Posts tonen met het label emotionele zelf-regulatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label emotionele zelf-regulatie. Alle posts tonen

vrijdag 14 april 2017

Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? Over interpersonele autonome synchronie

Mensen zijn fundamenteel sociaal. In de zin dat de spontane activiteit in onze hersenen in een toestand van rust, ons er op voorbereidt om snel de bedoelingen van andere mensen te begrijpen. De spontane activiteit in het zogenaamde default- (terugval-)netwerk van onze hersenen als we geen prikkels van buiten krijgen, "zorgt er voor" dat we voorbereid zijn (geprimed zijn) op een intentionele houding tegenover mensen. Dat is de uitkomst van de studie The Default Mode of Human Brain Function Primes the Intentional Stance (pdf).
Zo begon het bericht Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? van al weer meer dan een jaar geleden. Nu kreeg ik de studie Interpersonal Autonomic Physiology: A Systematic Review of the Literature onder ogen, die verslag doet van een review van onderzoek naar interpersonele fysiologische synchronie.

Het is een uitgebreide studie die ik hier niet volledig kan samenvatten, al was het maar doordat ik maar beperkt op de vereiste deskundigheid kan terugvallen. Maar ik maak er hier wel melding van omdat het fascinerende lectuur is. En omdat het een ander aspect betreft van hoe fundamenteel sociaal wij zijn dan waar het in dat vorige bericht over ging.

Ultrakort samengevat gaat het om onderzoek dat er op wijst dat de werking van ons autonome zenuwstelsel er toe neigt om synchroon te gaan lopen met dat van anderen, vooral met anderen die ons vertrouwd zijn. Dat autonome zenuwstelsel bestaat uit het sympathische systeem dat ons activeert als dat nodig lijkt (fight or flight) en het parasympathische systeem dat gericht is op rust en herstel (rest and digest). Die twee systemen zijn op elkaar afgestemd en maken het ons mogelijk om, meestal adequaat, te anticiperen en te reageren op uitdagingen zonder dat we daar bewust bij hoeven na te denken.

Veel onderzoek laat dus zien dat de werking van dat autonome zenuwstelsel, gemeten aan maten als hartslag, hartslagvariabiliteit, ademhaling, huidweerstand en huidtemperatuur, synchroon gaat lopen met die van anderen die in onze nabijheid zijn. En naar het lijkt meer met die van vertrouwden dan met (nog) vreemden.

En die mate van synchronie lijkt weer samen te hangen met onderlinge empathie en wederzijds vertrouwen. Dat wil zeggen, onderzoek naar die synchronie tussen therapeut en cliënt, tussen echtparen, tussen ouders en kind en tussen teamgenoten lijkt daar op te wijzen. Waarschijnlijk kun je die synchronie beschouwen als het fysiologische substraat van hechtingsprocessen.

En er lijkt een verband te zijn met de omstandigheid dat wij maar beperkt in staat zijn om onze emoties individueel goed te reguleren. Denk aan Verbondenheid met anderen beschermt tegen zwakke emotionele zelf-regulering en We verbeteren onze emotionele zelfregulering door anderen in hun zelfregulering bij te staan.

Want bij dat autonome zenuwstelsel gaat het natuurlijk over onze emoties. En als we dus die synchronie met anderen ontberen, dan zijn we voor het handhaven van ons emotionele evenwicht geheel op onszelf teruggeworpen.

En dat leert weer veel over waarom we sociaal isolement snel als een gevoel van eenzaamheid en als stressvol ervaren. Update. En het doet vermoedens rijzen over wat de vluchtigheid van sociale relaties voor ons betekent. Zie Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid.

