woensdag 30 augustus 2017

Onderbreking

De activiteit op dit blog wordt voor enkele weken onderbroken.

Maar volg het nieuws van de interessante blogs van "Mijn lijst met blogs" in de rechterkolom. Zoals de blogs van
  • Paul Krugman, 
  • Bill Mitchell, 
  • econoblog 101, 
  • Real-World Economics Review Blog, 
  • Bradford DeLong, 
  • Mark Thoma (Economists' View), 
  • Chris Dillow (Stumbling and Mumbling), 
  • The Evolution Institute, 
  • Simon Wren-Lewis (Mainly Macro), 
  • Yanis Varoufakis, 
  • George Lakoff en 
  • Thomas Piketty.
Mijn activiteit op twitter (https://twitter.com/henkdevo) gaat min of meer gewoon door.

dinsdag 22 augustus 2017

Is het verdringen van het doodsbesef een sociaal proces? - VPRO Zomergasten in 5 minuten: Frans de Waal

Ik was niet in de gelegenheid om de aflevering van Zomergasten met Frans de Waal in zijn geheel live te zien. Ik ga nog naar Uitzendinggemist. Het filmpje hieronder geeft een ultrakorte samenvatting, waarin het o.a. gaat over Donald Trump als alfa-man en (slechte) leider.



In het (laatste) gedeelte, dat ik wel zag, komt een ontroerende scène voor waarin Jan van Hooff afscheid neemt van chimpansee Mama, die stervende is. Mama speelde heel lang een centrale rol in de chimpansee-kolonie van Burgers Dierenpark in Arnhem. Frans de Waal schrijft over haar in Chimpansee politiek. Macht en seks bij mensapen:
Mama neemt in de groep een centrale plaats in. Ze zorgt voor stabiliteit en verzoening. Bovendien is ze de leidster van de gezamenlijke vrouwelijke macht. Geen van de mannen kan om haar heen.
In die scène gaat Jan van Hooff de kooi binnen waarin Mama op haar sterfbed ligt, streelt hij haar en buigt hij zich over haar heen. De communicatie die dan plaatsvindt, is heel ontroerend. Je kunt die scène ook hier bekijken: Jan van Hooff visits chimpanzee "Mama", 59 yrs old and very sick.

In het gesprek met Frans de Waal komt de vraag op of chimpansees het doodsbesef kennen. Frans zegt daarover dat ze duidelijk wel het besef van sterfelijkheid hebben als een ander lid van de groep overlijdt. Maar of ze ook de notie kennen dat hun eigen leven eindig is, en of ze daar bij stil staan, dat weten we eigenlijk niet.

Maar wij mensen dan? Ja, wij "weten dat", maar wat betekent dat? In de uitzending zijn Frans en Janine het erover eens dat wij het besef van onze eigen sterfelijkheid "voor ons uit schuiven" en "verdringen".

En dat is natuurlijk zo. Maar waaruit bestaat dat verschil met de chimpansees dan precies, vroeg ik me af.

Omdat wij over grotere cognitieve vermogens beschikken, die we gedurende het opgroeien ontwikkelen, komt er onvermijdelijk ergens in onze vroege jeugd, nadat ons zelfbewustzijn is ontwikkeld, het moment dat we er voor het eerst bij stilstaan dat we ooit zullen doodgaan. Dat dan ons leven is afgelopen.

Ik heb daar zelf een levendige herinnering aan. Ik beleefde het als een soort paniekaanval. Misschien gebeurt dat bij iedereen, want evolutionair gezien zijn we er eigenlijk alleen op voorbereid om te overleven.

Maar ik herinner me ook dat ik daar met niemand over sprak. Ik denk dat ik vermoedde dat ik de enige was die bij dat probleem van het doodgaan stilstond en zich daar druk over maakte. Wat me ertoe aanzette om daar dan maar mee op te houden.

Zou het zo zijn dat het verdringen van het doodsbesef een bij uitstek sociaal proces is? Iedereen weet het wel, maar niemand heeft het erover. Waardoor het gewone leven zijn loop kan hebben.

En zo lossen we samen het probleem op waar onze cognitieve vermogens ons, als een vervelend neveneffect, mee hebben opgezadeld: het besef van onze sterfelijkheid.

