vrijdag 18 augustus 2017

Sociaalwetenschappelijk zicht op intimiderend en narcistisch leiderschap - en dus op Donald Trump

Doordat we nu wel, en in de jaren 30 van de vorige eeuw nog niet, te rade kunnen gaan bij de sociale wetenschappen, zijn we nu beter in staat om het zo sterk opkomende rechts-extremisme en de oorzaken daarvan te begrijpen. Zie ook het vorige bericht: Sociaalwetenschappelijk onderzoek dat helpt om het verschijnsel-Trump beter te begrijpen.

Een boeiende bijdrage in dat verband is Dan P. McAdams' analyse van het leiderschap van Trump: The Appeal of the Primal Leader: Human Evolutionand Donald J. Trump. Daarover zo meteen meer.

Diezelfde McAdams schreef vorig jaar in de juni-aflevering van The Atlantic deze vooruitziende analyse: The Mind of Donald Trump. Uitgaande van Trumps persoonlijkheidseigenschappen komt hij tot deze "voorspelling" van wat zijn presidentschap zou gaan betekenen:
In sum, Donald Trump’s basic personality traits suggest a presidency that could be highly combustible. One possible yield is an energetic, activist president who has a less than cordial relationship with the truth. He could be a daring and ruthlessly aggressive decision maker who desperately desires to create the strongest, tallest, shiniest, and most awesome result—and who never thinks twice about the collateral damage he will leave behind. Tough. Bellicose. Threatening. Explosive.
Er zijn wel eens voorspellingen geweest die slechter uitkwamen.

En hij besluit zijn analyse met:
Who, really, is Donald Trump? What’s behind the actor’s mask? I can discern little more than narcissistic motivations and a complementary personal narrative about winning at any cost. It is as if Trump has invested so much of himself in developing and refining his socially dominant role that he has nothing left over to create a meaningful story for his life, or for the nation. It is always Donald Trump playing Donald Trump, fighting to win, but never knowing why.
Maar nu terug naar dat recente artikel over Trumps leiderschap. Daarin gaat het over de twee soorten leiderschap die we in het menselijk sociale en maatschappelijk leven kennen: dat van het prestige en dat van het intimideren en domineren.

Het leiderschap op basis van prestige behoort bij wat ik de sociale vorm van de morele gemeenschap noemde (Over de coöperatieve zorg voor kinderen in de evolutie van zoogdieren en van mensen). Die menselijke gemeenschap is gebaseerd op egalitaire verhoudingen, op samenwerking en op overdracht van kennis en informatie (cultuur dus). Dat laatste opent de weg voor een vorm van leiderschap, want de een weet meer dan de ander en is dus een belangrijker bron van expertise en wijsheid.

Zo iemand krijgt prestige toegekend door anderen. Hijzelf kan dat niet opeisen, laat staan afdwingen. Maar belangrijker: daartoe is hij (of zij) ook helemaal niet gemotiveerd. Want alles staat in het teken van het gemeenschappelijke belang en het bewaren van de harmonie.

Daartegenover staat het leiderschap op basis van dominantie. We zitten dan in de sociale vorm van de statushiërarchie. Zie ook Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan.

Voor het karakteriseren van het dominantieleiderschap grijpt McAdams terug op het eerste boek van Frans de Waal (Chimpanzee Politics), waarin De Waal de statushiërarchie en de strijd om status in de groep chimpansees in Burgers Dierenpark beschrijft. Het is de evolutionair oudste vorm van leiderschap, die echter bij mensen nog gemakkelijk de kop kan opsteken.

En dat laatste is het geval als het om de persoon Trump gaat en om wat hij nastreeft. Kortheidshalve citeer ik maar even McAdams:
Like the alpha male of a chimpanzee colony, Trump leads (and inspires) through intimidation, bluster, and threat, and through the establishment of short-term, opportunistic relationships with other high-status agents. Whereas domain-specific expertise confers status in the prestige paradigm, dominant leaders derogate expertise in order to establish a direct, authoritarian connection to their constituency. Trump’s leadership style derives readily from his personality makeup, which entails a combustible temperament mixture of high extraversion and low agreeableness, a motivational agenda centered on extreme narcissism, and an internalized life story that tracks the exploits of an intrepid warrior who must forever fight to win in a Hobbesian world of carnage.
En daar is eigenlijk het meeste wel mee gezegd. Het zou goed zijn als journalisten in hun berichtgeving over de strapatsen van Trump wat meer blijk gaven van inzicht in het soort leiderschap waar we hier mee te maken hebben.

Dat geldt trouwens algemener. Trump is een extreem geval van leiderschapsgedrag dat we natuurlijk veel meer om ons heen zien.

donderdag 17 augustus 2017

Sociaalwetenschappelijk onderzoek dat helpt om het verschijnsel-Trump beter te begrijpen

De recente gebeurtenissen in de Verenigde Staten wijzen nog maar weer eens op de opvallende overeenkomsten tussen wat we nu meemaken en dat wat zich afspeelde in Duitsland in de jaren 30 van de vorige eeuw. Bij die overeenkomsten stond ik eerder stil in het bericht Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann).

Maar er is natuurlijk ook een belangrijk verschil. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden zich de sociale wetenschappen en die kunnen ons nu bijstaan in het begrijpen van wat er gaande is. Die ontwikkeling was trouwens voor een groot deel juist in gang gezet door de motivatie om de vreselijke gebeurtenissen te begrijpen die zich in nazi-Duitsland en in de Tweede Wereldoorlog hadden afgespeeld.

Wat hebben die sociale wetenschappen te bieden om nu het verschijnsel-Trump (dat ook de morele teloorgang en radicalisering van de Republikeinse partij omvat) en meer in het algemeen de opkomst van het rechts-extremisme te begrijpen en te verklaren?

Ik moet dan allereerst denken aan het onderzoek dat de toename van rechts-extremistische opvattingen in verband brengt met de toename van bestaansonzekerheid. Zie mijn laatste bericht daarover: Meer onderzoek naar verband tussen bestaansonzekerheid en rechts-extremisme en volg de links daarin naar vorige berichten.

Dat onderzoek was er in de jaren 30 van de vorige eeuw niet en is er nu wel. En het valt te hopen dat de eruit voortkomende inzichten snel tot de politiek en het beleid doordringen en benut gaan worden.

Maar er is meer. Zo is er dit mooie overzicht dat Thomas Pettigrew opstelde van onderzoek dat kan helpen bij het begrijpen van de Amerikanen die op Trump stemden: Social Psychological Perspectives on Trump Supporters.

Pettigrew, een wel heel gerenommeerd sociaal-psycholoog, ordent dat onderzoek in de vier thema's:
  • Authoritarianism and Social Dominance Orientation (SDO)
  • Prejudice
  • Intergroup contact
  • Relative Deprivation
Het onderzoek dat ik noemde naar de rol van bestaansonzekerheid valt onder het thema van de relatieve deprivatie.

Het eerste thema slaat op al dat onderzoek dat geprobeerd heeft om het persoonlijkheidssyndroom te karakteriseren van mensen die bij uitstek vatbaar zijn voor autoritaire en rechts-extremistische opvattingen. Dat onderzoek begon ooit, kort na de Tweede Wereldoorlog, met The Authoritarian Personality van Adorno en anderen (volg de link voor de uitgebreide Wikipedia-pagina).

Zie voor die Sociale Dominantie Oriëntatie mijn eerdere berichten daarover, zoals Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentimentPVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme en Over Sociale Dominantie en "In Rotterdam spreken we Nederlands".

Die twee andere thema's, vooroordeel en intergroepscontact, hangen nauw met elkaar samen. Ze slaan op het probleem dat we in onze huidige maatschappij in onderlinge afhankelijkheid staan tot vreemden en leden van andere groepen die we niet persoonlijk kennen. Dat informatietekort leidt ertoe dat zich gemakkelijk, meestal negatieve, vooroordelen ontwikkelen, die in het dagelijks leven en in de politiek vervelende gevolgen kunnen hebben. Onderzoek wijst erop dat vooroordelen kunnen worden verminderd door een toename van onderling contact (de sociale contact-hypothese) en daarmee van onderlinge vertrouwdheid. Zie bijvoorbeeld Meer empathie bij toenemende vertrouwdheid: nieuwe aanwijzing.

Een andere recent verschenen interessante sociaalwetenschappelijke bijdrage is The Appeal of the Primal Leader: Human Evolution and Donald J. Trump van Dan McAdams. Maar daarover een volgende keer.

zondag 13 augustus 2017

Zondagochtendmuziek - Billie Holiday - Strange Fruit

We leven in een tijd waarin je met huivering constateert dat Strange Fruit, in 1937 onder pseudoniem geschreven door de communistische onderwijzer van Joodse afkomst uit The Bronx, Abel Meeropol, en bekend geworden door Billy Holiday, een actuele lading krijgt.

Lees ook even de eerste reactie, van Shea Layton:
Listening to this song should be a piece of every high schooler's history course at some point. 
En huiver bij de twee commentaren daarop die verwijzen naar de gebeurtenissen gisteren in Charlottesville.

vrijdag 11 augustus 2017

Meer onderzoek naar verband tussen bestaansonzekerheid en rechts-extremisme

We zijn zo'n 70 jaar na de Tweede Wereldoorlog getuige van een golf van opkomend rechts-extremisme. Die golf bestaat er niet alleen uit dat rechts-extremistische partijen tot het politieke landschap zijn gaan behoren, maar ook uit het naar rechts opschuiven van middenpartijen.

Dat is eigenlijk niet een verrassende ontwikkeling. Want we hebben een grote financiële crisis achter de rug en onderzoek wijst uit dat in de periode 1870-2014 zulke crises steevast gepaard zijn gegaan met een opleving van rechts-extremisme. Zie Meer rechts-extremisme na financiële crises - niet na economische crises.

Alles wijst erop dat dit verband veroorzaakt wordt door de door zulke crises aangewakkerde bestaansonzekerheid. In een kapitalistische maatschappij zijn we voor ons bestaan afhankelijk van inkomen uit arbeid en een financiële crisis doet zekerheden over geld en werk wankelen.

Rechts-extremistische partijen profiteren van die toegenomen bestaansonzekerheid door succesvol naar vermeende "vijanden" of zelfs "vijanden van het volk" te wijzen. Dat zijn interne vijanden: de "politiek-correcte elites", de minderheden en de uitkeringstrekkers, en de externe: de vluchtelingen en de migranten.

De aanwijzingen voor het verband tussen bestaanszekerheid en rechts-extremistische opvattingen stapelen zich op. Zie Beleid dat bestaansonzekerheid zaait, oogst rechts-extremisme, Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentiment en Meer over baanonzekerheid en rechts-extremisme.

