Posts tonen met het label hechtingstheorie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hechtingstheorie. Alle posts tonen

dinsdag 5 maart 2024

Een nieuw onderzoek dat er weer eens op wijst hoe onze samenleving is afgedwaald van die waarin mensen zich oorspronkelijk hebben kunnen ontwikkelen

De nieuwe studie Sensitive Responsiveness and Multiple Caregiving Networks Among Mbendjele BaYaka Hunter-Gatherers: Potential Implications for Psychological Development and Well-Being wijst er nog eens op hoe de sociale omgeving waarin kinderen tegenwoordig opgroeien afwijkt van wat in de lange periode dat onze voorouders als jagers-verzamelaars leefden gebruikelijk was. 

Die tegenwoordige sociale omgeving wordt erdoor gekenmerkt dat gezinnen in grote mate sociaal geïsoleerd leven. In de berichten op dit blog achter het label "sociaal isolement van gezinnen" lees je niet alleen over de mate van dat sociale isolement en dus over de vele tijd die kinderen met alleen de eigen ouders doorbrengen, maar ook over de aanwijzingen dat het voor de ontwikkeling en het welbevinden van kinderen beter is om ook buiten het eigen gezin vertrouwde contacten met oudere kinderen en met andere volwassenen te hebben. 

Zo is er het vele onderzoek naar het belang van veilige gehechtheid voor kinderen en zijn er de aanwijzingen dat het sociale isolement van gezinnen de kans vergroot op het ontwikkelen van een angstige of een vermijdende hechtingsstijl. Zie Waarom zijn we niet allemaal veilig gehecht? Hoe minder opgroeiende kinderen ervaren dat er ook buiten het eigen gezin vertrouwde anderen zijn bij wie ze zich veilig voelen, hoe groter de bekende angst voor vreemden en hoe moeilijker de overgang naar volwassenheid. 

Anders gezegd, kinderen groeien weliswaar op in de gemeenschapsomgeving van het eigen gezin, maar zijn onzeker of zie die omgeving daarbuiten wel zullen aantreffen. Die sociale onveiligheid vergroot de kans op de activering van het statuscompetitiepatroon, ook al doordat kinderen in het onderwijssysteem te maken krijgen met de leeftijdshomogene groepen waarin ze zich moeten zien te handhaven. Zie ook Minder pesten door kleinere scholen en leeftijdsgemengde groepen.

Die nieuwe studie doet verslag van onderzoek uitgevoerd bij een jagers-verzamelaarsgroep, de Mbendjele, in het Congolese regenwoud. De Mbendjele zijn mobiel en egalitair. Een kamp bestaat uit tussen de 20 en 80 personen, verdeeld over verschillende kerngezinnen met een lage gemiddelde verwantschap. Naast de eigen moeder zijn er andere volwassenen (allomothers) die een grote bijdrage leveren aan de zorg voor kinderen. We zien duidelijk het patroon van de coöperatieve zorg. Als een kind huilt, is er vrijwel altijd en meteen een geruststellende reactie, die vaak fysiek is. In  40 tot 50 procent van de gevallen afkomstig van een "allo-moeder", die ook een ouder kind kan zijn. Kinderen groeien in een veilige sociale omgeving op en kunnen ervan uitgaan dat die gedurende hun leven blijft bestaan.

Het onderzoek wijst er weer eens op hoe onze samenleving is afgedwaald van die waarin mensen zich oorspronkelijk hebben kunnen ontwikkelen. Die oorspronkelijke sociale omgeving van coöperatieve zorg was er voor verantwoordelijk dat het gemeenschapspatroon sterk werd bevorderd en het statuscompetitiepatroon weinig kans kreeg om te worden geactiveerd. 

In de huidige manier van samenleven moeten we vele malen meer moeite doen om iets te bereiken wat daar zelfs maar in de buurt komt. Terwijl we de voordelen van dat gemeenschapspatroon kennen en evenzeer de nadelen van dat statuscompetitiepatroon. 

We willen natuurlijk graag alle voordelen van het moderne leven. Neem de hoogontwikkelde medische zorg. Maar we moeten nog zien uit te vinden hoe we die kunnen combineren met een voor mensen geschiktere sociale omgeving. 

Waarin we meer samenwerken, niet alleen bij het grootbrengen van de kinderen, maar ook bij het in stand houden en beschermen van wat de aarde ons te bieden heeft.

maandag 17 april 2017

Naast gehechtheid aan personen is er natuurlijk ook de gehechtheid aan plekken - Over je thuis voelen en nostalgie

In ons sociale verkeer speelt vertrouwdheid een grote rol. Na de geboorte hechten we ons aan vertrouwde zorgverleners. Met als andere kant van de medaille dat we een angst voor vreemden kunnen ontwikkelen, vooral als gezinnen meer sociaal geïsoleerd zijn.

