Posts tonen met het label ideologieën. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ideologieën. Alle posts tonen

maandag 18 april 2016

Waarom toch die obsessie met stambomen in Genesis? - Een biologische antropologie van de Bijbel - 8

Carel van Schaik en Kai Michel attenderen de lezer in hoofdstuk 3 van hun Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel op de merkwaardige passages in Genesis waarin genealogische overzichten worden uiteengezet. Die uitvoerige opsommingen stellen het geduld van de lezer op de proef. Vanwaar deze obsessie met stambomen?

Volgens Van Schaik en Michel kwam die voort uit een in de tijd van de landbouwrevolutie opkomende anti-chaosstrategie:
De samenleving moest een sociaal netwerk knopen om tegenwicht te kunnen bieden aan de centrifugale krachten (...). Er moest van alles worden gedaan om te voorkomen dat het egoïstische belang van een enkeling de samenleving in chaos zou doen verzinken.
Er moest iets in de plaats komen van de grote mate van onderlinge vertrouwdheid waarop in de jagers-verzamelaarssamenlevingen de sociale orde van samenwerking en delen was gebaseerd. Omdat mensen vrij plotseling veel meer onder vreemden kwamen te verkeren, en die kring van onderlinge vertrouwdheid een klein eilandje werd in een grote zee van alle mensen die je tegenkwam, ontstond er een tot dan onbekend probleem. Hoe ga je om met vreemden? Wat kun je verwachten van vreemden?

Het uitzoeken van wie met wie verwant
is en of een vreemde misschien toch nog in een steeds maar uitdijende stamboom met jou verbonden is, dat werd een algemeen gedeelde interesse. Een obsessie, kun je wel zeggen. Want als zo verwantschap is ontdekt of via vele omwegen is gereconstrueerd, dan creëer je daarmee een soort gezamenlijkheid die een substituut wordt van de vertrouwdheid die je eigenlijk zou willen. En dan ga je daarnaar handelen en verwacht je dat de ander dat ook zal doen.

Dan kan zo ver gaan dat we het sjabloon van verwantschap ook gaan toepassen in die gevallen waarin een "echte" verwantschap niet gevonden is. Want we zijn toch allemaal familie?
Fascinerend wat er gebeurt: hier wordt een oeroude bron van menselijk altruïsme aangeboord. Als genealogieën een 'fictieve verwantschap' construeren, hebben we te maken met een 'culturele manipulatie van familiepsychologie' met als oogmerk om in grootschalige samenlevingen solidariteit tot stand te brengen. De Bijbel simuleert één grote familie en vervangt anonimiteit door een uit een gezamenlijk verleden voortkomende vertrouwdheid.
Vandaar het gebruik in religieuze groepen om elkaar als "broeders" en "zusters" aan te spreken. En vandaar het godsbeeld van een vaderfiguur.
(In het citaat hierboven wordt verwezen naar het artikel The Evolution of Religion: How Cognitive By-Products, Adaptive Learning Heuristics, Ritual Displays, and Group Competition Generate Deep Commitments to Prosocial Religions van Scott Atran en Joseph Henrich, dat nu op mijn leeslijst staat.)
Bedenk daarbij hoe ambivalent de Bijbelverhalen als geheel zijn. Want terwijl hier de boodschap is dat we eigenlijk allemaal familie van elkaar zijn, en we ons dus ook als familie zouden behoren te gedragen, dienen weer andere verhalen om grote machtsverschillen te legitimeren. In feite handelen we natuurlijk maar beperkt volgens die familieboodschap.

Waardoor er machtigen en machtelozen ontstaan. En de machtigen verspreiden de verhalen die uitdragen dat dat zo hoort en nu eenmaal onvermijdelijk is.

Het is eigenlijk maar een klein stapje van die Bijbelverhalen naar de mediaberichtgeving en de ideologieën van vandaag de dag.

(De figuur toont de stamboom van Abraham en is ontleend aan de wiki-pagina De geschiedenis van Abraham.)

dinsdag 5 januari 2016

In wat voor wereld leven wij? Over gemeenschapsondersteuning en ideologie

In de tijd van het jaar waarin je met je familie en
vrienden de beste wensen uitwisselt, is er soms ineens ruimte om je vragen te stellen waar je anders niet aan toekomt. Voor mij was dat de vraag in wat voor wereld wij eigenlijk leven.
Dat kwam ook doordat ik het mooie boek Human Race. 10 Centuries of Change on Earth van Ian Mortimer op mijn leestafel had liggen.
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb. Lees hier verder: In wat voor wereld leven wij? Over gemeenschapsondersteuning en ideologie.

donderdag 5 december 2013

Het klopt dat het streven naar status, macht en succes samen gaat met fraude en bedrog

Klopt het dat de neoliberale ideologie, waarin het streven naar macht, status en succes ruim baan krijgt, omdat het via de onzichtbare hand van het marktmechanisme tot maatschappelijk wenselijke uitkomsten zou leiden, aanzet tot fraude en bedrog?

Je zou het gaan denken als je het nieuws volgt. Bijna elke dag zijn er berichten over machtige en succesvolle leiders in het bedrijfsleven en de bankensector die zich voor de rechter moeten verantwoorden voor pogingen tot zelfverrijking door oneerlijke praktijken. Praktijken die ook zijn doorgedrongen tot het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, blijkend uit de berichten over plagiaat en fraude door studenten en onderzoekers. Wat er mee zou kunnen samen hangen dat neoliberale waarden van individueel succes en onderlinge competitie ook in het wetenschappelijk bedrijf zijn gaan domineren. (Update. Zie ook nog eens hier.) Maar ook in het openbaar bestuur en in semi-overheidsinstellingen zoals op het terrein van de volkshuisvesting, lijken zelfverrijking en fraude gangbare praktijken.

