Posts tonen met het label televisiekijken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label televisiekijken. Alle posts tonen

woensdag 13 mei 2020

Waarom vinden we het moeilijk om te luisteren en praten we zo vaak door elkaar heen?

In de Volkskrant van vandaag heeft Gijs Beukers een interview met Kate Murphy, de schrijfster van het boek Je luistert niet. Volgens Murphy luisteren we steeds minder naar elkaar, terwijl luisteren naar anderen ons wel veel kan opleveren. Je maakt meer vrienden door goed te luisteren dan door veel zelf te praten. En door te luisteren leer je nog eens wat.

Hoe komt het dan dat we zo weinig luisteren? En zijn we dat inderdaad minder gaan doen?

Om met dat laatste te beginnen: in dat boek gaat het over onderzoek dat laat zien dat mensen inderdaad in de laatste decennia minder naar elkaar zijn gaan luisteren. In het interview dat de Guardian met Murphy had lees je daarover dat de tijd die Amerikanen (neem ik aan) besteden aan naar elkaar luisteren als percentage van de tijd dat ze wakker zijn in de afgelopen eeuw is afgenomen van 42 procent naar 24 procent. Ik heb het boek nog niet en weet dus niet welk onderzoek dat is.

Maar aangenomen dat het klopt dat we minder naar elkaar zijn gaan luisteren, waar zou dat dat aan liggen? Een antwoord is dat we meer naar een scherm zitten te kijken. Murphy in de Volkskrant:

"Wanneer je ergens door een buurt loopt", schrijft Murphy, "leunt er bijna niemand meer over een schutting die je wenkt om een praatje te maken. Het enige teken van leven is de blauwe gloed van een tv- of computerscherm ergens boven."
 
Daar zit iets in. En het lijkt te verwijzen naar het verschijnsel van de supernormale stimulus, waar Deirdre Barrett eerder op wees in haar boek Supernormal StimuliHow Primal Urges Overran Their Evolutionary Purpose. en waar ik het over had in het bericht Gezondheid en sociale omgeving (18): televisie is een supernormale stimulus. Een supernormale stimulus is een overdreven versie van een prikkel waar we instinctmatig in geïnteresseerd zijn, omdat die interesse in ons evolutionaire verleden heeft bijgedragen aan onze overleving en voortplanting. Het kan zijn dat die overdreven versie ons zo gaat intrigeren dat we de normale, natuurlijke versie negeren. 

Het overgrote deel van wat we op televisie zien is sociaal van aard. We kijken naar een aanhoudende opeenvolging van sociale episodes, geacteerd of niet geacteerd, in speelfilms, sitcoms, spelprogramma's, reality shows, talkshows, datingshows en wat niet al. En we volgen televisiepersoonlijkheden alsof we met hen een persoonlijke relatie onderhouden. Dat alles komt tegemoet aan onze oeroude behoefte aan "het sociale" en omdat alles om de kijkcijfers draait, is het ook precies daarop afgestemd.

Met als grote "voordeel" dat we er nauwelijks moeite voor hoeven te doen. We hoeven alleen maar de afstandsbediening te pakken. Voor dat praatje over de schutting moeten we naar buiten en dan is het nog maar de vraag of de buurman beschikbaar is. Over het algemeen levert televisiekijken ons geen goed gevoel op en het maken van een praatje wel. Maar we trappen in de val van de supernormale stimulus. Televisiekijken fungeert als een substituut voor echte sociale contacten, er ook uit blijkend dat mensen die meer aangeven eenzaam te zijn ook meer televisiekijken

Naast het televisiekijken zijn natuurlijk ook de sociale media in de plaats gekomen van echt naar anderen luisteren. Niet alleen doordat we ons in een echt gesprek door onze telefoon laten afleiden. Ook doordat we die media gebruiken om onszelf zo gunstig mogelijk te presenteren, te "verkopen". Uit het Volkskrant-interview:
Op social media proberen we likes te krijgen door onszelf op een voetstuk te plaatsen, zegt Murphy. "Die neiging verplaatst zich naar het normale leven. Mensen geven je voortdurend hun elevator pitch (korte presentatie waarin iemand zichzelf of zijn product probeert te verkopen, red.) en denken daardoor aardig gevonden te worden." Mensen maken van zichzelf een merk. Het gevolg, zegt Murphy, is dat we vooral zenden en nog maar zelden ontvangen.
In dat normale leven hebben we een cultuur ontwikkeld waarin onze relaties zo vluchtig zijn geworden dat we ons voortdurend moeten presenteren. Vrij spel dus voor onze neiging tot statuscompetitie. In de New York Times omschreef Kate Murphy dat als volgt:
a culture of “aggressive personal marketing” where “to be silent is to fall behind. To listen is to miss an opportunity to advance your brand and make your mark … Listening is often regarded as talking’s meek counterpart,” she writes. “Value is placed on what you project, not what you absorb ... The very image of success and power today is someone miked up and prowling around a stage or orating from behind a podium. Giving a TED talk ... is living the dream.”
Die sociale vluchtigheid is maximaal als we iemand nog niet kennen. In de Volkskrant:
Als we ons aan iemand voorstellen, maken we ons zo druk over hoe we overkomen dat we de meest basale informatie niet eens horen.
Dat je voortdurend moeten presenteren, jezelf verkopen, leidt er niet alleen toe dat je maar liever zelf aan het woord bent dan dat je de moeite neemt om te luisteren, maar ook dat we in een gezelschap zo vaak door elkaar heen praten. Want luisteren zou de indruk kunnen wekken dat de spreker meer aandacht verdient dan jij. Dat zou het begin kunnen zijn van een statusverschil. Vandaar het verschijnsel dat we elkaar zo vaak niet laten uitpraten. Zie Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie. 

maandag 5 maart 2018

Ook pro-sociaal gedrag in de media lokt pro-sociaal gedrag uit

Het is bekend dat competitie, geweld en sociale agressie in media (televisieprogramma's en videogames) de kans op hetzelfde gedrag bij consumenten van die media vergroten. Zie de laatste berichten op dit blog daarover: Sociale agressie op televisie maakt adolescenten sociaal agressiever en Competitieve videogames versterken agressieve gevoelens en daardoor meer agressief gedrag.

Maar net zoals in het gewone leven zou je verwachten dat het in aanraking komen met pro-sociaal gedrag in media ook meer pro-sociaal gedrag uitlokt. Dat is immers de verwachting van de Dual mode-theorie, dat mensen zowel statuscompetitiegedrag als gemeenschapsgedrag gemakkelijk tot hun beschikking hebben en dat de mate van statuscompetitie- dan wel gemeenschapsgedrag in hun omgeving van invloed is op het soort gedrag waar ze voor "kiezen" (tussen aanhalingstekens, omdat die beïnvloeding vaak onbewust verloopt).

Dat media inderdaad die positieve invloed kunnen hebben, komt naar voren uit de vorig jaar verschenen studie A Meta-Analysis of Prosocial Media on Prosocial Behavior, Aggression, and Empathic Concern: A Multidimensional Approach. De onderzoekers zochten, in een meta-analyse, alle studies bij elkaar die uitsluitsel kunnen geven. Dat bleken er 72 te zijn. Het ging om televisieprogramma's, films, videogames en muziek(video's).

Het bleek toen dat een pro-sociale media-inhoud (anderen helpen, aardig zijn, compassie hebben, altruïsme, empathie) meer pro-sociaal gedrag en meer empathische bezorgdheid (empathic concern) uitlokte en minder agressief gedrag.

Het lijkt soms, of vaak, dat de media ons vooral een competitieve, agressieve wereld voorhouden. Maar ze kunnen ons dus ook een betere wereld voorhouden en daarmee een gunstige invloed uitoefenen.

maandag 5 december 2016

Als er in de buurt meer te doen is, zitten kinderen minder naar een scherm(pje) te staren

Komen kinderen wel genoeg buiten? Zitten ze niet teveel op de bank? En zitten ze niet teveel naar een scherm(pje) te staren?

Dat zijn belangrijke vragen, want we weten dat het voor de fysieke en sociale ontwikkeling van kinderen goed is dat ze veel buiten spelen, met andere kinderen van verschillende leeftijden. Zie
Kunnen onze kinderen genoeg buitenspelen?