Daar is nu onderzoek in Duitsland bijgekomen naar de kenmerken van mensen met sympathie voor de rechts-populistische partij AfD: Einstellung und sozialeLebenslageEine Spurensuche nach Gründen fürrechtspopulistische Orientierung,auch unter Gewerkschaftsmitgliedern. Een mooie samenvatting geeft de powerpoint van de presentatie op de persconferentie: WER WÄHLTRECHTSPOPULISTEN?

Op grond van een online vragenlijst onder een representatieve steekproef van tegen de 5000 inwoners van Duitsland komen de onderzoekers tot de conclusie dat het niet zozeer de objectieve economische positie is die de sympathie voor de AfD verklaart, maar veeleer de angst voor sociale daling (statusangst), die weer blijkt samen te hangen met de indruk dat men er in vergelijking met de eigen ouders op achteruit is gegaan. Daar komen grotere zorgen bij over de eigen toekomstige financiële positie en die van de kinderen.

Die onzekerheid gaat bovendien samen met meer egoïsme, minder vertrouwen in anderen, een autoritair wereldbeeld en een anti-vreemdelingensentiment.

Het is helaas een bekend en vertrouwd beeld dat naar voren komt. Hoog tijd dat politici er meer van doordrongen raken hoe belangrijk bestaanszekerheid als beleidsdoelstelling is.

donderdag 10 augustus 2017

Meer pro-sociaal gedrag door kunstbeoefening en kunstbezoek

Zou het kunnen zijn dat je je door kunst meer verbonden voelt met anderen? En dat je daardoor pro-socialer bent?

Ik heb soms dat gevoel van verbondenheid als ik met kunst in aanraking kom. Het kan zomaar de kop op steken als ik naar Beethoven (of Schubert) luister. Het is misschien in de eerste plaats een gevoel van verwantschap met de componist toen hij de muziek schreef. Hij moet er zelf een gevoel (van schoonheid, van helderheid, van volmaaktheid) bij hebben gehad en ik denk dat ik als luisteraar in dat gevoel deel.

Dat geeft een gevoelde verbondenheid met de persoon Beethoven. Maar doordat ik weet dat veel anderen ook van die muziek houden, breiden die verbondenheid en verwantschap zich ook uit tot die anderen.

Ik had dezelfde ervaring toen ik vorige week in het Kröller-Müller Museum de schilderijen Le bateau-atelier van Claude Monet en Il vient de loin van Paul Gabriel bekeek.

Ik voelde een verwantschap met de makers, kennelijk omdat datgene wat zij hadden uitgekozen om te schilderen mij zo raakte. En ik meende me verbonden te voelen met al die anderen die deze schilderijen weten te waarderen.

Verder dacht ik eigenlijk niet.

Maar dat veranderde toen ik gisteren de studie The Arts as a Catalyst for Human Prosociality and Cooperation voorbij zag komen.

Want daarin laten de onderzoekers, Julie Van de Vyver en Dominic Abrams, met gebruikmaking van de longitudinale dataset Understanding Society zien dat kunstbeoefening en kunstbezoek bevorderlijk zijn voor pro-sociaal gedrag (deelname aan vrijwilligerswerk en donaties aan goede doelen).

Omdat dezelfde mensen in verschillende jaren werden ondervraagd, konden ze aannemelijk maken dat het ook echt om een oorzakelijk verband gaat: door meer kunst op een bepaald tijdstip meer pro-sociaal gedrag later. Temeer omdat ze voor allerlei andere factoren die voor beide van belang zouden kunnen zijn, zoals geslacht, inkomen, opleiding, regio en persoonlijkheid, konden controleren.

Update. Je zou nog kunnen denken dat het verband eraan ligt dat mensen die meer buitenshuis actief zijn, zoals in de vorm van kunstbeoefening en -bezoek, ook meer doen aan pro-sociale activiteiten. Maar dan zou dat ook moeten gelden voor een andere activiteit buitenshuis, sportbeoefening, en dat blijkt niet het geval te zijn.

Dus ging ik denken dat kunst misschien niet alleen zo'n gevoel van verbondenheid kan opwekken, maar misschien daarmee ook het pro-sociale gedrag kan bevorderen dat uit dat gevoel voortvloeit.

We leven nu eenmaal in een maatschappij waarin gevoelens van verbondenheid niet als vanzelfsprekend bestaan. En in diezelfde maatschappij is er een hang naar kunst, naar kunstbeoefening en naar kunstdeelname.

Misschien komt dus die vraag naar kunst voort uit die maar gebrekkig vervulde behoefte aan verbondenheid. En draagt kunst daardoor bij aan pro-sociaal gedrag.

Lijkt me trouwens ook een belangrijk inzicht voor de politiek.

dinsdag 8 augustus 2017

Meer over baanonzekerheid en rechts-extremisme

Ik was op zoek naar meer onderzoek naar het verband tussen bestaansonzekerheid en het hebben van rechts-extremistische opvattingen (zie eerder: Beleid dat bestaansonzekerheid zaait, oogst rechts-extremisme).

En ik kwam terecht bij het vorig jaar al verschenen, maar niet eerder opgemerkte Baanonzekerheid en sympathie voor extreemrechtse partijen.

De Vlaamse onderzoekers Dave Stynen en Hans De Witte laten daarin, aan de hand van een niet-representatieve steekproef (oververtegenwoordiging van jongeren en ouderen en van hoogopgeleiden), zien dat de ervaren baanonzekerheid samenhangt met de mate van sympathie voor het extreem-rechtse Vlaams Belang (in vergelijking met de mate van sympathie voor andere partijen.

Bovendien kunnen ze laten zien langs welke weg dat verband tot stand komt. Je ziet verwachte en gevonden verbanden afgebeeld in het plaatje.

Die statusangst slaat op de bezorgdheid over de eigen financiële toekomst en over de status van de buurt en alledaags racisme op het zich cultureel en economisch bedreigd voelen door migranten.

Een en ander pleit ervoor om niet alleen meer aandacht te hebben voor de negatieve gezondheidseffecten van de flexibele arbeidsmarkt en van de daaruit voortkomende baanonzekerheid, maar ook voor de vervelende politieke gevolgen.

maandag 7 augustus 2017

Deregulering en zelfverrijking in de financiële sector

Vaak spreekt een plaatje boekdelen. Thomas Philippon en Ariell Resheff onderzochten de ontwikkelingen van de beloningen in de financiële sector in de Verenigde Staten: Wages and Human Capital in the U.S. Finance Industry: 1909–2006. Met de bedoeling om na te gaan in hoeverre de veranderingen in de hoogte van die beloningen, in vergelijking met de beloningen in de rest van het bedrijfsleven, uit reguliere economische factoren verklaard kunnen worden. Denk aan factoren als vereiste opleiding en vereiste vaardigheden.

Eenvoudig gezegd is hun conclusie dat een flink deel van die verklaring gezocht moet worden in veranderingen in de mate waarin de financiële sector onderhevig is aan regulering. In het plaatje zie je de ontwikkeling van de relatieve beloningshoogte (blauwe lijn) en de mate van (de-)regulering (rode lijn). Denk bij die regulering aan regels omtrent de scheiding van commerciële banken en investeringsbanken en van banken en verzekeringsmaatschappijen, aan restricties van het werkgebied van banken en aan regels omtrent renteplafonds.



Zie hoe de beloningshoogte sterk reageert op verandering in de mate van regulering. Nadat in de jaren 30 meer werd gereguleerd, zoals met de invoering van de Glass-Steagall Act, die speculatieve activiteiten aan banden legde, namen ook de relatieve beloningen met enige vertraging sterk af. Er begon een tot 1980 durende periode van regulering en lagere, normale en economische te verklaren, beloningen.

Maar toen met de opkomst van het neoliberalisme de gedachte postvatte dat deregulering veel beter zou zijn (laat de markt zijn weldadige werk doen!), waardoor o.a. die Glass-Steagall Act weer werd ingetrokken, keerden ook de excessieve beloningen terug.

En dat werkt door tot vandaag de dag. De vraag is dus of de lessen uit dit plaatje nog wel zullen worden geleerd. Zoals de les dat bonussen in de financiële sector gewoon een slecht idee is. Philippon en Resheff daarover:
regarding earnings profiles, we find that the finance wage bill could be significantly reduced if incentives were the same as in the rest of the private sector. One challenge for future research is to understand why today’s finance industry requires higher powered incentives than other industries and than the finance industry of the 1960s.
Anders gezegd, dat uitgerekend bankiers zo nodig met bonussen moeten worden verleid om hun werk goed te doen, dat valt niet goed te begrijpen.

De bredere les is dat mensen, ook als ze bij een bank werken, best bereid zijn om hun morele intuïties te volgen en zich maatschappelijk verantwoordelijk te gedragen, als ze maar door regels en wetten eraan worden herinnerd dat zulks van hen verwacht wordt.

Maar als dat laatste niet gebeurt, dan is zelfverrijking op grote schaal het gevolg. Scroll even door de berichten op dit blog waarin dat woord zelfverrijking voorkomt.

zondag 6 augustus 2017

Zondagochtendmuziek - Bach, Busoni - Chaconne in D minor BWV 1004 - Helene Grimaud (piano)

Hélène Grimaud speelt een Busoni-bewerking van het laatste deel van een Partita voor vioolsolo van Bach.

Intrigerend omdat dit werk kennelijk uiterst moeilijk is om uit te voeren ("terrifyingly difficult", "have you SEEN the score?"). En intrigerend vanwege de controverses over de kwaliteit ervan, d.w.z. van de bewerking. Lees de commentaren op YouTube. De een vindt het om te huilen zo mooi en de ander is van mening dat Busoni het origineel als een slager heeft behandeld. Zelf vind ik het meer intrigerend dan mooi.



donderdag 3 augustus 2017

Economische crises maken mensen onzeker en daardoor minder vrijgevig

Volgens het onderzoek Geven in Nederland worden Nederlanders al geruime tijd minder vrijgevig. Dat wil zeggen dat ze minder van hun inkomen besteden aan goede doelen. Werd in 1999 nog 0,96 procent van het bruto binnenlands product besteed aan filantropie, in 2015 was dat gedaald naar 0,77 procent. Zie het bericht Nederlanders geven steeds minder uit aan goede doelen op NRC.nl eerder dit jaar.

Als mogelijke verklaringen geeft de onderzoeker, René Bekkers, de ontkerkelijking en de volgens hem algehele achteruitgang van pro-sociaal gedrag onder de bevolking.

