Posts tonen met het label statushiërarchie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label statushiërarchie. Alle posts tonen

dinsdag 20 augustus 2024

Een ontstane statushiërarchie hoeft weinig te maken te hebben met de werkelijke, onderliggende verdeling van vaardigheden en competenties

Het statuscompetitiepatroon, als een complex van toestanden van voorbereid zijn, moet al heel vroeg in de evolutie zijn ontstaan. Want soortgenoten zijn elkaars concurrenten in de strijd om het bestaan (voedsel, veiligheid) en kansen op reproductie. Er moet dus ook al heel vroeg een selectie zijn geweest op de meest passende toestanden van voorbereid zijn en de bijbehorende vaardigheden. 

Het is ook precies die selectie waardoor we spreken van statuscompetitie in plaats van competitie. Want de conflicten waar die competitie toe leidt, kunnen de vorm aannemen van gewelddadige strijd en het daarin verwikkeld raken is riskant en levensbedreigend. Het maakt dan uit hoe vaardig je bent in het vooraf inschatten van de onderlinge krachtsverhoudingen en dus van de kans op een overwinning. Je kunt dan immers kansloze gevechten uit de weg gaan en kansrijke gevechten juist aangaan. Als binnen een soort iedereen op die vaardigheden is geselecteerd, dan zul je weinig gewelddadige strijd zien. 

Maar dat creëert als volgende stap een toestand waarin het uitmaakt of je in staat bent om die inschatting van de krachtsverhoudingen door concurrenten in voor jouw gunstige zin te beïnvloeden. En dus de vaardigheid om "statussignalen" af te geven, om de indruk te wekken dat jij sterker, slimmer, machtiger bent dan je in feite bent. De vaardigheid dus om je tegenstander te intimideren. Door "statusvertoon". En dan is de daadwerkelijke competitie een statuscompetitie geworden. Wie kan het beste kracht voorwenden? Wie is het meest overtuigend in het intimideren, in het zelfverzekerd overkomen? En wie is het beste in het doorzien van die intimidatie?

Met weer als daaropvolgende stap: wat zijn de gevolgen voor het eigen gedrag van het winnaar of verliezer zijn? Want als je winnaar bent geweest, dan zou dat kunnen uitmaken hoe je eigen vaardigheden in het intimideren inschat. Misschien ga je in een volgende ontmoeting zelfverzekerder de (status)strijd aan. En andersom, hoe werkt een nederlaag door? Neem je in een volgende ontmoeting al bij voorbaat je verlies? Ben je gedemoraliseerd? En zijn dat de gedragingen die samen gaandeweg een statushiërarchie tot stand brengen?

Met die laatste stap zijn we beland in het biologische en sociaalwetenschappelijke onderzoeksveld van de winnaars- en verliezerseffecten. Een fraai overzicht daarvan geeft de pas verschenen studie Winner and Loser Effects and Social Rank In Humans van Noah M.T. Smith en Reuven Dukas. Waarin het er ook over gaat hoe je die effecten in onderzoek precies vaststelt. Want als je waarneemt dat iemand na een overwinning in een volgende ontmoeting wederom wint, dan zou het ook kunnen zijn dat die persoon gewoon meer beschikt over de vaardigheden om te winnen. In plaats van dat hij door die eerste overwinning zelfverzekerder is geworden. Hoe stel je dat laatste vast?

Dat gebeurt bijvoorbeeld in de studie Winner and loser effects in humans: evidence from randomized trials van dezelfde onderzoekers. Die lieten in twee deelstudies proefpersonen twee keer aan een video game en aan een leesvaardigheidstest deelnemen. Na de eerste keer kregen die at random te horen dat hun score in vergelijk met die van andere deelnemers oftewel opvallend hoog was oftewel opvallend laag. Daarna scoorden de "winnaars" van de eerste keer de tweede keer significant hoger dan de "verliezers" van de eerste keer. Daarmee waren dus het winnaarseffect en het verliezerseffect aangetoond. 

Het een keer gewonnen hebben, maakt de kans groter dat je daarna weer wint. Het vergroot je zelfvertrouwen. En het een keer verloren hebben, vergroot de kans dat je daarna weer verliest. Je wordt er door ontmoedigd.

Dat betekent dat er een statushiërarchie tot stand kan komen, die weinig te maken hoeft te hebben met de werkelijke, onderliggende verdeling van vaardigheden en competentie.

maandag 15 mei 2023

Over het belang van de aanwezigheid van de "morele persoon", die bestand is tegen de situaties en omgevingen die uitlokken tot statuscompetitief gedrag

We zouden allemaal beter af zijn met gemeenschapsgedrag, maar allerlei situaties en omgevingen waarin we terechtkomen zetten ons aan tot statuscompetitiegedrag. En we kennen al die aanwijzingen dat statuscompetitiegedrag niet goed voor ons is, dat wil zeggen, hoogstens "goed" als bescherming tegen het statuscompetitiegedrag van anderen. 

Veel van die situaties en omgevingen zijn te lokaliseren in arbeidsorganisaties, in sociologisch jargon: formele organisaties. Die worden erdoor gekenmerkt dat er een hiërarchie van posities bestaat, met ongelijkheid in bevoegdheden, macht, privileges en financiële opbrengsten. Bovendien is er vaak een zo groot verloop in het personeelsbestand dat de onderlinge relaties maar beperkt persoonlijk en vertrouwd kunnen worden. Die hiërarchie en de beperkte vertrouwdheid maken dat statuscompetitie en statushiërarchie altijd op de loer liggen of zelfs manifest zijn. In de vorm van onderlinge strijd om betere posities en in de vorm van overheersing (ook wel "grensoverschrijdend gedrag" genoemd) enerzijds en onderwerping anderzijds. 

We kennen de gevolgen in de vorm van de werkgerelateerde psychische en fysieke gezondheidsklachten, die blijken samen te hangen met te hoge werkdruk en te weinig autonomie. Hoewel het hebben van betaald werk goed is voor mensen, is de activiteit van het betaalde werk de minst gewaardeerde bezigheid. Zie Door meer autonomie op het werk hoger welzijn, De economische kosten van burn-out lijken aanzienlijk. En de autonomie in het werk neemt juist alleen maar af en Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk.

Daarnaast lokt de externe omgeving van arbeidsorganisaties, waar immers met andere bedrijven moet worden geconcurreerd, statuscompetitief gedrag uit, waarin het vaak met morele grenzen niet zo nauw wordt genomen. Als toezicht ontbreekt, ontstaan er mogelijkheden voor zelfverrijking en fraude ten koste van anderen, die nogal eens benut worden.

Er is kortom veel voor te zeggen om dat statuscompetitiegedrag in en aan de top van organisaties en terug te dringen. Maar hoe doe je dat? 

Het meest voor de hand liggend, maar ook het meest ingrijpend, is om organisaties minder hiërarchisch te maken. Dus bevoegdheden meer te spreiden en privileges en inkomensverschillen te verkleinen. Ervaringen met coöperatieve organisaties wijzen uit dat zulks heel wel mogelijk is en grote voordelen oplevert. Zie Opmars van de coöperaties. Een stille revolutie? - Nancy Folbre. Denk ook aan de zelfsturende teams van Buurtzorg Nederland.

Minder ingrijpend, en waarschijnlijk daardoor "populairder", is te proberen om werknemers ertoe te bewegen om die bestaande verleidingen tot statuscompetitiegedrag te weerstaan en hen integendeel aan te zetten tot gemeenschapsgedrag. Dit gebeurt door in bedrijfskunde- en managementopleidingen vakken op te nemen die ingaan op "de ethiek van bedrijf en organisatie". 

Dat zulks gebeurt, wijst er al op dat er bij opleiders een besef bestaat van het probleem. Het besef dat hun studenten zoals de meeste mensen weliswaar zijn toegerust met de morele gemeenschapsintuïties, maar dat ze na hun studie terechtkomen in die situaties en omgevingen die ertoe uitnodigen om die morele noties te vergeten.

Hoe kun je zo'n vak over ethiek en moraal het beste gestalte geven? Daarover gaat de nieuwe studie Developing Moral Muscle in a Literature-based Business Ethics Course. Die is interessant omdat de onderzoekers zich er rekenschap van geven dat het inderdaad gaat om morele intuïties, dat wil zeggen om intrinsiek vage noties, die dus niet uitputtend omschreven kunnen worden en zich niet lenen voor de in opleidingen gebruikelijke "kennisoverdracht". We weten immers dat kinderen die morele gemeenschapsintuïties aan leren door op te groeien in een morele gemeenschapsomgeving. Te vergelijken met het aanleren van de eerste taal door op te groeien in een taalomgeving. Denk aan mijn berichten over de mythe van de opvoedbaarheid, de mythe die eruit bestaat dat kinderen hun morele intuïties leren doordat ouders hen "opvoeden". Zie Judith Rich Harris overleden. Ze dwong ons om anders en beter te kijken naar de rol van ouders in het opgroeien van kinderen

Natuurlijk hebben studenten bedrijfskunde die morele intuïties als het goed is al verworven bij het opgroeien. De vraag is dan hoe je hen er op voorbereidt dat ze na hun studie terechtkomen in die situaties en omgevingen waarin het "toepassen" ervan niet altijd of vaak niet eenvoudig is en voor de hand ligt. En waarin de neiging tot statuscompetitie op de loer ligt. 

De onderzoekers bepleiten een zogenaamde narratieve benadering. Ze lieten studenten wekelijks een geselecteerde tekst uit de wereldliteratuur lezen waarin personen geconfronteerd worden met een moreel dilemma. Het ging om dertien teksten uit o.a. Antigone van Sophocles, Things Fall Apart van Chinua Achebe, The Remains of the Day van Kazuo Ishigoru, A Man for All Seasons van Robert Bolt en The Prince van Niccolò Machiavelli. Ze beschrijven dan hoe studenten in het lezen en onderling bespreken van de teksten hun "morele spier" versterkten, dat wil zeggen dat hun "morele bewustzijn", hun motivatie voor een dagelijkse morele praktijk en hun wens tot morele karaktervorming ontwikkeld werden.

Die metafoor van de morele spier is heel toepasselijk. Net zo als je je spieren versterkt door ze te gebruiken, ontwikkel je je tot een "morele persoon" door de cumulatie van al je morele beslissingen en de reflectie daarover.

En precies in die situaties en omgevingen waarin de donkere kant van de menselijke sociale natuur, die van de neiging tot statuscompetitie, gemakkelijk de kop opsteekt, is het belangrijk dat er een morele persoon aanwezig is die daartegen bestand is.

Interessant artikel. Dat veel meer te bieden heeft dan de ultrakorte samenvatting die ik er hier van geef.

woensdag 26 april 2023

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 10

Nederlanders legden er zich gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945 bij neer, of werkten er zelfs aan mee, dat driekwart van hun Joodse landgenoten door de Duitsers werden afgevoerd en vermoord. Dat is een zo beschamende constatering dat er na 1945 lang over werd gezwegen. Zie het vorige bericht in deze reeks. Maar de vraag hoe dat kon gebeuren is in menselijk opzicht zo cruciaal, en van zo groot belang voor het menselijk vermogen tot zelfinzicht, dat hij niet blijvend kon worden genegeerd. 