Die gehechtheid aan vertrouwde anderen lijkt de uitkomst van een evolutionair proces dat ons er toe heeft aangezet om onzekerheid en risico te vermijden. Als er anderen zijn die ons goedgezind zijn, dan is het "verstandig" om die contacten in stand te houden en om nabijheid van die anderen te waarderen. Vandaar onze positieve gevoelens van gehechtheid en vertrouwdheid en negatieve gevoelens van eenzaamheid en van afgewezen zijn.

Dat mechanisme van waardering voor het vertrouwde en ongemak bij het onbekende lijkt in de evolutie al te zijn ontstaan op het moment dat organismen in staat waren zich voort te bewegen. Zodra je je kunt voortbewegen, dus bij het ontstaan van de eerste dieren, heb je te maken met de uitdaging uit te vinden waar je je het beste kunt bevinden.

En omdat je je altijd ergens bevindt, al was het maar de plek waar je leven begint, is er dus onvermijdelijk ook de grens tussen de plek die je kent en die je vertrouwd is (geworden) en alle andere plekken, die onbekend zijn en dus risico's in zich dragen. Het kan elders beter zijn, maar ook slechter.

Er is aanleiding om te denken dat de plek waar je geboren bent een goede plek is. Dat is zo doordat je moeder die plek heeft uitgekozen en op dat keuzeproces is in het verleden ook weer geselecteerd. Denk aan Bernd Heinrichs Huiswaarts. Het wonderbaarlijke instinct van trekvogels en andere dieren.

Dat doet vermoeden dat mensen niet alleen een hechting aan personen kennen, maar ook een hechting aan plekken. En onderzoek naar place attachment bevestigt dat.

In die lijn van onderzoek is er nu de studie Place Attachment Enhances Psychological Need Satisfaction.

Uit eerder onderzoek is al gebleken dat hechting aan plekken psychologisch functioneert op een manier die vergelijkbaar is met hechting aan personen. Al was het maar in de zin dat nabijheid tot de plek waaraan je gehecht bent net zo je welbevinden vergroot als nabijheid tot de personen waaraan je gehecht bent.

In deze nieuwe studie gaat het om de vraag of dat positieve effect op welbevinden ook al optreedt als je je alleen maar voorstelt om op die gehechtheidsplek aanwezig te zijn.

Proefpersonen werd gevraagd om zich een plek voor te stellen waaraan ze zich gehecht voelden. Dat gebeurde met omschrijvingen als "Deze plek is een deel van wie ik ben", "Op deze plek voel ik mij het gelukkigst", "Op deze plek heb ik een gevoel van thuis zijn" en "Op deze plek wil ik blijven".

In vergelijking met andere proefpersonen die zich een neutrale plek hadden voorgesteld, bleek dat het zich een gehechtheidsplek voorstellen tot hogere scores leidden op aspecten van welbevinden.

Het lijkt een verklaring te verschaffen voor het verschijnsel van de nostalgie, dat we kennen omdat we in een maatschappij leven met een grote mate van mobiliteit. Denk even aan Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen en Leidt het vaak verhuisd zijn tot sociale vluchtigheid?

donderdag 17 maart 2016

Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel? - 2 - Over nostalgie en hechting en over angst voor onbekenden

Voor we verder lezen, een kort commentaar bij de omschrijving van onze 'eerste natuur", onze aangeboren gevoelens, reacties en voorliefdes, door Carel van Schaik en Kai Michel in het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel. In het vorige bericht haalde ik dit citaat aan:
Ze impliceren een soort natuurlijke moraal ter regulering van het menselijk verkeer. Tot deze eerste natuur behoren zulke verschillende neigingen als: liefde tussen ouders en kinderen, gevoel voor rechtvaardigheid en verontwaardiging over onrecht en ongelijkheid, afschuw over inteelt en infanticide (het doden van kleine kinderen), angst voor onbekenden en zorg voor eigen reputatie; een gevoel van verplichting tegenover anderen na een geschenk en verleende hulp, jaloezie, weerzin en ook ons religieuze bewustzijn dat overal bovennatuurlijke actoren aan het werk ziet. De eerste natuur uit zich via intuïtie en buikgevoel.
Twee commentaren, niet om het per se beter te willen weten, maar omdat het misschien van belang is bij het verder lezen van het boek.

Als eerste neiging zien we de liefde tussen ouders en kinderen genoemd. Ik denk dat je dit beter kunt omschrijven als de algemenere neiging om voor anderen (verwanten en andere vertrouwden) te zorgen en je aan hen te hechten. En dat is trouwens weer een bijzonder geval van de nog algemenere neiging om ons te hechten aan dat wat veiligheid verschaft en om dat in stand te houden.