Maar er is buiten vaak niet veel te doen. Een saaie woonwijk, met alleen maar straten en huizen, nodigt er niet toe uit om naar buiten te gaan. Het zou dus van de fysieke inrichting van de buurt kunnen afhangen hoe vaak kinderen het huis uit gaan. In plaats van thuis naar een scherm(pje) te zitten staren.

Het Australische onderzoek Nowhere to Go and Nothing to Do but Sit?Youth Screen Time and the Association With Access to Neighborhood Destinations bevestigt dat vermoeden. Kinderen die in buurten wonen met meer winkels en andere voorzieningen en met meer openbare ruimte (park, sportveld, schoolplein) besteden naar hun eigen oordeel of, bij jongere kinderen, naar het oordeel van de ouders, minder tijd aan televisiekijken, computeren, gamen en sociale media.

Een nieuwe aanwijzing voor het belang van buurten en dus vooral voor het belang van buurten waar iets valt te beleven, waar ontmoetingsplekken zijn. Als die er niet zijn, groeien kinderen sociaal geïsoleerder op en bewegen ze te weinig.

maandag 7 december 2015

Sociale agressie op televisie maakt adolescenten sociaal agressiever

Er is al veel bekend over de negatieve effecten van veel televisiekijken op gezondheid en gedrag. Zie hier mijn laatste bericht daarover: Televisiekijken is (ook) ongezond vanwege dat waar we naar kijken.

De nieuwe studie Effects of Viewing Relational Aggression on Television on Aggressive Behavior in Adolescents: A Three-Year Longitudinal Study (betaalpoort) voegt daaraan toe dat het veel naar programma's kijken met een hoge dichtheid van sociale agressie adolescenten in het werkelijke leven sociaal agressiever maakt. De onderzoekers volgden ruim 450 adolescenten drie jaar lang en konden laten zien dat de mate van blootstelling aan sociale agressie op televisie samenhangt met een verhoogde mate van sociale agressie in het werkelijke leven een jaar later. Het omgekeerde verband blijkt er niet te zijn: degenen die in het werkelijke leven sociaal agressiever zijn, gaan er niet toe over om meer sociaal agressieve televisieprogramma's te kijken.

Sociale agressie werd in het onderzoek omschreven als een vals en vaak verborgen soort agressie die de relaties of vriendschappen van anderen schaadt. Met als voorbeelden: roddelen, geruchten verspreiden, achterklap, relaties verstoren, anderen uitsluiten, vuile blikken, valse berichten sturen en iemands vrienden "stelen". Uiteraard valt pesten ook onder sociale agressie.

De onderzoekers ondervroegen adolescenten drie maal naar hun favoriete televisieprogramma's, steeds met een tussenpoos van een jaar. Beoordelaars deelden de programma's in naar hoeveel sociale agressie er in voor komt. Bovendien gaven de adolescenten aan hoe vaak ze zelf sociaal agressief waren. Het blijkt toen dat degenen die in een jaar veel keken naar programma's met veel sociale agressie in het volgende jaar zelf ook sociaal agressiever waren, ook als je rekening houdt met hun sociale agressie een jaar terug. Dat wijst op een oorzakelijke invloed van blootstelling aan sociale agressie op televisie.

De onderzoekers wijzen er op dat dit een ondersteuning is van het General Aggression Model, dat inhoudt dat het zien van agressie het gebruik er van aanvaardbaarder maakt. Dat komt weer overeen met de gedachte van de Dual-Mode theorie dat mensen kunnen "kiezen" uit statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag en dat ze zich daarbij laten leiden door hoeveel ze van deze gedragingen in hun omgeving waarnemen. En dat sociale agressie typisch statuscompetitiegedrag is, dat is wel duidelijk.

Die Dual-Mode theorie komt in verschillende berichten op dit blog ter sprake, maar wordt in dit bericht uitgelegd.

Ik bedacht me dat er vaak niet bij stilgestaan wordt dat er kennelijk in televisieprogramma's meer agressie (sociaal of fysiek) voorkomt dan mensen in hun eigen leven meemaken. Dat zou er aan kunnen liggen dat we alleen naar televisie kijken, of vooral blijven kijken, zo lang we door de inhoud ervan bezig gehouden worden. Als kijken ons niet genoeg fascineert, gaan we iets anders doen. Of schakelen we over naar een andere zender.

En het is nu eenmaal zo dat het zien van agressie veel mensen fascineert. Misschien alleen al omdat het opvallend is en de aandacht trekt. Dus helpt om de verveling en de alledaagsheid te doorbreken, die natuurlijk al gauw toeslaan zodra we op de bank gaan zitten.

En omdat alles om de kijkcijfers draait ("massa is kassa"), is er de programmamakers dus veel aan gelegen om genoeg agressie op het beeldscherm te brengen.

Hoe dit perverse mechanisme te doorbreken? Meer regulering van televisieprogramma's? Televisiezenders minder afhankelijk maken van kijkcijfers en dus van reclame inkomsten? Er valt nogal wat voor te zeggen om het televisiekijken minder aantrekkelijk te maken. Alles wijst er op dat we er nog altijd meer tijd aan besteden dan goed voor ons is.

Maar dat zal nog wel heel wat voeten in de aarde hebben. Voorlopig zouden we onze adolescenten er toe moeten zien te krijgen om minder op de bank te gaan zitten.

Tenslotte: het zou goed kunnen dat adolescenten tegenwoordig meer gamen dan televisiekijken. Zie voor gamen en agressie de berichten Gewelddadige videogames spelen verhoogt agressiviteit (nieuw onderzoek) en Niet het geweld, maar de competitie, in video games maakt adolescenten agressief.

vrijdag 27 maart 2015

Door toename vrije tijd gingen we vooral meer televisiekijken. En wat deden we met onze sociale contacten?

We zijn met zijn allen in een maatschappij beland waarin we met betaalde arbeid in ons levensonderhoud moeten voorzien. Maar in de afgelopen anderhalve eeuw is het aantal uren arbeid dat daarvoor nodig is, sterk afgenomen. Hieronder zie je de afname van het aantal gewerkte uren per week voor verschillende landen sinds 1870. (Bedenk overigens wel dat de verticale as niet bij nul begint.) Business Insider, waaraan ik dit plaatje ontleen, schat dat we door de toegenomen arbeidsproductiviteit gemiddeld 30 uur per week minder betaald zijn gaan werken.

Hours Worked Per Week

Wat zijn we met die toegenomen vrije tijd gaan doen? Wat voor prachtige en zinvolle dingen zijn we gaan doen om al die vrije tijd te vullen? Hebben we die besteed aan persoonlijke ontwikkeling? Aan een rijker sociaal leven?

Vergeet het maar. Volgens dat bericht van Business Insider zijn we bovenal televisie gaan kijken. Want kijk maar: gemiddeld genomen kijken we ongeveer vier uur per dag televisie en dat is 28 uur per week. Die 30 uur meer vrije tijd gaat dus bijna geheel op aan het staren naar al die onzinprogramma's op de beeldbuis.

Time Spent Watching Television
Dat is nogal ontnuchterend. Maar eigenlijk is het nog erger. Want die televisie is er natuurlijk pas vanaf ongeveer 1950, 1960. En de grootste afname van de werkweek was toen al achter de rug. Als je in die grafiek naar Nederland kijkt (de roodbruine lijn), dan zie je een afname van de werkweek van ongeveer 15 uren na 1950. Dat komt neer op ruim twee uur per dag minder betaald werken.

En we kijken 195 minuten per dag televisie, dus bijna drie en een half uur. Sinds 1950 zijn we dus zelfs meer televisie gaan kijken dan we er aan vrije tijd bij hebben gekregen. Dat moet betekenen dat die vermaledijde televisie zelfs in de plaats is gekomen voor iets anders wat we in onze vrije tijd doen.

Wat zou dat kunnen zijn? Geen moeilijke vraag, want we weten dat, in ieder geval vanaf 1975, onze tijdsbesteding aan sociale contacten buitenshuis is afgenomen. Zie We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd. Sinds 1975 is het aantal uren dat we bij elkaar (buren, familie, vrienden) over de vloer komen, meer dan gehalveerd.

Die televisie, die er in Putnams Bowling Alone al zo slecht afkwam, heeft dus nogal wat aangericht. Hij heeft niet alleen onze toegenomen vrije tijd opgeslorpt, maar bovendien nog onze sociale contacten doen afnemen.

