Posts tonen met het label publieke domein. Alle posts tonen
Posts tonen met het label publieke domein. Alle posts tonen

dinsdag 18 juni 2024

De potsierlijkheid van het narcistisch wereldbeeld aan de wereld getoond - Everything Donald Trump Is an Expert In, According to Him | NowThis

Dit dateert al weer van vijf jaar geleden. Een compilatie van fragmenten waarin Donald Trump, toen nog president, zijn overtuiging uitspreekt dat niemand meer weet van onderwerp X dan hij. In de toelichting die Now This erbij geeft, wordt opgesomd over welke onderwerpen Donald Trump meer zegt te weten dan wie dan ook:

President Donald Trump claims to be an expert in a lot of things. This compilation video collected many of his boasts about his alleged expertise. In the video, Trump says he knows more than anybody about taxes, income, construction, campaign finance, drones, technology, American history, infrastructure, ISIS, environmental impact statements, Facebook, renewable energy, polls, courts, steel workers, golf, banks, trade, nuclear weapons, tax laws, law suits, money, debt, politicians,

 

Het is natuurlijk uiterst vermakelijk om al de fragmenten aan je voorbij te laten gaan. Narcisme is de meest extreme vorm van die ene helft van het statuscompetitiepatroon, die van het ingenomen zijn met zichzelf, zich verheven voelen over anderen en daarmee de positie claimen van de top van de statushiërarchie, die van de ultieme overheerser. Jouw verhevenheid en alwetendheid verlossen je van alle mogelijke externe belemmeringen. Er is geen werkelijkheid die jou nog u in de weg kan staan, noch zijn er andere personen die daar toe in staat zijn. 

Als je dit vermakelijk vindt, dan ligt dat eraan dat je ernaar kijkt met de blik van het gemeenschapspatroon. Want met die blik kijk je naar de wereld met respect voor de werkelijkheid en voor anderen. Je hebt inzicht in de beperkingen van je kennis van de wereld en dus ben je erop ingesteld om te leren van je ervaringen en van inzichten van anderen.  En je ziet anderen als gelijken, met de gedeelde menselijke waardigheid van het iedereen-telt-mee. Je kijkt dan naar het gedrag van een narcist met ongeloof, meewarigheid en geamuseerdheid.

Dat laatste zorgt ervoor dat een narcist in het domein van de persoonlijke relaties altijd tegen grenzen aanloopt. Blijken van superioriteitsgevoelens worden daar niet geaccepteerd. Er wordt met bespotting op gereageerd. En als het mogelijk is, wordt het contact vermeden.

Maar in het publieke domein krijgt de narcist volop kansen. Het kan dan immers gebeuren dat zijn overtuigingskracht, die voortkomt uit zijn zelfverzekerdheid, bij zijn publiek die andere helft van het statuscompetitiepatroon weet uit te lokken, die van de bewonderende onderdanigheid. Zeker als zijn toehoorders hun wereld als onveilig ervaren, zijn ze gevoelig voor die overtuigingskracht. De narcist wordt dan de verlosser. Waar je je hoop op vestigt dat hij voor jou voor betere tijden zal zorgen. 

Uiteraard vergeefs, want de narcist is uitsluitend in zichzelf geïnteresseerd. En in zijn naïviteit, zijn gebrek aan zelfreflectie, maakt hij daar ook geen geheim van. Denk aan Trump die in een campagnespeech uitroept: ’I Don't Care About You... I Just Want Your Vote’. En denk aan Adolf Hitler, die wilde dat het hele Duitse volk samen met hem ten onder moest gaan.

Dat de narcist in dat publieke domein zijn kansen krijgt, vraagt natuurlijk om tegenwicht. Zijn vermogen tot betovering van volgelingen, die persoonlijkheidscultus, is ronduit gevaarlijk. 

In een nog functionerende democratie horen de media voor dat tegenwicht te zorgen. Door er voor te zorgen dat het publiek dat narcistische gedrag leert te doorzien. 

Een manier om dat voor elkaar te krijgen is het tonen van de potsierlijkheid van dat narcistische wereldbeeld. Zoals door al die zichzelf lof toezwaaiende uitspraken, die elk apart voor sommigen misschien nog een greintje overtuigingskracht hebben, achter elkaar te zetten. 

Dat moet zelfs een fervente volgeling met nog enige realiteitszin aan het denken zetten.

dinsdag 24 januari 2023

De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben - deel 3

De waslijst van elf crises of problemen in de Nederlandse politiek die ik in de twee vorige berichten opsomde (zie hier het vorige bericht), kan als je de actualiteit volgt nog worden aangevuld. Eén aanvulling is de volgende:

Het mestbeleid van het Ministerie van Landbouw bestaat er al jaren uit om hoognodige maatregelen zo lang mogelijk uit te stellen. Doordat we een veel te grote landbouwsector hebben, die veel milieuschade veroorzaakt en in vergelijking daarmee maar weinig bijdraagt aan het bbp, is er een groot mestoverschot. Waardoor het grond- en oppervlaktewater sterk wordt vervuild met stikstof en fosfaat. Dat had voor de Nederlandse regering zelf al lang reden moeten zijn om in te grijpen. Maar daar is mee gedraald. En er is zelfs bij de Europese Commissie uitstel bedongen van de toepassing van Europese mestregels die waren opgesteld, met instemming van Nederland, om de kwaliteit van het water te verbeteren. Maar in ruil daarvoor moesten wel de al bestaande regels worden gehandhaafd. Omdat dat laatste niet gebeurde, denk aan het oogluikend toegestane gesjoemel met de mestboekhouding door boeren, heeft Brussel al op 19 december 2022 laten weten genoeg te hebben van het gedraal. Als nu niet wordt gehandhaafd, vervalt het Europese uitstel per direct. Immer dralend ministerie heeft elk krediet in Brussel verspeeld. Tot 20 januari 2023 wekte minister van Landbouw Adema de indruk dat nog meer uitstel mogelijk zou zijn. Hij moest die dag halsoverkop uit het buitenland terugkeren voor spoedberaad van het kabinet. Kabinet wist al weken dat Brussel Nederlands mestbeleid niet accepteert.

Oké, twaalf crises dus. Als er niet nog meer bijkomen.

Wat valt er te zeggen over het vermoeden dat al die crises uit een en dezelfde bron voortkomen? Om die vraag te beantwoorden, moeten we onder ogen zien dat politici en beleidsmakers zich meestal laten leiden door vuistregels in plaats van door diepgravende analyses. En dat bij de totstandkoming en verspreiding van die vuistregels sociale zeepbelvorming optreedt. Doordat weinigen voldoende op de hoogte zijn om zelfstandig een oordeel te kunnen vellen, kan sociale beïnvloeding een grote rol spelen. Als je merkt dat veel mensen een bepaald inzicht aanhangen, dan is het moeilijk om je aan de neiging te onttrekken om dat inzicht voor waar te houden. Zoveel mensen kunnen zich toch niet vergissen? 

Zo'n inzicht heeft vaak de vorm van een vuistregel: bij dit-en-dit probleem kies je het beste deze-en-deze oplossing. Succes is niet gegarandeerd, maar komt vaak of net vaak genoeg voor om de vuistregel in leven te houden. Tel bij dat net-vaak-genoeg die sociale beïnvloeding op en je hebt het verschijnsel van een sociale zeepbel: iedereen neemt als waar en vanzelfsprekend aan waar maar weinig empirische evidentie voor bestaat. 

Over het publieke domein van de politiek, van de vraag wat in een democratie van dag tot dag het beste beleid is, zijn we altijd onvolledig geïnformeerd. Dat is dus een domein waar gemakkelijk vuistregels en sociale zeepbellen ontstaan. Denk aan het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen? De menselijke sociale natuur maakt nu dat twee aan elkaar tegengestelde vuistregels als het ware klaarliggen om "uitgekozen" te worden en om zich tot een sociale zeepbel te ontwikkelen: 

  • enerzijds de vuistregel dat in een democratie de overheid een belangrijke en onmisbare rol moet spelen ten behoeve van het menselijk welzijn en 
  • anderzijds de vuistregel dat de rol van de overheid juist zoveel mogelijk dient te worden teruggedrongen om zoveel mogelijk ruimte te verschaffen voor de markt, de eigenlijk bron van welvaart

Die eerste vuistregel kun je zien als een uitwerking van de menselijke morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. Waarin samenwerking en delen voorop staat. 

En de tweede als de uitwerking van het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. Waarin alles draait om competitie.

In het volgende bericht zal het gaan over wat dit nu betekent voor die vraag naar de bron waar al die twaalf, of meer, crises in de huidige Nederlandse politiek uit voortkomen.

vrijdag 29 januari 2021

Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Hoe moeten we aankijken tegen het presidentschap van Joe Biden? Hoe moeten we beoordelen dat de Amerikaanse kiezers al na één termijn genoeg hadden van zijn voorganger? En wat vertellen ons de eerste beleidsdaden van de nieuwe president?

Ik stond daar bij stil in het bericht In de Verenigde Staten maken we een beweging mee in de richting van het gemeenschapsevenwicht - en over de rol van de media van ruim een week geleden, een dag na de inauguratie van Biden. Met als teneur dat je deze presidentswisseling kunt zien als een beweging op het niveau van de nationale staat in de richting van het gemeenschapsevenwicht en weg van het statuscompetitie-evenwicht. Dus in de richting van een politiek waarin iedereen meetelt en de overheid een schild is voor de zwakkeren en weg van de neoliberale politiek van ieder voor zich en juist vernedering van de zwakkeren. Voor wie nog niet bekend is met die twee evenwichten, lees Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Het presidentschap van Bidens voorganger, waarvan we de naam maar liever zo weinig mogelijk nog tegenkomen, was duidelijk de culminatie van een periode van een politiek van statuscompetitie. Denk aan de exorbitante belastingverlaging voor de rijken, aan de negatieve bejegening van minderheden, aan het wegnemen van de bescherming van de zwakkeren en aan het inruilen van democratische verantwoordelijkheidslijnen door de persoonlijke loyaliteiten van een statushiërarchie. En denk aan het uittreden uit internationale samenwerkingsverbanden. Als er al een beleid te onderkennen was, dan was het dat van het vrij baan geven aan het iedereen-zoekt-het-zelf-maar-uit van de statuscompetitie. Rijken zijn rijk door verdienste en armen en zieken hebben het er zelf naar gemaakt. En de president bekleedt niet een functie, maar staat aan het hoofd van een statushiërarchie. Aan die positie kan door verkiezingen niet getornd worden, dus kan een ongunstige verkiezingsuitslag nimmer erkend worden.