Bij dat laatste denk ik even aan dat mooie boek Huiswaarts. Het wonderbaarlijke instinct van trekvogels en andere migrerende dieren van Bernd Heinrich. Wat me daarvan bijbleef is dat bijvoorbeeld de zalm door natuurlijke selectie er toe is gebracht om na een lange reis door de oceaan terug te keren naar precies die plek in de rivier waar zijn leven begon. Om zich daar voort te planten. Er zullen vast veel andere plekken zijn die veilig zijn, maar van alleen die ene plek "weet" hij het zeker.

Net zoals wij mensen nostalgisch kunnen zijn over onze geboortegrond, een nostalgie die uit onze hechtingsneiging voortkomt, is de zalm aan die ene plek gehecht, met een onbedwingbare neiging om er terug te keren en met de vaardigheden om dat te volbrengen.

Kortom, liefde tussen ouders en kinderen geeft een veel te beperkte voorstelling van wat er aan de hand is.

Mijn tweede commentaar gaat over die angst voor onbekenden. Ik vraag me sterk af of jagers-verzamelaars in dat paradijs een angst voor vreemden hadden. Die zou evolutionair moeten zijn ontwikkeld. Maar een eigenschap wordt geselecteerd als hij van belang is om veel voorkomende uitdagingen tegemoet te kunnen treden. Dat suggereert dat jagers-verzamelaars vaak genoeg met onbekenden in aanraking moeten zijn gekomen om geselecteerd te kunnen worden op die angst voor onbekenden. Die angst zou dan moeten hebben bijgedragen aan overleving.

Maar alles wat we weten over jagers-verzamelaarssamenlevingen wijst er op dat ontmoetingen met vreemden nauwelijks voorkwamen. Je groeide op een een kring van vertrouwde anderen. Je had zo nu en dan contact met naburige groepen, maar die kende je ook. Er bestonden immers uithuwelijkingsrelaties tussen groepen. En verder reikte je wereld niet. Niemand ging in zijn eentje op reis.

In plaats van een angst voor vreemden te veronderstellen, lijkt het plausibeler om aan te nemen dat onze voorouders geen idee hadden hoe ze met onbekenden zouden moeten omgaan. Ze waren er niet op geselecteerd om dat goed te kunnen.

En dat verklaart ook waarom wij nu ook nog heel verschillend kunnen reageren op een ontmoeting met een onbekende. Dat kan variëren tussen achterdocht en wantrouwen en vertrouwen en openhartigheid. In de trein houden we vaak afstand tot onbekende medepassagiers, maar ook gebeurt het dat we in een diep gesprek verwikkeld raken. igrerend

dinsdag 21 oktober 2014

Sociale afwijzing leidt tot de spagaat van afstand houden èn contact zoeken

We gaan in ons dagelijks leven niet alleen maar om met vertrouwde anderen door wie we ons als vanzelfsprekend geaccepteerd voelen. Een flink deel van ons sociale leven speelt zich af in kringen van mensen waarmee we slechts een oppervlakkige band hebben. Kringen waarin het vaak onduidelijk is hoe anderen ons waarderen. We moeten er dan mee leven dat anderen ons beoordelen en dat zulke oordelen ook negatief kunnen zijn.

Kortom, in ons sociale leven kunnen we er mee te maken krijgen dat anderen ons niet zien zitten.

Wat zijn de gevolgen van het sociaal afgewezen worden? Hoe zou je reageren als anderen je niet zien staan? Als je niet bent uitgenodigd? Als je bent gepasseerd?

Het onderzoek Minimizing the Pain and Probability of Rejection. Evidence for Relational Distancing and Proximity Seeking Within Face-to-Face Interactions (betaalpoort) geeft daar enig inzicht in. Paren studenten vulden na een gesprekje een vragenlijstje in over hoe aardig ze de ander vonden en of ze het gevoel hadden wel bevriend te willen worden. En kregen daarna elkaars antwoorden te zien. Althans, in die veronderstelling verkeerden ze. Want de een werd geconfronteerd met sociale afwijzing, dus met nogal negatieve antwoorden, en de ander met sociale acceptatie, dus met positieve antwoorden.

Daarna voerden ze een, van te voren aangekondigd, gesprekje met een andere medestudent (die noch was afgewezen, noch was geaccepteerd), voorafgegaan en afgesloten met weer een vragenlijstje. De gesprekken werden bovendien gefilmd en de filmpjes, en de gesproken tekst, werden geanalyseerd.

Wat kwam daaruit? Na dat eerste gesprekje, waarna dus afwijzing of acceptatie volgde, waren degenen die waren afgewezen negatiever in hun verwachtingen van het nieuwe gesprek en onverschilliger over hoe het zou verlopen. Nadien beoordeelden ze hun gesprekspartner als minder aardig, hadden ze minder het gevoel dat het tussen hen had geklikt en dat ze betrokken waren geweest. Maar hun gesprekspartner was eigenlijk alleen opgevallen dat ze weinig kritisch waren.

