Posts tonen met het label arbeidsparticipatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label arbeidsparticipatie. Alle posts tonen

vrijdag 4 september 2015

Langere werkweek vergroot de kans op beroertes - en over wat daar aan te doen

Het medisch tijdschrift The Lancet publiceert een grote meta-analyse van 25 studies naar het verband tussen hoeveel uren mensen per week werken en de kans op een beroerte en acute coronaire hartproblemen: Long working hours and risk of coronary heart disease and stroke: a systematic review and meta-analysis of published and unpublished data for 603 838 individuals.

In deze studies werden mensen zonder coronaire hartziektes een aantal jaren gevolgd. Alles bij elkaar genomen blijkt dan dat degenen die 55 of meer uren per week werkten een grotere kans hadden op een beroerte in vergelijking met degenen die tussen de 35 en 40 uur per week werkten. Er was ook een verband met de kans op acute coronaire hartproblemen (kransslagaders), maar dat was minder sterk. Daarbij werd statistisch gecontroleerd voor leeftijd, geslacht, opleiding, inkomen, roken, BMI, beweging en alcoholgebruik.

Dit wijst sterk in de richting van een causaal verband: van zulke lange werkweken krijgen mensen beroertes en acute kransslagaderproblemen.

Ik moest natuurlijk denken aan Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee. Daar gaat het er over dat werk hebben ons weliswaar welzijn verschaft in vergelijking met werkloos zijn. Maar tegelijk blijkt de activiteit van het werk ons een heel laag welzijn te verschaffen in vergelijking met vrijwel alle andere bezigheden.

We zijn kennelijk met zijn allen nog maar slecht in staat om arbeidsomstandigheden te scheppen waarin mensen goed gedijen. Of anders gezegd, die voldoende tegemoetkomen aan onze intrinsieke behoeftes (gevoel van competentie, autonomie, verbondenheid met anderen).

Dat betekent dus dat je arbeid in niet te grote porties tot je moet nemen. Werk je 55 of meer uren per week? Hm, dan ben je niet goed bezig.

Je zou dus verwachten dat dat artikel in The Lancet eindigt met de aanbeveling om niet zulke lange werkweken te maken. En met de aanbeveling aan de overheid om werktijden beter te reguleren of de bestaande wetgeving beter te handhaven. Maar nee hoor, de enige aanbeveling is dat dokters meer aandacht moeten hebben voor deze risico's bij mensen die lange werkweken maken.

Dat lijkt op het advies aan artsen om meer aandacht te hebben voor de kans op longkanker bij mensen die veel roken. In plaats van het advies om op te roepen tot minder roken. Of om beleid te voeren om het roken terug te dringen.

Wat met roken al wel gebeurd is, een medische pressiegroep om het roken terug te dringen, dat moet kennelijk nog gebeuren met arbeidsomstandigheden en het maken van lange werkweken.

Misschien heeft de redactie van The Lancet zich ook achter de oren gekrabd, want ze voegt een commentaar aan het artikel toe (Long working hours: an avoidable cause of stroke?), waarin juist wel wordt gepleit voor betere wetgeving op het terrein van arbeidsomstandigheden en arbeidstijden en betere handhaving daar van.

vrijdag 27 maart 2015

Door toename vrije tijd gingen we vooral meer televisiekijken. En wat deden we met onze sociale contacten?

We zijn met zijn allen in een maatschappij beland waarin we met betaalde arbeid in ons levensonderhoud moeten voorzien. Maar in de afgelopen anderhalve eeuw is het aantal uren arbeid dat daarvoor nodig is, sterk afgenomen. Hieronder zie je de afname van het aantal gewerkte uren per week voor verschillende landen sinds 1870. (Bedenk overigens wel dat de verticale as niet bij nul begint.) Business Insider, waaraan ik dit plaatje ontleen, schat dat we door de toegenomen arbeidsproductiviteit gemiddeld 30 uur per week minder betaald zijn gaan werken.

Hours Worked Per Week

Wat zijn we met die toegenomen vrije tijd gaan doen? Wat voor prachtige en zinvolle dingen zijn we gaan doen om al die vrije tijd te vullen? Hebben we die besteed aan persoonlijke ontwikkeling? Aan een rijker sociaal leven?

Vergeet het maar. Volgens dat bericht van Business Insider zijn we bovenal televisie gaan kijken. Want kijk maar: gemiddeld genomen kijken we ongeveer vier uur per dag televisie en dat is 28 uur per week. Die 30 uur meer vrije tijd gaat dus bijna geheel op aan het staren naar al die onzinprogramma's op de beeldbuis.

Time Spent Watching Television
Dat is nogal ontnuchterend. Maar eigenlijk is het nog erger. Want die televisie is er natuurlijk pas vanaf ongeveer 1950, 1960. En de grootste afname van de werkweek was toen al achter de rug. Als je in die grafiek naar Nederland kijkt (de roodbruine lijn), dan zie je een afname van de werkweek van ongeveer 15 uren na 1950. Dat komt neer op ruim twee uur per dag minder betaald werken.

