problemen, waarvoor we professionele hulp inroepen, zouden zich niet voordoen als we meer in onze natuurlijke sociale omgeving zouden verkeren. De omgeving dus waarin mensen er voor elkaar zijn.

Waarbij ik overigens moet vermelden dat je met dit onderzoek strikt genomen niet kan vaststellen of die sociale contacten ook echt de oorzaak zijn van die mildheid. Het oorzakelijke verband zou ook andersom kunnen liggen: meer mildheid maakt het gemakkelijk om sociale contacten aan te gaan en in stand te houden. Zoals vaker: meer onderzoek zou mooi zijn.

maandag 14 november 2016

Floyd Henry Allport (1890 - 1979) over hoe kinderen zouden moeten opgroeien

(Voor email-abonnees: Dit is het volledige bericht dat 
eerder per abuis in onvoltooide vorm verstuurd werd.)

Onze kinderen groeien op in een maatschappij met een historisch gezien grote mate van sociaal isolement van gezinnen. Daardoor ondervinden ze maar weinig van de coöperatieve zorg die voor de evolutie van de mensheid zo kenmerkend is geweest. In plaats daarvan brengen ze uitzonderlijk veel tijd door samen met alleen de eigen ouders en in de "gespecialiseerde" en "kunstmatige" arrangementen van kinderopvang en school. Waardoor ze ook historisch gezien uitzonderlijk veel tijd doorbrengen onder leeftijdsgenoten.

Er is op dit blog allerlei onderzoek voorbijgekomen dat er op wijst dat deze omstandigheden niet zo gunstig zijn voor een gelukkige jeugd en voor een goede sociaal-emotionele en morele ontwikkeling. Het is niet voor niets dat we de omvangrijke sector kennen van de jeugdzorg, de opvoedinterventies , de kinder- en jeugdpsychiatrie en de kinderbescherming,

Dat onderzoek is vaak nog maar van recente datum. Scrol eens door de berichten op dit blog achter de labels cooperative breeding, sociaal isolement van gezinnen, buurten voor kinderen en mythe van de opvoedbaarheid.

Dat sociaal isolement van gezinnen is natuurlijk niet van vandaag of gisteren. Hoewel het vermoedelijk in de tweede helft van de vorige eeuw in een versnelling is gekomen (denk aan
Tijd die ouders met hun kinderen doorbrengen sinds 1960 gestegen - Nee, dat is geen gunstige ontwikkeling), is het een proces dat al langer aan de gang is.

Dat doet vermoeden dat het ook al wel eerder is opgemerkt. En dat vermoeden werd bevestigd toen ik weer eens het boek Institutional Behavior. Essays Toward a Re-Interpretating of Contemporary Social Organization van Floyd Henry Allport (1890 - 1979) uit mijn boekenkast trok. Het verscheen in 1933, maar ik kocht in 1975 de editie van 1969. Dat was toen ik nog mijn naam en het jaartal van aanschaf in mijn boeken noteerde.

Floyd Henry Allport was een broer van Gordon Allport (zie het bericht Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact) en die twee samen mag je wel tot de grondleggers van de sociale wetenschappen rekenen.

