Hoe verder je vordert in Judith Koelemeijers biografie Etty Hillesum, Het verhaal van haar leven, hoe moeilijker het wordt om door te lezen. Want je weet hoe dat leven afloopt en je huivert alleen al bij de gedachte daaraan, laat staan bij de beschrijving ervan. Hier het vorige bericht.
Etty was op 6 juni 1943 opnieuw in Westerbork aangekomen. (Ik realiseer me dat ik drie dagen eerder werd geboren, in het Friese Akkrum, op 56 kilometer afstand van Westerbork. Het voelt alsof dat de gebeurtenissen dichterbij brengt. Het was noch naar ruimte noch naar tijd ver weg.) Etty was Joodse Raad-medewerkster en had een paar maanden "met verlof" thuis in Amsterdam doorgebracht. Op dinsdagochtend 8 juni was ze er getuige van dat een "transport" van 1350 vrouwen, 613 mannen en 1051 kinderen, dat een paar uur eerder uit kamp Vught was aangekomen, verder werd gedeporteerd (p. 399-400):
Etty had een rustig plekje gevonden in een uithoek van het kamp om te schrijven. Ze zat in de zon, onder een prachtig blauwe hemel, tussen wat laag struikgewas. De trein was volgeladen, de deuren gingen dicht. Ze klom op een kist om het aantal wagons te tellen en kwam tot 35, maar ze vergiste zich. In werkelijkheid waren het er liefst 46; het grootste transport van Joden uit Nederland. Uit de openingen in de wagons staken handen, "die zwaaiden, net als bij drenkelingen'. De bestemming was Sobibor in Oost-Polen - maar dat wisten ze nog niet.
"De locomotief geeft een vreselijke gil, het hele kamp houdt de adem in, er vertrekken weer 3000 Joden. (...) De lucht is vol vogels, de paarse lupinen staan daar zo vorstelijke en vredig, op die kist zijn twee oude, keuvelende vrouwtjes gaan zitten, de zon schijnt op m'n gezicht en vlak voor onze ogen geschiedt een massamoord, het is zo onbegrijpelijk alles."
---
Massamoord, schreef Etty. Alsof ze wist dat niemand van de gedeporteerden het vernietigingskamp Sobibor zou overleven. Maar zo duidelijk was het voor Etty niet, óók niet in de zomer van 1943. Ze begreep wel dat de zwakkeren - zieke kinderen, bejaarden - weinig kans maakten de dagenlange treinreis of de ongetwijfeld barre omstandigheden in het 'werkkamp' te overleven."Verschillende baby's met longontsteking liggen daar in de goederenwagens," noteerde ze ontzet. Maar dat er in het oosten werkelijk een massamoord plaatsvond, een industriële vernietiging van mensenlevens, daarvan had ze geen idee.
De bange vermoedens die er natuurlijk waren, moeten zijn verdrongen. Etty heeft het over een "werkkamp" waar ze terecht zullen komen. Met ontberingen, maar misschien toch een kans om te overleven.
"Reeds honderdduizend van onze rasgenoten uit Holland zwoegen onder een onbekende hemel of liggen te rotten in een onbekende aarde. Wij weten niets over hun lot."
Dat laatste zinnetje werd de titel van het in 2012 verschenen 'Wij weten niets van hun lot'. Gewone Nederlanders en de Holocaust van Bart van der Boom. In 2022 is het heruitgegeven, maar ik heb een paar dagen geleden de uitgave uit 2012 via boekwinkeltjes.nl aangeschaft.
Bart van der Boom probeert daarin aan de hand van bestudering van 164 dagboeken uit de tijd van de bezetting de vraag te beantwoorden wat de Nederlanders wisten van de Holocaust, dus van die industriële massamoord op de Joden (en de Sinti en de Roma). Ik heb het in die paar dagen natuurlijk nog niet helemaal kunnen lezen (het telt ruim 500 pagina's). Maar in de laatste twee alinea's van hoofdstuk 11 (Kennis; gewusst?) geeft Van der Boom zelf deze samenvattende conclusie:
De gewone Nederlander wist niets over het lot van de Joden. Maar hij vermoedde, veronderstelde, vreesde wel iets. Hij bezat geen zekerheid, maar wel een verwachting. En die verwachting viel binnen een duidelijke bandbreedte. Aan de en kant werd die begrensd door de werkelijkheid van Auschwitz en Sobibor. Die was voor de tijdgenoot onvoorstelbaar. De meeste mensen overwogen de mogelijkheid van onmiddellijke, industriële moord niet eens; ze verwachtten, zo is wel gezegd, het ergste - niet het ondenkbare.
Maar dat betekent niet dat de gewone Nederlander de leugens van reguliere arbeidsinzet geloofde; die leugen vormde de andere grens van de bandbreedte. Niemand zag de deportatie van de Joden als een onschuldige operatie. Dat zij slecht behandeld zouden worden, dat er op termijn veel doden zouden vallen, was vanzelfsprekend. De vraag was hóé slecht, hoevéél doden en op wélke termijn. Dat was allemaal hoogst onzeker.
Wat hier ongetwijfeld een cruciale rol heeft gespeeld, is die van de onvoorstelbaarheid. Dat is ook de titel van een paragraaf van dat hoofdstuk (p, 383-383). Gevolgd door een paragraaf met Verdringing als titel. Die twee begrippen grijpen in elkaar.
Die onvoorstelbaarheid komt voort uit de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur. Als het gemeenschapspatroon actief is, dan kunnen we ons de uitwassen van het statuscompetitiepatroon (het kwaad) niet dan met grote moeite of zelfs helemaal niet en al helemaal niet levendig voor de geest halen. Het is onvoorstelbaar. Het is hoogstens een besef van een abstracte mogelijkheid, waar we inderdaad met verdringing op reageren.
Dat betekent dat er naast de gewenning aan het kwaad, als het met kleine stapjes tot ons komt, ook altijd een proces is van de onderschatting van het kwaad.
Want als de uitwassen van het statuscompetitiepatroon sterk gedoseerd onder onze aandacht worden gebracht, dan kan dat ertoe leiden dat ons eigen statuscompetitiepatroon beetje bij beetje wordt geactiveerd. Het kwaad wordt "genormaliseerd". We leggen ons erbij neer en proberen er onder de gegeven omstandigheden voor onszelf het beste van te maken.
Beide processen, de gewenning aan en de onderschatting van het kwaad zullen een rol hebben gespeeld in hoe Nederlanders reageerden op de Duitse bezetting en de Jodenvervolging. Hier het volgende bericht.