Posts tonen met het label hubris. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hubris. Alle posts tonen

maandag 9 november 2015

De dimensies van statuscompetitiegedrag - en de samenhang met depressie, angststoornis en manische symptomen

Het menselijke sociale gedrag kent twee patronen, dat van de statuscompetitie en dat van het gemeenschapsgedrag. In het verre verleden, in de Paleo Sociale Omgeving, waren mensen doordat ze in kleine groepen leefden in staat om het statuscompetitiegedrag sociaal te onderdrukken. Het was nodig om samen te werken en om voedsel te delen en dan kon je egoïsme, profiteursgedrag en meer willen dan een ander niet gebruiken.

Maar in onze huidige maatschappij is statuscompetitie veel moeilijker te onderdrukken en komt het dus ook veel meer voor. Ieder van ons moet leren daar mee om te gaan of heeft dat min of meer geleerd. Over wat dat bijvoorbeeld voor adolescenten betekent, zie de berichten De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait.

Allerlei nadelige effecten van statuscompetitiegedrag zijn bekend. Een cultuur van statuscompetitie leidt tot meer geweld, depressie en suïcide. Statuscompetitiegedrag verhoogt het stressniveau (allostatische overbelasting), maakt minder pro-sociaal, verhoogt de kans op pesten, evenals de kans op fraude en bedrog en de kans op futloosheid, vermoeidheid en hoofdpijn.

Er is nu nieuw onderzoek, The dominance behavioural system: A multidimensional transdiagnostic approachdat statuscompetitiegedrag weet te onderscheiden in verschillende dimensies en laat zien hoe die samenhangen met psychopathologie, in het bijzonder met depressie, angststoornis en manische symptomen. De resultaten van het onderzoek, onder studenten van een Amerikaanse universiteit, vatten de onderzoekers samen in onderstaande figuur.



Die zes dimensies van statuscompetitiegedrag vind je in de linkerkolom. Ik geef van elk een korte aanduiding.

Studenten die hoog scoorden op authentic pride wilden (o.a.) presteren, streefden succes na en hadden een hoge zelfwaardering.

Zij die hoog scoorden op hubris (hoogmoed) waren egoïstisch, arrogant, zelfgenoegzaam en ijdel.

Een hoge mate van discomfort in leadership betekende dat je geen leiderschapspositie nastreeft en vermijdt om macht uit te oefenen. Een hoge score op deze dimensie betekent een lage geneigdheid tot statuscompetitiegedrag.

Hoog scoren op cooperation houdt in dat je bereid bent naar anderen te luisteren, dat je bereid bent tot compromissen en dat je graag samenwerkt. Ook hier betekent een hoge score een lage geneigdheid tot statuscompetitie.

Hoog scoren op influence betekent dat je je in staat acht om anderen ergens van te overtuigen, dat je je zin kunt doorzetten en dat er naar jou wordt geluisterd.

En tenslotte betekent ruthless ambition dat je alles doet om hogerop te komen en dat hogerop komen voor jou belangrijker is dan loyaal zijn aan anderen.

In de figuur zie door middel van de getekende pijlen welke dimensies samenhangen met manische symptomen, depressie en angststoornis.

Wat meteen opvalt is dat hoogmoed sterk samenhangt met elk van de drie psychische problemen. Als statuscompetitie aanzet tot hoogmoedigheid, wat zo is, dan is dat een weg waarlangs de statuscompetitie in onze maatschappij bijdraagt tot psychopathie.

Daartegenover staat dat een authentiek gevoel van trots, willen presteren en geloof in jezelf hebben, juist de kans op zowel manische symptomen, depressie en angst verminderen.

Ook voor overtuigingskracht (influence) geldt dat het de kans op depressie en angststoornis vermindert. Bedenk daarbij dat een geringe overtuigingskracht staat voor het hebben van een lage status en voor de neiging tot onderwerping en onderdanigheid. En die laatste neiging ('ik heb toch niets in te brengen", "naar mij wordt toch niet geluisterd") blijkt dus de kans op depressie en angststoornis te verhogen.

Tenslotte zie je het verband van de meedogenloze ambitie met de kans op manische symptomen.

Het ontbreken van pijlen bij het wel of niet nastreven van leiderschap en het wel of niet bereid zijn tot samenwerken wijst er op dat hier geen samenhang met psychopathie werd gevonden.