In hoofdstuk XVI (Manifoldness and unity in the life of a child) van dat boek gaat Allport in op de voorwaarden voor een gunstige persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen. Ruim tachtig jaar geleden; lees even mee met een aantal citaten. (Voor de leesbaarheid kort ik de alinea's wat in.)
Of all the phases of the problem of child development perhaps the least understood and the most neglected is that of children's personalities. Our attention has been given to the more specific needs of children rather than to the more general. In schools, in scouting groups for recreation, in church schools for moral training, in medical clinics for health, in psychological clinics for mental hygiene, our assumption has been that, in caring for the child in these particular ways, we are helping him te develop as a complete and wholesome personality. Just what this personality is, however, and how it is fostered by such departmentalized procedures, no one has as yet clearly revealed.(...)
The trend within all the agencies just mentioned is to make individuals better adjusted, as we say, to society, and hence, by the same token, more like one another. Those unique patterns of qualities which make one person different from every other are often neglected. If children's personal characteristics develop, the result may, in some cases, be reached in spite of our welfare and educational agencies rather than through their aid.
Parafraserend: we hebben het leven van onze kinderen in partjes opgedeeld. Voor elk van hun behoeftes is er een aparte voorziening. Die tegelijk voor ieder kind gelijk is.
The problem is becoming more acute at present because of the increasing compartmentalization in the lives of both children and of adults. Our grandparents, with all their intellectual and material limitations, and their superstitions, were probably at least unique individuals. Their individuality could be felt and cultivated through characteristic modes of self-expression which they maintained throughout the community where they lived.
Nowadays most of us do not live in communities in the older sense, but in many diverse patterns and sets of relationships; and the members of one of these groupings seldom meet the members of another or know them as individuals.
In each group there are stressed certain values, traits of character, abilites, and approved forms of conduct which in other groups are ignored and sometimes flatly contradicted. The ethical code which a child learns in Sunday school is not the same as that which he is likely to practice in selling magazines. The standards pertaining to the boy or girl scout organizations are difficult to apply to the situations of a classroom. The virtues demanded at home are frequently different from those which bring an individual success upon the playground or a member of a club of gang. (...)
The reason for all this is the fact that, under conditions of modern social organization, persons who have to do with but a portion of life are banded together to direct children with regard to that particular segment, and at times and places separate from the ministrations of those concerned with other segments.
This process tends to separate the segmental interests of a child from his life as a whole, and to set these isolated interests upon a plane of importance superior to that of the entire individual. Both children and adults are members of a society which is becoming a pattern of social institutions rather than a community of freely mingling and interacting individuals. (...)
if all our habits were so compartmentalized, we should indeed have no general and characteristic traits of personality. We should then be creatures of specific situations. Such inconstancy, however, probably results from our growing modern tendency to segregate ourselves into different groups for different purposes. These groupings become institutionalized; their members do noy move about freely and intermingle as in the older days of community living.
Since people stay, as it were, in their fixed ruts, there is little opportunity for them to see one another as complete individuals in a variety of differing situations (...)
Conclusie:
in order to foster the development of consistent traits we must prevent the experience of a child from being broken up into group situations of institutional alignments which have nothing in common. We must permit him to react in a community situation where certain other individuals are present in many relationships of life, and not merely upon isolated occasions and in specialized roles such as those of teachers, playgroup leader, minister, and employer.
The principle of unity among manifoldness can best be provided by responses to the behavior of other human beings who do not shift kaleidoscopically with every situation, but who, in the role of of common stimulus maintain a constancy of their presence and their personalities throughout.
If this view is correct, our tendency to employ experts and specialists for each phase of a child's activity and each of his needs may, if carried too far, entail more harm than benefit.(...)
it will be better for the parent not to leave the affairs of teaching solely to the teacher, but to allow his own influence to carry over into the educational field. It will be better if the teacher is not alone a dispenser of knowledge, but a companion on the playground, an adviser in economic relationships, and a friend whose personality may at times be felt even within the sacred precincts of one's home.
In order to help the child to develop individuality, to be himself in all situations, and to provide his own standard of conduct rather than shift with the code of each grouping with which he happens to be in contact, we must fight against the segmentalizing of human living. We must restore a more fluid, face to face relationship, - a community of whole individuals in which unique and self-consistent behavior shall be possible of attainment.
En Allport besluit het hoofdstuk met:
Freedom to choose one's companions and one's activites, freedom to try different modes of response without fear of ridicule or intimidation in the name of the group, freedom to meet individuals not in compartments, but in the fulness of their communal living, - these are the conditions upon which the achievement of personality depends.
Wijze woorden, ruim tachtig jaar geleden opgeschreven. Uit een andere tijd, een tijd waarin de sociale wetenschap zich nog moest gaan ontwikkelen. Maar blijvend actueel.

dinsdag 8 november 2016

Kapitalisme maakt competitiever en minder pro-sociaal

De menselijke sociale natuur is ambivalent. We zijn in staat tot pro-sociaal gedrag en samenwerking (gemeenschapsgedrag), maar ook tot egoïsme en tegenwerking (statuscompetitiegedrag). 