En hij is ook sociaalwetenschappelijk van het allergrootste belang. De Duitse bezetting was een geval van onderdrukking, dus van een toestand waarin het statuscompetitiepatroon actueel is in de vorm van een statushiërarchie. Het gevaar daarvan is dat hij overgaat in een stabiele "evenwichtstoestand", dat wil zeggen in een toestand waarin er van binnenuit geen verandering meer optreedt. In feite was dat gevaar gerealiseerd, want Nederland was voor de bevrijding afhankelijk van krachten van buitenaf, van de inspanningen van de Geallieerden. Er was weliswaar intern het verzet, maar de schatting is dat toch niet meer dan zo'n vijf procent van de bevolking daarin actief was. De grote meerderheid, afgezien van de met de Duitsers collaborerende Nederlanders, ook zo'n vijf procent, berustte in de onderdrukking en probeerde er nog het beste van te maken. Wat dus ook bleek in te houden dat men zich neerlegde bij de Jodenvervolging of daar zelfs aan meewerkte.

Na die te lange periode van stilzwijgen kon gaandeweg het inzicht naar boven komen dat we hier te maken hebben met een schandvlek in onze nationale geschiedenis. In 2005 was het zover dat de Nederlandse Spoorwegen hun excuses ervoor aanboden dat de organisatie zo gewillig de Duitse opdracht uitvoerde om de Joodse Nederlanders en de Roma en de Sinti  naar het doorgangskamp Westerbork te transporteren en zich daar omgerekend naar nu circa 2,5 miljoen euro voor liet betalen. Daarna was er nog heel wat voor nodig om de stap te zetten naar een financiële compensatie voor overlevenden en nabestaanden. Zie Over hoe het kon dat zoveel joodse Nederlanders in 40 - 45 werden gedeporteerd en vermoord. Ook werd er aan het NIOD de opdracht verstrekt voor een diepgaande onderzoek naar de rol van de Spoorwegen

met betrekking tot het faciliteren van de Duitse oorlogs- en vernietigingsindustrie. Centraal staat de vraag naar het functioneren van verschillende bestuurslagen, afdelingen en individuen van De Nederlandse Spoorwegen tijdens de bezetting, evenals hun betrokkenheid bij, en verantwoordelijkheid voor, het uitvoeren van (transport)opdrachten op last van de Duitsers gedurende het verloop van de oorlog. (Onderzoek naar De Nederlandse Spoorwegen tijdens de Tweede Wereldoorlog)

En pas in 2020 (!) bood de Nederlandse staat bij monde van premier Rutte excuses aan voor de rol van het staatsapparaat bij de Jodenvervolging. Gevolgd in 2021 door de oprichting in Amsterdam van het indrukwekkende Holocaust Namenmonument, ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden, Roma en Sinti. Eerder, in 2007, werd in ons land begonnen met het plaatsen van de struikelstenen of "stenen des aanstoots" in het trottoir voor de huizen waar verdreven en vermoorde Joden woonden.

Een en ander heeft natuurlijk de nodige aandacht gekregen. Maar je kunt je afvragen of aandacht alleen voldoende is om lessen te kunnen trekken over hoe het kon gebeuren. Hoe het kon gebeuren dat de Nederlandse bevolking en het ambtenarenapparaat toekeken of zelfs meewerkten aan het isoleren, de verontrechting, de deportatie en het vermoorden van een deel van de bevolking. En die vraag is zoals gezegd ook van fundamentele sociaalwetenschappelijk belang.

Gelukkig worden historici, ook driekwart eeuw na de Bevrijding, niet moe het materiaal aan te dragen dat voor het beantwoorden van die vraag noodzakelijk is. In 2020 verscheen Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie van Rob Bakker (ruim 700 bladzijden) en vorig jaar Buitengewone transporten. Deportaties van Joden, Roma en Sinti uit Nederland, 1940-1945 (ruim 300 bladzijden). 

Ik ben nog aan het lezen. Hier het vervolg.

dinsdag 18 april 2023

Hoe reageren kinderen op een in het leven geroepen statushiërarchie?

De nieuwe studie The effect of group status on children's hierarchy-reinforcing beliefs bevestigt het vermoeden, en resultaten van eerder onderzoek, dat het statuscompetitiepatroon in de menselijke sociale natuur klaar ligt om geactiveerd te worden. (Maar ook, lees verder, het gemeenschapspatroon.)

De Amerikaanse onderzoekers deelden kinderen van tussen de vier en acht jaar per toeval in drie verschillende groepen in, die niet bestaande namen kregen (de Flurps, de Gorps en de Zazzes). Daarna werd verteld dat de kinderen van de ene groep bepaalde voorrechten hadden (de hoge statusgroep), die de kinderen van de twee andere groepen werden onthouden. Kinderen van een van die twee andere groepen werden benadeeld (lage statusgroep), terwijl de andere groep noch werd bevoorrecht, noch werd benadeeld. De kinderen werden dus geïntroduceerd in een sociale wereld die bestond uit een statushiërarchie en waarin hen een positie was toegekend. (Het protocol van het onderzoek was goedgekeurd door de ethische commissie van de universiteit.)

Wat waren de gevolgen voor hoe de kinderen die wereld beoordeelden? Het bleek dat de hoge statuskinderen het statusverschil als rechtvaardiger beoordeelden en meer van mening waren dat die verschillen geaccepteerd dienden te worden. Ook was hun houding tegenover de lage statuskinderen negatiever en waren ze meer geneigd om lage statuskinderen uit te sluiten.

De onderzoekers zien de resultaten als een aanwijzing dat bij kinderen van deze leeftijd de neiging bestaat om een in het leven geroepen statushiërarchie te accepteren:

These results provide novel insights into a developmental mechanism that contributes to the formation of hierarchy-reinforcing beliefs in early childhood—advantaged status within that hierarchy—and contribute to our understanding of how children perceive and respond to the social hierarchies they experience in their daily lives. Critically, our results suggest that the tendency for advantaged group members to reinforce social hierarchies may be due, in part, to changes in the fundamental beliefs they develop about the hierarchy and the stratified groups who comprise it, and not only a simple desire for resources or power. 

Maar daar moet meteen de kanttekening bij geplaatst worden dat dat alleen gold voor de hoge statuskinderen. De kinderen van de twee andere groepen vonden de statusverschillen juist helemaal niet rechtvaardig en waren ook niet van mening dat die verschillen gewoon geaccepteerd dienden te worden. Ook was hun houding tegenover andere kinderen niet negatief en sloten ze andere kinderen niet uit. 

De onderzoekers doen dat niet, maar hun gedrag valt gemakkelijk te interpreteren als voortkomend uit dat andere gedragspatroon, dat van het gemeenschapsgedrag. Als dat patroon actief is, dan keur je statusverschillen af en vind je dat ze niet geaccepteerd zouden mogen worden.

Dat leert ons dat een op deze, "onnatuurlijke", wijze in het leven geroepen statushiërarchie enerzijds het statuscompetitiepatroon activeert, namelijk bij de hoge statuskinderen, maar anderzijds het gemeenschapspatroon, als een protest tegen die hiërarchie, namelijk bij de lage statuskinderen en de kinderen van de "neutrale" groep. 

Kortom, wat de onderzoekers bij die kinderen teweegbrachten, dat komt sterk overeen met wat in de grote mensenmaatschappij ook valt waar te nemen.

donderdag 12 januari 2023

De naargeestigheid van het statuscompetitieve, rechts-extremistische wereldbeeld - toen en nu

In het statuscompetitieve wereldbeeld is de wereld onveilig en vergeven van vijanden. In dat wereldbeeld ben jij of jouw groep of jouw volk pas veilig als jij of jullie onbedreigd aan de top staan van de statushiërarchie. Als alle macht bij "ons" geconcentreerd is en alle "anderen", de "vijanden" machteloos zijn geworden. Of, nog liever, als alle vijanden zouden zijn vernietigd. 

Zolang die vernietiging niet voltooid is, en dat is meestal zo, staat alles in het teken van de strijd, van het je macht laten gelden en het intimideren en vernederen van wat jij als vijanden ziet. Daarbij kun je nooit verslappen, want elk teken daarvan zou de vijand hoop kunnen geven en kunnen aanmoedigen. Alles moet erop gericht zijn om dat te voorkomen.

Als dat wereldbeeld de kans heeft gekregen om zich te verspreiden en door te zetten, dan is er een toestand ontstaan waarin iedereen zich onveilig voelt. De onderdrukten, doordat ze voortdurend geïntimideerd en vernederd worden. Maar ook de onderdrukkers, omdat ze altijd en overal vijanden zien. 

Van een "samenleving" kun je eigenlijk niet meer spreken. De sociaalwetenschappelijke term is: statushiërarchie. In Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen analyseer ik die toestand als een "statuscompetitie-evenwicht". Als je niet beter zou weten, dan zou je niet op het idee komen dat ook het gemeenschapspatroon tot de menselijke sociale natuur behoort.

Dat alles in het teken van de strijd staat, moet heel letterlijk worden genomen. Remmingen, in de zin van wat moreel juist is of van wat waarheid is, ontbreken. Integendeel, in het narcistische, statuscompetitieve wereldbeeld wordt het "zich bevrijd hebben" van de moraal en van de wetenschap gevierd. Het streven naar de ultieme veiligheid van het onderdrukt of zelfs geëlimineerd hebben van de vijanden, mag niets in de weg worden gelegd.

Zeker, het is een naargeestig wereldbeeld en het is een naargeestig beeld als de maatschappij er zo uitziet of die kant lijkt op te drijven. Maar het is precies die naargeestigheid die zich aan je opdringt als je naar vroegere of hedendaagse manifestaties er van kijkt. 

In het nog niet zo verre verleden was er de huiveringwekkende naargeestigheid van nazi-Duitsland en de Holocaust. Waarin het "Jodendom" als vijand was uitgekozen en moest worden geëlimineerd. Waarin werkelijk alles instrumenteel was aan dat einddoel. Met een moreel vacuüm, dat met verering van de Leider, propaganda, wereldvreemde fantasieën en leugens werd opgevuld. 

Tegenwoordig herkennen we een variant van diezelfde naargeestigheid in het statuscompetitieve wereldbeeld van het populistische rechts-extremisme. Waarin "het eigen volk" aan de macht behoort te zijn en waarin dus degenen die het iedereen-telt-mee van de democratie verdedigen de vijanden zijn. Waarin mensenrechtenverdragen behoren te worden opgezegd, want niet iedereen heeft dezelfde rechten. Waarin vluchtelingen en asielzoekers horen te worden geweerd. Waarin "wij", de machtigen en de rijken en de overheersers, ons niet laten dwingen om mee te betalen aan de collectieve voorzieningen en de sociale zekerheid. Waarin de armen en kwetsbaren hun plaats behoren te kennen.

En waarin we "onze" overtuigingen in een culture war aan iedereen moeten kunnen opleggen. Waarin we niet gehinderd mogen worden door morele beperkingen. Dus zelfverrijking en corruptie. 

Noch door de beperkingen van wetenschap en waarheid. Dus de beeldvorming, de samenzweringstheorieën, de desinformatie en de leugens en de klimaatontkenning.