En uit de analyses van de filmpjes bleek dat de sociaal afgewezenen in hun taalgebruik en onderwerpkeuze meer die van hun gesprekspartners matchten. Anders gezegd, ze waren meer bezig met te proberen met de ander op een lijn te komen, om zich aan te passen en te zoeken naar het gemeenschappelijke. Dat is interessant, want we weten dat zulk gedrag dient om nabijheid te creëren, om een band met de ander tot stand te brengen. Proximity seeking, zoals de onderzoekers dat noemen.

De combinatie van die resultaten wijst dus op een spagaat. Enerzijds waren de afgewezenen in hun verwachtingen en oordelen achteraf negatiever, afstandelijker en onverschilliger over het sociale contact. Maar anderzijds waren ze in hun feitelijke gedrag juist bezig met te proberen om contact te maken, om een band te creëren.

En dat doet sociale afwijzing dus met ons. Het reactiepatroon lijkt overeen te komen met de gevolgen van de onveilige hechtingsstijl. Op bewust niveau zijn we er op uit om afstand tot anderen te houden, uit vrees voor nieuwe afwijzing en teleurstelling. We proberen onszelf als het ware voor te houden dat we een band met anderen niet (meer) moeten nastreven.

Maar in ons onbewuste, automatische gedrag laten we daarentegen zien dat we er op uit zijn om die band met anderen juist wel tot stand te brengen, om de sociale afstand te verkleinen.

Een vervelende spagaat dus. En als je daar over nadenkt, dan is die spagaat er misschien niet alleen als we daadwerkelijk zijn afgewezen, maar ook als er alleen maar het risico is van afgewezen te worden. Dus in al die contacten waarin er geen of maar weinig vertrouwdheid is.

We weten dan niet waar we aan toe zijn. En denken dan dat we maar beter wat afstand kunnen houden. Terwijl ons gedrag laat zien dat we die afstand juist zouden willen overbruggen.

Een groot deel van ons sociale leven zou dus een worsteling zijn met afstand houden en contact zoeken. Daar zit wat in, lijkt me.

maandag 3 februari 2014

Berust wederkerigheid op vertrouwdheid of op berekening?

Vertrouwdheid zou wel eens de voorwaarde kunnen zijn geweest voor de ontwikkeling van ons vermogen tot pro-sociaal gedrag (altruïsme). In de literatuur over de mogelijke biologische mechanismen achter dat vermogen, gaat het vooral om verwantschapsaltruïsme en wederkerigheidsaltruïsme. Zie het bericht Draait alles om vertrouwdheid.

In dat bericht had ik al, laten we zeggen, aannemelijk gemaakt, dat verwantschapsaltruïsme uiteindelijk is terug te voeren op vertrouwdheid. Bij afwezigheid van een perfect vermogen tot verwantschapsherkenning is vertrouwdheid de beste benadering daarvan. Dat maakt dat vertrouwdheid gaat fungeren als een omstandigheid die pro-sociaal gedrag uitlokt.

Hoe dan? Waarschijnlijk doordat het gevoel van vertrouwdheid overlapt met gehechtheid. En het vermogen tot hechting aan vertrouwde anderen, samen met de neiging tot zorg, is onlosmakelijk verbonden met de evolutie van zoogdieren. Zie Caregiving: The Forgotten Element in Attachment (betaalpoort).

Maar hoe zit het met wederkerigheidsaltruïsme?

Volgens dat mechanisme zou pro-sociaal gedrag evolutionair levensvatbaar zijn als het vooral tussen altruïsten wordt uitgewisseld. De altruïsten bevorderen zo de eigen en elkaars overleving en procreatie en voorkomen dat ze door egoïsten worden uitgebuit.

Maar wat houdt dat mechanisme precies in? Je zou kunnen denken dat het niet alleen ultimaat om uitwisseling moet gaan, maar ook proximaat. Ik bedoel de gedachte dat het gepaard zou moeten gaan met het vermogen en de motivatie om in de omgang met anderen berekenend te zijn en dus steeds goed in de gaten te houden wat jij hebt gegeven en wat je hebt teruggekregen. Dat je dus voortdurend een mentale boekhouding bijhoudt.

Maar de vraag is of dat wel klopt. Is het niet net als bij dat verwantschapsaltruïsme veel meer zo dat vertrouwdheid een uitwisseling mogelijk maakt die niet berekenend is, maar voortkomt uit empathie en zorg om elkaars welzijn? Dat daar dan ook wel eens uitkomsten uit kunnen voortkomen die op evenwicht wijzen, dus laten zien dat iedereen ruwweg evenveel gegeven heeft dan ontvangen, kan op toeval berusten. En dat zou dan dus niet tot de conclusie moeten leiden dat de partijen berekenend hebben gehandeld.

