De lange periode dat mensen als jager-verzamelaars er voor hun overleving op waren aangewezen om samen te werken en te delen, heeft er voor gezorgd dat wij een heel fundamenteel sociaal groepsdier zijn.
Wat dat zoal betekent, zagen we in het bericht Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? Over interpersonele autonome synchronie.
Zo zorgt de spontane activiteit in het zogenaamde default- (terugval-)netwerk van onze hersenen als we geen prikkels van buiten krijgen, er voor dat we voorbereid zijn (geprimed zijn) op een intentionele houding tegenover anderen. Anders gezegd, de rusttoestand van onze hersenen is die van een sociaal wezen.
En de werking van ons autonome zenuwstelsel, gemeten aan maten als hartslag, hartslagvariabiliteit, ademhaling, huidweerstand en huidtemperatuur, blijkt synchroon te gaan lopen met die van anderen die in onze nabijheid zijn. En naar het lijkt meer met die van vertrouwden dan met (nog) vreemden. Waardoor we in staat zijn tot onderlinge empathie, tot het zich in elkaar kunnen verplaatsen.
Wat dat nog meer inhoudt, wordt duidelijker uit de nieuwe studie Chimpanzees help others with what they want; Children help them with what they need, met Michael Tomasello als mede-auteur.
Het onderzoek vergelijkt het hulpgedrag van driejarige mensenkinderen met dat van chimpansees. Met een ingenieuze opzet, die het mogelijk maakt te onderscheiden tussen helpen als de ander om hulp vraagt en helpen als reactie op wat de ander nodig heeft, ook al vraagt hij om iets anders. In dat laatste geval heeft de helper meer informatie dan de hulp vragende en laat hij zich daardoor leiden. De onderzoekers noemen dat "paternalistisch helpen", dat wil zeggen, helpen met inzicht in waar de ander behoefte aan heeft.
Het blijkt dan dat zowel de kinderen als de chimpansees helpen als de ander daarom vraagt. Maar in die gevallen waarin paternalistisch helpen mogelijk was, gingen kinderen daar wel toe over en de chimpansees niet. Kinderen bleken wel inzicht te hebben in wat de ander echt nodig had en dat dat verschilde van waar hij om vroeg. Chimpansees reageerden daarentegen alleen op de hulpvraag.
Dat is een intrigerend verschil. Dat chimpansees groepsdieren zijn, lijkt te betekenen dat ze bereid zijn de ander bij te staan als die aangeeft die bijstand nodig te hebben.
Dat mensen groepsdieren zijn, lijkt daarenboven te betekenen dat ze bereid zijn om het welzijn van de ander te dienen, ook al gaat dat in tegen waar de ander zelf om vraagt.
En dat laatste is te verwachten als een resultaat van een evolutionair verleden waarin je op onderlinge samenwerking en delen was aangewezen. Waarin jouw welzijn er ook van afhing of het met de anderen wel goed ging.
En dat stelde hogere eisen aan je empathisch vermogen. Om goed te kunnen samenwerken en om goed te kunnen delen, moet je niet alleen kunnen begrijpen wat de ander wil, maar ook wat de ander nodig heeft.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label hulp vragen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hulp vragen. Alle posts tonen
dinsdag 19 november 2019
maandag 15 september 2014
Hoe komt het dat we niet vaker een praatje maken met vreemden? Terwijl daar sociale winst is te behalen
Dennis Rijnvis schreef een mooi stuk in Volkskrant Magazine van zaterdag (De praatjesmaker) over onze terughoudendheid in het aanspreken van vreemden en het maken van een praatje. Hij had zich verdiept in het onderzoek dat daarnaar gedaan is. Zie ook mijn bericht Maak wat vaker een praatje, ook al is het met een vreemde, en je voelt je beter. Maar hij heeft ook zelf de proef op de som genomen door gesprekken met vreemden aan te knopen of dat te proberen.
Dat was lastig, want we zijn terughoudend in het contact met mensen die we niet kennen. Maar hij merkte wat ook uit dat onderzoek naar voren komt, namelijk dat hij zich er beter door ging voelen:
In dit bericht die correctie. Dennis haalt de Antwerpse psycholoog Mark Nelissen aan, die denkt dat wij in het verre verleden een betere overlevingskans hadden als we geen vreemden aanspraken. Want die konden vreemde bacteriën bij zich dragen waar we ziek van werden. En bovendien was er veel geweld tussen stammen.