Maar het zou kunnen zijn dat je de verklaring deels ook moet zoeken in de economie. Want volgens het onderzoek The Great Recession and charitable giving heeft de Grote Crisis van 2008-2010 een scherpe daling van de donaties aan goede doelen met zich mee gebracht.

Je zou denken dat die daling is toe te schrijven aan de inkomensachteruitgang die velen door die crisis hebben moeten lijden, zoals door werkloosheid.

Maar dat blijkt niet het geval. Ook als je voor inkomensveranderingen controleert, wordt er minder aan goede doelen gegeven.

Dat pleit er voor dat het de algehele onzekerheid is als gevolg van de crisis die maakt dat mensen minder vrijgevig worden.

Dat zou er mee overeenkomen dat mensen meer pro-sociaal gedrag vertonen als ze zich veilig voelen. Denk in dat verband ook aan de veiligheid en bestaanszekerheid die de verzorgingsstaat verschaft, waardoor onderlinge hulpverlening juist wordt aangewakkerd.

Bestaanszekerheid is nu eenmaal een basale menselijke behoefte. Als die wordt aangetast, heeft dat vervelende gevolgen.

In dezelfde lijn liggen de aanwijzingen dat mensen in tijden van economische crises meer geneigd zijn om op rechts-extremistische partijen te stemmen.

dinsdag 1 augustus 2017

Hoe komt het dat we ons in vertrouwde contacten beter voelen dan in vluchtige contacten?

Dat wij groepsdieren zijn, wil zeggen dat we er als gevolg van onze evolutionaire geschiedenis op zijn ingesteld om op te groeien en ons te bewegen in een groep van vertrouwde anderen.

In zo'n groep werken we samen en delen we de beschikbare middelen. En hebben we een gezamenlijke geschiedenis, die eraan bijdraagt dat we de onderlinge relaties als vanzelfsprekend accepteren. Daardoor is de onderlinge (status-)competitie afwezig of neemt hij onschuldige vormen aan, zoals die van spel en wat we tegenwoordig sport noemen. Wat de ruimte creëert om jezelf te kunnen zijn, want je hoeft je niet beter voor te doen dan je bent. Er zijn redenen om te denken dat het leven in zo'n groep van vertrouwde anderen het zinvolle leven is. Zie Gedachten over de positieve gezondheidseffecten van een zinvol leven.

Maar in onze huidige maatschappij is zo'n groep van vertrouwde anderen (familie, vrienden) er nog maar beperkt. Niet alleen is hij voor de meesten van ons nog maar klein van omvang (vandaar de problemen van het sociale isolement van gezinnen en van eenzaamheid), maar ook hebben we daarnaast contacten met anderen met wie we niet of veel minder vertrouwd zijn. Dat zijn de vluchtige contacten of "zwakke bindingen" of "kennissen".

We weten al dat je veel van die vluchtige contacten kunt hebben, terwijl je toch eenzaam bent. Wat eenzaamheid betreft, kunnen we dus het gemis aan die vertrouwde contacten niet compenseren door vluchtige contacten.

Maar het is ingewikkeld, want toch blijken die vluchtige contacten iets toe te voegen aan ons geluksgevoel. Mij lijkt dat je dat moet opvatten als een aanwijzing dat voor de meesten van ons die kring van vertrouwde anderen te klein is. We zoeken naar meer en vinden dat een beetje door die contacten aan de rand van onze groep.

Maar je zou verwachten dat we de voorkeur geven aan de omgang met die vertrouwde contacten. Omdat we daarin meer ons zelf kunnen zijn.

En precies dat komt uit het nieuwe onderzoek Hedonic Benefits of Close and Distant Interaction Partners: The Mediating Roles of Social Approval and Authenticity.

Het onderzoek werd uitgevoerd met behulp van de Experience Sampling Method, die inhield dat een groep van 178 studenten gedurende twee weken vier maal per dag op toevallige tijdstippen een mail ontvingen met een kort vragenlijstje over de laatste interactie die ze daar voor gehad hadden en over hoe goed of slecht ze zich voelden. Dat laatste gebeurde met behulp van de Positive and Negative Affect Schedule .Zo ontstond een bestand van bijna 7000 korte verslagen van sociale interacties. (Natuurlijk had je liever een bredere groep gehad dan alleen studenten.)

De onderzoekers konden vervolgens laten zien dat de studenten zich beter hadden gevoeld in contacten met vertrouwde anderen dan in vluchtige contacten.

En waardoor voelden ze zich beter? Doordat ze meer het gevoel hadden te worden geaccepteerd (meer gerespecteerd worden, aardiger gevonden worden) en meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn (trouw aan zichzelf, niet beïnvloed, trouw aan eigen principes en waarden).

Ook een klein en beperkt onderzoekje kan dus zomaar uitwijzen dat wij nog steeds die sociale diersoort zijn die zich graag omgeven voelt door vertrouwde anderen.

zondag 30 juli 2017

Zondagochtendmuziek - The Art of Listening - Music Documentary (2017)

Nog niet helemaal bekeken - waar haal je de tijd vandaan? -, maar dit is een prachtige, een uur en een kwartier durende film van Michael Coleman en Emmanuel Moran over "de kunst van het luisteren", maar eigenlijk over de kunst van het opnemen en weergeven van muziek:
about the journey music takes to reach a listener’s ear, from the intent of an instrument maker and composer, to the producers and engineers who capture and preserve an artist’s voice. This journey is narrated by intimate conversations with artists, engineers and producers about the philosophy of their work and the intent behind each musical note they create.
This film is an invitation for music fans to rediscover the intricacies and details available in the sounds of their favorite recordings. The Art of Listening is the beginning of a conversation of how the quality of our listening experiences define the medium.
Kijk zo nu en dan een stukje.



donderdag 27 juli 2017

Mensen kunnen veel contacten hebben en toch eenzaam zijn. En zonder dat anderen daar weet van hebben.

Eenzaamheidsgevoelens komen voort uit een gemis aan vertrouwde sociale contacten, contacten dus met degenen bij wie je je jezelf kunt zijn. Waarin je je niet beter of sterker of slimmer hoeft voor te doen dan je in werkelijkheid bent.

Dat betekent dat eenzaamheid bestaat uit twee componenten. De ene is die van het volstrekte sociale isolement. Je komt niet (meer) onder de mensen en verpietert. Je mist niet alleen die vertrouwde sociale contacten, je ontbeert elk contact. De extreme gevallen daarvan kennen we uit de berichten over mensen die na weken of maanden dood in hun woning worden aangetroffen.

Maar er is ook de component van het eenzaam zijn zonder sociaal isolement. Je komt wel onder de mensen, maar je voelt je desondanks eenzaam. Die toestand houdt in dat er iets ontbreekt aan de (vluchtige) contacten die je wel hebt. En dat is dat element van vertrouwdheid, dat maakt dat je "echt" contact kunt hebben, waarin je openhartig kunt zijn over wat je bezighoudt.

Dat onderscheid tussen die twee componenten komt in het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar voren in het verschil tussen subjectief ervaren eenzaamheid als een gevoel en eenvoudigweg het aantal contacten dat je hebt (of in een vragenlijst aangeeft te hebben). En die twee hangen doorgaans statistisch significant samen, maar het verband is vaak niet sterk. Wat o.a. inhoudt dat mensen met veel contacten nog behoorlijk eenzaam kunnen zijn.

Dat is ook het geval in het nieuwe onderzoek Feeling lonely when not socially isolated. Het gaat om een klein onderzoekje, maar de resultaten zijn interessant. Ruim honderd Koreanen vulden een vragenlijstje in en hielden een week lang een dagboekje bij over hun sociale interacties. In dat vragenlijstje gaven ze aan hoe eenzaam ze zich voelden (met de Revised UCLA Loneliness Scale). Dat werd aangevuld met de inschatting van hun eenzaamheidsgevoel door drie informanten, bekenden die zij zelf hadden opgegeven. Ook gaven ze aan hoeveel contacten ze hadden (met de Social Network Index).

Het bleek toen inderdaad dat eenzaamheid en het aantal contacten zwak, maar wel significant, samenhingen. Bovendien hing eenzaamheid negatief samen met het aantal interacties met vertrouwde contacten (strong ties) zoals dat uit het dagboekje naar voren kwam. Hoe minder van zulke vertrouwde interacties, hoe eenzamer. En hoe minder positieve gevoelens en hoe minder wederzijds openhartigheid.

Daarentegen hing het aantal interacties met vluchtige contacten (weak ties) niet samen met hoe eenzaam je je voelde. Anders gezegd: eenzaamheid als het gebrek aan contacten met vertrouwde relaties is niet te compenseren met het hebben van meer vluchtige contacten. (Maar bedenk daarbij dat volgens ander onderzoek meer contacten met die weak ties wel bijdragen aan onze geluksgevoelens. Zie Is de kring van mensen waarmee we omgaan te klein? Dat zou kunnen liggen aan het verschil tussen niet eenzaam zijn en gelukkig zijn.)

Sociale vluchtigheid als het hebben van veel oppervlakkige contacten kan dus goed samen gaan met sterke gevoelens van eenzaamheid. Die overigens niet hoeven te worden opgemerkt door anderen. Want het onderzoek laat zien dat de eenzaamheid van degenen met een groot aantal contacten minder samenhing met de door de informanten ingeschatte eenzaamheid dan in het geval van degenen met weinig contacten.

Je kunt een groot netwerk hebben en toch eenzaam zijn, zonder dat anderen daar weet van hebben.

maandag 24 juli 2017

Is slechts een op de vijf mensenlevens een leven zonder een psychische aandoening?

Er zijn aanwijzingen voor een ernstige mismatch tussen de fysieke en sociale omgeving waarin mensen tegenwoordig hun leven doorbrengen en het soort omgeving waarop mensen in het verleden werden geselecteerd en waarop ze qua aanleg zijn voorbereid.

Dat is niet verwonderlijk, want een zo grote en snelle verandering in de leefomgeving zoals de mensheid die sinds de landbouwrevolutie heeft meegemaakt, komt in het dierenrijk maar weinig voor. Of leidt, als hij voorkomt, al gauw tot het uitsterven van de soort.

De gevolgen van die snelle verandering valt af te lezen aan het voorkomen van fysieke en psychische gezondheidsproblemen. Het opgroeien in een omgeving die niet zo goed bij ons past, gaat gepaard met type II allostatische stress, die op den duur gezondheidsproblemen met zich brengt. Een belangrijke oorzaak lijkt te zijn dat we meer dan goed voor ons is geconfronteerd worden met de uitdagingen van statuscompetitie en eenzaamheid. Zie De weg van eenzaamheid en sociale stress via verhoogde ontstekingsactiviteit naar gezondheidsproblemen.