In dat verband kwam ik via de referenties terecht op de interessante studie Relationships as Regulators van Tiffany Field. Daarover misschien een andere keer. Hier al vast de Abstract:
This paper reviews the Hofer (1984, 1996) and Field (1985, 1994) models on relationships as regulators, suggesting that relationships regulate optimal stimulation and thereby modulate arousal levels and attenuate stress. In these models, the behavioral, physiological and biochemical rhythms of individuals become synchronized within close relationships like mother-infant and peer relationships both in human and animal species, and they become more coordinated over time, with some potentially remaining stable, much like zeitgebers. Hofer supports his model by data on infant rat separation stress and Field describes “psychobiological attunement” between human infants and their mothers and between young peers. This review revisits the “relationships as regulators” model, summarizing studies on relationships between non-depressed versus depressed mothers and their infants, between infant, preschool and preadolescent friends versus acquaintances and between happily versus unhappily married couples. Although some behavioral and physiological data support Hofer’s and Field’s “relationships as regulators” model, many studies on relationships have focused instead on the effects of separation or loss. Both Hofer and Field suggest that the real question is “what was there about the relationship that was then missing after the loss?” Future research could address the question of potential mediators and underlying mechanisms for relationships becoming regulators. Potential mediators are explored here including mirror neurons, affective priming, imitation and empathy. The individuals’ rhythms and the attraction to others’ rhythms as regulators may be an epigenetic programming phenomenon, suggesting both genetic and early experience effects that endure across development.

woensdag 29 maart 2017

We verbeteren onze emotionele zelfregulering door anderen in hun zelfregulering bij te staan

Mensen zijn fundamenteel sociaal en van nature goed in de zin dat ons brein door de evolutie zo is "ontworpen" dat het er op is voorbereid om te functioneren in een behoorlijk stabiel netwerk van sociale relaties gekenmerkt door vertrouwdheid, gedeelde intentionaliteit en onderlinge afhankelijkheid. Anders gezegd, het menselijk brein is er op ingesteld om met vertrouwde anderen samen te werken en te delen.

Dat betekent onder meer ook dat wij erop zijn ingesteld om uitdagingen, gevaren en bedreigingen niet in ons eentje het hoofd hoeven te bieden. Een samen met vertrouwde anderen ervaren bedreiging doet ons emotioneel minder "op tilt slaan" dan wanneer we er alleen voor staan. (Een mooi overzicht en uitwerking van deze inzichten vind je in Social Baseline Theory: The Social regulation of Risk and Effort van James A. Coan en David A. Sbarra.)

Maar ja, we brengen ons leven al lang niet meer door in zo'n stabiel netwerk van vertrouwde relaties. Sinds de landbouwrevolutie hebben we te maken met de mismatch tussen ons sociale brein en de aard van de omgeving waarin we terechtkomen. En daardoor staan we er wel vaak alleen voor als we geconfronteerd worden met bedreigingen en uitdagingen. Waardoor we vaker in situaties terechtkomen waarin we emotioneel op tilt slaan.

Of dreigen te slaan, want wat blijkt, mensen verschillen in de mate waarin ze in staat zijn tot emotionele zelfregulatie. Sommigen zijn er beter in dan anderen om te beïnvloeden hoe ze zich voelen, om positieve emoties in stand te houden of te versterken en om negatieve emoties te verminderen.

Degenen die er beter in zijn zijn meer "actie-georiënteerd", ze vertrouwen erop dat ze hun emoties zelf, actief kunnen beïnvloeden. Ze zetten zich sneller over tegenslag heen en blijven minder piekeren dan de "toestand-georiënteerden". Zie daarover verder Verbondenheid met anderen beschermt tegen zwakke emotionele zelf-regulering.

In dat bericht zagen we echter al dat verbondenheid met anderen emotionele zelfregulering gemakkelijker maakt, vooral voor degenen die daar vanwege hun toestand-georiënteerdheid slecht in zijn. Anders gezegd: als we allemaal maar genoeg met anderen verbonden waren, als die mismatch niet zou bestaan, dan zou dat verschil in emotionele zelfregulatie nooit aan het licht komen.

Het nieuwe onderzoek Helping Others Regulate Emotion Predicts Increased Regulation of One’s Own Emotions and Decreased Symptoms of Depression wijst in zekere zin in dezelfde richting. Het blijkt namelijk dat jouw emotionele zelfregulering er beter van wordt als je anderen bij hun zelfregulering hebt geholpen. Waarbij dat helpen eruit bestaat dat je accepteert hoe de ander zich voelt en laat weten dat je meeleeft (acceptance) en dat je suggesties doet om anders na te denken over de bedreigingen (reappraisal).