De rechts-extremistische flank van het Nederlandse politieke landschap. De nasty Party van de Conservatieven in Groot-Brittannië. De Republikeinen in de Verenigde Staten. De Bolsonaristas in Brazilië. De AfD en de Reichsbürger in Duitsland. Orbán en zijn aanhangers in Hongarije. En Poetin en de kring om hem heen in Rusland. Een naargeestig tableau.

dinsdag 20 december 2022

De bazen en de meute vieren het bevrijd zijn van de moraal - Over de ideologie van het bazendom

Door de in de afgelopen decennia sterk toegenomen inkomens- en vooral ook vermogensongelijkheid hebben we nu te maken met wat Paul Krugman in zijn column van gisteren humeurige oligarchen (petulant oligarchs) noemt. Figuren die extreem rijk hebben kunnen worden, daardoor alom bewondering of zelfs verering oogsten, die zich allerlei bizarre voorrechten en geneugten kunnen veroorloven, die zichzelf bijzondere gaven zijn gaan toedichten en zich verheven voelen boven het gewone volk en die door hun rijkdom zoveel macht hebben dat we allemaal afhankelijk worden van hun nukken en grillen. 

Zoveel macht dat ze de democratie, die immers juist bedoeld is om macht te nivelleren (iedereen-telt-mee), maar moeilijk kunnen accepteren. Vandaar dat grote ongelijkheid, via de invloed van het Grote Geld,  een gevaar is voor de democratie. Algemener gezegd, grote ongelijkheid wakkert de statuscompetitie aan en het bestaan van zulke oligarchen is daar een onvermijdelijk gevolg van. Zie ook Door meer ongelijkheid meer statuscompetitie en daardoor meer vraag naar een sterke leider die het niet zo nauw neemt met de democratie.

Doordat zulke humeurige oligarchen zichzelf zo verheven voelen, gaan ze zich opmerkelijk kinderachtig gedragen als het hen soms tegenzit. Paul Krugman denkt aan Elon Musk. Dat kan spotternij opwekken, maar er zijn er ook die hardnekkig in hen en hun bijzondere gaven blijven geloven. Dat geloof is zoiets als de ideologie van het bossissm, een term die Krugman ontleent aan John Ganz (The Emerging Tech-Lash. The Politics of Tech Oligarchy). In het Nederlands kennen we de term bazendom. Ganz noemt ook de Zuid-Afrikaanse term baasskap, die in de tijd van de Apartheid werd gebruikt.

De ideologie van het bazendom houdt in dat er een "natuurlijk orde" bestaat, waarin sommigen, de bazen, het voor het zeggen hebben. Een orde waarin democratie dus ook niet kan bestaan. Ganz haalt de uitspraak van Peter Thiel aan, een van die oligarchen die het rechts-extremisme financieren, dat hij niet langer denkt dat vrijheid en democratie verenigbaar zijn. In het bazendom genieten de bazen, de rijke oligarchen, de vrijheid van het niet gehinderd worden door morele beperkingen. Ze kunnen onbelemmerd hun nukken en grillen volgen. Dat levert hen bewondering en verering op van de meute, die zelf ook de vrijheid van dat amorele gedrag omarmt en zich zo met de bazen kan identificeren: 

this vision of “freedom” is not only shared by the bosses and their paid ideologues—there is a “mass” component of the politics as well: this ideal of freedom is shared by a mob that worships the power of the oligarchs and wants its own freedom to consist in the total license to behave online without encountering moral sanction from the pestering wokes or to have personal consequences of any kind. Through the adoption of crackpot racial or IQ notions they can flatter themselves that they are part of the elect, minor shareholders in the oligarch’s baasskap. 

Sociaalwetenschappelijk onder woorden gebracht: de grote ongelijkheid heeft de deur opengezet voor een proces van statuscompetitie, dat is uitgemond in een statushiërarchie. Waarin de bazen én de meute de last van morele noties van zich af hebben geschud. Als er nog bepleiters van de moraal zijn, van het iedereen-telt-mee, dan worden die als woke bespot. Het "feest" van het bevrijd zijn van de moraal moet worden gevierd.

De bazen en de meute die elkaar in stand houden, het is een van de vormen waarin het statuscompetitiepatroon kan zegevieren over het gemeenschapspatroon.

zondag 27 november 2022

Een sociaalwetenschappelijk zicht op sociale onveiligheid achter de schermen van een talkshow (3) - De reactie van de morele afwijzing en die van het bepleiten van sociale hervorming

In de commentaren die je her en der leest op het aan het licht komen van de angstcultuur bij de talkshow DWDD zijn twee reacties te onderscheiden: die van de morele afwijzing van het gedrag dat die angstcultuur deed ontstaan en die van het bepleiten van het wegnemen van de voorwaarden die dat gedrag waarschijnlijker maken. 

Het vorige bericht was een voorbeeld van die tweede reactie. Daarin ging het namelijk over wat sociaalwetenschappelijk kan worden aanbevolen om statuscompetitiegedrag en de daarmee samenhangende angstcultuur te voorkomen. Dat gedrag steekt namelijk onder bepaalde voorwaarden eerder de kop op, doordat ze het signaal afgeven dat statuscompetitiegedrag verwacht wordt. 

Ten eerste de voorwaarde dat de financiering van televisieprogramma's door middel van reclame-inkomsten een competitie om kijkcijfers in werking stelt. Een competitie die gemakkelijk ontaardt in statuscompetitie. En die is emotioneel niet neutraal. Het behalen van hoge kijkcijfers doet anderen naar je opkijken en wekt bij hen, en bij jezelf, de indruk dat jij over bijzondere gaven beschikt. Waardoor de kans groot is dat jij meer in jezelf gaat geloven dan eigenlijk gerechtvaardigd is. Je gaat dan alles op alles zetten om die hoge status die je is toegevallen, te verdedigen. Want anderen zouden natuurlijk graag zien dat jij van je voetstuk valt. 

Je ervaart de sociale onveiligheid die altijd verbonden is met een hoge status, want er zijn altijd anderen die jouw positie bedreigen of zouden kunnen bedreigen. Daardoor, en door de stress van de echte of vermeende bedreiging, ga je je zo gedragen dat jouw hoge status en de lage status van anderen voortdurend worden bevestigd. In concreto: je vernedert de anderen. Elke geslaagde vernedering bevestigt het statusverschil. Het resultaat is een angstcultuur.

Als tweede de voorwaarde, die de eerste versterkt, van een in de organisatie ingebakken machtsverschil. Het gaat immers om een arbeidsorganisatie, met functie-omschrijvingen en arbeidsovereenkomsten. Hoe meer die een hiërarchie in het leven roepen, van verschillen in beloning en in zekerheid van aanstellingen, hoe meer statuscompetitie er valt te verwachten. Mensen gaan niet meer als gelijken met elkaar om. Ook dat opent de deur tot vernedering van bovenaf en onderdanigheid van onderop.

De sociaalwetenschappelijke reactie bepleit nu de sociale hervorming van het wegnemen van deze twee voorwaarden. Waarbij het natuurlijk meteen duidelijk is dat de strekking ervan niet beperkt is tot de problemen bij een talkshow. Want we komen die twee voorwaarden natuurlijk op veel meer plaatsen tegen. Die angstcultuur bij DWDD was een bijzonder geval van een wijdverbreid maatschappelijk probleem. Wijdverbreid doordat we in onze maatschappij, vaak zonder dat zelf te beseffen, het statuscompetitiepatroon ruim baan geven. Denk om de gedachten te bepalen maar even aan het pestprobleem op scholen

Dan nu over die eerste reactie, die van de morele afwijzing. Die kom je bijvoorbeeld tegen in het NRC-artikel De moderne leider blaft en kleineert niet – maar wat doet hij wel? Waarin je overigens ook, bij geïnterviewde sociale wetenschappers, iets van die tweede reactie tegenkomt, namelijk het wijzen op die voorwaarden. Die morele afwijzing bestaat eruit dat gewezen wordt op de menselijke schade die door een angstcultuur  wordt veroorzaakt en dat gepleit wordt voor ander gedrag. Er moet meer aandacht komen voor het belang van psychologisch veiligheid en dat is ook al aan het gebeuren. De "autoritaire leiderschapsstijl" is contraproductief en zou tot het verleden moeten gaan behoren. Het artikel sluit af met:

Dat betekent niet dat we een „lief tijdperk betreden”, zegt (organisatiepsycholoog Aukje) Nauta, die werkt aan een boek over het mogelijke einde van het bullebak-gedrag. „Dankzij het debat op sociale media gaat het debat hierover sneller dan voorheen. We zijn met zijn allen nog steeds aan het leren. Het is een beschavingsproces.”

Die reactie van de morele afwijzing en van het oproepen tot een "beschavingsproces" is natuurlijk heel goed te begrijpen. Naast het statuscompetitiepatroon kennen wij in onze sociale natuur ook het daaraan tegengestelde gemeenschapspatroon. Waarin je anderen geen schade hoort toe te brengen en waarin iedereen meetelt. Het is dat patroon dat ons het statuscompetitiegedrag moreel doet afkeuren. En uitingen van morele afkeuring kunnen ook zeker effect hebben. Denk aan Stelling 2 van de Dual Mode-theorie

Maar diezelfde morele afkeuring zou er ook toe moeten leiden dat de sociale hervorming van het wegnemen van de voorwaarden voor statuscompetitiegedrag wordt bepleit. Want het is natuurlijk altijd beter om moreel afkeurenswaardig gedrag helemaal niet te laten ontstaan. Hier het vervolg.

donderdag 13 oktober 2022

Over de korte overgangstijd waarin we leven - de laatste stuiptrekkingen van het neoliberalisme?

Misschien heeft Thomas Piketty gelijk dat we in een lange overgangstijd leven, op weg naar meer politieke en economische gelijkheid. Naar wat Piketty participatief socialisme noemt. Overeenkomend met wat ik (op weg naar) het gemeenschapsevenwicht noem. Zie hier het vorige bericht

Je zou Piketty graag gelijk kunnen geven. Maar zijn argumentatie is toch eigenlijk alleen maar dat die ontwikkeling naar meer gelijkheid zich nu al zo'n twee eeuwen afspeelt. En dat is niet voldoende om te concluderen dat die trend zich altijd maar zal doorzetten. Ik noemde al dat de ambivalentie van de menselijke sociale natuur tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag doet verwachten dat de strijd tussen die twee op maatschappelijk vlak er altijd wel zal blijven. Met blijvende onzekerheid over waar die strijd op zal uitdraaien.

Los daarvan ziet Piketty ook wel in dat die trend naar meer gelijkheid gepaard kan gaan met ups en downs. Bij hem gaat het om een strijd tussen ideologieën en de uitkomst daarvan beweegt zich niet rechtlijnig door de geschiedenis. De korte overgangstijd die we nu meemaken is die van het doodlopen van de neoliberale onderbreking (een down) van de naoorlogse ontwikkeling van de verzorgingsstaat (een up), die begon begon in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw. 

Toen begonnen de pleidooien voor meer marktwerking en om de overheid terug te dringen. Pleidooien die zich lang konden voordoen als objectief wetenschappelijk onderbouwde betogen. Het vak economie schreef  "economische hervormingen" voor en het prestige van dat vak was zo groot dat iedereen daarmee instemde. Niet alleen de rechtse politieke partijen, maar ook de sociaaldemocraten gingen voetstoots aannemen dat die weg diende te worden ingeslagen. Lees Neoliberalisme. Een Nederlandse geschiedenis van Bram Mellink en Merijn Oudenampsen voor hoe zich dat in ons land voltrok.

De overheid moest terugtreden en zichzelf ook meer bedrijfseconomisch organiseren. En de markt moest worden uitgebreid, door uitbesteding, privatiseringen, deregulering en verlaging van belastingen. Meer ongelijkheid was goed, want zorgde voor de benodigde "prikkels". En dat alles zou zorgen voor meer economische groei en precies die economische groei moest ook het allesbepalende criterium worden voor wat wenselijk was.