Je gaat kortom vermoeden dat de neoliberale ideologie met zijn rotsvaste geloof in de weldadige werking van de markt en zijn wantrouwen tegenover de overheid een rol speelt in de golf van fraude en bedrog die door ons publieke domein trekt. De ideologie van de onzichtbare hand lijkt te fungeren als een morele vrijbrief.

Er is nu de studie Why Neoliberal Values of Self-Enhancement Lead to Cheating in Higher Education. A Motivational Account (betaalpoort) die deze vermoedens bevestigt. De onderzoekers vroegen Zwitserse studenten van een managementopleiding hoe belangrijk ze het vonden: om beter dan anderen te zijn, om rijk te zijn, om ambitieus te zijn, om te laten zien hoe goed je bent, om succesvol te zijn en om degene te zijn die besluiten neemt en de leiding heeft. Allemaal waarden in de sfeer van zelfverheffing, die volgens die neoliberale ideologie via het marktmechanisme zo weldadig zouden uitwerken op de gezamenlijke welvaart.

Het bleek toen dat degenen die deze waarden meer onderschreven, meer geneigd waren om academische fraude goed te praten. Het ging dan om het overschrijven van het werk van anderen of van internet en om het als eigen prestatie presenteren van werk waarbij anderen hadden geholpen. En het bleek dat dit verband verklaard kon worden doordat deze studenten meer gemotiveerd werden door het indruk op anderen  maken en beter te zijn dan anderen. Blijkbaar is het statuscompetitieve element in het aanhangen van die neoliberale waarden dat maakt dat fraude en bedrog er gemakkelijk uit voortvloeien.

Dat laatste gebeurde ook inderdaad feitelijk. Want de onderzoekers lieten de studenten ook opdrachten uitvoeren en hen daarna rapporteren welke ze succesvol hadden uitgevoerd. Die opdrachten bestonden er uit dat je verschillende figuren moest natekenen zonder je pen van het papier te halen. Sommige van die opdrachten waren echter onuitvoerbaar, zonder dat ze op het oog moeilijker leken. Het bleek toen dat de studenten die meer die statuscompetitieve waarden aanhingen, meer rapporteerden dat ze die onuitvoerbare opdrachten tot een succesvol einde hadden gebracht.

Oké, maar kun je die negatieve uitwerking van die neoliberale waarden ook tegengaan door de studenten in aanraking te laten komen met tegenovergestelde ideeën? Ja, dat bleek inderdaad mogelijk te zijn. Want studenten die vlak daarvoor een (fictieve) speech hadden gelezen van een Nobelprijswinnaar die opriep om het vak economie in dienst te stellen van het goede leven en dat het goede leven er uit bestond dat je hulpvaardig bent, rechtvaardig, verantwoordelijk bent en vrijheid en vrede nastreeft, dan bleek dat het effect van die neoliberale waarden was weggevallen. Die morele oproep bleek voldoende tegenwicht te bieden.

We kunnen dus beïnvloed worden door de ideologie van de weldadige werking van het marktmechanisme, die ons een morele vrijbrief verschaft voor fraude en bedrog. Maar als we er aan herinnerd worden, door een gerespecteerde bron, dat ander gedrag van ons verwacht wordt, dan blijkt dat verschil te maken. Dat geeft te denken over de werking van sociale beïnvloeding en het belang van die werking. Ideologieën zijn niet onschuldig. En morele oproepen kunnen effectief zijn.

Deze resultaten komen overigens overeen met onderzoek waaruit blijkt dat het volgen van colleges economie waarin het marktdenken wordt uitgedragen en het streven naar eigenbelang als vanzelfsprekend wordt verondersteld, minder pro-sociaal maakt. Zie eerder dit bericht.

vrijdag 1 november 2013

De anti-overheidsideologie door de geschiedenis heen: aan de hand van John Kenneth Galbraith

De aanhang voor publieke domein-vuistregels kan sterk fluctueren. Dat domein is nog zo nieuw in de menselijke geschiedenis dat we nog lang niet genoeg collectieve inzichten hebben vergaard om de beheersing er van onder de knie te hebben. Desondanks kunnen mensen wel sterke overtuigingen hebben over hoe dat domein zou moeten worden aangepakt. Maar die berusten dus altijd meer op sociale processen van zeepbelvorming dan op empirische onderbouwing.

Vandaar dat de aanhang voor de vuistregel van de anti-overheidsideologie in de recente geschiedenis bepaald niet stabiel is geweest. De aanhang lijkt nu aanzienlijk, zij het meer onder de politieke en economische elite dan onder het gewone volk. Maar dat is anders geweest, met name anders in de eerste 25 jaar na de Tweede Wereldoorlog. Laten we om daar zicht op te krijgen even terug gaan naar het eerste boek van John Kenneth Galbraith, American Capitalism. The Concept of Countervailing Power, dat in 1952 verscheen. (Volg de link om het gratis te donwloaden.)

Galbraith (1908-2006), vader van James Kenneth Galbraith, schreef twee jaar voor zijn dood nog het prachtige boekje The Economics of Innocent Fraud, waarin hij een vlijmscherpe analyse gaf van het kapitalisme van begin van de eenentwintigste eeuw. Zie eerder op dit blog over Galbraith dit bericht, dit bericht en dit bericht.