Zie hier mijn eerdere berichten achter het label Frans de Waal.

vrijdag 18 augustus 2017

Sociaalwetenschappelijk zicht op intimiderend en narcistisch leiderschap - en dus op Donald Trump

Doordat we nu wel, en in de jaren 30 van de vorige eeuw nog niet, te rade kunnen gaan bij de sociale wetenschappen, zijn we nu beter in staat om het zo sterk opkomende rechts-extremisme en de oorzaken daarvan te begrijpen. Zie ook het vorige bericht: Sociaalwetenschappelijk onderzoek dat helpt om het verschijnsel-Trump beter te begrijpen.

Een boeiende bijdrage in dat verband is Dan P. McAdams' analyse van het leiderschap van Trump: The Appeal of the Primal Leader: Human Evolutionand Donald J. Trump. Daarover zo meteen meer.

Diezelfde McAdams schreef vorig jaar in de juni-aflevering van The Atlantic deze vooruitziende analyse: The Mind of Donald Trump. Uitgaande van Trumps persoonlijkheidseigenschappen komt hij tot deze "voorspelling" van wat zijn presidentschap zou gaan betekenen:
In sum, Donald Trump’s basic personality traits suggest a presidency that could be highly combustible. One possible yield is an energetic, activist president who has a less than cordial relationship with the truth. He could be a daring and ruthlessly aggressive decision maker who desperately desires to create the strongest, tallest, shiniest, and most awesome result—and who never thinks twice about the collateral damage he will leave behind. Tough. Bellicose. Threatening. Explosive.
Er zijn wel eens voorspellingen geweest die slechter uitkwamen.

En hij besluit zijn analyse met:
Who, really, is Donald Trump? What’s behind the actor’s mask? I can discern little more than narcissistic motivations and a complementary personal narrative about winning at any cost. It is as if Trump has invested so much of himself in developing and refining his socially dominant role that he has nothing left over to create a meaningful story for his life, or for the nation. It is always Donald Trump playing Donald Trump, fighting to win, but never knowing why.
Maar nu terug naar dat recente artikel over Trumps leiderschap. Daarin gaat het over de twee soorten leiderschap die we in het menselijk sociale en maatschappelijk leven kennen: dat van het prestige en dat van het intimideren en domineren.

Het leiderschap op basis van prestige behoort bij wat ik de sociale vorm van de morele gemeenschap noemde (Over de coöperatieve zorg voor kinderen in de evolutie van zoogdieren en van mensen). Die menselijke gemeenschap is gebaseerd op egalitaire verhoudingen, op samenwerking en op overdracht van kennis en informatie (cultuur dus). Dat laatste opent de weg voor een vorm van leiderschap, want de een weet meer dan de ander en is dus een belangrijker bron van expertise en wijsheid.

Zo iemand krijgt prestige toegekend door anderen. Hijzelf kan dat niet opeisen, laat staan afdwingen. Maar belangrijker: daartoe is hij (of zij) ook helemaal niet gemotiveerd. Want alles staat in het teken van het gemeenschappelijke belang en het bewaren van de harmonie.

Daartegenover staat het leiderschap op basis van dominantie. We zitten dan in de sociale vorm van de statushiërarchie. Zie ook Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan.

Voor het karakteriseren van het dominantieleiderschap grijpt McAdams terug op het eerste boek van Frans de Waal (Chimpanzee Politics), waarin De Waal de statushiërarchie en de strijd om status in de groep chimpansees in Burgers Dierenpark beschrijft. Het is de evolutionair oudste vorm van leiderschap, die echter bij mensen nog gemakkelijk de kop kan opsteken.

En dat laatste is het geval als het om de persoon Trump gaat en om wat hij nastreeft. Kortheidshalve citeer ik maar even McAdams:
Like the alpha male of a chimpanzee colony, Trump leads (and inspires) through intimidation, bluster, and threat, and through the establishment of short-term, opportunistic relationships with other high-status agents. Whereas domain-specific expertise confers status in the prestige paradigm, dominant leaders derogate expertise in order to establish a direct, authoritarian connection to their constituency. Trump’s leadership style derives readily from his personality makeup, which entails a combustible temperament mixture of high extraversion and low agreeableness, a motivational agenda centered on extreme narcissism, and an internalized life story that tracks the exploits of an intrepid warrior who must forever fight to win in a Hobbesian world of carnage.
En daar is eigenlijk het meeste wel mee gezegd. Het zou goed zijn als journalisten in hun berichtgeving over de strapatsen van Trump wat meer blijk gaven van inzicht in het soort leiderschap waar we hier mee te maken hebben.