Ik denk dat het iets anders lag. In die Paleo Sociale Omgeving waar Nelissen het over heeft, dus de samenleving van jagers-verzamelaars, kwamen we eigenlijk nooit met vreemden in aanraking. We groeiden op te midden van vertrouwde anderen. En er was regelmatig contact met naburige groepen, waarmee uithuwelijkingsrelaties bestonden. Er was dus ook een behoorlijke vertrouwdheid met de buren. Dat gevaar van vreemde bacteriën dan? Dat speelde op veel grotere afstand, met een langer tijdsverloop na de "afscheidingen". Denk aan Columbus en zijn mannen: door de bacteriën die ze vanuit Europa meenamen, werd de inheemse bevolking gedecimeerd.
Oorlogen kwamen in de periode van de Paleo Sociale Omgeving niet voor, omdat er geen aanleidingen toe waren. Als een bepaald grondgebied te druk werd bezet, dan schoven sommigen een stukje op. Aanleidingen om oorlog te voeren kwamen pas op in de agrarische samenlevingen. Zie de expert op dit gebied, Douglas P. Fry, daarover. Dat wil overigens niet zeggen dat alles pais en vree was. Want binnen de groepen kwam wel geweld voor als middel om de altijd op de loer liggende statuscompetitie te onderdrukken. Maar dat was incidenteel geweld tussen personen, geen oorlog tussen groepen.
Het was dus niet zozeer dat onze voorouders er op geselecteerd werden om contact met vreemden te vermijden, maar veeleer dat ze er niet op geselecteerd konden worden om goed te weten hoe je met vreemden om moest gaan. Het kwam zo weinig voor dat het geen sociale uitdaging was om dat goed te kunnen. Net zo als het niet voorkwam dat je een auto moest kunnen besturen. Vandaar dat wij nu autorijles moeten nemen. En vandaar dat Dennis melding maakt van een psychologe die cursussen geeft in het maken van een praatje.
Dat ongemak dat we ervaren bij het aanspreken van een vreemde is wat dit betreft vergelijkbaar met de moeite die we hebben met het vragen om hulp. In die Paleo Sociale Omgeving was het vragen om hulp meestal niet nodig, want het was vanzelfsprekend dat je die kreeg. Dus was er ook geen selectie op het vermogen om dat goed te kunnen. Zie de eerdere berichten Is er meer hulpbereidheid dan dat er hulp gegeven wordt?, De moeilijkheid van hulp vragen is niet universeel en Over het genoegen van het om hulp gevraagd worden.
In een volgend bericht de aanvulling. Over de vraag namelijk waardoor het komt dat we het prettig vinden om met vreemden een praatje gemaakt te hebben. Over de sociale winst die er is te behalen. Lees alvast eens Is de kring van mensen waarmee we omgaan te klein?
Update. Zie nu ook hier het vervolgbericht.
Dat was lastig, want we zijn terughoudend in het contact met mensen die we niet kennen. Maar hij merkte wat ook uit dat onderzoek naar voren komt, namelijk dat hij zich er beter door ging voelen:
Ik spreek op station Den Haag Centraal meer voorbijgangers aan dan ik met mezelf had afgesproken. Na tien praatjes lijken mensen om me heen opeens meer benaderbaar. Op de terugweg naar huis, voel ik me zelfverzekerd en sociaal, voldaan, alsof ik naar een verjaardag ben geweest. Gek, want ik ken niemand met wie ik heb gesproken.Dat is natuurlijk opmerkelijk, dat we zo'n hoge drempel hebben om iets te doen waardoor we ons beter voelen. Hoe zou dat komen? En hoe dat betere gevoel te verklaren? Dat weet ik natuurlijk ook niet precies, maar ik heb wel een correctie en een aanvulling.
In dit bericht die correctie. Dennis haalt de Antwerpse psycholoog Mark Nelissen aan, die denkt dat wij in het verre verleden een betere overlevingskans hadden als we geen vreemden aanspraken. Want die konden vreemde bacteriën bij zich dragen waar we ziek van werden. En bovendien was er veel geweld tussen stammen.
