Posts tonen met het label sociale veiligheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale veiligheid. Alle posts tonen

dinsdag 5 december 2023

Sociaalwetenschappelijk gezien zijn opkomst en neergang van rechts-extremisme in democratieën goed te verklaren - 4. Sociale veiligheid voor en na de neoliberale wending.

Laten we zeggen dat het sociaalwetenschappelijk onderzoek enig inzicht verschaft in het denken van de rechts-extremisten die nu al tientallen jaren deel uitmaken van het politieke landschap. Zie hier het vorige bericht in deze reeks. We zagen dat in die twee wereldbeelden die je bij rechts-extremisten aantreft, dat van de Sociale Dominantie Oriëntatie en dat van het Right-Wing Authoritarianism, gemakkelijk het statuscompetitiepatroon valt te herkennen.

Hoe valt nu te verklaren dat we nu in de politiek wel met een flinke dosis rechts-extremisme te maken hebben, terwijl dat in de twee à drie decennia na de Tweede Wereldoorlog niet het geval was? Wat is er in zo ongeveer de jaren 70 en 80 veranderd waardoor dat rechts-extremisme de wind in de zeilen heeft gekregen? Niet alleen in Nederland, maar ook in al die andere landen waar het rechts-extremisme gegroeid is. Denk aan Trump en de Republikeinen in de Verenigde Staten, Johnson en de Conservatieven in Groot Brittannië, het Front National in Frankrijk, het Vlaams Belang in België, Fratelli d'Italia en Forza Italia in Italië, de AfD in Duitsland en de PiS in Polen.

Een sociaalwetenschappelijk inzicht is dat het statuscompetitiepatroon wordt uitgelokt door een toename van sociale onveiligheidsgevoelens. Dan kan het gaan om sociale onveiligheid in de persoonlijke levenssfeer, maar ook sociale onveiligheid in de meer onpersoonlijke sfeer die daar boven uitgaat en die beïnvloed wordt door het door de overheid gevoerde sociaal-economische beleid. 

Als dat beleid er op gericht is en erin slaagt om voor de bevolking bestaanszekerheid tot stand te brengen, dan zal dat bijdragen tot gevoelens van sociale veiligheid onder de bevolking. Niet alleen als gevolg van die bestaanszekerheid op zich, de eigen inkomens- en baanzekerheid, maar ook door het besef in een democratie te leven waarin medeburgers erop uit zijn om niet alleen zichzelf, maar ook elkaar die bestaanszekerheid te verschaffen. In een land waarin "de gemeenschap georganiseerd is in de staat", waarin iedereen meetelt. 

Hoewel er geen sociaalwetenschappelijk onderzoek bestaat waarin precies dat is aangetoond, al was het maar doordat voor "sociale onveiligheidsgevoelens" nimmer een meetinstrument is ontwikkeld, is het wel zeer aannemelijk dat de eigen bestaanszekerheid plus het besef van iedereen-telt-hier-mee sterk tot sociale veiligheid bijdragen. Persoonlijke en maatschappelijke condities dus die (1) sociale veiligheidsgevoelens bevorderen, en daardoor (2) gemeenschapsgedrag bevorderen en statuscompetitiegedrag tegengaan, waardoor (3) rechts-extremisme in de politiek onwaarschijnlijk is. Zo ongeveer de condities die in de eerste twee à drie decennia na de Tweede Wereldoorlog bestonden, de periode van de opbouw van de sociale zekerheid en de verzorgingsstaat. En van het macro-economische streven naar volledige werkgelegenheid om zo de werknemers te beschermen tegen met elkaar op de arbeidsmarkt concurrerende werkgevers.

Maar toen kwam de wending naar de neoliberale sociaal-economische politiek. Waarin het geloof zich verbreidde dat alles zoveel mogelijk aan de markt diende te worden overgelaten en waarin de overheid zich vooral zoveel mogelijk moest beperken tot het ruim baan geven aan marktwerking. In dat geloof moest het verschaffen van bestaanszekerheid juist niet het eerste doel zijn. Voorop moest staan dat economische groei werd bevorderd en dat kon alleen met meer marktwerking. En mensen die aan de markt deelnemen, moeten worden geprikkeld om zich in te spannen. Ze behoren dus de positieve en negatieve gevolgen van hun gedrag voor zichzelf te voelen en te ondergaan. Ze moeten met een "prikkelstructuur" geconfronteerd worden die hen aanzet tot dat gedrag dat het meeste bijdraagt aan economische welvaart. Dat is voor iedereen het beste.

Dat is in een notendop het neoliberale denken over menselijk gedrag. In dat denken is er eigenlijk geen motivering voor sociale zekerheidswetgeving of meer algemeen voor al die wetgeving die beoogt om iedereen te laten meetellen. Voor een bodem waar niemand door heen zou mogen zakken. Die zou immers afbreuk doen aan die prikkelstructuur. Er is één "poort"' waar doorheen alles wat we "welvaart" vinden, tot stand komt en dat is de markt. Met aan de ingang dat door marktprikkels gestuurde gedrag van 'de hardwerkende Nederlanders" en aan de uitgang de zo groot mogelijke economische welvaart. Merk op dat er in die manier van denken geen gemeenschapsgedrag bestaat, noch statuscompetitiegedrag. En merk op dat alles wat mensen willen door economische welvaart wordt afgedekt, dus door wat je met geld kunt kopen. Dus ontbreekt ook dat mensen behoefte hebben aan sociale veiligheid.

Wat zijn de gevolgen geweest van die neoliberale wending en hoe hebben die bijgedragen aan de opkomst van het rechts-extremisme? Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

donderdag 27 juli 2023

Door gemeenschapsgedrag van jezelf en van anderen voel je je gelukkiger. Geen aanwijzingen voor positieve effecten van mindfulness meditatie, fysieke activiteit en contact met de natuur

Het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de voorwaarden voor je gelukkig voelen is nog maar van recente datum. Verreweg de meeste studies zijn nog in deze eeuw gepubliceerd. Wat leren we van dat onderzoek?

Daarover gaat de nieuwe studie A systematic review of the strength of evidence for the most commonly recommended happiness strategies in mainstream media. De auteurs, Dunigan Folk en Elizabeth Dunn, zochten alle studies bij elkaar die waren uitgevoerd om te checken of een of meer van de vijf in de media meest aanbevolen strategieën om gelukkiger te worden, ook inderdaad het beoogde effect hadden. Die strategieën waren:

  • Dankbaarheid uiten naar anderen of gebeurtenissen in je leven door te schrijven in een dankbaarheidsschriftje, denken aan hoe gelukkig je bent, schrijven van dankbaarheidsbrieven aan anderen
  • Sociale interactie: sociale omgang en contact opnemen met vrienden en familie, gesprekken voeren met vreemden en sociabeler zijn
  • Mindfulness/meditatie of loving kindness meditation beoefenen, ademhalingsoefeningen doen
  • Fitness en fysieke activiteit: fysiek actief zijn, zoals gewichtheffen, fietsen, hardlopen, wandelen, sportbeoefening of yoga
  • In de natuur zijn: meer tijd in de natuur doorbrengen, wandelen in de natuur, planten in huis halen

Naast geluk, werden in die studies termen als subjectief welzijn, tevredenheid met het leven, positieve gevoelens e.d. gebruikt.