Via de omweg van dat helpen van anderen, lijk je dus meer inzicht te krijgen in wat nodig is om je eigen emoties te reguleren. En uit het onderzoek blijkt dat je daardoor weer minder last hebt van depressieve symptomen.

Kortom, doordat we er meer alleen voor staan dan waar ons brein op is voorbereid, komt het meer aan op onze vermogens tot emotionele zelfregulering. Maar relaties met anderen kunnen ons daar dan toch weer bij helpen doordat ze ons de gelegenheid bieden om hen bij te staan.

Emotionele zelfregulering is kennelijk een door en door sociaal proces.

woensdag 3 december 2014

De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren

Als je over anderen bezorgd bent en hen te hulp schiet, dan gebeurt er niet alleen iets in je hoofd, maar ook in een groot deel van je lichaam. Anders gezegd, pro-sociaal gedrag is belichaamd. Hoe zit dat dan in elkaar?

De studie Vagal Activity Is Quadratically Related to Prosocial Traits, Prosocial Emotions, and Observer Perceptions of Prosociality leert ons dat pro-sociaal gedrag te maken heeft met de activiteit van de nervus vagus, ook wel de zwerfzenuw genoemd. Die zenuw ontspringt uit de hersenen en vertakt zich naar het hoofd (o.a. strottenhoofd en stembanden) en naar de ingewanden van de borst- en buikholte. Het is de belangrijkste parasympathische zenuw van het autonome zenuwstelsel (zie Wikipedia).

De activiteit van die zenuw kun je afmeten aan de hartslag en de hartslagvariabiliteit. Als je hartslag lager is en de variabiliteit hoger, dan is je nervus vagus gematigd geactiveerd. Je bent dan in een toestand die je als veilig ervaart, ook wel aangeduid met rest and digest. Je bent kalm en rustig en je autonome zenuwstelsel kan zijn gewone werk doen, zoals spijsvertering. Het tegengestelde van paniek (fight of flight), zou je kunnen zeggen.

Dat betekent dat je in die toestand goed in staat bent om je emoties te reguleren en dus om adequaat te reageren op een stressvolle gebeurtenis. Bovendien worden je stembanden, je ogen en oren en je gezichtsspieren zo gereguleerd dat je gemakkelijker sociaal communiceert en emotioneel betrokken bent bij anderen.

Let wel, dat geldt voor een gematigd verhoogde activering van die nervus vagus. Een sterk verlaagde activering gaat samen met depressie, angststoornis en posttraumatische stress. En een te sterk verhoogde activiteit betekent dat je een manische periode doormaakt.

Maar precies die toestand van gematigde activering blijkt nu de toestand te zijn waarin je gemakkelijk anderen te hulp schiet. Waarin pro-sociaal gedrag wordt bevorderd. Anders gezegd, als uit hartslagmetingen die gematigde activering blijkt, dan is de kans groot dat je met iemand te maken hebt die hulpvaardig is en zich betrokken voelt bij anderen. In termen van persoonlijkheid: een aardiger persoon (agreeableness). Die bovendien meer compassie voelt voor anderen en gevoelens van dankbaarheid koestert.

Als pro-sociaal gedrag op deze wijze belichaamd is, valt dat dan ook door anderen waar te nemen?

En ja, dat blijkt het geval te zijn. De onderzoekers lieten beoordelaars videoclips zien van personen die face-to-face naar iemand luisterden die vertelde over een emotioneel pijnlijke ervaring. Zonder geluid, om het effect van de inhoud van het verhaal uit te schakelen. De beoordelaars keken dus naar de toehoorder. De clips duurden slechts 20 seconden. Vlak voor dat de clips waren opgenomen, was er een hartslagmeting gedaan bij degenen die naar het verhaal luisterden.