Ik denk dat het iets anders lag. In die Paleo Sociale Omgeving waar Nelissen het over heeft, dus de samenleving van jagers-verzamelaars, kwamen we eigenlijk nooit met vreemden in aanraking. We groeiden op te midden van vertrouwde anderen. En er was regelmatig contact met naburige groepen, waarmee uithuwelijkingsrelaties bestonden. Er was dus ook een behoorlijke vertrouwdheid met de buren. Dat gevaar van vreemde bacteriën dan? Dat speelde op veel grotere afstand, met een langer tijdsverloop na de "afscheidingen". Denk aan Columbus en zijn mannen: door de bacteriën die ze vanuit Europa meenamen, werd de inheemse bevolking gedecimeerd.
Oorlogen kwamen in de periode van de Paleo Sociale Omgeving niet voor, omdat er geen aanleidingen toe waren. Als een bepaald grondgebied te druk werd bezet, dan schoven sommigen een stukje op. Aanleidingen om oorlog te voeren kwamen pas op in de agrarische samenlevingen. Zie de expert op dit gebied, Douglas P. Fry, daarover. Dat wil overigens niet zeggen dat alles pais en vree was. Want binnen de groepen kwam wel geweld voor als middel om de altijd op de loer liggende statuscompetitie te onderdrukken. Maar dat was incidenteel geweld tussen personen, geen oorlog tussen groepen.
Het was dus niet zozeer dat onze voorouders er op geselecteerd werden om contact met vreemden te vermijden, maar veeleer dat ze er niet op geselecteerd konden worden om goed te weten hoe je met vreemden om moest gaan. Het kwam zo weinig voor dat het geen sociale uitdaging was om dat goed te kunnen. Net zo als het niet voorkwam dat je een auto moest kunnen besturen. Vandaar dat wij nu autorijles moeten nemen. En vandaar dat Dennis melding maakt van een psychologe die cursussen geeft in het maken van een praatje.
Dat ongemak dat we ervaren bij het aanspreken van een vreemde is wat dit betreft vergelijkbaar met de moeite die we hebben met het vragen om hulp. In die Paleo Sociale Omgeving was het vragen om hulp meestal niet nodig, want het was vanzelfsprekend dat je die kreeg. Dus was er ook geen selectie op het vermogen om dat goed te kunnen. Zie de eerdere berichten Is er meer hulpbereidheid dan dat er hulp gegeven wordt?, De moeilijkheid van hulp vragen is niet universeel en Over het genoegen van het om hulp gevraagd worden.
In een volgend bericht de aanvulling. Over de vraag namelijk waardoor het komt dat we het prettig vinden om met vreemden een praatje gemaakt te hebben. Over de sociale winst die er is te behalen. Lees alvast eens Is de kring van mensen waarmee we omgaan te klein?
Update. Zie nu ook hier het vervolgbericht.
maandag 25 februari 2013
Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever
De nieuwe studie Prosocial Spending and Well-Being: Cross-Cultural Evidence for a Psychological Universal (betaalpoort) bevestigt eerder onderzoek: te geven is zaliger dan te ontvangen. En dat lijkt universeel te gelden, in verschillende culturen en in rijke en arme landen. De onderzoekers ondervroegen meer dan 200.000 mensen in 136 landen. Mensen die in de vorige maand geld hadden gegeven aan een goed doel waren gelukkiger of tevredener met hun leven dan mensen die dat niet hadden gedaan. Dit verband bestond in elk van de zeven onderscheiden cultureel/geografische gebieden: Afrika, Azië, Europa, de voormalige Sovjet-Unie en Oost-Europa, Latijns Amerika, Iran en het Midden-oosten en de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland.
Ook vroegen de onderzoekers aan mensen (in een beperkter aantal landen) om terug te denken aan een besteding die ze hadden gedaan ten behoeve van iemand anders (pro-sociaal) of aan een besteding voor zichzelf. Degenen die gevraagd waren terug te denken aan een pro-sociale besteding scoorden daarna hoger op een vragenlijstje voor subjectief welbevinden dan degenen die hadden teruggedacht aan een besteding voor zichzelf. En hoger dan degenen die nergens aan hadden teruggedacht. Ook lieten ze mensen iets voor zichzelf aanschaffen of iets voor een goed doel. Ook dan voelden de mensen die iets hadden aangeschaft voor een goed doel zich beter dan degenen die iets hadden aangeschaft voor zichzelf. Dit wijst er op dat de oorzakelijke richting van het verband inderdaad die is van het iets geven naar het zich beter voelen.