En dat zet je aan het denken over die eerste helft van de vorige eeuw. Die was misschien zo slecht nog niet. De toename van de vrije tijd was toen het grootst. Kijk maar weer naar die grafiek bovenaan dit bericht. Met het grote voordeel dat er toen nog geen televisie was. Als je bovendien bedenkt dat er toen nog maar weinig schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van voorzieningen was, met nog maar weinig autobezit, dan vermoed je dat familie en vrienden toen dichter bij elkaar woonden. En bovendien dichter bij hun werk woonden. Wat een sociale tijd moet dat zijn geweest, die eerste helft van de vorige eeuw.

donderdag 26 juni 2014

Televisiekijken is (ook) ongezond vanwege dat waar we naar kijken

Er zijn allerlei aanwijzingen dat veel televisiekijken negatieve effecten heeft. Op jonge leeftijd veel kijken is slecht voor de ontwikkeling van de executieve functies. Ook zijn er aanwijzingen dat het de kans op autisme vergroot, waarschijnlijk vooral bij kinderen die al een aanleg in die richting hebben. Dat zou er aan kunnen liggen dat het televisiekijken de tijdsbesteding aan echte sociale interactie verdringt. En er zijn aanwijzingen dat veel televisiekijken de kans op criminaliteit en agressief gedrag op jongvolwassen leeftijd vergroot.

Daarnaast zijn er aanwijzingen dat veel televisiekijken ongezond is. Uit een meta-analyse valt op te maken dat het de kans op type 2 diabetes, op hart- en vaatziekten en op overlijden vergroot. Dat kan er aan liggen dat mensen die veel televisiekijken ook veel zitten en weinig bewegen, maar ook als je met de mate van bewegen rekening houdt, blijft veel televisiekijken ongezond. De negatieve effecten lijken dus niet alleen aan dat vele zitten te liggen.

Dit inzicht wordt ondersteund door de nieuwe studie Television Viewing, Computer Use, Time Driving and All-Cause Mortality: The SUN Cohort (pdf), die laat zien dat veel televisiekijken wel en andere zittende bezigheden (computeren en autorijden) niet de kans op overlijden vergroten. De onderzoekers volgden ruim 13.000 mensen ruim 8 jaar lang en hielden bij wie er in die periode overleden. De kans op overlijden bleek groter bij meer uren zitten, maar vooral ook bij meer uren televisiekijken. Ook als gecontroleerd werd voor allerlei andere kenmerken, zoals medische geschiedenis, leefstijl en eetgewoonten. Daarentegen was er geen verband met het aantal uren computeren en autorijden. Dat wijst er op dat er iets "extra's" is aan dat televisiekijken dat het zo ongezond maakt.

Wat zou dat kunnen zijn? Misschien dat mensen bij het televisiekijken ook veel zitten te snacken, maar het verband bleef bij controle daarvoor bestaan. Ook werd er rekening mee gehouden dat mensen die ziek werden, meer televisie gingen kijken. Het oorzakelijk verband ligt dus niet andersom.

Waarschijnlijk moeten we onder ogen zien dat de negatieve gezondheidseffecten van televisiekijken te maken hebben met waar we naar kijken.

We stellen ons bloot aan reclame en dat maakt ons materialistischer en competitiever. Daardoor maken we meer schulden en gaan we er harder en meer door werken. Ook worden we er ontevreden door en zijn we meer bezig met uiterlijk vertoon en indruk maken op anderen. En het valt ons daardoor moeilijker om dankbaar te zijn voor wat we hebben, waardoor we minder van de positieve welzijnseffecten van dankbaarheid profiteren.

We stellen ons bloot aan veel geweld en agressie, waardoor we niet alleen zelf agressiever worden, maar waarschijnlijk ook meer last hebben van onveiligheidsgevoelens en het moeilijker vinden om mensen te vertrouwen.Dat verhoogt vijandigheidsgevoelens en die zijn niet goed voor je.

En omdat televisiekijken vooral kijken naar andere mensen is, fungeert het als een supernormale stimulus. Het komt gemakkelijk in de plaats van echte sociale interactie, die veel beter voor ons zouden zijn. Denk ook aan die parasociale relaties. En bedenk dat je als je veel televisie kijkt, je jezelf veel blootstelt aan narcisme en dat het spiegeleffect jouw neiging tot narcisme kan versterken.

Kortom, er valt veel voor te zeggen dat televisiekijken niet alleen ongezond is omdat we er bij op de bank hangen, maar ook vanwege de inhoud van de programma's en de reclameblokken daartussenin.

dinsdag 4 maart 2014

Veel televisiekijken op jonge leeftijd is slecht voor ontwikkeling van executieve functies

Veel televisiekijken op jonge leeftijd heeft negatieve gevolgen. Zo zijn er aanwijzingen dat de introductie van de televisie heeft bijgedragen (via gen-omgevingsinteractie) aan de groei van autismestoornissen. Ook lijkt het veel televisiekijken op jonge leeftijd de kans op crimineel gedrag en op antisociale en agressieve persoonlijkheidstrekken te verhogen. (Over de negatieve gevolgen van veel televisiekijken op oudere leeftijd heb ik het even niet.)

De nieuwe studie The Relation Between Television Exposure and Executive Function Among Preschoolers (betaalpoort) geeft nu inzicht wat de onderliggende oorzaak zou kunnen zijn.

De onderzoekers noemen eerst eerder onderzoek dat negatieve gevolgen laat zien voor schoolprestaties, aandachtsproblemen, woordenschat en sociale vaardigheden. Deze negatieve gevolgen lijken te maken te hebben met de executieve functies, dat wil zeggen, met de vermogens tot impulsonderdrukking, werkgeheugen en aandachtsflexibiliteit. Gebrekkige executieve functies lijken ten grondslag te liggen aan allerlei alledaagse problemen, zoals overdreven impulsief gedrag, problemen met het opvolgen van aanwijzingen en met geconcentreerd blijven. Wat al snel gepaard gaat met sociale en leerproblemen.

Tussen 2 en 5 jaar is er een snelle groei van de hersengebieden voor de executieve functies. Individuele verschillen zijn er al snel en lijken naast genetische oorzaken ook te maken te hebben met omgevingsverschillen. Het lijkt bijvoorbeeld dat een te controlerende, te veeleisende en te bestraffende omgeving slecht uitwerkt op de executieve functies. Maar daarnaast zou dus televisiekijken ook zo´n omgevingsoorzaak kunnen zijn.

En dat blijkt ook het geval te zijn. Uit dit nieuwe onderzoek blijkt dat hoe meer kinderen (van ruim vier jaar) televisiekijken en hoe vroeger ze er mee beginnen, hoe minder hun executieve functies zich hebben ontwikkeld. Het maakt wel uit naar welk soort programma´s ze vooral hebben gekeken. Kinderprogramma´s waarin verhalen verteld worden zonder onderbrekende reclameblokken blijken juist positief uit te werken. (Weg met reclame!) Maar voor het overige zijn de effecten negatief.

Hoe werden die executieve functies vastgesteld? Met behulp van bekende testjes. Kinderen moesten bijvoorbeeld namen noemen van cartoonfiguren op kaartjes die ze te zien kregen, maar dan op fluistertoon. Of gekeken werd hoe goed ze samen met de onderzoeker van blokken een toren konden bouwen en zich daarbij hielden aan de afspraak om dat om de beurt te doen.

Hoe belangrijk is nu de invloed van televisiekijken? Behoorlijk belangrijk. Zo ongeveer de helft van de verschillen in de scores van de kinderen op die testjes bleek te kunnen worden verklaard door de verschillen in televisiekijken.

Dat deze negatieve gevolgen er zijn, kan natuurlijk te maken hebben met het soort inhoud van televisieprogramma's. Dat sommige soorten programma's juist positief uitwerken, maar de meeste negatief, wijst daarop. Maar het kan ook zijn dat het televisiekijken andere activiteiten (buiten spelen, sociale omgang) verdringt, die veel beter waren geweest voor de ontwikkeling van die executieve functies.

dinsdag 11 juni 2013

Kunnen onze kinderen genoeg buitenspelen?

Jantje Beton heeft onderzoek laten doen om uit te zoeken of onze kinderen wel genoeg buiten kunnen spelen. En ze zijn zo verstandig geweest om kinderen zelf daarnaar te vragen. En wat blijkt?