Welke potentie tot uiting komt, hangt er van af hoe anderen zich gedragen. Als we veel pro-sociaal gedrag om ons heen zien, dan leren we dat gemakkelijk aan als we nog opgroeien en doen we daar gemakkelijk aan mee als we volwassen zijn. Maar ook andersom: opgroeien en leven in een statuscompetitieve omgeving vergroot de kans op statuscompetitief gedrag.

Anders gezegd, afgezien van de (geringe) invloed van persoonlijkheidsverschillen, is ons pro-sociale gedrag "sociaal ingebed". Onze "keuze" hoe ons te gedragen, is maar heel beperkt autonoom. We laten ons, vaak onbewust, leiden door wat anderen doen. Dat inzicht kun je op zijn kortst onder woorden brengen in wat ik de Dual-Mode theorie noemde.

Je kunt er veel van wat zich in onze huidige maatschappij afspeelt, behoorlijk goed mee verklaren en begrijpen. Scrol maar eens door de berichten op dit blog achter het label Dual-Mode theorie.

Maar het inzicht kan ook helpen bij het begrijpen van de mensheidsgeschiedenis, met name bij het doorgronden van de effecten van de landbouwrevolutie op het menselijk gedrag. Want terwijl in de jagers-verzamelaarssamenlevingen gemeenschapsgedrag (delen en samenwerken) vanzelf sprak, kwam er met de landbouw ruimte voor eigendomsclaims en daarmee voor ongelijkheid, conflict en statuscompetitiegedrag.En die ruimte is tot vandaag de dag, in onze kapitalistische maatschappij, aanwezig.

Bovendien werden samenlevingen grootschaliger en anoniemer, waardoor het waarnemen van elkaars gedrag minder rechtstreeks is geworden. Over hoe anderen zich gedragen, zijn we vaak alleen heel indirect geïnformeerd.

Dat betekent dat we met onze ambivalente sociale natuur terecht zijn gekomen in een sociale omgeving die al even ambivalent is. Vaak vangen we signalen op over gedrag van anderen die ons er toe brengen om ons pro-sociaal te gedragen. Maar ook gebeurt het dat anderen bij ons egoïsme en statuscompetitie aanwakkeren. Het overall resultaat is dat sinds die landbouwrevolutie naast het gemeenschapsgedrag het statuscompetitiegedrag tot ons dagelijks leven is gaan behoren. Gevolg van de dubbele ambivalentie: die van onze natuur en die van wat wij om ons heen zien.

Zou je dat historische proces nog concreet kunnen waarnemen als je kleinschalige samenlevingen bestudeert die nog in verschillende fasen van die historische ontwikkeling verkeren? Dat zou een toets mogelijk maken van de hierboven genoemde inzichten.

Precies dat is geprobeerd in de nieuwe studie Social Value Orientation and Capitalism in Societies. De onderzoekers vergeleken drie regio's van Bangladesh, de hoofdstad Dhaka, die kapitalistisch mag worden genoemd, het zuidelijke district Dacope, waar nog kleinschalige landbouw wordt bedreven, en een aantal dorpen in het noordelijke district Bogra, die een tussenpositie innemen. Drie gebieden dus waarin het kapitalisme in verschillende mate het dagelijks leven domineert. Hoewel er in Dacope dus al wel landbouw wordt beoefend, is die nog kleinschalig en deels gericht op zelfvoorziening.

In elk van deze drie gebieden namen de onderzoekers bij een steekproef van 334 bewoners een test af op zogenaamde social value orientations. Die bestond er uit dat je een keuze moest maken uit bijvoorbeeld de volgende drie opties:
  • Option 1: You receive 500, and the other receives 100.
  • Option 2: You receive 500, and the other receives 500.
  • Option 3: You receive 560, and the other receives 300.
De getallen stonden voor hoeveelheden geld, die ook echt werden uitgekeerd. Die andere persoon was een "onbekend iemand".

Een voorkeur voor optie 1 is een aanwijzing voor het hebben van een competitieve oriëntatie. Je ziet dan graag dat jij heel veel hebt en de ander juist zo weinig mogelijk. Voorkeur voor optie 2 staat voor een pro-sociale oriëntatie: je houdt rekening met de ander en wilt graag dat die net zo profiteert als jij.
En optie 3 staat voor een individualistische (egoïstische) oriëntatie: je wilt gewoon het maximale voor jezelf.