Dit is geen nieuwe bevinding, maar het is wel voor het eerst dat dit fenomeen is aangetoond voor mensen in zoveel verschillende landen. Het wijst er op dat wij er in het verleden op geselecteerd zijn om het aangenaam te vinden om iets voor anderen te doen, om anderen te ondersteunen en aardig te zijn voor anderen. Maar natuurlijk zitten wij ingewikkelder in elkaar, want wij kunnen ook behoorlijk egoïstisch zijn en goed voor onszelf zorgen geeft meestal ook een goed gevoel.
Je kunt je natuurlijk afvragen wat dit voor ons dagelijks leven betekent. Want hoe vaak zijn wij eigenlijk goedgeefs? Hoe vaak geven we iets weg? Dat het nog altijd loont om met een collectebus langs de deuren te gaan, wijst er op dat wij een gelegenheid om iets weg te kunnen geven behoorlijk goed benutten. Maar het wijst er ook op dat onze goedgeefsheid dus ook afhangt van hoeveel gelegenheid wij krijgen om iets weg te geven of of om iemand te helpen.
Dat deed mij denken aan dit al wat oudere onderzoek: Personality and Social Network Involvement as Predictors of Helping in Everyday Life (betaalpoort) van Paul Amato, waaruit blijkt dat het aantal contacten en relaties die iemand heeft veel meer zeggen over hoe vaak hij/zij iemand anders helpt, dan de eigenschappen van die persoon. We willen allemaal best iets voor iemand anders doen, maar dan moet die ander er wel zijn of er wel vaak genoeg zijn. Dat we in een individualistische maatschappij, met sociaal geïsoleerde gezinnen, niet zo vaak iets weggeven of iemand helpen, zou er dus niet aan liggen dat wij zo egoïstisch zijn, maar aan de weinige gelegenheden die we krijgen om onze goedgeefsheid in daden om te zetten. (Denk ook aan de moeilijkheid van het om hulp vragen.)
Dus: te geven is zaliger dan te ontvangen. Maar de gelegenheid maakt de gever.
Ook vroegen de onderzoekers aan mensen (in een beperkter aantal landen) om terug te denken aan een besteding die ze hadden gedaan ten behoeve van iemand anders (pro-sociaal) of aan een besteding voor zichzelf. Degenen die gevraagd waren terug te denken aan een pro-sociale besteding scoorden daarna hoger op een vragenlijstje voor subjectief welbevinden dan degenen die hadden teruggedacht aan een besteding voor zichzelf. En hoger dan degenen die nergens aan hadden teruggedacht. Ook lieten ze mensen iets voor zichzelf aanschaffen of iets voor een goed doel. Ook dan voelden de mensen die iets hadden aangeschaft voor een goed doel zich beter dan degenen die iets hadden aangeschaft voor zichzelf. Dit wijst er op dat de oorzakelijke richting van het verband inderdaad die is van het iets geven naar het zich beter voelen.
Dit is geen nieuwe bevinding, maar het is wel voor het eerst dat dit fenomeen is aangetoond voor mensen in zoveel verschillende landen. Het wijst er op dat wij er in het verleden op geselecteerd zijn om het aangenaam te vinden om iets voor anderen te doen, om anderen te ondersteunen en aardig te zijn voor anderen. Maar natuurlijk zitten wij ingewikkelder in elkaar, want wij kunnen ook behoorlijk egoïstisch zijn en goed voor onszelf zorgen geeft meestal ook een goed gevoel.
Je kunt je natuurlijk afvragen wat dit voor ons dagelijks leven betekent. Want hoe vaak zijn wij eigenlijk goedgeefs? Hoe vaak geven we iets weg? Dat het nog altijd loont om met een collectebus langs de deuren te gaan, wijst er op dat wij een gelegenheid om iets weg te kunnen geven behoorlijk goed benutten. Maar het wijst er ook op dat onze goedgeefsheid dus ook afhangt van hoeveel gelegenheid wij krijgen om iets weg te geven of of om iemand te helpen.