Dat geldt trouwens algemener. Trump is een extreem geval van leiderschapsgedrag dat we natuurlijk veel meer om ons heen zien.

donderdag 17 augustus 2017

Sociaalwetenschappelijk onderzoek dat helpt om het verschijnsel-Trump beter te begrijpen

De recente gebeurtenissen in de Verenigde Staten wijzen nog maar weer eens op de opvallende overeenkomsten tussen wat we nu meemaken en dat wat zich afspeelde in Duitsland in de jaren 30 van de vorige eeuw. Bij die overeenkomsten stond ik eerder stil in het bericht Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann).

Maar er is natuurlijk ook een belangrijk verschil. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden zich de sociale wetenschappen en die kunnen ons nu bijstaan in het begrijpen van wat er gaande is. Die ontwikkeling was trouwens voor een groot deel juist in gang gezet door de motivatie om de vreselijke gebeurtenissen te begrijpen die zich in nazi-Duitsland en in de Tweede Wereldoorlog hadden afgespeeld.

Wat hebben die sociale wetenschappen te bieden om nu het verschijnsel-Trump (dat ook de morele teloorgang en radicalisering van de Republikeinse partij omvat) en meer in het algemeen de opkomst van het rechts-extremisme te begrijpen en te verklaren?

Ik moet dan allereerst denken aan het onderzoek dat de toename van rechts-extremistische opvattingen in verband brengt met de toename van bestaansonzekerheid. Zie mijn laatste bericht daarover: Meer onderzoek naar verband tussen bestaansonzekerheid en rechts-extremisme en volg de links daarin naar vorige berichten.

Dat onderzoek was er in de jaren 30 van de vorige eeuw niet en is er nu wel. En het valt te hopen dat de eruit voortkomende inzichten snel tot de politiek en het beleid doordringen en benut gaan worden.

Maar er is meer. Zo is er dit mooie overzicht dat Thomas Pettigrew opstelde van onderzoek dat kan helpen bij het begrijpen van de Amerikanen die op Trump stemden: Social Psychological Perspectives on Trump Supporters.

Pettigrew, een wel heel gerenommeerd sociaal-psycholoog, ordent dat onderzoek in de vier thema's:
  • Authoritarianism and Social Dominance Orientation (SDO)
  • Prejudice
  • Intergroup contact
  • Relative Deprivation
Het onderzoek dat ik noemde naar de rol van bestaansonzekerheid valt onder het thema van de relatieve deprivatie.

Het eerste thema slaat op al dat onderzoek dat geprobeerd heeft om het persoonlijkheidssyndroom te karakteriseren van mensen die bij uitstek vatbaar zijn voor autoritaire en rechts-extremistische opvattingen. Dat onderzoek begon ooit, kort na de Tweede Wereldoorlog, met The Authoritarian Personality van Adorno en anderen (volg de link voor de uitgebreide Wikipedia-pagina).

Zie voor die Sociale Dominantie Oriëntatie mijn eerdere berichten daarover, zoals Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentimentPVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme en Over Sociale Dominantie en "In Rotterdam spreken we Nederlands".

Die twee andere thema's, vooroordeel en intergroepscontact, hangen nauw met elkaar samen. Ze slaan op het probleem dat we in onze huidige maatschappij in onderlinge afhankelijkheid staan tot vreemden en leden van andere groepen die we niet persoonlijk kennen. Dat informatietekort leidt ertoe dat zich gemakkelijk, meestal negatieve, vooroordelen ontwikkelen, die in het dagelijks leven en in de politiek vervelende gevolgen kunnen hebben. Onderzoek wijst erop dat vooroordelen kunnen worden verminderd door een toename van onderling contact (de sociale contact-hypothese) en daarmee van onderlinge vertrouwdheid. Zie bijvoorbeeld Meer empathie bij toenemende vertrouwdheid: nieuwe aanwijzing.

Een andere recent verschenen interessante sociaalwetenschappelijke bijdrage is The Appeal of the Primal Leader: Human Evolution and Donald J. Trump van Dan McAdams. Maar daarover een volgende keer.

zondag 13 augustus 2017

Zondagochtendmuziek - Billie Holiday - Strange Fruit

We leven in een tijd waarin je met huivering constateert dat Strange Fruit, in 1937 onder pseudoniem geschreven door de communistische onderwijzer van Joodse afkomst uit The Bronx, Abel Meeropol, en bekend geworden door Billy Holiday, een actuele lading krijgt.