De drie favoriete speelplekken zijn natuur/bos, het schoolplein en een grasveld. Dat natuur/bos staat zowel bij de 6-8 jarigen als bij de 9-12 jarigen bovenaan.

Wat doen kinderen het liefst als ze buiten spelen? Zowel bij de jongere als bij de oudere kinderen staan klimmen/klauteren, fietsen, zelfverzonnen spelletjes, tenten/hutten bouwen en verstoppertje spelen bovenaan.

Is de buurt daarvoor geschikt? Ja, als het gaat om fietsen, zelfverzonnen spelletjes en verstoppertje spelen. Maar nee, als het gaat om klimmen en klauteren en om tenten of hutten bouwen. En ja, ook geschikt om te chillen, springtouwen, stoepkrijten en skateboarden, maar die bezigheden vinden de kinderen juist minder leuk.

Verder vindt tegen de helft van de kinderen de stoepen en pleintjes bij hun huis saai. Evenals de speelplekjes met speeltoestellen in de buurt. Opvallend is dat de 9-12 jarigen de plekken in hun buurt veel saaier vinden dan de 6-8 jarigen. Onze buurten lijken juist voor die iets oudere kinderen tekort te schieten.

Wat moet er volgens de kinderen zelf aan hun buurt verbeteren? Bovenaan staat: meer spannende plekken om te spelen. Maar ook valt op: meer dingen voor oudere kinderen. En: meer kinderen om mee te spelen. En: mensen zouden aardiger en vriendelijker moeten zijn. Zouden ze daardoor meer gaan buitenspelen? Jazeker. Meer dan de helft (54%) zegt dat ze dat zouden doen. En bijna de helft (49%) zegt dat ze dan minder tv zouden kijken en minder op de computer zouden spelen.

Zouden kinderen willen meedenken over hoe je het buitenspelen in hun buurt minder saai zou kunnen maken. Ja! 60% zou dat wel willen. Maken de gemeentes gebruik van die bereidheid? Nee, helemaal niet. Slechts 6% is het afgelopen jaar gevraagd om mee te denken.

Voer om over na te denken. Zoals over dat gegeven dat kinderen meer zouden buiten spelen als meer andere kinderen dat ook zouden doen. Dat betekent dat hier een geweldige winst is te behalen. Elk kind meer dat we naar buiten krijgen, zorgt er voor dat ook andere kinderen dat doen. Dit vraagt om actie! Van die kinderen zelf. Maar ook van hun ouders.

Maar natuurlijk ook van de gemeentes. Er moet hier in de buurten en dorpen nog veel meer gebeuren. Niet alleen maar die obligate speelplekken met die "speeltoestellen". Oké, die moeten er ook zijn. Maar alsjeblieft, meer spannende plekken, meer groen en niet alleen maar de keurig aangeharkte parkjes. Zie ook: Natuurlijke speelplekken als ontmoetingsplaatsen in de wijk. En zou niet elke buurt een kinderraad moeten hebben? Dát zou pas goed zijn voor kinderen.

En: als kinderen meer buiten spelen, heeft dat voor iedereen positieve effecten. Want volwassenen en ouderen horen mee te maken dat kinderen buiten spelen. Dat maakt het leven aangenamer. En misschien worden ze daardoor ook wel aardiger en vriendelijker en zorgen ze er daarmee voor dat nog meer kinderen buiten gaan spelen.

woensdag 20 februari 2013

Meer aanwijzingen voor negatieve gevolgen van televisiekijken op jonge leeftijd

Ik ben nog van de generaties die meemaakten dat het eerste televisietoestel het huis werd binnengedragen. Sterker: ik was al het huis uit toen mijn ouders een toestel aanschaften. En op mijn studentenkamer had ik alleen een radio.

Kortom, de televisie is er ongeveer een halve eeuw. Voor opgroeiende kinderen is de aanwezigheid van televisie de gewoonste zaak van de wereld. Wat maakt het voor kinderen uit dat er een toestel in huis is? Eerder maakte ik er melding van dat er serieuze aanwijzingen zijn dat de verspreiding van televisie heeft bijgedragen aan de toename van autisme. Onderzoekers keken naar leeftijdscohorten in provincies van Californië en Pennsylvania die drie jaar of jonger waren toen de kabeltelevisie werd geïntroduceerd. Dat laatste gebeurde in verschillende provincies op verschillende tijdstippen. Na veel statistische bewerkingen en controles komen ze tot de conclusie dat de introductie van kabeltelevisie inderdaad heeft bijgedragen tot de toename van autisme diagnoses. Ze berekenen dat 18 procent van de toename van autisme kan worden toegeschreven aan de toename van kabeltelevisieprogramma's voor kinderen.

Waarschijnlijk heeft de introductie van het televisiekijken op jonge leeftijd de kans op autisme vergroot bij kinderen die al meer dan gemiddeld aanleg voor autisme hadden (gen-omgevingsinteractie). En dat zou er aan kunnen liggen dat het meer televisiekijken in de plaats komt van sociale interactie. Voor de ontwikkeling van hun sociale vaardigheden hebben kinderen een intensief "bad in de sociale wereld" nodig. Dat hebben ze tegenwoordig so wie so al minder dan in tijden dat gezinnen minder sociaal geïsoleerd waren en kinderen meer leeftijdsgemengd opgroeiden. Maar als kinderen dan bovendien nog veel tijd doorbrengen voor het scherm, dan wordt dat bad wel een heel klein teiltje. Nu is er wel veel sociale inhoud op de televisie (je ziet vooral pratende hoofden), maar dat kan natuurlijk geen vervanging zijn voor echte sociale interactie waaraan een kind actief deelneemt en daartoe voortdurend wordt uitgenodigd.

Er is nu nieuw onderzoek (pdf) dat wijst op andere negatieve effecten van op jonge leeftijd veel televisiekijken. Onderzoekers in Nieuw-Zeeland volgden ruim 1000 kinderen die in 1972-1973 waren geboren tot dat ze 26 jaar waren. Het blijkt dan dat kinderen die tussen hun vijfde en hun vijftiende levensjaar meer televisie hadden gekeken een grotere kans hadden om op jongvolwassen leeftijd veroordeeld te zijn voor (gewelds)criminaliteit, om een diagnose te hebben gekregen voor antisociale persoonlijkheidsstoornis en om agressieve persoonlijkheidstrekken te hebben. Daarbij werd gecontroleerd voor o.a. intelligentie, sociaal-economische status, ouderlijk toezicht en antisociaal gedrag op jongere leeftijd. Dat laatste is er een aanwijzing voor dat het televisiekijken ook inderdaad een oorzakelijk verband heeft met die problemen op jongvolwassen leeftijd.

Ook hier kan hebben meegespeeld dat het televisiekijken ten koste ging van de leerschool van de echte sociale interactie. Maar het kan daarnaast ook nog zo zijn dat kinderen op televisie meer antisociaal en agressief gedrag te zien kregen dan dat ze hadden meegemaakt als ze gewoon buiten hadden gespeeld.

Overigens heeft veel televisiekijken ook op volwassen leeftijd negatieve gevolgen. Zie mijn berichten over televisiekijken.

woensdag 10 oktober 2012

Hebben we een celebrity-cultuur omdat we elkaar niet meer kennen?

De Volkskrant wijdde op 6 oktober een lang artikel over de sterke groei van de celebrity-cultuur (Het roemscenario van Daan Dijksman en Gert Hage). Waar hebben we die groei aan te danken wijten?

Een mogelijke verklaring verschaft dat artikel zelf, in de vorm van een citaat uit een boek van Raoul Heertje (dat boek ken ik niet):
We kennen elkaar nauwelijks nog. Maar we willen nog steeds de intimiteit van vroeger. Dus gaan we een zogenaamde relatie aan met bekende mensen. Die spelen daar ook op in door allerlei zogenaamde persoonlijke details te openbaren.
Die verklaring slaat op de zogenaamde parasociale relaties, een soort als-of persoonlijke relaties die mensen aangaan met televisiepersoonlijkheden die ze volgen.