Maar nu even terug naar 1952. Ik las American Capitalism een tijdje terug, in de uitgave Galbraith. The Affluent Society & Other Writings, die in 2010 door zoon James werd geredigeerd. Vader Galbraith wijdt daar een passage aan die anti-overheidsideologie, die hij aanduidt met "het concurrentiemodel". Ik vertaal een stukje (p. 30-31):
In het concurrentiemodel werd overheidsinterventie even rigoureus afgewezen of de motieven van de overheid nu als kwaadwillend of goedwillend werden verondersteld. Het model werd ontwikkeld in tijden dat goede intenties van de staat en zijn dienaren niet konden worden aangenomen. De meest krachtige van de politieke filosofen die aan die ontwikkeling meededen, Jeremy Bentham, was nergens zo op gebrand dan op het minimaliseren van de rol van corrupte publieke ambtsdragers. Daar waren goede redenen voor. Tot ver in de negentiende eeuw in Engeland, en ook nog tot in de huidige eeuw in het grootste deel van de rest van de westerse wereld, waren de motieven van het overheidsgezag in relatie tot de economie, tenminste van tijd tot tijd hebzuchtig of corrupt. In de Verenigde Staten was de federale overheid tot in de huidige eeuw op economisch vlak de schutspatroon van degenen die het best in staat waren om voordelen te verkrijgen en van de eigen ambtenaren.
Die doctrine van de boosaardige staat is niet geheel dood. Een hedendaagse verhandeling over de Amerikaanse economie concludeert dat de overheid door de progressieve inkomstenbelasting weloverwogen "zijn meest succesvolle burgers van zijn voortbrengselen berooft en ze toedeelt aan degenen met minder succes; op die manier bestraft de overheid de vlijt, de zuinigheid, de kundigheid en de efficiëntie en ondersteunt hij de luiheid, de verkwisting, de incompetentie en de inefficiëntie. Door de zuinigen te beroven, vernietigt de overheid de bron van het kapitaal, onderdrukt hij investeringen en het scheppen van banen en remt hij de industriële vooruitgang....". (...) Maar er is geen twijfel aan dat dit een minderheidsstandpunt is. In de Verenigde Staten zowel als in de parlementaire democratieën in het algemeen, is de grote meerderheid van de bevolking de overheid als wezenlijk goedwillend gaan beschouwen. Als de New Deal enige revolutionaire betekenis heeft gehad, dan was dat een revolutie in de houdingen van de grote massa's van het volk ten opzichte van de federale overheid. Binnen het bestek van een paar jaar gingen burgers een relatief afstandelijk en onpersoonlijk mechanisme, tot dan toe geïdentificeerd met tarieven, belastingheffing, verboden, "Farmers' Bulletins" en de Nationale Parken, zien als een beschermer en zelfs als een vriend van het volk en als hun schild tegen tegenslag. De daden van de overheid waren niet altijd even voorspelbaar, maar er was geen twijfel dat de motieven als goed konden worden beschouwd.
Deze passage tekent wel ongeveer het klimaat van de jaren vijftig. De herinnering aan de anti-overheidsideologie die geheerst had, was nog levendig. Maar tegelijk kon die naar de geschiedenis worden verwezen. Tot die ideologie in de jaren tachtig weer de kop opstak. Met, ja, alle gevolgen van dien. Wordt dus vervolgd.

donderdag 31 oktober 2013

De (nog) hardnekkige aanhang van de anti-overheidsideologie

De overtuiging dat het verstandig is om als overheid in een balansrecessie te gaan bezuinigen, in een tijd dus dat de private sector ook minder besteedt, is een concretisering van de algemenere vuistregel dat de overheid weinig goeds kan doen.

Die vuistregel houdt in dat het marktmechanisme bij uitstek de bron is van alles wat wenselijk is. De markt zorgt altijd voor de goede prikkels en daarmee voor maximale welvaart. Een verdelingsprobleem is er niet, want wie arm is, heeft kennelijk te weinig aan te bieden waar vraag naar is of spant zich te weinig in. Bovendien profiteren de armen altijd wel mee van die welvaartstoename, want doordat de rijken zoveel geld hebben om uit te geven, komt daarvan ook altijd wel wat terecht bij de armen. Dat laatste is het bekende trickle down argument.

De overheid kan in deze visie vooral kwaad doen, namelijk door dit proces te verstoren. Het zou bijvoorbeeld verkeerd zijn om de armen te helpen door middel van inkomensherverdeling. Of om door een anticyclisch macro-economisch beleid volledige werkgelegenheid te waarborgen. Werkloosheid kan immers eigenlijk alleen maar structureel zijn en is dan een noodzakelijk onderdeel van het aanpassingsproces van het marktmechanisme aan veranderde omstandigheden. Liever niets aan doen.

Mensen die een actievere overheid bepleiten zijn do-gooders, die het zuur verdiende geld van de rijken willen afpakken om het aan de armen te geven. Dat maakt dat de rijken zich minder inspannen en zij zijn nu juist de bron van ondernemingslust, die geheel onbelemmerd hun goede werk moeten kunnen doen. Er moet altijd voor gewaakt worden dat de overheid wordt overgenomen door die naïeve idealisten.

Dat is in een notendop de (neoliberale) anti-overheidsideologie. (Update. Zie vandaag ook de column van Paul Krugman in de New York Times, waarin hij deze ideologie, zoals de Republikeinen in de Verenigde Staten hem aanhangen, karakteriseert als "adolescent libertarian fantasies". Daar zit wat in.) Vuistregel: zorg er voor dat de overheid zo klein mogelijk blijft. Er is natuurlijk ook de precies tegengestelde ideologie van het onbeperkte vertrouwen in maximaal gecentraliseerde besluitvorming, het communisme, maar daar gaat het nu niet over.