Lees ook even de eerste reactie, van Shea Layton:
Listening to this song should be a piece of every high schooler's history course at some point. 
En huiver bij de twee commentaren daarop die verwijzen naar de gebeurtenissen gisteren in Charlottesville.

vrijdag 11 augustus 2017

Meer onderzoek naar verband tussen bestaansonzekerheid en rechts-extremisme

We zijn zo'n 70 jaar na de Tweede Wereldoorlog getuige van een golf van opkomend rechts-extremisme. Die golf bestaat er niet alleen uit dat rechts-extremistische partijen tot het politieke landschap zijn gaan behoren, maar ook uit het naar rechts opschuiven van middenpartijen.

Dat is eigenlijk niet een verrassende ontwikkeling. Want we hebben een grote financiële crisis achter de rug en onderzoek wijst uit dat in de periode 1870-2014 zulke crises steevast gepaard zijn gegaan met een opleving van rechts-extremisme. Zie Meer rechts-extremisme na financiële crises - niet na economische crises.

Alles wijst erop dat dit verband veroorzaakt wordt door de door zulke crises aangewakkerde bestaansonzekerheid. In een kapitalistische maatschappij zijn we voor ons bestaan afhankelijk van inkomen uit arbeid en een financiële crisis doet zekerheden over geld en werk wankelen.

Rechts-extremistische partijen profiteren van die toegenomen bestaansonzekerheid door succesvol naar vermeende "vijanden" of zelfs "vijanden van het volk" te wijzen. Dat zijn interne vijanden: de "politiek-correcte elites", de minderheden en de uitkeringstrekkers, en de externe: de vluchtelingen en de migranten.

De aanwijzingen voor het verband tussen bestaanszekerheid en rechts-extremistische opvattingen stapelen zich op. Zie Beleid dat bestaansonzekerheid zaait, oogst rechts-extremisme, Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentiment en Meer over baanonzekerheid en rechts-extremisme.

Daar is nu onderzoek in Duitsland bijgekomen naar de kenmerken van mensen met sympathie voor de rechts-populistische partij AfD: Einstellung und sozialeLebenslageEine Spurensuche nach Gründen fürrechtspopulistische Orientierung,auch unter Gewerkschaftsmitgliedern. Een mooie samenvatting geeft de powerpoint van de presentatie op de persconferentie: WER WÄHLTRECHTSPOPULISTEN?

Op grond van een online vragenlijst onder een representatieve steekproef van tegen de 5000 inwoners van Duitsland komen de onderzoekers tot de conclusie dat het niet zozeer de objectieve economische positie is die de sympathie voor de AfD verklaart, maar veeleer de angst voor sociale daling (statusangst), die weer blijkt samen te hangen met de indruk dat men er in vergelijking met de eigen ouders op achteruit is gegaan. Daar komen grotere zorgen bij over de eigen toekomstige financiële positie en die van de kinderen.

Die onzekerheid gaat bovendien samen met meer egoïsme, minder vertrouwen in anderen, een autoritair wereldbeeld en een anti-vreemdelingensentiment.

Het is helaas een bekend en vertrouwd beeld dat naar voren komt. Hoog tijd dat politici er meer van doordrongen raken hoe belangrijk bestaanszekerheid als beleidsdoelstelling is.

donderdag 10 augustus 2017

Meer pro-sociaal gedrag door kunstbeoefening en kunstbezoek

Zou het kunnen zijn dat je je door kunst meer verbonden voelt met anderen? En dat je daardoor pro-socialer bent?

Ik heb soms dat gevoel van verbondenheid als ik met kunst in aanraking kom. Het kan zomaar de kop op steken als ik naar Beethoven (of Schubert) luister. Het is misschien in de eerste plaats een gevoel van verwantschap met de componist toen hij de muziek schreef. Hij moet er zelf een gevoel (van schoonheid, van helderheid, van volmaaktheid) bij hebben gehad en ik denk dat ik als luisteraar in dat gevoel deel.

Dat geeft een gevoelde verbondenheid met de persoon Beethoven. Maar doordat ik weet dat veel anderen ook van die muziek houden, breiden die verbondenheid en verwantschap zich ook uit tot die anderen.

Ik had dezelfde ervaring toen ik vorige week in het Kröller-Müller Museum de schilderijen Le bateau-atelier van Claude Monet en Il vient de loin van Paul Gabriel bekeek.

