zondag 30 december 2018

Zondagochtendmuziek - Tchaikovsky “Symphony No 6 ’Pathétique’” (Santtu Mattias Rouvali • Göteborgs Symfoniker...

Zou het de tijd van het jaar zijn dat maakt dat de symfonieën van Tchaikovsky in mijn hoofd zitten? Als dat zo zou zijn, zou ik dat niet kunnen uitleggen.

Hoe dan ook, gistermiddag ging het op Radio 4 in het gesprek dat Hans Haffmans had met dirigent Otto Tausk ook even over Tchaikovsky. Otto Tausk, nu chef-dirigent in Vanvouver, was een tijd assistent van Valeri Gergiev bij het Rotterdams Filharmonisch Orkest. En vertelde dat hij daar van Gerviev leerde hoe je, op zijn Russisch, de symfonieën van Tchaikovsky moet uitvoeren.

Ik moest denken aan een uitzending jaren geleden van Diskotabel, toen Hans Haffmans dat nog deed, waarin uitvoeringen van een van die symfonieën werden vergeleken en waar die van het Götheborg Symfonie Orkest onder leiding van Neeme Järvi als veruit de beste uit de bus kwam.

Waarna ik me naar de Muziekbibliotheek spoedde. Sinds die tijd denk ik bij Tchaikovsky aan Neeme Järvi en het Götheborg Symfonie Orkest.

Na wat zoeken op YouTube vond ik deze recente uitvoering van de zesde symfonie, de Pathétique, door het GSO, maar nu onder leiding van de nieuwe, net als Järvi Finse, chef-dirigent Santtu-Matias Rouvali. Die kende ik nog niet, maar is iemand om te volgen. (Trouwens, Barbara Hannigan is een van de gastdirigenten van het GSO.)

Ja, op de een of andere manier past deze muziek bij de tijd van het jaar. Er is een bezonnen, donkere kant, waar je met die korte, donkere dagen, gemakkelijk in mee gaat. Maar er is ook de energieke, uitbundige kant, die je er aan doet denken dat de dagen weer bezig zijn langer te worden.

vrijdag 28 december 2018

Vrijwillige vuurwerkvrije zones, gaat dat werken?

Dit bericht gaat over die vrijwillige vuurwerkvrije zones, maar begint met een inleiding.

Als de maatschappij verandert, veranderen ook de problemen waar de sociale wetenschappen zich mee bezig houden. Of ze zouden moeten veranderen.

Denk wat dat laatste betreft aan de kritiek die de socioloog James S. Coleman uitoefende op de theorievorming in zijn vak. Die kritiek hield in dat de sociologie zich er maar langzaam rekenschap van gaf dat we in een maatschappij terecht zijn gekomen waarin we niet alleen meer als "natuurlijke personen" met elkaar omgaan. Een relatie tussen natuurlijke personen is er een van, zeg maar, mens tot mens.

De institutionele en juridische ontwikkeling van de laatste paar eeuwen heeft er immers toe geleid dat we naast de natuurlijke persoon ook de "rechtspersoon" kennen. Het gaat dan om zogenaamde formele organisaties, die met een bepaald doel en met een wettelijk kader zijn opgericht, zoals bedrijven, verenigingen, stichtingen, vakbonden, maar ook de democratische overheid en overheidsinstellingen. Coleman schrijft daarover in zijn Power and the Structure of Society (p. 14):
These "juristic persons" are intangible entities which none of us natural persons has ever seen. (...) In law, these persons must be treated somewhat differently from natural persons: they have no fixed life span, and thus may exist in perpetuity, they have no corpus, and thus cannot be physically imprisoned (though they can be punsihed in other ways, including death, a sentence not infrequently imposed by judges), they have no intrinsic capability of acting, and so must act through agents in the form of natural persons.
(Tussen haakjes: dat boekje uit 1974 is nog altijd lezenswaardig. En actueel, in een tijd van grote en machtige ondernemingen die een bedreiging zijn gaan vormen voor de democratische overheden. Lezenswaardiger dan dat latere, curieuze, omvangrijke en overambitieuze, boek van Coleman: Foundations of Social Theory uit 1990.)

Dit alles als, toegegeven, wat lange, inleiding tot waar het nu om gaat: de vrijwillige vuurwerkvrije zones. Want wat is het geval? Sinds we die democratische overheid en andere formele (dus in wetgeving en regels verankerde) organisaties kennen, is er de nieuwe sociaalwetenschappelijke problematiek van, om het maar eenvoudig te zeggen, wie wat moet doen.

Wat kunnen mensen het beste onderling zelf regelen, dus in hun relaties als natuurlijke personen? Welke taken moeten aan de overheid toevallen? Waarvoor kun je beter een organisatie oprichten dan het regelen in onderlinge, natuurlijke betrekkingen? (Denk ook aan het OMOP-schema.)

Veel van wat op dit blog in de loop van de jaren voorbij is gekomen, staat in het teken van precies die problematiek. Denk maar aan de overheidsonmacht in de jeugdzorg, waarin het erom gaat wat de overheid wel en niet kan doen als het om jeugd en gezin gaat.

En precies die vraag, naar wat een overheidstaak is en wat de mensen zelf beter kunnen doen, is in het geding als het gaat om het overheidsbeleid ten aanzien van het oudejaarsvuurwerk. Want vuurwerk geeft overlast. En leidt tot honderden vuurwerkslachtoffers, die naast menselijke ellende, medische kosten veroorzaken.

Technisch gezegd, vuurwerk gaat gepaard met zogenaamde negatieve externe effecten. Overlast voor anderen, die zich daar moeilijk aan kunnen onttrekken noch gemakkelijk een vergoeding kunnen opeisen. (Lees ook Asha ten Broeke vandaag in de Volkskrant.)

En een van de oplossingen daarvoor bestaat eruit dat de overheid de handeling die die externe effecten teweegbrengt, verbiedt. Een van de redenen dat we een overheid hebben is immers dat die verboden kan opleggen. Zo hebben we ook een rookverbod, onder meer vanwege de negatieve externe effecten van roken in openbare ruimtes.

Eerder noemde ik als een van de voordelen van een vuurwerkverbod dat het bestaan van dat verbod het mensen makkelijker maakt om er iets van te zeggen als iemand toch vuurwerk afsteekt. Je kunt dan immers die jongetjes die de hele dag met rotjes door de wijk lopen aanspreken met: jongens, het is niet alleen zo dat ik er last van heb, of dat mijn huisdier in paniek raakt, maar het is immers ook verboden. Het mag niet. Het bestaan van een verbod heeft ook sociale gevolgen.

Sociaalwetenschappelijk gezegd: het vergemakkelijkt de informele controle en sanctionering. En de effectiviteit daarvan hebben we gezien bij het in 2014 ingestelde verbod om overdag knalvuurwerk af te steken. Zie mijn bericht van 3 januari 2015: Een verbod kan effectief zijn, ook zonder (extra) handhaving - kijk maar naar het vuurwerkverbod.

Het is typisch een geval waarin niet of de overheid of de mensen zelf het moeten oplossen, maar waarin de overheid de mensen helpt om het zelf op te lossen. Niet of - of, maar en - en.

En dat is nu een inzicht dat met die vrijwillige vuurwerkvrije zones volledig in de wind is geslagen. De gemeente Utrecht omschrijft die zones als volgt:
Buurtbewoners maken met elkaar afspraken om geen vuurwerk af te steken in hun straat, rondom een pleintje of speeltuin of naast een park. De gemeente en de politie controleren dit niet, de bewoners maken zelf afspraken en spreken elkaar hierop aan.
Wilt u ook samen met uw buren een straat zonder vuurwerk? Maak dan gebruik van raamposters (zie afbeelding hiernaast). Deze liggen klaar op uw wijkbureau.
 Maar of dat gaat werken? Zonder de ondersteuning van een verbod?

Ik verwacht van niet.

zondag 23 december 2018

Zondagochtendmuziek - Weihnachtsoratorium - Nederlands Kamerkoor - Collegium 1704 | NTR | Avon...

De stuk voor stuk prachtige melodieën en ritmes blijven nog lang bij je. Woensdagavond de uitvoering van het gehele Weihnachtsoratorium (6 cantates) van Bach bijgewoond in de de Grote Zaal van TivoliVredenburg. Door het Nederlands Kamerkoor en het Praagse Collegium 1704 onder leiding van Peter Dijkstra.

Alle emoties ("affecten") kwamen voorbij. Genialer dan Bach, wat zou je je daarbij moeten voorstellen? En wat een uitvoering.

Biëlle Lutmer was er bij in de Lochemse Sint-Gudulakerk de avond daarvoor: Weihnachtsoratorium in Lochem verrast met power en subtiele kleuring van woorden en frasen (vier sterren).

Hier de uitvoering van woensdagavond in zijn geheel. Wat een voorrecht om daarbij geweest te zijn.

vrijdag 21 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 14 - In de strijd binnen de democratie heb je tegenstanders, in de strijd om de democratie heb je vijanden

Net zo als het niet gegarandeerd is dat we de voor het menselijk leven fatale opwarming van de aarde kunnen afwenden, is het bepaald niet zeker of in de derde stap van de mensheidsgeschiedenis de democratie zich zal weten te handhaven. De tijden zijn spannender dan je zou wensen. Zie hier het vorige bericht in deze reeks en hier alle berichten tot nu toe achter elkaar.

Over hoe het nu wereldwijd met de democratie gaat, schreven Steven Levitsky en Daniel Ziblatt het boek met de verontrustende titel How Democracies Die. What History Reveals About Our Future.

Het boek blinkt uit in historische beschrijvingen. Van gevallen waarin de democratie op zeep werd geholpen. Door Hitler in Duitsland. Mussolini in Italië. Péron in Argentinië. Pinochet in Chili. Marcos in de Fillipijnen. Fujimori in Peru. Chávez in Venezuela. Putin in Rusland. Erdogan in Turkije. Orbán in Hongarije. En natuurlijk uitgebreid over de strijd om de democratie in de Verenigde Staten nu Donald Trump daar aan de macht is. (Met misschien al binnenkort uitsluitsel hoe die strijd wordt beslecht.) Het is een huiveringwekkend rijtje.

De les die Levitsky en Ziblatt daaruit trekken is dat de democratie ook echt vijanden kent, autocraten die, vaak (altijd?) narcistisch, het niet kunnen verdragen in hun machtsstreven te worden beperkt door democratische spelregels.

En de les dat de aanhangers van de democratie tegen deze vijanden ook echt in het geweer moeten komen. Voorbeelden die in het boek voorbijkomen waarin dat verweer succes had (die ik niet kende) zijn België en Finland in de jaren 30 van de vorige eeuw.

Gezien vanuit de inzichten die je op dit blog vaak tegenkomt, is die strijd om de democratie er een tussen de morele intuïties van het gemeenschapspatroon en de neigingen van het statuscompetitiepatroon. De vijanden van de democratie streven een statushiërarchie na met henzelf aan de top. Terwijl de voorstanders een samenleving willen waarin iedereen meetelt en dezelfde rechten heeft.