Doen mensen dat en doen ze dat als een vervanging voor het echte persoonlijke contact dat ze niet meer of minder hebben? Ja, daar zijn aanwijzingen voor. Ik citeer mezelf uit het bericht Zijn televisiepersoonlijkheden wel goed voor ons?:
Er zijn (...) aanwijzingen voor het "gebruik" van een imaginaire, persoonlijke band met televisiepersoonlijkheden als compensatie voor de negatieve ervaring van het alleen zijn of van het verlies van echte relaties. Ook zijn mensen met een grotere behoefte om ergens bij te horen (need to belong) meer geneigd om het alleen zijn te ervaren als het gemis van anderen en meer geneigd tot het ontwikkelen van parasociale relaties. Dat lijkt er dus wel op te wijzen dat we parasociale relaties ontwikkelen als een substituut voor echte relaties.
Naast het onderzoek waarnaar ik in dit citaat link, is er nu ook dit onderzoek, dat daar meer licht op werpt.

Want enerzijds vinden de onderzoekers dat het juist de mensen zijn die in het echte leven al een persoonlijke, intieme band hebben met een goede vriend(in) van hetzelfde geslacht, ook meer geneigd zijn om een imaginaire, intieme band te hebben met een televisiepersoonlijkheid van het zelfde geslacht. Dat wijst er op dat mensen die in het echte leven gemakkelijker banden met anderen aangaan, dat ook doen als het gaat om bekende persoonlijkheden. Ze zijn misschien gewoon meer sociabel, in het echt en in het imaginaire.

Maar anderzijds zijn er ook aanwijzingen voor parasociale relaties als compensatie voor het gemis aan echte relaties. Want het bleek ook dat alleenstaanden meer een imaginaire, intieme band aangingen met televisiepersoonlijkheden van het andere geslacht dan mensen met een partner. Daar kwam bij dat in die groep alleenstaanden de mate van angstige (of afwijzende) hechting en die need to belong voorspellend waren voor dat aangaan van zo'n imaginaire band.

Die angstige of afwijzende hechting wijst op het mechanisme dat mensen die in het echte leven moeilijk relaties aangaan uit angst voor afwijzing, gemakkelijk hun "toevlucht" nemen tot een imaginaire band. En dat wijst er weer op dat de vele televisieprogramma's met een sociale inhoud fungeren als supernormale stimuli. Wij zijn er op aangepast om in een intensieve sociale leefwereld te functioneren. Maar als die maar gebrekkig aanwezig is, dan zijn al die persoonlijkheden op de televisie voor ons net zoiets als die kunstmatige en overdreven grote of fel gekleurde eieren waar de vogels van Tinbergen op gingen zitten broeden. In plaats van op hun echte eieren.

Wat Raoul Heertje zegt, daar zit dus wel wat in. Er is wel degelijk een vraag naar parasociale relaties en die komt voort uit een gebrek aan echte relaties. En ja, als er een vraag is, dan is er ook al snel een aanbod. Want hoe anders te verklaren dat we op de televisie steeds maar dezelfde gezichten zien? Dat is nodig omdat wij met die mensen een band willen kunnen aangaan. Je zou ook kunnen denken dat wij uit verveling elke avond wel iemand anders zouden willen zien. Maar nee, zo zitten wij niet in elkaar.

Als laatste dan: dat we elke avond dezelfde gezichten zien, kan er natuurlijk ook mee te maken hebben dat televisiepersoonlijkheid een beroep is geworden. En zoals dat voor elk beroep geldt, je moet wel genoeg uren maken om er een boterham aan te kunnen overhouden.

dinsdag 29 mei 2012

Gezondheid en sociale omgeving (18): televisie is een supernormale stimulus

In de twee vorige berichten (hier en hier) in deze reeks ging ik in op de vraag of televisiekijken een goede vervanging is voor echte sociale contacten. Die vraag dringt zich gemakkelijk op omdat het overgrote deel van de televisieprogramma's sociaal van aard is. We kijken naar een aanhoudende opeenvolging van sociale episodes, geacteerd of niet geacteerd, in speelfilms, sitcoms, spelprogramma's, reality shows, praatprogramma's en wat niet al. En we volgen (narcistische) televisiepersoonlijkheden alsof we met hen een persoonlijke relatie onderhouden.

Volgens Deirdre Barrett in haar boek Supernormal Stimuli. How Primal Urges Overran Their Evolutionary Purpose  is de televisie voor mensen een supernormale prikkel. Dat is een overdreven versie van een prikkel waarin we instinctmatig in geïnteresseerd zijn, omdat die interesse in ons evolutionaire verleden heeft bijgedragen aan onze overleving en voortplanting. En het kan zijn dat die overdreven versie ons zo gaat intrigeren dat we de normale, natuurlijke versie negeren. De term werd geïntroduceerd door Niko Tinbergen, die o.a. liet zien dat vogels meer zorg besteedden aan kunstmatige, qua grootte en kleur overdreven, eieren dan aan hun echte eieren. Als supernormale prikkels voor mensen worden bijvoorbeeld pornografie en junkfood genoemd. Maar dus ook de televisie.

Deirdre Barrett wijdt daar in haar boek een hoofdstuk aan, dat ze begint met het volgende citaat van Clive Barnes (mijn vertaling):
Televisie is de eerste werkelijk democratische cultuur - de eerste cultuur die voor iedereen beschikbaar is en die geheel beheerst wordt door wat de mensen willen. Het meest angstaanjagende is wat mensen willen.
Ik haal een paar passages uit dat hoofdstuk aan. Televisiekijken brengt ons in een merkwaardige toestand: we zitten stil en staren naar het beeld en hebben in die toestand een lager metabolisme (stofwisseling), met een lagere calorieverbranding, dan wanneer we in bed zouden liggen. En het blijkt uit metingen van alpha hersengolven dat we minder mentaal gestimuleerd worden dan wanneer we een boek lezen. Televisiekijken ontspant ons, maar maakt ook passief. Als we stoppen, stopt ook de ontspanning, maar niet de passiviteit. Het lijkt moeilijker om je daarna weer ergens op te concentreren. Als je televisie hebt gekeken, is de stemming van mensen hetzelfde of slechter dan daarvoor. Daar tegenover staat dat mensen zich beter voelen als ze hebben gelezen, gesport of tijd aan een hobby hebben besteed.

Kinderen slapen minder goed hoe langer ze televisie hebben gekeken. En hoe meer ze televisiekijken, hoe groter de kans op gedragsproblemen en op minder goede schoolprestaties. Dit zou er aan kunnen liggen dat de televisie remmend werkt op de ontwikkeling van de innerlijke dialoog, waarmee kinderen leren om problemen en plannen te overdenken. Ook zijn er duidelijke aanwijzingen voor negatieve gevolgen voor volwassenen, zoals meer kans op stemmingstoornissen. Er is een mooi onderzoek naar de gevolgen van de introductie van televisie in afgelegen Canadese berggebieden. Onmiddellijk na de introductie gingen mensen minder sporten, dansen of op andere manier bewegen. En na verloop van tijd werden mensen minder creatief bij het oplossen van problemen, minder vasthoudend in het uitvoeren van taken en hadden ze grotere problemen met het structureren van hun tijd.

Populaire programma's beloven bevrediging van heel basale sociale behoeften. Barrett noemt klassiekers als Little House on the Prairie, All in the Family, Three's Company, Good Times en Mad About You. Ik denk zelf ook aan Cheers!, waar ik, toegegeven, altijd graag naar keek. Maar al deze programma's (mijn vertaling):
laten je, na 30-60 minuten van de illusie van sociaal contact, niet achter met meer rijkdom aan echte vriendschap of familiebanden om je in tijden van nood te ondersteunen, maar wel met het vaste voornemen om de volgende week de ontwikkelingen in de levens van deze mensen te volgen, die niet alleen niets om jou geven, maar die zelfs niet bestaan
En Barrett noemt de anti-televisie website Whitedot.org, die ik niet kende, maar die interessant is. Er staan aardige berichtjes op, zoals dit bericht over bewoners van een buurt in Brighton die hun stoelen voor het huis neerzetten om een avond gewoon met elkaar en met de buren bij te praten. En om zo te bewijzen dat het ook anders kan dan dat onze sociale instincten ons meer naar de televisie trekken dan naar onze huisgenoten en onze buren.

Televisiekijken lijkt kortom niet alleen slecht voor ons te zijn omdat we daardoor te veel met narcisten in aanraking komen. Ook het kijken naar programma's die aan onze beste sociale gevoelens appelleren, lijkt geen goed idee omdat het ons afhoudt van waar het in het echte sociale leven om gaat.

vrijdag 11 mei 2012

Gezondheid en sociale omgeving (17): zijn televisiepersoonlijkheden wel goed voor ons?