Natuurlijk zagen al die neoliberale economen en politici ook wel in dat wat zij voorstonden zich slecht verdroeg met de morele gemeenschapsintuïties van iedereen-telt-mee en van rechtvaardigheid. Maar die morele tegenwerpingen werden geneutraliseerd door de belofte dat de economische groei uiteindelijk ook terecht zou komen bij degenen die het niet zo goed hadden. Dat was het trickle-down argument. Waarmee de sterk groeiende inkomens-, maar vooral vermogensongelijkheid gerechtvaardigd zouden kunnen worden.

Zoals gezegd, we maken nu mee dat die neoliberale onderbreking op zijn eind loopt. Dat is de korte overgangstijd waarin we nu leven. De objectief wetenschappelijke argumenten bleken toch niet zo goed empirisch onderbouwd te zijn. De economische groei viel tegen en was lager dan in de eerste, zeg maar sociaaldemocratische, decennia na de Tweede Wereldoorlog. De ongelijkheid nam groteske vormen aan. Daklozen verschenen in het straatbeeld en voedselbanken werden opgericht. Niet iedereen telde mee. En de financieel-economische instabiliteit nam toe.

De indruk dringt zich op dat die objectief wetenschappelijke argumenten als dekmantel fungeerden voor een door het statuscompetitiepatroon geïnspireerd beleid. Voor de banaliteit van de rijken verdienen het rijk te zijn en de armen verdienen hun armoede. Verschil moet er zijn. Het einddeel is de statushiërarchie met de machtigen aan de top.

Nu zien we her en der dat dat neoliberale fantasiegebouw instort. Het stelde niet alleen teleur in economisch opzicht. Doordat het de bestaansonzekerheid voor grote groepen burgers vergrootte, dreef het kiezers naar rechts-extremistische en antidemocratische partijen. Mijn laatste bericht daarover: De neoliberaal gemotiveerde toename van bestaansonzekerheid, de niet in goede banen geleide globalisering, groeiende ongelijkheid en de opkomst van het rechts-extremisme.

Die politieke gevaren zijn nog niet geweken, maar de Amerikanen bezorgden Donald Trump een grote nederlaag en brachten de Biden-regering aan de macht, die duidelijk een breuk nastreeft met het neoliberale tijdperk. Zie (uit januari van het vorig jaar): Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid? 

Maar of die positieve ontwikkeling zich zal kunnen doorzetten is niet zeker. De Republikeinse partij is volledig gekaapt door het Grote Geld en door antidemocratische krachten, die erop uit zijn om een statushiërarchie te vestigen met witte mannen aan de top. Het zijn misschien de laatste stuiptrekkingen van wat in de jaren 70 en 80 in het leven werd geroepen. Het wordt nog spannend of ze bij de komende verkiezingen zullen worden verslagen.

Ook in Groot-Brittannië zien we misschien die laatste stuiptrekkingen. Waar neoliberale diehards een regering hebben kunnen vormen die al meteen in grote moeilijkheden is komen te verkeren. We wachten even hoe dat afloopt. Misschien weten we morgen al meer. Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

vrijdag 7 oktober 2022

Als het statuscompetitiepatroon vrij baan krijgt, dan voelt iedereen, ook de onderdrukker, zich onveilig. - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 7.

De vraag naar hoe Nederlanders reageerden op de bezetting en onderdrukking door de Duitsers in 1940-1945, waar deze reeks berichten over gaat, is een bijzonder geval van het algemenere probleem hoe mensen omgaan met toestanden van onveiligheid als niet alleen zijzelf maar ook veel anderen door die onveiligheid getroffen worden. Zie hier het vorige bericht. Andere gevallen waar ik het over had, waren de toestand waarin de Duitsers zelf verkeerden toen ze eenmaal door kregen dat Hitler en zijn trawanten het helemaal niet goed met hen voorhadden en de toestand die op het ogenblik in Iran bestaat, waar de bevolking, vooral de vrouwen, in opstand komt tegen het onderdrukkende ayatollah-regime. 

En ik noemde ook al de onveiligheid en dreiging die voortkomt uit de door mensen veroorzaakte klimaatverandering en uit het onvermogen en de onwil van de regeringen en machthebbers om daar voldoende maatregelen tegen te nemen. En denk natuurlijk ook aan de toestand in Rusland, waar de Russen beginnen door te krijgen dat Poetin niet hun belangen nastreeft, maar in de ban is van een ideologische fantasiewereld.

In al zulke gevallen kan de onveiligheid en bedreiging zo groot zijn dat de angst mensen in de immobilisatiereactie duwt, dus in het verstijfd zijn, in het zich terugtrekken en het zich koest houden. Waardoor de vraag dringend wordt hoe mensen uit die toestand kunnen "ontwaken". 

En daarop is in ieder geval een deel van het antwoord dat dat ontwaken erdoor wordt bevorderd als mensen over elkaars bereidheid tot actie en verzet geïnformeerd raken. Dan gloort er hoop, want als dat verzet groot genoeg is, dan kan dat een einde maken aan de onderdrukking. De kans op collectieve en succesvolle actie activeert de sociale betrokkenheid van het gemeenschapsgedrag en daarmee het ontwaken uit de immobilisatie. 

Toegespitst op de vraag waardoor het verzet in Nederland gedurende de Duitse bezetting niet omvangrijker was, zou dit betekenen dat Nederlanders maar weinig geïnformeerd waren over elkaars bereidheid tot verzet. In het eerste bericht in deze reeks kwam al de schatting voorbij dat slechts zo'n vijf procent  van de bevolking actief was in het georganiseerde verzet. De rest, afgezien van die andere vijf procent die collaboreerden met de bezetters, zal wel enige kennis hebben gehad van dat verzet, maar hield daaraan niet de indruk over dat massaal verzet op het punt stond door te breken. Afgezien van de korte Februaristaking, was het verzet slechts weinig zichtbaar. Juist omdat het zo gering van omvang was, moest het zich in het verborgene afspelen. Van een doorbraak naar demonstraties in straten en op pleinen, zoals nu in Iran, is het nooit gekomen. 

Dat kwam natuurlijk ook doordat de bezetter erop uit was, zoals onderdrukkers dat altijd zijn, om verzet in de kiem te smoren. Die immobilisatiereactie is precies wat de onderdrukker beoogt te bereiken. Dus intimidatie, door buitensporig geweld, represailles, martelingen. Het Duitse bombardement op Rotterdam in mei 1940 had natuurlijk ook de bedoeling om te intimideren. Het behoort tot het "natuurlijke "gedrag van de onderdrukker om angst en vrees aan te jagen. 

Het sociale patroon van de onderdrukking is dat van de statushiërarchie, waarin de onderdrukker zijn eigen veiligheidsgevoel najaagt door de onveiligheidsgevoelens van de onderdrukten, dus van iedereen, zoveel mogelijk aan te wakkeren. Denk aan de paranoia van Stalin en zijn schrikbewind, waarin iedereen elke nacht van zijn bed kon worden gelicht. 

En denk aan de paranoia van Poetin en de vele moordaanslagen op zijn tegenstanders, de "verraders". Vandaag zestien jaar geleden, op Poetins verjaardag, werd de kritische journaliste Anna Politkovskaja vermoord, nadat eerder een poging was gedaan haar te vergiftigen. Zulke vergiftigingspogingen waren er meer. En er waren opvallend veel tegenstanders die omkwamen doordat ze uit het raam vielen of overboord sloegen. Niet alleen om die personen uit de weg te ruimen, maar vooral ook vanwege de algehele intimidatie die er het effect van is.

Als het statuscompetitiepatroon vrij baan krijgt, dan voelt iedereen zich onveilig. De onderdrukten zijn verstijfd van angst. En de onderdrukker lijdt aan paranoia. Hier het vervolg.

woensdag 17 augustus 2022

Door al het menselijk sociale gedrag over die ene kam van statuscompetitie en statushiërarchie te scheren, krijg je onvermijdelijk het cynische mensbeeld van moreel gedrag als een vernislaagje over een in wezen egoïstische kern

Het inzicht van de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur, zoals je dat op dit blog vaak aantreft in de Dual Mode-theorie, de tegenstrijdigheid dus tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, is in de sociale wetenschappen geen gemeengoed. Hetzelfde geldt voor de tegenstrijdigheid tussen de sociale vormen van gemeenschap en statushiërarchie. Wel zijn er verschillende theoretische aanzetten die er een beetje op lijken.

Zo bestaat er de dual-strategies theory, die zich concentreert op de sociale vorm van de statushiërarchie en dus die van de gemeenschap negeert. In de studie Dominance and Prestige: Dual Strategies for Navigating Social Hierarchies uit 2010 schrijven J.K. Maner en C.R. Case:

Throughout human history, the presence of hierarchy has been a very common, if not ubiquitous, feature of social groups. The presence of social hierarchy stretches back across tens of thousands of generations to the advent of Homo sapiens and, indeed, much further to include other primate species. 

Waarin dus de notie geheel ontbreekt dat de groepsvorming van jagers-verzamelaars op basis van samenwerken en delen, en dus juist onderdrukking van de statushiërarchie, voor het ontstaan en voortbestaan van de menselijke soort doorslaggevend is geweest. Zie nog eens De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 2. In plaats daarvan zien de auteurs een doorgaande lijn van andere primaten naar mensen, een lijn van alomtegenwoordige statushiërarchieën.

Met zo'n radicale ontkenning van wat nu juist fundamenteel menselijk is, het in staat zijn tot gemeenschapsgedrag en daardoor onderdrukken van statuscompetitiegedrag, moet je wel in de problemen komen. 

Dat lossen Maner en Case halfslachtig op, namelijk door twee strategieën van statuscompetitie te onderscheiden, die van de dominantie en die van het prestige. Dominantie is wat op dit blog statuscompetitie wordt genoemd, dus pogen anderen te overheersen, onderdrukken en intimideren. Als dat nodig is met fysiek geweld. Maner en Case:

People who adopt a dominance strategy to navigate social hierarchies tend to be highly calculating and view others as allies or foes, as those who might either help or hinder their own efforts to augment their social rank. They tend to be narcissistic and to display hubristic pride marked by feelings of arrogance and narcissistic conceit (Cheng, Tracy, & Henrich, 2010).

Maar er is dus ook die andere strategie, die van het streven naar prestige. En prestige verwerf je niet door anderen te overheersen, maar door voor anderen of de groep waardevol gedrag. Dus door anderen bij te staan, die daarop reageren door jou prestige toe te kennen. Dat laatste doen die anderen niet door dat jij dat bij hen afdwingt, zoals door overheersing, maar geheel uit vrije wil. Ze waarderen jouw inbreng ten behoeve van anderen of de groep. Prestige dus. Maner en Case:

A prestige strategy for navigating social hierarchies, then, exists because human cultures awarded deference and respect to individuals who meaningfully contributed to that culture.

In die prestigestrategie herkennen we natuurlijk gemakkelijk het gemeenschapsgedrag. Maar dan valt toch meteen op dat die strategie er natuurlijk niet op gericht is om status te verwerven. Om hoog terecht te komen in een statushiërarchie, dus anderen voorbij te streven en hen te overtroeven. Want je bent er juist op uit om die anderen bij te staan en te ondersteunen. Je hebt met hen het beste voor. 

Je komt dus in de problemen door te stellen dat het gaat om twee strategieën om hetzelfde, status, te bereiken. 