Wat zijn de aanwijzingen voor de ene gedachte, die van berekening, en voor de andere, die van vertrouwdheid?

Het mooiste overzicht van die aanwijzingen vind je zonder twijfel in het inleidende hoofdstuk van het proefschrift You Scratch My Back and I Scratch Yours Versus Love Thy Neighbour. Two proximate mechanisms of reciprocal altruism van Rita Smaniotto.

Rita laat daar zien dat de aanwijzingen voor berekening (scorekeeping) niet sterk zijn, noch bij niet-menselijke primaten, noch bij jagers-verzamelaars. De studies naar jagers-verzamelaars, waarvan hoofdstuk 2 een overzicht geeft, laten veel meer zien dat het delen van voedsel er op gebaseerd is dat behoefte, het in nood verkeren, richtinggevend is voor wie geholpen wordt. Met nauwelijks een rol voor berekening.

Dat patroon is beter te verklaren met een op vertrouwdheid en gehechtheid gebaseerde motivatie om te zorgen. Bovendien wijzen computersimulaties (hoofdstuk 3; zie ook hier) er op dat een strategie die naar evenwicht streeft tussen wat je gegeven hebt en wat je terugkrijgt, het minder goed doet dan een strategie die berust op de motivatie om vertrouwde anderen te helpen. Berekening lijkt niet te lonen onder omstandigheden waarin je van elkaar afhankelijk bent in een risicovolle omgeving.

Daar komen aanwijzingen bij dat studies naar vriendschap uitwijzen dat berekenend gedrag tussen vrienden als onverenigbaar met vriendschap wordt beschouwd. Vriendschap is een waarde op zichzelf, niet instrumenteel voor iets anders. Dat wijst evenzeer op een uit vertrouwdheid voortkomende motivatie om de ander bij te staan en de relatie op zich in stand te houden. Geen berekening, maar bonding.

Zijn mensen dan niet tot berekenend gedrag in staat? Dat lijkt natuurlijk ook weer niet het geval. Want we staan niet geheel met lege handen als we tussen anderen verkeren met wie we niet vertrouwd zijn. In omgang met vreemden zijn we behoorlijk goed tot berekenend gedrag in staat. Maar dit vereist, als aanpassing aan de meer anonieme sociale omgeving van de hedendaagse maatschappij, meer cognitieve inspanning. Onze voorkeur lijkt uit te gaan naar relaties met anderen waarin we niet voortdurend op onze qui-vive hoeven te zijn.

Vandaar de grote weerstand tegen de opkomst van de marktmaatschappij in de loop van de meer recente geschiedenis. En de grote steun voor de verzorgingsstaat, die je kunt zien als een arrangement om op de grote schaal van de nationale staat toch nog iets van die op vertrouwdheid gebaseerde motivatie tot zorg voor elkaar in stand te houden.

vrijdag 15 november 2013

Over de kracht van vertrouwdheid en hechting. En over de film Like Father, Like Son (Soshite chichi ni naru)

De film Like father, Like Son van de Japanse regisseur Hirokazu Kore-eda komt binnenkort in de bioscoop, maar ik zag hem gisteren al bij de Filmclub van 't Hoogt in Utrecht. Zie de trailer onder aan dit bericht. De film gaat over wat het voor twee stellen voor gevolgen heeft dat ze van het ziekenhuis te horen krijgen dat hun beider zesjarige zoontjes na de bevalling op de kraamafdeling zijn verwisseld. En natuurlijk ook over de gevolgen voor die jongetjes.

Wat te doen? De gezinnen maken met elkaar kennis, wisselen foto's uit, maken uitstapjes en gaan bij elkaar op bezoek. Dan volgen wederzijdse logeerpartijtjes. Uiteindelijk, ik zeg nu in een paar woorden wat een emotioneel en ingewikkeld proces is, besluiten ze om te ruilen. De jongetjes gaan naar hun biologische ouders. Maar dat gaat niet werken, om het maar even eenvoudig te zeggen.

Daarbij speelt een tweede thema een rol, namelijk dat de ene vader, die bezig is carrière te maken, ambitieus en veeleisend is en eigenlijk een beetje teleurgesteld in zijn zoon is. Waarna hij dus te horen krijgt dat hij niet de biologische vader is. Daarmee gaat de film ook over hoe je een goede vader bent. De andere vader is dat veel meer. Wat tot verwikkelingen leidt, waar uiteindelijk die ambitieuze vader lessen uit trekt.