De beoordelaars, die uiteraard niet van de uitslag van die hartslagmetingen op de hoogte waren, moesten de personen beoordelen op hoe betrouwbaar (trustworthy), mededogend (compassionate) en aardig (kind) ze de persoon vonden. Die drie oordelen hingen sterk samen en werden gebruikt als maat voor pro-socialiteit. Het bleek toen dat het verband tussen de hartslagmeting en de waargenomen pro-socialiteit zoals verwacht curvilineair was. Degenen met een gematigd verhoogde activiteit van de nervus vagus werden als pro-socialer beoordeeld dan degenen met een verlaagde of sterk verhoogde activiteit. De lichamelijkheid "zorgde er voor" dat de mate van pro-socialiteit binnen 20 seconden kon worden afgelezen.

Al met al dus sterke aanwijzingen dat pro-sociaal gedrag belichaamd is. En het blijkt dus precies die lichamelijke toestand te zijn die optreedt in omstandigheden van veiligheid, waarin mensen pro-sociaal zijn. Je hebt dan een evenwicht tussen aan de ene kant het meeleven met de pijn van de ander (empathie) en aan de andere kant het vermogen om de eigen negatieve gevoelens die je daardoor hebt, goed te reguleren.

Waardoor je niet door negatieve emoties overmand wordt en vooral met je zelf bezig bent. Waardoor je bijvoorbeeld zou besluiten om je van het lijden van de ander af te sluiten. In de trant van "Ik kan het niet langer aanzien". Nee, je bent in staat om die emoties om te zetten in een pro-sociale reactie: je schiet te hulp en/of je biedt troost.

En eigenlijk leren we daarvan hoe het kan dat pro-sociaal gedrag pro-sociaal gedrag uitlokt.

Want dat wisten we: hoe meer pro-sociaal gedrag mensen in hun omgeving meemaken, hoe groter de kans dat ze zichzelf ook pro-sociaal gaan gedragen. Denk nog even terug aan de Dual Mode-theorie, die ik voor het eerst hier besprak. Mensen zijn in staat tot gemeenschapsgedrag (pro-sociaal) of tot statuscompetitiegedrag en "kiezen" voor dat gedrag dat in hun sociale omgeving het meest voorkomt.

En wat is het geval? Hoe meer jij omgeven bent door anderen die zich pro-sociaal gedragen, hoe veiliger die omgeving voor jou is. En dat gevoel van veiligheid is een belichaamd gevoel, een lichamelijke toestand dus die gemakkelijk tot pro-sociaal gedrag leidt.

Pro-sociaal gedrag creëert veiligheid voor anderen, waardoor ook die anderen zich pro-sociaal gaan gedragen.

woensdag 10 september 2014

Mensen met burnout kunnen minder goed met negatieve emoties omgaan - Wat zegt dat over werkomstandigheden?

Waardoor krijg je een burn-out en wie krijgt een burn-out? Onderzoekers vergeleken het vermogen om met negatieve emoties om te gaan van werknemers met een diagnose van burn-out met vergelijkbare, gezonde werknemers zonder burn-out. Zie de studie The Influence of Work-Related Chronic Stress on the Regulation of Emotion and on Functional Connectivity in the Brain. Degenen met burn-out waren er slecht aan toe. Ze hadden al tenminste een jaar lang klachten en waren tenminste een half jaar ziek thuis. Bovendien was vastgesteld dat de klachten door het werk waren veroorzaakt.

Uit de vergelijking bleek dat burn-out samengaat met een verminderd vermogen om goed met negatieve emoties om te gaan. Bij het zien van negatief emotioneel geladen afbeeldingen reageerden de burn-out patiënten heftiger. En uit hersenscans (fMRI) bleek dat ze een lagere functionele verbondenheid hadden tussen de amygdala en de delen van de prefrontale cortex, het circuit dat een centrale rol speelt bij de verwerking van weerzinwekkende prikkels en regulatie van angst. Ze bleken dus minder goed bestand te zijn tegen prikkels die sterk negatief geladen emoties oproepen.

Dit kan betekenen dat deze werknemers al kwetsbaarder waren toen ze aan hun arbeidsloopbaan begonnen. En dat hun werkomstandigheden voor hen te stressvol zijn geweest. Terwijl hun minder kwetsbare collega's daar geen last van hadden.