De proefpersonen moesten een aantal van dit soort keuzes maken waarbij de precieze sommen geld varieerden. Door die keuzes te aggregeren, kon meestal bepaald worden wie er meer competitief was, meer pro-sociaal of meer individualistisch.

Als je nu veronderstelt dat die kleinschalige samenleving van Dacope van de drie nog het dichtst staat bij de jagers-verzamelaars samenleving waarin delen en samenwerken voorop stond, en dat de hoofdstad Dhaka daarvan het verst verwijderd is, dan verwacht je dat in Dacope nog het meest voor optie 2 wordt gekozen en in Dhaka het meest voor optie 1. Welnu, de resultaten zie je afgebeeld in de tabel.


En wat blijkt? Zoals verwacht waren de proefpersonen die in het kapitalistische Dhaka woonden, het meest competitief, die in Dacope het minst en zaten die in Bogra daartussen in. En omgekeerd: de proefpersonen in Dacope waren het meest pro-sociaal, die in Dhaka het minst pro-sociaal en die in Bogra namen ook hier een tussenpositie in.

Na uitgebreidere statistische analyses komen de onderzoekers tot de conclusie:
This result illustrates a clear change from prosocial to competitive value orientations with respect to the degree of capitalism in societies. That is, as societies become more capitalistic, people tend to become less prosocial and more competitive.
Dat in het meer kapitalistische Dhaka mensen ook inderdaad competitief tegenover elkaar staan, illustreren ze met een beschrijving van hun gedrag bij bushaltes:
We can provide one simple example of how competition for survival and success as a cultural trait engenders human behaviors: competition for buses in Dhaka. Many people usually wait at bus stops in Dhaka. When a bus approaches the stop, it is usually filled with more passengers than its capacity. Only a few more people can take the bus on each occasion. Therefore, people waiting at the stop compete to get on the bus by pushing and pulling each other. In this case, survival and success means that each person goes home as early as possible. There are two ways to survive and achieve success: (1) forming a first-come and first-served queue and (2) competing by pushing and pulling at a bus stop. Unfortunately, in Dhaka, pushing and pulling to get on a bus is a common behavior due to the propagation of competition for survival and success.
En de dagelijkse praktijk van samenwerken en delen in het agrarische Dacope illustreren ze als volgt:
(...) in Dacope, economic activities require cooperation rather than competition to ensure mutual long-term survival under natural uncertainty and hardship. In Dacope, people enter the adjacent forest, the Sundarbans, to collect wood or honey, and they need to cooperate for ensuring their safety from wild animals, such as tigers. Moreover, it is common to share the profits or goods equally, regardless of how much wood or honey they collect individually. The same type of sharing practices can be seen among the fishermen who harvest together in adjacent rivers. Due to the existence of such cooperative practices and needs, in the long run, cooperation for survival and success is still dominant. As a consequence, people in this region are more prosocial than those in Dhaka and Bogra (...).
Zou het dan ook zo zijn dat de mensen in Dacope vaker contacten hebben met hun buren dan in het kapitalistische en dus anoniemere Dhaka? Ja, de onderzoekers waren zo vooruitziend geweest om ook daarnaar te vragen en dat bleek inderdaad het geval te zijn.Gemiddeld was er in Dacope ruim 30 maal per maand contact met de buren (elke dag dus), tegenover bijna 13 maal in Dhaka.

Je ziet in zo'n onderzoekje in een miniatuur wat zich in die mensheidsgeschiedenis heeft afgespeeld. En het beeld komt overeen met de berichten op dit blog over verschillen tussen stad en platteland.

maandag 19 september 2016

Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact - Nieuwe aanwijzingen

In verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis, de periode van de Paleo Sociale Omgeving, hebben mensen hun leven doorgebracht in een sociale kring van vertrouwden. Met de opkomst van de landbouwsamenlevingen, 8000 tot 10.000 jaar geleden, ontstond er een nieuwe sociale uitdaging: hoe om te gaan met vreemden en met leden van andere etnische groepen?