Er kan discussie zijn over hoe ernstig de problemen zijn. Je kunt je schouders erbij ophalen en erop vertrouwen dat mensen zo flexibel zijn dat ze zich wel aan van alles kunnen aanpassen. Dat is de gedachte van de menselijke natuur als een onbeschreven blad (blank slate). Maar die gedachte is in de sociale wetenschappen al tientallen jaren op zijn retour.

Dat de problemen wel degelijk serieus zijn, zou je kunnen beseffen als je bedenkt hoeveel mensen lijden aan een psychische aandoening. Er zijn schattingen dat per jaar tegen de 40 procent last heeft van enige psychische aandoening (angststoornis, depressie, slapeloosheid, somatomorfe stoornis, alcohol- en drugsverslaving of ADHD). Dat die stoornissen te maken hebben met het soort omgeving waaraan mensen zich moeten aanpassen, lijkt waarschijnlijk als je bedenkt dat de meeste problemen beginnen gedurende de adolescentie en jongvolwassenheid. Zie Hoeveel Europeanen lijden aan een mentale stoornis? En zie voor aanwijzingen voor een toename van psychische problemen: De toename van psychische problemen is een echte toename, niet alleen maar een toename van diagnoses.

Wat zou dat betekenen als je zou kunnen kijken naar hoeveel mensen gedurende hun leven tenminste één periode doormaken waarin ze aan een psychische aandoening lijden? Of anders gezegd, hoeveel mensen blijven er gedurende hun leven van gevrijwaard?

Het nieuwe onderzoek Enduring Mental Health: Prevalence and Prediction geeft daar een antwoord op. Zie ook Mental Illness Is Far More Common Than We Knew. De onderzoekers volgden een generatie inwoners van een stad in Nieuw-Zeeland van de geboorte tot dat ze 38 jaar waren. Wat de jaarlijkse prevalentie betreft, wijkt de stad niet af van wat een normaal gemiddelde is. Het blijkt dan dat voor ruim 80 procent van deze generatie geldt dat ze op tenminste enig moment in hun leven een (overigens vaak korte) periode doormaakten waarin ze last hadden van een psychische aandoening. Slechts 17 procent bleef van enige aandoening gevrijwaard.

Andere studies wijzen in dezelfde richting wijzen. Het meemaken van een periode van psychische lijden lijkt dus eerder de norm dan een uitzondering.

zondag 23 juli 2017

Zondagochtendmuziek - Ariadne's Thread, A dialogue between Greek, Turkish and Belgian musician...

Ik kwam op de Vlaamse klassieke muziekzender terecht in dat prachtige programma Playtime, waarin Chantal De Waele gesprekken voert met musici over hun muziek, maar vooral ook over hun instrument.

Gisteren was Sofie Vanden Eynde te gast, die luit en theorbe speelt. Ik vond het fascinerend. Je kunt het hele programma hier beluisteren (kies zaterdag 22 juli).

Ik zocht Sofie Vanden Eynde op YouTube en stuitte op deze prachtige muziek, uitgevoerd door Turkse, Griekse en Belgische musici.



vrijdag 21 juli 2017

Yanis Varoufakis over het Griekse drama - en over hoe het kwam dat de waarheid niet verteld mocht worden

De economiehoogleraar Yanis Varoufakis was van 27 januari 2015 tot 6 juli 2015 minister van Financiën van het geplaagde Griekenland in de regering Tsipras. Over zijn ervaringen en de gebeurtenissen in die periode, die eindigde met zijn terugtreden omdat hij het niet eens was met het buigen van die regering voor de onzinnige eisen van de schuldeisers (de "Trojka", de "instituties") schreef hij het boek Adults in the Room. My Battle With Europe's Deep Establishment.

Dat boek begint nu de passende positieve aandacht te krijgen. Lees de recensies in The Guardian, De Volkskrant en NRC/Handelsblad. En hier de bespreking op Inside Story.

En luister hieronder een half uurtje naar een interview met Varoufakis naar aanleiding van het verschijnen van het boek.

Het is een meeslepend en onthullend boek. Ik ben nu halverwege en kan het nauwelijks wegleggen. Later meer er over, maar nu alvast de allesoverheersende indruk die van alle indrukken bij mij het meest blijft hangen.



Daarin speelt de Duitse bondskanselier Merkel een cruciale rol. Hoe zit dat? Dat de institutionele opzet van de euro niet deugde, begon vanaf 2008, bij het uitbreken van de financiële crisis in de Verenigde Staten, aan het licht te komen. De eerste reactie van Merkel daarop was dat ze in een toespraak zelfvoldaan de Angelsaksische overheden en bankiers voorhield dat ze zoals de Duitsers de schwäbische Hausfrau als voorbeeld hadden moeten nemen.

Die schwäbische Hausfrau staat voor het altijd goed op de centjes passen en niet meer uitgeven dan er binnenkomt. Dat is inderdaad een behoorlijk goed voorbeeld voor individuele huishoudens, maar juist niet voor overheden die met een gehele economie te maken hebben. Zie mijn eerdere bericht
Een economische (en sociale) calamiteit van historische omvang - de Schwäbische Hausfrau en de bezuinigingszeepbel.

Maar nog los van dat beperkte economische inzicht waar Merkel blijk van gaf, kreeg ze niet lang daarna gevoelig het lid op de neus, toen de berichten binnen kwamen dat ook de Duitse banken, en de Franse, in grote problemen bleken te verkeren. Die banken moesten gered worden. Wat ook inhield dat er geld moest naar de Italiaanse, Portugese, Spaanse en Griekse regeringen, omdat die Duitse en Franse banken daar zo onverantwoordelijk hoge bedragen aan geleend hadden.

Hoe moest dat aan de Bondsdag en aan de Duitse kiezers verkocht worden? Terwijl ze juist zo voluit had ingespeeld op die Duitse zelfvoldaanheid (Am deutschen Wesen mag die Welt genesen). En ze de kiezers had voorgehouden dat het zo goed is om altijd zuinig op de centjes te zijn en dat dus bezuinigingen op de ziekenhuizen, de scholen, de infrastructuur, de sociale zekerheid en het milieu echt nodig waren.

Samen met de Fransen vond ze de oplossing. Toen de banken voor een tweede keer met heel veel geld gered moesten worden, werd dat gepresenteerd als een daad van solidariteit met de spilzieke en luie Grieken, 
who while unworthy and intolerable were still members of the European family and would therefore have to berescued. Conveniently, this necessitated providing them with a further gargantuan loan with which to pay off their French and German creditors, the failing banks.(p. 26)
Een geniale vondst, want:
This was the beauty of the Greek bailout, at least for France and Germany: it dumped most of the burden of bailing out the French and German banks onto taxpayers from nations even poorer than Greece, such as Portugal and Slovakia. They, together with unsuspecting taxpayers from the IMF's co-funders such as Brazil and Indonesia, would be forced to wire money to the Paris and Frankfurt banks. (p. 27)
En daarmee werd tot in lengte van jaren, tot vandaag de dag, de toon gezet. De luie Grieken hadden het gedaan en de schade kon deels op derden verhaald worden.

De Duitse kiezers werd een rad voor ogen gedraaid. En dat betekende dat het onmogelijk werd hen ooit nog de waarheid te vertellen.

Vandaar dat vanaf die tijd Wolfgang Schäuble, de Duitse minister van Financiën, bij elk voorstel om de onhoudbare Griekse schuld kwijt te schelden, hoe miniem ook, geloofwaardig kon dreigen dat zulks aan de Duitse Bondsdag zou moeten worden voorgelegd en dat die daar nimmer mee zou instemmen. Dat zou immers betekenen dat Merkel hen eerder op het verkeerde been had gezet.

En zo kon ook die curieuze situatie ontstaan dat Varoufakis in een-op-een gesprekken met allerlei hoofd- of bijrolspelers in het drama op spontane instemming met zijn analyse kon rekenen, terwijl minuten later in de persconferenties in complete tegenstelling daarmee de officiële, door de Duitsers ingefluisterde, standpunten werden opgedreund. Er was een stilzwijgend complot gesmeed: de waarheid kon slechts achter gesloten deuren onder woorden worden gebracht.

Zo ontwikkelde zich het beeld van een sekte die in Europa aan de macht is.

woensdag 19 juli 2017

Door meer autonomie op het werk hoger welzijn

We hebben een maatschappij tot stand gebracht waarin het hebben van betaald werk heel belangrijk is voor ons welbevinden, maar waarin tegelijkertijd de activiteit van het betaald werken een van de minst gewaardeerde bezigheden is. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee.

Dat we gemiddeld genomen zo ontevreden zijn over de activiteit van het betaald werk kan ermee te maken hebben dat de werkomstandigheden ons weinig gevoel van controle verschaffen. Wat we moeten doen en hoe we dat moeten doen wordt ons in hoge mate voorgeschreven door de leidinggevende en de omschrijvingen van de taken die we uitvoeren. Weinig autonomie op het werk dus en dat probleem neemt en dat probleem neemt volgens de cijfers van het CBS alleen maar toe.

Terwijl autonomie op het werk van groot belang is voor ons welzijn. Een baan met meer autonomie geeft minder kans op een burn out.

Nieuwe aanwijzingen voor het belang van autonomie op het werk voor welzijn en tevredenheid geeft het onderzoek Autonomy in Paid Work and Employee Subjective Well-Being. De gegevens van twee golven (2010-2011 en 2012-2013) van het Understanding Society - panel, waarin 40.000 werknemers werden ondervraagd, bevestigen de positieve welzijnseffecten van autonomie in het werk. Ook bij controle van leeftijd, opleiding, aantal kinderen en inkomen.

Leidinggevenden en managers scoren hoger op autonomie én op welzijn en tevredenheid. Het zou kunnen dat ze inzicht hebben in het verband tussen het en een het andere. Maar ze weten kennelijk in het leiding geven niet goed naar dat inzicht te handelen. Organisaties kennen nog altijd een hoge mate van hiërarchie. Of de hiërarchie op het werk is zelfs aan het toenemen. Voor Amerikaanse toestanden lees: How bosses are (literally) like dictators. Americans think they live in a democracy. But their workplaces are small tyrannies.