Van de vele gepubliceerde studies die gevonden werden, ruim 11.000, bleven er na selectie uiteindelijk slechts 57 over die aan de gestelde kwaliteitseisen voldeden. Een van die eisen was dat ze van te voren geregistreerd waren, waarmee publication bias werd uitgesloten. Dat laatste slaat op het niet ter publicatie aanbieden als de voorspelde effecten niet gevonden worden. Dat er zoveel studies afvielen, wijst er op dat er heel veel onderzoek gepubliceerd wordt, en in de publiciteit komt, dat niet aan strenge eisen voldoet.

Uiteindelijk komt daaruit naar voren dat er in feite geen aanwijzingen bestaan voor positieve effecten van mindfulness meditatie, fysieke activiteit en in de natuur zijn op de mate van geluksgevoelens. Wel zijn er aanwijzingen voor positieve effecten van dankbaarheid en sociale interactie.

En laat dat nu precies zijn wat je had kunnen voorspellen als je was uitgegaan van het sociaalwetenschappelijke inzicht van de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur. Dus van de Dual mode-theorie. Want volgens dat inzicht is het streven naar sociale veiligheid fundamenteel aan het menselijke sociale gedrag en wordt die veiligheid bereikt door gemeenschapsgedrag en sociale verbondenheid met anderen met datzelfde gedrag. Die sociale verbondenheid creëert de neurofysiologische toestand van ontspanning en daarmee de de geluksgevoelens, het subjectieve welzijn, de tevredenheid met het leven of hoe je die ervaring van ontspanning maar wilt noemen.

Kortom, die aanbevelingen om vaker dankbaar te zijn en om meer sociale omgang met anderen te hebben, die sporen geheel met dat fundamentele inzicht over de aard van de menselijke sociale natuur. Gelukkig worden is niet zo gemakkelijk in je eentje, hoeveel je ook mediteert, hoe fysiek actief je ook bent of hoeveel tijd je ook in de natuur doorbrengt. 

Als dat alles niet samengaat met het deel uitmaken van een kring van gemeenschapsgedrag over en weer, dan levert het niet veel op aan geluksgevoelens. (Dat die aanbeveling van dankbaarheid een positief effect heeft, zal er aan liggen dat je op het bestaan van die kring wordt geattendeerd.)

Een ander komt er mee overeen dat het leiden van een zinvol leven, ook wel eudaimonisch geluk genoemd, wat onder meer inhoudt dat je "actief bijdraagt aan het geluk en welbevinden van anderen", opmerkelijk positieve effecten heeft, die zelfs samenhangen met een betere werking van je immuunsysteem. Zie Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.

woensdag 12 juli 2023

Over sociaalwetenschappelijke inzichten die je ogen openen. En over Mark Rutte die geen beroep deed op ons betere ik.

Als je het sociaalwetenschappelijke inzicht dat de menselijke sociale natuur innerlijk tegenstrijdig is, namelijk tussen ons vermogen tot gemeenschapsgedrag en ons vermogen tot statuscompetitiegedrag, tot je laat doordringen, dan gaat er een wereld voor je open. 

Nee, dat is niet overdreven. Dat inzicht helpt je om bij de chaotische veelheid van je dagelijkse ervaringen met jezelf en anderen en van het politieke en maatschappelijke nieuws dat je tot je neemt, een flinke stap terug te doen en te reflecteren over wat er aan die veelheid gemeenschappelijk is. Je ogen zijn geopend voor het opmerken van gevallen waarin het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee actief is dan wel gevallen waarin het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich de overhand heeft. 

Dan gaat het over het waarnemen, het herkennen, van gedragingen als gevallen van het ene dan wel het andere patroon. Maar er is ook het verklaren en begrijpen. Dan gaat het over de sociaalwetenschappelijke inzichten in de voorwaarden waaronder elk van die gedragspatronen zich vooral voordoen. 

In grote lijnen: alles draait om de vraag of mensen zich sociaal veilig voelen. Als dat zo is, dan vergroot dat sterk de kans op gemeenschapsgedrag. Datzelfde gemeenschapsgedrag, maar dan van anderen in de sociale omgeving, maakt dat iemand zich sociaal veilig voelt. Anders gezegd, gemeenschapsgedrag van de een lokt gemeenschapsgedrag van de ander uit. Afgezien van het gedrag, is vertrouwdheid een belangrijke, maar niet perfecte, aanwijzing voor sociale veiligheid.

Andersom vergroot sociale onveiligheid de kans op statuscompetitiegedrag. En net zo maakt het statuscompetitiegedrag van anderen dat iemand zich sociaal onveilig voelt. Statuscompetitiegedrag van de een lokt het statuscompetitiegedrag van de ander uit.

De evolutionaire achtergrond van deze inzichten bestaat eruit dat alle organismen, dus ook mensen, erop zijn geselecteerd om veiligheid te zoeken en onveiligheid te vermijden. Veiligheid in de betekenis van gunstig voor overleving en reproductie. De wereld van organismen is uiterst divers en de implicaties hiervan kunnen voor verschillende soorten heel verschillend uitpakken. 

De menselijke soort is geëvolueerd tot een sociale diersoort, wat in ons geval betekent dat het samenwerken en delen in het verleden sterk heeft bijgedragen aan onze overleving en reproductie. Dat betekent dat onze voorouders werden geselecteerd op dat vermogen tot het gemeenschapsgedrag van iedereen-telt-mee, want dat vormde de grondslag voor het samenwerken en delen. En het betekent dat individuele en sociale onderdrukking van de neiging tot statuscompetitiegedrag onderdeel werd van dat gemeenschapspatroon. Want met het ieder-voor-zich van het statuscompetitiegedrag was samenwerken en delen natuurlijk onmogelijk.

Die evolutionaire achtergrond laat je beide gedragspatronen herkennen als in het verleden geselecteerde aanpassingen aan de aard van de sociale omgeving. Bij sociale onveiligheid ligt het statuscompetitiepatroon klaar om uitgevoerd te worden. Je moet voor jezelf opkomen, want anderen doen dat niet. Neurofysiologisch is dat de vechtreactie. Je moet zo hoog mogelijk in de statushiërarchie terecht zien te komen. En hoe meer dat niet lukt, hoe meer je door onderdanigheid (neurofysiologisch: de immobilisatiereactie) zult proberen om de schade zoveel mogelijk te beperken.

En bij sociale veiligheid ligt het gemeenschapspatroon klaar om uitgevoerd te worden. Je ervaart dan een toestand van sociale verbondenheid, die neurofysiologisch gepaard gaat met een toestand van ontspanning. Je weet dat jij meetelt omdat iedereen meetelt. 

Voor iedereen die dit blog al langere tijd volgt, komt dit alles bekend voor. In talloze blogberichten komen deze inzichten of onderdelen daarvan terug. Met vele verwijzingen naar wetenschappelijk onderzoek. Maar het leek me goed om de kern ervan nog eens een keer kort en bondig op te schrijven.

Met als kleine illustrerende toegift een toepassing ervan op het actuele probleem van de democratie. En op de actualiteit van het aangekondigde vertrek uit de politiek van Mark Rutte, al dertien jaar onze premier. 