Ik voelde een verwantschap met de makers, kennelijk omdat datgene wat zij hadden uitgekozen om te schilderen mij zo raakte. En ik meende me verbonden te voelen met al die anderen die deze schilderijen weten te waarderen.

Verder dacht ik eigenlijk niet.

Maar dat veranderde toen ik gisteren de studie The Arts as a Catalyst for Human Prosociality and Cooperation voorbij zag komen.

Want daarin laten de onderzoekers, Julie Van de Vyver en Dominic Abrams, met gebruikmaking van de longitudinale dataset Understanding Society zien dat kunstbeoefening en kunstbezoek bevorderlijk zijn voor pro-sociaal gedrag (deelname aan vrijwilligerswerk en donaties aan goede doelen).

Omdat dezelfde mensen in verschillende jaren werden ondervraagd, konden ze aannemelijk maken dat het ook echt om een oorzakelijk verband gaat: door meer kunst op een bepaald tijdstip meer pro-sociaal gedrag later. Temeer omdat ze voor allerlei andere factoren die voor beide van belang zouden kunnen zijn, zoals geslacht, inkomen, opleiding, regio en persoonlijkheid, konden controleren.

Update. Je zou nog kunnen denken dat het verband eraan ligt dat mensen die meer buitenshuis actief zijn, zoals in de vorm van kunstbeoefening en -bezoek, ook meer doen aan pro-sociale activiteiten. Maar dan zou dat ook moeten gelden voor een andere activiteit buitenshuis, sportbeoefening, en dat blijkt niet het geval te zijn.

Dus ging ik denken dat kunst misschien niet alleen zo'n gevoel van verbondenheid kan opwekken, maar misschien daarmee ook het pro-sociale gedrag kan bevorderen dat uit dat gevoel voortvloeit.

We leven nu eenmaal in een maatschappij waarin gevoelens van verbondenheid niet als vanzelfsprekend bestaan. En in diezelfde maatschappij is er een hang naar kunst, naar kunstbeoefening en naar kunstdeelname.

Misschien komt dus die vraag naar kunst voort uit die maar gebrekkig vervulde behoefte aan verbondenheid. En draagt kunst daardoor bij aan pro-sociaal gedrag.

Lijkt me trouwens ook een belangrijk inzicht voor de politiek.

dinsdag 8 augustus 2017

Meer over baanonzekerheid en rechts-extremisme

Ik was op zoek naar meer onderzoek naar het verband tussen bestaansonzekerheid en het hebben van rechts-extremistische opvattingen (zie eerder: Beleid dat bestaansonzekerheid zaait, oogst rechts-extremisme).

En ik kwam terecht bij het vorig jaar al verschenen, maar niet eerder opgemerkte Baanonzekerheid en sympathie voor extreemrechtse partijen.

De Vlaamse onderzoekers Dave Stynen en Hans De Witte laten daarin, aan de hand van een niet-representatieve steekproef (oververtegenwoordiging van jongeren en ouderen en van hoogopgeleiden), zien dat de ervaren baanonzekerheid samenhangt met de mate van sympathie voor het extreem-rechtse Vlaams Belang (in vergelijking met de mate van sympathie voor andere partijen.

Bovendien kunnen ze laten zien langs welke weg dat verband tot stand komt. Je ziet verwachte en gevonden verbanden afgebeeld in het plaatje.

Die statusangst slaat op de bezorgdheid over de eigen financiële toekomst en over de status van de buurt en alledaags racisme op het zich cultureel en economisch bedreigd voelen door migranten.

Een en ander pleit ervoor om niet alleen meer aandacht te hebben voor de negatieve gezondheidseffecten van de flexibele arbeidsmarkt en van de daaruit voortkomende baanonzekerheid, maar ook voor de vervelende politieke gevolgen.

maandag 7 augustus 2017

Deregulering en zelfverrijking in de financiële sector

Vaak spreekt een plaatje boekdelen. Thomas Philippon en Ariell Resheff onderzochten de ontwikkelingen van de beloningen in de financiële sector in de Verenigde Staten: Wages and Human Capital in the U.S. Finance Industry: 1909–2006. Met de bedoeling om na te gaan in hoeverre de veranderingen in de hoogte van die beloningen, in vergelijking met de beloningen in de rest van het bedrijfsleven, uit reguliere economische factoren verklaard kunnen worden. Denk aan factoren als vereiste opleiding en vereiste vaardigheden.