Daarentegen kunnen we aan de eerste beleidsdaden van president Biden duidelijk een beweging richting het gemeenschapsevenwicht onderkennen. Hij neemt wel de coronapandemie serieus, terwijl Trump die aanvankelijk ontkende en verder op zijn beloop liep, met veel onnodige besmetting en sterfgevallen tot gevolg. Hij beëindigde de bouw van de muur aan de Mexicaanse grens, bedoeld om immigranten tegen te houden, en wil een nieuw en ruimer immigratiebeleid. Hij beëindigde het verbod op inreizen uit moslimlanden en trad weer toe tot het Klimaatakkoord van Parijs en de Wereldgezondheidsorganisatie. Hij schrapte de uitsluiting van transgenders uit het leger, breidde de voedselhulp uit en begon met het beëindigen van de private gevangenissen. Hij breidde de toegankelijkheid tot de collectieve ziektekostenverzekering (Obamacare) uit, daarmee een maatregel van zijn voorganger terugdraaiend. En hij kondigde aan de klimaatcrisis als hoogste prioriteit te gaan behandelen en een echt begin te maken met de verbetering van de sterk verouderde Amerikaanse infrastructuur. De Amerikaanse overheid is terug.

Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Dat staat natuurlijk nog te bezien. Maar ik ben niet de enige die zich dit afvraagt. In haar column gisteren in de New York Times noemt Michelle Goldberg de Biden-regering het eerste post-Reagan presidentschap. Met een verwijzing naar de theorie van de political time van de Amerikaanse politieke historicus Stephen Skowronek. Volgens Skowronek zijn er in het Amerikaanse presidentschap 40- tot 60-jarige cycli of regimes te onderkennen, die elk beginnen met een transformerende president die voor zijn opvolgers het speelveld van wat politiek mogelijk is omgrenst. 

Franklin Delano Roosevelt was zo'n figuur, de grondlegger van de principes van de New Deal, waar zowel de Democraten als de Republikeinen zich achter schaarden. Dat was de politieke tijd van de opbouw van de verzorgingsstaat, van de "gemeenschap georganiseerd in de staat". Aan die politieke tijd kwam met de verkiezingsoverwinning van de Republikein Ronald Reagan in 1981 een eind. Het nieuwe politieke speelveld werd afgebakend met het adagium van de overheid als probleem in plaats van als oplossing. De neoliberale periode van de kleine overheid en zoveel mogelijk marktwerking nam een aanvang. Zelfs de democratische presidenten Bill Clinton en Barack Obama gingen daarin mee, de een meer, de ander minder, met hun beduchtheid voor overheidsschulden, voor inflatie en voor alles wat riekte naar Big Government.

Een vrijwel parallelle ontwikkeling begon in 1982 in Nederland met het eerste kabinet-Lubbers. En wie weet, zien we na de verkiezingen op 17 maart, als ze doorgaan, in Nederland een kabinet geformeerd worden dat net als Joe Biden in Amerika voor de komende 40- tot 60 jaar een politiek speelveld creëert waarin de overheid terug is. Waarin weer de gemeenschap is georganiseerd in de staat.

Hoe zou het komen, als het zo is, dat er in de politiek zulke cycli of regimes zijn te onderkennen? Dat moet wel te maken hebben met het verschijnsel van de sociale zeepbelvorming. We hebben in het publieke domein van de politiek nu eenmaal te maken met een groot gebrek aan informatie. Ook als iedereen gemotiveerd is door de democratische waarde van het vinden van het beste beleid voor iedereen, wat geenszins gegarandeerd is, dan nog is er altijd te weinig informatie beschikbaar om te kunnen bepalen wat dat beste beleid is.

En zulke informatietekorten zijn de voedingsbodem voor sociale zeepbellen. De meningen verschillen, maar sommigen zijn meer overtuigd van zichzelf dan anderen. Door die overtuigingskracht, die inhoudelijk niet veel hoeft voor te stellen, vergroot zo iemand zijn aanhang, wat voor anderen weer een signaal vormt: zoveel mensen zullen het wel niet verkeerd hebben. Sociale beïnvloeding doet zijn werk. Zie, uit 2013, het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen?

In dat proces speelt natuurlijk mee dat elk politiek speelveld dat door sociale zeepbelvorming tot stand komt, na verloop van tijd met de maatschappelijke werkelijkheid geconfronteerd wordt. Het is vanuit een toestand van informatietekort ontstaan en door het in werking te stellen, door de omschreven politiek in beleid om te zetten, wordt natuurlijk die informatie ras aangevuld. Politici en kiezers ondervinden de echte gevolgen van het uitgevoerde beleid. Die ondervindingen stapelen zich op en, zo vermoedt Stephen Skowronek, na zo'n 40 tot 60 jaar komt die "politieke tijd" aan zijn eind en breekt er een nieuwe aan.

Wat je natuurlijk hoopt is dat we niet na elke cyclus weer van voren af aan beginnen. Als het goed is wordt er over een reeks van cycli het een en ander geleerd. Zodat de grote historische lijn er een is van een vallen-en-opstaan beweging richting het gemeenschapsevenwicht.

zaterdag 26 september 2020

Over de sociale zeepbel van het neoliberalisme: Dat hadden we nooit moeten doen

De Nederlandse sociaal-democraten vielen al in de jaren tachtig van de vorige eeuw ten prooi aan de neoliberale ideologie van kleinere overheid, meer marktwerking en "meer eigen verantwoordelijkheid". Dat bracht hen er toe om in de jaren negentig (Kok I en Kok II) en in de jaren tien van deze eeuw (Rutte II) mee te werken aan de neoliberale revolutie in het sociaaleconomische beleid. 

Over de ontwikkelingen in de jaren negentig in de Partij van de Arbeid schreven Duco Hellema en Margriet van Lith Dat hadden we nooit moeten doen. De PvdA en de neoliberale revolutie van de jaren negentig (Prometheus, Amsterdam). Tot de bronnen waarop ze zich baseren, behoren ook interviews met tientallen direct betrokken personen.

In het slothoofdstuk maken Hellema en Van Lith een soort balans op, die duidelijk maakt wat de sociaaldemocraten "nooit hadden moeten doen". En dat komt eigenlijk neer op alles wat ze wel deden:

De PvdA-prominenten van de jaren negentig menen merkwaardig genoeg dat verschillende maatregelen en ontwikkelingen waarvoor ze zelf verantwoordelijk zijn geweest, (...) zouden moeten worden teruggedraaid. De inkomensongelijkheid moet weer worden verminderd, zeggen sommigen, de belastingen op hoge inkomens en vermogen moeten daarom weer worden verhoogd. Weer anderen zeggen dat de onzekerheid op de arbeidsmarkt moet worden beperkt. En zo is er veel meer: verschillende privatiseringsmaatregelen zouden moeten worden teruggedraaid (zoals in de gezondheidszorg, het openbaar vervoer en de energiesector); er moet veel meer worden geïnvesteerd in de publieke sector; collectieve instituties zoals woningbouwverenigingen en corporaties moeten in ere worden hersteld; de overheid moet versterkt; de macht van de grote internationale ondernemingen beperkt; en vooral de financiële sector moet weer aan banden worden gelegd. (p. 269)

Je kunt het boek zien als een case study van sociale zeepbelvorming in het publieke domein, in het bijzonder de politiek. Het publieke domein kennen we altijd minder goed en minder direct dan het persoonlijke domein. En het is een domein waar we, gezien tegen de achtergrond van de mensheidsgeschiedenis, nog maar kort ervaring mee hebben. Veel van die ervaring is neergeslagen in wetten en instituties. Maar het collectieve leerproces is nog in volle gang. Daardoor kunnen eenmaal geleerde lessen ook weer wegzakken in het collectieve geheugen.

Anders gezegd, in het publieke domein heerst er een fundamenteel informatietekort. Niet alleen bij de burgers en de media, maar ook bij de politici. En een informatietekort, gecombineerd met de onvermijdelijkheid dat er nu eenmaal beleid gevoerd moet worden en dat er gereageerd moet worden op opduikende problemen, schept de ideale voorwaarden voor sociale zeepbelvorming. Ik omschreef dat eerder als volgt:

Sociale zeepbellen ontstaan als mensen slecht geïnformeerd zijn over zaken waar ze over moeten beslissen en zich dan vooral laten leiden door wat anderen doen. Het begin van een zeepbel kan heel nietig en onbeduidend zijn. Van al die slecht geïnformeerden zijn er sommigen die een bepaalde overtuiging hebben en daar, onterecht, zo zeker van zijn, dat ze die uitdragen. Anderen raken daarvan onder de indruk en nemen die overtuiging over, waardoor nog weer anderen er ook mee in aanraking komen. Dat versterkt de eersten in hun overtuiging waardoor ze die nog meer uitdragen. Het zo in stand gezette groeiproces dijt snel uit en zo ontstaat een zeepbel, een wijdverbreide overtuiging die weinig met de werkelijkheid te maken hoeft te hebben.