Zijn televisiepersoonlijkheden onderdeel van de sociale omgeving van mensen die televisiekijken? Rekenen we  Matthijs van Nieuwkerk, Paul de Leeuw, Linda de Mol, Yvon Jaspers, Peter R. de Vries en wie al die anderen ook mogen zijn, tot onze persoonlijke sociale omgeving? Ja, dat is in zekere zin het geval. In het onderzoek daarnaar is vastgesteld dat mensen een soort alsof-persoonlijke relatie kunnen ontwikkelen met televisiepersoonlijkheden die ze volgen. Omdat de relatie natuurlijk eenzijdig blijft, spreken onderzoekers over parasociale relaties.

Wat doet het met ons om zulke parasociale relaties te ontwikkelen en te hebben? Kunnen ze in de plaats komen van echte, tweezijdige relaties? Als het zo zou zijn, dan zou je verwachten dat mensen die meer eenzaam zijn, meer de neiging hebben om parasociale relaties te ontwikkelen. Als een substituut. Maar tot nu toe is er in onderzoek geen verband vastgesteld tussen eenzaamheid en de neiging om parasociale relaties te "hebben", hoewel eenzaamheid wel samengaat met meer televisiekijken. Zie hier en hier voor literatuurverwijzingen (fulltext achter de poort). Het gaat in dat onderzoek om eenzaamheid zoals mensen die zelf rapporteren door een vragenlijst in te vullen. Zie ook dit bericht.

Er zijn daarentegen wel aanwijzingen voor het "gebruik" van een imaginaire, persoonlijke band met televisiepersoonlijkheden als compensatie voor de negatieve ervaring van het alleen zijn of van het verlies van echte relaties. Ook zijn mensen met een grotere behoefte om ergens bij te horen (need to belong) meer geneigd om het alleen zijn te ervaren als het gemis van anderen en meer geneigd tot het ontwikkelen van parasociale relaties. Dat lijkt er dus wel op te wijzen dat we parasociale relaties ontwikkelen als een substituut voor echte relaties.

Is het dan ook een echt substituut, in de zin dat parasociale relaties net zo als echte, persoonlijke relaties bijdragen aan welzijn en gezondheid? Onderzoek daarnaar ken ik niet. Maar het lijkt mij onwaarschijnlijk. Zeker als je bedenkt dat televisiepersoonlijkheden veel narcistischer zijn dan de gemiddelde bevolking, zoals blijkt uit dit onderzoek (fulltext achter de poort). De auteurs van dat onderzoek waarschuwen dan ook voor wat ze het spiegeleffect noemen: narcisme zou zich door onze neiging tot het ontwikkelen van parasociale relaties met televisiepersoonlijkheden over de bevolking verspreiden. Zie The Mirror Effect. How Celebrity Narcissism Is Seducing America. Ik heb er weinig moeite mee om me daar iets bij voor te stellen.

vrijdag 13 april 2012

Gezondheid en sociale omgeving (16): Is televisiekijken een vervanging voor echte sociale interactie?

Omdat we in een maatschappij leven waarin de kans op sociaal isolement en eenzaamheid behoorlijk groot is, kun je je afvragen of mensen vervangers zoeken voor echte sociale interactie. Eerder noemde ik verschillende mogelijke vervangers, zoals imaginaire vriendschappen, huisdieren en het geloof in een God.

Omdat in onze maatschappij de televisie een grote plaats in ons leven is gaan innemen, zou het ook kunnen zijn dat wij televisiekijken gebruiken als een vervanging voor ontbrekende, echte sociale interactie. Als je daarover nadenkt, dan realiseer je je meteen dat onze televisieprogramma's in overweldigende mate een sociale inhoud hebben. We zitten vooral naar andere mensen te kijken als we televisie kijken. En die anderen mensen zijn ook bijna altijd dezelfde bekende "televisiepersoonlijkheden", want we willen kennelijk die vertrouwdheid en de mogelijkheid om die mensen "te leren kennen". Ook de makers van educatieve en informatieve programma's zoeken bij voorkeur een bekende persoonlijkheid als presentator. Terwijl je ook zou kunnen denken dat dat alleen maar afleidt van de inhoud.

In het bericht waar ik hierboven naar link, noemde ik vooral het kijken naar soap-series en reality-shows en het volgen van celebrities als mogelijke vervangers van echte sociale interactie. Daarover een andere keer. Nu over het televisiekijken op zich als mogelijke vervanger. We betrappen ons er denk ik allemaal wel eens op dat we als we alleen zijn de televisie aan zetten, ook als we niet echt gaan zitten kijken. Zou dat zo functioneren dat we onszelf eigenlijk voor de gek houden? We weten wel dat we geen echte interactie de huiskamer binnen halen, maar wat er op het scherm gebeurt lijkt daar kennelijk zoveel op dat we het apparaat liever aan hebben dan uit.

Dat we de televisie inderdaad zo gebruiken, blijkt uit dit onderzoek uit 2008. Mensen die aangeven eenzaam te zijn, gebruiken meer de televisie als vervangend "gezelschap" dan mensen die niet of minder eenzaam zijn. Interessant is dat ze ook meer in zichzelf praten en dan vooral in negatieve, zelfkritische zin. En als mensen alleen zijn (ook degenen die niet eenzaam zijn) doen ze hetzelfde, zij het dat dat praten in zichzelf minder zelf-kritisch is.

Is televisiekijken dan een goede vervanging? Verschaft de televisie ook echt een oplossing voor het probleem van eenzaamheid en van periodes van alleen zijn? Daarvoor zou je eenzame mensen moeten vergelijken die wel en die niet de televisie als vervangend "gezelschap" gebruiken. Dat wordt ingewikkeld, want je moet dan wel meenemen wat die mensen die niet de afstandsbediening pakken in plaats daarvan wel doen. Misschien proberen ze echte contacten te leggen en dat lijkt verstandiger. Maar ik ken geen onderzoek dat hierover duidelijkheid verschaft.

maandag 2 april 2012

Vergroot televisiekijken op jonge leeftijd de kans op autisme? Vandaag Wereld Autisme Dag

Wat kan de oorzaak zijn van de sterke toename van het aantal autisme diagnoses bij kinderen en volwassenen? Aanleiding tot deze vraag is dat het vandaag World Autism Awareness Day is. In Nederland is deze dag zelfs uitgebreid tot een Autismeweek. Ingrid Robeyns wijdt er op Crooked Timber een aantal blogberichten aan. In dit bericht wijst ze op de vooral in Nederland heersende neiging om te vinden dat die toename in diagnoses niet een aanwijzing is voor een echte toename van autisme stoornissen. Er zou "alleen maar" meer vraag naar diagnoses zijn omdat ouders en andere volwassenen steeds minder tolerant zijn voor afwijkend en lastig gedrag. En omdat het etiket autisme nodig is voor medicatie en voor ondersteuning. Bovendien wil de farmaceutische industrie graag die medicijnen verkopen.

Die verklaringen voor de toename van autisme (en AD(H)D) diagnoses kunnen wat mij betreft best kloppen. Sterker, ik denk dat ze kloppen. Maar ze sluiten helemaal niet uit dat er daarnaast ook nog een echte toename van autisme heeft plaats gevonden. Een interessante onderzoekslijn vind ik die waarin een verband wordt gelegd met de toename van televisiekijken door kinderen. Want het is opvallend dat de periode van de introductie en verspreiding van de televisie ongeveer samenvalt met de toename van autisme diagnoses.

Een behoorlijk overtuigende studie naar dit verband vind ik dit onderzoek van Waldman, Nicholson en Adilov. (De versie waar ik naar link is recent en zit voor degenen zonder een abonnement achter een poort. Maar eerdere versies zijn op internet te vinden.) De auteurs kijken naar de introductie en verspreiding van kabeltelevisie abonnementen tussen 1972 en 1992 in provincies van Californië en Pennsylvania en gaan na of er een verband is met de groei van de autisme in die provincies. Specifiek kijken ze naar leeftijdscohorten die drie jaar of jonger waren toen de kabeltelevisie werd geïntroduceerd. Na veel statistische bewerkingen en controles komen ze tot de conclusie dat de introductie van kabeltelevisie inderdaad heeft bijgedragen tot de toename van autisme diagnoses. Ze berekenen dat 18 procent van de toename van autisme kan worden toegeschreven aan de toename van kabeltelevisieprogramma's voor kinderen.