En we kijken 195 minuten per dag televisie, dus bijna drie en een half uur. Sinds 1950 zijn we dus zelfs meer televisie gaan kijken dan we er aan vrije tijd bij hebben gekregen. Dat moet betekenen dat die vermaledijde televisie zelfs in de plaats is gekomen voor iets anders wat we in onze vrije tijd doen.

Wat zou dat kunnen zijn? Geen moeilijke vraag, want we weten dat, in ieder geval vanaf 1975, onze tijdsbesteding aan sociale contacten buitenshuis is afgenomen. Zie We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd. Sinds 1975 is het aantal uren dat we bij elkaar (buren, familie, vrienden) over de vloer komen, meer dan gehalveerd.

Die televisie, die er in Putnams Bowling Alone al zo slecht afkwam, heeft dus nogal wat aangericht. Hij heeft niet alleen onze toegenomen vrije tijd opgeslorpt, maar bovendien nog onze sociale contacten doen afnemen.

En dat zet je aan het denken over die eerste helft van de vorige eeuw. Die was misschien zo slecht nog niet. De toename van de vrije tijd was toen het grootst. Kijk maar weer naar die grafiek bovenaan dit bericht. Met het grote voordeel dat er toen nog geen televisie was. Als je bovendien bedenkt dat er toen nog maar weinig schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen was, met nog maar weinig autobezit, dan vermoed je dat familie en vrienden toen dichter bij elkaar woonden. En bovendien dichter bij hun werk woonden. Wat een sociale tijd moet dat zijn geweest, die eerste helft van de vorige eeuw.

woensdag 4 maart 2015

Wat kunnen we leren en wat kunnen we niet leren van lokale experimenten met het onvoorwaardelijk basisinkomen?

Er komen experimenten met het onvoorwaardelijk basisinkomen. Marcel Canoy schrijft vandaag over een experiment dat in Leeuwarden op stapel staat. En politieke partijen buitelen over elkaar heen bij het bepleiten van zulke experimenten. Als ik het goed heb bijgehouden, zijn GroenLinks, de PvdA en D'66 nu voorstander.

Dat is een positieve ontwikkeling. Zie mijn eerdere bericht Is het Onvoorwaardelijk Basis Inkomen het sluitstuk in de opbouw van de verzorgingsstaat? Waarin ik er ook voor pleit om met experimenten te beginnen, om meer te weten te komen over de gedragseffecten. Full disclosure: Ik ben ondertussen toegetreden tot het Comité van Aanbeveling Onderzoek Basisinkomen.

Maar het denken staat niet stil. En ik vroeg me af wat je nu eigenlijk wel en wat niet kunt leren van zulke experimenten. Want de gedachte is eigenlijk steeds dat het gaat om lokale experimenten, Je geeft mensen in een bepaald omgrensd gebied dan een onvoorwaardelijk basisinkomen, in ruil waarvoor ze moeten afzien van hun rechten op uitkeringen en toeslagen.

Wat je dan kunt leren is hoe die mensen reageren op deze nieuwe omstandigheid. En dan staat al gauw de vraag voorop of ze zich wel of niet minder op de arbeidsmarkt zullen aanbieden. De vrees van tegenstanders van het basisinkomen is dat het arbeidsaanbod zal verminderen en dat zulks negatieve gevolgen zal hebben voor het economisch draagvlak voor de overheidsuitgaven, waaronder dus de uitgaven ten behoeve van dat basisinkomen. Dat is de vrees van de Oblomov-school, zo genoemd door Marcel Canoy, de vrees dus dat mensen lui zijn en minder gaan werken als ze gratis geld krijgen.

Er zijn goede redenen om daar anders over te denken. Zoals dat armoede negatieve gevolgen heeft voor het cognitieve functioneren, waardoor een neerwaartse spiraal kan ontstaan, omdat slecht cognitief functioneren weer de kans op armoede vergroot. En het lijkt er op dat je die spiraal kunt doorbreken door eenvoudigweg met een basisinkomen de armoede te doorbreken. Zie Hoe te verklaren dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze geeft?

Een lokaal experiment kan dus wel inzicht geven in de aard van het effect op het arbeidsaanbod. Maar dat is maar een beperkt inzicht omdat effecten op het, zeg maar, "systeemniveau" niet kunnen optreden. Daarmee doel ik er op dat het basisinkomen het mogelijk maakt om hogere eisen te stellen aan de kwaliteit van een baan. Onveilige omstandigheden op het werk? Geen flexibele werktijden? Geen zorgverlof? Zwaar en ongezond werk? Als je kunt terugvallen op je basisinkomen, wordt het gemakkelijker om een baan met slechte arbeidsomstandigheden te weigeren. En dat betekent weer dat werkgevers geprikkeld worden om betere banen aan te bieden. Wat natuurlijk vervolgens betekent dat mensen zulke banen eerder accepteren, waardoor het arbeidsaanbod dus toeneemt.