Maar het hoofdthema van de film is wat er gebeurt als biologische verwantschap en gehechtheid niet blijken samen te vallen. En over het vreselijke conflict waar mensen dan in terecht komen. De film maakt heel indringend de kracht van hechting duidelijk. Die het eigenlijk volstrekt onmogelijk maakt dat je het jongetje dat je zes jaar bij je hebt gehad en als vanzelfsprekend als je kind beschouwde, gaat inruilen voor het jongetje dat je biologische zoon blijkt te zijn en die die zes jaar in een ander gezin is opgegroeid. Onmogelijk in de zin van emotioneel niet te dragen.

We hechten ons aan dat wat vertrouwd is of vertrouwd raakt. Door die vertrouwdheid wordt de ander een deel van onszelf. Waardoor het verliezen van die ander, snijden in ons zelf is. Zie over die krachtige werking van vertrouwdheid en de hechting die daarmee samenhangt ook dit bericht en dit bericht en dit bericht. En bedenk dat ons vermogen tot hechting aan vertrouwde anderen, die dus niet biologisch verwant hoeven te zijn, de grondslag heeft gelegd voor de typisch menselijke vorm van het coöperatief grootbrengen van kinderen. (Update. En bedenk dat dat vermogen tot hechting ook biologie is.)

In die zin vertelt de film ook een verhaal over onze huidige maatschappij, waarin gezinnen nogal sociaal geïsoleerd zijn. Waardoor wij en onze kinderen ons wel heel exclusief aan elkaar hechten. Vandaar die emotionele onmogelijkheid waar ik het hierboven over had. Wat dat aangaat is het slot van de film interessant. Dat slot suggereert namelijk dat die twee gezinnen beginnen te begrijpen dat ze niet meer zonder elkaar kunnen. Zie hier ook een interessant interview met de regisseur.

Ga kijken, die film.

donderdag 27 juni 2013

Angst voor vreemden en het sociaal isolement van gezinnen

In de pas verschenen studie The development of stranger fear in infancy and toddlerhood: normative development, individual differences, antecedents, and outcomes (betaalpoort) laten onderzoekers zien wanneer bij peuters en kleuters de bekende angst voor vreemden opkomt en hoe die zich ontwikkelt. We zien verschillende trajecten tot en met het derde jaar. Bij sommige kinderen blijft die angst hoog of neemt hij zelfs toe; bij anderen is er een afname te zien. Bekend is dat een hoog niveau van angst voor vreemden op vroege leeftijd samenhangt met de kans op extreme verlegenheid en angststoornissen op latere leeftijd.

Waarom die angst voor vreemden? Je zou kunnen denken dat die angst nuttig is en dat er daardoor in het verleden op is geselecteerd. Hij zou onderdeel kunnen zijn van het hechtingsproces, dus de neiging om zich te hechten aan de verzorger(s) die voor het kind een veilige basis verschaffen en om bij hen in de buurt te blijven. Niets aan de hand dus. Maar er is blijkbaar een risicofactor: hoe groter die vroege angst voor vreemden, hoe meer kans op latere extreme verlegenheid en angststoornis.

Waar zou de mate van angst voor vreemden van afhangen? Dat onderzoek hierboven genoemd wijst uit dat er een erfelijke factor in het spel is. Maar ook een omgevingsfactor, namelijk het gedrag van de moeder. Als kinderen een moeder meemaken die zelf moeite heeft met omgang met vreemden, dan is de kans op angst voor vreemden groter. Het kan zijn dat beide factoren er aan meehelpen dat angst voor vreemden zo veel voorkomt en in stand blijft.

Je zou denken dat het veel uitmaakt of een gezin meer of minder sociaal geïsoleerd is. Als baby's en peuters alleen maar heel veel tijd doorbrengen in die schoot van het gezinnetje, in plaats van al vroeg met veel anderen, buren, familie en vrienden, in aanraking te komen, dan zou je minder meer angst voor vreemden verwachten. Maar in het onderzoek dat ik ken, is daar geen aandacht aan besteed. Waarschijnlijk te moeilijk om te meten.

Zou het dan zo zijn dat kinderen die opgroeien in jagers-verzamelaarssamenlevingen, in de Paleo Sociale Omgeving, waar kinderen coöperatief worden grootgebracht, geen angst voor vreemden ontwikkelen? Ik sloeg even Mothers and Others. The Evolutionary Origins of Mutual Understanding van Sarah Blaffer Hrdy op en las (p. 133-134):
What is striking about the worldview of foragers (among people as widely dispersed as the Mbuti of Central Africa, Nayaka foragers of South India, the Batek of Malaysia, Australian Aborigins, and the North-American Cree) is that they tend to share a view of their physical environment as a "giving" place occupied by others who are also liable to be well-disposed and generous. They view their physical world as being in line with benevolent social relationships. (...)
Confidence about one's place in the world does not mean life is necessarily easy (...) Yet by definition, individuals who did survive would have done so surrounded by others who cared for and shared with them. This endowed them with a personal confidence notably different from that of many modern people who grow up in environments with more available resources but less caring. People with French and German agricultural ancestors like my own are more likely to have been reared to beware of strangers. Many of us were put to bed with folktales about the world "outside over there", a scary place peopled by impoverished widows, cruel stepmothers, hungry orphanes, and unwanted children who lived surrounded by a dangerous forest where malign creatures - wolves and witches - lurked. To an Mbuti child, the forest is not so much dangerous as nurturing - it is an benignly encompassing mother-figure. Such a child is taught to be at least intially (until encountering information to the contrary) curious rather than fearful of outsiders.
Waarna een bespreking volgt van het onderzoek van Barry Hewlett, Michael Lamb en anderen (pdf), dat laat zien dat inderdaad kinderen van jagers-verzamelaars meer aanvankelijk vertrouwen hebben in anderen en minder last hebben van angst voor vreemden.