Hoe deze negatieve trend te keren? Het ligt voor de hand te denken dat lagere werkloosheid, volledige werkgelegenheid, erg zou helpen. Werknemers kunnen dan hogere eisen stellen. En misschien gaan we echt een ontwikkeling zien in de richting van een coöperatieve economie. Of moeten we naar het onvoorwaardelijke basisinkomen, waardoor je niet meer elke rotbaan hoeft te accepteren?

zondag 16 juli 2017

Zondagochtendmuziek - Christian McBride Big Band Live at Dizzy's April 2017 - 1st Set

Het North Sea Jazz festival is weer achter de rug. Ik was er niet bij, maar sommige concerten had ik graag meegemaakt. Zoals dat van het Christian McBride's New Jawn Quartet.

Maar kijk eens aan: op YouTube staat zomaar de eerste set van dit prachtige concert eerder dit jaar van de Christian McBride Big Band in Dizzy's Club in het Lincoln Center in New York. Daar was ik ook graag bij geweest. Mooi dat dat Big Band-fenomeen blijft voortbestaan.

Het is ook een prachtige locatie, met uitzicht op Central Park. Jaren geleden was ik er.


woensdag 12 juli 2017

Door pro-sociaal gedrag gelukkiger - nieuwe aanwijzingen

Een maatschappij kan alleen goed functioneren als mensen met elkaar rekening houden. Anders gezegd, als mensen niet genoeg bereid zijn tot pro-sociaal gedrag, dan ontstaat een samenleving waarin het niet goed toeven is.

Dat mensen bereid zijn tot pro-sociaal gedrag zal er mee te maken hebben dat het ons een goed gevoel geeft om iets voor anderen te doen. Denk aan Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever.

In dat bericht ging het over een onderzoek met meer dan 200.000 ondervraagden verdeeld over 136 landen. Mensen die in de vorige maand geld hadden gegeven aan een goed doel waren gelukkiger of tevredener met hun leven dan mensen die dat niet hadden gedaan. Dit verband bestond in elk van de zeven onderscheiden cultureel/geografische gebieden: Afrika, Azië, Europa, de voormalige Sovjet-Unie en Oost-Europa, Latijns Amerika, Iran en het Midden-oosten en de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland.

Ook vroegen de onderzoekers aan mensen (in een beperkter aantal landen) om terug te denken aan een besteding die ze hadden gedaan ten behoeve van iemand anders (pro-sociaal) of aan een besteding voor zichzelf. Degenen die gevraagd waren terug te denken aan een pro-sociale besteding scoorden daarna hoger op een vragenlijstje voor subjectief welbevinden dan degenen die hadden teruggedacht aan een besteding voor zichzelf. En hoger dan degenen die nergens aan hadden teruggedacht. Ook lieten ze mensen iets voor zichzelf aanschaffen of iets voor een goed doel. Ook dan voelden de mensen die iets hadden aangeschaft voor een goed doel zich beter dan degenen die iets hadden aangeschaft voor zichzelf. Dit wijst er op dat de oorzakelijke richting van het verband inderdaad die is van het iets geven naar het zich beter voelen.

De resultaten van de nieuwe studie A neural link between generosity and happiness, met Ernst Fehr als een van de onderzoekers, wijzen in dezelfde richting. De onderzoekers verdeelden de proefpersonen over een experimentele groep, die in het vooruitzicht werd gesteld dat ze geld zouden krijgen om aan anderen weg te geven, en een controlegroep met het vooruitzicht dat ze geld zouden kregen om voor zichzelf te besteden. 

Daarna waren beide groepen gelukkiger dan ze daarvoor waren, maar dat gold meer voor de experimentele groep dan voor de controlegroep. Dat zou een opvallende uitkomst zijn als je uitging van een egoïstisch mensbeeld. want die experimentele groep hield dus van dat geld dat ze kregen niets zelf over. Een duidelijke aanwijzing dat mensen juist niet van nature alleen maar egoïstisch zijn

Vervolgens kregen de proefpersonen in het laboratorium de gelegenheid om verschillende opties te accepteren of af te wijzen waarin een zelfgekozen andere persoon een bepaald bedrag aan geld zou ontvangen tegen een verlies aan geld voor de proefpersoon zelf. Het ging er dus om hoe pro-sociaal je bent ook als het jezelf iets kost. Die taak voerden ze uit terwijl hun hersenactiviteit werd gemeten met een fMRI-scan.

Het bleek toen dat de experimentele groep pro-socialere keuzes maakte en zich na afloop gelukkiger voelde dan de controlegroep. Dat was ook af te lezen aan de verschillen in activiteit van de hersengebieden die onder meer samenhangen met pro-sociaal gedrag (de temporaal-pariëtale junctie), met beloond worden en het hebben van een goed gevoel (het ventrale striatum en de orbitofrontale cortex) en de activiteit van de verbindingen tussen die gebieden.

Er zijn aanwijzingen dat mensen zelf niet zo goed doorhebben dat pro-sociaal gedrag gelukkiger maakt. Dat doet je verlangen dat onderzoek als dit grotere bekendheid krijgt. Bedenk daarbij trouwens dat voorschoolse kinderen dat beter lijken door te hebben dan volwassenen. Zie Hebben kinderen beter door dan volwassenen dat je je door te delen gelukkiger voelt?

Zouden kinderen dat verband tussen delen en geluk gedurende het opgroeien in die maatschappij van ons door schade en schande afleren? 

dinsdag 11 juli 2017

Door eenzaamheid raak je meer op jezelf gericht, waardoor je nog eenzamer wordt

 Mensen zijn van nature groepsdieren. Dat maakt dat wij erop zijn geselecteerd om sociaal isolement en afgewezen zijn als negatief en pijnlijk te ervaren. Als het gevoel van eenzaamheid.

We weten dat eenzaamheid op den duur dus ook niet goed voor ons is. Het is een stressvolle toestand, die via verhoogde ontstekingsactiviteit leidt tot gezondheidsproblemen.

Je zou daarnaast ook verwachten dat onze evolutionaire geschiedenis ons ertoe heeft toegerust om aan die toestand van eenzaamheid zo gauw mogelijk een einde te maken. Om daartoe gemotiveerd te zijn en om te weten wat je daarvoor moet doen.

Maar zo eenvoudig lijkt dat niet in elkaar te steken. Want gedurende verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis was de kans op eenzaamheid verwaarloosbaar. In de jagers-verzamelaarssamenlevingen groeide je op en bracht je je leven door in een groep van vertrouwde anderen. Die groep was altijd binnen bereik en mocht je te ver afgedwaald zijn, dan bestond de oplossing er eenvoudig uit om terug te keren. En als je door jouw egoïstische of bazige gedrag negatieve reacties en sociale afwijzing uitlokte, dan werd je meestal ook wel duidelijk gemaakt hoe je je gedrag moest veranderen. 

Onze huidige manier van samenleven, en niet-samenleven, verschilt natuurlijk sterk van die Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars. Niet alleen is de kans op eenzaamheid veel groter, maar ook is het meestal niet zo gemakkelijk om die toestand op te heffen. Want er is niet die vertrouwde groep waar je naar terug kunt keren of waar je weer door geaccepteerd wordt door je beter te gaan gedragen. We leven in evolutionair nieuwe omstandigheden, waar we maar slecht op zijn voorbereid.

Dat verklaart bijvoorbeeld dat eenzaamheid als gevolg van sociale afwijzing ons in een spagaat kan brengen van zowel afstand houden als contact zoeken. Want onderzoek laat zien, en ik citeer uit een vorig bericht, dat eenzaamheid ons brengt tor een
reactiepatroon (dat) lijkt overeen te komen met de gevolgen van de onveilige hechtingsstijl. Op bewust niveau zijn we er op uit om afstand tot anderen te houden, uit vrees voor nieuwe afwijzing en teleurstelling. We proberen onszelf als het ware voor te houden dat we een band met anderen niet (meer) moeten nastreven.
Maar in ons onbewuste, automatische gedrag laten we daarentegen zien dat we er op uit zijn om die band met anderen juist wel tot stand te brengen, om de sociale afstand te verkleinen.
Hoe los je die spagaat op? Het nieuwe onderzoek Reciprocal Influences Between Loneliness and Self-Centeredness, met John T. Cacioppo als eerste auteur, doet vermoeden dat mensen op eenzaamheid reageren, en dus die spagaat "oplossen", met een toename van egocentrisme.

De onderzoekers volgden een toevalssteekproef van inwoners van Cook County in Illinois gedurende 10 jaar met jaarlijks een meting. De mate van egocentrisme werd vastgesteld met de Chronic Self-Focus Scale, die bestaat uit zes uitspraken waarvan je kunt aangeven in hoeverre je het er mee (on)eens bent. Drie van die uitspraken zijn
“I can sometimes be a little self-centered”
“I think about myself a lot”
"In my conversations with others, I tend to talk about myself a lot"
Ik zou benieuwd zijn naar de andere drie, maar die zijn niet te vinden. (Ik heb een van de ontwerpers van de schaal gemaild, maar nog geen reactie gehad.)

De onderzoekers verwachten dat eenzaamheid een toename van egocentrisme opwekt als een adequate of adequaat lijkende reactie. Want ja, als ik er dan toch alleen voor sta, dan moet ik ook meer op mezelf vertrouwen en dus mezelf meer centraal stellen. Niet alleen heb ik geen anderen om voor te zorgen, ook is er niemand anders die voor mij zorgt dan ikzelf.

En dat komt ook uit dat onderzoek. Een toename van eenzaamheid in een bepaald jaar gaat samen met een (geringe) toename van egocentrisme in het daaropvolgende jaar.

Dat brengt je misschien op het idee dat die toename van egocentrisme op zijn beurt weer kan leiden tot meer eenzaamheid. Want als je egocentrisch bent, zoek je minder contact met anderen en vinden anderen jou minder aangenaam gezelschap.

En inderdaad blijkt dat het geval te zijn. Een toename van egocentrisme in een bepaald jaar gaat samen met een (geringe) toename van eenzaamheid in het daaropvolgende jaar.

Dat wijst dus op het bestaan van een tragisch, zichzelf versterkend proces: door eenzaamheid ben je meer op jezelf gericht en door meer op jezelf gericht te zijn wordt je eenzamer.

zondag 25 juni 2017

Zondagochtendmuziek - Daniil Trifonov - Beethoven - Piano Sonata No 32 in C minor, Op 111



Vrienden waren laaiend enthousiast over de uitvoering van de Pianosonate nr. 32 (opus 111) van Beethoven door Murray Perahia in Eindhoven. Daar was ik helaas niet bij.

Maar het maakte me wel weer even benieuwd naar uitvoeringen van die laatste pianosonate van Beethoven. Jan de Kruijff geeft daarover veel informatie.