Over het tijdperk Rutte is de afgelopen dagen al veel geschreven. Ik bleef even hangen bij Mark Rutte, een weergaloze acrobaat die geen ontroering bracht, geen verhaal had en geen beroep deed op ons betere ik, dat Sheila Sitalsing voor de Volkskrant schreef. En in het bijzonder bij die ene zin, die deels terugkeert in de titel:

Een weergaloze acrobaat ook, die het publiek kon amuseren en ontzag kon inboezemen, maar geen ontroering bracht, geen verhaal, geen beroep deed op ons betere ik.

Die geen beroep deed op ons betere ik. Dat zijn maar acht woorden, maar ze zijn van grote betekenis. 

Want de democratie is de institutionalisering van ons gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee. Zowel in de zin van het algemeen kiesrecht als in de zin van gelijke rechten en van een beleid gericht op ieders welzijn. Dat betekent dat de democratie altijd verdedigd moet worden tegen de neiging tot statuscompetitiegedrag, tegen een politiek van ieder-voor-zich. Waarin het recht van de sterkste geldt en grote ongelijkheid niet als probleem wordt gezien.

Die verdediging van de democratie houdt in dat wij ons betere ik, dat wil zeggen het ik van het gemeenschapsgedrag, laten gelden en elkaar oproepen tot het handelen volgens dat betere ik. En het zou al helemaal moeten inhouden dat degenen die onze democratie vertegenwoordigen en personifiëren, een beroep doen op ons betere ik.

Dat Mark Rutte dat laatste niet deed, staat natuurlijk voor een heel politiek tijdperk, het tijdperk dat de politici, en vele burgers, in de ban waren van het neoliberalisme, van de marktvuistregel. 

Waarin dat betere ik inderdaad helemaal geen rol zou hoeven te spelen. Waarin het integendeel als "woke" moet worden gekleineerd. Zie De strijd tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag is die tussen de morele oproep aan de ene kant en het kleineren van die oproep als woke aan de andere kant.

Ik zei toch dat er met die sociaalwetenschappelijke inzichten een wereld voor je open gaat?

maandag 7 november 2022

Politiek links is moreel universalistisch en ziet de wereld als veilig en politiek rechts is moreel parochialistisch en ziet de wereld als onveilig

Als we even afzien van de minderheid van psychopaten en kwaadaardige narcisten, dan zijn alle mensen toegerust met de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. Dat hebben we overgehouden aan de lange periode waarin onze voorouders als jagers-verzamelaars voor hun overleving waren aangewezen op samenwerking en delen. Dat was alleen mogelijk als iedereen er van uit ging dat hij of zij meetelde, zowel in het behoren bij te dragen aan de samenwerking als in het mogen meedelen in de opbrengsten van die samenwerking. 

Dat wij mensen nu nog bestaan, komt doordat er in het verleden een selectie is geweest op het toegerust zijn met die morele gemeenschapsintuïties. Overigens zonder dat die evolutionair oudere intuïties, die van het statuscompetitiepatroon en dus van het ieder-voor-zich, volledig zijn uitgeselecteerd. Vandaar die innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur, zoals we die aantreffen in de Dual Mode-theorie.

Volgens Stellling 2 van die theorie, zullen mensen zich laten leiden door die morele gemeenschapsintuïties als ze waarnemen dat anderen dat ook doen. Er bestaat dan namelijk de sociale veiligheid die nodig is om mensen tot gemeenschapsgedrag te brengen. Ik ben bereid om aan de samenwerking bij te dragen, om daarvoor opofferingen te brengen, omdat ik erop vertrouw dat anderen dat ook doen en dat ik zal meedelen in de opbrengsten. Sociale veiligheid, oftewel gemeenschapsgedrag van anderen, lokt gemeenschapsgedrag uit.

Maar tegenwoordig bestaat die sociale veiligheid niet meer in die mate waarin hij in jagers-verzamelaarssamenlevingen bestond. Hoewel verreweg de meeste mensen met die morele gemeenschapsintuïties zijn toegerust, verschillen we in hoeveel sociale veiligheid er in onze omgeving is en in hoeveel we waarnemen. Vandaar dat we in onze huidige samenlevingen ook veel te maken hebben met dat statuscompetitiepatroon. 

Mensen kunnen namelijk verschillen in de omvang van hun kring van sociale veiligheid. Sommigen vinden die veiligheid alleen in hun kleine kring van familie en vrienden, anderen in de kring van hun landgenoten en nog weer anderen in de kring van de wereldbevolking. (Hoe kleiner die kring, hoe groter de kans op een angststoornis.)

In de nieuwe studie Moral universalism and the structure of ideology laten de onderzoekers zien dat die variatie in de omvang van die kring van sociale veiligheid bepalend is voor de structuur van de ruimte van politieke opvattingen, van ideologieën.

De omvang van die kring stellen ze vast door mensen steeds te laten kiezen hoe ze een bepaald bedrag aan geld zouden verdelen over zichzelf en anderen, waarbij die anderen hun naasten zijn, hun buurtgenoten, hun landgenoten of mensen die ergens op de wereld wonen. Het gelijk verdelen van dat bedrag ook als de ander iemand is die "ergens op de wereld" woont, valt dan aan te duiden als moreel universalisme. Als je daar voor kiest, dan strekt je morele gemeenschapsintuïtie van iedereen-telt-mee zich uit tot de gehele wereldbevolking. En als je kring klein blijft, dus bijvoorbeeld beperkt blijft tot die van je landgenoten, dan valt dat aan te duiden als moreel parochialisme. Het is alleen de "eigen parochie" die meetelt.

Nu blijkt dat de mensen die zichzelf politiek links noemen, meer moreel universalistisch zijn. Het zijn ook degenen die hogere overheidsuitgaven voor sociale zekerheid, volksgezondheid, ontwikkelingshulp, natuur en klimaat en een voorkeursbeleid voor minderheden voorstaan. Zij volgen duidelijk het iedereen-telt-mee en de geldigheid daarvan strekt zich uit tot de wereldbevolking. Dat is in dit onderzoek niet meegenomen, maar zij zullen ook positiever staan tegenover vluchtelingen.

Daarentegen zijn de mensen die zich tot politiek rechts rekenen, meer moreel parochialistisch. Ze staan juist hogere overheidsuitgaven voor defensie, contraspionage, politie en grenscontrole voor. Het is het wereldbeeld van ieder-voor-zich, dus van de statuscompetitie.

Waaruit je kunt opmaken, dat moreel universalisme samengaat met een wereldbeeld van sociale veiligheid. Waarin je uit mag gaan van goede bedoelingen. En moreel parochialisme juist met het beeld van een sociaal onveilige wereld, waarin het eigen volk dient te worden beschermd tegen kwaadwillende interne en externe vijanden.

Dat het er bij dat morele universalisme dan wel parochialisme uiteindelijk gaat om het beeld van een veilige dan wel onveilige wereld, dat kom je in dat onderzoek trouwens niet tegen. Dat is een inzicht dat door de Dual Mode-theorie wordt aangeleverd.

maandag 19 september 2022

Meer contact vergroot het draagvlak voor asielzoekers - Twee nieuwe aanwijzingen voor de contacthypothese en de Dual Mode-theorie

Zes op tien Nederlanders (60 procent) vinden het 'onze morele plicht' om asielzoekers fatsoenlijk op te vangen. En 61 procent onderschrijft de uitgangspunten van het Nederlandse asielbeleid, zoals die vastliggen in internationale verdragen en Europees recht. Dit blijkt uit onderzoek van I&O Research, gebaseerd op een representatieve steekproef van 2684 Nederlanders. Het werd uitgevoerd in opdracht van de NOS, die daar gisteren over berichtte.