Omdat die uitdaging nieuw was, konden ontmoetingen met vreemden verschillende kanten opgaan: die van vriendelijke kennismaking en acceptatie tot wantrouwen en vijandigheid. Een in de sociale wetenschappen bekende hypothese, die teruggaat tot Gordon Allport (The Nature of Prejudice 1954), is dat de kans op acceptatie groter wordt naarmate er meer gelegenheid is geweest voor sociaal contact. Hoe meer contact, hoe meer vertrouwdheid en hoe meer acceptatie. Zie mijn eerdere bericht over de contacthypothese: Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.

Er zijn veel aanwijzingen dat die sociale contacthypothese klopt. Studies in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hebben herhaaldelijk aangetoond dat autochtonen (whites) die in een wijk wonen met een groter aandeel minderheden en immigranten positiever staan tegenover leden van andere groepen dan degenen die in een homogeen witte wijk wonen. En dat moet er aan liggen dat ze meer gelegenheid hebben om met die anderen contact te hebben en er enige vertrouwdheid mee te ontwikkelen.

Maar er is kritiek mogelijk op dat onderzoek. Want het zou kunnen zijn dat als je naar verhuisbewegingen zou kijken, dat dan blijkt dat degenen met een anti-immigrantensentiment zulke gemengde wijken al hebben verlaten (white flight) of al eerder hebben besloten om er niet te gaan wonen (white avoidance). Waardoor degenen die immigranten en minderheden gemakkelijker accepteren in gemengde wijken zijn oververtegenwoordigd.

Of dat zo is en in welke mate dat zo is, kan natuurlijk alleen blijken uit onderzoek dat naar een langere periode kijkt. Precies zulk onderzoek is nu uitgevoerd in Engeland en Wales: “White Flight” orPositive Contact? LocalDiversity and Attitudesto Immigration in Britain.

De onderzoekers analyseerden de gegevens van Understanding Society. The UK Household Longitudinal Study over een periode van 20 jaar. En ze vinden niet of nauwelijks aanwijzingen voor white flight: er is geen verschil tussen autochtone bewoners met anti- en pro-immigrantensentiment in de neiging om uit een gemengde wijk weg te trekken. Wel is er een klein verschil in de geneigdheid om naar een gemengde wijk toe te trekken.

Een en ander betekent dat de sociale contacthypothese overeind blijft: slechts een klein deel van de positievere houding van witte bewoners van gemengde wijken tegenover minderheden en immigranten kan verklaard worden door zelfselectie, dus door white flight en white avoidance.

Wat dus blijft staan is dat contact mensen bij elkaar brengt.

(De afbeelding toont de sociaal-psycholoog Gordon Allport, 1897-1967.)

donderdag 1 september 2016

Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen

Als mensen een fundamenteel sociale diersoort zijn, dan mag je verwachten dat de behoefte aan een stabiele en vertrouwde sociale omgeving groot is. Als die er niet is, dan liggen de bekende negatieve effecten van eenzaamheid en statuscompetitie op de loer. (Zie Draait alles om vertrouwdheid? en De stress van statuscompetitie en eenzaamheid.)

Een en ander doet vermoeden dat het vaak veranderen van sociale omgeving, zoals door te verhuizen, negatieve gevolgen heeft.

En dat klopt. We hebben al gezien dat het vaak verhuisd zijn leidt tot sociale vluchtigheid, d.w.z. met het onvermogen of het gebrek aan bereidheid om je aan anderen te hechten.

En we hebben gezien dat het vaak verhuisd zijn samengaat met verlies aan sociale contacten, de kans op eenzaamheid en met de negatieve gevolgen daarvan voor welbevinden en gezondheid.

Een fraai overzicht van het onderzoek naar de negatieve gevolgen van geografische mobiliteit voor het individu zowel als voor de buurt en de maatschappij geeft Shigehiro Oishi in The Psychology of Residential Mobility: Implications for the Self, Social Relationships, and Well-Being.

Je zou kunnen denken dat die negatieve gevolgen er vooral ook voor kinderen zullen zijn. Dat zou verklaren dat gezinnen door niet te verhuizen proberen om hun sociale contacten in stand te houden. Zie Hoe gezinnen pogen om sociale contacten in stand te houden - door niet te verhuizen.