Maar deze uitvoering uit 2014 in New York door de in 1991 in Nizhny Novgorod geboren Daniil Trofonov komt daarin nog niet voor. Ik heb er ademloos naar geluisterd en gekeken. In de commentaren wordt veel geklaagd over het kuchende publiek. Maat dat was me eigenlijk helemaal niet opgevallen.

vrijdag 23 juni 2017

Na de privatiseringsgolf is er nu volop renationalisering - Welke lessen zijn daaruit te trekken?

Een onderdeel van de opkomst van de ideologie van de kleine overheid enkele tientallen jaren geleden was de vaste overtuiging dat publieke diensten veel beter geprivatiseerd konden worden. 

Openbaar vervoer, levering van water en energie, kinderopvang, zwembaden en zelfs gevangenissen, alles kon beter via de markt verschaft worden. Want door gebrek aan concurrentie was overheidsvoorziening altijd inefficiënt, duur en van slechte kwaliteit. Als bedrijven en hun werknemers niet onder druk staan van de tucht van de markt, dan spannen ze zich niet genoeg in en leveren ze slecht werk af.

En zo kwam er wereldwijd een privatiseringsgolf. Maar de aanwijzingen zijn dat er nu een tegengestelde beweging plaats vindt. Er wordt weer volop gerenationaliseerd. Wat eerder de markt op werd geduwd, komt nu weer terug in overheidshanden.

Dat blijkt uit het rapport Reclaiming Public Services:How cities and citizens are turning backprivatisation, waar Trouw vandaag over bericht: Privatisering wordt wereldwijd weer volop teruggedraaid.

Dat rapport opent met een fraai inleidend hoofdstuk, waar ik de eerste alinea's maar even uit citeer (lees daarna verder voor de lessen die zijn te trekken):
You would be forgiven, especially if you live in Europe, to think that public services are by nature expensive, inefficient, maybe even somewhat outdated, and that reforming them to adapt to new challenges is difficult. It would seem natural to assume – because this is what most politicians, media and so-called experts tell us continuously – that we, as citizens and users, should resign ourselves to paying ever higher tariffs for services of an ever lower standard, and that service workers have no choice but to accept ever more degraded conditions. It would seem that private companies will inevitably play an ever larger role in the provision of public services, because everything has a price, because politicians have lost sight of the common good and citizens are only interested in their own individual pursuits. 
This book, however, tells a completely different story. Sometimes it may feel as though we are living in a time when profit and austerity – when it is not authoritarianism and xenophobia – are our only horizons. In reality, below the radar, thousands of politicians, public officials, workers and unions, and social movements are working to reclaim or create effective public services that address the basic needs of people and respond to our social, environmental and climate challenges. They do this most often at the local level. Our research shows there have been at least 835 examples of (re)municipalisation of public services worldwide in recent years, involving more than 1,600 cities in 45 countries. And these (re) municipalisations generally succeeded in bringing down costs and tariffs, improving conditions for workers and boosting service quality, while ensuring greater transparency and accountability.
This (re)municipalisation1 wave is especially strong in Europe, but it is also gaining strength elsewhere in the world. What is more, many of the 835 examples we identified are not merely technical changes in ownership but very often entail broader economic, social and environmental changes. (Re)municipalisation initiatives emerge from a range of motivations, from addressing private sector abuse or labour violations, recovering control over the local economy and resources, or providing affordable services to people, to implementing ambitious energy transition and environmental strategies. (Re)municipalisations occur at all levels, with different models of public ownership, and with various levels of involvement from citizens and workers. But out of this diversity a coherent picture nevertheless can be drawn: the movement for (re)municipalisation is growing and spreading, despite the continued top-down push for privatisation and austerity policies. 
Remunicipalisation refers to the return of public services from private to public delivery. More precisely, remunicipalisation is the passage of public services from privatisation in any of its various forms – including private ownership of assets, outsourcing of services and public-private partnerships (PPPs) – to public ownership, public management and democratic control. While our main focus in this research is on cases of return to full public ownership, the survey also includes cases of predominantly publicly owned services when the model is implemented with clear public values, to serve public objectives and when it contains a form of democratic accountability.
Een eerste les die daaruit valt te trekken is dat we kennelijk met zijn allen nog niet zo goed weten hoe we in het publieke domein de dienstverlening het beste kunnen organiseren. Dat is niet verwonderlijk, want we hebben als mensheid nog maar kort ervaring met de werking van de markt en van de overheid. En met hoe deze beide coördinatiemechanismen aansluiten op de natuurlijke vermogens en beperkingen van mensen.

De privatiseringsgolf was op het vermoeden gebaseerd dat mensen bij uitstek door de noodzaak van concurrentie met anderen en door het streven naar winst gemotiveerd worden. Maar de huidige renationaliseringsgolf lijkt erop te wijzen dat we die andere menselijke motivatie, die om bij te dragen aan de publieke zaak, om iets te doen voor het collectief, niet moeten verwaarlozen.

En dat is de tweede belangrijke les. Want door een publieke dienst te privatiseren en daarmee het signaal te geven dat vanaf nu vertrouwd wordt op de werking van het egoïstische concurrentie- en winstmotief, gooien we dat pro-sociale motief overboord. De wens om je voor het collectief, voor anderen, voor je "klanten", in te spannen wordt door dat signaal als het ware verdrongen. Denk aan dat proces van crowding out.

En misschien is die extra, pro-sociale inspanning nu juist erg nodig als het gaat om publieke dienstverlening. Ik moest denken aan het bezoek dat ik ergens eind jaren tachtig bracht aan een waterleidingbedrijf in het kader van een stagebegeleiding. Dat bedrijf moest weliswaar niet geprivatiseerd worden, maar wel commerciëler gaan werken. Dat hield onder meer in dat er uitkeringen zouden moeten worden verstrekt aan de aandeelhouders, dat wil zeggen de gemeenten. Gemeenten kregen daardoor een belang bij hogere uitkeringen. Het winstmotief zou moeten worden aangeboord.

Het hoofd personeelszaken, die later waarschijnlijk HR-manager is gaan heten, was sceptisch. Hij vertelde dat hij tot dan toe ervan uit kon gaan dat zijn personeel sterk gemotiveerd was door het publieke karakter van hun werk. Mensen moesten altijd kunnen rekenen op veilig drinkwater, dat stond voorop en dat rechtvaardigde de extra inspanningen die soms nodig waren. Hij vreesde dat het winstmotief die motivatie zou verzwakken.

Inzicht in dat proces van crowding-out zou wel eens te maken kunnen hebben met die renationaliseringsgolf die we nu meemaken.

En dat zou geheel in lijn zijn met onderzoek dat laat zien dat werkers in de publieke sector pro-socialer zijn dan in de marktsector. Denk aan Werkers in publieke sector zijn pro-socialer dan in bedrijfsleven en aan Mensen die er meer voor anderen willen zijn, werken meer in de publieke sector dan in de marktsector.

maandag 19 juni 2017

Politiek is niet een debatwedstrijd, maar een zaak van leven en dood - Chris Dillow over de Grenfell-ramp

Het aantal doden als gevolg van de brand in de Grenfell Tower in Londen is nu naar alle waarschijnlijkheid opgelopen tot 79. De ramp is bezig het symbool te worden van een gebroken Groot-Brittannië, van een land waar nu al jaren lang de ideologie van de kleine overheid, de bezuinigingszeepbel, hoogtij vierde.

De ellende die dat idiote bezuinigingsbeleid veroorzaakte, juist ook in economische zin idioot, kon lang verborgen blijven, maar komt nu wel heel schrijnend aan het licht. In Grenfell Tower, blijkt nu, werd onverantwoord bezuinigd op de brandveiligheid. Vanity Fair omschreef dat als volgt:
Indeed, as we now know, the apartment block had just one external stairway, no central alarm or sprinkler systems, and was clad in a combustible material that would have generally been banned in the United States for buildings taller than 40 feet. The tenants were essentially living on the top of a highly inflammable firetrap, one in which mass evacuation was impossible, as was evidenced when a few of victims filmed their last moments with their phones. The authorities appeared to have ignored multiple warnings that drew from the experience of fires in other properties under their control, simply because they were not constrained by the law and knew the tenants were powerless to do anything. The conclusion seemed clear to many—if the complaints and warnings had been made by tenants in any of the wealthier areas of the Royal Borough of Kensington and Chelsea, something would have been done.
Daarmee staat de brand symbool voor wat een politiek kan aanrichten die in de neo-liberale fantasiewereld gelooft van de overheid als probleem in plaats van als oplossing. Minder regulering, meer privatisering, minder sociale zekerheid. Denk ook even aan dat andere symbool, de prachtige en ontroerende film I, Daniel Blake van Ken Loach. En neem kennis van de protesten waar de ramp aanleiding toe heeft gegeven: ‘We want justice’: Grenfell Tower protests spill on to streets.

Chris Dillow verbindt er de les aan dat politiek niet zomaar een debatspelletje is, maar een zaak van leven en dood. De media in Engeland, maar evenzeer in Nederland, hebben er een handje van om politiek als een vorm van amusement te presenteren. Dat zal wel iets te maken hebben met de strijd om kijkcijfers. Dillow daarover:
There’s one aspect of the Grenfell catastrophe that is perhaps under-appreciated – that it should finally kill off what is perhaps the dominant conception of politics in the media.
I’m thinking here of the idea that politics is an Oxford Union-style game. There’s jockeying for position, gossip and backbiting in which (over)-confidence, fluency and a particular conception of “credibility” are prized above all, but the game is mostly among jolly good chaps. And it’s a low-stakes one. The worst crime is to conduct a “car crash” interview, and the losers retire to spend more time with their trust funds and sinecures.
De hoop is dat het drama eraan bijdraagt dat politiek weer gezien wordt als wat het is, een serieuze zaak, die serieus en met verantwoordelijkheidsgevoel dient te worden beoefend en in de media behandeld. Daarzonder kan de democratie niet gedijen.
Herein lies my hope. Grenfell might – just might - be a turning point. It shows that politics can no longer be seen as a debating game from which the poor are excluded. It must instead become a serious matter which has life and death consequences, in which the interests and voices of the worst off are finally given full value, and in which there's no place for childish games.
De blogs van Chris Dillow (op Stumbling and Mumbling) zijn eigenlijk altijd stof tot nadenken.

woensdag 14 juni 2017

Waardoor hebben adolescenten eigenlijk niet allemaal het gevoel dat ze zichzelf kunnen zijn?

Adolescenten staan in onze manier van samenleven voor grote uitdagingen. Ze moeten voldoen aan de eisen van de school en ze moeten een plek zien te vinden in de sociale omgeving van de leeftijdsgenoten. Adolescenten zijn in onze maatschappij ook altijd scholieren.