Die strijd gaat, zo betogen Levitsky en Ziblatt, niet alleen over de expliciete spelregels van de democratie, zoals grondwet, eerlijke verkiezingen, vrije pers, onafhankelijke rechtspraak, maar ook over de ongeschreven regels. Die vatten ze samen als de normen van wederzijdse tolerantie en institutionele terughoudendheid.

De norm van wederzijdse tolerantie houdt in dat je binnen de democratie wel elkaars tegenstanders kunt zijn, maar niet elkaars vijanden. Dat je elkaar accepteert ook zonder dat je het met elkaar eens bent.
Die norm houdt wat mij betreft in dat je de democratie ziet als een collectieve zoektocht naar het beste beleid voor iedereen en je ervan bewust bent dat niemand de waarheid in pacht heeft. En dat het dus zaak is om iedereen aan die zoektocht mee te laten doen.
En die norm van institutionele terughoudendheid behelst het inzicht dat het aan de macht zijn in een democratie met zorg, wijsheid en, ja, terughoudendheid, dient te worden ingevuld. Dat je dus rekening houdt met de belangen van de minderheid die jou niet gekozen heeft. Het is de norm die tot uiting komt in verklaringen van overwinnaars van verkiezingen dat ze er voor iedereen zullen zijn.

Het zijn naast de geschreven regels vooral ook deze ongeschreven normen die duidelijk maken dat de idee van democratie voortkomt uit onze morele gemeenschapsintuïties, die ons in het verre verleden als jagers-verzamelaars aanzetten tot het voor de overleving noodzakelijke samenwerken en delen. De democratie is een hedendaagse uitingsvorm van die oeroude intuïties.

Net zo is het besef dat er ook vijanden van de democratie zijn, een hedendaagse uitingsvorm van het oeroude inzicht dat het gemeenschapspatroon altijd verdedigd moet worden tegen het statuscompetitiepatroon.

Binnen de democratie heb je tegenstanders (in die gezamenlijke zoektocht naar het beste beleid), maar in de strijd om de democratie heb je vijanden.

zaterdag 15 december 2018

De Onderwijsraad heeft gelijk dat leerlingen meer met klasgenoten met andere achtergronden in aanraking zouden moeten komen

De Onderwijsraad waarschuwt voor Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel. Want daardoor draagt het onderwijs bij aan de toch al toenemende sociale segmentering. Een citaat:
mensen uit verschillende sociale lagen in de samenleving bewegen zich steeds meer in gescheiden groepen en treffen elkaar niet meer vanzelfsprekend. Ook in het onderwijs zien we deze sociale segmentering. Dit begint al bij de voorschoolse voorzieningen. Deze voorzieningen zijn gefragmenteerd en georganiseerd rond verschillende doelstellingen en verschillende doelgroepen, waardoor kinderen met een risico op achterstanden vaak gescheiden blijven van andere kinderen. In het basis- en voortgezet onderwijs gaan kinderen en jongeren uit diverse sociale groepen vaak naar verschillende scholen. Dit komt deels doordat kinderen en jongeren met eenzelfde sociale achtergrond in dezelfde wijk wonen en ook in die wijk naar school gaan. Daar komt bij dat scholen soms expliciet inspelen op de keuzevrijheid en wensen van (groepen) ouders. Zo profileren scholen zich als cultuurschool, technasium, bieden Cambridge English of nieuwe vakken, categoraal onderwijs of onderwijs op religieuze of pedagogische didactische grondslag. Dit gevarieerde aanbod leidt soms tot segmentering met ongewenste gevolgen. 
Ook de scheiding tussen sectoren, schoolsoorten, leerwegen en opleidingen in het onderwijsstelsel heeft tot gevolg dat verschillende groepen leerlingen elkaar niet meer vanzelfsprekend treffen. Cijfers van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) laten zien dat bijna driekwart van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs is ingeschreven aan een brede scholengemeenschap waar alle schoolsoorten zijn vertegenwoordigd (zie onderstaand figuur). Maar ze laten ook zien dat het overgrote deel van die scholengemeenschappen de verschillende schoolsoorten aanbiedt op aparte locaties. Slechts 18% van de leerlingen op brede scholengemeenschappen zit op een locatie met alle schoolsoorten bij elkaar. 
Als jongeren met verschillende sociale achtergronden elkaar op school niet meer ontmoeten, komen ze minder in aanraking met leerlingen of studenten die andere inzichten en waarden hebben. Terwijl de school een plek zou moeten zijn waar jongeren kunnen oefenen in het omgaan met conflicten, het voeren van een dialoog, afwijkende meningen en gedragingen tolereren, respect opbrengen voor andersdenkenden en tot consensus komen. Scholen zijn bij uitstek de plaats waar jongeren moeten leren omgaan met verschillen. Wanneer daartoe minder gelegenheid is, kan het onderwijs jongeren maar beperkt voorbereiden op een pluriforme en democratische samenleving en maar beperkt bijdragen aan sociale samenhang in de samenleving.
Kunnen scholen inderdaad bijdragen aan sociale cohesie door leerlingen met verschillende achtergronden met elkaar in contact te brengen?

De toevallig net verschenen studie Familiarity Does Not Breed Contempt:Generosity, Discrimination and Diversity in Delhi Schools geeft inderdaad sterke aanwijzingen in die richting.

De onderzoeker, Gautam Rao (Harvard University, Cambridge) maakte gebruik van een dataset van 2300 leerlingen verspreid over 17 scholen in Delhi, India. Er was een beleidswijziging die inhield dat elitescholen verplicht werden om gratis plaatsen aan te bieden aan arme leerlingen. Maar doordat sommige scholen hiervan werden vrijgesteld en andere scholen een jaar later aan deze nieuwe verplichting mochten voldoen, kon door een vergelijking tussen die twee groepen scholen (wel of geen arme leerlingen) nagegaan worden wat de effecten waren van de verandering.

Rao keek in het bijzonder naar de effecten van contact met arme klasgenoten op het gedrag van de rijke leerlingen. En zijn resultaten zijn nogal opvallend.

Zo bleek dat de rijke leerlingen met arme klasgenoten zich meer pro-sociaal gedroegen dan de rijke leerlingen zonder arme klasgenoten, gemeten aan hun bereidheid om vrijwilligerswerk en liefdadigheidswerk te doen. Ook waren ze rechtvaardiger in een afgenomen Dictator-spel, waarin je gevraagd wordt om iets te verdelen over jezelf en "een andere persoon", waarbij het niet uitmaakte of die andere persoon arm of rijk was.

Bovendien bleek dat het hebben van arme klasgenoten ertoe leidde dat rijke leerlingen minder arme leerlingen discrimineerden.

Gingen rijke leerlingen minder presteren door de aanwezigheid van arme klasgenoten? Een vaak gehoord mogelijk bezwaar van rijke ouders. Op een samengestelde index van prestaties op de vakken Engels, Hindi en wiskunde bleek dat niet het geval.

In India zijn de verschillen tussen arm en rijk aanzienlijk groter dan in ons land. Maar dat is eigenlijk geen reden om te denken dat de resultaten in ons land geheel anders zouden uitvallen.

De Onderwijsraad heeft dus wel een punt met het advies om het onderwijs meer zo in te richten dat leerlingen van verschillende groepen meer met elkaar in contact komen. Dat zou inderdaad bevorderlijk zijn voor de sociale cohesie.

Geheel in overeenstemming overigens met de bekende contacthypothese.

vrijdag 14 december 2018

Van jagen-verzamelen tot de democratie - De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - De 13 berichten tot nu toe bij elkaar

Bericht 1
Het begin van de mensheidsgeschiedenis is nog niet zo gemakkelijk te bepalen. Volgens deze goed bijgehouden Wikipedia-pagina waren er rond 300.000 jaar geleden, of misschien nog vroeger, de eerste mensen, d.w.z. de eerste anatomisch moderne mensen (Homo sapiens). Laten we daar maar even vanuit gaan.

Die eerste stap moet naar alle waarschijnlijkheid gelokaliseerd worden in Oostelijk Afrika. Er zijn aanwijzingen dat onze vroege voorouders zich voor de uitdaging gesteld zagen van een zich door een periode van afkoeling terugtrekkend regenwoud. Daarvoor in de plaats kwam er een savannelandschap, waarin voedsel meer over de ruimte verdeeld was en waarin jagen op groot wild een vereiste was om re kunnen overleven.

Onze voorouders pasten zich aan die nieuwe uitdagingen aan door een sociaal arrangement dat ik eerder de Paleo Sociale Omgeving noemde. Die uitdagingen brachten met zich mee dat je in je eentje moeilijk kon overleven. Ook was het risicovol om je, zoals in het regenwoud, groepsgewijs te verplaatsen, omdat het dan kon gebeuren dat je als groep niet tijdig genoeg voldoende voedsel vond.

Het nieuwe sociale arrangement, de eerste menselijke sociale uitvinding, bestond uit samenwerken en delen. Gestileerd gezegd; aan het begin van de dag verspreiden we ons vanuit het basiskamp over de ruimte in kleine groepjes op zoek naar voedsel, aan het eind van de dag keren we terug en verdelen we het voedsel over iedereen, ook over degenen die niets gevonden hebben.

Voor dat samenwerken en delen was nodig dat afscheid moest worden genomen van het oudere sociale patroon, dat van de statushiërarchie (het Alfamannetjesmodel). In dat patroon was er het voortdurende conflict (statuscompetitie) tussen mannen om het monopolie over de voortplanting en dus over de vrouwtjes. Overwinnaars werden de baas in een statushiërarchie, tot ze door hun opvolger werden afgezet. Er was eenvoudig gezegd, ongelijkheid, zich uitend in een behoorlijk grote mate van seksuele dimorfie.

Daartegenover kon dat samenwerken en delen alleen goed slagen bij een grote mate van gelijkheid. Wilde iedereen gemotiveerd zijn om er aan deel te nemen, dan moest wel verzekerd zijn dat je aan het eind van de dag meedeelde ook als jezelf niets kon inbrengen. Dat betekende dat de groep min of meer moest kunnen garanderen dat egoïsme en de neiging tot statuscompetitie werden onderdrukt. Degenen die de baas wilden spelen en die meer wilden dan anderen moesten te horen, en te voelen, krijgen dat zulk gedrag niet werd geaccepteerd.

Precies daarin ligt de oorsprong van ons vermogen tot moreel gedrag, onze morele intuïties. Oftewel pro-sociaal gedrag of, beter, gemeenschapsgedrag. We werden geselecteerd op het vermogen om met anderen rekening te houden en niet alleen maar voor onszelf te zorgen. Vandaar dat we schuld- en schaamtegevoelens kennen.

Maar we zijn geen morele automaten. Onze sociale natuur is ambivalent, want die neiging tot statuscompetitie, die kennen we ook nog. Die periode van jagen en verzamelen en dus van de Paleo Sociale Omgeving duurde lang, in vergelijking met de duur van de mensheidsgeschiedenis verreweg de langste periode, maar niet zo lang dat egoïsme en statuscompetitie volledig werden weg geselecteerd.

Dat kwam wel heel duidelijk aan het licht na de overgang van jagen-verzamelen naar het beoefenen van de landbouw. De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis.