Die beschrijving lijkt aardig op te gaan voor de ontwikkeling van de neoliberale zeepbel, want daar gaat het hierover. Wat er zich in de PvdA afspeelde, staat voor wat er in vrijwel het gehele politieke spectrum gebeurde. Er waren sommigen die met veel overtuigingskracht een bepaald beleid bepleitten. Door dat informatietekort was het niet voor iedereen zo gemakkelijk om de merites van die beleidsvoorstellen te beoordelen. Waardoor die overtuigingskracht als een signaal kon gaan fungeren voor de juistheid van wat er betoogd werd. Denk aan de rol die Milton Friedman kon spelen in het opblazen van de zeepbel. En aan die van Alan Greenspan, de voorzitter van de Amerikaanse Fed, die in 2008 voor het Congres getuigde hoe verbijsterd hij was dat de ontwikkelingen anders waren verlopen dan hij met grote zekerheid dacht te kunnen voorspellen: 

In Congressional testimony on October 23, 2008, Greenspan acknowledged that he was "partially" wrong in opposing regulation and stated "Those of us who have looked to the self-interest of lending institutions to protect shareholder's equity—myself especially—are in a state of shocked disbelief."[97] Referring to his free-market ideology, Greenspan said: "I have found a flaw. I don't know how significant or permanent it is. But I have been very distressed by that fact." When Representative Henry Waxman (D-CA) pressed him to clarify his words. "In other words, you found that your view of the world, your ideology, was not right, it was not working," Waxman said. "Absolutely, precisely," Greenspan replied. "You know, that's precisely the reason I was shocked, because I have been going for 40 years or more with very considerable evidence that it was working exceptionally well."[98] Greenspan admitted fault[99] in opposing regulation of derivatives and acknowledged that financial institutions didn't protect shareholders and investments as well as he expected. (Wikepedia)

Dat hij zo verbijsterd was (shocked disbelief, distressed) wijst op zijn eerdere rotsvaste overtuiging dat zijn vrije markt-ideologie de oplossing was van alle problemen. Iemand kan dus, terwijl er objectief gezien wel degelijk een informatietekort heerst, een rotsvaste overtuiging hebben. En daarnaar handelen. Met het grote gevaar dat anderen die zelfverzekerdheid gaan aanzien als een bewijs van deskundigheid en wijsheid. Het begin van een sociale zeepbel.

Dat dat proces van sociale zeepbelvorming zich dus ook in de PvdA van de jaren tachtig en negentig afspeelde, maar dus niet alleen daar, kun je opmaken uit de passages in het boek waaruit blijkt dat die "neoliberale revolutie" veel meer een sociaal dan een intellectueel proces was.

'we gingen met de tijd mee', 'we zochten pragmatische oplossingen', zo luidt het vaak in interviews die we met oud-bewindslieden en andere PvdA-prominenten hadden. (p.15).

Nu is het achteraf natuurlijk makkelijk praten. Maar toch is het merkwaardig dat er binnen de PvdA eigenlijk geen fundamenteel debat plaatsvond over marktwerking. (p. 94)

Binnen de top van de Partij van de Arbeid, of meer specifiek binnen het PvdA-bewindspersonenoverleg (BPO) werd, zoals gezegd, nauwelijks over de principiële kanten van dergelijke kwesties gesproken. (p. 102)

Maar dat was 'een sluipend proces', er lag geen visie aan ten  grondslag. (...).'We praatten onszelf aan dat het economisch noodzakelijk was, niet omdat onze filosofie in die richting ging, maar omdat het moest.' (p. 137)

een opvallend aspect van de koerswijziging de de Partij van de Arbeid onderging: de neiging om de betekenis daarvan te relativeren, voor te stellen als noodzakelijke aanpassing, en daarmee ook eigenlijk niet de moeite waard om er een diepgaand politiek debat aan te wijden. (p. 144-145)

deels omdat de 'tijdgeest' geen andere keuzes leek te laten; maar ook vaak, zo erkennen verschillende betrokkenen, zonder een goed beeld te hebben van de maatschappelijke consequenties van de genomen beslissingen. (p. 175)

Wim Meijer meent achteraf dat er binnen de PvdA inmiddels sprake was van 'ideologische leegte'. De markt sloeg zich op de borst: wij kunnen alles oplossen. En dat werd geloofd, omdat er geen ideologisch weerwoord was', aldus Meijer. (p. 209)

De feitelijke opstelling van de PvdA (ten aanzien van de bijstelling van het systeem van corporate governance ten gunste van de kapitaalverschaffers) was. zoals sommigen zeggen, ook gevolg van gebrek aan kennis en aandacht. (p. 228)

 Verscheidene betrokkenen menen, zoals gezegd, dat de Partij van de Arbeid niet bewust heeft gekozen voor een neoliberaal georiënteerd beleid: de partij werd meegesleurd, 'we wilden ontzettend graag regeren', het waren 'pragmatische keuzes', het beleid was technocratisch, er werd geen debat gevoerd (...) Wie niet meeging in het marktdenken, was 'ouderwets' en werd niet serieus genomen. (p. 262)

en deels ook omdat verschillende PvdA-prominenten zichzelf en elkaar aanpraatten dat het allemaal 'niet anders kon'. Door deze opstelling vergat de PvdA 'een eigen verhaal te vertellen". (p. 271)

Zoals in het begin gezegd, het gaat hier om een case study. Die sociale zeepbelvorming voltrok zich breder. Denk ook aan Ontspoord kapitalisme van Bert de Vries. 

En niet alleen in de politiek, ook in de wetenschap. Ik was zelf ooit een bewonderaar van het werk van James M. Buchanan, die een grote invloed heeft gehad op dat neoliberale denken. Hier leg ik uit hoe dat kwam.

dinsdag 7 augustus 2018

Over sociale zeepbellen en dat je die soms aan kleine dingen kunt herkennen - Zoals aan een passage uit Zomergasten

De aanleiding tot dit bericht is een passage uit Zomergasten van afgelopen zondag. Maar dat blijkt pas aan het eind. Even doorlezen dus.
Het publieke domein is een zo recent verschijnsel in de mensheidsgeschiedenis dat je er niet op kunt vertrouwen dat wij er goed op zijn ingesteld om het te doorgronden en er goed geïnformeerde keuzes in te maken.

Verreweg het grootste deel van het mensheidsbestaan, ruwweg 98 procent, brachten mensen hun leven door in een groep waarin op basis van persoonlijke relaties gedeeld werd en werd samengewerkt. Iedereen werd als onderdeel van de dagelijkse gang van zaken ruimschoots geïnformeerd over wat er in de groep (en in de fysieke omgeving) aan de hand was.

Vergeleken daarmee is het bestaan van het hedendaagse, publieke domein er de oorzaak van dat we altijd een fundamenteel informatietekort hebben. In het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen? omschreef ik dat als volgt:
We leven in een maatschappij met een omvangrijk publiek domein. Dat is het sociale domein dat bestaat uit alle mensen, relaties, omstandigheden en gebeurtenissen waar we geen directe, op persoonlijke ervaringen berustende kennis van hebben. In vergelijking met het persoonlijke domein, dat van de familie en vrienden waarmee we een persoonlijke geschiedenis delen, is onze relatie met het publieke domein er een van een fundamenteel informatietekort. Vrijwel alles wat we weten of menen te weten, hebben we van horen zeggen. Sommigen van ons doen hun best om dat informatietekort te verminderen. Ze lezen kranten, ze raadplegen boeken en internet en ze volgen het (sociaalwetenschappelijk) onderzoek. Maar verreweg de meesten maken zich afhankelijk van wat ze zoal horen en onder ogen krijgen bij hun dagelijkse bezigheden die op andere zaken gericht zijn.
Omdat dat publieke domein ons op allerlei manieren wel raakt en omdat ons welzijn sterk afhankelijk is van wat er zich daar afspeelt, voelen we wel de noodzaak om ons er oordelen over te vormen. Al was maar omdat de politiek er onderdeel van is en we dus van tijd tot tijd onze stem kunnen uitbrengen.

Dat informatietekort zorgt er dan voor dat er gemakkelijk sociale zeepbellen ontstaan. In het bericht
Sociale zeepbellen in economie en politiek kom je daarover deze alinea tegen:
Sociale zeepbellen ontstaan als mensen slecht geïnformeerd zijn over zaken waar ze over moeten beslissen en zich dan vooral laten leiden door wat anderen doen. Het begin van een zeepbel kan heel nietig en onbeduidend zijn. Van al die slecht geïnformeerden zijn er sommigen die een bepaalde overtuiging hebben en daar, onterecht, zo zeker van zijn, dat ze die uitdragen. Anderen raken daarvan onder de indruk en nemen die overtuiging over, waardoor nog weer anderen er ook mee in aanraking komen. Dat versterkt de eersten in hun overtuiging waardoor ze die nog meer uitdragen. Het zo in stand gezette groeiproces dijt snel uit en zo ontstaat een zeepbel, een wijdverbreide overtuiging die weinig met de werkelijkheid te maken hoeft te hebben.
Het bestaan van sociale zeepbellen is dus inherent aan het soort maatschappij waarin wij leven, want dan informatietekort zal er altijd zijn. Media zouden op de wereld moeten zijn om dat tekort zo klein mogelijk te houden, maar dat is helaas niet altijd het geval. Wat misschien ook weer een gevolg is van een sociale zeepbel, de gedachte namelijk dat je de media wel aan de markt, en dus aan het Grote Geld, kunt overlaten.

Hoewel sociale zeepbellen dus veel voorkomen, worden ze niet altijd opgemerkt. Dat kan eraan liggen dat sommigen zich in een van de bestaande zeepbellen bevinden en van andere geen weet hebben. En misschien merk je ze eerder op als je ouder bent geworden, want dat maakt de kans groter dat je al enkele aan je voorbij hebt zien gaan.

Nu is het natuurlijk niet zo dat alle zeepbellen gelijkwaardig zijn. Sommige hebben meer contact met de werkelijkheid dan andere. Zo meen ik dat de zeepbel die in de politiek van na de Tweede Wereldoorlog heerste en inhield dat je als overheid moet streven naar bestaanszekerheid voor je burgers en dat je de ongelijkheid binnen de perken moet houden, meer contact had met de werkelijkheid dan de neo-liberale zeepbel die na de jaren 70 opkwam en waar we nu nog steeds onder lijden. De ene zeepbel kan een achteruitgang zijn vergeleken met een andere. Denk aan het bericht Zullen we weer terug kunnen keren op het pad van de vooruitgang?

Dit alles bedacht ik me toen ik ik terugdacht aan een passage in het programma Zomergasten waarin Louis van Gaal gast was. Het was maar een stukje van misschien een halve minuut, dat me aan het denken zette. Van Gaal vertelde over het tragische overlijden van zijn eerste vrouw, bij wie alvleesklierkanker werd vastgesteld. De artsen, zo vertelde hij, als ik me goed herinner tot twee keer toe, deden, "omdat ik Louis van Gaal ben", extra hun best. Meer dus dan ze bij iemand anders gedaan hadden.