Maar het kan ook betekenen dat bij voortduring stressvolle werkomstandigheden er toe leiden dat je vermogen om negatieve emoties goed te reguleren vermindert. Je circuit voor de goede verwerking van negatieve emoties wordt als het ware overbelast. Vandaar dat burn-out ook wel emotionele uitputting wordt genoemd. Hoe sterk je misschien ook in je schoenen staat, op den duur ga je er onder door.

De onderzoekers laten beide mogelijkheden open, maar noemen onderzoek dat de tweede interpretatie ondersteunt, dus die van de emotionele uitputting.

War zegt dit over de aard van de werkomstandigheden die tot burn-out kunnen leiden? Die moet zodanig zijn dat werknemers veel met prikkels in aanraking komen die negatieve emoties opwekken. Gekoeioneerd worden door je baas. Getreiterd worden door je collega's. Overbelast zijn met taken, zodat je nooit het gevoel hebt dat je je werk goed doet. Niet genoeg zorg kunnen besteden aan je cliënten. En daar dus niets aan kunnen veranderen. Niet een andere baas of andere collega's kunnen kiezen. Niet je werkbelasting kunnen beïnvloeden.

Dat dat alles gemakkelijk leidt tot emotionele uitputting, verbaast niet als je bedenkt dat een gevoel van autonomie een van de drie fundamentele levensbehoeften is, volgens de zelfbeschikkingstheorie van Deci en Ryan.

Dat gevoel van autonomie, het gevoel dat jezelf iets aan je lot kunt veranderen, is in het verleden voor onze overleving belangrijk geweest. Maar nu bevinden we ons in een, laten we zeggen, kapitalistische maatschappij, waarin je voor je overleving bent aangewezen op het verrichten van betaalde arbeid. Waarin je je ondergeschikt moet maken aan werkomstandigheden die extern worden bepaald. Natuurlijk leven we niet meer in de 19e eeuw, maar het woord loonslaaf, is dat helemaal niet meer actueel?

En dat klopt met wat we weten over de werkomstandigheden waarin burn-out het meeste voorkomt. Burn-out komt bij zo'n 13 procent van de werknemers voor. Maar het komt meer voor bij hoge werkdruk en een slecht sociaal klimaat.

Hoe komt het toch dat we nog altijd met zulke negatieve werkomstandigheden te maken kunnen hebben? Dat is toch niet onvermijdelijk? Update. Zie nu het vervolg op dit bericht.

woensdag 20 maart 2013

Verbondenheid met anderen beschermt tegen zwakke emotionele zelf-regulering

Hoe reageer je meestal op tegenslag en op teleurstellingen? Ben je helemaal van je stuk en kun je je er moeilijk over heen zetten? Ben je er nog lang over aan het piekeren? Of zet je je er snel overheen en ben je dan in staat om je weer met andere dingen bezig te houden?

Hoe mensen reageren op tegenslag en teleurstelling zegt iets over hun emotionele zelf-regulatie. Een hoge emotionele zelf-regulatie is het vermogen om zelf te beïnvloeden hoe je je voelt. Dus om je positieve emoties in stand te houden of te versterken en je negatieve emoties te verminderen. Mensen verschillen nogal in dat vermogen. Degenen onder ons die er niet zo goed in zijn, worden wel omschreven als toestand-georiënteerd: ze beschouwen hun negatieve emotie als een onveranderlijke toestand. Daartegenover zijn anderen juist actie-georiënteerd: ze zetten zich er gemakkelijk overheen, piekeren niet en beschouwen dus hun negatieve gevoel als door henzelf beïnvloedbaar. Ze stellen zich actief op.

Uit onderzoek blijkt dat toestand- en actie-georiënteerdheid ongeveer gelijk over de bevolking zijn verdeeld. En ook weten we dat toestand-georiënteerde mensen het in het leven moeilijker hebben. Ze functioneren minder goed, hebben meer psychosomatische klachten en voelen zich minder gelukkig en tevreden. Vooral als ze meer met tegenslag en teleurstelling, anders gezegd, met stressvolle gebeurtenissen, te maken hebben.