Bericht 2
De eerste stap van de mensheidsgeschiedenis begon met de "keuze" van onze vroegste voorouders om het inkrimpende tropisch regenwoud te verlaten en zich aan te passen aan het savannelandschap.

Die aanpassing had nogal wat om het lijf. Er werd een compleet nieuwe sociale structuur gevormd, die van egalitaire groepen die samenwerkten en deelden. Tussen die groepen bestonden overwegend vriendschappelijke relaties. Door onderlinge uithuwelijking, maar ook doordat er nauwelijks aanleidingen waren voor conflicten.

Als er lokale "overbevolking" dreigde, en dus de natuurlijke hulpbronnen schaars dreigden te worden, dan kon men zich meer over de ruimte verspreiden. Groepen splitsten en een deel trok verder. Zo verspreidden mensen zich gaandeweg en stapje voor stapje, waarschijnlijk vanuit Oostelijk Afrika, over nagenoeg het gehele aardse landoppervlak.

Dat alleen al wijst er op dat we hier te maken hebben met een heel succesvolle leefwijze. Die "Paleo Sociale Omgeving" hield onder meer in:
  • het gezamenlijk zorgen voor en grootbrengen van de kinderen (cooperative breeding)
  • waardoor kinderen vroeger en dus onrijper konden worden geboren, want moeders draaiden niet alleen voor de zorg op
  • waardoor de hersenen en de hersenomvang na het geboren worden zich verder konden ontwikkelen
  • wat het mogelijk maakte om zich qua sociale intelligentie aan te passen aan de uitdagingen van het complexe groepsleven waarin moest worden samengewerkt en gedeeld. Zie ook Menselijke intelligentie is uitkomst van op hol geslagen selectie
  • die sociale intelligentie (empathie, gedeelde intentionaliteit, sociaal leren) ging gepaard met een grotere algemene intelligentie. Zie Social intelligence: from brain to culture
  • waardoor allerlei fysieke verschijnselen beter konden worden begrepen
  • wat o.a. er toe leidde dat vuur werd beheerst en dat voedsel kon worden bereid
  • bereiding van voedsel (koken) bevorderde het delen en dus de sociale samenhang, want als je kookt, kost het weinig meer moeite om dat voor een groep te doen
  • koken had daarnaast als voordeel dat er minder energie nodig was voor de vertering en dus voor het darmstelsel, waardoor er meer energie beschikbaar kwam voor de ontwikkeling en de activiteit van de hersenen
  • wat weer de toename van intelligentie bevorderde. Zie voor meer Catching Fire. How Cooking Made Us Human (2009) van Richard Wrangham
  • door die toegenomen intelligentie en doordat we ondertussen rechtop waren gaan lopen, konden we wapens (stokken, stenen, pijlen) gebruiken
  • die waren niet alleen geschikt voor de jacht, maar dienden ook ter bevordering van de gelijkheid
  • want de fysieke kracht, zoals die van de chimpansee alfa-mannetjes, werd minder doorslaggevend, als iedereen over een wapen kon beschikken. Zie De oorsprong van ons pro-sociale gedrag: grote hersenen en wapens
  • waardoor de seksuele dimorfie afnam en daarmee de gelijkheid tussen mannen en vrouwen toenam
  • door dit alles was er een sociale structuur waarin geselecteerd werd op de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag, die nodig waren voor dat o zo belangrijke samenwerken en delen
  • en als die intuïties eens een keer tekortschoten, dan kon degene die de baas wilde spelen of die zich egoïstisch gedroeg door de groep op zijn nummer worden gezet. Zie dit bericht over het werk van Christopher Boehm.
Deze, nog onvolledige, opsomming maakt al wel duidelijk dat die eerste stap van de mensheidsgeschiedenis een ingewikkeld geheel van processen vormde, met allerlei positieve terugkoppelingen.

Het resultaat was dat een heel succesvolle leefwijze ontstond, die het dus mogelijk maakte om de aarde vrijwel geheel te "veroveren". 

Maar dat succes zorgde ook voor de noodzaak van de tweede stap. Uiteindelijk konden gevallen van lokale overbevolking niet meer worden opgelost door verdere verspreiding over de ruimte.

Waardoor moest worden overgestapt op intensievere onttrekking van hulpbronnen aan de aarde. Door landbouw. Daarom in het volgende bericht over de Agrarische Revolutie.

Bericht 3
Voor het overgrote deel van de mensheidsgeschiedenis, 95 tot 98 procent, voerden mensen de uiterst succesvolle leefwijze van het jagen en verzamelen en het samenwerken en delen.

Die lange periode begon met de eerste stap in de mensheidsgeschiedenis: de aanpassing aan het savannelandschap, waarvoor dat samenwerken en delen een vereiste was. Gaandeweg bleek dat die manier van samenleven ook geschikt was om onder andere geografische en klimatologische omstandigheden een bestaan op te bouwen.

Zoals in het vorige bericht uiteengezet, was voor dat samenwerken en delen een behoorlijke mate van sociale harmonie noodzakelijk. Voor het toentertijd bestaan van die harmonieuze en vreedzame verhoudingen zijn velerlei aanwijzingen. Ik stond daar eerder, hier en hier en hier, bij stil.

Dat wil ook weer niet zeggen dat er geen conflicten en geweld voorkwamen. Want het handhaven van de harmonie was een collectieve opgave, omdat egoïsme en statuscompetitie, nog altijd in de menselijke sociale natuur aanwezig, moesten worden bestreden.

En dat kon wel degelijk, in laatste instantie, met gebruik van geweld gepaard gaan. Het schijnt dat Richard Wrangham daar meer informatie over verschaft in zijn nieuwste , nog te verschijnen boek The Goodness Paradox: The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution.

Dat collectieve onderdrukken van egoïsme, statuscompetitie en de daaruit voortkomende conflicten, werd sterk bemoeilijkt met de introductie van de landbouw, zo ongeveer 8 - 10.000 jaar geleden.. Het was overigens niet zo dat mensen de landbouw "uitvonden", maar er na lang aarzelen tot overgingen omdat door de toegenomen lokale bevolkingsdichtheid de opbrengsten van het jagen en verzamelen verminderden.

Daar waar landbouw het gemakkelijkst te beoefenen was, zoals in het gebied van de Eufraat en de Tigris, begon het met vallen en opstaan en verspreidde het zich. Lees daarover vooral Guns, Germs, and Steel. The Fates of Human Societies van Jared Diamond. In het Nederlands vertaald als Zwaarden, paarden en ziektekiemen. de ongelijkheid in de wereld verklaard.

Dat gebeurde inderdaad met vallen en opstaan, want het was een uiterst hachelijke onderneming. Jared Diamond noemde het de grootste vergissing die de mensheid ooit heeft gemaakt. Want de landbouw bracht allerlei plagen met zich mee: mislukte oogsten en dus hongersnood, en epidemieën, door het houden van vee en huisdieren. We stonden daar bij stil in de berichten over het Oerboek van de mens. zoals hier en hier.

Maar daar kwam nog bij dat de landbouweconomie gepaard ging met grote ongelijkheid en daarmee tot grootschalige conflicten, zeg maar oorlogen. De nog steeds bestaande neigingen tot egoïsme en statuscompetitie konden niet langer collectief worden onderdrukt en kregen een sociale vorm in de statushiërarchieën van vorstendommen en keizerrijken. En in onderdrukking en slavernij.

Dat pas met de introductie van de landbouw, met de Agrarische Revolutie, het grootschalige geweld de mensheidsgeschiedenis binnenkwam, stuit nog wel eens op ongeloof. De aanwijzingen ervoor komen o.a. uit de bestudering en vergelijking van nog waargenomen jagers-verzamelaarssamenlevingen en tuinbouw- en kleinschalige landbouwsamenlevingen.

Een recente studie is Implications of the Neolithic Revolution for Male-Male Competition and Violent Conflict van Menelaos Apostolou. Hij laat met de gegevens van de Standard Cross-Cultural Sample van 186 pre-industriële samenlevingen zien dat gewelddadige conflicten (op de basis van statuscompetitie tussen mannen) talrijker zijn in landbouwsamenlevingen dan in jagers-verzamelaarssamenlevingen.

De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis bestaat er dus uit dat op landbouw werd overgestapt en dat daarmee een eind kwam aan de daarmee vergeleken harmonieuze en vreedzame sociale verhoudingen van de jagers-verzamelaarssamenlevingen.

Bericht 4
De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis, de overgang naar de landbouwsamenlevingen, is op de tijdlijn van de gehele geschiedenis nog maar kort geleden. Zo kort geleden, 8-10.000 jaar, dat het nu, in 2018, misschien nog wel te vroeg is om te concluderen dat het een verstandige stap was. En niet, zoals in de woorden van Jared Diamond, de grootste vergissing die de mensheid ooit gemaakt heeft.

De sociale gevolgen van de Agrarische Revolutie zijn ronduit dramatisch te nomen. De nog altijd in de menselijke natuur aanwezige drang tot statuscompetitie, als erfenis meegegeven door de gemeenschappelijke voorouder van chimpansee en mensachtigen, kon in de nieuwe economische verhoudingen niet meer goed worden beteugeld.

Er ontstonden plotsklaps aanspraken op eigendom: land, water, werktuigen, gebouwen, voorraden, ja, zelfs vrouwen en slaven. En er ontstonden dynastieën, die hun bezittingen wilden doorgeven aan volgende generaties. De institutie van het eerstegeboorterecht ontwikkelde zich, maar ook de jongere zonen moesten tevreden worden gesteld. Waardoor elke dynastie een prikkel had om land en bezittingen uit te breiden. En dus kwamen legers en oorlogen de mensheidsgeschiedenis binnen.

Zo kwamen er de eerste staten, met een sterke man aan het roer, met belastingheffing, een bureaucratie, een onderdrukkingsapparaat en een leger. Zorgvuldig doordachte en uitgewerkte statushiërarchieën, maar wel gemodelleerd naar het Alfamannetjes-model van de primaten. Wat jagers-verzamelaars niet kenden en niet wilden kennen, grote ongelijkheid, armoede en rijkdom naast elkaar, werd hét kenmerk van de landbouwsamenleving.

Anders gezegd, het statuscompetitiepatroon overheerste het gemeenschapspatroon.

Maar helemaal weggevaagd was dat laatste ook weer niet. Het had zich teruggetrokken op het onderste niveau van het maatschappelijk bouwwerk. Het niveau van, zeg maar, de werkers op het land, de boeren die zich dorpsgewijs organiseerden en er zo zorg voor droegen dat iedereen genoeg opbrengsten had om er zelf van te leven en om aan de eisen van de kasteelheer te voldoen.

Dit hield bijvoorbeeld in dat de individueel bewerkte gronden, naast de gemeenschappelijke weidegronden, periodiek werden herverdeeld, zodat de beste gronden rouleerden. Een aardige beschrijving van die dorpsgemeenschappen vind je in Functional and historical explanations for village social organization in northern Europe van Robert H. Layton.