Dat deed mij denken aan dit al wat oudere onderzoek: Personality and Social Network Involvement as Predictors of Helping in Everyday Life (betaalpoort) van Paul Amato, waaruit blijkt dat het aantal contacten en relaties die iemand heeft veel meer zeggen over hoe vaak hij/zij iemand anders helpt, dan de eigenschappen van die persoon. We willen allemaal best iets voor iemand anders doen, maar dan moet die ander er wel zijn of er wel vaak genoeg zijn. Dat we in een individualistische maatschappij, met sociaal geïsoleerde gezinnen, niet zo vaak iets weggeven of iemand helpen, zou er dus niet aan liggen dat wij zo egoïstisch zijn, maar aan de weinige gelegenheden die we krijgen om onze goedgeefsheid in daden om te zetten. (Denk ook aan de moeilijkheid van het om hulp vragen.)
Dus: te geven is zaliger dan te ontvangen. Maar de gelegenheid maakt de gever.
zaterdag 9 juni 2012
"Bemoei je met je eigen zaken!" geldt niet overal
Eerder stond ik stil bij onderzoek naar de moeilijkheid van het om hulp vragen. Als iemand je om hulp vraagt, vind je dat prettig, maar zelf om hulp vragen, dat gaat niet gemakkelijk. Vandaar dat er waarschijnlijk meer hulpbereidheid is dan dat in gedrag tot uiting komt. Zie dit bericht. Maar ook blijkt dat vrienden elkaar gemakkelijker om hulp vragen. En ook wordt gemakkelijker om hulp gevraagd in culturen waarin mensen meer tussen vertrouwde anderen opgroeien. Zie dit bericht.
Er is nu recent onderzoek (fulltext achter de poort) dat interculturele verschillen laat zien in het gemak waarmee mensen een bepaalde vorm van hulp aanbieden, namelijk goede raad of advies. Russen staan, in vergelijking met Amerikanen, heel gemakkelijk klaar met goede raad en advies. Je kunt er op straat of in het openbaar vervoer allerlei praktische wetenswaardigheden opdoen, die mensen je ongevraagd en met de beste bedoelingen mede delen. (Mijn eigen verblijf in Moskou en Sint Petersburg was kennelijk te kort om deze ervaring op te doen.) Ook schijnen Russen elkaar gemakkelijk en ongevraagd allerlei adviezen te geven, zonder de vrees voor bemoeizuchtig te worden aangezien. De uitdrukking "Bemoei je met je eigen zaken!" kun je weliswaar letterlijk in het Russisch vertalen, maar Russen vinden het moeilijk om te begrijpen wat iemand er mee zou kunnen bedoelen.
De onderzoekers denken dat dit gedrag een onderdeel is van meer interdependente culturen dan de West-Europese en Noord-Amerikaanse. Als mensen zich zelf meer als onderdeel van een groter geheel zien en als meer met anderen verbonden, dan vragen ze niet alleen gemakkelijker om hulp, maar ook bieden ze gemakkelijker hulp aan. Zoals in de vorm van goede raad en advies. Het is trouwens niet een vast onderdeel van die culturen, want in de eveneens sterk interdependente Oost-Aziatische culturen komt dat ongevraagde advies geven veel minder voor. Misschien is het in Rusland een overblijfsel van de communistische periode, waarin mensen sterk op elkaar vertrouwden door de notoire onbetrouwbaarheid van alle officiële informatie.
Het leek me dus interessant om even te kijken of de mate van vertrouwen tussen mensen in Rusland dan ook groter is dan in de Verenigde Staten. Voor veel landen zijn daar gegevens over beschikbaar doordat in landenvergelijkend onderzoek vaak de vraag naar het interpersonele vertrouwen gesteld is. Die vraag luidt:
Een andere keer meer over die verschillen tussen landen in dat onderlinge vertrouwen.
Er is nu recent onderzoek (fulltext achter de poort) dat interculturele verschillen laat zien in het gemak waarmee mensen een bepaalde vorm van hulp aanbieden, namelijk goede raad of advies. Russen staan, in vergelijking met Amerikanen, heel gemakkelijk klaar met goede raad en advies. Je kunt er op straat of in het openbaar vervoer allerlei praktische wetenswaardigheden opdoen, die mensen je ongevraagd en met de beste bedoelingen mede delen. (Mijn eigen verblijf in Moskou en Sint Petersburg was kennelijk te kort om deze ervaring op te doen.) Ook schijnen Russen elkaar gemakkelijk en ongevraagd allerlei adviezen te geven, zonder de vrees voor bemoeizuchtig te worden aangezien. De uitdrukking "Bemoei je met je eigen zaken!" kun je weliswaar letterlijk in het Russisch vertalen, maar Russen vinden het moeilijk om te begrijpen wat iemand er mee zou kunnen bedoelen.