Het risico met lokale experimenten is dus dat je alleen iets leert over die individuele effecten op het arbeidsaanbod, niet over de systeemeffecten. Want het is niet te verwachten dat de invloed van het experiment zo groot is dat ook werkgevers er hun gedrag door zullen laten veranderen.

En stel dat een lokaal experiment uitwijst dat het arbeidsaanbod afneemt, dan zullen tegenstanders triomfantelijk uitroepen: Zie je wel, dat zei ik toch? Terwijl dat systeemeffect misschien wel veel belangrijker is, maar wie heeft daar dan nog aandacht voor?

Ik ben dus wel wat bezorgd over dat enthousiasme voor zulke lokale experimenten.

zaterdag 14 februari 2015

Krijg je door verlaging van de bijstand meer mensen aan het werk?

Er is vandaag veel te doen om de CPB-studie De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid. De voornaamste boodschap van het CPB is dat een algehele verlaging van de belastingdruk weinig effect heeft op de arbeidsparticipatie. Dat zullen veel politici betreuren, omdat die er op hoopten de economische groei te kunnen aanzwengelen door belastingverlaging. In plaats van door op te houden met bezuinigingen en integendeel de overheidsuitgaven op te voeren, zoals door meer te investeren in de toekomst. Het zal hen tegenvallen dat deze in hun ogen gemakkelijke uitweg uit de crisis niet veel zal opleveren. Want ja, met belastingverlaging kun je vast wel stemmen trekken.

Maar in die CPB-studie trekt ook een andere uitkomst de aandacht. Die is dat de berekeningen uitwijzen dat een verlaging van de bijstandsuitkeringen wel effect zou hebben. Je zou daardoor vooral alleenstaande moeders met jonge kinderen aan het werk krijgen. Of zoals Rutger Bregman twitterde:
Volgens nieuw modelletje CPB gaan 50.000 bijstandsgerechtigden opeens aan het werk als je ze allemaal voor 0,5 mld dieper armoede in douwt
Maar zou dat wel zo zijn? Als je nagaat waar het CPB die schatting op baseert, dan blijkt dat een berekening te zijn van datasets over de periode 2006-2009. Wat er uit die data aan verbanden tevoorschijn kan worden gehaald, wordt dus geëxtrapoleerd naar 2015. Kan dat zomaar? Misschien wel niet, want kijk eens naar de werkloosheid in die jaren:

Figuur 1: Werkloosheid in Nederland daalt alweer

Die was in de jaren 2006, 2007 en 2008 historisch laag en aan het dalen en pas vanaf eind 2008 weer aan het stijgen. Als je je dus op deze vier jaren baseert, kun je tot de conclusie komen dat een verlaging van de bijstandsuitkeringen inderdaad meer mensen aan het werk brengt. Want ja, toen waren er ook nog banen. De economie groeide nog, ondernemers wilden nog investeren en mensen aannemen. De vraag was nog niet zoals nu ingezakt. Als je nu, in 2015, de uitkeringen zou verlagen, bij een werkloosheid van rond de 8 procent, dan zou je inderdaad mensen alleen maar dieper de armoede in douwen.

Dat lijkt er op dat je aan die uitkomst van die CPB-studie niet teveel waarde moet hechten. Trouwens, het CPB zelf houdt ook een slag om de arm. Want (p. 11):
Daarbij zij opgemerkt dat het hier wederom lange termijn effecten betreft, niet iedereen zal op korte termijn zijn of haar gewijzigde voorkeur voor werken kunnen realiseren.
Waarom niet? Omdat de invloed van de economische crisis, anders gezegd, van de economische conjunctuur, helemaal niet is meegenomen. Zie ook dit citaat uit de inleiding (p. 4):
Bij de simulatie-uitkomsten in deze Policy Brief is het belangrijk te vermelden dat het gaat om langetermijneffecten van beleidswijzigingen. (...) Omdat personen tijd nodig hebben om hun gedrag aan te passen, en omdat de conjunctuur invloed kan hebben op de effecten, kunnen de effecten op korte termijn afwijken van de langetermijneffecten.
Goed om aan te denken als je volgende week triomfantelijk hoort roepen dat het tijd wordt om de uitkeringen te verlagen.

woensdag 22 januari 2014

Kinderbijslag en de arbeidsovereenkomst. De losse flodders van Peter de Waard

Kinderbijslag en de arbeidsovereenkomst? Wat hebben die met elkaar te maken? Meer dan je denkt en dat zal ik uitleggen.

De aanleiding daartoe is dat Peter de Waard in zijn column vandaag in De Volkskrant denkt dat de kinderbijslag
een archaïsch overblijfsel (is) uit de tijd dat de pastoor, de dominee en Troelstra de mensen opjoegen tot een geboortegolf, zodat hun zuil de grootste van Nederland zou worden en de dienst zou uitmaken. Nu zelfs de omroepen op een hoop zijn geveegd is de kinderbijslag het enige dat de ontzuiling nog tamelijk schadevrij heeft overleefd.
De kinderbijslag zou dus een product zijn van de verzuiling, bedoeld om het geboortecijfer op te jagen. Hm, dat klopt geloof ik alleen al niet omdat die zorg om het kindertal eigenlijk alleen bestond in katholieke kring. En onderdeel was van de behoefte aan emancipatie van het katholieke volksdeel. Dominees en Troelstra, die maakten zich daar toch niet druk om? Bovendien, het geven van kinderbijslag aan iedereen zou voor iedereen het kindertal verhogen, dus daar schiet je als zuil niets mee op. Nee, Peter de Waard schiet weer eens met losse flodders.