Maar er blijkt een bescherming te zijn tegen deze negatieve gevolgen van toestand-georiënteerdheid. En dat is de mate waarin je je verbonden voelt met anderen. Of omgekeerd gezegd: de mate waarin je het gevoel hebt er niet alleen voor te staan. Of nog anders gezegd, de lasten van de toestand-oriëntatie komen pas tevoorschijn als mensen zich niet verbonden weten of voelen met anderen.

In de studie You Are Not Alone: Relatedness Reduces Adverse Effects of State Orientation on Well-Being Under Stress (betaalpoort) vonden onderzoekers hiervoor aanwijzingen. De eerste aanwijzing is dat mensen die meer toestand-georiënteerd zijn, minder last hebben van de stressvolle gebeurtenissen die ze meemaken, als ze meer pro-sociale waarden onderschrijven. Dat laatste houdt o.a. in dat ze het belangrijker vinden om anderen te helpen en om loyaal en vergevingsgezind te zijn. Het blijkt dat die pro-sociale waarden een compensatie zijn voor hun toestand-oriëntatie. Bij het meemaken van stressvolle gebeurtenissen is hun welbevinden even hoog als dat van de actie-georiënteerden. Dit geldt niet voor de minder pro-sociale toestand-georiënteerden die stressvolle gebeurtenissen meemaken, want hun welbevinden is wel lager.

Nu is het aanhangen van pro-sociale waarden natuurlijk niet hetzelfde als het gevoel verbonden te zijn met anderen, maar de twee lijken wel met elkaar samen te hangen. Een tweede aanwijzing verkregen de onderzoekers door het gevoel van verbondenheid met anderen bij proefpersonen te manipuleren. Hen werd gevraagd om een goede vriend(in) mee naar het experiment te nemen. In de ene conditie moesten deelnemers zoveel mogelijk overeenkomsten tussen henzelf en hun vriend(in) opschrijven en in de andere conditie juist zoveel mogelijk verschillen. Het opschrijven van (en nadenken over) die overeenkomsten werd gezien als het opwekken of saillant maken (primen) van verbondenheid. En het opschrijven en nadenken over de verschillen als het juist niet saillant maken daarvan. Had dit gevolgen voor hoe ze met een negatieve emotie omgingen?

Die negatieve emotie werd teweeggebracht door het zien naar een film over de gruwelijke leefomstandigheden van Roemeense weeskinderen. Tegenover de neutrale conditie van het kijken naar een film over zonne-energie. Vervolgens bleek dat de toestand-georiënteerden die naar die gruwelijke film hadden gekeken, zich na afloop niet slechter voelden dan de actie-georiënteerden deden, als hun verbondenheid met hun vriend(in) was opgewekt. Die verbondenheid had gemaakt dat ze zich van die negatieve emotie net zo snel herstelden dan de actie-georiënteerden. En dit gold niet voor de toestand-georiënteerden bij wie die verbondenheid niet was opgewekt.

Dit alles laat zien dat mensen weliswaar qua vermogen tot emotionele zelf-regulatie sterk van elkaar kunnen verschillen, maar dat die verschillen alleen bij afwezigheid van onderlinge verbondenheid aan het licht komen. Eenzaamheid en sociaal isolement maken dat een zwakke emotionele zelf-regulatie ook echt een last wordt die je moet dragen.

Dit komt er mee overeen dat de verschillen tussen mensen in emotionele stabiliteit ook alleen maar onder bepaalde omstandigheden aan het licht komen. Zie het bericht Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel? Doordat in onze huidige maatschappij verbondenheid met anderen niet vanzelfsprekend is en er altijd de uitdaging is van de onderlinge statuscompetitie, moeten we meer dan in de Paleo Sociale Omgeving emotioneel stabiel en actie-georiënteerd zijn om ons gelukkig en tevreden te kunnen voelen. En om goed te kunnen functioneren en gezond te blijven. Zie trouwens ook nog eens het bericht Waarom zijn we niet allemaal veilig gehecht? over onveilige gehechtheid als een product van onze huidige maatschappij.

Kortom, je zou zeggen dat hier een patroon zichtbaar wordt.