En, niet te vergeten, denk ook aan al die vormen van zelf-organisatie van boeren en vissers, die werden bestudeerd door Elinor Ostrom. Die voor haar werk in 2009 de Nobelprijs voor economie kreeg toegekend. Zie in dat verband de berichten op dit blog achter het label Elinor Ostrom.

Dat gemeenschapspatroon van samenwerken en delen wist zich dus in die landbouwsamenlevingen in het verborgene te handhaven. In het verborgene, in die zin dat de geschiedschrijvers er maar weinig aandacht voor hadden en zich vooral concentreerden op de beschrijvingen van de vorstenhuizen.

Dat het zich toch wist te handhaven, en in de menselijke sociale natuur aanwezig bleef, zorgde er voor dat er in de mensheidsgeschiedenis ook nog een derde stap kon worden gezet.

Bericht 5
De eerste stap van de mensheidsgeschiedenis was het begin: het ontstaan van de moderne mens in en door de aanpassing aan het uitdijende savannelandschap in Oostelijk Afrika, waarschijnlijk zo'n 300.000 jaar geleden. Die aanpassing hield in dat mensen zich door jagen en verzamelen en een sociaal patroon van samenwerken en delen een bestaan verschaften.

Die aanpassing was zo succesvol dat er zo ongeveer 8.000 tot 10.000 jaar geleden een moment kwam dat op verschillende locaties de bevolkingsdichtheid zo hoog werd dat mensen landbouw begonnen te beoefenen en zich vestigden. Dit noemen we de Agrarische Revolutie. De gevolgen van deze tweede stap waren immens. In termen van de Dual Mode-theorie uitgedrukt: omstandigheden dienden zich aan waaronder het statuscompetitiepatroon in de maatschappelijke verhoudingen ging overheersen boven het gemeenschapspatroon. De oeroude neiging tot het vormen van statushiërarchieën kon weer de overhand nemen. Er kwamen vorstendommen en keizerrijken, er heerste ongelijkheid tussen arm en rijk en tussen mannen en vrouwen en onderdrukking en slavernij.

Door allerlei oorzaken, teveel om hier op te sommen, begon een paar honderd jaar geleden een ontwikkeling die leidde tot wat we de Industriële Revolutie zijn gaan noemen. Volgens Rosenberg en Birdzell, Jr. (How the West Grew Rich. The Economic Transformation of the Industrial World) begon die ontwikkeling in het Westen in de Middeleeuwen, breidde in de eeuwen daarna de handel zich uit en begon zo ongeveer in de periode 1750 - 1850 de ontwikkeling van de industrie. En tegen het eind van de negentiende eeuw waren zo ongeveer de institutionele voorwaarden, zoals nieuwe eigendomsverhoudingen, aanwezig die grote ondernemingen mogelijk maakten.

Het kapitalisme brak door. De derde stap in de mensheidsgeschiedenis werd gezet. En dat is nog zo kort geleden dat je kunt zeggen dat we nu, in 2018, ons nog midden in die derde stap bevinden. Zodat we dus ook nog niet weten hoe die geschiedenis verder zal gaan.

Een van de vele gevolgen was dat de vraag naar arbeid, en vooral ook naar geschoolde arbeid, toenam. Die vraag concentreerde zich in de industriële gebieden, dus in de steden. Dat proces van verstedelijking ging gepaard met intensivering en schaalvergroting van de landbouw. Was in Nederland in 1807 nog 40 procent van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw en visserij, dat aandeel was in 1989 gedaald tot 1 à 2 procent (CBS, Statistiek in tijdreeksen). Het grootste deel van de daling kan overigens worden toegeschreven aan de periode na de Tweede Wereldoorlog.

Die toename van de vraag naar arbeid en van de concentratie ervan in de fabrieken en de stedelijke gebieden, was cruciaal, omdat de instandhouding van de grote ongelijkheid van de landbouwsamenleving erdoor werd bemoeilijkt. Er waren weliswaar de nieuwe rijken, de kapitalisten, maar die vonden een tegenwicht in de georganiseerde arbeid, de vakbeweging. En parallel daaraan was er op het niveau van de nationale staat de opkomst van het algemeen kiesrecht en dus van de democratie.

En de democratie, waarin iedereen meetelde, is niets minder dan een nieuwe sociale vorm waarin de morele intuïties van het samenwerken en delen een uitdrukking vonden.

Bericht 6
De derde stap van de mensheidsgeschiedenis begon met de opkomst van de industrie en daarmee van het proletariaat, de stedelijke arbeidersklasse.

Door het proces van de enclosures, de privatisering van de gemeenschappelijke landbouwgronden, al vroeg begonnen in Engeland, maar zich in de negentiende eeuw uitbreidend over het vasteland, transformeerde de subsistence economy in een op winst gerichte economie, die in handen was van grootgrondbezitters. Onteigende kleine boeren en overbodig geworden boerenknechten trokken naar de steden, waar de nieuwe fabrieken voor een nieuwe vraag naar arbeid zorgden.

Er is een uitbundige historische literatuur waarin dit proces wordt beschreven en gedocumenteerd. In mijn boekenkast staan:
Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time
Robert L. Heilbroner, De ontwikkeling van de economische samenleving
J.L. Hammond en Barbara Hammond, The Village Labourer 1760 - 1832. A Study of the Government of England Before the Reform Bill
Brian Inglis, Poverty and the Industrial Revolution
Een klassieker, helaas niet in mijn boekenkast, is
E.P Thompson, The Making of the Englsih Working Class
Maar hier gaat het nu om de vraag wat er gebeurde met die morele gemeenschapsintuïties die in de landbouwsamenlevingen op het dorpsniveau tot uitdrukking waren gekomen in de collectieve zorg dat iedereen in staat was om het hoofd boven water te houden. Door de onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid waren de voorwaarden daar nog behoorlijk aanwezig om de morele intuïties van samenwerken en delen in de onderlinge verhoudingen te vertalen.

De trek naar de steden vond vaak plaats via de sociale netwerken die in het platteland hun oorsprong hadden. Die naar de stad meegenomen sociale verbanden maakten het mogelijk om elkaar bij te staan in geval van nood. Je kon bij ziekte of ongeval of overlijden van een naaste op wat hulp en bijstand van kennissen rekenen.

Die onderlinge hulpverlening werd gaandeweg breder georganiseerd, in Engeland in de vorm van de friendly societies, in Amerika van de fraternal societies (in mijn boekenkast: David T. Beito, From Mutual Aid to the Welfare State. Fraternal Societies and Social Services, 1890 - 1967) en in Nederland van de "bussen", de onderlinge fondsen, voorlopers van de ziekenfondsen en uitvaartverzekeringen.

We zien dus, aan het begin van de derde stap van de mensheidsgeschiedenis, dat die morele intuïties van samenwerken en delen nog een concretisering vinden in de zelf-organisatie van de onderlinge hulpverlening. Die zelf-organisatie was niet volledig dekkend, want er was daarnaast ook nog de liefdadigheid en er waren de Armenwetten.

En gaandeweg het proces van industrialisering zien we dat wat aanvankelijk nog door zelf-organisatie geregeld wordt, overgaat naar oftewel de markt (commerciële verzekeringen) oftewel naar de overheid (sociale zekerheid, gezondheidszorg).

Die uitbreiding van zowel de markt als de overheid moet de voorwaarden hebben gecreëerd voor het proces naar democratisering van de overheid, dus voor de introductie van het algemene, passieve en actieve, kiesrecht.

En natuurlijk kon dat democratische idee dat iedereen moest mee kunnen beslissen, zo om zich heen grijpen doordat er nog steeds die morele gemeenschapsintuïties bestonden. De democratie was een poging om, na de ellendige ongelijkheden in de landbouwsamenlevingen, weer wat van de gelijkheid van de jagers-verzamelaarssamenlevingen terug te veroveren, maar nu op het grootschalige niveau van de nationale staat.

En nu, in 2018, weten we dat dat terugveroveren van de democratie en de gelijkheid nog steeds een opgave is.

Bericht 7. En over Edy Korthals Altes
De derde stap in de mensheidsgeschiedenis begon met de Industriële Revolutie en die is nog maar zo kort geleden op de schaal van die gehele geschiedenis dat we er nog middenin zitten en dus nog niet weten waar hij op zal uitlopen.

In dat vorige bericht sloot ik af met de constatering dat verschillende elementen van die Industriële Revolutie, maar vooral de toename van de vraag naar arbeid en in het bijzonder ook geschoolde arbeid, de aanzet gaven tot democratisering van de nationale staten. De ontwikkelingen brachten een stedelijk proletariaat voort, dat zich gemakkelijker als een maatschappelijke kracht liet organiseren dan de agrarische bevolking. Waardoor belangenbehartigende organisaties ontstonden, zoals vakbonden en socialistische en sociaal-democratische politieke partijen.

Dat streven naar democratisering en gelijkberechtiging kon zo snel de kop opsteken en brede aanhang verwerven doordat de kiemen ervan nog steeds in de menselijke sociale natuur aanwezig waren. De morele jagers-verzamelaarsintuïties die gericht waren op samenwerken en delen, zochten, nu de kansen daartoe zich aandienden, een verwerkelijking in de instituties van het algemeen kiesrecht (begin vorige eeuw) en van de verzorgingsstaat (tweede helft vorige eeuw).

Een en ander ging gepaard met een geweldige wetenschappelijke en technische vooruitgang, verbetering van de gezondheidszorg, intensivering van de landbouw en winning van fossiele energiebronnen.

Nu, in 2018, zijn we op een punt aanbeland, waar twee grote uitdagingen zich aandienen die we het hoofd zullen moeten bieden om zicht te houden op een toekomst van de mensheid:
  • de uitdaging van de onderlinge verhoudingen. Zullen we het met de Industriële Revolutie in het leven geroepen kapitalisme zo kunnen vormgeven dat het blijft voldoen aan onze behoeften aan democratie, gelijkberechtiging en mensenrechten?
  • de uitdaging van onze verhouding tot de aarde. Zullen we met zijn allen (democratie!) in staat zijn om het kapitalisme en onze manier van leven zo om te buigen dat we die kenmerken van Moeder Aarde in stand houden die ons tot nu toe ten dienste hebben gestaan? Anders gezegd: zullen we een circulaire economie tot stand weten te brengen? En zullen we over kunnen gaan op een duurzame landbouw?
Het zich aandienen van deze twee uitdagingen is eigenlijk niet meer te missen. Er zijn er die nog de ogen ervoor willen sluiten, maar dat gaat hen steeds moeilijker af.

In dat verband is het natuurlijk niet toevallig hoe sterk deze twee uitdagingen overeenkomen met de twee eisen waaraan volgens Kate Raworth het vak economie zou moeten voldoen. Enerzijds de eis dat de economie (als een doughnut) naar binnen toe begrensd is door de aard van de menselijke basisbehoeften en naar buiten toe door de eindigheid van de aarde en haar natuurlijke hulpbronnen.