En dat bleef dus bij mij hangen. Want ik verwachtte eigenlijk van hemzelf of van gastvrouw Janine Abbring iets te horen in de trant van: eigenlijk hoort dat natuurlijk niet. Want laten we wel wezen, je mag nog zo beroemd zijn of nog zoveel geld hebben, maar het hoort niet dat artsen zich daardoor meer voor jou inspannen dan voor iemand anders. 

Maar dat hoorde ik dus niet. 

En ik dacht bij mezelf: ook aan kleine dingen, die in een gesprek voorbijkomen en waarop niet wordt gereageerd, kun je een sociale zeepbel herkennen. In dit geval dus de zeepbel dat ongelijkheid in het publieke domein helemaal niet zo verkeerd is en dat ongelijke behandeling er nu eenmaal bij hoort. (Dat Van Gaal die extra inspanningen voor zijn vrouw accepteerde, valt natuurlijk goed te begrijpen.)

Ik kan dat natuurlijk niet hard maken, maar ik stel me voor dat zo'n passage in een televisieprogramma van veertig of vijftig jaar geleden anders was verlopen. Iemand had het belangrijk gevonden om toch even te wijzen op het ongepaste van ongelijke behandeling.

vrijdag 11 mei 2018

De steun voor de democratie is groter dan je zou denken - Neem nu de Verenigde Staten

We maken een tijd mee waarin in het publieke domein het statuscompetitiepatroon lijkt te gaan overheersen over het gemeenschapspatroon. Omdat statuscompetitie en statushiërarchie, als ze vrij baan krijgen, niet zijn te rijmen met fundamentele gelijkheid en mensenrechten, betekent die ontwikkeling dat de democratie in gevaar komt.

Aanwijzingen in die richting dringen zich van dag tot dag op als je het nieuws volgt over landen als de Verenigde Staten, Rusland, Turkije, Hongarije, Polen en Groot-Brittannië. Tot voor kort kon je het idee hebben dat de democratie, na de introductie van het algemeen kiesrecht zo'n honderd jaar geleden, wereldwijd meer en meer zou worden omarmd. Maar als je onder ogen ziet hoe het kapitalisme zich aan het begin van de eenentwintigste eeuw verder heeft ontwikkeld, meet toegenomen ongelijkheid en de terugkeer van economische en financiële crises, ga je je afvragen of kapitalisme en democratie duurzaam met elkaar  zijn te verenigen.

Maar misschien is het goed om onderscheid te maken tussen waar het politieke bedrijf van dag tot dag over gaat en wat de onderliggende opvattingen zijn van het kiezersvolk.

Want kijk nu eens naar de resultaten van dit onderzoek naar de opvattingen van de Amerikaanse kiezers over een van de grote gevaren voor de democratie, de beïnvloeding van de werking van het politieke proces door het Grote Geld: Americans Evaluate Campaign Finance Reform. Een samenvatting van die resultaten vind je hier: Liberals Want to Overturn Citizens United. A New Study Shows Conservatives Do Too. 

Dat met het presidentschap van Donald Trump de Amerikaanse democratie in zo groot gevaar is, kun je moeilijk anders zien dan als een uitkomst van de toegenomen invloed van het Grote Geld op het politieke proces. En een cruciale rol in die toegenomen invloed speelde de Citizens United ruling van het Amerikaanse Hooggerechtshof in 2010.

Volgens dat besluit, met de kleinst mogelijke meerderheid genomen (5 - 4), mogen grote ondernemingen onbeperkte hoeveelheden geld besteden aan het aanprijzen van politieke partijen en hun kandidaten. Omdat die sommen geld niet direct besteed worden aan de verkiezingscampagnes, zouden ze volgens het Hooggerechtshof niet kunnen leiden tot corruptie of tot de schijn van corruptie.

Uit dat onderzoek blijkt nu dat de Amerikanen in overgrote meerderheid van mening zijn dat dat besluit van het Hooggerechtshof zou moeten worden teruggedraaid. Sterker, 66 procent van de Republikeinen en 85 procent van de Democraten ondersteunen een wijziging van de Grondwet die dat Citizens United besluit onwettig zou maken.

En een meerderheid van 88 procent is er voorstander van om de invloed van de grote donoren op de verkiezingscampagnes terug te dringen.

Dat idee van een democratie als de juiste inrichting van een nationale staat, waarin iedereen meetelt ongeacht inkomen en vermogen, dat is ontegenzeglijk onderdeel van het gemeenschapspatroon, overgeheveld naar het publieke domein. Dat de bescherming van de democratie tegen het Grote Geld zoveel aanhang heeft in een land dat jarenlang overspoeld is met de door datzelfde Grote Geld gefinancierde propaganda, dat geeft een indruk van de kracht van dat gemeenschapspatroon.

En geeft weer wat hoop voor de toekomst van de democratie.

donderdag 21 december 2017

We maken een tijd mee waarin het statuscompetitiepatroon gaat overheersen in het publieke domein

Mensen zijn toegerust met twee aan elkaar tegengestelde sociale gedragspatronen, dat van het statuscompetitiegedrag en dat van het gemeenschapsgedrag. In het statuscompetitiepatroon zie je anderen als tegenstrevers of zelfs vijanden en ben je voortdurend op je hoede. In het gemeenschapspatroon vertrouw je anderen, ben je bereid tot samenwerken en delen en voel je je veilig en geborgen.

De kans dat je het ene dan wel het andere patroon uitvoert, wordt sterk beïnvloed door hoeveel anderen in jouw omgeving datzelfde doen. Zijn anderen competitief, dan rest jou weinig anders dan dat ook te zijn. Vertonen anderen daarentegen gemeenschapsgedrag, dan ben jij daartoe ook graag bereid. Zie hier voor meer over wat ik ooit de Dual Mode-theorie ben gaan noemen.

Dat het menselijke sociale gedrag zo in elkaar lijkt te steken, ligt aan onze unieke evolutionaire geschiedenis. Maar we leven nu in een grootschalige maatschappij, waarin we naast het persoonlijke domein van relaties met familie en vrienden, ook het publieke, anonieme domein kennen.

We zijn bijvoorbeeld met medeburgers verbonden in de geografische en institutionele context van een nationale staat. Dat publieke domein is historisch gezien nieuw en onbekend. We weten dus van nature niet zo goed hoe we ons in dat domein moeten gedragen. Gaat het meer de kant op van het gemeenschapsgedrag, dan krijgt die nationale staat het karakter van een verzorgingsstaat. Maar het is ook mogelijk dat het meer de statuscompetitiekant opgaat en dan wordt die nationale staat een strijdveld waarin de sterkeren de zwakkeren gaan overheersen. Gaan uitbuiten, zoals Karl Marx dat noemde.

We leven nu in een tijd waarin we in veel landen de overgang meemaken van een overheersend gemeenschapspatroon naar een overheersend statuscompetitiepatroon. Denk even aan de sterk toegenomen ongelijkheid binnen de meeste landen, zoals die blijkt uit het World Inequality Report 2018 van Thomas Piketty en anderen.

Hoe gaat zo'n overgang precies in zijn werk? Wat gebeurt er in het denken van mensen die die overgang ten uitvoer brengen? Je zou er je vinger achter willen krijgen.

Dat lukt misschien een beetje als je je concentreert op één land, zoals de Verenigde Staten. Want daar is die ruk naar het statuscompetitiepatroon (de ruk naar rechts) al tientallen jaren behoorlijk open en bloot aan de gang in de Republikeinse partij. Gedocumenteerd in boeken als Veering Right. How the Bush Administration Subverts the law for Conservative Causes van Charles Tiefer, Conservatives Without Conscience van John W. Dean en The Party Is Over. How Republicans Went Crazy, Democrats Became Useless, and the Middle Class Got Shafted van Mike Lofgren.

Die ontwikkeling is nu geculmineerd in het aan de macht komen van Donald Trump (hoe precies, dat wordt nog uitgezocht) en in de belasting"hervorming" die de Republikeinen, met voorbijgaan aan alle gangbare procedures, door het Huis van Afgevaardigden en de Senaat hebben weten te jagen.

En als je de (onpartijdige) analyses leest van die "hervormingen", dan zie je daarin het statuscompetitiepatroon in volle werking. De rijken en nog meer de extreem rijken krijgen hun zin en gaan minder belasting betalen. Lees The Republican tax bill is an American betrayal. The American people voted for populism. They got plutocracy van Ezra Klein.

Vanessa Williamson karakteriseert het vandaag in de Washington Post als de omgekeerde Robin Hood-herverdeling: How tax cuts for the wealthy became Republican orthodoxy. En ze geeft een korte beschrijving van hoe dat proces begon in het Reagan-tijdperk, met de strijd van de "hardwerkende belastingbetalers" tegen de "undeserving uitkeringstrekkers".

Het is een ontwikkeling die niet alleen de verzorgingsstaat bedreigt, maar ook de democratie. Want:
“Anti-tax” activism in the Reagan era was stoked by long-standing white resentment to the extension of benefits to people of color, a political dynamic with a very long history in the United States. Indeed, the white-supremacist governments in the post-Reconstruction South described themselves as a return to the “rule of the taxpayer” — that is to say, rule by wealthy white plantation owners to the exclusion of newly emancipated black people and poor whites.
Het is een beweging terug naar de tijd van voor het algemene kiesrecht, toen alleen degenen die daar op grond van rijkdom en bezit geschikt voor leken mochten stemmen.

Is het gek dat ik dit alles nogal verontrustend vind?

dinsdag 7 november 2017

Ook met Trump aan de macht zijn Amerikanen overwegend centrum-links

Update. Als Amerikanen inderdaad overwegend centrum-links zijn, hoe slagen de Republikeinen er dan in om toch de verkiezingen te winnen? Door langs verschillende wegen, en met hulp van de Russen, de democratische gang van zaken zoveel mogelijk buiten werking te stellen. Zie daarover nu (april 2019): De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 16 - Hoe het Amerikaanse Grote Geld zich verdedigt tegen de democratie.
Het domein van de publieke besluitvorming, dat van de democratie en de politiek, is in de mensheidsgeschiedenis zo nieuw dat je niet kunt verwachten dat mensen er gemakkelijk hun weg in vinden en weloverwogen tot oordelen komen.