Dat suggereert dat we die angst voor vreemden, en dus die grotere kans op verlegenheid en angststoornissen, de wereld uit zouden kunnen helpen als we er in zouden slagen om het sociale isolement van gezinnen terug te dringen.

woensdag 6 februari 2013

Waarom zijn we niet allemaal veilig gehecht?

Net zo als je je kunt afvragen waarom we niet allemaal emotioneel stabiel zijn, kun je ook stilstaan bij de vraag waarom we niet allemaal veilig gehecht zijn.

Ik kwam daarop door het overzichtsartikel Neuroscience of human social interactions and adult attachment styles van Pascal Vrticka en Patrick Vuilleumier van de Universiteit van Genève. De auteurs geven een mooi overzicht van het recente neurobiologisch onderzoek naar hechtingsstijlen en de effecten daarvan op sociaal en emotioneel gedrag. Het feit dat er verschillende hechtingsstijlen bestaan is eigenlijk iets om over na te denken.

Maar eerst even de basics. Mensen zijn sociale dieren en zijn er dus op voorbereid om relaties met anderen te waarderen, te hebben en zo nodig te zoeken. Dat gaat dan om de ouder-kindrelatie en de relatie tussen partners, maar ook om relaties met vertrouwde anderen, vrienden en bekenden. Ons aangeboren hechtingssysteem heeft als biologische functie om nabijheid te zoeken of te handhaven met voor ons belangrijke anderen, niet alleen in tijden van nood of bedreigingen, maar ook met het oog op toekomstige bedreigingen. Onderdeel van dat hechtingssysteem is daarom dat we de nabijheid van die anderen meestal als aangenaam en veilig ervaren. En vandaar onze behoefte aan sociaal contact en gezelligheid. We worden door die behoefte geleid, ook zonder dat we daar bewust over nadenken.

Dat hechtingssysteem is in het bijzonder voor ons, mensen, belangrijk omdat wij zo onrijp geboren worden dat we nog lang na onze geboorte zorg en hulp nodig hebben. Zo lang en zo veel zorg dat het coöperatief grootbrengen van kinderen, in plaats van de exclusief moederlijke zorg, een kenmerk werd van de menselijke soort. Een kenmerk overigens dat we in onze huidige samenleving behoorlijk laten verwateren. Daarover aan het eind van dit bericht meer.

Dat onrijpe geboren worden verruimt tegelijk de mogelijkheden voor onze hersenen om te leren hoe de sociale omgeving waarin we geboren worden in elkaar steekt en om zich daarop aan te passen. De omgang met de mensen om ons heen in onze vroege jaren, en de wijze waarop zij reageren op ons zoeken naar nabijheid en veiligheid, laten verschillende cognitieve schema's ontstaan voor hoe je met anderen kunt omgaan, ook in het volwassen leven. Interne werkmodellen voor hechting worden die schema's wel genoemd. Ze beïnvloeden hoe wij ons in intieme relaties gedragen, maar ook hoe we ons opstellen in vriendschappen of zelfs in interacties met vreemden.

En daar komen die verschillende hechtingsstijlen om de hoek. Als we in onze vroege jaren vertrouwde anderen om ons heen hebben die beschikbaar zijn en op onze behoeften reageren, dan hebben we een sociale omgeving die een veilige basis verschaft. We leren dat we in tijd van nood anderen kunnen vertrouwen en dat die anderen ons "de moeite waard vinden". Anders gezegd: we ontwikkelen een veilige hechtingsstijl.

Maar als die anderen om ons heen minder op onze behoeften reageren of als ze daarin wisselvallig zijn, dan ontwikkelen we een onveilige hechtingsstijl. Ons hechtingssysteem wordt dan gedeactiveerd, zodat we een vermijdende hechtingsstijl ontwikkelen, of gehyperactiveerd, en dan ontwikkelen we een angstige hechtingsstijl.