En als je die uitdagingen in je hoofd hebt, dan lees je natuurlijk ook met grote interesse en instemming dat mooie interview dat Fokke Obbema in de Volkskrant had met de 94-jarige oud-diplomaat Edy Korthals Altes: 'De nieuwe mens stemt mij hoopvol'. Ik citeer even zijn antwoord op de vraag wat de zin van ons leven is:
Dat is een grote vraag die vooral gaat woelen naarmate we ouder worden. Omdat hij verband houdt met: waar ben ik mee bezig geweest? Was dat wel meer dan het najagen van ijdelheden? Ik zou nuchter willen beginnen: de zin is wakker worden en ons bewust worden van de fundamentele relatie met de oergrond van ons bestaan en ons richten op de grondwet in ons leven. Dat is voor mij de liefde voor de mens en de natuur.
De liefde voor de mens: de eerste uitdaging, die van de onderlinge verhoudingen. De liefde voor de natuur: de tweede uitdaging, die van onze verhouding tot de aarde.

Korthals Altes denkt dat er "een nieuwe mens" nodig is om die uitdagingen het hoofd te bieden. Als antwoord op de vraag wat hij toekomstige generaties toewenst:
Mensen, besef wat mens-zijn is. (stilte) Want dat is een ongelofelijk wonder en een enorm voorrecht. Dus kom in beweging. Maak er ernst mee. Richt je niet op miljonair worden, maar zet je in voor een nieuwe, rechtvaardige samenleving en een nieuw denken over vrede en veiligheid. Met hart en ziel. De krachten die we zelf in het leven hebben geroepen, zoals ongelijkheid en klimaatverandering, dwingen ons die nieuwe mens te verwezenlijken. Als we dat niet inzien, loopt het vast.
Die nieuwe mens, natuurlijk, die moet er komen. Maar hij is eigenlijk al heel oud, de mens namelijk, die de morele intuïties ontwikkelde om samenwerken en delen mogelijk te maken.

Die moet zich alleen nog wel even instellen op de twee uitdagingen waar we nu tegen aanlopen.

Bericht 8. Democratie bedreigd door het gevaar van de Grote Ondernemingen en dus van het Grote Geld
Wat valt er zoal te zeggen over de eerste van de twee grote uitdagingen waar we op dit punt in de mensheidsgeschiedenis voor staan? De uitdaging dus van de onderlinge verhoudingen: zullen we het met de Industriële Revolutie in het leven geroepen kapitalisme zo kunnen vormgeven dat het blijft voldoen aan onze behoeften aan democratie, gelijkberechtiging en mensenrechten?

Nu, in 2018, bestaat die uitdaging er allereerst uit dat de democratie zich wellicht niet weet te handhaven tegenover de bedreigingen die uitgaan van de marktmacht van de grote internationale ondernemingen en de daarmee gepaard gaande grote inkomens- en vermogensongelijkheid.

Die marktmacht en die ongelijkheid konden sterk groeien sinds zo ongeveer in de jaren 80 van de vorige eeuw het neoliberalisme de politiek ging domineren, de rol van de overheid en van de vakbeweging werd teruggedrongen en de verzorgingsstaat werd afgebouwd. Dat laatste, na 2008, vooral ook door het  neoliberale, maar economisch onzinnige, geloof dat je als overheid in een recessie moet bezuinigen.

Die gegroeide marktmacht en de eruit voortkomende concentratie van kapitaal aan de top bedreigt langs twee wegen de democratie: enerzijds de weg van de beïnvloeding van de politiek door de aan voorwaarden gebonden financiering van politieke partijen en politici (minder omfloerst gezegd: door corruptie) en anderzijds door ontwijking van de belastingen en witwaspraktijken door de grote, internationale ondernemingen.
Er is, bedenk ik nu, nog een derde bedreiging. Die gaat ervan uit dat de concentratie van kapitaal aan de top leidt tot financialisering van de economie, d.w.z. tot nog meer concentratie en tot een afname van investeringen in de reële economie. Waardoor de winsten toenemen en de lonen stagneren of zelfs in koopkracht dalen. Daardoor leeft een toenemend deel van de bevolking in bestaansonzekerheid en zonder veel hoop op een betere toekomst. Ideale omstandigheden voor rechts-extreme politici, die het ongenoegen weten om te buigen in de richting van vijandigheid tegenover de zwakkeren (uitkeringstrekkers), de vreemdelingen en de vluchtelingen.
Die eerste weg, die van de illegale of zelfs gelegaliseerde corruptie, treedt wereldwijd op, maar het is toch bovenal de Amerikaanse politiek die ervan doortrokken is. En je kunt inderdaad zeggen dat daar de corruptie gelegaliseerd is, namelijk sinds het Citizens United besluit van het Hooggerechtshof in 2010 dat grote ondernemingen onbeperkte hoeveelheden geld mogen besteden aan het aanprijzen van politieke partijen en hun kandidaten. Omdat die sommen geld niet direct besteed worden aan de verkiezingscampagnes, zouden ze niet kunnen leiden tot corruptie of tot de schijn van corruptie. Zacht gezegd een opvallende redenering, die slecht verbloemt waar het echt om gaat.

In het volgende bericht meer over de tweede weg, die van belastingontwijking en witwaspraktijken. En in dat verband over Thomas Piketty's Capital in the Twenty-First Century (2014).

Maar ook over American Capitalism van John Kenneth Galbraith, van lang geleden (1956), maar hoe actueel in 2018. De eerste Nederlandse vertaling, Kapitalisme en welvaart, verscheen in 1965 als aula-pocket en staat nog steeds in mijn boekenkast. In 1993 is het terecht opnieuw, met een nieuwe introductie, uitgegeven, en daarvan is in 2008 een Nederlandse vertaling verschenen.

Bericht 9. Democratie bedreigd door het Grote Geld; Piketty en Galbraith
We zijn in dit relaas van de mensheidsgeschiedenis aangekomen op een punt dat we met de democratie, de verzorgingsstaat, de gelijkberechtiging en de mensenrechten zich een collectief project zien ontwikkelen dat eruit bestaat de oeroude morele gemeenschapsintuïties in nationale en internationale instituties vorm te geven. Dat project is nog maar kort aan de gang, zeg één of anderhalve eeuw. En nu, in 2018, weten we nog niet goed of het zal slagen.

Omdat we er nog middenin zitten, is het bovendien moeilijk om een goed overzicht te krijgen en te houden van alle ontwikkelingen die zich afspelen en die de uitkomst kunnen beïnvloeden. Aan het eind van het vorige bericht in deze reeks was ik tot de tussentijdse conclusie gekomen dat het goed zou zijn om stil te staan bij het werk van Thomas Piketty (2014) en bij dat van John Kenneth Galbraith (1956).

Bij Piketty's Capital in the Twenty-First Century, omdat daar, in Hoofdstuk 12 (Global Inequality of Wealth in the Twenty-First Century), de extreme concentratie van vermogens en vermogensgroei sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zo goed naar voren komt. Er kwamen meer miljardairs en het aandeel van de miljardairs in het wereldwijde inkomen stegen. De inkomens van de rest bleven daar sterk bij achter.

Ee een flink deel van dat geconcentreerde kapitaal, tenminste 10 procent van het wereld Bruto Nationaal Inkomen, maar waarschijnlijk meer, bevindt zich in belastingparadijzen. Dit is, zo merkt Piketty op, een extreem hoog bedrag, meer dan tweemaal zoveel als de vermogenspositie van de groep rijkste landen (Japan, Europa, Verenigde Staten).

Een wel heel sterke aanwijzing dat er zoiets als het Grote Geld bestaat en dat degenen die dat Grote Geld vergaard en gecumuleerd hebben, er goed in slagen om het aan de belastingheffing te onttrekken. En dus een sterke aanwijzing dat de democratie in gevaar is.

Vandaar dat Piketty tot de conclusie komt dat er een wereldwijde progressieve belastingheffing op kapitaal nodig is om deze zichzelf versterkende kapitaalsaccumulatie een halt toe te roepen. Dat lijkt, zoals hij ook zelf opmerkt, voorlopig een utopisch ideaal. Maar misschien onvermijdelijk in een geglobaliseerde wereld met vrij verkeer van kapitaal.

In dat verband is het voor de hand liggend om het betoog van John Kenneth Galbraith uit de jaren 50 van de vorige eeuw terug in de herinnering te roepen. Dat inhield dat er op markten machtsposities kunnen ontstaan en dat die machtsposities voorafgaand aan de Crash van 1929 in de Verenigde Staten aanzienlijk waren. Uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism (mijn Aula-pocket uit 1965):
Hier was een macht die invloed had op de prijzen die de gewone man betaalde, op het loon dat hij ontving; een macht die het formidabelste obstakel naar omvang en ervaring betekende dat een nieuwe onderneming in de weg stond. Wat zou zo'n macht wel niet kunnen aanrichten als de omvangrijke hulpbronnen ervan gebruikt zouden worden voor politieke corruptie en het beïnvloeden van de openbare mening?
Dat bracht Galbraith ertoe om zijn theorie van de tegengestelde machten (countervailing powers) te ontwikkelen. Die dus inhield dat er op markten machten kunnen ontstaan, waar een tegengestelde macht tegenover moet staan om economische schade te voorkomen. Die tegenmacht ontstaat soms vanzelf, maar vaak is daar een helpende hand van de overheid bij nodig. Die dus ook inhield dat je markten niet zomaar aan zichzelf kunt overlaten.

Of de overheid moet zelf die tegenmacht vormen, door een herverdelingsbeleid met progressieve belastingheffing op inkomen en vermogen. En in een geglobaliseerde economie moet dat dus ook een geglobaliseerde belastingheffing zijn.

En zolang die er niet is, ja, dan gaat dat proces van kapitaalsaccumulatie aan de top en stagnatie bij de rest gewoon door. Dat is dus niet alleen economisch schadelijk, maar tegelijk sterk bedreigend voor de democratie.

Denk aan Galbraith: wat zou zo'n macht wel niet kunnen aanrichten?

Bericht 10.  Ongelijkheid is ook altijd machtsongelijkheid en macht heeft tegenmacht nodig
We zijn bij de derde stap van de mensheidsgeschiedenis aangekomen. De stap richting de democratie, de gelijkberechtiging, de verzorgingsstaat en de mensenrechten. Maar of de mensheid in staat zal zijn om die stap te voltooien is bepaald nog niet zeker.

Het allesoverheersende probleem waar we mee geconfronteerd worden is dat van de sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw sterk toegenomen ongelijkheid.

Er zijn al talloze rapporten en artikelen en boeken verschenen die die toename documenteren. Ik verwijs nu maar even naar het eerder op dit blog verschenen bericht Was de explosie van CEO-beloningen een kwestie van normverandering?

Daarin zie je voor de Verenigde Staten een grafiek van hoe de beloningen van de ondernemingsbestuurders (CEO's) zich ontwikkelden in vergelijking met de van de gewone werknemers. Je ziet de plotselinge en sterke stijging van die ratio eind jaren tachtig, waarna er fluctuaties optreden die samenhangen met het barsten van de internetzeepbel (1997 - 2000) en de Grote Financiële Crisis van 2008 - 2010). Die er op wijzen dat de economie met de toename van de ongelijkheid instabieler werd. De grafiek eindigt in 2011, toen de CEO's bijna 300 maal meer verdienden dan de gewone werknemer, vergeleken met 20 maal zoveel in de jaren 60 en 70.