De onderzoekers denken dat dit gedrag een onderdeel is van meer interdependente culturen dan de West-Europese en Noord-Amerikaanse. Als mensen zich zelf meer als onderdeel van een groter geheel zien en als meer met anderen verbonden, dan vragen ze niet alleen gemakkelijker om hulp, maar ook bieden ze gemakkelijker hulp aan. Zoals in de vorm van goede raad en advies. Het is trouwens niet een vast onderdeel van die culturen, want in de eveneens sterk interdependente Oost-Aziatische culturen komt dat ongevraagde advies geven veel minder voor. Misschien is het in Rusland een overblijfsel van de communistische periode, waarin mensen sterk op elkaar vertrouwden door de notoire onbetrouwbaarheid van alle officiële informatie.
Het leek me dus interessant om even te kijken of de mate van vertrouwen tussen mensen in Rusland dan ook groter is dan in de Verenigde Staten. Voor veel landen zijn daar gegevens over beschikbaar doordat in landenvergelijkend onderzoek vaak de vraag naar het interpersonele vertrouwen gesteld is. Die vraag luidt:
In het algemeen gesproken, vindt u dat de meeste mensen zijn te vertrouwen of dat je niet voorzichtig genoeg kunt zijn in de omgang met mensen?Mensen kunnen dan aangeven in hoeverre ze het eens zijn met de twee mogelijke antwoorden:
- de meeste mensen zijn te vertrouwen
- Je kunt nooit voorzichtig genoeg zijn in de omgang met anderen
Een andere keer meer over die verschillen tussen landen in dat onderlinge vertrouwen.
maandag 9 januari 2012
Over het genoegen van het om hulp gevraagd worden
In dit bericht meldde ik dat mensen over het algemeen meer bereid zijn om anderen te helpen dan dat die hulp ook echt tot stand komt. Dat lijkt er aan te liggen dat mensen die hulp zouden kunnen gebruiken, het vaak moeilijk vinden om er naar te vragen. En in dit bericht ging ik in op onderzoek waaruit blijkt dat het om hulp vragen tussen vrienden minder moeilijk is dan tussen kennissen. En ik vertelde daarbij dat het om hulp vragen ook heel gebruikelijk is in maatschappijen waarin mensen opgroeien en omgeven blijven door vertrouwde anderen (wat wij "vrienden" noemen). Hulp vragen kan dan eenvoudig de vorm aannemen van aanwezig zijn (dus zonder met zoveel woorden te hoeven vragen).
Je kunt daaruit concluderen dat als we graag zouden willen dat mensen meer hulp uitwisselen, dat het dan belangrijk is om te bevorderen dat mensen elkaar beter kennen. Hoe beter ze elkaar kennen, hoe gemakkelijker het wordt om om hulp te vragen. Daarom moeten alternatieve ruilsystemen, zoals LETS en Time Banks, naast die economische functie van uitwisseling, ook altijd een sociale functie hebben. Als mensen elkaar niet persoonlijk kennen, komt het systeem maar moeilijk op gang.
Er is nu nieuw onderzoek dat laat zien dat het gevraagd worden om hulp ook echt prettig gevonden wordt. Meer in Japan dan in de Verenigde Staten. Het geeft de gevraagde het gevoel dat de vrager de relatie zo close vindt (mijn woordenboek uit 1973 vertaalt close in deze betekenis met "dik" als in "dikke vrienden"; maar klopt mijn indruk dat wij nu meer dat close gebruiken?), dat de hulp wel gevraagd mag worden. Dat dat gevoel prettig is, duidt er op dat wij graag een bevestiging willen van onze vriendschappen. En dat onze vriendschappen dus misschien zelden vanzelfsprekend zijn.
De Japanners hebben een woord voor dat vriendschapssignaal van om hulp vragen: amae. En dat betekent zoiets als: ik ben nu wel vrijpostig, door jou dit te vragen, maar ik weet dat het bij jou wel kan.
Het onderzoek laat trouwens ook zien dat het er wel toe doet hoeveel het kost om de hulp te geven. Maar mij viel vooral op dat het gevoel positief blijft ook als een vriend jou vraagt om drie maanden lang de planten in zijn tuin water te geven. Als een kennis het vraagt, wordt het gevoel negatief bij twee weken of langer.