De vuistregels die wij hanteren voor de vormgeving van het publieke domein zijn meestal geïnspireerd op morele intuïties die afkomstig zijn uit  het persoonlijke domein. De anti-overheidsideologie lijkt eenzijdig gebaseerd op de intuïties van autonomie en individuele verantwoordelijkheid. Iedereen moet op eigen benen staan. Zelfredzaamheid.

Eenzijdig gebaseerd, in de zin dat andere morele intuïties, zoals onderlinge solidariteit en wederkerigheid, geen inspiratiebronnen zijn voor dat publieke domein. Hun werking moet beperkt blijven tot ieders persoonlijke domein. Als je hulp nodig hebt, dan moet die te vinden zijn in de kring van familie en vrienden. U weet wel, de participatiemaatschappij.

Ik omschreef vuistregels als niet door de feiten gestaafde inzichten, die echter wel plausibel lijken en die in ieder geval niet overduidelijk door die feiten weerlegd worden. Met "overduidelijk" bedoel ik dat ze niet zo flagrant met de werkelijkheid in strijd zijn dat er eigenlijk geen aanhanger van kan worden gevonden. Dat betekent dat de aanhang van dit type vuistregels sterk afhankelijk is van processen van sociale beïnvloeding. Inderdaad, ze verschijnen en verdwijnen als sociale zeepbellen. In situaties van informatietekort en onzekerheid vertrouwen we mede op de oordelen van anderen. De aanhang voor publieke domein-vuistregels kan dus sterk fluctueren.

Zo verkeerde de anti-overheidsideologie na de Tweede Wereldoorlog in een minderheidspositie. Maar we weten dat dat in de jaren tachtig, met Ronald Reagan in de Verenigde Staten en Margaret Thatcher in het Verenigd Koninkrijk, veranderde. Waarna de ideologie na de Val van de Muur in 1989 nog eens een flinke boost kreeg. En we maken nu, na de financiële crisis en midden in een grote depressie, een tijd mee waarin zal blijken in hoeverre hij zich nog weet te handhaven. Je zou verwachten dat hij maar slecht is opgewassen tegen de harde werkelijkheid van het falende vertrouwen in de weldaden van de ongereguleerde marktwerking.

Maar toch verbaast de hardnekkigheid waarmee er aan de ideologie wordt vastgehouden. Zie daarover bijvoorbeeld Why Are Neo-Liberal Ideas So Resilient?  En lees deze prachtige reactie van John Cassidy op het nieuwe boek van Alan Greenspan, de voorganger van Ben Bernanke bij de Fed en bij uitstek de representant van de anti-overheidsideologie, Alan Greenspan Rediscovers Keynes - Sort Of. Komt die hardnekkigheid er uit voort dat de morele lading die vanuit dat persoonlijke domein is meegenomen naar het publieke domein, in de weg staat van een zakelijke en intellectuele beoordeling van de feiten?

Daarover een volgende keer meer.

woensdag 30 oktober 2013

Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen?

We leven in een maatschappij met een omvangrijk publiek domein. Dat is het sociale domein dat bestaat uit alle mensen, relaties, omstandigheden en gebeurtenissen waar we geen directe, op persoonlijke ervaringen berustende kennis van hebben. In vergelijking met het persoonlijke domein, dat van de familie en vrienden waarmee we een persoonlijke geschiedenis delen, is onze relatie met het publieke domein er een van een fundamenteel informatietekort. Vrijwel alles wat we weten of menen te weten, hebben we van horen zeggen. Sommigen van ons doen hun best om dat informatietekort te verminderen. Ze lezen kranten, ze raadplegen boeken en internet en ze volgen het (sociaalwetenschappelijk) onderzoek. Maar verreweg de meesten maken zich afhankelijk van wat ze zoal horen en onder ogen krijgen bij hun dagelijkse bezigheden die op andere zaken gericht zijn.

Nou en? Zou je kunnen denken. Maar zo gemakkelijk kom je er niet van af. Want onze lotgevallen zijn met wat er in dat publieke domein gebeurt wel innig verbonden. Wat al die anderen die we niet persoonlijk kennen, doen en nalaten, in economie, openbaar bestuur en politiek, daar van ondervinden we wel de gevolgen. Denk maar aan werkloos worden als gevolg van een economische recessie die door een ten onrechte gedereguleerde bankensector is veroorzaakt. En denk er aan wat het dan voor verschil maakt of je in een land leeft met een behoorlijke sociale zekerheid of niet.

Afhankelijk zijn van het onbekende maakt onzeker. Dat heeft emotionele gevolgen (stress), maar ook cognitieve. Want we kunnen die onaangename onzekerheid verminderen door op vuistregels te vertrouwen. Niet door de feiten gestaafde inzichten, die echter wel plausibel lijken en die in ieder geval niet overduidelijk door die feiten weerlegd worden. Zo'n vuistregel is bijvoorbeeld dat je de meeste mensen (die je niet persoonlijk kent) wel kunt vertrouwen. Of dat je ze juist niet kunt vertrouwen. Of neem de nog concretere vuistregel dat je altijd maar beter je fiets op slot kunt zetten.

Vooroordelen zijn ook vuistregels. Als we andere mensen niet kennen, hebben we snel de neiging om ze in groepen in te delen en ze binnen die groepen over een kam te scheren. Zie het vorige bericht. Die vooroordelen zijn vaak negatief. Dat zal er mee te maken hebben dat evolutionair gezien overdreven angst en behoedzaamheid succesvoller zijn dan te grote naïviteit en lichtzinnigheid.

Maar evenzeer zijn er vuistregels in de vorm van sociale zeepbellen en ideologieën. Zoals de sociale zeepbel dat het een goed idee is om als overheid te bezuinigen in een balansrecessie. En de (neoliberale) ideologie dat overheidsingrijpen in het marktmechanisme als regel meer kwaad dan goed doet. In een volgend bericht meer aandacht voor deze vuistregels aan de hand van enkele actualiteiten.