Er is de laatste tijd veel te doen over die opvang van asielzoekers. Denk aan die honderden asielzoekers die bij het COA in Ter Apel buiten moesten slapen vanwege een tekort aan slaapplekken. Volgens de VN Vluchtelingenorganisatie UNHCR lag dat er vooral aan dat de Nederlandse regering al jarenlang een kortetermijnbeleid voert. Als er even wat minder asielzoekers komen, worden opvangplekken snel gesloten. 

De indruk bestaat dat de regering terughoudend is in het opvolgen van de eisen van die internationale verdragen en het Europees recht. Misschien omdat vooral regeringspartij VVD beducht is voor stemmenverlies aan rechts-extremistische partijen die die verdragen en het geldende recht opzij willen zetten en een asielstop willen invoeren. 

Hoe dan ook, het blijkt dus dat een ruime meerderheid, die je overigens nog wel ruimer zou willen hebben, een fatsoenlijke opvang een morele plicht vindt en de uitgangspunten van het asielbeleid onderschrijft. Voor die meerderheid geldt dat de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee zich ook uitstrekt tot mensen die vluchten voor oorlog, geweld of vervolging.

Er werd in het onderzoek ook gevraagd naar het draagvlak voor een asielzoekerscentrum (azc) in de eigen buurt. Daar kwam een interessant verschil uit tussen mensen zonder en met een azc in de buurt (binnen 500 meter). 55 procent van de ondervraagden zonder een azc in de buurt zou vestiging van een azc acceptabel vinden. Dat percentage stijgt tot 73 procent voor degenen met wel een azc in de buurt. Hen werd gevraagd of ze vestiging van een azc in de buurt acceptabel hadden gevonden als hen dat destijds was gevraagd.

Het lijkt plausibel om aan te nemen dat dat hogere percentage eruit voortkomt dat die laatste groep ervaringen heeft opgedaan met met de aanwezigheid van asielzoekers in hun buurt. En contacten met hen heeft gehad.

Als dat zo is, dan zou dat geheel overeenkomen met de sociaalwetenschappelijke contacthypothese. Zie hier voor mijn laatste bericht over die contacthypothese: Door meer contact en dus vertrouwdheid bewegen we naar het gemeenschapsevenwicht. Volgens die hypothese nemen door een toename van onderling contact negatieve vooroordelen tussen mensen af en gaan ze positiever over elkaar oordelen. Door die toename van contact raken mensen meer met elkaar vertrouwd. Wat weer het gevoel van veiligheid bevordert dat maakt dat gemeenschapsgedrag waarschijnlijk wordt. Geheel volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie

Dit onderzoek van I&O Research voegt dus een aanwijzing toe aan al die aanwijzingen die er al bestaan voor die contacthypothese. En daarmee voor de Dual Mode-theorie.

Toevallig kwam er vandaag ook deze studie voorbij Exposure to Past Immigration Waves and Attitudes toward Newcomers, Die laat zien dat Duitsers die in gebieden wonen die in de jaren negentig een instroom meemaakten van immigranten uit de vroegere Sovjet-Unie, immigranten met een Duitse achtergrond, in 2016 positiever stonden tegenover de vluchtelingen uit het Midden-Oosten, in het bijzonder uit Syrië.  Dat is dus nog weer een aanwijzing erbij.

In beide gevallen gaat het overigens niet om een toename van persoonlijke vertrouwdheid, dat wil zeggen de vertrouwdheid met dezelfde personen. Een toename van vertrouwdheid met vertegenwoordigers van een bepaalde categorie (vluchtelingen, immigranten, asielzoekers) blijkt zich dus uit te kunnen breiden naar andere vertegenwoordigers van die categorie. Het sociale veiligheidsgevoel blijkt zich gemakkelijk te generaliseren.

dinsdag 6 oktober 2020

Over de eercultuur (statuscompetitie-evenwicht) en de cultuur van de menselijke waardigheid (gemeenschapsevenwicht) - En over de Republikeinen en de Democraten

Mensen hebben zich in hun evolutie zo ontwikkeld dat ze over een flexibele sociale natuur beschikken. Die flexibiliteit maakt dat ze adequaat kunnen reageren op verschillen in hun sociale omgeving. Als die sociale omgeving veilig is, als ze op de goedgezindheid van anderen kunnen vertrouwen, wordt hun gemeenschapspatroon getriggerd. Maar als de sociale omgeving vijandig is of zou kunnen zijn, dan komt hun statuscompetitiepatroon in werking.

Zoals we zagen, betekent dit dat er in elke menselijke samenleving twee sociale evenwichten mogelijk zijn, evenwichten in de zin van stabiele toestanden. In het gemeenschapsevenwicht verschaffen mensen elkaar de sociale veiligheid die het gemeenschapspatroon uitlokt. En daartegenover, in het statuscompetitie-evenwicht bestaat er de sociale onveiligheid die iedereen aanzet tot statuscompetitiegedrag. 

Ook zagen we dat het gemeenschapsevenwicht valt te prefereren boven het statuscompetitie-evenwicht. Maar dan gaat het om een globale beoordeling. Voor iedereen individueel hangt het geprefereerde gedrag af van de aard van de sociale omgeving. Als die sociaal veilig is, dus als het gemeenschapsgedrag overheerst, doet het individu graag met dat gedrag mee. Maar als het statuscompetitiegedrag overheerst, dan is het maar beter om je daar bij aan te passen. 

Als je het inzicht van het kunnen bestaan van die twee aan elkaar tegengestelde evenwichten al in het sociaalwetenschappelijk onderzoek tegenkomt, dan is het meestal zonder die evolutionaire achtergrond en in andere bewoordingen. Voor het idee van een sociaal evenwicht wordt dan de term cultuur gebruikt. Dit gebeurt in het onderzoek naar de eercultuur (culture of honor), waarin het gaat om het statuscompetitie-evenwicht. En waarin het gemeenschapsevenwicht wordt aangeduid als de cultuur van de menselijke waardigheid (culture of dignity). 

Neem de pas verschenen studie Implications of culture of honor theory and research for practitioners and prevention researchers. De onderzoekers beschrijven de eercultuur als een toestand waarin je gevoel van zelfwaardering afhankelijk is van hoe anderen over jou denken, in het bijzonder van het ontzag dat anderen voor jou hebben. Je zult er dus altijd op uit zijn om je reputatie, je eer, te verdedigen. Je moet altijd krachtig overkomen en nooit de indruk wekken dat je afhankelijk bent van anderen. Maar omdat dat voor anderen ook geldt, ontwikkelt zich dus een statuswedloop. Als anderen krachtig overkomen, moet jij daar weer over heen gaan. Zie ook het eerdere bericht Statuscompetitie en de eercultuur (culture of honor), met daarin de lijst van zestien stellingen waarmee onderzoekers vaststellen in hoeverre iemand die eercultuur aanhangt. Waaruit ook het verband met "mannelijkheid" (machismo) naar voren komt ("A real man can always take care of himself", "A real man will never back down from a fight", "A real man never leaves a score unsettled").