Maner en Case zien ook wel in dat mensen gewoon gemotiveerd kunnen zijn om anderen bij te staan. En dus niet om daar "prestige" door te ontvangen. Dat noemen ze de "passieve prestigestrategie":

By garnering prestige, people sometimes can ascend into positions of high social rank, passively; that is without deliberatively trying to rise above others in social rank. (...) Prestige is also won, as a by-product, by people who act from a heroic or selfless desire to help others (eg, Mahatma Gandhi).

Maar dan denken ze dus meteen aan bijzondere mensen, zoals Mahatma Gandhi. Voor "gewone mensen" geldt dat ze misschien wel van zichzelf denken dat ze anderen onbaatzuchtig en altruïstisch bijstaan, maar daar zit volgens Maner en Case toch vaak het zoeken naar respect, bewondering en status achter:

Even when people are not consciously aware of the ultimate goals underlying behaviors that earn them prestige (see Bargh et al., 2001, Stanton and Schultheiss, 2009), many of those behaviors are nevertheless motivated by a desire for respect, admiration, and high social rank.

Door al het menselijk sociale gedrag over die ene kam van statuscompetitie en statushiërarchie te scheren, krijg je onvermijdelijk het cynische mensbeeld van moreel gedrag als een vernislaagje over een in wezen egoïstische kern. Denk aan het bericht De morele luchtledigheid van het vak economie geïllustreerd aan een economisch leerboek over beleid, waarin ik het beroemde citaat van Michael Ghiselin aanhaal:

Scratch an altruist and watch a hypocrite bleed.

Dat cynische mensbeeld is nog altijd gemeengoed, niet alleen in de economie, maar ook in de sociale wetenschappen. En het staat daarmee in de weg van een dieper inzicht in de menselijke sociale natuur en in waartoe mensen samen in staat zijn. 

Een dieper inzicht dat we nu hard nodig hebben om de democratie in stand te houden. En zelfs om de aarde te respecteren en als mensheid te overleven. 

Anders gezegd, het is tijd voor een sociale wetenschap met een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

donderdag 14 juli 2022

De strijd om de democratie houdt nooit op (2) - Over waarom de alleenheerschappij nooit "een alternatief" is voor de democratie

De strijd om de democratie kan bestudeerd worden als een maatschappelijke en politieke uitingsvorm van de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur, zoals vervat in de drie stellingen van de Dual Mode-theorie. (Hier het vorige bericht.

De democratische rechtsstaat is een duidelijke poging om de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee vorm te geven in de instituties van de nationale staat (algemeen kiesrecht, rechtszekerheid, streven naar bestaanszekerheid voor iedereen). Die poging wordt bedreigd door het amorele, statuscompetitieve streven naar overheersing en onderdrukking, naar machtsuitoefening, dat eveneens deel uitmaakt van de menselijke sociale natuur (Stelling 1). 

De strijd tussen die twee, tussen gemeenschap en statuscompetitie, is een ideeënstrijd, ideeën in de zin van wereldbeelden of vooronderstellingen), wordt aangestuurd door de mate van sociale veiligheid die mensen ervaren. En die sociale veiligheid komt meer tot stand, hoe meer mensen zich laten leiden door de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. Hoe meer dat laatste het geval is, hoe minder mensen bevreesd hoeven te zijn voor onderdrukking en overheersing. Want ze kunnen er dan op vertrouwen dat iedereen meetelt, dus ook zijzelf. Andersom, hoe meer mensen de statuscompetitie om zich heen waarnemen, hoe groter de sociale onveiligheid die ze ervaren en hoe meer ze zelf ook overgaan, of over moeten gaan, tot deelname aan de statuscompetitie. Dat laatste oftewel in de vorm van (pogingen tot) overheersing en onderdrukking van anderen (hoge status) oftewel in de vorm van het berusten in het zelf overheerst en onderdrukt worden (lage status). Sociale veiligheid of onveiligheid is dus cruciaal en die verschaffen mensen elkaar door hun gemeenschapsgedrag (sociale veiligheid) of hun statuscompetitiegedrag (sociale onveiligheid). (Stelling 2).

Het grote belang van die strijd om de democratie is er in gelegen dat de democratie staat voor het "gemeenschapsevenwicht", een sociale en maatschappelijke toestand die moreel en naar menselijk welzijn valt te prefereren boven het "statuscompetitie-evenwicht". (Stelling 3.) Die twee "evenwichten" zijn theoretische constructies, in de zin dat we ons van beide een voorstelling kunnen maken, die in de maatschappelijke werkelijkheid meer of minder benaderd kunnen worden. De strijd om de democratie gaat erom het gemeenschapsevenwicht zo goed mogelijk te benaderen. Dat blijft een strijd zolang het statuscompetitiepatroon onderdeel is van de menselijke sociale natuur en dat zal voorlopig nog wel het geval zijn.

Welke inzichten komen naar boven als we met deze drie stellingen in ons hoofd nadenken over de strijd om de democratie? Op die vraag probeer ik in dit en volgende berichten een antwoord te geven.

Een eerste inzicht is dat het niet gaat om een strijd tussen alternatieve staatsvormen die hetzelfde doel proberen te bereiken. Je komt dat idee wel eens tegen, zoals in betogen dat de autocratie of de dictatuur het voordeel zou hebben dat er sneller, efficiënter en succesvoller gereageerd zou kunnen worden op nieuwe uitdagingen. Moeizame en tijdrovende overleggen en compromissen kunnen immers worden vermeden. 

Iets van dat idee klonk door in de woorden van de Amerikaanse president Biden, toen hij verklaarde dat de landen van de G7 zouden bewijzen dat 

a lot of autocracies that are counting on them being able to move more rapidly and successfully in an ever-complicated world than democracies can

het bij het verkeerde eind hebben. Zie het bericht Bij de democratie en de autocratie gaat het niet om alternatieve wegen om hetzelfde doel te bereiken

Dat veronderstelde dat er aan de alleenheerschappij aantrekkelijk zou kunnen zijn dat er sneller en beter beleid tot stand komt. En dat de democratie zich daartegenover zou moeten bewijzen.

Maar een alleenheerschappij is er nooit op uit om het voor de bevolking beste beleid te voeren. Als de alleenheerser dat zou willen, dan zou hij meteen de democratie invoeren, want dan zou hij immers de overtuiging hebben dat iedereen behoort mee te tellen. 

Zolang de alleenheerser dat niet doet, staat hij aan de top van de statushiërarchie en is het zijn enige motivatie om die positie te verdedigen en te blijven bekleden. Om het genot van het kunnen overheersen en onderdrukken, van het uitoefenen van macht over anderen. Daar is alles mee gezegd. Er is geen verder weg gelegen doel en al helemaal geen doel dat met het welzijn van anderen te maken heeft. Zo zit nu eenmaal dat statuscompetitiepatroon dat hem doet handelen, in elkaar. 

Vandaar dat die alleenheersers, of zij die alleenheerschappij nastreven, nooit in hun nederlaag kunnen berusten. Vandaar het gedrag van Hitler. Van Donald Trump. Van Boris Johnson. En het gedrag dat we van Vladimir Poetin kunnen verwachten als zijn nederlaag in zicht komt.

dinsdag 15 juni 2021

Bij de democratie en de autocratie gaat het niet om alternatieve wegen om hetzelfde doel te bereiken - Over de woorden van Biden na de G7

Alles lijkt erop dat er in de Verenigde Staten niet alleen afscheid is genomen van the former guy, wiens naam we maar liever nog zo weinig mogelijk tegenkomen, maar ook van het neoliberale beleid dat in de afgelopen tientallen jaren heerste. Michelle Goldberg noemde in de New York Times de regering-Biden het eerste Post-Reagan presidentschap. Zoals ik memoreerde in Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Maar de Amerikaanse wisseling van de wacht heeft ook ingrijpende gevolgen voor het terrein van de internationale verhoudingen. Dat bleek na de top van de leiders van de G7 in Cornwall, Engeland, een paar dagen geleden. De G7 bestaat uit Canada, Frankrijk, Italië, Japan, het Verenigde Koninkrijk en de Verenigde Staten, aangevuld met een vertegenwoordiging van de Europese Unie. De betekenis van dat overleg wordt duidelijk uit de opmerkingen die president Biden na afloop maakte tegenover de internationale pers, die je in zijn geheel hier kunt lezen, Ik citeer daaruit deze passage:

we agreed that among the most important shared missions is renewing and strengthening the resilience of our democracies by pointing out we have to prove to the world and to our own people that democracy can still prevail against the challenges of our time and deliver for the needs of our people.
We have to root out corruption that siphons off our strength; guard against those who would stoke hatred and division for political gain — this phony populism; invest in strengthening the institutions that underpin and safeguard our cherished democratic values, as well as protecting the free press and independent judiciaries. (...)
This is going to be looked at 25 years from now as whether or not we stepped up to the challenge, because there’s a lot of — a lot of autocracies that are counting on them being able to move more rapidly and successfully in an ever-complicated world than democracies can. We all concluded we’re going to prove them wrong.

En aan de New York Times van eergisteren ontleen ik;

Speaking to reporters after the summit, Mr. Biden said the leaders’ endorsement of a global minimum tax would help ensure global equity and a proposal to finance infrastructure projects in the developing world would counter the influence of China, providing what he said was a “democratic alternative.”
Those initiatives, he said, would promote democratic values and not an “autocratic lack of values.”

Opmerkingen om even bij stil te staan. En die wie weet inderdaad over 25 jaar misschien wel worden aangehaald in de geschiedenisboeken. Want het gaat hier met zoveel woorden om de strijd voor het behoud van de democratie - nationaal en vooral ook internationaal. Een strijd die een wezenlijk element is van de mensheidsgeschiedenis.  

Biden heeft het over de democratie als te verdedigen alternatief voor de autocratie en over democratische waarden tegenover het autocratische gebrek aan waarden. Dat valt moeiteloos samen met het sociaalwetenschappelijke onderscheid tussen de de democratie als uitingsvorm van de morele gemeenschapswaarden (of -intuïties) en de statushiërarchie als uitkomst van de (amorele) statuscompetitie. In de democratie gaat het erom dat iedereen meetelt en dat de onderlinge verhoudingen rechtvaardig zijn. In een democratisch verband verschaffen mensen elkaar de sociale veiligheid die ze nodig hebben en hen doet floreren. 

Daartegenover heerst er in de statushiërarchie de sociale onveiligheid van overheersing of overheerst worden. De, meestal narcistische, leider is er van overtuigd dat de veiligheid van zijn megalomane zelfbeeld alleen gewaarborgd kan worden door anderen zoveel mogelijk te overheersen en te onderdrukken. De wereld is vijandig, dus moet je zorgen dat je aan de top terechtkomt en de enige weg daar naar toe is je omhoog te werken door anderen te domineren. Denk aan Putin's "You have to dominate", waar the former guy zo van onder indruk was  En voor de onderdrukten rest het zoeken naar het beetje veiligheid van het zich zo onderdanig mogelijk gedragen.

In plaats van over de statushiërarchie heeft Biden het over de autocratie. Als je daar Wikipedia op na slaat, dan zie je dat je die twee woorden vrijwel door elkaar kunt gebruiken: 

Een autocratie (Grieks, αὐτοκρατία: αὐτός ("zelf") - κρατείν ("heersen") is een regeringsvorm waarbij ongelimiteerde macht wordt uitgeoefend door één persoon. Een keizer bijvoorbeeld, kan zijn macht ontlenen aan het erven van deze titel, maar deze wordt pas als autocraat betiteld, in plaats van als een vorst, wanneer zijn macht groter wordt dan waarop hij historisch of wettelijk gezien recht zou hebben. Ook dictaturen, waarin meestal één leider het voor het zeggen heeft, worden vaak autocratieën genoemd, zij het dat 'dictatuur' een iets zwaardere term is.