In datzelfde bericht zie je ook een veelzeggend plaatje dat iets zegt over de oorzaken van die sterke toename van de ongelijkheid. De grafiek namelijk die laat zien hoe de marginale belastingtarieven van de hoogste inkomens zich ontwikkelden tussen 1916 en 2011. Je ziet dat het tarief voor de inkomstenbelasting in de jaren 50, 60 en 70 nog op 90 procent lagen, maar daarna stapsgewijs en snel halveerden. In ieder geval een deel van die toegenomen ongelijkheid is dus een gevolg geweest van bewust beleid. Het neoliberale beleid dat meer ongelijkheid juist goed zou zijn voor iedereen.

Grote ongelijkheid bergt grote gevaren in zich, doordat er processen optreden die maken dat die ontwikkeling onomkeerbaar wordt. Ik heb ze opgesomd in het bericht Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten.

Een van die gevaren is dat ongelijkheid altijd ook machtsongelijkheid is. En machtsongelijkheid vormt uiteraard een bedreiging voor de democratie en de gelijkberechtiging. De verleiding van machtigen om hun macht uit te oefenen ter behartiging van hun eigen belangen is over het algemeen onweerstaanbaar.

Vandaar dat John Kenneth Galbraith in de jaren 50 van de vorige eeuw zijn, nu nagenoeg vergeten, maar wel heel actuele, theorie van de tegengestelde machten (countervailing powers) ontwikkelde. Je kunt zijn betoog lezen alsof het nu geschreven is.

Als je naar "reëel bestaande" markten kijkt, in tegenstelling tot de markten met volledige concurrentie uit sommige leerboeken, dan zie je dat daar machtsconcentraties kunnen optreden. Die kunnen soms als vanzelf een tegengestelde macht oproepen, maar dat is niet gegarandeerd. Als dat niet zo is, dan ligt daar een taak voor de overheid. Meer daarover in het volgende bericht, maar nu alvast Galbraith zelf aan het woord (geciteerd uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism):
Aangezien het verschijnsel der tegengestelde (vind ik beter dan het "contrasterende" van de vertaler) machtsposities van groot praktisch belang is, ook al vond het lange tijd in de economische en politieke theorie geen erkenning, zouden we, in overeenstemming met onze sterk pragmatische benadering, van de overheid verwachten dat zo'n machtspositie voorwerp zou zijn van een groot stuk wetgeving en overheidsbeleid. (...)
In feite is in de moderne tijd het steunen van tegengestelde machtsposities misschien wel de voornaamste binnenlandse taak in vredestijd geworden van de federale regering.
Dat komt nogal actueel over, nu de Verenigde Staten worstelen met een groot monopolieprobleem:
The Monopolization of America.

En dan hebben we het nog niet eens over de macht van de grote internationale ondernemingen: Break up Facebook (and while we're at it, Google, Apple and Amazon).

Bericht 12. De strijd om de democratie is de strijd voor gelijkheid
Zal de sinds de jaren 80 van de vorige eeuw sterk toegenomen ongelijkheid ons verhinderen om de derde stap van de mensheidsgeschiedenis, die naar democratie, gelijkberechtiging, verzorgingsstaat en mensenrechten, te voltooien?

Waarom is die ongelijkheid de grote hinderpaal? Een antwoord op die vraag komt naar voren als je bedenkt dat die derde stap een collectieve poging is om onze samenlevingen en de internationale orde vorm te geven langs de lijnen van onze morele gemeenschapsintuïties. De intuïties die ons er in de lange periode van de jagers-verzamelaarssamenlevingen toe brachten om samen te werken en te delen.

Maar die jagers-verzamelaarssamenlevingen waren, als voorwaarde en als uitkomst, sterk egalitair. Alleen bij een grote mate van gelijkheid lukt het om samen te werken en te delen. En door dat samenwerken en delen en daarmee gelijk op de altijd sluimerende neigingen tot statuscompetitie en het vestigen van een statushiërarchie te onderdrukken, bleef die gelijkheid in stand.

Diezelfde morele intuïties motiveren ons om nu al ruim een eeuw te streven naar democratie, verzorgingsstaat, gelijkberechtiging en mensenrechten, de vier wenselijkheden die nauw met elkaar zijn verbonden. En dat is zo gekomen doordat de Industriële Revolutie de vraag naar geschoolde arbeid deed toenemen, een beweging die de voorwaarden schiep voor een toename van gelijkheid en dus voor de wens naar democratie en wat daarmee samenhangt.

De achterliggende gedachte is dus dat gelijkheid de cruciale factor is die de beweging richting de democratie in werking stelt. En dat diezelfde democratie ervoor zorgt dat gelijkheid in stand blijft.

Dat betekent dat de strijd die we nu gevoerd zien worden voor de democratie samenvalt met de strijd voor gelijkheid. En dat de tegenstanders in die strijd degenen zijn die die gelijkheid juist niet willen. Die zich ertegen verzetten omdat ze zichzelf zien als verheven boven anderen. Boven anderen die niet dezelfde voorrechten behoren te hebben als zijzelf.

Degenen dus bij wie het statuscompetitiepatroon overheerst boven het gemeenschapspatroon. Zie de berichten achter het label Dual-Mode theorie, in het bijzonder:
Bericht 13. Over gelijkheid, klassenstrijd, tegengestelde machten en de actualiteit van John Kenneth Galbraith
Als gelijkheid zo cruciaal is voor de democratie, dan is het op zijn minst een van de belangrijkste opgaven voor de democratische overheid om gelijkheid te bevorderen. Daarbij gaat het uiteraard niet om gelijkheid als eenvormigheid, maar om gelijkheid in economische levenskansen en bestaanszekerheid en daarmee in de vrijwaring van onderdrukking en vernedering.

We zien ook dat veel van het overheidsbeleid (mede) gericht is op gelijkheidsbevordering. Denk alleen maar aan het onderwijsbeleid, de gezondheidszorg, de sociale zekerheid en de progressieve belastingheffing.

Maar er is daarnaast ook het beleid dat erop gericht is om op de markt gegroeide machtsposities te neutraliseren door het bevorderen van tegengestelde machtsposities. Dan komen we op het terrein van de leer van de countervailing powers, die John Kenneth Galbraith na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde (zie het elfde bericht in deze reeks).

Volgens die leer is het wel degelijk mogelijk dat op een markt machtsposities ontstaan en blijven bestaan. Als die niet als vanzelf een tegenmacht oproepen, zoals de vakbeweging tegen de macht van de werkgevers, is het zaak voor de overheid om zo'n tegenmacht te bevorderen.

Volgens de redenering die we in deze reeks van berichten volgen, is zo'n beleid gemotiveerd door onze morele gemeenschapsintuïties. Die ons ertoe brengen om onderlinge verbondenheid te benadrukken (iedereen telt mee) en rechtvaardige verhoudingen en onderlinge samenwerking als wenselijk te zien.

Waarbij we ons realiseren dat de menselijke sociale natuur ambivalent is en dat er dus altijd een strijd zal zijn met onze neigingen tot statuscompetitie en dus tot het willen overheersen van anderen. Die strijd is deels een innerlijke strijd en deels, doordat mensen verschillen, een interpersonele, zeg maar politieke, strijd.
Hier ligt, bedenk ik me nu, enige overeenkomst met wat Karl Marx (1818 - 1883) dacht over de menselijke soort (das Gattungswesen), die volgens hem een innerlijke drijfveer heeft om de communistische gemeenschap na te streven, maar dat doel alleen langs de weg van de klassenstrijd kan bereiken.
Ik vroeg me af wat er bij Galbraith is te vinden over de motivering achter zijn theorie van de tegengestelde machten.  Ik geef hieronder een aantal citaten door die in dat verband interessant zijn (uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism, de Aula-pocket editie van 1965).
Het scheppen van een tegenwicht tegen alle machtsposities op een markt is op z'n minst theoretisch te rechtvaardigen. (p. 138)
Men zal het er zeker over eens zijn dat in deze eeuw het politieke en economische leven in Amerika aan kracht gewonnen heeft als gevolg van de verbeterde positie van arbeiders en boeren - twee belangrijke en vroeger achtergestelde groepen. Een kleine vijftig jaar geleden werden de arbeidsverhoudingen in Amerika gekarakteriseerd door gemelijkheid, haat en angst. De houding van de boeren onderscheidde zich door diep gewortelde gevoelens van onveiligheid en minderwaardigheid. (...) Arbeiders en boeren leefden in het besef dat zij hoe dan ook onderworpen waren aan de macht van anderen. Het was daardoor onvermijdelijk dat met het tot ontwikkeling komen van tegengestelde machtsposities deze gevoelens zouden veranderen, en dat gebeurde dan ook. In plaats van minderwaardigheids- en onveiligheidsgevoelens kwam er een goed ontwikkeld besef van gelijkwaardigheid en zelfvertrouwen.(...)
Harmonische sociale verhoudingen lijken een aannemelijke doelstelling. Het lijkt bevorderlijk voor het algemeen welzijn dat er op een gegeven moment niet een openlijke of onderdrukte revolutie ontstaat. Verandering en vernieuwing, die als voornaamste doel het verminderen van sociale spanningen hebben, zijn in de economie echter niet erg in tel, althans niet bij hen die zich helemaal richten op het concurrentiemodel als maatschappelijke norm. Er zijn sommigen die wel een beetje onrust willen accepteren als dat dienstig kan zijn voor zo'n bewonderenswaardig doel. Voor anderen is dit niet iets waar de economen zich druk over moeten maken. Zij kunnen het straatoproer gadeslaan vanuit hun vensters. (p. 145-6) 
En ik herken daarin zowel het gemeenschapsstreven (harmonische sociale verhoudingen, verminderen van sociale spanningen) als het idee van een strijd die gevoerd moet worden (met de aanhangers van het concurrentiemodel, die wel wat onrust willen accepteren, omdat ze die veilig van achter hun vensters kunnen gadeslaan).

Tot slot van dit bericht kan ik de verleiding niet weerstaan om een passage te citeren waarin Galbraith de toenmalige toestand in de Verenigde Staten beschrijft die bestond door het nog ontbreken van tegengestelde machtsposities. Want hoewel allerlei omstandigheden verschillen, we hebben het over de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw, zou die beschrijving met enige aanpassingen (vervang de arbeiders uit die tijd door de Amazon-werknemers van nu) ook zo maar kunnen slaan op wat wij nu, in 2018, meemaken.
Er zijn nog enkele miljoenen Amerikanen die over geen enkele organisatie beschikken om zich op de markt te doen gelden en wier levensstandaard en welvaart duidelijk blijk geven van de gevolgen daarvan. Hierbij zijn bijvoorbeeld een twee miljoen landarbeiders inbegrepen, de volkomen vergetenen in Amerika. Zij kennen geen enkele sociale zekerheid in hun werk - er zijn maar weinigen die niet per dag opgezegd kunnen worden. Ze genieten slechts in beperkte mate de voordelen van sociale zekerheid; gewoonlijk worden ze niet beschermd door een compensatie voor wat een nogal riskant beroep is; velen hebben geen vaste verblijfplaats; wat hun betaald wordt, is verre van fraai. Een aandeel in de winsten uit de recent ontwikkelde machtspositie van de boeren op de markt moet nog overgeheveld worden naar degenen die bij hen in loondienst zijn.
Dan zijn er ook nog de ongeorganiseerde arbeiders in de stad, zij die aan de rand van de georganiseerde arbeidersbeweging staan en - misschien de belangrijkste van allemaal - de beroepscategorieën die in het verleden alle streven naar economische macht hebben afgezworen. Onderwijzers, intellectuelen, gemeente- en rijksambtenaren hebben over het algemeen vermeden zich te organiseren als iets dat niet helemaal netjes was; ook omdat men geloofde dat werkgevers en de samenleving als geheel hun belangrijkheid wel zouden erkennen en hen dienovereenkomstig zouden betalen. (p. 148-149)
Galbraith was in die tijd een zeer invloedrijke econoom. Overheden namen zijn lessen ter harte.