We zijn weliswaar gewend om die oordelen te rangschikken op het continuüm van links (ruwweg: meer overheid) naar rechts (ruwweg: minder overheid), maar de meeste kiezers zijn helemaal niet zo vertrouwd met die tweedeling.

In zijn opiniestuk in de New York Times van vorige week (America Is Not a ‘Center-Right Nation’) herinnert Eric Levitz aan het onderzoek van de politicoloog Philip E. Converse uit 1964, waaruit bleek dat slechts 17 procent van de Amerikaanse kiezers het verschil tussen links (liberal) en rechts (conservative) goed kon uitleggen. De grote meerderheid bracht niet zijn stem uit op grond van een duidelijke politieke ideologie. Dat klassiek geworden onderzoek werd beschreven in het essay The nature of belief systems in mass publics.

Sindsdien zijn Amerikanen niet ideologischer gaan denken over de politiek, ondanks dat het politieke speelveld sterk is gepolariseerd. Levitz verwijst naar het boek Neither Liberal nor Conservative. Ideological Innocence in the American Public van Donald R. Kinder en Nathan P. Kalmoe.

Voor de meeste mensen geldt dat ze weinig tijd hebben om zich in politieke denkbeelden en discussies te verdiepen en daar ook weinig in geïnteresseerd zijn. Veel kiezers vinden weliswaar van zichzelf dat ze "links" of 'rechts" zijn, maar wat die etiketten precies inhouden, dat hebben ze niet altijd zo duidelijk voor ogen.

Dat betekent dat de politici een grote verantwoordelijkheid hebben in het omlijnen en differentiéren van het politieke speelveld. In de woorden van Levitz:
One crucial implication of this finding is that political elites have enormous power to dictate ideological terms to their rank-and-file supporters. For a healthy chunk of conservative Republicans and liberal Democrats, the “liberal” and “conservative” position on most issues is whatever their party leaders say it is. Donald Trump’s success at redefining conservative voters’ consensus views on free trade, American policy toward Russia and the relevance of personal morality to effective political leadership offers a particularly vivid illustration of this phenomenon.
Ik denk daarbij natuurlijk ook aan de sociaal-democratische omarming van het neo-liberalisme en het daarmee uit het politieke speelveld nagenoeg laten verdwijnen van linkse standpunten.

Maar wat zie als je kiezers naar hun mening vraagt over allerlei politieke strijdpunten? Dan blijkt dat de meerderheid van de Amerikanen een door de overheid georganiseerde en gefinancierde gezondheidszorg wil (Obamacare), hogere belastingen voor de rijkeren, gratis onderwijs en betere sociale voorzieningen.

Als het om de issues gaat in plaats van om de ideologie, dan zijn de meeste Amerikanen links. Dat lijkt in deze tijd algemener op te gaan: de kiezers zijn linkser dan de politici.

vrijdag 22 september 2017

Over de schaamte en het liegen van rechts-extremisten

In ons denken en onze emoties over het publieke domein zijn we ambivalent tussen onze morele intuïties van het gemeenschapsgedrag en van het statushiërarchiegedrag.

Het linkse politieke denken sluit meer aan bij de gemeenschapsintuïties en het rechtse politieke denken meer bij de intuïties van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Zie voor meer over dit onderscheid hier Jonathan Haidt (Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein) en hier George Lakoff (George Lakoff over morele intuïties in de politiek en over Trump. En over de Dual-Mode theorie).

Die ambivalentie houdt in dat we individueel en met zijn allen vrij gemakkelijk heen en weer schuiven tussen een meer linkse of een meer rechtse positie in het politieke spectrum. Want over het publieke domein zijn we altijd veel slechter geïnformeerd dan over het persoonlijke domein, het domein van de contacten met familie en vrienden.

Daardoor kunnen kleine veranderingen in de informatie die we toegediend krijgen, grote veranderingen in ons denken tot gevolg hebben. Nog afgezien van het fake-nieuws waaraan we bloot kunnen staan. Bovendien maakt onzekerheid ons sterk sociaal beïnvloedbaar. Als we het niet zo goed weten, laten we ons meer leiden door informatie over wat anderen denken en doen.

Zo kan het gebeuren dat je in een tijd leefde waarin iedereen zich afvroeg: "Ben ik wel links genoeg?" Maar ook kun je een tijd meemaken, zoals nu, dat iedereen zich zorgen maakt of hij wel rechts genoeg is.

Die verschuiving naar rechts en zelfs naar rechts-extremisme speelt zich zowel in Europa als in de Verenigde Staten af. En is in de Verenigde Staten sterk verbonden met wat er nu al decennia met de Republikeinse partij aan de hand is.

Die Grand Old Party (GOP) heeft zich uit het politieke midden verwijderd, is steeds extremere rechtse posities gaan innemen en is nu, met Donald Trump als president, aan de macht.

Die ruk naar rechts van wat ooit een middenpartij was, werd al in 2004 gedetailleerd beschreven door Charles Tiefer in Veering Right. How the Bush Administration Subverts the Law for Conservative Causes. En in 2006 was er al deze mooie analyse door insider John Dean, ooit adviseur van President Nixon: Conservatives Without Conscience.

Wat we nu meemaken, een extreem-rechtse partij aan de macht, is natuurlijk allereerst een pijnlijk, maar daarnaast ook een fascinerend verschijnsel. Want hoe zet je je rabiate ideologie om in beleid? Hoe verkoop je je anti-overheidsideologie, die de overheid alleen maar als probleem ziet in plaats van als ook een bron van oplossingen? Hoe breng je aan de man dat je niet wilt dat de rijken meebetalen aan de armen en niet wilt dat de gezonden meebetalen aan de zieken? Dat je een maatschappij wilt waarin alles draait om competitie? En waarin de winnaars niet worden lastig gevallen?

Het fascinerende aan wat we nu zien gebeuren is dat de Republikeinen zich lijken te schamen voor de werkelijke aard van hun bedoelingen. Want alleen zo kun je verklaren dat ze onwaarheden verspreiden, ja, zeg maar, liegen, over wat de werkelijke effecten zijn van hun voorstellen.

Zoals over hun pogingen om Obamacare van tafel te vegen en zogenaamd te vervangen door "iets beters". Zie vandaag Paul Krugman daarover: Cruelty, Incompetence and Lies.

Hun weerzin tegen het hele idee van een collectieve ziektekostenverzekering is groot. Als iemand ziek wordt en de rekeningen niet kan betalen, jammer dan. Waarom zou een gezond en rijk iemand daaraan moeten meebetalen?

Maar zelfs bij zulke extremisten is er kennelijk nog iets aanwezig van die gemeenschapsintuïties, dat maakt dat ze niet openlijk voor die weerzin durven uit te komen. Er is, gelukkig!, nog iets van schaamte aanwezig. Vandaar dat liegen.

vrijdag 23 juni 2017

Na de privatiseringsgolf is er nu volop renationalisering - Welke lessen zijn daaruit te trekken?

Een onderdeel van de opkomst van de ideologie van de kleine overheid enkele tientallen jaren geleden was de vaste overtuiging dat publieke diensten veel beter geprivatiseerd konden worden. 

Openbaar vervoer, levering van water en energie, kinderopvang, zwembaden en zelfs gevangenissen, alles kon beter via de markt verschaft worden. Want door gebrek aan concurrentie was overheidsvoorziening altijd inefficiënt, duur en van slechte kwaliteit. Als bedrijven en hun werknemers niet onder druk staan van de tucht van de markt, dan spannen ze zich niet genoeg in en leveren ze slecht werk af.

En zo kwam er wereldwijd een privatiseringsgolf. Maar de aanwijzingen zijn dat er nu een tegengestelde beweging plaats vindt. Er wordt weer volop gerenationaliseerd. Wat eerder de markt op werd geduwd, komt nu weer terug in overheidshanden.

Dat blijkt uit het rapport Reclaiming Public Services:How cities and citizens are turning backprivatisation, waar Trouw vandaag over bericht: Privatisering wordt wereldwijd weer volop teruggedraaid.

Dat rapport opent met een fraai inleidend hoofdstuk, waar ik de eerste alinea's maar even uit citeer (lees daarna verder voor de lessen die zijn te trekken):
You would be forgiven, especially if you live in Europe, to think that public services are by nature expensive, inefficient, maybe even somewhat outdated, and that reforming them to adapt to new challenges is difficult. It would seem natural to assume – because this is what most politicians, media and so-called experts tell us continuously – that we, as citizens and users, should resign ourselves to paying ever higher tariffs for services of an ever lower standard, and that service workers have no choice but to accept ever more degraded conditions. It would seem that private companies will inevitably play an ever larger role in the provision of public services, because everything has a price, because politicians have lost sight of the common good and citizens are only interested in their own individual pursuits. 
This book, however, tells a completely different story. Sometimes it may feel as though we are living in a time when profit and austerity – when it is not authoritarianism and xenophobia – are our only horizons. In reality, below the radar, thousands of politicians, public officials, workers and unions, and social movements are working to reclaim or create effective public services that address the basic needs of people and respond to our social, environmental and climate challenges. They do this most often at the local level. Our research shows there have been at least 835 examples of (re)municipalisation of public services worldwide in recent years, involving more than 1,600 cities in 45 countries. And these (re) municipalisations generally succeeded in bringing down costs and tariffs, improving conditions for workers and boosting service quality, while ensuring greater transparency and accountability.
This (re)municipalisation1 wave is especially strong in Europe, but it is also gaining strength elsewhere in the world. What is more, many of the 835 examples we identified are not merely technical changes in ownership but very often entail broader economic, social and environmental changes. (Re)municipalisation initiatives emerge from a range of motivations, from addressing private sector abuse or labour violations, recovering control over the local economy and resources, or providing affordable services to people, to implementing ambitious energy transition and environmental strategies. (Re)municipalisations occur at all levels, with different models of public ownership, and with various levels of involvement from citizens and workers. But out of this diversity a coherent picture nevertheless can be drawn: the movement for (re)municipalisation is growing and spreading, despite the continued top-down push for privatisation and austerity policies. 
Remunicipalisation refers to the return of public services from private to public delivery. More precisely, remunicipalisation is the passage of public services from privatisation in any of its various forms – including private ownership of assets, outsourcing of services and public-private partnerships (PPPs) – to public ownership, public management and democratic control. While our main focus in this research is on cases of return to full public ownership, the survey also includes cases of predominantly publicly owned services when the model is implemented with clear public values, to serve public objectives and when it contains a form of democratic accountability.
Een eerste les die daaruit valt te trekken is dat we kennelijk met zijn allen nog niet zo goed weten hoe we in het publieke domein de dienstverlening het beste kunnen organiseren. Dat is niet verwonderlijk, want we hebben als mensheid nog maar kort ervaring met de werking van de markt en van de overheid. En met hoe deze beide coördinatiemechanismen aansluiten op de natuurlijke vermogens en beperkingen van mensen.