Dat die eercultuur inderdaad een clustering is van statuscompetitiegedrag blijkt er uit dat hij geografisch kan worden gelokaliseerd. In de Verenigde Staten bestaat hij in de zuidelijke staten en in de Mountain West (Arizona, Colorado, Idaho, Montana, Nevada, New Mexico, Utah en Wyoming). De oorsprong er van wordt ermee in verband gebracht dat de eerste Europese immigranten (Engelsen, Duitsers, Nederlanders) overwegend veehouders waren en zichzelf en hun vee moesten beschermen, ook al doordat centrale wetshandhaving en andere overheidsvoorzieningen nog nauwelijks bestonden. Er was een toestand van sociale onveiligheid. Die zichzelf reproduceert en versterkt doordat hij statuscompetitiegedrag aanwakkert.

In de overige staten en in Noord- en West-Europa tref je meer de clustering aan van de cultuur van de menselijke waardigheid. Zelfwaardering wordt daarin meer bepaald door het besef van een inherente menselijke waardigheid, die je dus hebt los van hoe anderen over je oordelen en die je dus ook niet door anderen kan worden ontnomen. Zoals dat dus wel het geval is met eer, reputatie en status. Omdat ieders waardigheid verzekerd is, bij wijze van onderlinge "afspraak", kan er daarover dus ook geen competitie ontstaan. Iedereen "mag er zijn", om het maar eigentijds uit te drukken. Als dat zo is, dan is er ook de steun voor overheidsvoorzieningen die voor iedereen beschikbaar zijn, dus voor de verzorgingsstaat. Dat bij elkaar genomen maakt dat er een toestand heerst van sociale veiligheid, die in een feedbackloop weer het gemeenschapsgedrag aanwakkert.

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar die eercultuur en de cultuur van de menselijke waardigheid wordt eigenlijk als vanzelfsprekend aangenomen wat ik hier en hier empirisch onderbouwde, namelijk dat de cultuur van de menselijke waardigheid valt te prefereren boven de eercultuur. Er zijn omstandigheden waaronder die eercultuur ontstaat en zich handhaaft, maar dat valt te betreuren en het zou beter zijn die omstandigheden weg te nemen. Zoals door de opbouw van een verzorgingsstaat. Zie Een maatschappelijk belangrijker vak sociologie had kunnen optreden als verdediger van de verzorgingsstaat

In het artikel dat ik hierboven noemde, gaan de onderzoekers specifiek in op drie negatieve elementen van de eercultuur: geweld tegen vrouwen, geweld in scholen en het meer voorkomen van psychische aandoeningen gecombineerd met terughoudendheid in het zoeken van hulp (en het daardoor meer voorkomen van suïcide).

In de actualiteit van de Amerikaanse politiek zien we zich een strijd afspelen tussen de aanhangers van de eercultuur, de Republikeinen, en de aanhangers van de cultuur van de menselijke waardigheid, de Democraten. Waarbij inderdaad de Republikeinen de verzorgingsstaat zoveel mogelijk willen afbreken en de Democraten die juist willen uitbreiden. Dat de eercultuur te prefereren valt, blijkt er uit dat de Amerikanen overwegend aanhangers zijn van de verzorgingsstaat. En blijkt er uit dat de Republikeinen inzien dat ze in de minderheid zijn en alleen door het opzij zetten van de democratie aan de macht kunnen blijven.

woensdag 19 augustus 2020

Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt

Hoe komt het dat het pro-sociale gedrag van anderen de kans vergroot dat we ook onszelf meer pro-sociaal gaan gedragen? Wat verklaart dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is? Die aanstekelijkheid was op dit blog al eerder aanleiding om het woord gemeenschapsgedrag te prefereren boven pro-sociaal gedrag, omdat daar al dat sociale beïnvloedingsproces in besloten ligt. Het gaat om gedrag "als in een gemeenschap", dus om gedrag dat je oftewel met zijn allen doet of helemaal niet. Maar omdat het woord gemeenschapsgedrag vooralsnog alleen op dit blog is ingeburgerd, hou ik het nu maar even bij pro-sociaal gedrag.

Dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is, zagen we in eerdere berichten langskomen: Wie goed doet, doet dubbel goed. Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk, Ook pro-sociaal gedrag in de media lokt pro-sociaal gedrag uit en Dreumesen schieten meer te hulp als iemand het goede voorbeeld heeft gegeven. En zie ook Nieuwe aanwijzingen voor de flexibele menselijke sociale natuur - gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit en de berichten over het verschijnsel van crowding-in.

En er is nu de nieuwe studie Prosocial modeling: A meta-analytic review and synthesis, waarin uit een meta-analyse van 88 studies met in totaal 25.354 proefpersonen blijkt dat er alles samengenomen een gematigd positief effect is van het waarnemen van pro-sociaal gedrag op het eigen pro-sociale gedrag. Het gaat dan om zaken als het doneren van geld, het geven van fooi, het oprapen van iets voor iemand die dat per ongeluk heeft laten vallen, iemand te hulp schieten en het kiezen voor samenwerken in plaats van profiteren.

Maar nu terug naar de vraag wat daarvoor de verklaring zou kunnen zijn. In die nieuwe studie worden drie gangbare verklaringen genoemd: imitatie van het gedrag, de neiging tot conformeren en de neiging om het doel van het gedrag over te nemen (goal contagion). En het zou kunnen zijn dat het een zogenaamd onderzoekerseffect is, dat wil zeggen de neiging van proefpersonen om te voldoen aan wat ze denken dat de onderzoeker van hen wil. De auteurs concluderen dat die verklaring van goal contagion het beste uit de bus komt. Mensen zouden dus als ze zien dat een persoon iemand anders helpt, daardoor zelf ook besluiten dat het goed is om anderen te helpen.

Dat is interessant. Want het zou aardig passen in het vermoeden dat bij mij steeds meer is komen bovendrijven, namelijk dat pro-sociaal gedrag een reactie is op signalen die erop wijzen dat je je bevindt in een veilige sociale omgeving. Of op signalen die je eraan herinneren dat je sociale omgeving eigenlijk best wel veilig is. Een veiligheid die eruit bestaat dat mensen bereid zijn om anderen te helpen en om bij te springen als dat nodig is.

Dat vermoeden gaat terug op de gedachte dat alle dieren, en dus ook mensen, voor de uitdaging staan om zich zoveel mogelijk te bevinden in een veilige omgeving, een omgeving die gunstig is voor overleving en reproductie. Eerder in de mensheidsgeschiedenis was die veiligheid er in de groep van jagers-verzamelaars waarin samengewerkt en gedeeld werd. In die groep was pro-sociaal gedrag niet alleen veilig om uit te voeren, omdat je er op kon rekenen dat anderen er geen misbruik van maakten, maar ook omdat je eigen overleving en reproductie er baat bij had. Je deelde mee in de opbrengsten van het samenwerken. Sociale onveiligheid bestond uit het niet deel uitmaken van zo’n groep en in je eentje moeten zien te overleven.

In de huidige samenleving is die veilige omgeving er meestal wel in het gezin waarin een kind opgroeit. (Meestal, want we kennen helaas ook het probleem van kindermishandeling.) Daardoor leren kinderen al snel om op de zorgzaamheid die ze ervaren te reageren met hulpvaardigheid. Denk weer even aan die dreumesen die te hulp schieten. En aan al die studies van Michael Tomasello en medewerkers waaruit blijkt dat kinderen al heel jong anderen helpen als ze daartoe in staat zijn. Dat is hun natuurlijke reactie op de zorgzame omgeving die ze in het gezin aantreffen.