In de meeste van deze autocratieën is er sprake van systematische onderdrukking van tegenstanders van de dictator en andersdenkenden, bijvoorbeeld door ze gevangen te nemen of zelfs te vermoorden. Een dergelijke dictatuur wordt ook meestal geassocieerd met misstanden zoals zelfverrijking door de dictator. Omdat er geen enkele controle op de dictator bestaat is de mogelijkheid van machtsmisbruik volop aanwezig
.
In het algemeen is een autocratie het tegengestelde van een democratie.

Een en ander maakt duidelijk dat het bij de democratie en de autocratie niet gaat om alternatieve wegen om hetzelfde doel te bereiken. Dat klinkt een beetje door in de woorden van Biden, waar het gaat om het mogelijke voordeel van de autocratie dat die sneller kan reageren op veranderingen in een ingewikkelde wereld. Daarbij zal Biden vooral aan China gedacht hebben. 

Maar een autocraat streeft helemaal niet hetzelfde doel na als wat mensen in een democratie met zijn allen nastreven. Want in een autocratie telt niet iedereen mee, maar telt integendeel alleen de autocraat. Alles in ondergeschikt aan zijn belangen. Het kan voor het aan de macht blijven nodig zijn om de onderdrukking eens iets te laten vieren, om wat kruimels aan het volk uit te delen, maar dat is alleen daardoor gemotiveerd. En niet door een zorg voor het welzijn van dat volk, door de waarde van het iedereen telt mee. 

Een democratische autocraat bestaat niet. Hij kan wel in een democratie aan de macht komen, maar zal dan als eerste daad die democratie willen afschaffen.

zaterdag 28 november 2020

Montesquieu's monarchie als een staat met twee vormen van statuscompetitie - Over eer en onderdrukking

Toegegeven, het vereist enig optimisme, maar mijn indruk is dat we nu de herontdekking en herwaardering meemaken van de gemeenschapsvisie op de democratische overheid. De visie die na de Tweede Wereldoorlog gemeengoed was, maar die met de opkomst en dominantie van het neoliberale vulgair-economische denken in de vergetelheid raakte. Zie hier het vorige bericht.

Ik vroeg me af of je die gemeenschapsvisie op de democratie al eerder in de (ideeën-)geschiedenis kunt aantreffen. En ik had de ingeving om De geest van de wetten van Montesquieu er op na te slaan. Met wat dat opleverde maakt ik in het vorige bericht een begin.

Montesquieu onderscheidt drie staatsvormen, de monarchie, de despotie en de democratische republiek. En voor elk van de drie zet hij een betoog op over wat van de burgers wordt gevraagd. In zijn woorden: hoe de burgers dienen te worden opgevoed. Ik kom bij die republiek terecht, maar via de omweg die langs de monarchie en de despotie loopt.

We zagen al dat het in de monarchie draait om een statushiërarchie waarin burgers worden gerangordend naar de mate van eer, hoffelijkheid en beschaving waartoe ze in staat zijn. In de monarchie staat dus niet, zoals verwacht, de gemeenschapsvisie op de voorgrond, maar de statuscompetitievisie. Hoewel de vorst, die aan de top staat van de statushiërarchie, dient te worden gehoorzaamd, is er toch de beperking dat ook de vorst zich eervol dient te gedragen en van zijn onderdanen geen oneervol gedrag mag vragen. Dit is, we zullen dat nog zien, waarin de monarchie zich onderscheidt van de despotie. In de despotie is de statuscompetitie onbegrensd, in de monarchie vormt de eer de begrenzing.

Montesquieu neemt niet de moeite om te preciseren wat hij onder eer verstaat. Hij leefde in een tijd van vorstendommen (geboren in 1689 en gestorven in 1755) en zal terecht hebben aangenomen dat zijn lezers, dus de bovenlaag van de bevolking, doorhadden wat hij ermee bedoelde. Hoewel we ook nu nog wel een besef hebben van wat het betekent als iemand eervol of oneervol handelt, is het toch niet zo dat eer in onze huidige sociale verhoudingen een heel belangrijke rol speelt.

Wat Montesquieu voor ogen had, kan met enkele citaten het beste worden verduidelijkt (p.74):

De eer laat ruimte voor galanterieën, maar dan wel in combinatie met het idee van hartsaangelegenheid of verovering. Dit is de werkelijke reden waarom de zeden in een monarchie nooit zo zuiver zijn als in een republiek.

De eer laat ruimte voor sluwheid, mits gekoppeld aan het idee van grootheid van geest of van het grote belang van een zaak, bijvoorbeeld in de politiek, waarvan de listen en lagen de eer niet tegenstaan.

De eer verbiedt vleierijen uitsluitend wanneer die losstaan van de gedachte aan een hoge positie en alleen verbonden zijn met het gevoel van de eigen laagheid.

... wat de zeden betreft dient in een monarchie te worden opgevoed tot enige vrijmoedigheid. Waarheid in wat wordt gezegd is dus gewenst. Maar is dat uit liefde voor de waarheid? Volstrekt niet. De waarheid wordt wenselijk geacht omdat iemand die gewend is de waarheid te spreken, een stoutmoedige en vrije indruk maakt. Zo iemand lijkt immers alleen rekening te houden met de feiten, niet met de manier waarop een ander de feiten zal opnemen.

Zo komt het dat dit soort vrijmoedigheid wordt aanbevolen, maar dat er anderzijds minachting leeft voor de vrijmoedigheid van het volk, die slechts op waarheid en eenvoud gericht is.

Tenslotte vraagt opvoeden in een monarchie om een bepaalde beleefdheid in de omgangsvormen. De mensen, ter wereld gekomen om samen te leven, zijn ook ter wereld gekomen om het elkaar naar de zin te maken (...)

Maar gewoonlijk ontspringt de beleefdheid niet aan zo'n zuivere bron. Ze wordt vooral geboren uit een verlangen om ons te onderscheiden. (...) We voelen ons gevleid als uit onze omgangsvormen blijkt dat we niet tot het lagere volk behoren, dat we ons niet hebben opgehouden onder het soort mensen dat van oudsher wordt gemeden.

Je leest dit natuurlijk als een prachtige beschrijving van een heel bepaalde verschijningsvorm van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Die we ook wel aanduiden als de standenmaatschappij. Montesquieu maakte deel uit van de bovenlaag van de bevolking en diezelfde bovenlaag vormde zijn lezerspubliek. In Piketty's Capital and Ideology las ik (p.114) dat in het Frankrijk van die tijd, zoals ook in andere vorstendommen, overheidsfuncties te koop en overerfbaar waren. Montesquieu zelf had de uiterst lucratieve positie van president van het parlement van Bordeaux geërfd. 

Je kunt vermoeden dat hij als lid van de bovenlaag, de elite, heel goed op de hoogte was van eer en hoffelijkheid als criteria voor de toekenning van status. En dat hij zich niet bezighield met "het gewone volk", verreweg de grootste groep, maar wel onderaan de statusladder. Dat wijst op de monarchie als een vorm van statuscompetitie enerzijds tussen de leden van de bovenlaag in de vorm van het vertoon van eer en hoffelijkheid en anderzijds tussen de overheersende bovenlaag als geheel en het ondergeschikte en onderdrukte gewone volk. Een staat met twee vormen van statuscompetitie. Wordt vervolgd. Zie hier het volgende bericht.

donderdag 26 november 2020

De herontdekking van de gemeenschapsvisie op de democratie - En over de drie staatsvormen van Montesquieu

In de vulgair-economische neoliberale visie op de democratische overheid zijn politici en kiezers alleen maar in hun eigen belang geïnteresseerd. Daardoor zullen ze via het uitbrengen van hun stem bij verkiezingen en via het gebruik en misbruik van sociale voorzieningen zoveel mogelijk van die overheid willen profiteren. 

Ook al omdat in die visie de markt eigenlijk de enige bron van welvaart is, moet dus de democratie zoveel mogelijk aan banden worden gelegd. Geen uitgebreide sociale voorzieningen, geen steun aan de zwakkeren en geen inkomensbeleid. De rijkeren hebben verdiend wat ze vergaard hebben en horen te worden beschermd tegen de inhalige democratische meerderheid die alleen maar van hun rijkdom wil meeprofiteren. Iedereen moet voor zichzelf opkomen en als dat niet zo goed lukt, jammer dan. Zie de eerdere berichten over die zwartgallige neoliberale visie, met hier het vorige bericht.

Gezien vanuit de flexibele menselijke sociale natuur, met statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag als de twee gedragspatronen waartoe mensen in staat zijn, past die neoliberale visie vrijwel naadloos in het statuscompetitiepatroon. Mensen zijn alleen maar op eigen gewin uit en weten dat van elkaar. In die onveilige sociale wereld moet je voor jezelf opkomen en moet je proberen om zo hoog mogelijk te eindigen in de statushiërarchie. En die positie verdedigen door lager geplaatsten zoveel mogelijk te domineren. Eindig je ergens onderaan, dan ben je machteloos en rest niets anders dan je ondergeschikt te gedragen en te proberen er nog het beste van te maken.

Maar er is dus ook dat gemeenschapspatroon. En volgens de daarmee samenhangende visie is de democratie een maatschappelijke uitingsvorm van de menselijke gemeenschapsintuïties. Van het met elkaar rekening houden en elkaar ondersteunen en van de rechtvaardigheid van de onderlinge verhoudingen. De morele intuïties die in de jagers-verzamelaarssamenlevingen het samenwerken en delen mogelijk maakten die toen nodig waren voor overleven en reproductie.

We maken nu mee hoe de dominantie van die neoliberale visie in het politieke en economische denken in elkaar stort. De problemen stapelen zich op. Het ophemelen van de markt en het minachten van de democratische overheid lopen tegen de grenzen aan van wat de aarde, de natuur en de mensen aankunnen. Onbelemmerde statuscompetitie is inherent verspillend en pleegt roofbouw op de natuurlijke hulpbronnen. Er is de crisis van de klimaatverandering, van de toegenomen kans op pandemieën en van de exorbitante ongelijkheid. De overheid moet terug.

Hoog tijd dus voor de herwaardering en de terugkeer van de gemeenschapsvisie op de democratische overheid. Inderdaad een terugkeer, want die visie domineerde in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Toen het nog vanzelfsprekend was om de democratische overheid te zien als de organisatie van de in mensen levende gemeenschapsintuïties. Denk weer aan de veelzeggende, maar niet altijd op waarde geschatte, passage in het rapport van de Commissie-Van Rhijn, het rapport dat de grondslag legde voor de uitbouw van de verzorgingsstaat: 

De gemeenschap, georganiseerd in de staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring van gebrek van al haar leden, op voorwaarde dat deze leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen.

Die neoliberale visie op de democratie is in de afgelopen decennia zo overheersend  geweest, dat we de gemeenschapsvisie nu als het ware moeten herontdekken.

Die herontdekking bracht mij er toe om Over de geest van de wetten van Montesquieu er op na te slaan. In 2006 verscheen de fraaie Nederlandse vertaling door Jeanne Holierhoek van De l'Esprit des Loix, dat oorspronkelijk in 1748 werd uitgebracht. We kennen het natuurlijk van de bekende leer van de scheiding der machten. Ik haalde het een paar dagen geleden, met mondkapje, uit de Openbare Bibliotheek aan het Neude.