Dat allemaal in het kader van de vraag of we het publieke domein wel ooit onder de knie zullen krijgen. De vuistregel is misschien: nee, dat zullen we niet.

dinsdag 25 juni 2013

Moet Nederland de eigen economie schaden om de euro in stand te houden? Hoe lang duurt het nog voor de sociaal-democratie bij zinnen komt?

Arie Glebbeek reageert als volgt op het bericht Wouter Bos vindt doorgaan met fout beleid verstandig (zie ook opmerking bij het bericht):
Met de hem kenmerkende eerlijkheid zegt Wouter Bos wat zijn partijgenoten niet hardop durven zeggen: het bezuinigingsbeleid heeft een louter politiek motief. Preciezer gezegd: het is ons offer op het altaar van de euro. Hoe kan het ook anders? Om binnen de euro te blijven, hebben de zuidelijke landen geen andere route dan interne devaluatie. Dat harde afbraakbeleid waarin de regeringen voorop moeten gaan, kan intern alleen worden afgedwongen via de schijnbaar externe regels van het Europese begrotingspact. Om die regels geloofwaardig te houden, moeten alle lidstaten zich eraan houden. Ook wanneer dat, zoals nu in Nederland, de eigen economie en arbeidsmarkt schaadt. Maar voor de Partij van de Arbeid (en voor D66 en GroenLinks) is Europa het hoogste doel en voor die politieke prioriteit moet alles wijken.
Oké, maar toch is er meer aan de hand. Want dat bezuinigingsbeleid wordt natuurlijk ook gemotiveerd door de ideologie van de kleinere overheid. De crisis is in het neo-liberale denken een mooie kans om die versmade overheid een kopje kleiner te maken. (Ja, het is versmade, niet versmaadde.) Ik moest ze even opzoeken, maar hier zijn de berichten met de link naar een speech waarin Mark Rutte dat met zoveel woorden zegt: Republikeinen daar en de VVD hier: de ideologie van de kleine overheid en  De verborgen agenda van het bezuinigingsbeleid (hoewel verborgen). Die dateren al weer van anderhalf half jaar terug! Niets opgeschoten.

Maar als je daar nog even verder bij stilstaat, dan besef je dat dat hele Europese project ergens in zijn geschiedenis gekaapt is door precies die neo-liberale ideologie. De Europese leiders zijn in staat geweest de aandacht af te leiden van die onverantwoorde geldstromen van Duitse (en Nederlandse) banken naar de zuidelijke periferie van de eurozone. Zodat ze toen die zeepbellen barstten, die overheden daar de schuld van konden geven. Die waren immers in de problemen geraakt doordat ze veel te veel geld hadden uitgegeven en veel te royaal voor de eigen burgers waren geweest. Wat niet klopte met de feiten, afgezien van Griekenland. Maar het paste zo mooi in het straatje van de ideologie van de kleine overheid.

En dat Europese Stabiliteitspact, dat begrotingstekorten hoger dan 3 procent verbiedt, is duidelijk neo-liberaal in die zin dat de overheid maar zeer beperkt een macro-economisch beleid mag voeren. De markt moet zijn werk doen en een recessie is reinigend. De overheid kan dat proces alleen maar verstoren. Massawerkloosheid? Niets aan doen, is onderdeel van die reiniging. Een ingebouwde schuldenrem, die de overheid machteloos maakt, juist in tijden waarin we hem nodig hebben. "Wat een dwaas iets om te doen", verzuchtte James Galbraith eind vorig jaar (zie James Galbraith: Doen we het samen of is het ieder voor zich?)

Blijven we met de vraag zitten hoe het heeft kunnen gebeuren dat de Europese sociaal-democratie zich bij deze neo-liberale dominantie heeft kunnen neerleggen. En hoe lang het nog duurt voor ze bij zinnen komen.

woensdag 27 maart 2013

Meer economische groei door hogere lonen - Global Wage Report van de ILO

Voor economische groei is het natuurlijk nodig dat bedrijven winst maken. Zonder winsten geen investeringen. Maar het is ook nodig dat er genoeg vraag is naar de producten die via die investeringen op de markt komen. En die vraag hangt er van af hoeveel mensen verdienen, dus van de lonen. Winsten moeten dus hoog genoeg zijn, maar ook lonen moeten hoog genoeg zijn.

Nu is er volgens het nieuwste Global Wage Report (pdf) van de International Labor Organization (ILO) sinds de jaren 80 van de vorige eeuw, dus sinds het neo-liberalisme is gaan triomferen, iets opvallends aan de hand. In de meeste landen is het loonaandeel in het bruto nationaal product (BNP) gedaald, met een corresponderende stijging van het winstaandeel. En uit modelberekeningen (volg de link hieronder voor een samenvatting) blijkt nu dat in de meeste landen, maar ook wereldwijd gezien, het negatieve groei-effect van die daling van het loonaandeel groter is dan het positieve effect van de toename van het winstaandeel.

Eenvoudig gezegd, wereldwijd zijn we de neo-liberale ideologie aan het najagen die het winst maken als alleenzaligmakend ziet. Dat blijkt succesvol te zijn in de beperkte zin dat inderdaad de winsten zijn gaan toenemen. Maar het blijkt te falen als een strategie voor economische groei. Het is allang het geval dat het loonaandeel zou moeten toenemen. Zie ook het ILO-paper Is aggregate demand wage-led or profit-led? National and global effects (pdf). En zie hier de website van het ILO met toelichtende video's.