Eenvoudig gezegd is hun conclusie dat een flink deel van die verklaring gezocht moet worden in veranderingen in de mate waarin de financiële sector onderhevig is aan regulering. In het plaatje zie je de ontwikkeling van de relatieve beloningshoogte (blauwe lijn) en de mate van (de-)regulering (rode lijn). Denk bij die regulering aan regels omtrent de scheiding van commerciële banken en investeringsbanken en van banken en verzekeringsmaatschappijen, aan restricties van het werkgebied van banken en aan regels omtrent renteplafonds.



Zie hoe de beloningshoogte sterk reageert op verandering in de mate van regulering. Nadat in de jaren 30 meer werd gereguleerd, zoals met de invoering van de Glass-Steagall Act, die speculatieve activiteiten aan banden legde, namen ook de relatieve beloningen met enige vertraging sterk af. Er begon een tot 1980 durende periode van regulering en lagere, normale en economische te verklaren, beloningen.

Maar toen met de opkomst van het neoliberalisme de gedachte postvatte dat deregulering veel beter zou zijn (laat de markt zijn weldadige werk doen!), waardoor o.a. die Glass-Steagall Act weer werd ingetrokken, keerden ook de excessieve beloningen terug.

En dat werkt door tot vandaag de dag. De vraag is dus of de lessen uit dit plaatje nog wel zullen worden geleerd. Zoals de les dat bonussen in de financiële sector gewoon een slecht idee is. Philippon en Resheff daarover:
regarding earnings profiles, we find that the finance wage bill could be significantly reduced if incentives were the same as in the rest of the private sector. One challenge for future research is to understand why today’s finance industry requires higher powered incentives than other industries and than the finance industry of the 1960s.
Anders gezegd, dat uitgerekend bankiers zo nodig met bonussen moeten worden verleid om hun werk goed te doen, dat valt niet goed te begrijpen.

De bredere les is dat mensen, ook als ze bij een bank werken, best bereid zijn om hun morele intuïties te volgen en zich maatschappelijk verantwoordelijk te gedragen, als ze maar door regels en wetten eraan worden herinnerd dat zulks van hen verwacht wordt.

Maar als dat laatste niet gebeurt, dan is zelfverrijking op grote schaal het gevolg. Scroll even door de berichten op dit blog waarin dat woord zelfverrijking voorkomt.

zondag 6 augustus 2017

Zondagochtendmuziek - Bach, Busoni - Chaconne in D minor BWV 1004 - Helene Grimaud (piano)

Hélène Grimaud speelt een Busoni-bewerking van het laatste deel van een Partita voor vioolsolo van Bach.

Intrigerend omdat dit werk kennelijk uiterst moeilijk is om uit te voeren ("terrifyingly difficult", "have you SEEN the score?"). En intrigerend vanwege de controverses over de kwaliteit ervan, d.w.z. van de bewerking. Lees de commentaren op YouTube. De een vindt het om te huilen zo mooi en de ander is van mening dat Busoni het origineel als een slager heeft behandeld. Zelf vind ik het meer intrigerend dan mooi.



donderdag 3 augustus 2017

Economische crises maken mensen onzeker en daardoor minder vrijgevig

Volgens het onderzoek Geven in Nederland worden Nederlanders al geruime tijd minder vrijgevig. Dat wil zeggen dat ze minder van hun inkomen besteden aan goede doelen. Werd in 1999 nog 0,96 procent van het bruto binnenlands product besteed aan filantropie, in 2015 was dat gedaald naar 0,77 procent. Zie het bericht Nederlanders geven steeds minder uit aan goede doelen op NRC.nl eerder dit jaar.

Als mogelijke verklaringen geeft de onderzoeker, René Bekkers, de ontkerkelijking en de volgens hem algehele achteruitgang van pro-sociaal gedrag onder de bevolking.

Maar het zou kunnen zijn dat je de verklaring deels ook moet zoeken in de economie. Want volgens het onderzoek The Great Recession and charitable giving heeft de Grote Crisis van 2008-2010 een scherpe daling van de donaties aan goede doelen met zich mee gebracht.

Je zou denken dat die daling is toe te schrijven aan de inkomensachteruitgang die velen door die crisis hebben moeten lijden, zoals door werkloosheid.

Maar dat blijkt niet het geval. Ook als je voor inkomensveranderingen controleert, wordt er minder aan goede doelen gegeven.