Met iets meer desk research had hij kunnen ontdekken dat de kinderbijslag een ontstaansoorzaak heeft die te maken heeft met de arbeidsovereenkomst. Om dat uit te leggen citeer ik mezelf uit een column van 2005 (verschenen in Facta, nu Sociologie Magazine):
De Kinderbijslagregeling dateert van 1938, maar heeft een motivering die teruggaat tot discussies in de negentiende eeuw over de wenselijkheid van een ongevallenwet. Het ging toen over de principiële vraag welk gedrag binnen marktrelaties als die van werkgever-werknemer is toegestaan. Eén opvatting, dat de overheid die relatie zoveel mogelijk vrij moet laten, had lang de overhand. Dit betekende dat lange arbeidstijden, slechte arbeidsomstandigheden, kinderarbeid en ontslag wegens ziekte of gebrek wettelijk waren toegestaan. De markt, zeker de arbeidsmarkt, was nog een nieuw verschijnsel. Er was dus tijd nodig om de aard ervan te ontdekken en uit te zoeken hoe dit beest moest worden getemd.
Er was ook een andere opvatting, namelijk die van het “rechtvaardige loon”. Die hield in dat arbeidsmarktrelaties niet teveel mogen afwijken van de van oudsher vertrouwde gemeenschapsrelaties. In een gemeenschap zijn mensen aan elkaar gehecht en bereid om bij te springen als iemand hulp nodig heeft. Die oriëntatie op elkaars noden behoort volgens deze opvatting ook in de marktrelatie te bestaan. En dus moet de werkgever in het loon rekening houden met de behoeften en noden van de werknemer. Bij een bedrijfsongeval heeft hij een zorgplicht voor de arbeider die niet meer kan werken. En als de arbeider naasten heeft die van zijn zorg afhankelijk zijn, bijvoorbeeld kinderen, dan moet dat in de hoogte van het loon tot uitdrukking komen. Beloning naar behoefte (en verplichting naar vermogen), zoals in een gemeenschap.
Voor de socioloog is dit een fascinerende discussie, want de allesoverheersende vragen van ons vak zijn hoe de marktmaatschappij zich ontwikkelt, wat dat voor mensen betekent en welke conclusies daaruit moeten worden getrokken voor de inrichting van de maatschappij. Hoe is die discussie verder verlopen? Al gauw bleek dat het principe van het rechtvaardige loon op praktische problemen stuitte. Want hoe kan een werkgever voor zijn werknemers zorgen als hij in een concurrentieverhouding staat met andere werkgevers? Als hij die zorgplicht serieus neemt, heeft hij hogere arbeidskosten dan zijn concurrenten en zal hij op den duur uit de markt verdwijnen. Dan is zijn zorgvermogen verloren en is alsnog de werknemer aan zijn lot overgelaten. In plaats daarvan zullen werkgevers bij de werving van personeel sollicitanten vermijden die al (veel) zorgafhankelijke kinderen hebben of die naar verwachting nog zullen krijgen. Die selectie is natuurlijk in strijd met het streven om de markt vorm te geven naar het voorbeeld van de gemeenschap. Het principe werkt dus niet. Of we moeten de markt helemaal niet willen, maar daar schrikt iedereen voor terug.
Hoewel dit een praktisch argument is, raakt de onderliggende problematiek het principiële verschil tussen markt en gemeenschap. Het is overduidelijk dat deze twee sociale vormen elkaar in de weg zitten, maar ook dat we beide nodig hebben. De taak uit te vinden welke combinatie van de twee het beste uitpakt, zal ons nog wel lang bezighouden. De praktische bezwaren tegen het rechtvaardige loon hebben pas ver in de twintigste eeuw tot de conclusie geleid dat een door de overheid gefinancierde kinderbijslag noodzakelijk was. Want als je de markt wilt, dan wil je concurrentie. Dus kun je (en wil je!) niet voorkómen dat werkgevers op arbeidskosten concurreren. En dan blijft alleen de overheid over om zich te ontfermen over het behoeftecriterium, met aanwending van belastingopbrengsten. Dat was de rechtsgrond van de kinderbijslagregeling van 1938 voor werknemers en de latere uitbreiding tot zelfstandigen.
Die kinderbijslag heeft dus te maken met een serieuze discussie over wat voor kapitalisme we eigenlijk willen. Hoe houden we het behoefteprincipe van de gemeenschapsrelatie zo goed mogelijk in stand als we tegelijk ook de voordelen willen van concurrentie op de arbeidsmarkt? Door als overheid de zorg voor dat behoefteprincipe op je te nemen.