De natuurlijkheid van die reactie blijkt eruit dat in een toestand van ervaren veiligheid de nervus vagus (de zwerfzenuw) gematigd geactiveerd is, wat precies de lichamelijke toestand is (rest and digest) waarin je gemakkelijk anderen te hulp schiet. Terwijl in een toestand van onveiligheid oftewel die zwerfzenuw bovenmatig wordt geactiveerd, waardoor je in het statuscompetitiepatroon schiet (fight or flight), of sterk verlaagd geactiveerd (immobilisation), waardoor je te maken kunt krijgen met een depressie of angststoornis. Zie De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren. En denk aan de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges.

Maar in de huidige maatschappij is het gezin maar een klein eilandje in een grote zee van sociale vluchtigheid en daarmee kans op statuscompetitie. Bij het ouder worden is er buiten dat eigen gezin dus de onzekerheid over het gedrag van anderen en dus de mogelijkheid van de sociale onveiligheid van de statuscompetitie. En dat is precies de omgeving waarin we niet alleen "nieuwe" sociale veiligheid zoeken (dus vrienden willen maken), maar ook het pro-sociale gedrag dat we tegenkomen beschouwen als signalen voor het bestaan van sociale veiligheid. "O ja, mensen zijn eigenlijk heel goedaardig en behulpzaam." Dat besef vergroot ons veiligheidsgevoel, waardoor we ook zelf gemakkelijker te hulp schieten.

En dat komt dus wel wat overeen met die goal contagion-verklaring van die auteurs van die nieuwe studie. Maar het verschaft ook een onderliggende mechanisme: pro-sociaal gedrag draagt bij aan sociale veiligheid, die op zijn beurt weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt.

vrijdag 19 juni 2020

Minder pesten door kleinere scholen en leeftijdsgemengde groepen

Voor de volgers van dit blog hieronder de tekst
van het artikel Sociale veiligheid op scholen, dat verscheen in de juni-aflevering van het tijdschrift Pip.Pedagogiek in Praktijk.

 

Sociale veiligheid op scholen

Henk de Vos

 

Kinderen brengen een groot deel van hun wakend leven door in de sociale context van de school. Dat houdt op de meeste scholen in dat ze samen met leeftijdgenoten groepsgewijs les krijgen. Scholen zijn over het algemeen zo groot dat kinderen de meeste van hun medeleerlingen bij de aanvang van het schooljaar niet of niet goed kennen. Die organisatie van het onderwijs is misschien vanuit onderwijstechnisch en economisch oogpunt efficiënt, maar de vraag is of die vanuit sociaal oogpunt kinderen wel het welzijn en het veiligheidsgevoel verschaft dat ze nodig hebben.

Een voorbeeld van sociale onveiligheid op scholen vormt het pesten. Het is immers veelzeggend dat scholen wettelijk verplicht zijn tot het uitvoeren van antipestprogramma’s en dat de minister van Onderwijs het nodig acht om tweejaarlijks de Monitor Sociale Veiligheid in en rond scholen te laten afnemen (Nelen et al., 2018). En dat er een Stichting School en Veiligheid bestaat, die een jaarlijkse Week tegen pesten organiseert. In en rondom scholen treden kennelijk sociale processen op die niet goed zijn voor kinderen.

Pesten en gepest worden door leerlingen is inderdaad een groot en hardnekkig probleem. Er zijn redenen om te denken dat het bijeenbrengen van leeftijdgenoten die elkaar nog niet goed kennen daarmee samenhangt.

 

Diepe littekens

 

Maar eerst over de omvang en de ernst van dat pestprobleem. Volgens het onderzoek van Loes Pouwels (2018) pest 9% van de leerlingen, doet 24% aan dat pesten mee en is 10% slachtoffer van pesten. Een overzicht van ander onderzoek meldt percentages tussen de 4 en 12% leerlingen die aanhoudend (ten minste twee jaar) worden gepest (Kaufman, 2020). Pesten kan leiden tot fysieke agressie en wapenbezit om je te kunnen verdedigen (Lu et al., 2018).

De negatieve gevolgen van pesten en gepest worden zijn bekend. Zij zijn vaak acuut en soms zo ernstig dat ze kinderen tot zelfdoding brengen. Er zijn echter ook aanwijzingen voor negatieve effecten op lange termijn. Zo vonden Wolke, Copeland, Angold en anderen (2013) het tussen het negende en zestiende jaar meer betrokken zijn geweest bij pesten een oorzaak is voor gezondheids- en sociale problemen als jongvolwassene. Gepest worden en terugpesten zijn stressvolle gebeurtenissen die diepe littekens nalaten.

Hoe valt te verklaren dat er op scholen zoveel pesten voorkomt? Hoe komt het dat het pestprobleem zo hardnekkig is dat antipestprogramma’s maar beperkt effect hebben (Orobio de Castro et al., 2018; Kaufman, 2020)? Werkt de wijze waarop we het onderwijsproces organiseren, leeftijdshomogene groepering in grotere scholen, de problemen in de hand? Liggen de oorzaken onder de oppervlakte van wat we als doodnormaal en vanzelfsprekend beschouwen?

 

Statuscompetitie

 

Om daar zicht op te krijgen is het nodig om ons te verdiepen in wat pesten eigenlijk is. Onderzoekster Kaufman ziet pesten als een natuurlijk groepsproces om status te bemachtigen (Truijens, 2020). In de context van de schoolklas neemt status de vorm aan van populariteit. Voor kinderen is het van groot belang om zich in die groep een plaats te verwerven. Die uitdaging is er aan het begin van de school, als de groepen worden samengesteld, en aan het begin van elk schooljaar, als groepen van samenstelling wijzigen. Als leerlingen elkaar nog niet zo goed kennen, weten ze niet wat ze aan elkaar hebben. Misschien zullen ze geaccepteerd worden en vrienden kunnen maken. Maar er dreigt ook het gevaar van sociale afwijzing en eenzaamheid.

Door die sociale onzekerheid proberen kinderen vaak om stoer en zelfbewust over te komen en zich sterker voor te doen dan ze zijn. Om maar te voorkomen dat anderen op je neerkijken en je als loser zien. Dat is dus inderdaad een strijd om status.

Onderzoek naar wat leerlingen op school nastreven, verschaft inzicht in de aard van die statuscompetitie. Aanvankelijk ging dat soort onderzoek merkwaardig genoeg alleen maar over de vraag of leerlingen wel genoeg gemotiveerd zijn om te presteren. Maar na verloop van tijd kregen onderzoekers er oog voor dat er zich in een groep leerlingen ook sociale processen afspelen. En dat leerlingen ook ‘sociale doelen’ hebben.

 

Statusdoelen en vriendschapsdoelen

 

Toen bleek dat er leerlingen zijn die duidelijk gericht zijn op populariteit en status binnen de groep. Degenen die meer zulke ‘statusdoelen’ aanhangen pesten meer, want pesten is een middel om populair te worden of te blijven. Als je groepen vergelijkt, dan blijkt dat groepen die intern meer verschillen in populariteitsscores, die dus meer een statushiërarchie vormen, ook de groepen zijn waar agressie en pesten meer voorkomen (Laninga-Wijnen et al., 2019).