De privatiseringsgolf was op het vermoeden gebaseerd dat mensen bij uitstek door de noodzaak van concurrentie met anderen en door het streven naar winst gemotiveerd worden. Maar de huidige renationaliseringsgolf lijkt erop te wijzen dat we die andere menselijke motivatie, die om bij te dragen aan de publieke zaak, om iets te doen voor het collectief, niet moeten verwaarlozen.

En dat is de tweede belangrijke les. Want door een publieke dienst te privatiseren en daarmee het signaal te geven dat vanaf nu vertrouwd wordt op de werking van het egoïstische concurrentie- en winstmotief, gooien we dat pro-sociale motief overboord. De wens om je voor het collectief, voor anderen, voor je "klanten", in te spannen wordt door dat signaal als het ware verdrongen. Denk aan dat proces van crowding out.

En misschien is die extra, pro-sociale inspanning nu juist erg nodig als het gaat om publieke dienstverlening. Ik moest denken aan het bezoek dat ik ergens eind jaren tachtig bracht aan een waterleidingbedrijf in het kader van een stagebegeleiding. Dat bedrijf moest weliswaar niet geprivatiseerd worden, maar wel commerciëler gaan werken. Dat hield onder meer in dat er uitkeringen zouden moeten worden verstrekt aan de aandeelhouders, dat wil zeggen de gemeenten. Gemeenten kregen daardoor een belang bij hogere uitkeringen. Het winstmotief zou moeten worden aangeboord.

Het hoofd personeelszaken, die later waarschijnlijk HR-manager is gaan heten, was sceptisch. Hij vertelde dat hij tot dan toe ervan uit kon gaan dat zijn personeel sterk gemotiveerd was door het publieke karakter van hun werk. Mensen moesten altijd kunnen rekenen op veilig drinkwater, dat stond voorop en dat rechtvaardigde de extra inspanningen die soms nodig waren. Hij vreesde dat het winstmotief die motivatie zou verzwakken.

Inzicht in dat proces van crowding-out zou wel eens te maken kunnen hebben met die renationaliseringsgolf die we nu meemaken.

En dat zou geheel in lijn zijn met onderzoek dat laat zien dat werkers in de publieke sector pro-socialer zijn dan in de marktsector. Denk aan Werkers in publieke sector zijn pro-socialer dan in bedrijfsleven en aan Mensen die er meer voor anderen willen zijn, werken meer in de publieke sector dan in de marktsector.

woensdag 3 mei 2017

De mistroostige wereld waarin de gezonden niet meebetalen aan de zieken en de rijken niet aan de armen

De Republikeinse Afgevaardigde van de staat Alabama, Mo Brooks, licht zijn afkeer van Obamacare toe met te verklaren dat je van gezonde mensen niet mag eisen dat ze meebetalen aan de kosten van medische behandeling van zieke mensen. Zie Republican Blurts Out That Sick People Don’t Deserve Affordable Care van Jonathan Chait.

Want volgens hem, en volgens het overheersende denken in zijn partij, is ziek of gezond zijn iets wat jezelf in de hand hebt. Als je de moeite neemt om gezond te leven, zul je niet ziek worden. En als je die moeite niet neemt, dan moet je zelf voor de gevolgen en dus voor de kosten opdraaien.

Het is een gedachte die al langer rondzingt in de kringen van de Amerikaanse conservatieven. Chait verwijst naar een citaat van een van hen, de libertariër John MacKey, waaruit tevens de link naar voren komt met het neo-liberalisme en de ideologie van de kleine overheid:
Rather than increase government spending and control, we need to address the root causes of poor health. This begins with the realization that every American adult is responsible for his or her own health.
Mensen die die verantwoordelijkheid niet nemen, moeten niet hun hand willen ophouden en vragen dat anderen, via belastingen en premies, aan de gevolgen daarvan meebetalen.

Amerika is inderdaad uitzonderlijk, in de zin dat dit sentiment er al langer heerst en meer dan in de meeste andere landen. (Maar in Duitsland kom je het tegen als de vaak door Schäuble aangehaalde wijsheid dat iedereen zijn eigen stoepje moet schoonhouden.)

John Kenneth Galbraith omschreef het als het concurrentiemodel van het publieke domein en de rol van de overheid daarin. In het bericht De anti-overheidsideologie door de geschiedenis heen: aan de hand van John Kenneth Galbraith haalde ik dit citaat uit 1952 aan:
Een hedendaagse verhandeling over de Amerikaanse economie concludeert dat de overheid door de progressieve inkomstenbelasting weloverwogen "zijn meest succesvolle burgers van zijn voortbrengselen berooft en ze toedeelt aan degenen met minder succes; op die manier bestraft de overheid de vlijt, de zuinigheid, de kundigheid en de efficiëntie en ondersteunt hij de luiheid, de verkwisting, de incompetentie en de inefficiëntie. Door de zuinigen te beroven, vernietigt de overheid de bron van het kapitaal, onderdrukt hij investeringen en het scheppen van banen en remt hij de industriële vooruitgang....".
En merk op dat George Lakoff dat model omschrijft als de moraliteit-van-de-strenge vader.

Met als tegenstelling de moraliteit-van-de-zorgzaamheid, die er juist van uitgaat dat wij ook in het publieke domein een verantwoordelijkheid voor elkaar hebben, die in de democratische overheid een uitingsvorm hoort te vinden.

Uit onderzoek blijkt dat die moraliteit-van-de-zorgzaamheid over het algemeen (gelukkig) de meeste aanhang heeft, zoals naar voren komend in de vorm van steun voor de verzorgingsstaat. Zie mijn Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Dat dat concurrentiemodel toch zo vaak de kop op steekt, zou te maken kunnen hebben met de intuïtie van de rechtvaardige wereld, de just-world hypothesis.

Die intuïtie is een overblijfsel van de jagers-verzamelaarssamenleving, waarin de hang naar rechtvaardigheid en wederkerigheid als vanzelfsprekend in de dagelijkse praktijk van het samenleven tot uitdrukking kon komen.

In de hedendaagse samenleving kan hij er echter toe leiden dat we individuele tegenslag, zoals ziekte, maar al te gauw zien als een aanwijzing voor in het verleden begane zonde. In die "maatschappijvisie" is ongeluk, net als geluk, altijd verdiend. Want de wereld is immers rechtvaardig.

Vandaar dat die Amerikaanse conservatieven er zoveel moeite mee hebben om de gezonden voor de zieken te laten betalen en de rijken voor de armen. De gezonden hebben hun gezondheid immers verdiend. En de rijken hun rijkdom.

Wat een mistroostige wereld komt daaruit naar voren.

vrijdag 21 april 2017

George Lakoff over morele intuïties in de politiek en over Trump. En over de Dual-Mode theorie

 
George Lakoff, eminent onderzoeker op het gebied van taal en morele intuïties, wordt geïnterviewd naar aanleiding van het verschijnsel Trump. Zie Read our full conversation with George Lakoff on "your brain on Trump"

Lakoff schreef het boek Moral Politics, waarin hij uitlegt hoe de morele intuïties over het publieke domein tussen links (progressives) en rechts (conservatives) verschillen.

In dat interview komen die twee morele intuïtie-pakketten nader aan de orde. Hij omschrijft ze als enerzijds de moraliteit-van-de-strenge-vader, de conservatieve intuïties waar Trump zo goed op weet in te haken, en anderzijds de moraliteit-van-de-zorgzaamheid, de progressieve intuïties waarin de emoties van zorgzaamheid uitbreiding krijgen naar anderen dan de eigen familie en in de overheid hun uitwerking dienen te vinden.

Lees even mee met Lakoffs omschrijving van de moraliteit-van-de-strenge-vader:
The main thing is that this is a natural thing that this is how the world should be how it is. And if you look at history, you will see that the strict fathers win. And you can take a look at who wins, and they win because they're right. That morality and authority go together, that the strict father knows right from wrong. So that if you want to see who's better than who, you look at who beat who. And so you have religion won out, you have God above man and you have, we have conquered nature, you have man above nature. We can take anything we want for our use. You have the strong above the weak. We need a strong army, and so on. You have the rich above the poor, who deserve it, because they're disciplined. The employers above employees, because they're richer. The adults above children in 21 states. Teachers and coaches can beat children with sticks if they don't just obey them and if they ever talk back. You have Western culture above non-Western culture. We won out. You have America above other countries, men above women, whites above non-whites, Christians above non-Christians, straights above gays. That hierarchy follows from one idea, not a bunch of different ideas. It's strict father morality as applied to all aspects of life.
En met de omschrijving van de moraliteit-van-de-zorgzaamheid:
There is what is called nurturant morality. That is, you care about other people in a family. Adults care about their children, you know, are honest with them. They try to talk directly with them and they have an answer to all their questions. They take care of them, they want them to be fulfilled in life and they want them to care about other people. And that comes out as a progressive moral view, which goes like this: that citizens care about other citizens, work through the government to provide resources, public resources for everybody starting with business. You can't have a business if you don't have streets and roads and airports and sewers and, you know, science like computer science developed by the NSF and so on. All the current technology was developed and maintained by the government. And that isn't the government, it's the people, it's the public. The private depends on the public. And that's something that Republicans don't want to understand, that if you have strict father morality, then you did it all. It's personal responsibility. But the fact is that you didn't do it all, that you got a lot of it from the public.
 Hoe verhouden die twee intuïtie-pakketten zich tot elkaar? Lees daarover:
And one of the major things you have to know is that people are not just all one or the other. Most people are what I call bi-conceptual. Most conservatives have some progressive views about some things or other, most progressives have some conservative things about some things or other, perhaps business or whatever. And there are people who are both. In the brain, that means you have both moral systems mainly used for one thing but not the other. But they are what are called "mutually inhibitive." That is, the activation of one turns off the other.
Lees verder vooral dat hele interview. En natuurlijk dat boek, waarvan vorig jaar de derde druk is verschenen.