Uit de cijfers blijkt dus dat we al tientallen jaren leven onder de grote misvatting ("ideologie") dat voor economische groei de winsten belangrijker zijn dan de lonen. Diezelfde misvatting lijkt ook de bezuinigingszeepbel te hebben gecreëerd.

Wat nu te doen? In ieder geval ophouden met loonmatiging! En dus ook met bezuinigingen die de koopkracht naar beneden drukken. En er voor zorgen dat consumptie weer gewoon door loonstijging kan groeien in plaats van door huizenzeepbellen. Hogere minimumlonen en invoering van een minimumloon waar dat nog niet bestaat (Duitsland!). En sterkere vakbonden zou veel helpen.

Planet Earth Is Wage-Led!:

'via Blog this'

vrijdag 4 januari 2013

Het ideologische extremisme zit nu bij rechts - Philip Stephens in Financial Times

Mooi stuk vandaag van Philip Stephens in de Financial Times. Zie de link onderaan. Bij politiek rechts is het pragmatisme vervangen door ideologisch extremisme. In de Verenigde Staten en in Europa. De eerste alinea in mijn vertaling:
Wat is er gebeurd met het conservatieve pragmatisme? We waren er aan gewend om ideologie bij de linkse partijen aan te treffen. En dat rechts zich vooral bezighield met het uitoefenen van macht. Maar aan beide kanten van de Atlantische Oceaan is de politiek op zijn kop gezet. De conservatieven zijn nu de utopische fanatici, die de aantrekkingskracht van het midden hebben ingeruild voor ideologisch absolutisme. Progressieven en sociaal-democraten zijn de nieuwe realisten.
Lees het stuk, ook vanwege de mooie schets van de historische achtergrond van deze ontwikkeling. Ik vraag me alleen af of ook voor Nederland geldt dat de sociaal-democraten de nieuwe realisten zijn. Veel tekenen wijzen er op dat ze in de ban zijn van de rechtse ideologie. Hoe dat kon gebeuren, dat moet een politiek historicus eens uitzoeken.
The new prisoners of ideology - FT.com:

'via Blog this'

woensdag 2 januari 2013

Rutte II: Rechtse ideologie en links-calvinistisch boetedenken - Jaap van Duijn

Mooie column van Jaap van Duijn vandaag in het FD. Zie link onderaan dit bericht (registratie vereist). Ik citeer de laatste alinea:
Was een dubbele dip in mijn ogen vanaf dag één onvermijdelijk, nooit had ik verwacht dat de Nederlandse overheid er zo actief aan zou bijdragen om de tweede recessie dieper en langduriger te maken. Overheden worden geacht de economie te steunen wanneer de particuliere sector het laat afweten, maar Rutte II lijkt nog meer dan Rutte I zijn best te doen om de Nederlandse economie te laten krimpen. Het is de combinatie van rechtse ideologie (een kleinere overheid is beter dan een grotere overheid), links-calvinistisch boetedenken, belichaamd in de persoon van minister van Financiën Dijsselbloem, en de ‘one size fits all’ 3%-regel van Brussel, die maakt dat de Nederlandse economie in 2013 verder krimpt, en waarschijnlijk met nog wel meer dan de ½% die het CPB nu nog raamt. Nederland heeft zich nu helemaal afhankelijk gemaakt van wat er in het buitenland gebeurt. Helaas voor Nederland betekent ‘buitenland’ vooral ‘Europa’.
Anders gezegd: de verantwoording voor dit beleid is niet gelegen in de macro-economische inzichten uit de leerboeken. maar in ideologie en moraal. Dat we dit vulgaire en banale niveau van economische politiek bedrijven nog moeten meemaken, is een beangstigend besef, aan het begin van dit nieuwe jaar.

Zie ook (nog) eens mijn eerdere berichten over het probleem van de beperkte overdraagbaarheid van morele intuïties van het persoonlijke naar het publieke domein, zoals dit bericht over de bezuinigingszeepbel.

Dubbele dip | Het Financieele Dagblad:

'via Blog this'

zondag 4 november 2012

Muziek voor de zondagochtend - Tijd voor engagement: Bruce Springsteen op campagne voor Obama

Over twee dagen kiezen de Amerikanen voor de democraat Obama of voor de Republikein Romney. De Republikeinen zijn een extremistische partij geworden. Ze staan onverbloemd voor een "ieder-voor-zich" maatschappij. Ze zijn ideologisch verblind en nemen het niet zo nauw met de waarheid. Ze schuiven wetenschappelijke inzichten aan de kant als die hen niet goed uitkomen. Zie recentelijk Jared Bernstein over het tegenhouden door de Republikeinen van een rapport van een niet-partijgebonden overheidsinstantie dat laat zien dat belastingverlaging voor de rijken niet leidt tot economische groei. Volgens de Republikeinse ideologie moeten de rijken zo weinig mogelijk belasting betalen. Zo is het en niet anders. Aanwijzingen voor het tegendeel zijn dus niet welkom. Bernstein en anderen maken zich terecht zeer grote zorgen.

Het is dus hoog tijd voor engagement! Bruce Springsteen op campagne voor Obama!

vrijdag 1 juni 2012

De agenda achter de bezuinigingszeepbel - Paul Krugman

Paul Krugman heeft tijdens zijn bezoek aan Engeland aan aanhangers van de regering Cameron gevraagd waarom de regering een bezuinigingsbeleid voert terwijl al lang bekend is dat je dat tijdens een recessie nu juist niet moet doen. Omdat je die recessie er door verergert en de ellende er door vergroot en onnodig verlengt. Zie de link onderaan dit bericht.

De antwoorden hadden een vast patroon van twee stappen.