Er is nu het nieuwe onderzoek Cumulative, Timing-Specific, and Interactive Models of Residential Mobility and Children's Cognitive and Psychosocial Skills dat ingaat op die negatieve gevolgen voor kinderen. De onderzoekers analyseerden gegevens van de Early Childhood Longitudinal Study, Kindergarten Class of 1998–1999 (ECLS-K). Ze vinden, weliswaar kleine, negatieve effecten van vaker verhuisd zijn, vooral op jonge leeftijd, op het psychosociaal functioneren (zelfbeheersing, sociale vaardigheden, internaliserende en externaliserende problemen). Bovendien blijven die effecten langere tijd bestaan. (De kinderen werden gevolgd van de kinderopvang tot groep 8.)

Het is niet verrassend dat zulke negatieve effecten optreden. Zie het begin van dit bericht. Maar de vraag is of wij daar ieder voor zich en collectief wel voldoende rekening mee houden. Een maatschappij waarin mensen gemakkelijker in staat zijn om een stabiele en vertrouwde sociale omgeving in stand te houden, zou in ieder geval in sociaal opzicht voordelen hebben. Misschien moeten we ons daar meer rekenschap van geven dan we tot nu toe doen.

Mijn oog viel op dit fraaie citaat dat Oishi aanhaalt in dat artikel dat ik hierboven noem:
My father grew up in a small town and worked for the same company. He knew the same fourteen people in his entire life. I meet more people than that in any given day.
Het is afkomstig uit The rise of the creative class van Richard Florida (2002). Dat zou suggereren dat creativiteit en sociale vluchtigheid samengaan. Of dat zo is?

woensdag 6 april 2016

Gezinnen zijn sociaal geïsoleerder dan alleenstaanden - En over waar dat aan ligt

Hoe kunnen we in een maatschappij terecht zijn gekomen waarin gezinnen historisch gezien zo sterk sociaal geïsoleerd zijn?

Het bericht Wat maakt het uit waar je je partner hebt ontmoet? Over gezinnen en sociale netwerken gaf daarop een antwoord. We zijn mobieler geworden, zowel naar verhuisgedrag als naar de omvang van het gebied dat we vanuit een domicilie bestrijken. Daardoor vinden we vaker een partner "van buiten", die elders in het land is opgegroeid of zelfs in een ander land. Meer recentelijk is daar het internet bijgekomen, als vindplaats van partners. Denk aan de dating-sites.

Dat heeft er toe bijgedragen dat gezinsvorming vaker is gaan plaats vinden op een nieuwe locatie, ruimtelijk verwijderd dus van waar elk van de partners is opgegroeid. Waardoor jonge gezinnen dus voor de opdracht staan om daar een nieuw sociaal netwerk op te bouwen. Ze beginnen als het ware weer bij nul. Vaak lukt dat behoorlijk, maar vaak ook niet.

Dat patroon verschilt sterk van het vroegere patroon waarin partners elkaar al hadden leren kennen gedurende het opgroeien. Als ze zich dan ook in de buurt vestigden, dan bleven dus de sociale netwerken van beiden intact. Het gaan trouwen en kinderen krijgen vond plaats binnen een en hetzelfde sociale netwerk. De bestaande contacten met ouders, broers, zusters en vrienden bleven in stand, ook al vanwege die geringere mobiliteit van die anderen.

Dat nieuwere patroon heeft geleid tot wat wel genoemd wordt het "alles-of-niets huwelijk". Huwelijken dus waarin partners voor hun sociale en emotionele behoeften sterk op elkaar zijn aangewezen. Vaak te sterk, wat een van de verklaringen zou kunnen zijn voor de toename van echtscheidingen. Zie Door sociaal isolement van gezinnen meer echtscheidingen?

Dat alles overdenkende, kun je je afvragen hoe het dan zit met het sociale isolement van alleenstaanden. Van de nog niet of nooit getrouwden en van degenen die na een huwelijk alleenstaand zijn geworden. Op het eerste gezicht denk je misschien dat die nog sterker sociaal geïsoleerd zijn. Maar het zou ook andersom kunnen zijn. Juist doordat ze zich niet hebben "opgesloten" in een gezin, hebben ze misschien wel meer contacten met familie, vrienden en buren.