Samengevat zijn het dus vooral de hoogmoed, de meedogenloze ambitie en de onderworpenheid/onderdanigheid die maken dat statuscompetitiegedrag een bijdrage levert aan psychopathie. De andere drie dimensies zijn wat dit aangaat onschuldiger.

Er zijn wel wat beperkingen aan dit onderzoek. Zo ontbreken andere vormen van psychopathie, zoals narcisme en de anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. En er is natuurlijk het bezwaar van de specifieke onderzoeksgroep: studenten. Je zou je bijvoorbeeld kunnen voorstellen dat een geringe bereidheid tot samenwerking je nog niet opbreekt zolang je als student door het leven gaat. Maar dat dat anders wordt als je later in een arbeidssituatie terecht komt.

vrijdag 4 oktober 2013

Waardoor komt hoogmoed vaak eerst aan de top voor hij voor de val komt?

Hoogmoed als persoonseigenschap is een combinatie van narcisme, antisociale persoonlijkheidsstoornis en excessief zelfvertrouwen en zelfoverschatting. Maar het is een eigenschap die niet in elke sociale omgeving kan gedijen.

Volgens Owen en Davidson (pdf) is het zelfs een eigenschap die zich kan ontwikkelen als de persoon in een machtspositie terechtkomt waarin hij/zij weinig tot geen weerwerk ondervindt en, mede daardoor, die positie gedurende lange tijd kan uitoefenen. Dat betekent dat hoogmoed het resultaat is van een sociaal proces, namelijk de ontwikkeling van een statushiërarchie. En dat betekent weer dat niet alleen de hoogmoedige verantwoordelijk is voor het bereiken van de top, maar dat die verantwoordelijkheid gedeeld wordt met alle anderen die die hiërarchie hebben laten ontstaan. Hoogmoed aan de top is de uitkomst van een sociaal proces.

Hoe kan het dat mensen dat sociale proces zich laten voltrekken? Dat heeft er mee te maken dat we niet meer een samenleving hebben zoals die van de Paleo Sociale Omgeving. In die omgeving van egalitaire, persoonlijke relaties was de aanwezigheid van weerwerk altijd gegarandeerd. Hoogmoedig gedrag en daarmee het opeisen van voorrechten en het profiteren van anderen werd collectief onder de duim gehouden. De onderlinge afhankelijkheid maakte dat noodzakelijk. En zo werd de opkomst van een statushiërarchie voorkomen.

Sinds de ontwikkeling van agrarische maatschappijen werkt dat sociale mechanisme niet meer. Zo konden koninkrijken en ongelijkheid, onderdrukking en slavernij ontstaan. Sinds de Industriële Revolutie en de daarmee toegenomen vraag naar menselijk kapitaal proberen we door algemeen kiesrecht, democratie en grondrechten een maatschappelijk stelsel te bouwen waarin dat weerwerk weer zoveel mogelijk institutioneel gewaarborgd is. Alleenheerschappij moet door de gegarandeerde aanwezigheid van countervailing powers (John Kenneth Galbraith) worden voorkomen. Niet alleen in de nationale staat, maar ook in organisaties en in de internationale wereldorde.

Maar dat lukt maar beperkt. Organisaties kunnen door hoogmoedig geworden leiders te gronde worden gericht. En democratieën kunnen hoogmoedige leiders voortbrengen die pas ten val komen als veel schade al is aangericht (Thatcher, Blair, Bush Jr.) of als ze de democratie hebben ingewisseld voor een persoonlijke dictatuur, een nationale statushiërarchie (denk aan het Hitler-bewind).

Wat mij betreft lijkt het er op dat het sociale proces waardoor hoogmoed aan de top komt, veel overeenkomst vertoont met de ontwikkeling van een sociale zeepbel. En sociale zeepbellen ontstaan in het publieke domein, waarover we altijd maar gebrekkig geïnformeerd zijn. We zijn als burgers maar heel beperkt in staat om ons een oordeel te vormen over wat het beste overheidsbeleid is. Er is een ontzagwekkend informatietekort en dat geldt zelfs voor politici. Toch moeten er besluiten worden genomen.