Eerst kwam de verkeerde metafoor van de overheid, of de hele economie, als een huishouden. Als een huishouden teveel schulden heeft, is het verstandig om te bezuinigen. Maar als alle huishoudens dat tegelijkertijd doen, valt de economie stil. Omdat de bestedingen van de een nu eenmaal het inkomen van de ander vormen. De foute beeldspraak appelleert aan de morele intuïties van verantwoordelijk gedrag, maar wat verantwoordelijk is op het niveau van een huishouden hoeft dat niet te zijn op het niveau van een economie en een overheid. Ook dat is al lang bekend. Je moet je even iets beter informeren om dat in te zien. Krugman verwijst naar de econoom Irving Fisher, die dat al in 1933 uitlegde. Zie ook mijn eerdere bericht hierover.

Hoe kan het dat zo veel politici, ook in Nederland, toch aan het bezuinigingsbeleid vasthouden? Terwijl steeds duidelijker wordt dat de voorspelde negatieve gevolgen er van ook inderdaad in hun volle omvang optreden?

Dat wordt duidelijk uit de tweede stap van de antwoorden die Krugman kreeg. Als de voorstanders van "bezuinigen nu!" wel moeten toegeven dat hun beeldspraak fout is, komt hun werkelijke agenda aan het licht: ze willen een kleinere overheid. Ze willen de crisis helemaal niet oplossen; ze willen hem gebruiken om hun ideologie van de kleinere overheid te realiseren.

Zie wat Nederland en het beleid van het kabinet-Rutte betreft, ook mijn eerdere berichten: hier en hier. En nog maar eens dit citaat van Mark Thoma:
Er is duidelijk een groep mensen die bereid zijn om het bestaan en het welzijn van anderen op te offeren in het najagen van hun ideologische doel van een kleinere overheid (zolang hun eigen toekomst zeker blijft). Het idee van de "groei bevorderende zuinigheid" was de dekmantel, maar zolang de overheid krimpt als gevolg van het beleid, is de kwestie van die groeibevordering secundair. Als het terugbrengen van de omvang van de overheid het economisch herstel vertraagt, dan is dat een kleine prijs voor zo een prijzenswaardig doel - voor hen althans, de krachten die hier achter staan, lopen geen gevaar om werkloos te worden. Het voornaamste is om de ideologie van de kleine overheid door te drukken overal waar daar een kans voor is...
Die opmerkelijke taaiheid van de ideologie van de kleinere overheid doet mij ook wel weer sterk denken aan het verschijnsel van "When Prophecy Fails". Net zoals de sekteleden die het einde van de wereld voorspelden in hun geloof gesterkt werden toen hun voorspelling niet uitkwam, zijn de marktfundamentalisten na de kredietcrisis niet gaan twijfelen aan hun geloof in de weldadige gevolgen van deregulering, privatisering en afbraak van de verzorgingsstaat. Nee, ze zijn er juist nog vaster in gaan geloven. Een wereldbeeld laat je niet zomaar vallen. Vooral niet als je anderen de kosten daarvan kunt laten dragen.
The Austerity Agenda - NYTimes.com:

'via Blog this'

zaterdag 18 februari 2012

De verborgen agenda van het bezuinigingsbeleid (hoewel: verborgen?)

Het wordt steeds duidelijker dat het huidige bezuinigingsbeleid in de eurozone en in Engeland de geschiedenis ingaat als een van de grootste macro-economische vergissingen ooit gemaakt. Je gaat je dus afvragen waarom de voorstanders van dat beleid niet op hun schreden terugkeren. Dit gaat om serieuze zaken. Misschien wordt het voor Merkel, Schäuble, Cameron, Mark Rutte en Jan Kees de Jager tijd om in te zien dat het probleem van het gezichtsverlies niet opweegt tegen de ellende die wordt aangericht.

Maar misschien ligt het anders. Eerder opperde ik al dat het hen er niet om te doen is om de economische crisis zo snel mogelijk op te lossen. Het gaat hen er om de overheid een kopje kleiner te maken. Wat hen drijft is de ideologie van de kleine overheid. En de crisis is een middel om dat doel dichter bij te brengen. Dat is niet alleen maar mijn vermoeden. Mark Rutte zegt het in zijn speech van november vorig jaar, waar ik eerder naar linkte, met zoveel woorden.

Op deze verborgen (nou ja, verborgen) agenda is ook gewezen door Mark Thoma:
Er is duidelijk een groep mensen die bereid zijn om het bestaan en het welzijn van anderen op te offeren in het najagen van hun ideologische doel van een kleinere overheid (zolang hun eigen toekomst zeker blijft). Het idee van de "groei bevorderende zuinigheid" was de dekmantel, maar zolang de overheid krimpt als gevolg van het beleid, is de kwestie van die groeibevordering secundair. Als het terugbrengen van de omvang van de overheid het economisch herstel vertraagt, dan is dat een kleine prijs voor zo een prijzenswaardig doel - voor hen althans, de krachten die hier achter staan, lopen geen gevaar om werkloos te worden. Het voornaamste is om de ideologie van de kleine overheid door te drukken overal waar daar een kans voor is...
Vandaag komt Simon-Wren Lewis nog eens terug op de mogelijkheid van deze verborgen agenda. Hij houdt ook de mogelijkheid open dat politici echt geloven in de positieve effecten van hun bezuinigingsbeleid (hoewel dat toch eigenlijk echt wel steeds moeilijker wordt) en de mogelijkheid dat ze zich gewoon vergist hebben (maar een gewone vergissing kun je toch toegeven?). En hij betreurt het dat de invloed van de universitaire economen niet groot genoeg was om dit alles te voorkomen. Maar ze moeten wel blijven volhouden.

zondag 18 december 2011

Het geloof in de "vrije markt" en andere ideologieën in en over het publieke domein

Ian Fletcher schrijft in het bericht hieronder dat iedereen die zegt in de vrije markt te geloven, dat op een abstract niveau ook wel inderdaad zal doen, maar praktisch gezien zo handelt dat hij als aanbieder altijd probeert om die vrije markt te ontwijken. Iedereen die iets aanbiedt, probeert volledige concurrentie tegen te gaan. Omdat dat winst oplevert. Vandaar al die pogingen tot productdifferentiatie, merkontwikkeling (branding) en andere drempels tot toetreding tot de markt voor anderen.