Het nieuwe (Amerikaanse) onderzoek Does singlehood isolate or integrate? Examining the link between marital status and ties to kin,friends, and neighbors wijst op dat laatste. Ook als je rekening houdt met verschillen in leeftijd, gezondheid en opleiding, blijkt dat alleenstaanden meer contacten hebben met familie, vrienden en buren en met hen meer hulp uitwisselen. Gezinnen zijn dus sociaal geïsoleerder dan alleenstaanden.

Andersom: alleenstaanden zijn meer sociaal geïntegreerd. En dat blijkt zelfs te gelden voor degenen die na een huwelijk alleenstaand zijn geworden. Na een scheiding of het overlijden van de partner weten alleenstaanden dus weer contacten aan te halen of nieuwe contacten te leggen.

Verder blijken alleenstaanden vaker dichter bij ouders en broers en zusters te wonen. Zij weten dus meer van dat vroegere patroon in stand te houden.

dinsdag 24 november 2015

Hoe gezinnen pogen om sociale contacten in stand te houden - door niet te verhuizen

De aanwijzingen zijn sterk dat gezinnen historisch gezien in hoge mate sociaal geïsoleerd zijn. Bovendien lijkt dat isolement ook nu nog toe te nemen, er uit blijkend dat we steeds minder bij elkaar op bezoek gaan. Zie We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd.

In overeenstemming daarmee zou zijn dat mensen graag meer sociale contacten zouden willen dan ze hebben. En uit de CBS-publicatie Frequentie en kwaliteit van sociale contacten blijkt dat dit ook inderdaad het geval is. Er is duidelijk een onvervulde behoefte aan (ontmoetingsplekken en) sociale contacten.

Natuurlijk zou daarmee ook in overeenstemming zijn dat we in onze maatschappij een eenzaamheidsprobleem kennen. En wie zou willen ontkennen dat dat probleem er is? Zie Bijna veertig procent van de volwassen Nederlanders voelt zich eenzaam - RIVM.

En er zou mee in overeenstemming zijn dat het in ons volwassen leven nog maar weinig gebeurt dat we nieuwe vrienden maken. De vrienden die we hebben wonen vaak ver weg en ontmoeten we uitsluitend nadat langdurig de agenda's zijn geraadpleegd. Zie Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden?

En tenslotte zou je ook kunnen denken dat ons verhuisgedrag er door wordt beïnvloed. Want stel dat je ergens woont waar je dan toch, tegen alle kansen in, vrienden hebt gemaakt. Jonge gezinnen willen nog al eens vrienden maken via hun kinderen. Je treft elkaar in of bij de school en leert elkaar kennen via logeerpartijtjes van de kinderen.

De vrienden die je daar mee maakt, zijn dan natuurlijk een kostbaar "bezit". Misschien zo kostbaar dat je zelfs kansen op de arbeidsmarkt laat liggen omdat je er voor terugdeinst om daar voor te gaan verhuizen.

Volgens het mooie artikel Growing Families That Stay Put in de New York Times van een maand geleden is dat een opkomende trend. Ook als gezinnen door uitbreiding eigenlijk te klein behuisd zijn, kiezen ze er toch vaak voor om te blijven waar ze zijn. Vanwege de sociale inbedding in een netwerkje van buren- en vriendschapsrelaties. Lees dat artikel en bekijk ook de mooie foto's.

Zou je deze trend, als het een trend is, ook kunnen terugzien in de verhuisstatistieken? Misschien een beetje, want er zijn natuurlijk veel factoren die het aantal verhuizingen beïnvloeden. Zo wordt er in een economische crisis, na sterk gestegen huizenprijzen, weinig verhuisd. Zie Verhuizingen, 2014 van het Compendium voor de Leefomgeving.

Maar daar lees je ook dat ruim een derde van de verhuizingen voor rekening komt van twintigers, omdat mensen op die leeftijd het ouderlijk huis verlaten. En daarna een partner en/of een baan vinden, wat ook weer "verhuisbewegingen" tot gevolg heeft.

Maar al snel daarna wordt er minder verhuisd. Vooral minder als er tieners in het huis zijn. Want die hebben dan vriendjes gemaakt. En ouders hebben contacten opgedaan.

Samengevat: "Naarmate mensen ouder worden, is de verhuismobiliteit steeds lager". Want mensen koesteren dat kostbare bezit van vrienden die ze ondanks alles toch gemaakt hebben.