Diezelfde redenering zou er overigens ook toe kunnen leiden die middelen voor de kinderbijslag aan te wenden voor gratis kinderopvang. Zoals Peter de Waard bepleit. Maar hij heeft daar een heel andere reden voor, namelijk dat vrouwen daardoor meer betaald zouden gaan werken. En dat zou goed zijn voor de economie. Daar ga ik nu maar even niet op in.

vrijdag 24 februari 2012

DEMOS over grootouders en over deeltijdwerk

Demos (hier de pdf) heeft een artikel over het belang van grootouders, waar ik eerder over berichtte. Zie hier voor mijn vorige bericht daarover. In dezelfde aflevering ook een artikel over deeltijdwerk in Nederland. Zie daarover ook dit bericht.

vrijdag 10 februari 2012

Rudi Wielers: 30 uur is voltijds maakt ruimte voor onderlinge zorg

Eerder besteedde ik aandacht aan het pleidooi van Juliet Schor om minder te gaan werken. En minder te gaan consumeren, uiteraard: wanneer dat mogelijk is. We zijn geneigd te veel tijd aan betaald werk te besteden en te veel waarde te hechten aan alles waarvoor geld nodig is. Door minder te werken, kunnen we meer investeren in elkaar (familie en vrienden) en in onze buurten en dorpen. We hebben onze persoonlijke relaties verwaarloosd. Gemeenschappen zijn "dunner" geworden en onze banden zwakker. Daardoor zijn gezinnen meer sociaal geïsoleerd. We moeten het evenwicht tussen onze economische en onze sociale welvaart herstellen.

Het pleidooi van Rudi Wielers in Socialisme & Democratie (9/10, 2011) om de 30-urige werkweek als voltijds te erkennen, gaat precies in deze richting. Door een geringere arbeidsbelasting zullen mensen meer voor elkaar gaan zorgen, zoals in de vorm van mantelzorg en vrijwilligerswerk. En dat komt heel goed van pas, omdat de geprofessionaliseerde zorgsector sterk is gegroeid en als gevolg van de vergrijzing zal blijven groeien.
Deze 'vermarkting' (van de zorg) verdringt de onbetaalde zorgverlening. Mensen die niet participeren op de arbeidsmarkt zijn aanzienlijk actiever in mantelzorg en vrijwilligerswerk dan mensen met een deeltijdbaan, en die zijn weer actiever dan mensen met een voltijdbaan. (...)
Een belangrijke vraag is of de inmiddels vergaande vermarkting van zorgrelaties de kwaliteit van zorg ten goede komt. Er is veel reden daaraan te twijfelen. (...) Vaak is de kwaliteit (...) minder goed: door de nadruk op kostenbeheersing worden de zorgrelaties minder persoonlijk, en wordt  het werk zwaar. (...)
Een lagere norm voor voltijdwerk en de erkenning van informele zorg als een persoonlijk en maatschappelijk nuttige activiteit zouden deze problematiek aanzienlijk verlichten. Er is veel reden om aan te nemen dat mensen bij een geringere arbeidsbelasting meer voor elkaar zullen zorgen. Het welzijnsverhogend effect van de combinatie van betaald werk en zorg is een belangrijke reden dat nu reeds veel mensen voor die combinatie kiezen. Het verklaart waarom veel moeders en ook vaders, oma's en opa's een kortere werkweek hebben. (...)
Econometrische modellen van het SCP laten een sterke stijging van de mantelzorg zien bij een scenario waarin vrouwen en mannen in grote deeltijdbanen werken. Vooral de bijdrage van mannen zou daardoor toenemen. (...)
De combinatie van betaald werk en zorg kan van grote betekenis zijn voor de zorg voor kinderen en ouderen. Als de waarde van de combinatie is erkend, kan worden gewerkt aan condities die informele zorgverlening in families en buurten vergemakkelijken. Buurten en wijken zouden zo moeten worden ingericht dat verschillende generaties naast elkaar kunnen wonen, zodat zorgverlening tussen de generaties kan plaatsvinden, zowel van grootouders (voor hun kleinkinderen) als van kinderen (voor hun ouders). Informele zorg zou niet beperkt hoeven en moeten blijven tot familierelaties, maar ook uitgangspunt kunnen zijn voor de vergroting van de leefbaarheid van buurten. Faciliteiten op buurtniveau, waarin ouders, grootouders en kinderen als vrijwilligers participeren, zullen bij een kortere arbeidsduur een groter sociaal draagvlak kunnen krijgen.
Het mooie van dit pleidooi vind ik dat het er op wijst dat je via een omweg van een ingreep op de arbeidsmarkt het sociale isolement van gezinnen kunt verminderen. (Rudi en ik zijn geregeld co-auteurs geweest.)