Gelukkig zijn er ook veel leerlingen die niet die statusdoelen nastreven, maar juist ‘vriendschapsdoelen’. Zij zijn dus gericht op het maken en in stand houden van vriendschappen.

Sociaalwetenschappelijk gezien is dat de tegenstelling tussen statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag. Mensen beschikken over beide gedragspatronen en zijn in staat om van patroon te wisselen, zich aanpassend aan wat ze in hun sociale omgeving aantreffen (De Vos, 2004).

Als het statuscompetitiepatroon overheerst, dan worden anderen gezien als concurrenten in de strijd om status en als je dan die strijd niet aangaat, eindig je onderaan in de pikorde en wordt er op je neergekeken. Dat is een toestand van sociale onveiligheid. Daarentegen zijn mensen elkaar goedgezind als het gemeenschapspatroon overheerst. Er is onderlinge acceptatie, vriendschapsgedrag en sociale veiligheid.

Zonder gevolgen is dat niet, want met die ‘vriendschapsleerlingen’ gaat het in allerlei opzichten beter, kennelijk ook doordat ze elkaar opzoeken en beïnvloeden. Zij hebben dus inderdaad betere relaties met medeleerlingen, hebben meer zelfvertrouwen en zijn meer gericht op persoonlijke groei (Ryan & Shim, 2006). Zij creëren samen en onderling sociale veiligheid. Daartegenover gaat het nastreven van statusdoelen gepaard met de sociale onveiligheid van het pesten en gepest worden, leidend tot neurofysiologische stress (Li & Wright, 2014; Scheepers & Knight, 2020).

 

Gemeenschapsgedrag

 

Natuurlijk zouden we graag willen dat alle leerlingen ‘vriendschapsleerlingen’ zijn. En dat we scholen niet hoeven te monitoren op sociale veiligheid. Maar waarom is dat eigenlijk niet zo?

Bij de overgang naar het voortgezet onderwijs zien we dat leerlingen meer statusdoelen gaan aanhangen als ze het overeenkomstige gedrag meer in hun nieuwe omgeving waarnemen (Makara & Madjar, 2015). Dat wijst erop dat kinderen zowel het gemeenschapsgedrag als het statuscompetitiegedrag aantreffen, aanvankelijk nog niet weten waar ze aan toe zijn, maar gaandeweg zich aanpassen aan welk gedrag overheerst. Dat verklaart hoe het komt dat naar de ervaring van leraren groepen zo kunnen verschillen. De ene groep is ‘lastig’ door de voortdurende onderlinge statusstrijd en de andere groep is prettig om mee te werken door een ontspannen sociale sfeer waarin je elkaar accepteert.

Net zoals die strijd om status een ‘natuurlijk groepsproces’ is, is het tot stand komen van dat gemeenschapspatroon in een groep dat ook. Jonge kinderen leren dat gemeenschapspatroon als het goed is, en gelukkig is dat vaak zo, in de veilige vertrouwde schoot van het gezin. Een veilige, zorgzame sociale omgeving is precies de omgeving die dat zorgzame gedrag uitlokt. Daarmee komen de vele aanwijzingen overeen dat kinderen al heel vroeg (14-18 maanden) geneigd zijn om onbaatzuchtig te helpen (Warneken & Tomasello, 2011). Die natuurlijke neiging tot gemeenschapsgedrag is aanwezig en komt tot uiting doordat kinderen in het gezin overwegend met datzelfde gedrag in aanraking komen.

Als kinderen opgroeien wordt dat anders. Buiten het eigen gezin komen ze meer of minder abrupt een maatschappij binnen waarin ook statuscompetitiegedrag een grote plaats inneemt. Er is natuurlijk nog wel de veiligheid van dat gemeenschapspatroon, zoals binnen persoonlijke familie- en vriendschapsrelaties, maar er is daarnaast ook de statuscompetitie en de daaruit voortkomende ongelijkheid. Buiten het eigen gezin is er vooral de sociale onzekerheid.

Voor kinderen is de entree op school hun eerste concrete kennismaking daarmee. Een kennismaking dus met dat andere natuurlijke groepsproces, dat van de strijd om status. Het pestprobleem dat daarmee ontstaat, is slechts één onderdeel van de moeilijke overgang naar volwassenheid waarmee kinderen te maken hebben. We hebben immers een maatschappij met een omvangrijk beleidsterrein van jeugdzorg, jeugdhulp, jeugd-ggz en jeugdreclassering. En met het verschijnsel van de angststoornissen, die op jongvolwassen leeftijd het meest voorkomen, maar zich vaak al tijdens de adolescentie ontwikkelen (Volksgezondheidenzorg.info).

 

Hoe het pestprobleem terug te dringen?

 

Het inzicht dat het gedragsrepertoire van leerlingen zowel uit het gemeenschapspatroon als het statuscompetitiepatroon bestaat, wijst de weg naar manieren om het pestprobleem terug te dringen. Die weg begint met te onderkennen onder welke voorwaarden het gemeenschapspatroon de kans krijgt om te worden aangesproken.

Die voorwaarden komen samen in de begrippen veiligheid en vertrouwdheid, waarbij vertrouwdheid als signaal werkt voor veiligheid. Dat verklaart de menselijke hang naar vertrouwdheid en onze beduchtheid voor het vreemde. Denk ook aan de fase van de angst voor vreemden die veel peuters en kleuters doormaken (Brooker et al., 2013) en die in ‘minder ontwikkelde’ samenlevingen afwezig is (Blaffer Hrdy, 2009).

Vandaar ook het sociaalwetenschappelijke inzicht dat aanvankelijke vooroordelen en vijandigheid tegenover vreemden verminderen naarmate er meer contact is geweest. Hoe meer contact, hoe meer vertrouwdheid en dus hoe meer gevoel van veiligheid (Al Ramiah & Hewstone, 2013). Net zo is er tijd nodig voor het ontwikkelen van vriendschappen (Hall, 2019).

Aan die voorwaarde van vertrouwdheid zou op scholen langs twee wegen meer kunnen worden voldaan. Je zou kunnen proberen te bereiken dat leerlingen elkaar al beter kennen als ze de school binnenkomen. Daarnaast zou je de groepen zo kunnen samenstellen dat ze wat meer overeenkomen met die veilige groep van het eigen gezin, namelijk door leeftijdsmenging.

 

Kleinere scholen

 

Wat die eerste weg betreft, moeten we bedenken dat scholen door de fuseringsgolf van de jaren negentig flink groter zijn geworden, basisscholen gemiddeld tweemaal zo groot en scholen voor voortgezet onderwijs gemiddeld driemaal zo groot (Smets, 2009). Een grotere school is niet alleen anoniemer op het niveau van de school, maar maakt de kans ook kleiner dat leerlingen elkaar op groepsniveau buiten de school al kennen. Een grotere school heeft immers een groter rekruteringsgebied en de contacten die kinderen al hebben zijn die van hun eigen buurt of dorp.