De vraag blijft natuurlijk wat er precies gebeurt met kinderen die in hun eerste drie levensjaren veel naar televisie kijken. Waarschijnlijk lijkt dat er een gen-omgevingsinteractie plaats vindt. In de zin dat het televisiekijken de kans op autisme vergroot voor die kinderen die al een genetische aanleg in die richting hebben. Maar hoe dat dan precies werkt?

Het zou kunnen zijn dat het veel televisiekijken ten koste gaat van de tijdsbesteding aan sociale interactie met anderen. En dat "bad" in die sociale wereld, dat ook prikkelt en uitdaagt tot actieve deelname aan die wereld, lijkt noodzakelijk voor een gunstige sociale en morele ontwikkeling. Het lijkt plausibel dat kinderen die op die jonge leeftijd veel televisiekijken minder tijd in dat sociale bad doorbrengen. In plaats daarvan gaan ze wel op in al die sociale gebeurtenissen die zich op dat scherm afspelen. Maar dat doen ze noodzakelijkerwijs puur eenzijdig: ze zijn toeschouwer. Misschien heeft ook die overmaat aan toeschouwen op die jonge leeftijd iets te maken met de ontwikkeling van autisme verschijnselen.

Tenslotte: jaren geleden las ik een eerste versie van dit onderzoek. De onderzoekers waren er toen, vraag niet hoe, achter gekomen dat het aantal autisme diagnoses samenhing met hoeveel neerslag er was gevallen in de eerste levensjaren. Ze gingen er toen aan denken dat het te weinig buiten spelen misschien iets met het ontstaan van autisme te maken had. Tot ze er over gingen nadenken wat die kinderen dan wel zouden doen als ze niet buiten speelden. Ja, televisiekijken.

maandag 16 januari 2012

Maakt reclame ons materialistischer, ondankbaarder en daardoor ongelukkiger?

Het World Wide Fund for Nature (WWF) en het Public Interest Research Centre (PIRC) hebben een een rapport laten samenstellen met een overzicht van het wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van reclame op houdingen en welzijn van mensen. Het is hier te lezen. De conclusie van het rapport is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat reclame negatieve gevolgen heeft:
1. toename van onze ecologische voetafdruk door het aanjagen van consumptie,
2. versterken van extrinsieke aspiraties (conformisme, uiterlijk vertoon, najagen van financieel succes en prestaties in de ogen van anderen, macht),
3. en daarmee het verzwakken van onze intrinsieke aspiraties (goede relaties met familie en vrienden, tevredenheid met jezelf, gemeenschapsgevoel, helpen van anderen, gerichtheid op collectief welzijn).
Daardoor heeft reclame een negatief effect op onze tevredenheid met het leven en ons geluk.

Het rapport weerlegt drie argumenten dat het met de gevolgen van reclame wel zou meevallen:
1. het argument dat mensen door reclame alleen andere producten kopen en niet meer producten,
2. het argument dat reclame niet meer is dan een spiegel van de bestaande waarden (en dus niet die waarden beïnvloedt),
3. het argument dat reclame alleen maar de keuzevrijheid vergroot.
Aan het eind komen de auteurs tot twee aanbevelingen:
1. neem in de reclamecodes op dat reclame niet mag appeleren aan extrinsieke waarden (dus bijvoorbeeld niet een product mogen aanprijzen als een middel om "populair" te worden),
2. verminder de alomtegenwoordigheid van reclame: minder of geen reclame in de publieke ruimte, meer mogelijkheden om je er van af te sluiten (opt-out), meer publieke of anderszins niet commerciële financiering van nieuws en andere media. (En doe dit vooral voor en ten behoeve van kinderen.)
Tenslotte stellen ze voor om reclamemakers te verplichten om voor de negatieve gevolgen van blootstelling aan reclame te waarschuwen. Vergelijk maar met verplichte waarschuwingen tegen roken.

Omdat televisiekijken praktisch gelijk staat aan intensieve blootstelling aan reclame, kun je verwachten dat televisiekijken dezelfde negatieve gevolgen heeft. In het onderzoek naar de gevolgen van televisiekijken heet dat het cultiveringseffect. Het houdt in dat in de inhoud van televisieprogramma's de extrinsieke waarden meer worden benadrukt, ten koste van de intrinsieke waarden. Waardoor je van veel televisiekijken materialististischer wordt, wat wil zeggen dat je van consumptie meer goede dingen van het leven verwacht dan realistisch is. En daardoor wordt je minder tevreden met je leven. Dat dat inderdaad zo is, blijkt uit deze studie, die vorig jaar verscheen.

Tenslotte: denk ook aan dit bericht waarin ik inging op de positieve gevolgen van gevoelens van dankbaarheid en me afvroeg waarom we dan niet vaker dankbaar zijn. De economie, en daarmee onze reclamemakers, zijn niet zo geïnteresseerd in onze dankbaarheidsgevoelens. Dat consumeert niet zo lekker.

dinsdag 22 november 2011

Dankbaarheid verhoogt welzijn. Waarom zijn we dan vaak ondankbaar?

John Tierney geeft een mooi overzicht van het onderzoek naar de gunstige effecten van dankbaarheid. Zie het bericht hieronder. Door een houding van dankbaarheid te cultiveren voor wat je hebt en voor wat anderen voor je doen, verbeter je je gezondheid, slaap je beter, heb je minder last van angststoornissen en depressie, ben je tevredener met je leven en ben je aardiger voor anderen. Ook reageer je minder agressief op provocaties.

Dat weten we omdat onderzoekers op verschillende manieren bij proefpersonen gevoelens van dankbaarheid teweeg brachten. Bijvoorbeeld door hen te instrueren om een "dankbaarheidsdagboek" bij te houden, waarin ze op gezette tijden iets opschreven waarvoor ze dankbaar waren. Een aardige geste van iemand, iets wat ze hadden geleerd, een mooie zonsondergang, wat niet al. Of door hen een brief te laten schrijven aan iemand die hun leven ten goede had veranderd en die aan die persoon te laten voorlezen en overhandigen. Of door te arrangeren dat ze door iemand geholpen werden. De effecten daarvan konden dan worden vergeleken met een controlegroep die andere instructies hadden gekregen of die niet waren geholpen.

Toen ik hier bij stilstond, nam ik me voor om vaker dankbaar te zijn. Maar ook vroeg ik me af hoe het komt dat wij onderzoekers nodig hebben die ons er toe aanzetten om dankbaar te zijn. Waarom zijn we niet vanuit onszelf vaker dankbaar? Wat houdt ons tegen? Of waarom komen we niet op het idee?

Het heeft denk ik te maken met onze sterke sociale beïnvloedbaarheid. Dat werkt zoals altijd twee kanten op. Die onderzoekers zijn succesvol in staat om onze houding van dankbaarheid te vergroten. Maar in ons dagelijks leven staan we ook bloot aan sterke invloeden die de andere kant op werken. Ik denk natuurlijk aan de invloed van reclame en van televisieprogramma's over succesvolle beroemdheden, die veel meer bereikt hebben dan dat ons gelukt is. Al die boodschappen zijn bepaald niet bedoeld om onze dankbaarheid te vergroten. Integendeel, ze maken ons ontevreden en jaloers. En dat moet ook, want ondankbare mensen consumeren meer dan dankbare. Onze ondankbaarheid is goed voor "de economie". En ondankbare mensen  hebben meer interesse in beroemdheden en die beroemdheden leven van onze aandacht. 

Je kunt hier dus twee lessen uit trekken:

1. Wees vaker dankbaar.

2. Dat is gemakkelijker om te doen als je je minder blootstelt aan reclame en aan narcistische beroemdheden. Dus kijk minder televisie en kijk selectiever.

A Serving of Gratitude Brings Healthy Dividends - NYTimes.com:

'via Blog this'

zondag 20 november 2011

Meer schulden maken door blootstelling aan reclame

De huidige financieel-economische problemen in de Verenigde Staten en Europa zijn voor een groot deel terug te voeren op een schuldencrisis. En die schuldencrisis lijkt voorafgegaan te zijn door een lange periode van ongeveer een halve eeuw waarin mensen meer schulden zijn gaan maken. Over gegevens voor Europa beschik ik niet, maar die voor de V.S. zijn te vinden in dit paper.