maandag 16 januari 2012

Nu video van lezingen Schor, Skidelski, Jackson over minder werken

In vervolg op dit bericht waarin ik linkte naar de podcast van de lezingen van Schor, Skidelski en Jackson over minder werken: nu is ook de video van de lezingen te bekijken. Hier is de link. Minder vermoeiend om te volgen dan de podcast. Jammer dat de powerpoints van Juliet Schor niet in beeld komen. (Merk trouwens op hoe prominent ze het Nederlandse beleid ten aanzien van het recht op deeltijdwerk behandelt.)

vrijdag 13 januari 2012

Minder werken: Juliet Schor, Lord Skidelski en Tim Jackson

Luister naar de podcast van de lezing die Juliet Schor eergisteren gaf aan de London School of Economics. Link onderaan dit bericht. Na de inleiding van ongeveer acht minuten begint de lezing. Ze gaat in op de voordelen van een kortere werkweek en op de mogelijkheden om daartoe te komen. Zie ook mijn eerdere bericht.

Aansluitend hoor je Lord Skidelski, de biograaf en kenner van (het werk van) Keynes. En daarna Tim Jackson, die ik nog niet beluisterd heb.

De lezing van Lord Skidelski is diepzinning en hier en daar erg geestig. Aan het eind pleit hij voor:

1. recht op deeltijdwerk (zoals wij in Nederland al hebben),

2. een basisinkomen,

3. hogere belastingen op consumptie, vooral van luxe goederen,

4. meer inperkingen van reclame-uitingen.
About time – Examining the case for a shorter working week - Video and audio - News and media - Home:

'via Blog this'

woensdag 11 januari 2012

Juliet Schor: minder werken

Juliet Schor houdt vandaag een lezing aan de London School of Economics. Zie de link onderaan dit bericht. Ze wijst er op dat het individueel gezien verstandig kan zijn om meer uren te gaan werken als antwoord op dalende inkomsten en dalende waarde van het huizenbezit. Maar als we allemaal meer uren gaan werken, zullen de lonen dalen en zal de werkloosheid toenemen. Ze vindt dus dat overheden nu niet moeten aandringen op meer uren werken en langer doorwerken.

Ze zou gelijk kunnen hebben. Ze is al langer van mening dat wij geneigd zijn te veel tijd aan betaald werk te besteden en dat we te veel waarde hechten aan alles waarvoor je geld nodig hebt.

Zie haar boek The Overworked American. The Unexpected Decline of Leisure en haar boek The Overspent American. Why We Want What We Don't Need. En in het boek Born To Buy wijst ze op de grote negatieve gevolgen van dat gedrag voor het opgroeien van kinderen.

In haar nieuwste boek Plenitude. The New Economics of True Wealth zet ze de vier principes van volkomenheid (of overvloed) uiteen:

1. De trend naar meer werken om meer geld uit te geven omkeren.

2. Meer tijd besteden aan zelf doen en samen met anderen doen. Van zelf voedsel verbouwen en bereiden tot op lokaal niveau energie opwekken.

3. Meer duurzaam consumeren.

4. Meer "investeren" in elkaar en in onze buurten en dorpen. Door de ontwikkeling van de economie en onze neigingen tot meer werken en consumeren hebben we onze persoonlijke relaties verwaarloosd. Gemeenschappen zijn "dunner" geworden en onze banden zwakker. Daardoor zijn gezinnen meer sociaal geïsoleerd. Anders gezegd: we moeten het evenwicht tussen onze economische welvaart en onze sociale welvaart herstellen.

Op zijn kortst gezegd: werk en consumeer minder, creëer en verbind meer.

Je kunt hier een aardige video zien over haar ideeën.

Economic fallacies: is it time to work more, or less? | Guardian Sustainable Business | guardian.co.uk:

'via Blog this'

donderdag 5 januari 2012

Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee

Rudi Wielers, Peter van der Meer en ondergetekende hebben het onderzoek naar de welzijnseffecten van betaald werk op een rij gezet en gekeken wat je daar uit nu kunt concluderen. Wat opvalt is dat het werk als activiteit ons weinig welzijn oplevert. Dat wil zeggen dat werk gepaard gaat met minder positieve gevoelens en meer negatieve gevoelens dan alle andere activiteiten, met uitzondering van woon-werk verkeer. Maar wat dan ook meteen opvalt is dat het hebben van werk veel meer welzijn (tevredenheid met het leven) oplevert dan het werkloos zijn. Dat zou betekenen dat werk nodig is om je tevreden te voelen. Maar huisvrouwen en gepensioneerden zijn ook erg tevreden met hun leven.