Dat zijn de voorwaarden waaronder gemakkelijk sociale zeepbellen ontstaan. Een bepaalde opvatting, bijvoorbeeld die dat bezuinigen in een recessie een goed idee is, lijkt op een bepaald moment net iets serieuzer dan andere. En krijgt wat meer aanhang, waardoor anderen worden beïnvloed om zich er ook achter te scharen. De sociale beïnvloeding doet de rest.

Maar hetzelfde proces kan zich afspelen als het er om gaat de beste leider te selecteren. We hebben geen idee, maar iemand die net iets serieuzer overkomt dan anderen, en vooral: die zeker van zichzelf is, krijgt al gauw wat aanhang. En die breidt zich door sociale beïnvloeding uit. In de trant van: als iemand zoveel aanhang heeft, dan moet daar toch wel iets in zitten? Zo kan een narcist aan de macht komen en een keer aan de top fataal hoogmoedig worden.

Als je de geschiedenis in ogenschouw neemt, dan ga je wel eens denken: het is maar zó gebeurd. Niet een opwekkende gedachte. Daarom: blijven opletten!

Update. Zie vandaag ook Chris Dillow's Mistaking Power For Virtue voor een verwant betoog.

donderdag 3 oktober 2013

Het taalgebruik van de hoogmoed - waar je op moet letten

In vervolg op het vorige bericht: waar moet je nu precies op letten om het taalgebruik van de hoogmoed (hubris) te onderkennen? Laten we kijken naar wat die twee studies die ik in dat bericht noemde, daar over te zeggen hebben.

De studie Linguistic biomarkers of Hubris syndrome  leidt uit die 14 symptomen van hoogmoed de kenmerken van het bijbehorende spraakgebruik af. Dat leidt tot de volgende lijst:
  1. Het vaak gebruiken van de derde persoon (hij/zij, zijn/haar), van het koninklijke wij en van de eigen naam  in gevallen waarin je gewoon het persoonlijk voornaamwoord (ik, mijn) zou verwachten. Denk aan Thatchers beroemd geworden speech met de uitspraak "The Lady is not for turning".
  2. Het vaak gebruiken van woorden als "zeker", "ongetwijfeld", "absoluut" en "onvermijdelijk". Denk ook aan "Er is geen alternatief", in het Engels afgekort als TINA, favoriet, ook weer, bij Margaret Thatcher. En favoriet bij de voorstanders van bezuinigen in een recessie, zoals David Cameron. En bij Mark Rutte, als ik het me goed herinner.
  3. Het vaak verwijzen naar de Geschiedenis (of God) die uiteindelijk zal oordelen. Een variant daarvan is "Over tien jaar zullen mensen terugkijken en inzien dat ...", waar Rutte graag gebruik van maakt.
  4. Slordig en warrig taalgebruik (door voorliefde voor grote vergezichten en afkeer van details). Denk aan de redevoeringen van Adolf Hitler (Sebastian Haffner daarover: "Hitlers toespraken verliepen langzaam, haperend, ze vertoonden amper een logische opbouw en soms zelfs geen duidelijke inhoud").
Die andere studie, Executive hubris: the case of a bank CEO, voegt daar nog aan toe:
  1. Het gebruik van hyperbolen, de stijlfiguur van de overdrijving. Misschien is "onze" Geert Wilders daar van het beste voorbeeld.
  2. De eigen groep (land, onderneming) presenteren als een archetype (geïdealiseerd oermodel). Denk aan trots zijn op Nederland (Rutte, Verdonk, Wilders).
  3. Spreken in termen van oorlog of sport. Ik denk meteen aan Balkenende's "We gaan voor goud".
  4. Het zichzelf op de borst kloppen. Ik denk aan presidentskandidaat Mitt Romney, die van zichzelf dacht dat alleen al zijn aantreden als president ruim voldoende zou zijn om "het vertrouwen" terug te brengen en de economie te laten bloeien.
  5. Veel aandacht voor goed nieuws en weinig voor slecht nieuws. Samen met het toeschrijven van al het goede nieuws aan de eigen, persoonlijke prestaties en het slechte nieuws aan het falen van anderen.
Houd deze lijstjes bij de hand. En beperk zo de schade en de ellende die hoogmoed teweeg kan brengen.

woensdag 2 oktober 2013

Het taalgebruik van de hoogmoed - in politiek en bedrijfsleven

Omdat we weinig tot geen persoonlijke omgang hebben met de "hooggeplaatsten", de machthebbers in politiek, openbaar bestuur en bedrijfsleven, moeten we om te bepalen wat voor vlees we in de kuip hebben, afgaan op hun publieke uitingen. Hun voorkomen, hun manier van doen en praten. Maar alles in situaties waarin we geen persoonlijk contact met ze hebben.