Lessen die na de opkomst van het neo-liberalisme in de jaren 80 van de vorige eeuw weer werden vergeten. Of wetens en willens aan de kant werden gezet.

Ook dat was een episode in de onophoudelijke strijd om waar we met zijn allen met de maatschappij naartoe willen: meer of juist minder democratie, verzorgingsstaat, gelijkberechtiging en mensenrechten.

donderdag 13 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 13 - Over gelijkheid, klassenstrijd, tegengestelde machten en de actualiteit van John Kenneth Galbraith

Als gelijkheid zo cruciaal is voor de democratie (zie het vorige bericht in deze reeks), dan is het op zijn minst een van de belangrijkste opgaven voor de democratische overheid om gelijkheid te bevorderen. Daarbij gaat het uiteraard niet om gelijkheid als eenvormigheid, maar om gelijkheid in economische levenskansen en bestaanszekerheid en daarmee in de vrijwaring van onderdrukking en vernedering.

We zien ook dat veel van het overheidsbeleid (mede) gericht is op gelijkheidsbevordering. Denk alleen maar aan het onderwijsbeleid, de gezondheidszorg, de sociale zekerheid en de progressieve belastingheffing.

Maar er is daarnaast ook het beleid dat erop gericht is om op de markt gegroeide machtsposities te neutraliseren door het bevorderen van tegengestelde machtsposities. Dan komen we op het terrein van de leer van de countervailing powers, die John Kenneth Galbraith na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde (zie het elfde bericht in deze reeks).

Volgens die leer is het wel degelijk mogelijk dat op een markt machtsposities ontstaan en blijven bestaan. Als die niet als vanzelf een tegenmacht oproepen, zoals de vakbeweging tegen de macht van de werkgevers, is het zaak voor de overheid om zo'n tegenmacht te bevorderen.

Volgens de redenering die we in deze reeks van berichten volgen, is zo'n beleid gemotiveerd door onze morele gemeenschapsintuïties. Die ons ertoe brengen om onderlinge verbondenheid te benadrukken (iedereen telt mee) en rechtvaardige verhoudingen en onderlinge samenwerking als wenselijk te zien.

Waarbij we ons realiseren dat de menselijke sociale natuur ambivalent is en dat er dus altijd een strijd zal zijn met onze neigingen tot statuscompetitie en dus tot het willen overheersen van anderen. Die strijd is deels een innerlijke strijd en deels, doordat mensen verschillen, een interpersonele, zeg maar politieke, strijd.
Hier ligt, bedenk ik me nu, enige overeenkomst met wat Karl Marx (1818 - 1883) dacht over de menselijke soort (das Gattungswesen), die volgens hem een innerlijke drijfveer heeft om de communistische gemeenschap na te streven, maar dat doel alleen langs de weg van de klassenstrijd kan bereiken.
Ik vroeg me af wat er bij Galbraith is te vinden over de motivering achter zijn theorie van de tegengestelde machten.  Ik geef hieronder een aantal citaten door die in dat verband interessant zijn (uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism, de Aula-pocket editie van 1965).
Het scheppen van een tegenwicht tegen alle machtsposities op een markt is op z'n minst theoretisch te rechtvaardigen. (p. 138)
Men zal het er zeker over eens zijn dat in deze eeuw het politieke en economische leven in Amerika aan kracht gewonnen heeft als gevolg van de verbeterde positie van arbeiders en boeren - twee belangrijke en vroeger achtergestelde groepen. Een kleine vijftig jaar geleden werden de arbeidsverhoudingen in Amerika gekarakteriseerd door gemelijkheid, haat en angst. De houding van de boeren onderscheidde zich door diep gewortelde gevoelens van onveiligheid en minderwaardigheid. (...) Arbeiders en boeren leefden in het besef dat zij hoe dan ook onderworpen waren aan de macht van anderen. Het was daardoor onvermijdelijk dat met het tot ontwikkeling komen van tegengestelde machtsposities deze gevoelens zouden veranderen, en dat gebeurde dan ook. In plaats van minderwaardigheids- en onveiligheidsgevoelens kwam er een goed ontwikkeld besef van gelijkwaardigheid en zelfvertrouwen.(...)
Harmonische sociale verhoudingen lijken een aannemelijke doelstelling. Het lijkt bevorderlijk voor het algemeen welzijn dat er op een gegeven moment niet een openlijke of onderdrukte revolutie ontstaat. Verandering en vernieuwing, die als voornaamste doel het verminderen van sociale spanningen hebben, zijn in de economie echter niet erg in tel, althans niet bij hen die zich helemaal richten op het concurrentiemodel als maatschappelijke norm. Er zijn sommigen die wel een beetje onrust willen accepteren als dat dienstig kan zijn voor zo'n bewonderenswaardig doel. Voor anderen is dit niet iets waar de economen zich druk over moeten maken. Zij kunnen het straatoproer gadeslaan vanuit hun vensters. (p. 145-6) 
En ik herken daarin zowel het gemeenschapsstreven (harmonische sociale verhoudingen, verminderen van sociale spanningen) als het idee van een strijd die gevoerd moet worden (met de aanhangers van het concurrentiemodel, die wel wat onrust willen accepteren, omdat ze die veilig van achter hun vensters kunnen gadeslaan).

Tot slot van dit bericht kan ik de verleiding niet weerstaan om een passage te citeren waarin Galbraith de toenmalige toestand in de Verenigde Staten beschrijft die bestond door het nog ontbreken van tegengestelde machtsposities. Want hoewel allerlei omstandigheden verschillen, we hebben het over de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw, zou die beschrijving met enige aanpassingen (vervang de arbeiders uit die tijd door de Amazon-werknemers van nu) ook zo maar kunnen slaan op wat wij nu, in 2018, meemaken.
Er zijn nog enkele miljoenen Amerikanen die over geen enkele organisatie beschikken om zich op de markt te doen gelden en wier levensstandaard en welvaart duidelijk blijk geven van de gevolgen daarvan. Hierbij zijn bijvoorbeeld een twee miljoen landarbeiders inbegrepen, de volkomen vergetenen in Amerika. Zij kennen geen enkele sociale zekerheid in hun werk - er zijn maar weinigen die niet per dag opgezegd kunnen worden. Ze genieten slechts in beperkte mate de voordelen van sociale zekerheid; gewoonlijk worden ze niet beschermd door een compensatie voor wat een nogal riskant beroep is; velen hebben geen vaste verblijfplaats; wat hun betaald wordt, is verre van fraai. Een aandeel in de winsten uit de recent ontwikkelde machtspositie van de boeren op de markt moet nog overgeheveld worden naar degenen die bij hen in loondienst zijn.
Dan zijn er ook nog de ongeorganiseerde arbeiders in de stad, zij die aan de rand van de georganiseerde arbeidersbeweging staan en - misschien de belangrijkste van allemaal - de beroepscategorieën die in het verleden alle streven naar economische macht hebben afgezworen. Onderwijzers, intellectuelen, gemeente- en rijksambtenaren hebben over het algemeen vermeden zich te organiseren als iets dat niet helemaal netjes was; ook omdat men geloofde dat werkgevers en de samenleving als geheel hun belangrijkheid wel zouden erkennen en hen dienovereenkomstig zouden betalen. (p. 148-149)
Galbraith was in die tijd een zeer invloedrijke econoom. Overheden namen zijn lessen ter harte.

Lessen die na de opkomst van het neo-liberalisme in de jaren 80 van de vorige eeuw weer werden vergeten. Of wetens en willens aan de kant werden gezet.

Ook dat was een episode in de onophoudelijke strijd om waar we met zijn allen met de maatschappij naartoe willen: meer of juist minder democratie, verzorgingsstaat, gelijkberechtiging en mensenrechten.

dinsdag 11 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 12 - De strijd om de democratie is de strijd voor gelijkheid

Zal de sinds de jaren 80 van de vorige eeuw sterk toegenomen ongelijkheid ons verhinderen om de derde stap van de mensheidsgeschiedenis, die naar democratie, gelijkberechtiging, verzorgingsstaat en mensenrechten, te voltooien? Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Waarom is die ongelijkheid de grote hinderpaal? Een antwoord op die vraag komt naar voren als je bedenkt dat die derde stap een collectieve poging is om onze samenlevingen en de internationale orde vorm te geven langs de lijnen van onze morele gemeenschapsintuïties. De intuïties die ons er in de lange periode van de jagers-verzamelaarssamenlevingen toe brachten om samen te werken en te delen.

Maar die jagers-verzamelaarssamenlevingen waren, als voorwaarde en als uitkomst, sterk egalitair. Alleen bij een grote mate van gelijkheid lukt het om samen te werken en te delen. En door dat samenwerken en delen en daarmee gelijk op de altijd sluimerende neigingen tot statuscompetitie en het vestigen van een statushiërarchie te onderdrukken, bleef die gelijkheid in stand.

Diezelfde morele intuïties motiveren ons om nu al ruim een eeuw te streven naar democratie, verzorgingsstaat, gelijkberechtiging en mensenrechten, de vier wenselijkheden die nauw met elkaar zijn verbonden. En dat is zo gekomen doordat de Industriële Revolutie de vraag naar geschoolde arbeid deed toenemen, een beweging die de voorwaarden schiep voor een toename van gelijkheid en dus voor de wens naar democratie en wat daarmee samenhangt.

De achterliggende gedachte is dus dat gelijkheid de cruciale factor is die de beweging richting de democratie in werking stelt. En dat diezelfde democratie ervoor zorgt dat gelijkheid in stand blijft.

Dat betekent dat de strijd die we nu gevoerd zien worden voor de democratie samenvalt met de strijd voor gelijkheid. En dat de tegenstanders in die strijd degenen zijn die die gelijkheid juist niet willen. Die zich ertegen verzetten omdat ze zichzelf zien als verheven boven anderen. Boven anderen die niet dezelfde voorrechten behoren te hebben als zijzelf.

Degenen dus bij wie het statuscompetitiepatroon overheerst boven het gemeenschapspatroon. Zie de berichten achter het label Dual-Mode theorie, in het bijzonder:

zondag 9 december 2018

Zondagochtendmuziek - Pletterij Muziek - Instant Composers Pool Orchestra - 17 mei 2018

Onderhoudend, ontregelend en o zo muzikaal: gisteravond in Club Nine in het Utrechtse TivoliVredenburg speelde het Instant Composers Pool Orchestra.