Je kunt daaruit concluderen dat als we graag zouden willen dat mensen meer hulp uitwisselen, dat het dan belangrijk is om te bevorderen dat mensen elkaar beter kennen. Hoe beter ze elkaar kennen, hoe gemakkelijker het wordt om om hulp te vragen. Daarom moeten alternatieve ruilsystemen, zoals LETS en Time Banks, naast die economische functie van uitwisseling, ook altijd een sociale functie hebben. Als mensen elkaar niet persoonlijk kennen, komt het systeem maar moeilijk op gang.
Er is nu nieuw onderzoek dat laat zien dat het gevraagd worden om hulp ook echt prettig gevonden wordt. Meer in Japan dan in de Verenigde Staten. Het geeft de gevraagde het gevoel dat de vrager de relatie zo close vindt (mijn woordenboek uit 1973 vertaalt close in deze betekenis met "dik" als in "dikke vrienden"; maar klopt mijn indruk dat wij nu meer dat close gebruiken?), dat de hulp wel gevraagd mag worden. Dat dat gevoel prettig is, duidt er op dat wij graag een bevestiging willen van onze vriendschappen. En dat onze vriendschappen dus misschien zelden vanzelfsprekend zijn.
De Japanners hebben een woord voor dat vriendschapssignaal van om hulp vragen: amae. En dat betekent zoiets als: ik ben nu wel vrijpostig, door jou dit te vragen, maar ik weet dat het bij jou wel kan.
Het onderzoek laat trouwens ook zien dat het er wel toe doet hoeveel het kost om de hulp te geven. Maar mij viel vooral op dat het gevoel positief blijft ook als een vriend jou vraagt om drie maanden lang de planten in zijn tuin water te geven. Als een kennis het vraagt, wordt het gevoel negatief bij twee weken of langer.
maandag 14 november 2011
De moeilijkheid van hulp vragen is niet universeel
Als mensen hulp goed zouden kunnen gebruiken en ze kennen anderen die zouden kunnen en waarschijnlijk willen helpen, dan vinden mensen het toch moeilijk om die hulp te vragen. Maar is dat wel altijd zo?
Uit dit onderzoek, waar ik ook in dat vorige bericht al naar linkte, blijkt dat die moeilijkheid om te vragen tussen kennissen groter is dan tussen mensen die al lang bevriend zijn. Tussen vrienden is de drempel om te vragen lager.
Dat doet vermoeden dat in samenlevingen waarin mensen opgroeien in en omgeven blijven door vertrouwde anderen (wat wij "vrienden" noemen), veel meer om hulp gevraagd wordt. Na even zoeken vond ik deze twee voorbeelden die dat vermoeden bevestigen.
De Nayaka leven in een bosachtig gebied in het zuiden van India en ze leven van wat dat bos hen verschaft. (Ze zien het bos als een soort ouder die hen geeft wat ze nodig hebben.) Nurit Bird-David beschrijft hun onderlinge hulpverlening als volgt (p.191):
(In mijn jeugd in de jaren vijftig van de vorige eeuw kwam dat verbergen van drank en voedsel ook voor. Als wij eens iets speciaals kregen voorgeschoteld, dan zorgde mijn moeder er altijd voor dat het spul niet voor voorbijgangers zichtbaar op tafel stond. Wij vonden dat als kinderen vreemd, maar mijn moeder vond dat buren "het niet hoefden te weten".)
Uit dit onderzoek, waar ik ook in dat vorige bericht al naar linkte, blijkt dat die moeilijkheid om te vragen tussen kennissen groter is dan tussen mensen die al lang bevriend zijn. Tussen vrienden is de drempel om te vragen lager.
Dat doet vermoeden dat in samenlevingen waarin mensen opgroeien in en omgeven blijven door vertrouwde anderen (wat wij "vrienden" noemen), veel meer om hulp gevraagd wordt. Na even zoeken vond ik deze twee voorbeelden die dat vermoeden bevestigen.