Het artikel (Verhoogt werk ons welzijn?) Een bespreking van onderzoeksresultaten) is vorige maand verschenen in het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken. Ik citeer hieronder  de afsluitende samenvatting en onze interpretatie.
Afsluiting: omstandigheden en aspiraties
Om het effect van betaald werk op welzijn te bepalen is het noodzakelijk te onderscheiden tussen werk als activiteit en het hebben van werk als toestand. De bijdrage van werk als activiteit aan het (hedonisch) welzijn van werkenden is klein en nog lager bij een hoge werkdruk. Vrijwel alle andere activiteiten die werkenden verrichten leveren meer welzijn op. Ook voor de sociale contacten op de werkvloer geldt dat ze minder welzijn genereren dan andere contacten.
Daar staat tegenover dat het hebben van werk veel levenssatisfactie verschaft. Dit blijkt uit onderzoek waarin de levenssatisfactie van werkenden en werklozen wordt vergeleken. Een opvallend gegeven is echter ook dat gepensioneerden en huisvrouwen niet een lager niveau van levenssatisfactie realiseren dan werkenden. De lage levenssatisfactie van werklozen in vergelijking met werkenden, huisvrouwen en gepensioneerden vloeit waarschijnlijk voort uit gefrustreerde aspiraties van werklozen. Niet het werk zelf, maar de daaraan verbonden aspiraties lijken de meeste invloed op de levenssatisfactie te hebben. De resultaten voor huisvrouwen en gepensioneerden laten zien dat een hoog niveau van welzijn ook zonder betaald werk valt te realiseren, maar dit impliceert ook het afzien van de aspiraties behorende bij dat betaalde werk.
Voor mensen met betaald werk hangt de levenssatisfactie nauwelijks af van het aantal uren werk of het inkomen. Een groter aantal uren werk heeft een klein negatief effect op de levenssatisfactie. Met name vrouwen die in deeltijd werken bereiken vaak een iets hoger niveau van levenssatisfactie dan voltijd werkende vrouwen. Het effect van inkomen op de levenssatisfactie is klein. Gewenning, statuscompetitie en stijgende aspiraties zijn de gebruikelijke verklaringen voor dit verschijnsel.
Deze onderzoeksresultaten zijn aanwijzingen dat de aan werk verbonden aspiraties belangrijker zijn voor het welzijn dan de omstandigheden waaronder het werk wordt verricht. Het effect van omstandigheden op het welzijn is klein (Lykken & Tellegen, 1998) en dat lijkt dus ook te gelden voor werkomstandigheden.
Daarentegen lijken juist aspiraties van invloed op de levenssatisfactie. Over de wijze waarop aspiraties met betrekking tot betaald werk tot stand komen en zich ontwikkelen is nog maar weinig bekend. We zien belangrijke aanknopingspunten in de literatuur over de wijze waarop verschillende levensdoelen het welzijn beïnvloeden. We willen dit toelichten voor de posities van werkenden en van werklozen.
Een interessant gegeven met betrekking tot aspiraties in het werk is dat prominente onderzoekers als Easterlin, Layard en Kahneman concluderen dat de levenssatisfactie zou toenemen als mensen minder tijd aan inkomensverwervende activiteiten zouden besteden. De onderliggende redenering is dat inkomen de levenssatisfactie nauwelijks doet toenemen. Goederen die kunnen worden verkregen met inkomen leiden door gewenning, statuscompetitie en bijstelling van aspiraties niet tot een duurzame verhoging van de levenssatisfactie. Als mensen beter geïnformeerd zouden zijn over die geringe duurzaamheid en het vermogen zouden hebben om die kennis aan te wenden, dan zouden ze minder tijd besteden aan het nastreven van die goederen. In plaats daarvan zouden ze zich meer kunnen richten op andere wenselijkheden die een duurzamer effect hebben op levenssatisfactie, zoals een goed huwelijk, verbondenheid met familie en vrienden (‘companionship’; Lane, 2000; Layard, 2005) en zelfontplooiing.
Deze redenering wordt niet sterk ondersteund door onderzoek naar objectieve determinanten van welzijn, want de samenhang tussen het aantal arbeidsuren en de levenssatisfactie is zwak. Maar onderzoek naar de welzijnseffecten van levensdoelen ondersteunt de stelling wel. Volgens dat onderzoek verschillen mensen in de mate waarin ze oftewel meer streven naar financieel succes, status en beroemdheid (extrinsieke doelen) oftewel meer naar verbondenheid met anderen en zelfontplooiing (intrinsieke doelen). Het blijkt dat mensen die vooral gericht zijn op extrinsieke doelen minder welzijn en meer gezondheidsproblemen ervaren dan mensen die vooral zijn gericht op intrinsieke doelen (Kasser & Ryan, 1993; Pöhlman, 2001; Kasser & Ahuvia, 2002).
Dat veel mensen de intrinsieke doelen belangrijker vinden dan de extrinsieke wijst erop dat mensen al veel inzicht hebben in de beperkingen van het nastreven van extrinsieke doelen voor het genereren van levenssatisfactie (Sheldon et al., 2003). Hoewel de populariteit van prestatiegerelateerde beloning in het HRMbeleid van organisaties in het verdere verleden wel eens groter is geweest, bestaat er nog steeds een geloof in de goede werking ervan en is het gebruik de laatste decennia in sommige bedrijfstakken, zoals de bankensector, zelfs toegenomen. Prestatiebeloning blijkt maar zeer beperkt en onder strikte voorwaarden een gunstig effect te hebben op de bedrijfsresultaten (Jenkins et al., 1998; Bucklin & Dickinson, 2001; Thierry, 2002) en kan voor het bedrijf ongunstige praktijken in de hand werken (Brick et al., 2006; Denis et al., 2006). Maar daar komt dus nog bij dat deze vorm van beloning aspiraties bij werknemers veronderstelt die niet duurzaam de levenssatisfactie verhogen. Prestatiebeloning is dus meestal niet gunstig voor het bedrijf en bovendien niet welzijnsverhogend voor werknemers.
Een andere vraag is die naar de aard van de aspiraties van werklozen die zo sterk van invloed zijn op hun lage levenssatisfactie. Volgens het besproken onderzoek kunnen de daling van het inkomen en het minder maatschappelijk geaccepteerd zijn van werkloosheid de daling van de levenssatisfactie niet verklaren. Mogelijk spelen ook hier intrinsieke aspiraties een rol.
We vermeldden reeds dat werklozen een lagere levenssatisfactie hebben naarmate werk een meer centrale plaats inneemt in hun persoonlijke waardesysteem. De kern van de frustratie van werklozen is mogelijk dat het juist basale intrinsieke levensdoelen zijn die niet voldoende worden vervuld. Deci en Ryan (2000) onderscheiden op basis van onderzoek, naast verbondenheid met anderen, competentie en autonomie als intrinsieke levensdoelen. Voor een bevredigend niveau van welzijn zou elk van deze drie aspiraties voldoende vervuld moeten zijn. Voor werklozen lijken in ieder geval de behoefte aan autonomie en competentie slecht bevredigd te worden: ze zijn afhankelijk van een uitkering en gaan twijfelen aan hun competentie. Die behoeften aan competentie en autonomie liggen zo diep verankerd dat de beoordelingen en gevoelens die eruit voortvloeien, weinig onderhevig zijn aan beïnvloeding door maatschappelijke normen. Voor een werkloze is het prettiger als werkloosheid maatschappelijk meer geaccepteerd is, maar die acceptatie vermindert niet zijn twijfel over zijn competentie en zijn gevoel van afhankelijkheid.
Die intrinsieke behoeftes aan competentie en autonomie maken het ook begrijpelijk dat het toch al lage hedonisch welzijn van werk bij hoge werkdruk nog lager is. In niet-werk situaties zijn mensen veel meer in staat om hun inspanningen naar eigen inzichten en mogelijkheden in te delen en te doseren dan in hun werkomgeving. Ook in de vrije tijd kan er druk zijn om te presteren, maar die druk komt van binnenuit en is zelf opgelegd en dus ook zelf te doseren. Een hoge werkdruk op het werk komt van buiten, door bijvoorbeeld prestatiebeloning en het voortdurend moeten halen van targets. Een toestand van blijvend hoge werkdruk moet dus, door de vrees tekort te schieten en door gebrek aan controle, wel ten koste gaan van de behoefte aan competentie en autonomie.
Daarmee komen we tot een tentatieve conclusie. Het besproken onderzoek lijkt erop te wijzen dat zowel het betaalde werk als tijdsbesteding als het hebben van betaald werk ons welzijn meer verhogen als ze meer aan onze intrinsieke aspiraties appeleren dan aan onze extrinsieke. En het is de vraag of dat inzicht wel voldoende wordt benut bij de heersende inrichting van het werk, de werkduur en de beloningspraktijken.