Dat zijn uitdagingen die slecht tegemoetkomen aan de menselijke behoefte aan authenticiteit, aan de behoefte om jezelf te kunnen zijn. Het onderwijs blijft nu eenmaal een setting waarin je door een molen gaat van vakken, roosters, proefwerken, huiswerkverplichtingen en examens. En de peer group nodigt uit tot een strijd om wie populair is en in die strijd kun je vaak juist niet jezelf zijn.

In de studie Happy To Be “Me?” Authenticity, Psychological Need Satisfaction, and Subjective Well-Being in Adolescence keken onderzoekers naar het belang van jezelf kunnen zijn voor het welzijn van adolescenten. De mate waarin je van oordeel bent dat je jezelf kunt zijn, werd vastgesteld met de Authenticity Scale, die eruit bestaat dat je van de volgende 12 uitspraken moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn:
  1. I think it is better to be yourself, than to be popular.
  2. I don’t know how I really feel inside.*
  3. I am strongly influenced by the opinions of others.*
  4. I usually do what other people tell me to do.*
  5. I always feel I need to do what others expect me to do.*
  6. Other people influence me greatly.*
  7. I feel as if I don’t know myself very well.*
  8. I always stand by what I believe in.
  9. I am true to myself in most situations.
  10. I feel out of touch with the ‘real me.’*
  11. I live in accordance with my values and beliefs.
  12. I feel alienated from myself.*
Hoe minder je de uitspraken met een sterretje op jou van toepassing vindt en hoe meer de andere uitspraken, hoe meer je het gevoel hebt dat je authentiek kunt zijn.

Uit het onderzoek, deels in Nederland en deels in Engeland uitgevoerd, blijkt een duidelijke samenhang tussen de mate van authenticiteit en het welzijn (gemeten aan het ervaren van positieve en negatieve gevoelens en aan de tevredenheid met het leven). Je voelt je beter als je meer jezelf kunt zijn.

Voor alle duidelijkheid, dat wijst erop dat adolescenten/scholieren dus maar beperkt zichzelf kunnen zijn. Hoogstwaarschijnlijk als gevolg van die structuren die wij aan hen opleggen, die van de school en van de groep van leeftijdsgenoten. Een (flink) deel slaagt er desondanks in om toch behoorlijk goed zichzelf te zijn, maar een ander deel lukt dat veel minder. En dat blijkt gevolgen te hebben voor hoe je je voelt. Hoe minder authenticiteit, hoe minder positieve gevoelens, hoe meer negatieve gevoelens en hoe minder tevreden met je leven.

De onderzoekers keken ook naar de samenhang met de mate waarin werd tegemoetgekomen aan de intrinsieke behoeften aan autonomie, verbondenheid met anderen en competentie. (Denk aan de zelfbeschikkingstheorie.)  Het bleek toen dat degenen die meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn, ook hoger scoorden op de mate waarin aan die drie behoeften werd tegemoetgekomen.

En dat zegt dus ook iets over de beperkte mate waarin onze adolescenten een leven kunnen leiden waarin die drie fundamentele, intrinsieke behoeften kunnen worden gerealiseerd.

Want zou eigenlijk niet iedereen dat gevoel van autonomie moeten kennen, het gevoel dus van niet alleen maar te moeten doen wat anderen zeggen? En dat gevoel van verbonden te zijn met anderen? En dat gevoel van competentie, van iets te kunnen wat de moeite waard is?

maandag 12 juni 2017

Een natuurlijk experiment met een kleinere overheid. Het Kansas-debacle

In de Amerikaanse staat Kansas hebben de Republikeinen, de ideologen van de kleine overheid, de afgelopen jaren hun kans gegrepen om hun ideologie in de praktijk te brengen. Onder leiding van Gouverneur Sam Brownback voerden ze drastische belastingverlagingen door, met de vaste overtuiging dat ze door deze "adrenalinestoot" snel de economische groei zouden kunnen aanjagen.

Met dit "natuurlijke experiment", zoals Brownback het noemde, zou vast en zeker bewezen worden dat een kleinere overheid beter is voor de economie. Geheel in overeenstemming met de adviezen van economen als Arthur Laffer en Stephen Moore, die eerder President George W. Bush aanzetten tot belastingverlagingen en die nu de auteurs-op-de-achtergrond zijn van de belastingplannen van President Donald Trump.

Maar de feitelijke ontwikkelingen in Kansas komen niet overeen met de hooggestemde verwachtingen. De economische groei en de groei van de werkgelegenheid lopen juist sterk achter bij het gemiddelde van de andere staten. Bovendien heeft de staat grote budgettaire problemen. Terwijl sterk bezuinigd werd op de uitgaven aan infrastructuur en onderwijs. Het Hooggerechtshof greep in met het oordeel dat het gebrek aan middelen in het onderwijs indruiste tegen de Grondwet.

Gematigde Republikeinen die dit beleid aanvankelijk ondersteunden, keren nu op hun schreden terug. Samen met de Democraten beschouwen ze het experiment als mislukt en hebben ze de belastingverlagingen grotendeels teruggedraaid. Tegen de wil van Brownback en andere diehard conservatieven in. Zie de recente berichten Kansas Republicans raise taxes, ending their GOP governor’s ‘real live experiment’ in conservative policy en Kansas Republicans end the state’s failed tax reform experiment. Update. En Finally, Something Isn’t the Matter With Kansas.

Het is een interessante ontwikkeling. De neoliberale ideologie van de kleine overheid kent nog steeds veel aanhangers, ook in Nederland. Mark Rutte behoort daartoe, maar ook de PvdA en de meeste andere politiek partijen. Het is de ideologie die ten grondslag lag aan het idee dat je er juist in een crisis snel weer bovenop komt door, procyclisch, snel en veel te gaan bezuinigen. Eigenlijk hebben we daarmee ook in Nederland een natuurlijk experiment meegemaakt. Dat net als in Kansas geheel verkeerd uitpakte (hoewel de media dat angstvallig proberen te negeren). Zie nog maar weer eens Bas Jacobs, Coen Teulings en de ING.

Dat verband tussen de omvang van de overheid en de economische groei ligt natuurlijk veel genuanceerder als je echt de moeite neemt om naar de wetenschappelijke literatuur te kijken. Die overzie ik geloof ik niet in zijn geheel, maar het lijkt me dat GOVERNMENT SIZE AND GROWTH: A SURVEY AND INTERPRETATION OF THE EVIDENCE van Andreas Bergh en Magnus Henrekson de stand van zaken goed weergeeft.

Zij komen tot de conclusie dat voor de rijkere landen inderdaad geldt dat een grotere omvang van de overheid (als percentage van het BNP) samengaat met een wat lagere economische groei. Maar ook geldt dat de richting van het oorzakelijke verband eigenlijk niet valt te achterhalen:
In fact, it is close to conceptually meaningless to discuss a causal effect from an aggregate such as government size on economic growth. Thus, scholars like Kneller et al. (1999) and Bassaniniet al. (2001) have in our view rightly concluded it is more fruitful to analyse separately the mechanisms through which different taxes and expenditure affect growth. Not all taxes are equally harmful, and some studies identify public spending on education and public investment to be positively related to growth.
Maar ook wijzen Bergh en Henrekson op het gegeven dat er landen zijn, zoals de Scandinavische landen, waar een omvangrijke overheid juist heel goed samengaat met hoge economische groei. En dat zou er aan kunnen liggen dat dat landen zijn met een hoge mate van vertrouwen van burgers in elkaar. Dat vertrouwen maakt een omvangrijke overheid mogelijk, met weinig corruptie en weinig belastingontwijking en -fraude. Terwijl vertrouwen bovendien goed is voor de economie.

Dat is boeiend, als je bedenkt dat die ideologie van de kleine overheid psychologisch gezien wel eens zou kunnen voortkomen uit een lage mate van vertrouwen in anderen. Als je anderen wantrouwt, dan wil je zo weinig mogelijk van anderen afhankelijk zijn. En wil je dus zo weinig mogelijk collectief regelen.

Anderen zijn er immers alleen maar op uit om van jouw inspanningen te profiteren. Klaplopers en profiteurs! Moochers! Daar wil je niets mee te maken hebben. In die psychologie van de kleine overheid zou wantrouwen wel eens de cruciale factor kunnen zijn.
Update. Lees nu ook Paul Krugman over het Kansas-debacle en over de republikeinse partij: We’re Not Even In Kansas Anymore.

vrijdag 9 juni 2017

Over de negatieve gezondheidseffecten van politiek die haat, vooroordeel en verdeeldheid zaait

We weten al veel over het verband tussen de persoonlijke sociale omgeving waarin mensen verkeren en hun gezondheid. Dan gaat het erover dat eenzaamheid en de stress van statuscompetitie de kans op gezondheidsproblemen vergroten. Zie De weg van eenzaamheid en sociale stress via verhoogde ontstekingsactiviteit naar gezondheidsproblemen.

Maar onze sociale omgeving omvat meer dan de persoonlijke relaties die we wel of niet hebben. Er is daaromheen ook het wijdere publieke domein, waarin de politiek zich afspeelt.

En ook de politiek kan onze gezondheid beïnvloeden. Natuurlijk in de eerste plaats doordat die politiek tot beleidsmaatregelen leidt die uitwerkingen hebben op onze gezondheid. Denk even aan de WRR-lezing van Martin McKee van eind vorig jaar (Martin McKee over het vergeten belang van verzorgingsstaat en bestaanszekerheid).

Maar daarnaast staan we ook bloot aan wat politici te melden hebben en aan de stemming en de atmosfeer die ze daarmee in het land creëren.

Als ze oproepen tot vooroordeel, haat en verdeeldheid, dan heeft dat een negatieve uitwerking op de gezondheid van bevolkingsgroepen. In het medisch tijdschrift The New England Journal of Medicine vragen onderzoekers daar aandacht voor: Health Effects of Dramatic Societal Events — Ramifications of the Recent Presidential Election. Zie ook dit bericht op Vox voor een interview met een van de onderzoekers: Study: the wave of hostility under Trump is going to make us sick.

De aanleiding daartoe is de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. Het lijkt erop dat die verkiezing het onderlinge gedrag van Amerikanen negatief heeft beïnvloed en het anti-minderhedensentiment in het land heeft versterkt. Ik stond daar in het bericht van gisteren al bij stil (Over de slechte invloed van statuscompetitieve leiders. En dus over Donald Trump). 