De auteurs van dat paper vragen zich af of die toename van schulden er mee te maken heeft dat in ongeveer diezelfde periode de televisie opkwam en zichzelf snel over vrijwel alle huishoudens verspreidde. Want met de televisie nam de blootstelling aan reclame snel toe. Reclame roept op tot consumeren. Daarvoor is geld nodig en daar kunnen mensen meer over beschikken door meer te gaan werken en/of door meer te gaan lenen.

In de periode van het begin van de televisie wees John Kenneth Galbraith (de vader van James Galbraith) er in The Affluent Society al op dat de toename van reclame zou leiden tot economisch inefficiënt hoge niveau's van consumptie, arbeidsuren en schulden en een te laag niveau van vrije tijd. Dat "economisch inefficiënt" betekent dat mensen er beter aan toe zouden zijn als ze niet of minder aan reclame waren blootgesteld.

De onderzoekers van het paper waar ik hierboven naar linkte, onderbouwen het vermoeden dat het blootgesteld zijn aan reclame door televisiekijken leidt tot het meer aangaan van schulden. Daar voor keken ze naar waar in de V.S. eerder en waar later tussen 1945 en 1975 de televisie was doorgedrongen. En ze brachten die gegevens in verband met cijfers over schulden van huishoudens. Het blijkt dan dat de verspreiding van televisie samen ging met een toename van schulden ten behoeve van duurzame consumptiegoederen. Ook ging het samen met een toename van de arbeidsparticipatie.

Dit wijst erop dat de toename van schulden na de Tweede Wereldoorlog, althans in de V.S., op gang is gebracht doordat mensen televisie gingen kijken en daardoor ineens veel meer aan reclame werden blootgesteld. Opmerkelijk is trouwens dat het maken van schulden nog steeds sterk toenam nadat de televisie al tot vrijwel alle huishoudens was doorgedrongen en het aantal uren televisiekijken stabiliseerde.

woensdag 19 oktober 2011

Maakt geweld in media ons echt agressiever? En hoe kan dat dan?

Worden we echt gewelddadiger door het kijken naar geweld op televisie en door gewelddadige games te spelen? Is het niet zo dat mensen die veel naar gewelddadige televisieprogramma's kijken en die graag gewelddadige games spelen, meer gewelddadig van aard zijn? Zodat al dat kijken en spelen daar niets aan toevoegt, maar gewoon een uiting is van hun al bestaande inborst?

Nee. In het onderzoek is met dit zogenaamde selectie-effect rekening gehouden. Dat gebeurt op twee manieren,  oftewel door een experimentele opzet van het onderzoek, oftewel door zogenaamd longitudinaal onderzoek.

In experimenteel onderzoek worden "proefpersonen", vaak kinderen, willekeurig over twee groepen verdeeld, een experimentele groep, die naar een gewelddadig programma kijkt (of een gewelddadige game speelt), en een controlegroep, die naar een ander soort televisieprogramma kijkt (of een andere soort game speelt). Na die "behandeling" observeren de onderzoekers hoe de kinderen zich gedragen als ze met andere kinderen spelen (zonder dat die onderzoekers weten welk kind tot welke groep behoorde). Er komt dan uit dat de kinderen uit de experimentele groep agressiever zijn dan de kinderen uit de controlegroep. Het gaat hier altijd om een korte termijn-effect van een korte periode kijken of spelen.

In longitudinaal onderzoek worden personen gedurende langere tijd gevolgd en worden op twee tijdstippen metingen gedaan. Bijvoorbeeld in deze studie stelden onderzoekers in de jaren zestig van de vorige eeuw van kinderen tussen de 6 en de 10 jaar vast hoe vaak ze naar televisieprogramma's keken waar veel geweld in voorkwam en verzamelden ze oordelen van klasgenoten over hoe agressief ze waren. Ongeveer 15 jaar later traceerden ze zoveel mogelijk van deze personen, die nu jongvolwassenen waren. Hun mate van agressief gedrag werd gemeten door ze er zelf naar te vragen, door een (door henzelf aangewezen) persoon in hun nabijheid daar naar te vragen en door na te gaan of ze voor een geweldsmisdrijf waren veroordeeld. Het blijkt dan dat jongvolwassenen die als kind meer naar gewelddadige televisieprogramma's keken, agressiever waren dan jongvolwassenen die als kind minder naar zulke programma's hadden gekeken. Het belangrijke is nu dat dit blijft gelden ook als je rekening houdt met de mate van agressiviteit als kind. Dat is een sterke aanwijzing voor een oorzakelijke relatie: het als kind veel gekeken hebben van gewelddadige televisieprogramma's verhoogt de mate van agressiviteit op jong-volwassen leeftijd. Door het longitudinaal te onderzoeken maak je het mogelijk dat het effect van het kijken naar gewelddadige programma's zich openbaart. Het is duidelijk dat het hier om een lange termijn-effect gaat.

Hoe kan het dat geweld in de media ons agressiever maakt? Het artikel waarnaar ik hierboven verwijs, noemt twee mogelijke verklaringen:

1. Door veel geweld waar te nemen leer je dat de wereld vijandig is en dat agressie een geschikt en aanvaardbaar middel is om problemen op te lossen. En naar die gedachten ga je handelen.

2. Het veel waarnemen van geweld maakt je er ongevoelig voor. We leren als kind gemakkelijk negatieve emotionele reacties op geweld aan. Maar het veel waarnemen van geweld zorgt er voor dat die reactie gedempt wordt. Je raakt er aan gewend. (Update. Dit komt overeen met de resultaten van dit onderzoek, dat ik eerder aanhaalde.) Als we in situaties terechtkomen waarop we agressief zouden kunnen reageren, is de drempel om dat te doen daardoor lager.

Beide verklaringen zie ik als mogelijke mechanismen die in overeenstemming zijn met de Dual Mode-theorie. Bedenk dat het hier altijd om geweld tussen personen gaat. Waardoor de context die van de statuscompetitie is. En we weten dat het vooral dat element van competitie is, dat de agressiviteit oproept.

Ik denk dat er bij dat geweld in de media nog een bijzonder mechanisme werkt. Er komt namelijk bij, in vergelijking met waarnemen van geweld op straat, dat makers van programma's (en van games), en hun bazen, kennelijk hebben besloten om zulke programma's en games te (laten) maken en uit te zenden en te verkopen. Dat kan je op de gedachte brengen dat geweld heus niet zo afkeurenswaardig is. Anders zouden ze dat toch niet uitzenden of verkopen? Geweld krijgt zo eigenlijk een soort officiële goedkeuring.

dinsdag 18 oktober 2011

Geweld in media verhoogt agressiviteit

Volgens de Dual Mode-theorie verhoogt het in aanraking komen met asociaal gedrag van anderen de kans dat je jezelf ook asocialer gaat gedragen. Dus als je veel met interpersoonlijk geweld in aanraking komt, bijvoorbeeld doordat je opgroeit in een gewelddadige buurt, dan ga je jezelf ook gewelddadiger gedragen. Er zijn veel aanwijzingen voor die besmettingshypothese.

Het is zo langzamerhand ook duidelijk dat hetzelfde effect optreedt als het gaat om in aanraking komen met virtueel geweld, door veel te kijken naar televisieprogramma's waarin geweld voorkomt of door veel gewelddadige videogames te spelen. Er zijn aanwijzingen dat het effect meer wordt veroorzaakt door het competitie-element dan door het geweld zelf.

Hoe het precies werkt, wordt steeds duidelijker door hersenonderzoek. In een recente studie blijkt dat adolescenten die veel gewelddadige videogames spelen, waarin ze virtueel op mensen schieten, in reactie op emotionele beelden minder hersenactiviteit vertonen dan adolescenten die geen ervaring hebben met zulke games.

Je gaat dan denken dat het omgekeerde effect ook zou kunnen optreden: dat mensen door media-inhoud met veel pro-sociaal gedrag zich pro-socialer gaan gedragen. En dat blijkt ook zo te zijn.

Dat maakt het toch bepaald van belang met welke inhoud we de televisie en de videogames vullen.

woensdag 31 augustus 2011

Pro-sociaal Gedrag

Tot 2009 verzorgde ik het vak Pro-sociaal Gedrag als onderdeel van de Master Sociologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Ter informatie hieronder de beschrijving van het vak, samen met de literatuurlijst.