dinsdag 27 december 2011

Belang van nabijheid grootouders voor arbeidsparticipatie

Ik heb verschillende keren bericht over het belang van contacten met grootouders voor kinderen en hun ouders. Zo besluiten stellen eerder om een kind "te nemen" als ze meer contacten met hun ouders hebben. De verwachte nabijheid en aanwezigheid van grootouders vergroot de kindvriendelijkheid van de omgeving waarin die kinderen geboren worden. Ook zijn er aanwijzingen dat het pro-sociale gedrag van kinderen wordt bevorderd door het veel contact hebben met hun grootouders.

Er zijn meer aanwijzingen voor de gunstige gevolgen van de bijdrage die grootouders leveren aan het verminderen van het sociale isolement van gezinnen. Ik zag nu dit paper dat gebaseerd is op twee grote data sets in de Verenigde Staten. De onderzoekers concluderen dat het dicht in de buurt wonen van grootouders sterk bijdraagt aan de kans dat gehuwde moeders met jonge kinderen een betaalde baan hebben. Dat die moeders meer gaan werken dan moeders die geen ouders in de buurt hebben wonen, komt niet alleen doordat die grootouders hun geregelde bijdrage leveren aan de kinderopvang en het oppassen, maar ook doordat ze beschikbaar zijn voor het geval dat er ongeplande hulp nodig is. Ze dragen gewoon bij aan de gezins- en kindvriendelijkheid van de omgeving. En maken het daardoor gemakkelijker voor moeders om betaald werk te doen.

De onderzoekers maken melding van studies in Europa (en in Nederland) die dezelfde resultaten laten zien.