De Nayaka leven in een bosachtig gebied in het zuiden van India en ze leven van wat dat bos hen verschaft. (Ze zien het bos als een soort ouder die hen geeft wat ze nodig hebben.) Nurit Bird-David beschrijft hun onderlinge hulpverlening als volgt (p.191):
Nayaka give to each other, request from each other, expect to get what they ask for, and feel obliged to give what they are asked for. They do not give resources to each other in a calculated, foresighted fashion, with a view to something in return, nor do they make claims for debts.Dat patroon gaat samen met een sterke sociale afkeuring als hulp geweigerd wordt. Dat gebeurt dan ook zelden of nooit. Wat daarom wel gebeurt als mensen over iets beschikken waar anderen naar zouden kunnen vragen (bijvoorbeeld sigaretten), is
creating circumstances in which they are not asked, for instance, by hiding them.Volgens Peterson komt dat verbergen van voedsel veel meer voor bij groepen die leven van verzamelen van voedsel. En die altijd in groepen leven van bekende en vertrouwde anderen. Hij beschrijft zelf het patroon bij de Australische Yolngu. Vragen om voedsel gebeurt niet alleen expliciet, maar ook vaak door meer of minder toevallig aanwezig te zijn als anderen er over beschikken. Aanwezigheid is dan voldoende om mee te delen. Onderdeel van het patroon is dat het als grof wordt beschouwd om ongevraagd iets aan te bieden. Er moet juist gevraagd worden.
(In mijn jeugd in de jaren vijftig van de vorige eeuw kwam dat verbergen van drank en voedsel ook voor. Als wij eens iets speciaals kregen voorgeschoteld, dan zorgde mijn moeder er altijd voor dat het spul niet voor voorbijgangers zichtbaar op tafel stond. Wij vonden dat als kinderen vreemd, maar mijn moeder vond dat buren "het niet hoefden te weten".)
zondag 13 november 2011
Is er meer hulpbereidheid dan dat er hulp gegeven wordt?
Eerder noemde ik LETS en Time Banks, lokale georganiseerde netwerken van mensen die iets voor elkaar doen zonder dat er officieel geld aan te pas komt, als oplossingen voor een informatietekort. In veel buurten kennen mensen elkaar niet goed en dan kan het gebeuren dat iemand die best een ander met iets zou willen helpen, dat niet doet omdat hij die ander niet kent of niet weet dat hij hulp nodig heeft. LETS of Time Banks kunnen mensen dan bij elkaar brengen.
Maar een bijkomend probleem is dat ook als mensen elkaar wel kennen, degenen die hulp nodig hebben het moeilijk vinden om daarnaar te vragen.
Uit deze studie blijkt dat mensen wel hulp aanbieden, maar niet gemakkelijk om die hulp zouden vragen als ze die zelf nodig hadden.
Bovendien blijkt dat mensen die hulp zouden kunnen geven, de moeilijkheid van het vragen om hulp onderschatten. Daarom hoor je vaak zeggen "Had mij maar gevraagd" als iemand te horen krijgt dat een ander hulp nodig had.
Kortom: ik was eerder met mijn diagnose dat het er alleen om gaat dat mensen elkaar niet (goed genoeg) kennen, te optimistisch. Ook als ze elkaar wel kennen, komt niet alle hulp tot stand die mensen wel zouden willen geven. Omdat die drempel om hulp te vragen vaak te hoog is.
Het zou kunnen dat die LETS en Time Banks ook dat probleem kunnen oplossen. Maar ik weet eigenlijk niet of dat zo is.
Maar een bijkomend probleem is dat ook als mensen elkaar wel kennen, degenen die hulp nodig hebben het moeilijk vinden om daarnaar te vragen.
Uit deze studie blijkt dat mensen wel hulp aanbieden, maar niet gemakkelijk om die hulp zouden vragen als ze die zelf nodig hadden.
Bovendien blijkt dat mensen die hulp zouden kunnen geven, de moeilijkheid van het vragen om hulp onderschatten. Daarom hoor je vaak zeggen "Had mij maar gevraagd" als iemand te horen krijgt dat een ander hulp nodig had.
Kortom: ik was eerder met mijn diagnose dat het er alleen om gaat dat mensen elkaar niet (goed genoeg) kennen, te optimistisch. Ook als ze elkaar wel kennen, komt niet alle hulp tot stand die mensen wel zouden willen geven. Omdat die drempel om hulp te vragen vaak te hoog is.
Het zou kunnen dat die LETS en Time Banks ook dat probleem kunnen oplossen. Maar ik weet eigenlijk niet of dat zo is.
Abonneren op:
Posts (Atom)