Een indruk van de ontstane atmosfeer geeft deze passage uit dat artikel:
One of the first postelection messages on the Daily Stormer, a hate website, claimed that the election was a referendum on “multiculturalism” and encouraged verbal intimidation of foreigners, especially those wearing Islamic clothing. It declared, “We want these people to feel unwanted. We want them to feel that everything around them is against them. And we want them to be afraid.”
Waarna de onderzoekers een overzicht geven van de aanwijzingen dat zulke vormen van racisme, vooroordelen tegen minderheden en vijandigheid tegen immigranten negatieve gezondheidseffecten hebben op de betreffende bevolkingsgroepen. Die effecten ontstaan deels doordat mensen rechtstreeks blootstaan aan zulke gedragingen en uitingen, maar ook door een algehele toename van zorgen, waakzaamheid en piekeren.

Politiek is, dat wisten we natuurlijk al, niet een onschuldig tijdverdrijf. Maar niet alle politici lijken daar oog voor te hebben.

woensdag 7 juni 2017

Over de slechte invloed van statuscompetitieve leiders. En dus over Donald Trump

De tijd waarin we leven is boeiender dan je zou wensen. Dat wil zeggen dat je vaak je hart vasthoudt voor hoe het verder moet. Toekomstige historici zullen er met de afstand die dan mogelijk is verstandige dingen over kunnen zeggen. Nu kunnen we niet veel meer doen dan proberen om de eerste indrukken zo goed mogelijk onder woorden te brengen.

Een van die indrukken die zich aan mij opdringen is dat we in het publieke domein in alle hevigheid een periode van strijd meemaken tussen de algemeen-menselijke, aan elkaar tegengestelde neigingen tot enerzijds statuscompetitie en anderzijds gemeenschapsgedrag. Waarbij het erop lijkt dat de statuscompetitie aan de winnende hand is.

Als het statuscompetitiepatroon overheerst, dan gaan mensen ervan uit dat je niet op de goedgezindheid van anderen kunt vertrouwen. Je moet altijd op je hoede zijn. En om te voorkomen dat anderen over je heen lopen, waar ze altijd op uit zijn, moet je je altijd krachtig en vastberaden proberen voor te doen.

Laat nooit je kwetsbare kanten zien. Straal krachtdadigheid uit. Intimideer anderen, om te voorkomen dat anderen jou intimideren. Beschouw anderen als instrumenten om jouw doelen te bereiken, om een zo hoog mogelijke positie in de statushiërarchie te bereiken. Ga allianties aan, maar alleen met dat doel. Laat anderen meteen vallen als ze niet meer voor jou nuttig zijn.

Statuscompetitie gaat dus altijd gepaard met een sterke nadruk op uiterlijkheid en uiterlijk vertoon. Het theatrale staat voorop. Enscenering is van levensbelang.

Het gedrag van veel van onze hedendaagse leiders en anderen die leiderschap ambiëren past naadloos in dat statuscompetitiepatroon. Waar je dan natuurlijk meteen aan denkt is het gedrag van Donald Trump, de leider van het machtigste land ter wereld.

Ik denk even aan dit bericht van gisteren dat de nadruk op het theatrale en de enscenering mooi illustreert: Trump launches infrastructure initiative with fake signing ceremony. Het gebeuren zou vermakelijk zijn als het een minder machtige leider betrof. Ik citeer even de eerste alinea:
Donald Trump, a fan of spectacles and spotlights, has a habit of signing executive orders that don’t actually do anything. The president likes to appear before cameras and give the appearance of work, but in nearly every instance, Trump’s “accomplishments” are little more than political theater.
Die hang naar het theatrale, met volstrekt voorbijgaan aan enige eigen inhoudelijke inbreng, blijkt ook dit interview met Trumps biograaf: Trump biographer: "He's an actor who's been playing himself for his entire life".

En ik denk aan de mooie column van David Brooks van al weer een paar dagen geleden: Donald Trump Poisons the World (met dank aan Arie Glebbeek). Waarin Brooks niet alleen precies dat statuscompetitiepatroon beschrijft, maar vooral ook waarschuwt voor de sociale beïnvloeding die ervan uitgaat als zulk gedrag prominent in de media belicht wordt.

Goede leiders hebben, schrijft Brooks, wel degelijk oog voor de egoïstische en competitieve kanten van de menselijke sociale natuur, maar, zo vervolgt hij:
they have another foot in the realm of the moral motivations. They seek to inspire faithfulness by showing good character. They try to motivate action by pointing toward great ideals.
Realist leaders like Trump, McMaster and Cohn seek to dismiss this whole moral realm. By behaving with naked selfishness toward others, they poison the common realm and they force others to behave with naked selfishness toward them. (McMaster en Cohn zijn medewerkers van Trump)
By treating the world simply as an arena for competitive advantage, Trump, McMaster and Cohn sever relationships, destroy reciprocity, erode trust and eviscerate the sense of sympathy, friendship and loyalty that all nations need when times get tough.
By looking at nothing but immediate material interest, Trump, McMaster and Cohn turn America into a nation that affronts everybody else’s moral emotions.
Dat het gedrag van een slechte leider als Donald Trump ook inderdaad invloed uitoefent, blijkt uit het bericht Kids Are Quoting Trump To Bully Their Classmates And Teachers Don’t Know What To Do About It.

Kinderen herkennen het gedrag maar al te goed en zien het als een aanmoediging om zich net zo te gedragen. Buzzfeeds News inventariseerde 54 incidenten verspreid over de Verenigde Staten, waarin een leerling een mede-leerling bestookt met verwijzing naar Trump als een soort van rechtvaardiging. Ik citeer:
On a school bus in San Antonio, Texas, a white eighth-grader said to a Filipino classmate, “You are going to be deported.” In a classroom in Brea, California, a white eighth-grader told a black classmate, “Now that Trump won, you're going to have to go back to Africa, where you belong.” In the hallway of a high school in San Mateo County, California, a white student told two biracial girls to “go back home to whatever country you're from.” In Louisville, Kentucky, a third-grade boy chased a Latina girl around the classroom shouting “Build the wall!” In a stadium parking lot in Jacksonville, Florida, after a high school football game, white students chanted at black students from the opposing school: “Donald Trump! Donald Trump! Donald Trump!”
Je vraagt je dus wel af hoe dat moet aflopen nu we zulke slechte leiders aan de macht hebben. En zoveel media-aandacht voor andere figuren die die macht ambiëren.

dinsdag 6 juni 2017

Hoe langer in flexibele arbeidsrelaties, hoe meer stress en hoe slechter de gezondheid

Een van de neoliberale obsessies is die met de flexibiliteit van de arbeidsmarkt. Terwijl in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog de voordelen werden ingezien van langdurige arbeidsrelaties (de invisible handshake in plaats van de invisible hand), heerst nu de opvatting dat "de economie" vraagt om flexibiliteit. Banen voor het leven bestaan niet meer en horen ook niet meer te bestaan.

Dat heeft zoals bekend zijn uitwerking niet gemist. Volgens het CPB (Flexibiliteit op de arbeidsmarkt) hadden in 2016 vier van de tien werkenden geen vast contract. Zowel het aandeel flexibele dienstverbanden als het aandeel zzp'ers nam sterk toe, sterker dan in de meeste andere landen.

Die snelle toename leidt wel tot discussie over de voordelen en de nadelen ervan. Zo was er vorige week de KVS-lezing aan gewijd, met bijdragen van Bas Jacobs, Paul de Beer en Bas ter Weel (Flexibiliteit op de arbeidsmarkt, vloek of zegen?)

Maar mijn indruk is dat die discussie zich vooral afspeelt binnen de nauw getrokken grenzen van de economie. Als voordeel wordt opgevoerd dat meer flexibiliteit goed is voor het "aanpassingsvermogen" van de economie. Hij brengt ons dichter bij het ideaal (de fantasiewereld) van de zo onbelemmerd mogelijke werking van het marktmechanisme.

Maar daar staan nadelen tegenover, zoals minder loyaliteit met het bedrijf, minder scholing op het werk en een grotere (bestaans-)onzekerheid. Het CPB zegt daarover:
Op economische gronden valt niet te zeggen welk aandeel flexibele arbeidsrelaties in de beroepsbevolking wenselijk is. Een flexibele arbeidsmarkt heeft voordelen, zoals een sterker aanpassingsvermogen van de economie. De nadelen die aan flexibele arbeidsrelaties zijn verbonden, komen echter voor een betrekkelijk groot deel voor rekening van zwakkere groepen op de arbeidsmarkt. 
Maar er valt veel voor te zeggen dat de negatieve welzijns- en gezondheidseffecten van flexibilisering in die discussie te weinig aandacht krijgen.

Een voordeel van langdurige arbeidsrelaties is dat ze beter tegemoetkomen aan de fundamentele menselijke behoefte aan bestaanszekerheid. Dat kan doen vermoeden dat flexibilisering inderdaad negatief uitwerkt op welbevinden en gezondheid en daarmee ook economische kosten met zich meebrengt (ziekteverzuim, gezondheidszorg).

Het nieuwe onderzoek The Unintended Consequences of Flexicurity: The Health Consequences of Flexible Employment geeft een goed inzicht in die negatieve effecten van flexibele arbeidsrelaties (hier full text).

De onderzoekers kunnen met gebruikmaking van de gegevens van de British Household Panel Survey de gezondheidseffecten inschatten van de duur die werknemers in flexibele arbeidsrelaties hebben doorgebracht (seizoenswerk en tijdelijke contracten).

Daaruit komen de negatieve gezondheidseffecten (zoals op zelf ervaren gezondheid, hartproblemen, spijsvertering, ademhaling, angst/depressie en migraine) duidelijk naar voren. Die effecten bleven bestaan toen de onderzoekers er rekening mee hielden dat het verband ook omgekeerd kan zijn: dat gezondheidsproblemen de kans op een flexibele arbeidsrelatie vergroten.

Bovendien kan het onderzoek licht werpen op hoe deze effecten tot stand kwamen. Het bleek namelijk dat het ervaren van stress de tussenliggende stap is tussen flexibiliteit en de gezondheidsproblemen. Hoe langer in flexibele arbeidsrelaties, hoe meer stress (slapeloosheid, besluiteloosheid, gespannenheid, kwetsbaarheid, vertrouwensverlies) en daardoor meer gezondheidsproblemen.

Zoveel flexibiliteit is dus niet goed voor mensen. Zo verwonderlijk is dat niet. Er wordt wel gedacht dat vooral jongeren die onzekerheid niet zo erg vinden. Maar juist ook jongeren willen graag een vast contract: Millennials willen echte banen: vast en zeker.