Maar iedere aanbieder is ook vrager van producten. En in die hoedanigheid zou hij altijd graag een volledig vrije markt voor zich willen zien, waarin hij volledig geïnformeerd is en alle mogelijke alternatieven voor zich ziet uitgestald. Als je dus een kerstboom wilt kopen (huur er liever een), dan zou je alle aangeboden bomen voor je willen zien, zodat je de mooiste en goedkoopste zonder enige moeite kunt uitkiezen.

Iemand die gelooft in de "vrije markt", gelooft daar dus  tegelijk wel en niet in. Wel op een abstracte manier, maar in concreto niet als aanbieder en wel als vrager. Dat betekent dat iedereen die in de vrije markt gelooft, in de woorden van Ian Fletcher, of liegt, of dom is, of het hele concept niet goed genoeg heeft doorgedacht.

Dat laatste, het concept niet goed genoeg hebben doorgedacht, is eigenlijk altijd het geval als wij nadenken en meningen vormen over het onpersoonlijke, publieke domein, dat sociale domein dat uitstijgt boven al onze sociale persoonlijke domeinen. We hebben het dan over "systemen" en "processen" die we alleen maar in behoorlijk abstracte termen kunnen beschrijven. Zoals de vrije markt, de economie, de overheid, de democratie, de politiek, de heersende machten, de tijdgeest, de publieke opinie, de cultuur. Het is het domein waarin en waarover ideologieën ontstaan, stelsels van abstracte ideeën die natuurlijk wel enig verband hebben met de werkelijkheid , maar die vooral ook door onderlinge sociale beïnvloeding tot stand komen. Als mensen weinig directe toegang hebben tot iets, dan hebben ze nu eenmaal de neiging om naar elkaar te kijken om hun oordeel te vormen. Denk aan de sociale zeepbellen.

Dat publieke domein staat altijd verder van ons af dan het persoonlijke domein, het domein waarin we onze persoonlijke relaties beleven. Dat laatste domein is behoorlijk concreet, we vormen onze oordelen over wat daar in gebeurt op grond van onze directe ervaringen of hoogstens "uit de tweede hand". Maar onze oordelen over het publieke domein berusten veel meer op de derde of de vierde of de vijfde of de zoveelste hand. We moeten ons er over informeren, door een goede krant te lezen of zelfs door kennis te nemen van wat wetenschappelijk onderzoekers er over te melden hebben. Als we al de neiging hebben om zulke oordelen te vormen, want we kunnen ook besluiten om ons maar zoveel mogelijk tot dat persoonlijke domein te beperken. En ons af te sluiten voor al die "informatie" die we toch niet kunnen bevatten.

Ian Fletcher geeft deze mooie omschrijving van dat verschil tussen ons denken over het persoonlijke en publieke domein:
Many people do their thinking about political ideology in an entirely different - and dreamily disconnected - mental space than they use for managing real life.
En het was eigenlijk deze zin die me er toe aanzette om dit bericht te schrijven. Het belang er van is algemener dan dat van het te eenvoudige geloof in de vrije markt. Want dit inzicht houdt in dat er over dit publieke domein so wie so heel gemakkelijk de meest uiteenlopende ideologieën ontstaan. In plaats van in de weldadige werking van de vrije markt kun je ook geloven in de weldadige werking van een almachtige overheid. En als velen dat doen, dan ontstaat de ideologie van het communisme. Zulke ideologieën kunnen naast elkaar bestaan. Dan is een deel van het volk aanhanger van het kapitalisme en noemt zich "liberaal" en een andere deel noemt zich sociaal-democraat of socialist of communist. Maar ook kunnen ideologieën elkaar opvolgen in populariteit. Als je ouder wordt, heb je dan een grote kans om golven van populariteit in verschillende richtingen te hebben meegemaakt.

Zulke populariteitsgolven lijken onvermijdelijk bij dat denken over het publieke domein te horen, omdat die "mentale ruimte" nu eenmaal niet zo direct met de werkelijkheid is verbonden. Wat je dan zou willen is dat de geschiedenis meer is dan alleen maar een afwisseling van zulke golven, zonder dat we bij elke golf wat geleerd hebben van de mislukkingen die er het gevolg van waren.

Ik weet niet of we er wel gerust op kunnen zijn dat dat laatste voldoende gebeurt. Hebben we uit het duidelijke falen van het communisme en het ineenstorten daarvan in 1989 wel meer geleerd dan dat we daarna triomfantelijk "de overwinning van het kapitalisme" hebben uitgeroepen? En zullen we in de (nabije?) toekomst, als het kapitalisme wereldwijd bezwijkt aan die zich steeds sneller opvolgende economische crisissen, de overwinning van, ja, van wat, afkondigen?

(Dat wereldwijde bezwijken, dat dat helemaal ondenkbaar is, hm, is dat nog wel vol te houden?)
Why Free-Market Economics is a Fraud « Real-World Economics Review Blog:

'via Blog this'