Nu vormen machthebbers niet zomaar een toevallige steekproef uit de bevolking. Er zijn aanwijzingen dat narcisme en psychopathie bij hen meer dan gemiddeld voorkomen. Zie hier en hier. En er zijn aanwijzingen dat hoogmoed (hubris), een eigenschap die sterk overlapt met narcisme, en het uitoefenen van een machtspositie gemakkelijk samengaan. Als deze kenmerken aanwezig zijn, dan kunnen machthebbers grote schade aanrichten. Het is dus zaak dat wij, het grote publiek, daarop attent zijn. Maar waar moeten we dan op af gaan?

Er zijn nu net twee studies verschenen die aannemelijk maken dat je hoogmoed kunt op maken uit kenmerken van het taalgebruik van machthebbers.Maar eerst: wat is eigenlijk hoogmoed? In de studie Linguistic biomarkers of Hubris syndrome (betaalpoort) geven de auteurs een lijst van 14 kenmerken, namelijk:
  1. Een narcistische geneigdheid om de wereld primair te zien als een arena om macht in uit te oefenen en om roem na te streven
  2. Een geneigdheid tot daden die een gunstig licht op de persoon werpen -  gericht op image building
  3. Een buitenproportionele aandacht voor image en presentatie
  4. Een messianistische manier van spreken over dagelijkse handelingen en een neiging tot geestvervoering (exaltatie)
  5. Identificatie met de natie of de organisatie zodanig dat de persoon eigen perspectief en belangen daaraan gelijkstelt
  6. Een neiging om over zichzelf in de derde persoon te spreken of het koninklijke "wij" te gebruiken
  7. Excessief vertrouwen in het eigen oordeel en minachting voor het advies of de kritiek van anderen
  8. Overdreven geloof in zichzelf, grenzend aan een gevoel van almacht, in wat persoonlijk kan worden bereikt
  9. Een geloof dat de persoon zich niet moet verantwoorden voor het wereldse hof van collega's of de publieke opinie, maar voor het hof van de Geschiedenis of van God
  10. Een onwrikbaar geloof dat de persoon voor dat hof in het gelijk zal worden gesteld
  11. Verlies van contact met de realiteit; vaak samenhangend met een voortschrijdend sociaal isolement
  12. Rusteloosheid, roekeloosheid en impulsiviteit
  13. Een neiging om te denken dat de eigen "brede visie" op de morele integriteit van een voorgestelde gedragslijn de noodzaak van praktische, kosten-en-baten overwegingen opheft
  14. Uit overmoed voortkomende incompetentie als zaken verkeerd gaan, doordat teveel zelfvertrouwen de leider er toe heeft gebracht om zich niet met details bezig te houden
Er is overlapping met de narcistische (1, 2, 3, 4, 7, 8 en 9) en met de antisociale persoonlijkheidsstoornis (11).

Oké. De onderzoekers, waartoe ook David Owen behoort, eind jaren 80 minister van buitenlandse zaken van Groot-Brittannië en de auteur van o.a. The Hubris Syndrome: Bush, Blair and the Intoxication of Power, analyseerden het taalgebruik van drie Britse premiers in vergaderingen van het Lagerhuis. Het ging om Margaret Thatcher en Tony Blair, waarvan gezegd werd dat ze gedurende hun ambtsperiode steeds meer aan hoogmoed gingen lijden, en om John Mayor. Ze vinden dan inderdaad enige aanwijzingen die daar mee overeenkomen.