Die fuseringsgolf heeft misschien wel bijgedragen aan het ontstaan of ernstiger worden van het pestprobleem. Amerikaans onderzoek laat zien dat het splitsen van grote scholen niet alleen leidde tot betere schoolprestaties, maar ook tot sociale verbeteringen (Abdulkadiroğlu, Hu & Pathak, 2013). Uit Nederlands onderzoek blijkt ook dat je pesten kunt verminderen door ervoor te zorgen dat leerlingen elkaar beter kennen (Van den Berg, 2015). Het is weliswaar tegen het advies van de Onderwijsraad (2013) in, maar door weer te streven naar kleinere scholen zouden we leerlingen een veiliger sociale omgeving bieden.

 

Leeftijdsgemengde groepen

 

Het onderwijs valt ook zo te organiseren dat leerlingen meer leeftijdsheterogeen gegroepeerd worden. Verschillende leeftijden bij elkaar komt niet alleen meer overeen met de gezinssituatie, maar ook met de sociale omgeving waarin kinderen in die ‘minder ontwikkelde’ samenlevingen opgroeien. De natuurlijke neiging tot gemeenschapsgedrag wordt bij oudere kinderen aangesproken als jongere kinderen aanwezig zijn die hulp en ondersteuning kunnen gebruiken. Wat die jongere kinderen weer leert dat ze in een veilige omgeving zijn terechtgekomen. Zo kan sociale veiligheid groeien in een zichzelf versterkend proces.

Omdat sommige scholen, zoals de Jenaplanscholen, al werken met leeftijdsgemengde groepen, is het mogelijk om na te gaan of het klopt dat leeftijdsmenging bijdraagt tot sociale veiligheid. Onderzoek wijst daar inderdaad op. Zo blijkt dat kinderen in leeftijdsgemengde groepen behulpzamer zijn, zich minder eenzaam voelen en minder vaak agressief zijn. Ook blijkt dat ze beter presteren (McClellan & Kinsey, 1999). In zulke leeftijdsgemengde groepen blijken oudere leerlingen zich te ontfermen over jongere (Allen, 1989). Jongere leerlingen zoeken steun bij oudere en krijgen die ook.

Ten slotte blijkt uit het grootschalige Nederlandse onderzoek dat erop gericht was om de rol van leraren in het voorkomen van pesten te onderzoeken, dat pesten de helft minder voorkomt op Jenaplanscholen (Oldenburg, 2017). Dit suggereert dat het op alle scholen invoeren van leeftijdsmenging in één klap de noodzaak zou wegnemen van antipestprogramma’s en het monitoren van de sociale veiligheid.

We hebben in de loop van de tijd ons onderwijs zo vormgegeven dat we voor leerlingen een sociaal onveilige omgeving hebben doen ontstaan, met ernstige negatieve gevolgen die we onder ogen zouden moeten zien. Door terug te gaan naar kleinere scholen en door binnen de scholen te werken met leeftijdsgemengde groepen, zoals nu al op een deel van de scholen gebeurt, zouden we veel daaraan kunnen doen.

 

Literatuur

 

Abdulkadiroğlu, A., Hu, W. & Pathak, P.A. (2013). Small High Schools and Student Achievement: Lottery-Based Evidence from New York City. NBER Working Paper No. 19576.

 

Allen, J.P. (1989). Social impact of age mixing and age segregation in school; A context-sensitive investigation. Journal of Educational Psychology, 3; 408-416.

 

Al Ramiah, A. & Hewstone, M. (2013). Intergroup contact as a tool for reducing, resolving, and preventing intergroup conflict: Evidence, limitations, and potential. American Psychologist, 68: 527-542.

 

Berg, Y. van den (2015). Peers in proximity: New perspective on interpersonal processes in the classroom. Nijmegen.

 

Blaffer Hrdy, S. (2009). Een kind heeft vele moeders. Hoe de evolutie ons sociaal heeft gemaakt. Amsterdam.

 

Brooker, R.J., Buss, K.A., Lemery-Chalfant, K. et al. (2013). The development of stranger fear in infancy and toddlerhood: normative development, individual differences, antecedents, and outcomes. Developmental Science, 16; 864-878.

 

Hall, J.A. (2019). How many hours does it take to make a friend? Journal of Social and Personal Relationships, 36: 1278-1296.

 

Kaufman, T.M.L. (2020). Toward tailored interventions: explaining, assessing, and preventing persistent victimization of bullying. Groningen.

 

Laninga-Wijnen, L., Harakeh, Z., Garandeau, C.F. et al. (2019). Classroom Popularity Hierarchy Predicts Prosocial and Aggressive Popularity Norms Across the School Year. Child Development, 90: e637-e653.

 

Li, Y. & Wright, M.F. (2014). Adolescents’ social status goals: relationships to social status insecurity, aggression, and prosocial behavior. Journal of Youth and Adolescence, 43; 146-160.

 

Lu, Y., Avellaneda, F., Torres, E.D. et al. (2018). Adolescent bullying and weapon carrying: A longitudinal investigation, Journal of Research on Adolescence, 30: 61-65.

 

Makara, K.A. & Madjar, N. (2015). The role of goal structures and peer climate in trajectories of social achievement goals during high school. Developmental Psychology, 51, 473-488.

 

McClellan, D.E. & Kinsey, S.J. (1999). Children’s social behavior in relation to participation in mixed-age or same-age classrooms. Early Childhood Research & Practice, 1 (https://ecrp.illinois.edu/v1n1/mcclellan.html).

 

Nelen, W., Wit, W. de, Golbach, M. et al. (2018). Sociale veiligheid in en rond scholen. Nijmegen.

 

Oldenburg, B. (2017). Bullying in schools. The role of teachers and classmates. Groningen.

 

Onderwijsraad (2013). Grenzen aan kleine scholen. Den Haag.

 

Orobio de Castro, B., Mulder S., Van der Ploeg, R. et al. (2018). Effectiviteit van kansrijke programma’s tegen pesten in de Nederlandse onderwijspraktijk. Den Haag (NRO).

 

Pouwels, l. (2018). The group process of bullying: Developmental, methodological, and social-cognitive perspectives. Nijmegen.

 

Ryan, A.M. & Shim, S.S. (2006). Social achievement goals: The nature and consequences of different orientations toward social competence. Personality and Social Psychology Bulletin. 32: 1246- 1263.

 

Scheepers, D. & Knight, E.L. (2020). Neuroendocrine and cardiovascular responses to shifting status. Current Opinion in Psychology, 33, 115-119.

 

Smets, P. (2009). Schaalgrootte in het onderwijs. In J.L.T. Blank (red.), Schaal op maat. Essays over schaalvergroting in zorg en onderwijs (pp. 51-62). Maastricht.

 

Truijens, A. (2020). Soms werken antipestprogramma’s, en soms maken ze het erger. Volkskrant 28-02-2020.

 

Volksgezondheidenzorg.info. Prevalentie angststoornissen in huisartsenpraktijk. https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/angststoornissen/cijfers-context/huidige-situatie#node-prevalentie-angststoornissen-huisartsenpraktijk.

 

Vos, H. de (2004). Community and human social nature in contemporary society. Analyse & Kritik, 26: 7-29.

 

Warneken, F. & Tomasello, M. (2011). The roots of human altruism. British Journal of Psychology, 100: 455-471.

 

Wolke, D., Copeland, W.E., Angold, A. et al. (2013). Impact of bullying in childhood on adult health, wealth, crime, and social outcomes. Psychological Science, 24, 1958-1970.