Vooral stukken van oprichter Misha Mengelberg, maar ook van Thelonious Monk, Herby Nichols, Guus Janssen en Thomas Heberer.

Een uniek stel muzikanten bij elkaar. Voor niet-ingewijden: lees hier meer over de geschiedenis van het orkest en over de musici.

Dit is een opname van een optreden eerder dit jaar. Twee uur plezier.

donderdag 6 december 2018

Narcisten hebben niet zoveel met democratie - Over narcistische leiders en narcistische kiezers

We zitten middenin de derde stap van de mensheidsgeschiedenis, waarin het erom zal spannen of de democratie, de verzorgingsstaat, de gelijkberechtiging en de mensenrechten zich zullen weten te handhaven. Zie hier het laatste bericht van de reeks over die drie stappen.

De democratie is een vorm van staatsinrichting die waarborgen in zich bergt om te grote machtsongelijkheid tegen te gaan. Waarborgen die je kunt samenvatten in de scheiding der machten (trias politica): de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. Die er onder meer voor zorgt dat de bekleders van de uitvoerende macht (de regering of de president) bij verkiezingen naar huis kunnen worden gestuurd.

Eigenlijk kun je die scheiding der machten, weliswaar anachronistisch, zien als een toepassing van de leer van de tegengestelde machten van John Kenneth Galbraith. (Anachronistisch omdat de trias politica teruggaat tot de Franse Verlichtingsfilosoof en -socioloog Montesquieu.) Machten in een democratische staatsvorm hebben altijd een tegenmacht nodig of, anders gezegd, niet alle macht mag in één instantie of één persoon geconcentreerd zijn.

Of dit belangrijke inzicht zich zal weten te handhaven, hangt ervan of het tegen allerlei bedreigingen opgewassen is. Een van die bedreigingen bestaat eruit dat grote nationale of internationale machtsongelijkheid tussen private partijen ertoe kan leiden dat de democratie wordt "opgekocht" door het Grote Geld. Door beïnvloeding van de verkiezingen of meer rechtstreeks door omkoping en corruptie. Welnu, dat zien we dagelijks in het nieuws.

Een andere bedreiging is dat er ook in een democratie een persoon aan de macht kan komen die qua persoonlijkheid niet goed bij machte is om binnen de beperkingen van die scheiding der machten te functioneren. We hebben het dan over de narcistische persoonlijkheid. Zie hier voor de DSM IV beschrijving van de narcistische persoonlijkheidsstoornis.

In de recente geschiedenis is de opkomst van het Hitler-bewind in het Duitsland van de jaren 30 van de vorige eeuw wel het meest in het oog springende voorbeeld van die bedreiging. Zie het bericht Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken: de persoon voor Sebastian Haffners beschrijving van Hitlers narcisme, door Haffner bindingsangst genoemd. Met daarin dit Haffner-citaat:
... een totaal gebrek aan vermogen tot zelfkritiek. Hitler was zijn hele leven lang buitengewoon met zichzelf ingenomen en daardoor altijd tot zelfoverschatting geneigd. Stalin en Mao hebben de cultus rond hun persoonlijkheid gebruikt als een politiek instrument, zonder zichzelf een rad voor de ogen te laten draaien. Hitler was niet alleen het onderwerp van de Hitlercultus, hij was er ook de vroegste, hardnekkigste en vurigste aanhanger van.
Dit extreme narcisme maakte het voor hem ondenkbaar dat hij de beperkingen van de democratische staatsinrichting zou kunnen accepteren. Vandaar dat hij toen hij eenmaal aan de macht was, de grondwet afschafte en een persoonlijke statushiërarchie creëerde met hemzelf als Führer aan de de top.

Maar nu, in 2018, maken we in de Verenigde Staten (en in sommige andere landen) een episode in de geschiedenis van de democratie mee die daar enigszins op lijkt. De narcist Donald (I'm a Stable Genius) Trump heeft immers ook duidelijk grote moeite met de democratische beperkingen die aan zijn positie en aan zijn gedrag zijn gesteld. (Zie ook het bericht Trump en Hitler.) Of hij daarmee wegkomt, of dat hij het hoofd moet buigen voor het ingrijpen van de rechterlijke macht (Speciaal Aanklager Robert Mueller) en de wetgevende macht (het nieuwe Huis van Afgevaardigden in januari), dat zal de komende dagen, weken of maanden duidelijk worden. De tijden zijn spannender dan je zou willen. Update. Correctie: De Speciaal Aanklager Robert Mueller is natuurlijk niet onderdeel van de rechterlijke macht, maar van wat wij het Openbaar Ministerie noemen.

Het zou kunnen zijn dat je die onverenigbaarheid van narcisme en democratie niet alleen aantreft bij narcisten die aan de macht zijn gekomen, maar ook bij narcistische kiezers. Zou de steun voor de democratie bij narcisten geringer zijn? Je zou dat kunnen denken omdat narcisten het niet goed zouden kunnen verdragen om zich bij een meerderheidsbesluit neer te leggen als ze zelf tot de verliezende minderheid behoren.

De nieuwe studie My way or the highway: High narcissism and low self‐esteem predict decreased support for democracy verschaft aanwijzingen in die richting. Bij twee groepen respondenten, een in de Verenigde Staten en een in Polen, bleek dat narcisme samenhing met minder steun voor de democratie. Bovendien bleek een deel van dat verband verklaard te kunnen worden met de mate van vertrouwen in andere mensen (interpersoneel vertrouwen). Narcisten hebben minder vertrouwen in anderen en dat geringere vertrouwen in andere mensen gaat weer samen met minder steun voor de democratie.

Kortom, of de democratie uiteindelijk zal weten te overwinnen hangt er mede vanaf of we het narcisme als persoonlijkheidstrek met zijn allen voldoende weten te onderdrukken.

dinsdag 4 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 11 - Ongelijkheid is ook altijd machtsongelijkheid en macht heeft tegenmacht nodig

We zijn bij de derde stap van de mensheidsgeschiedenis aangekomen. De stap richting de democratie, de gelijkberechtiging, de verzorgingsstaat en de mensenrechten. Maar of de mensheid in staat zal zijn om die stap te voltooien is bepaald nog niet zeker. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Het allesoverheersende probleem waar we mee geconfronteerd worden is dat van de sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw sterk toegenomen ongelijkheid.

Er zijn al talloze rapporten en artikelen en boeken verschenen die die toename documenteren. Ik verwijs nu maar even naar het eerder op dit blog verschenen bericht Was de explosie van CEO-beloningen een kwestie van normverandering?

Daarin zie je voor de Verenigde Staten een grafiek van hoe de beloningen van de ondernemingsbestuurders (CEO's) zich ontwikkelden in vergelijking met de van de gewone werknemers. Je ziet de plotselinge en sterke stijging van die ratio eind jaren tachtig, waarna er fluctuaties optreden die samenhangen met het barsten van de internetzeepbel (1997 - 2000) en de Grote Financiële Crisis van 2008 - 2010). Die er op wijzen dat de economie met de toename van de ongelijkheid instabieler werd. De grafiek eindigt in 2011, toen de CEO's bijna 300 maal meer verdienden dan de gewone werknemer, vergeleken met 20 maal zoveel in de jaren 60 en 70.

In datzelfde bericht zie je ook een veelzeggend plaatje dat iets zegt over de oorzaken van die sterke toename van de ongelijkheid. De grafiek namelijk die laat zien hoe de marginale belastingtarieven van de hoogste inkomens zich ontwikkelden tussen 1916 en 2011. Je ziet dat het tarief voor de inkomstenbelasting in de jaren 50, 60 en 70 nog op 90 procent lagen, maar daarna stapsgewijs en snel halveerden. In ieder geval een deel van die toegenomen ongelijkheid is dus een gevolg geweest van bewust beleid. Het neoliberale beleid dat meer ongelijkheid juist goed zou zijn voor iedereen.

Grote ongelijkheid bergt grote gevaren in zich, doordat er processen optreden die maken dat die ontwikkeling onomkeerbaar wordt. Ik heb ze opgesomd in het bericht Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten.

Een van die gevaren is dat ongelijkheid altijd ook machtsongelijkheid is. En machtsongelijkheid vormt uiteraard een bedreiging voor de democratie en de gelijkberechtiging. De verleiding van machtigen om hun macht uit te oefenen ter behartiging van hun eigen belangen is over het algemeen onweerstaanbaar.

Vandaar dat John Kenneth Galbraith in de jaren 50 van de vorige eeuw zijn, nu nagenoeg vergeten, maar wel heel actuele, theorie van de tegengestelde machten (countervailing powers) ontwikkelde. Je kunt zijn betoog lezen alsof het nu geschreven is.

Als je naar "reëel bestaande" markten kijkt, in tegenstelling tot de markten met volledige concurrentie uit sommige leerboeken, dan zie je dat daar machtsconcentraties kunnen optreden. Die kunnen soms als vanzelf een tegengestelde macht oproepen, maar dat is niet gegarandeerd. Als dat niet zo is, dan ligt daar een taak voor de overheid. Meer daarover in het volgende bericht, maar nu alvast Galbraith zelf aan het woord (geciteerd uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism):
Aangezien het verschijnsel der tegengestelde (vind ik beter dan het "contrasterende" van de vertaler) machtsposities van groot praktisch belang is, ook al vond het lange tijd in de economische en politieke theorie geen erkenning, zouden we, in overeenstemming met onze sterk pragmatische benadering, van de overheid verwachten dat zo'n machtspositie voorwerp zou zijn van een groot stuk wetgeving en overheidsbeleid. (...)
In feite is in de moderne tijd het steunen van tegengestelde machtsposities misschien wel de voornaamste binnenlandse taak in vredestijd geworden van de federale regering.
Dat komt nogal actueel over, nu de Verenigde Staten worstelen met een groot monopolieprobleem:
The Monopolization of America

En dan hebben we het nog niet eens over de macht van de grote internationale ondernemingen: Break up Facebook (and while we're at it, Google, Apple and Amazon).

zondag 2 december 2018

Zondagochtendmuziek - Neil Young - The Losing End (Official Audio)

Van Anton Bruckner (1824 - 1896) vorige week naar Neil Young (1945 - ) nu, dat is voor een gewone muziekliefhebber niet zo'n grote stap. Muziek gaat over emoties en geeft uitdrukking aan emoties die je in taal maar beperkt vorm kunt geven. En bij zowel Bruckner als bij Neil Young gaat het over zulke emoties.

Ik heb de muzikale carrière en biografie van Neil Young niet altijd even goed gevolgd. Was onder de indruk toen ik net de wikipedia-pagina doorlas. Maar zo nu en dan kwam hij voorbij en dan was ik eigenlijk altijd ontroerd.

Gisteren de nieuwe live- cd Songs for Judy beluisterd. 23 korte nummers, opnames van een solo akoestische tour in 1976, het ene nog mooier dan het andere. Hier The Losing end.