Ik lees dit alles met grote instemming. Dat ligt er natuurlijk aan dat deze gedachten sterk overeenkomen met wat ik de Dual-Mode theorie heb genoemd, waarin ik het gemeenschapspatroon onderscheidt van het statuscompetitiepatroon. Zie hier alle blogberichten tot nu toe achter dat label. De moraliteit-van-de-strenge-vader overlapt sterk met het statuscompetitiepatroon en de moraliteit-van-de-zorgzaamheid met het gemeenschapspatroon.

In het bericht Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken. En over de Dual-Mode theorie omschreef ik die theorie als bestaande uit de volgende twee stellingen:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen. (Speltheoretisch gezien gaat het om frequentie-afhankelijke strategieën.)
Bij Lakoff gaat het er vooral om hoe progressieven en conservatieven in de politiek met elkaar communiceren. Of er maar beperkt in slagen om dat te doen.

Volg hier een prachtig college van Lakoff uit 2005: George Lakoff: Moral Politics. En zie hier een recent interview met hem over Trump: George Lakoff on Trump's moral challenge to liberals.
Update. Zie ook het bericht Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein.

dinsdag 18 april 2017

Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen

De Verenigde Staten hebben met Donald Trump een president aan de macht die om verschillende redenen voor dat ambt ongeschikt is. In ieder geval een van die redenen is dat hij meestal niet weet waarover hij praat. Hij voerde campagne met een eenvoudig wereldbeeld, door Matthew Yglesias (Donald Trump’s big problem is he doesn’t know what he’s talking about) omschreven als
Trump’s basic worldview, as articulated on the campaign trail, was that all the major dilemmas of American public policy had easy solutions. The reason the problems had not been solved already was that America’s political leaders were too stupid, too corrupt, or too “politically correct” to solve them.
This is a reasonably widespread view of things among the mass public, but as Trump has been discovering since taking office, it’s not true.
Nu hij in de positie terecht is gekomen waarin hij niet kan volstaan met praten en tweeten, ontdekt hij dat de wereld anders en ingewikkelder in elkaar zit. Yglesias noemt drie in het oog springende voorbeelden van zulke ontdekkingen:
Als hij wat minder onsympathiek was geweest, zou je de naïviteit, die maakt dat hij meestal het standpunt inneemt van zijn laatste gesprekspartner, nog wel ontwapenend kunnen vinden.

Maar hoe dan ook, het is natuurlijk verbijsterend dat iemand die zo overduidelijk van niets weet door kiezers in het zadel kan worden gehesen.

Toch is dat verschijnsel niet uniek. Want ook in Europa, en dus ook in Nederland, hebben we leiders aan de macht die slecht geïnformeerd zijn over hoe je op een economische crisis moet reageren en over hoe je een muntunie moet organiseren. Vandaar dat ik verzuchtte dat we in Europa een sekte aan de macht hebben: Als je door een sekte geregeerd wordt, dan loopt dat niet goed af.

En in Groot-Brittannië hebben slecht geïnformeerde kiezers een regering aan de macht gebracht die met Brexit een beleid uitvoert dat niet kan waarmaken wat de Brexiteers beloofden en dat slecht voor het land zal uitpakken.

Als je bedenkt dat slecht geïnformeerde leiders zijn gekozen door slecht geïnformeerde kiezers, dan vraag je je af hoe het komt dat kiezers zo slecht geïnformeerd zijn.

En dan kom je onvermijdelijk terecht bij de rol van de media. Wat zich dan wel erg opdringt, is dat die hun werk slecht doen. De Brits-Amerikaanse journalist Harold Evans heeft het daarover in het interview dat vorige week verscheen: ‘Slechte journalisten hebben Trump groot gemaakt’:
Harold Evans wil op een warme lentemiddag praten over de beroerde staat van zijn vak. Slechte journalistiek, zegt hij, heeft Donald Trump groot gemaakt. Slechte journalistiek heeft de Brexit in gang gezet. „It stinks. De Angelsaksische journalistiek is gecorrumpeerd door geld en machtshonger. De pers dient een politiek doel, of het commerciële belang van de eigenaren. Het publieke belang is ondergeschikt gemaakt. Ik heb het zelf zien veranderen. Ik ben geen journalist geworden om rijk te worden.”
In dezelfde richting beklaagt de Engelse macro-econoom Simon Wren-Lewis zich al langer over de Britse media, de tabloids en de BBC. Hier lees je de laatste aflevering: When journalism becomes propaganda.

En, o ja, lees vooral ook Jesse Frederik over de "de alternatieve werkelijkheid waarin Nederlandse politici en journalisten zijn terechtgekomen" waarin Jeroen Dijsselbloem als de redder (in plaats van als de slager) van Griekenland wordt beschouwd: Als je nog steeds denkt dat Jeroen Dijsselbloem Griekenland heeft geholpen, lees dan dit.

Nu is het klagen over de media van alle tijden, maar misschien is er nu toch meer aan de hand. Want het is onderdeel van de neoliberale golf waarin we zijn terechtgekomen om te denken dat je de media kunt overlaten aan de commercie. De markt is overal goed voor en zal er dus ook wel voor zorgen dat de burgers goed worden geïnformeerd over het publieke domein.

Dat is een ernstige misvatting. Media overlaten aan de markt heeft in feite betekend dat de mediamagnaten het heft in handen hebben genomen. En die hebben hun eigen belangen.

En zijn zo machtig geworden dat ze niet alleen de berichtgeving en de politieke commentaren naar hun hand zetten, maar ook rechtstreeks de politici beïnvloeden.

En nog los daarvan, heeft de commercialisering van de media in de hand gewerkt dat er een omvangrijke amusementsindustrie kon ontstaan. Een bijkomend effect daarvan is dat de indruk wordt gewekt dat het ook helemaal niet nodig is om je goed te informeren. Wat weer de ruimte creëerde voor de populist die gemakkelijke oplossingen aandraagt en die de verpersoonlijking is van dat amusement en van de alternatieve feiten.

Aanwijzingen voor de invloed van amusementstelevisie op populistisch stemgedrag komen naar voren uit onderzoek waarover hier gerapporteerd wordt: People who watch entertainment TV are more likely to vote for populist politicians.
Update. Slechte geïnformeerdheid verhoogt niet alleen de kans op slecht geïnformeerde leiders maar meer in het algemeen ook de kans op sociale zeepbellen. Zie Sociale zeepbellen in economie en politiek.

maandag 7 november 2016

Goedbeschouwd kunnen we niet verbaasd zijn over de toename van narcisme en populisme in de politiek

Hoe de opkomst van het populisme, en van het narcisme waar het de uitingsvorm van is, te verklaren? 

Dat vraag je je natuurlijk af aan de vooravond van de Amerikaanse presidentsverkiezingen, waarin Donald Trump, misschien de grootste narcist in de politiek na Adolf Hitler, een kans maakt om president te worden van het machtigste land ter wereld. Maar ook vraag je je dat af als je het slagveld van de Europese politiek overziet, de treurigstemmende toestand die door de maar voortdurende rampzalige bezuinigingspolitiek is voortgebracht. En dan hebben we het nog niet over wat zich aan de randen van ons continent afspeelt, in Turkije en Rusland.

Misschien moet je om een verklaring te vinden zowel kijken naar de aanbodkant als naar de vraagkant van de politieke markt.

Aan de aanbodkant zie je de opkomst van de narcisten die leider willen worden of het al zijn. Het zijn die politici die claimen als enige het ware volk te vertegenwoordigen. Die fantaseren over een volk dat hen bewondert en bewierookt. Die in de strijd om de volksgunst te winnen geen anderen naast zich, laat staan boven zich, kunnen verdragen. En die daarom bereid zijn de democratie de nek om te draaien als dat hen beter uitkomt.

Hoe kan het dat zich ineens zoveel narcisten in de politiek aandienen? Het publieke domein, dat van de politiek, de massamedia en de sociale media, lijkt het ideale werkterrein voor de narcist. Maar dat was het eerder ook al en verklaart dus niet de recente opkomst.

Kan het zijn dat het een gevolg is van de toename van narcistische trekken onder de gehele bevolking? Van het narcistische reservoir?

Er zijn aanwijzingen voor zulk een toename op grote schaal. Denk aan The Narcissism Epidemic van Twenge en Campbell. Als die toename er echt is geweest en als narcisten meer dan gemiddeld gemotiveerd zijn om in het publieke domein te opereren, dan kun je verwachten dat de effecten daarvan in dat publieke domein dubbelop waarneembaar zullen zijn.

Wie weet, zit daar iets in. Maar er is ook nog de vraagkant. De kant dus van de kiezers die hun stem uitbrengen.

Als je bedenkt dat narcisten die aan de macht willen komen, niet kieskeurig zijn wat de middelen aangaat om hun doel te bereiken, dan vraag je je af hoe kiezers daar dan over zullen oordelen.

Neem de lange lijsten met leugens waar Trump zich gedurende zijn campagne van heeft bediend. De meest recente opsomming daarvan die ik tegenkwam is hier te vinden: Trump has made almost 500 false claims in last 7 weeks: report. En kijk eens op de website Trump Lies. (En let even op de overeenkomsten met Hitler, die als motto had dat een leugen eerder wordt geloofd hoe groter hij is en hoe vaker hij herhaald wordt.)