Montesquieu opent dat omvangrijke werk met de onderscheiding van de drie staatsvormen, de despotie, de monarchie en de republiek. En in Boek IV gaat hij in op de vraag welke menselijke motivaties, hedendaags gezegd, passen bij elk van die drie staatsvormen. En dus over hoe mensen in elke staatsvorm dienen te worden "opgevoed". En dat is een interessant betoog.

In de monarchie is het de eer waar mensen zich door dienen te laten leiden. Mensen staan in een rangordening die door eer wordt bepaald. Die eer brengt met zich mee dat we een bepaalde beleefdheid tegenover anderen in acht dienen te nemen, maar vooral om ons van anderen te onderscheiden (p. 74):

We zijn hoffelijk uit trots. We voelen ons gevleid als uit onze omgangsvormen blijkt dat we niet tot het lagere volk behoren, dat we ons niet hebben opgehouden onder het soort mensen dat van oudsher wordt gemeden.

 Het hoogtepunt van die hoffelijkheid vind je uiteraard aan het hof van de monarch (p.74-5):

In een monarchie hoort de hoffelijkheid thuis aan het hof. Een uitzonderlijk groot persoon maakt alle anderen klein. Daarom is men iedereen achting verschuldigd; en daaruit ontstaat de hoffelijkheid, die even vleiend is voor hen die hoffelijk zijn als voor hen die hoffelijk worden behandeld. Want hoffelijkheid maakt duidelijk dat iemand bij het hof hoort, of daar in ieder geval de kwaliteit voor heeft.

Die statushiërarchie is er dus een van de mate waarin je aanspraak kunt maken op eer en hoffelijkheid. Aan de top staat de vorst en zijn hof. 

Maar het is ook een hiërarchie van gehoorzaamheid (p.75):

In een monarchie schrijven de wetten, de godsdienst en de eer bovenal gehoorzaamheid voor aan wat de vorst wil. Maar diezelfde eer fluistert ons in dat een vorst nooit een daad van ons mag verlangen die oneervol voor ons is, want dan zouden we niet meer in staat zijn hem te dienen.

Dat laatste, de eer die boven de wil van de vorst gaat, onderscheidt de monarchie van de despotie. Maar daarover en over de staatsvorm van de democratische republiek meer in het volgende bericht. Hier het volgende bericht.

zaterdag 15 augustus 2020

Narcisme is de meest extreme vorm van het statuscompetitiepatroon

De menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig. Als we ons veilig voelen, zoals wanneer we omgeven zijn door vertrouwde anderen, volgen we onze morele gemeenschapsintuïties. Maar als we ons onveilig voelen, omdat we ons misschien te weer moeten stellen tegen bedreigingen door anderen, schieten we in het statuscompetitiepatroon. 

Doordat mensen verschillen in de mate waarin ze tot het ene dan wel het andere patroon geneigd zijn, kan het conflict tussen die twee patronen ook de vorm aannemen van een strijd tussen personen. Of tussen groepen.

Een wel heel actuele vorm daarvan is de strijd om de democratie. De democratie is een poging om de morele gemeenschapsintuïties op het niveau van de nationale staat vorm te geven. Iedereen beslist mee en elke stem telt even zwaar. All men are created equal. Niemand heeft het recht om over anderen te beslissen en hen te overheersen. En met zijn allen zorgen we voor een rechtsstelsel, en voor de instandhouding daarvan, dat dient om de democratie te verdedigen tegen hen die zich bij die gelijke rechten niet willen neerleggen, Die liever een statushiërarchie zouden zien met henzelf aan de top en een machtspositie die niet door wetten en rechten wordt ingeperkt.

Dat die strijd om de democratie zich toch afspeelt, met landen als de Verenigde Staten, Belarus, Hongarije, Rusland, Brazilië, China en Turkije als in het oog springende voorbeelden, betekent dat het statuscompetitiepatroon zich niet zomaar gewonnen geeft. Als dat overheerst of dreigt te overheersen, geldt niet meer dat iedereen gelijke rechten heeft. Juist niet. De een staat boven de ander. En vooral, de een staat boven alle anderen.

Dat laatste is de sociale vorm van de narcist met zijn entourage, die erin is geslaagd het leiderschap van een nationale staat te verwerven en vervolgens die staat te ontbinden. Want hij maakt, als hij vrij baan krijgt, van dat geheel van functies, posities, rechten en verantwoordingslijnen binnen de kortste keren een strikt persoonlijk leiderschap met uitsluitend persoonlijke loyaliteiten. Hèt voorbeeld daarvan is nog altijd het aan de macht komen van Adolf Hitler. De instituties van de democratie werden van de ene dag op de andere afgeschaft. Er bleef een nationale statushiërarchie over.

Het gedrag van de narcist is wel de meest extreme vorm van het statuscompetitiepatroon. Een narcist verdraagt het niet dat hij zich zou moeten schikken naar anderen of naar iets dat zich buiten hemzelf bevindt. Dat anderen aan hem minderwaardig zijn, moet dus voortdurend worden bevestigd door hen te kleineren, te beledigen en te vernederen. Adolf Hitler was daar een meester in. En Geert Wilders, Thierry Baudet en Donald Trump kunnen er ook wat van.

En niemand weet het beter dan hijzelf. Vandaar zijn vijandige houding tegenover wetenschap. Narcisme kan onmogelijk samen gaan met jezelf te laten corrigeren door resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Er is voor een narcist maar één optie: ik ben een genie. Donald Trump en Thierry Baudet weten altijd alles beter.

Sinds de Landbouwrevolutie zitten we met die strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie opgescheept. En de uitkomst van die strijd is onzeker.

dinsdag 14 april 2020

Sociaalwetenschappelijk zicht op Jezus en het lijdensverhaal - Wanneer begon het sociaalwetenschappelijk denken? - 2

Er valt wat voor te zeggen om de Bijbelverhalen te zien als de vroegste, of althans heel vroege, schriftelijke uitingen van het sociaalwetenschappelijke denken. Zie het eerste bericht in deze reeks: Wanneer begon het sociaalwetenschappelijk denken? - 1.

In dat bericht doelde ik vooral op de verhalen van het Oude Testament. Maar met Pasen als aanleiding vroeg ik me af hoe je de verhalen van het Nieuwe Testament en in het bijzonder die over Jezus en het lijdensverhaal sociaalwetenschappelijk kunt interpreteren. Mijn uitgangspunt daarbij is hoofdstuk 17 van Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel van Carel van Schaik en Kai Michel.

De tijd waarin Jezus leefde, hij moet zijn geboren tussen 6 en 4 jaar voor onze tijdrekening, was een tijd waarin de na de landbouwrevolutie van duizenden jaren daarvoor begonnen strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie duidelijk in het voordeel van de laatste was beslecht. De Joodse staat van de Hasmoneeën was een dynastie, dus een statushiërarchie, en die hiërarchie zal nog extremer zijn geworden na de overheersing door de Romeinen vanaf 63 v.Chr.

Als je de Wikipediapagina Hasmonean dynasty doorleest, dan komt daaruit het beeld naar voren van voortdurende conflicten tussen heersers en hun families (statuscompetitie), die uit zijn op de voordelen van het vestigen van een heerschappij (een statushiërarchie). Die voordelen bestonden er natuurlijk uit dat het gewone volk kon worden onderdrukt en uitgebuit. Dat daarin in onderdanigheid zal hebben berust, om er nog het beste van te maken, of dat zal hebben gecollaboreerd met de onderdrukkers. Zoals dat gaat in een statushiërarchie.

Door die uitbuiting en terugkerende oorlogen en bezettingen was het een tijd van rampspoed, waarin natuurlijk vraag was naar verhalen die hielpen bij het begrijpen van wat er gaande was en die een betere toekomst in het vooruitzicht stelden. Vandaar het verschijnsel van de rondtrekkende, charismatische predikers. Want mensen waren natuurlijk nog altijd toegerust met de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag, de jagers-verzamelaarsmoraal van samenwerken en delen. Ze waren machteloos, maar er bleef de hoop op een beter leven, waaraan door verhalen kon worden tegemoet gekomen.

Sociaalwetenschappelijk gezien bestond er het statuscompetitie-evenwicht, de toestand waarin iedereen handelt volgens het statuscompetitiepatroon, sommigen heersend en de meesten in onderdanigheid berustend. Een suboptimale toestand, het gemeenschapsevenwicht zou beter zijn, maar wel een stabiel evenwicht, omdat niemand in staat is en gemotiveerd is om zich eenzijdig anders te gedragen dan hij doet.

Maar er zijn altijd uitzonderingen. En dat waren die predikers, die hoop gaven en wonderen verrichten. Waarvan Jezus van Nazareth er een was. Die wonderen, of beter, de verhalen over wonderen, waren nodig om aandacht te trekken en om het sceptische volk te overtuigen. Het waren de credibility enhancing displays, waarmee de lethargie van het bestaande evenwicht als het lukte kon worden doorbroken.

Want een evenwicht heeft geen innerlijke bronnen van verandering en dynamiek. Er is iets van buiten nodig. Wonderbaarlijkheden dus, die van buiten het alledaagse komen. Vandaar dat die predikers niet deel uitmaakten van het gewone leven. Ze trokken rond, met een schare volgelingen, en kwamen op onduidelijke wijze aan de kost.

Dat ze hoop en een uitweg predikten, betekende dat ze uitdrukking gaven aan de oude gemeenschapsmoraal. Aan de emoties van het samenwerken, gelijkheid, rechtvaardigheid en delen, die in de huidige toestand zo met voeten werden getreden.

En dat weten we natuurlijk van de daden en de woorden van Jezus van Nazareth. Hij genas de zieken, lammen, blinden en bezetenen en wekte doden op. Hij zorgde dat de wijn niet opraakte en dat mensen te eten kregen. En dat alles niet voor persoonlijk gewin en zelfs niet voor reputatiewinst. Hij wees bewonderaars en dweepzieke aanhangers af. En predikte letterlijk de ethiek van de jagers-verzamelaarsmoraal. Heb uw naaste en zelfs uw vijanden lief. Kom op voor de armen, zieken en zwakken. Wees verzoeningsgezind. Ga niet voor rijkdom, want het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.

Dat was natuurlijk revolutionaire taal, maar zonder enige macht om een revolutie in gang te zetten. Het statuscompetitie-evenwicht kon niet worden bedreigd. De heersers waren oppermachtig. De nederlaag was onvermijdelijk.

En daar komen zowel het lijdensverhaal, de kruisiging, de opstanding en het koninkrijk Gods het verhaal binnen. Natuurlijk had Jezus "succes" met zijn prediking van de gemeenschapsmoraal, want die was de mensen vertrouwd. Mensen wisten weliswaar niet dat dit "oeroud erfgoed van de mens was", namelijk daterend van voor de landbouwrevolutie, maar "Men voelde gewoon dat het juist was", zoals zo fraai verwoord door Van Schaik en Michel (p. 362).

Maar tegelijk was er de onontkoombaarheid van de status quo, van het statuscompetitie-evenwicht. Dus de onontkoombaarheid van de nederlaag, in de vorm van de kruisiging. En daarmee dus de overwinning van het kwaad op het goede. Hier ontstond immers voorgoed de strijd tussen het kwaad van de statuscompetitie (satan als vijand van God) en het goede van de gemeenschap van het "koninkrijk" Gods. (Merk op dat de invloed van de status quo zo groot was dat het gemeenschapsevenwicht als een koninkrijk werd gezien.)