Dat pleit er voor dat het de algehele onzekerheid is als gevolg van de crisis die maakt dat mensen minder vrijgevig worden.

Dat zou er mee overeenkomen dat mensen meer pro-sociaal gedrag vertonen als ze zich veilig voelen. Denk in dat verband ook aan de veiligheid en bestaanszekerheid die de verzorgingsstaat verschaft, waardoor onderlinge hulpverlening juist wordt aangewakkerd.

Bestaanszekerheid is nu eenmaal een basale menselijke behoefte. Als die wordt aangetast, heeft dat vervelende gevolgen.

In dezelfde lijn liggen de aanwijzingen dat mensen in tijden van economische crises meer geneigd zijn om op rechts-extremistische partijen te stemmen.

dinsdag 1 augustus 2017

Hoe komt het dat we ons in vertrouwde contacten beter voelen dan in vluchtige contacten?

Dat wij groepsdieren zijn, wil zeggen dat we er als gevolg van onze evolutionaire geschiedenis op zijn ingesteld om op te groeien en ons te bewegen in een groep van vertrouwde anderen.

In zo'n groep werken we samen en delen we de beschikbare middelen. En hebben we een gezamenlijke geschiedenis, die eraan bijdraagt dat we de onderlinge relaties als vanzelfsprekend accepteren. Daardoor is de onderlinge (status-)competitie afwezig of neemt hij onschuldige vormen aan, zoals die van spel en wat we tegenwoordig sport noemen. Wat de ruimte creëert om jezelf te kunnen zijn, want je hoeft je niet beter voor te doen dan je bent. Er zijn redenen om te denken dat het leven in zo'n groep van vertrouwde anderen het zinvolle leven is. Zie Gedachten over de positieve gezondheidseffecten van een zinvol leven.

Maar in onze huidige maatschappij is zo'n groep van vertrouwde anderen (familie, vrienden) er nog maar beperkt. Niet alleen is hij voor de meesten van ons nog maar klein van omvang (vandaar de problemen van het sociale isolement van gezinnen en van eenzaamheid), maar ook hebben we daarnaast contacten met anderen met wie we niet of veel minder vertrouwd zijn. Dat zijn de vluchtige contacten of "zwakke bindingen" of "kennissen".

We weten al dat je veel van die vluchtige contacten kunt hebben, terwijl je toch eenzaam bent. Wat eenzaamheid betreft, kunnen we dus het gemis aan die vertrouwde contacten niet compenseren door vluchtige contacten.

Maar het is ingewikkeld, want toch blijken die vluchtige contacten iets toe te voegen aan ons geluksgevoel. Mij lijkt dat je dat moet opvatten als een aanwijzing dat voor de meesten van ons die kring van vertrouwde anderen te klein is. We zoeken naar meer en vinden dat een beetje door die contacten aan de rand van onze groep.

Maar je zou verwachten dat we de voorkeur geven aan de omgang met die vertrouwde contacten. Omdat we daarin meer ons zelf kunnen zijn.

En precies dat komt uit het nieuwe onderzoek Hedonic Benefits of Close and Distant Interaction Partners: The Mediating Roles of Social Approval and Authenticity.

Het onderzoek werd uitgevoerd met behulp van de Experience Sampling Method, die inhield dat een groep van 178 studenten gedurende twee weken vier maal per dag op toevallige tijdstippen een mail ontvingen met een kort vragenlijstje over de laatste interactie die ze daar voor gehad hadden en over hoe goed of slecht ze zich voelden. Dat laatste gebeurde met behulp van de Positive and Negative Affect Schedule .Zo ontstond een bestand van bijna 7000 korte verslagen van sociale interacties. (Natuurlijk had je liever een bredere groep gehad dan alleen studenten.)

De onderzoekers konden vervolgens laten zien dat de studenten zich beter hadden gevoeld in contacten met vertrouwde anderen dan in vluchtige contacten.

En waardoor voelden ze zich beter? Doordat ze meer het gevoel hadden te worden geaccepteerd (meer gerespecteerd worden, aardiger gevonden worden) en meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn (trouw aan zichzelf, niet beïnvloed, trouw aan eigen principes en waarden).

Ook een klein en beperkt onderzoekje kan dus zomaar uitwijzen dat wij nog steeds die sociale diersoort zijn die zich graag omgeven voelt door vertrouwde anderen.