Je zou toch denken dat kiezers niet gecharmeerd zijn van een politicus die alles bij elkaar liegt. Maar het bericht ‘Low information voters’ are a crucial part of Trump’s support vandaag in de Washington Post zet je dan aan het denken. Ik citeer daaruit:
Our research finds that Trump has attracted a disproportionate (and unprecedented) number of “low-information voters” to his campaign. Furthermore, these voters are more likely to respond to emotional appeals — whether about the economy, immigration, Muslims, racial relations, sexism, and even hostility to the first African American U.S. president, Barack Obama. They are the ideal constituency for a candidate like Trump.
We define low-information voters as those who do not know certain basic facts about government and lack what psychologists call a “need for cognition.” Those with a high need for cognition have a positive attitude toward tasks that require reasoning and effortful thinking and are, therefore, more likely to invest the time and resources to do so when evaluating complex issues. Those with a low need for cognition, on the other hand, find little reward in the collection and evaluation of new information when it comes to problem solving and the consideration of competing issue positions. They are more likely to rely on cognitive shortcuts, such as “experts” or other opinion leaders, for cues.
Dat wijst op de mogelijkheid van een toename van de groep van slecht geïnformeerde kiezers als een verklaring voor de toegenomen "vraag" naar liegende politici. De speelruimte voor narcistische leugenaars neemt natuurlijk toe als meer kiezers niet meer het verschil kunnen vaststellen tussen wat waar is en wat niet waar is.

Zou die groep van slecht geïnformeerde kiezers inderdaad zijn toegenomen? Ja, dat lijkt waarschijnlijk.

Want kiezers halen hun informatie oftewel uit de massamedia oftewel uit de sociale media. En de massamedia zijn vergaand vercommercialiseerd en daardoor veel meer gericht op amusement dan op informatie. In een democratie is goede informatieverstrekking een publiek goed en we weten dat een publiek goed niet door de markt tot stand komt.

Net zo weten we dat de sociale media onderhevig zijn aan het mechanisme dat iedereen, als hij al op zoek is, zoekt naar bevestiging van de eigen mening. Die confirmation bias verhindert dat mensen zich goed informeren, ondanks dat ze nooit eerder in de geschiedenis zo gemakkelijk toegang hadden tot een zo breed scala aan kennis en inzichten.

Het is juist andersom: doordat het vinden van bevestiging zo gemakkelijk is geworden, zien we polarisatie en extremisme toenemen. Zie dat mooie boek Going To Extremes van Cass Sunstein.

Goed beschouwd kunnen we dus eigenlijk niet verbaasd zijn over die toename van narcisme en populisme in de politiek.

donderdag 27 oktober 2016

Is populisme de uitingsvorm van narcisme in het publieke domein? - Jan-Werner Müller over populisten (en technocraten!)

Narcisme is een persoonlijkheidseigenschap die altijd wel in zekere mate in de populatie aanwezig is. Maar de kans dat die eigenschap tot uiting komt in gedrag, lijkt er van afhankelijk of een en ander zich afspeelt in het domein van de persoonlijke relaties dan wel in het publieke domein.

Verkerend in de sfeer van persoonlijke relaties kan het gedrag van narcisten vaak door anderen in toom worden gehouden. Als ze schade aanrichten, dan is dat als de relaties wisselend zijn. Door hun oppervlakkige charme weten ze gemakkelijk aandacht te trekken en relaties aan te gaan, maar na verloop van tijd krijgen anderen door wat voor vlees ze in de kuip hebben. Zo kunnen narcisten soms een spoor van slachtoffers achter zich laten.

Daartegenover is het publieke domein, dat van de onpersoonlijke relaties die zich vooral via de omweg van de media voltrekken, veel meer bij uitstek het werkterrein van de narcist. De narcist kan daar een nationale bekendheid worden, een celebrity, en zelfs aan de top belanden van statushiërarchieën in bedrijfsleven en politiek. Niet alleen door die eigenschap van oppervlakkige charme, maar vooral ook doordat hij anderen naast zich of boven zich zo slecht kan verdragen dat de motivatie om aan de top te komen grenzeloos is.

Dat de narcist bovenal dat publieke domein nodig heeft, verklaart precies dat het fenomeen van de narcistische leider de mensheidsgeschiedenis is binnengekomen met het ontstaan van de landbouwsamenlevingen en van de statushiërarchieën (keizerrijken, vorstendommen) die daarmee ruim baan kregen. Zie Waarom een staatsgod? Over statushiërarchie en narcisme.

Vandaag de dag hebben we te maken met een publiek domein dat sterk beheerst wordt door informatiestromen via de massamedia en de sociale media. En het lijkt alsof narcisten daardoor extra worden geprikkeld om in dat domein actief te worden. Ze leven er hun grandioze zelfbeeld uit en hun behoefte aan bewondering en bevestiging van dat zelfbeeld. Onderdeel van dat gedrag is de zucht tot belediging en vernedering van iedereen die hen daarbij in de weg staat.

Goed, zie voor meer daarover de berichten op dit blog over narcisme, zoals Foute leiders vergeleken. Over narcisten aan en op weg naar de macht. En over Geert Wilders, PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme en Donald Trump en andere narcisten in de politiek - en over waarom ze hun exposure moeten controleren.

Je komt natuurlijk gemakkelijk op de gedachte dat die grote rol van narcisten in de politiek zich slecht verdraagt met de democratie. Jan-Werner Müller, hoogleraar politieke wetenschappen aan de Universiteit van Princeton en auteur van  What is Populism?, laat zich daarover uit in het interview dat Der Spiegel deze week met hem heeft ("Wer gehört zu uns?").
Jan-Werner Müller kwam op dit blog al in 2012 voorbij (zie Wat de populisten werkelijk gemeen hebben. Mooie analyse van Jan Werner Müller.)
Dat interview gaat over populisme, maar het wordt meteen duidelijk dat populisme en narcisme nauw verwant zijn. Müller:
Populisten sind in der Tendenz gefährlich für die Demokratie. Nicht notwendigerweise wegen ihrer Positionen: Über die richtige Flüchtlingspolitik kann man streiten. Populisten aber erheben den Anspruch, als einzige das wahre Volk zu vertreten. Mittwettbewerber um die Macht und alle Bürger, welche die Populisten nicht unterstützen, werden verteufelt. Das macht sie für Demokraten unwählbar.
Over de AfD (Alternative für Deutschland):
Jetzt aber behaupten führende Afd-Politiker, die übrigen Parteien bestünden aus Volksverrätern und Deutschland sei eine Kanzlerin-Diktatur. Diese totale moralische Disqualifizierung der politischen Gegners und der Anspruch das wahre deutsche Volk zu vertreten, machen die Afd populistisch und bedenklich.
En over Donald Trump:
Er sieht sich als Vertreter des echten amerikanischen Volkes. Das einzige, was zählt, (...), sei die Vereinigung des Volkes; um alle, die für ihn nicht dazugehören, braucht man sich nicht zu kümmern. Ausserdem ist es typisch für Populisten, das sie wie Trump nicht zugeben, dass sie verlieren können - stattdessen versuchen sie, das ganze politische System zu diskreditieren, indem sie ihren Anhängern suggerieren, Wahlen würden manipuliert.
En verderop in het interview wijst hij op de interessante overeenkomst tussen de technocratische en de populistische politicus:
Der Technokrat behauptet, es gibt nur eine vernunftige Lösung. Der Populist sagt, es gibt nur einen wahren Volkswillen. Beide sind Antipluralisten, für die ein demokratischer Austausch von Argumenten gar nicht stattfinden muss. Technokratie en Populismus bestärken sich gegenseitig - und zwischen beiden wird der Parlementarismus aufgerieben.
Kortom, lees dat interview! Je moet er wel even de papieren Der Spiegel voor kopen.

dinsdag 6 september 2016

Wat is het echte onderscheid tussen de progressief/linkse en de conservatief/rechtse morele intuïties?

Gedurende het opgroeien in het sociale domein van de persoonlijke relaties (familie, vrienden), leren mensen morele intuïties aan. Die intuïties beïnvloeden ons gedrag. Maar doordat wij in een maatschappij leven met naast dat persoonlijke domein ook het publieke domein, is de mate en de richting van beïnvloeding niet vanzelfsprekend.

Volgens de Moral Foundations Theory (MFT) van Jonathan Haidt en anderen kun je in het menselijke morele spectrum zes morele intuïties onderscheiden, die elk met twee tegenstellingen van "goed" tegenover "kwaad" kunnen worden gekarakteriseerd:
  • zorgen/leed toebrengen
  • rechtvaardig zijn/anderen bedriegen 
  • vrijheid van anderen respecteren/anderen overheersen 
  • loyaal zijn/anderen verraden
  • gezag aanvaarden/gezag ondermijnen
  • heiligheid respecteren/heiligheid onteren
Volgens diezelfde theorie beïnvloeden die intuïties ons politieke denken, het denken dus over de juiste inrichting van het publieke domein.

Maar er is differentiatie. Want in dat politieke denken is er het onderscheid tussen "progressief/links" en "conservatief/rechts". En de MFT-onderzoekers menen te hebben aangetoond dat het progressief-linkse denken zich concentreert op zorg voor elkaar, op rechtvaardigheid en op vrijheid, terwijl het conservatief-rechtse denken het hele spectrum van intuïties bestrijkt. Dat zou verklaren dat conservatief-rechts progressief-links wel begrijpt en dat dat andersom niet het geval is.

Of dat zo is? In het bericht Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein betoogde ik dat je, uitgaande van de Dual Mode-theorie, zou zeggen dat het onderscheid tussen de gemeenschapsintuïties (de eerste vier) en de statuscompetitie-intuïties (de laatste twee) meer voor de hand ligt. Volgens dat onderscheid zou progressief/links het publieke domein als een gemeenschap willen inrichten en zou conservatief/rechts van oordeel zijn dat daar de statuscompetitie zijn werk moet doen.

De uitkomsten van de pas verschenen studie Replacing the Moral Foundations: An Evolutionary-Coalitional Theory of Liberal-Conservative Differences lijken in dezelfde richting te wijzen. Ik citeer:
We here provide evidence reinterpreting the Harm and Fairness scales as reflecting a universalizing motive and evidence suggesting Authority, Ingroup, and Purity scales reflect an authoritarian motive. Additionally, we provide evidence of a third dominating motive structuring conservatism.
Kort gezegd: er is een progressief/links denken dat de gemeenschapsintuïties in het publieke domein voor iedereen geldigheid behoren te hebben (universalisme) en er is een conservatief/rechts denken dat onderscheid maakt tussen ingroup en outgroup en dat gezag, heiligheid (zuiverheid) en overheersing (hiërarchie) voorop stelt. En dat laatste is het thema van de statuscompetitie en statushiërarchie, binnen de groep en tussen groepen.