De introductie dus van het kwaad en de kwaadaardigheid. En als tegenhanger de introductie van het vooruitzicht op uiteindelijke rechtvaardigheid in het hiernamaals, als een aanpassing aan het zo onvermijdelijk lijkende kwaad van het statuscompetitie-evenwicht.

Er valt wel wat voor te zeggen om die evangeliën van Marcus, Matteüs, Lucas en Johannes over Jezus en het lijdensverhaal te zien als sociaalwetenschappelijk denken in verhaalvorm. Er valt als socioloog in 2020 van alles van te leren. Ik noem maar het besef van die blinde vlek in het tegenwoordige sociologisch denken voor de menselijke kwaadaardigheid. Hier het vervolg.

vrijdag 1 november 2019

Over het besef van het onderscheid tussen persoon en positie, en dus van de democratie

We leven in een maatschappij waarin we niet alleen als personen met elkaar omgaan, maar ook als bekleders van posities of functies. Een positie is een bundel van omschreven rechten en plichten, die door verschillende personen kan worden ingenomen.

Posities bestaan in een onderneming en een vereniging (in formele organisaties), maar ook in een democratie. Een volksvertegenwoordiger is een persoon, maar hij of zij kan worden weggestemd en dan bekleedt iemand anders die positie. Hetzelfde geldt voor een president.

Het is goed om daar even bij stil te staan, want we maken mee dat de democratie in veel landen in gevaar is. En dat gevaar bestaat eruit dat iemand, bijvoorbeeld Donald Trump, in een positie, die van president, is gekozen, maar zich vervolgens weinig aantrekt van de omschreven rechten en plichten die daarmee zijn verbonden. Hij ziet zichzelf als persoon, in een netwerk van persoonlijk loyaliteiten in plaats van als een tijdelijke bekleder van een positie.

Vandaar dat hij er ook op zinspeelt dat hij "alles kan doen wat hij wil" en dat hij "kan aanblijven zolang als hij wil".

De overeenkomst met voorgangers die in hun land de democratie om zeep hielpen, zoals die met Adolf Hitler, is frappant. In beide gevallen gaat het om een poging om het institutionele stelsel van de democratische staatsvorm om te zetten in een persoonlijke statushiërarchie. Hitler slaagde daarin, met gruwelijke gevolgen. Trump slaagt daarin hopelijk niet.

Ik stond eerder stil bij die sociale uitvinding van het onderscheid tussen persoon en positie in het bericht Is ons koningschap een functie? En zijn we eigenlijk al een republiek? Met een verwijzing naar het hoofdstuk 20 van James Colemans Foundations of Social Theory, waarin hij zo fraai de geschiedenis van de ontwikkeling van die sociale uitvinding beschrijft.

Maar waarin hij ook betoogt dat de sociale wetenschappen, in zijn geval de sociologie, zich in hun theorievorming rekenschap behoren te geven van die sociale uitvinding. Maatschappijen veranderen mede door zulke uitvindingen en dat kan niet zonder gevolgen blijven voor de theorie. Een en ander houdt een kritiek in op de roltheorie, die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de sociologie populair was, omdat die theorie tekort schoot in het onderscheid tussen persoon en positie.

Naast de vraag of wetenschappers zich wel genoeg rekenschap geven van dat onderscheid, kun je je ook afvragen of het in de maatschappij zelf wel voldoende is doorgedrongen. Zo lijkt het er sterk op dat Donald Trump en zijn aanhangers het onderscheid niet begrijpen. De narcist Trump ziet zichzelf als aan het hoofd staand van een statushiërarchie, met een schare van bewonderaars en volgelingen.

En zo kun je je ook afvragen wanneer en hoe opgroeiende kinderen leren om onderscheid te maken tussen het optreden als een persoon en het optreden als een bekleder van een positie. Want kinderen hebben wel een aangeboren neiging om spontaan een persoonlijke relatie aan te gaan met vertrouwde anderen. Maar net zoals je moet leren schrijven, moet je ook leren dat mensen soms niet als persoon handelen of geacht worden te handelen, maar als bekleders van omschreven posities. Dat leren is onderdeel van de socialisering (inburgering) in de huidige maatschappij.

Wanneer kinderen dat doorhebben, is uitgezocht in de nieuwe studie Institutional actors: Children’s emerging beliefs about the causal structure of social roles.

Daaruit komt naar voren dat kinderen gedurende hun zesde tot zevende levensjaar beginnen door te krijgen dat er posities bestaan, waarin mensen behoren te handelen volgens bepaalde omschreven rechten en plichten. Bij vier- tot vijfjarigen is dat besef duidelijk nog niet aanwezig. En bij acht- tot negenjarigen is het robuust doorgedrongen.

Wat dus niet wil zeggen dat het ook bij alle volwassenen altijd aanwezig is. Denk aan Donald Trump en zijn aanhang. En aan al die bedreigingen van de democratie die we nu in veel landen meemaken.

dinsdag 24 september 2019

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 18 - Spannende tijden voor de democratie - en meer aanwijzingen voor de eerste twee stappen

In de loop van de negentiende, maar vooral vanaf het begin van de twintigste eeuw, zette zich in veel landen de beweging door in de richting van de democratische staatsvorm. Dat was een uiterst belangrijke ontwikkeling gezien vanuit het verloop tot dan toe van de mensheidsgeschiedenis.

Zie over de plaats van de democratie in die mensheidsgeschiedenis de vorige zeventien berichten op dit blog, die nu bijna een jaar geleden begon met De mensheidsgeschiedenis tot nu toe in drie stappen - 1. En hier is het vorige bericht: De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 17 - Over een politieke partij, de Amerikaanse Republikeinen, als verlengstuk van het Grote Geld. Je kunt die reeks, voorwaarts of achterwaarts, volgen door in die berichten op de links naar het volgende dan wel het vorige bericht te klikken.

Ik noemde die ontwikkeling naar de democratie de derde stap in de mensheidsgeschiedenis. De eerste stap bestaat eruit dat onze vroegste voorouders in staat bleken om zich te ontdoen van de sociale vorm van de statushiërarchie als organisatieprincipe van de onderlinge verhoudingen.

Die statushiërarchie, en de statuscompetitie die ermee gepaard gaat, kennen we als de bij de primaten, denk aan de chimpansees, overheersende sociale vorm. Hij staat bekend als het alfa-mannetjes model. Een mannetje vecht zich naar de top van de hiërarchie, beheerst de gang van zaken in de groep en monopoliseert de voortplanting.

Die eerste stap was inderdaad fundamenteel voor het ontstaan van de menselijke soort. Het was een sociale uitvinding, die een antwoord was op de uitdaging waaraan die eerste mensen werden blootgesteld, namelijk dat ze alleen door middel van samenwerken en delen van voedsel konden overleven. Dat lukte alleen door de ongelijkheid in de groep binnen de perken te houden, dus door een egalitaire samenlevingsvorm. En dus door de neiging tot statuscompetitie, die natuurlijk nog steeds aanwezig was, individueel en collectief te onderdrukken.

Dat laatste lukte door statuscompetitiegedrag af te keuren en er, collectief, als dat nodig was met sancties op te reageren. En als dat nodig was, met sociale uitsluiting of zelfs fysiek geweld tot executie aan toe. Denk wat dat laatste betreft aan Richard Wrangham's The Goodness Paradox. The Strange relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution.

Die collectieve onderdrukking bracht op den duur met zich mee dat geselecteerd kon worden op de vermogens om de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag bij het opgroeien in de groep gemakkelijk aan te leren. Je hoort anderen als gelijken te beschouwen, je hoort met anderen rekening te houden, je hoort je voor anderen en voor de groep in te spannen en je hoort bij te dragen aan de sociale harmonie. Denk aan de Big Two van de persoonlijkheid van jagers-verzamelaars.

Daar kwam, zoals we zagen, verandering in bij de overgang naar de landbouwsamenlevingen, ongeveer 8000 tot 10.000 jaar geleden. Dat was de tweede stap in de mensheidsgeschiedenis. Uit het vierde bericht in deze reeks:
De sociale gevolgen van de Agrarische Revolutie zijn ronduit dramatisch te nomen. De nog altijd in de menselijke natuur aanwezige drang tot statuscompetitie, als erfenis meegegeven door de gemeenschappelijke voorouder van chimpansee en mensachtigen, kon in de nieuwe economische verhoudingen niet meer goed worden beteugeld.
Er ontstonden plotsklaps aanspraken op eigendom: land, water, werktuigen, gebouwen, voorraden, ja, zelfs vrouwen en slaven. En er ontstonden dynastieën, die hun bezittingen wilden doorgeven aan volgende generaties. De institutie van het eerstegeboorterecht ontwikkelde zich, maar ook de jongere zonen moesten tevreden worden gesteld. Waardoor elke dynastie een prikkel had om land en bezittingen uit te breiden. En dus kwamen legers en oorlogen de mensheidsgeschiedenis binnen.
Zo kwamen er de eerste staten, met een sterke man aan het roer, met belastingheffing, een bureaucratie, een onderdrukkingsapparaat en een leger. Zorgvuldig doordachte en uitgewerkte statushiërarchieën, maar wel gemodelleerd naar het Alfamannetjes-model van de primaten. Wat jagers-verzamelaars niet kenden en niet wilden kennen, grote ongelijkheid, armoede en rijkdom naast elkaar, werd hét kenmerk van de landbouwsamenleving.
Anders gezegd, het statuscompetitiepatroon overheerste het gemeenschapspatroon.
Waarna dus nog maar heel recent de derde stap in de mensheidsgeschiedenis zich begon te voltrekken, de overgang naar de democratie op het niveau van de nationale staten. En nog recenter de internationale erkenning van mensenrechten. Beide als collectieve pogingen om die nog steeds bestaande morele gemeenschapsintuïties van samenwerking en delen en gelijke rechten opnieuw vorm te geven. Nu niet in de kleine groep van jagers-verzamelaars, maar op het niveau van nationale staten en van de wereldbevolking.

En vandaag de dag maken we mee of die derde stap wel of niet bestendig is. Zal de democratie zich weten te handhaven? Nu hij in allerlei landen bedreigd wordt. In het Verenigd Koninkrijk is er vandaag het vonnis van het Hooggerechtshof dat het naar huis sturen van het parlement door de regering-Johnson onwettig was en moet worden beschouwd als niet te hebben plaats gevonden. In de Verenigde Staten zit de lang verwachte afzettingsprocedure van "president" Trump er nu aan te komen.

Ontwikkelingen die hoopvol stemmen, maar de tijden zijn spannender dan je zou wensen.

Laten we maar even weer afstand nemen en terugkijken op de grote lijn en dus op die eerste twee stappen in de mensheidsgeschiedenis.

Een mooi overzicht van alle aanwijzingen die er bestaan voor die stappen, voor die egalitaire verhoudingen in de jagers-verzamelaarsgroepen en voor de terugval in de statuscompetitie en -hiërarchie, dus in de ongelijkheid en de despotie van de landbouwsamenlevingen, valt te lezen in Making and unmaking egalitarianism in small-scale human societies van Chris von Rueden.

De meeste daarvan zijn hier op dit blog al eens langsgekomen. Maar misschien kom ik er nog een kee rop terug.