Zoals een toename van complexiteit van het taalgebruik, wat overeenkomt met toenemende roekeloosheid en impulsieve besluitvorming. En Blair was in toenemende mate van allerlei zaken "zeker", gebruikte vaker "ik" en "mij" en vond zijn eigen uitspraken steeds vaker "belangrijk". Beide hadden het ook steeds minder over hun "plichten". Maar verwijzingen naar de Geschiedenis of God namen niet toe en het gebruik van het koninklijke "wij" nam zelfs af. En als je Thatchers en Blairs taalgebruik vergelijkt met niet alleen dat van John Mayor, maar ook met dat van de leden van het Lagerhuis, dan blijkt dat ze beide vaker "ik" in de mond namen.

De tweede studie, Executive hubris: the case of a bank CEO (betaalpoort), analyseerde het taalgebruik van een bestuurder (CEO) van een bank in jaarlijkse berichten aan aandeelhouders. Ze deden dat voor een periode van 8 jaar van extreem succes van de bank, gevolgd door extreem falen. Er komen aanwijzingen uit naar voren voor door de jaren heen toenemend narcisme en hoogmoed.

Het lijkt er op dat het loont om goed te letten op hoe onze leiders het woord voeren.

maandag 18 juni 2012

Griekenland slachtoffer van hoogmoed van anderen - Paul Krugman

We weten het al. Of we zouden het nu moeten weten. Griekenland is slachtoffer van hoogmoed. Paul Krugman neemt de moeite om het nog een keer op te schrijven. Zie de link hieronder. Hij besluit met:
Griekenland is dus, hoewel zelf niet zonder zonde, voornamelijk in de problemen dankzij de arrogantie van de Europese functionarissen, vooral van de rijkere landen, die zichzelf er van overtuigden dat ze een muntunie zonder centrale overheid zouden kunnen laten werken. En diezelfde functionarissen hebben de toestand zelfs nog verergerd door er, tegen alle evidentie in, aan te blijven vasthouden dat alle problemen met de euro veroorzaakt zouden zijn door het onverantwoordelijke gedrag van die zuidelijke Europeanen. En dat alles goed zou aflopen als mensen maar bereid waren om nog wat meer te lijden.
Wat ons bij de Griekse verkiezingen van zondag brengt, die uiteindelijk niets hebben opgelost. De regerende coalitie mag er in geslaagd zijn om aan de macht te blijven, hoewel zelfs dat nog niet duidelijk is (de kleinere partner in de coalitie heeft gedreigd niet mee te doen). Maar de Grieken kunnen deze crisis so wie so niet oplossen.
De enige manier waarop de euro gered zou kunnen - zou kunnen - worden is als de Duitsers en de Europese Centrale Bank beseffen dat zij degenen zijn die hun gedrag moeten veranderen, dat ze meer moeten uitgeven en, jazeker, een hogere inflatie moeten accepteren. Zo niet - welnu, dan komt het er op neer dat Griekenland de geschiedenis zal ingaan als het slachtoffer van de hoogmoed van anderen.
Ik vertaal het woord hubris dat Krugman gebruikt, met hoogmoed. Ik ontleen aan Wikipedia het volgende:
Hybris (Oudgrieks: ὕβρις) is het Oudgriekse woord voor overdreven trots, hoogmoed, overmoed, grootheidswaanzin, brutaliteit, onbeschaamdheid met name tegenover de Griekse goden en/of de goddelijke wereldorde. Het woord hybris heeft geen goede Nederlandse vertaling die het begrip volledig dekt, maar kan in de moderne tijd nog het beste omschreven worden met het gezegde 'hoogmoed komt voor de val'.
De hybris-gedachte is een typisch en veelvoorkomend thema in het Griekse denken, dat in verschillende mythen, epen en tragedies en in de ethiek onder allerlei vormen naar voren treedt. De vermetele overmoed van een mens, die, in eigenwaan verstrikt en verblind, zich door niets of niemand een halt wenst te laten toeroepen en in zijn ongebreidelde heerszucht zelfs de hand slaat aan een door de goden vastgelegde wereldorde of tegen het lot, wordt door goddelijk ingrijpen meedogenloos afgestraft.
Karakteristiek daarbij is dat de schuldige altijd zijn eigen ongeluk veroorzaakt, omdat hij na het overschrijden van de (overigens niet objectief bespeurbare) grens of norm met verblinding (Grieks atè) getroffen wordt en niet meer merkt dat hij zijn eigen ondergang tegemoet gaat.
Greece as Victim - NYTimes.com:

'via Blog this'