In het geval van de vermijdende hechtingsstijl zien we het zoeken van nabijheid en intimiteit als vruchteloos of zelfs gevaarlijk, omdat we verwachten teleurgesteld te worden. We gaan er van uit dat anderen ons niets te bieden hebben en we proberen om onafhankelijk te zijn en onze behoeften aan intimiteit en gehechtheid te onderdrukken. Daarbij past dat we proberen om een positief zelfbeeld in stand te houden. We deactiveren ons hechtingssysteem.

In het geval van de angstige hechtingsstijl denken we niet op eigen benen te kunnen staan en dus nabijheid van anderen nodig te hebben. Maar door de ervaringen van afgewezen te zijn, zijn we ons hulpeloos en kwetsbaar gaan voelen. Met twijfel over of we wel genoeg waard zijn. Daardoor zijn we hypergevoelig voor potentiële bedreigingen en afwijzingen. We hebben de neiging om dubbelzinnige sociale signalen vooral als negatief te interpreteren.

In dat artikel vind je een mooi overzicht van de bekende effecten van die verschillende hechtingsstijlen. Het gaat dan om manieren van emotieverwerking en emotieregulatie, om aandachtssturing, om geheugen, om sociale toenadering en sociaal afstand houden en om het meer impliciet of meer expliciet verwerken van sociale ervaringen. Ik sta nu even stil bij die sociale toenadering versus het sociale afstand houden.

Ons hechtingssysteem is, net als dat van zoogdieren in het algemeen, een evolutionaire toevoeging aan een ouder, primitiever overlevingssysteem, namelijk dat van het "vechten of vluchten", dus dat van de statuscompetitie. Volgens dat oudere systeem zijn soortgenoten in principe altijd bedreigend en is het dus altijd zaak om op je hoede te zijn. Dat systeem kan tijdelijk uitgeschakeld worden, waardoor de onderlinge tolerantie toeneemt, maar dan alleen in speciale omstandigheden zoals in geval van paring en zorg voor nageslacht. Maar bij mensen, en bij veel andere in groepen levende zoogdieren, heeft zich daarnaast dat hechtingssysteem als een tegenkracht ontwikkeld. Om samenleven en samenwerking mogelijk te maken, is er dat vermogen ontstaan om er alert op te zijn dat naast sociale bedreiging ook sociale veiligheid tot de mogelijkheden behoort. En het vermogen om de nabijheid van vertrouwde anderen als aangenaam te ervaren. Dus het vermogen tot sociale toenadering. (Zie ook Dual Mode-theorie.)

Onderzoek laat nu zien dat met een vermijdende hechtingsstijl dat vermogen minder aanwezig is of minder is ontwikkeld door vroege ervaringen. Daardoor zijn mensen met die hechtingsstijl minder dan de veilig gehechten onder ons in staat om sociale situaties zonder voorbehoud als aangenaam te ervaren. En dat leidt dus tot dat sociale afstand houden en een geringere gevoeligheid voor sociale afwijzing. De hechtingsbehoefte wordt zo goed als mogelijk gedeactiveerd.

Daartegenover zijn de angstige gehechten onder ons voor afwijzing juist zeer gevoelig. Terwijl ze zich tegelijkertijd sneller sociaal bedreigd voelen en voortdurend alert zijn op zulke bedreigingen. Bij hen is de hechtingsbehoefte gehyperactiveerd, tegelijk met het gevoel geen controle te hebben over de mogelijkheden om aan die behoefte tegemoet te komen.

Het ligt voor de hand om te denken dat die onveilige hechtingsstijlen samenhangen met psychopathologie en daar zijn ook aanwijzingen voor. Maar je kunt ze daarnaast ook zien als aanpassingen aan minder warme en minder veilige sociale omgevingen. Op basis van vroege ervaringen met zulke sociale omgevingen, die als aanwijzingen dienen voor waar je later in je leven mee geconfronteerd zult worden.

En dat betekent weer dat wij met zijn allen en onze voorouders een maatschappij tot stand hebben gebracht waarin zulke minder warme en minder veilige sociale omgevingen bestaan. We hebben allemaal wel dat hechtingssysteem, als het tegenwicht tegenover dat oudere "vechten of vluchten"- systeem, maar onze sociale omgevingen zijn niet consistent op dat hechtingssysteem toegesneden. Zoals dat wel het geval was in de Paleo Sociale Omgeving, waarin onze verre voorouders, de jagers-verzamelaars, op de vermogens tot samenwerking en coöperatief grootbrengen van de kinderen werden geselecteerd. Niet alles is vooruitgang.
Update. De links in dit bericht linken naar berichten met het betreffende label. Dat label kan ook aan dit bericht zijn toegevoegd. Dan zie je eerst dit bericht als je de link aan klikt. Scroll naar beneden voor al die andere berichten.