Posts tonen met het label ouder worden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ouder worden. Alle posts tonen

dinsdag 25 juni 2019

Met het ouder worden meer gemeenschapsgericht. En over wat dat zegt over de maatschappij waarin we leven

Mensen worden geboren met een aanleg om zowel gemeenschapsgedrag als het daaraan tegengestelde statuscompetitiegedrag gemakkelijk aan te leren. De uitkomst daarvan, wat het meeste aangeleerd wordt, is dus afhankelijk van de aard van de sociale omgeving waarin kinderen terechtkomen en opgroeien.

In de Paleo Sociale Omgeving, die van de lange periode dat mensen als jagers-verzamelaars leefden, was het samenleven sterk gebaseerd op samenwerken en delen en dus op de vanzelfsprekendheid van de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag. Het was dus bovenal de aanleg tot dat gemeenschapsgedrag die door de sociale omgeving werd aangesproken en die tot ontwikkeling kwam.

Onze huidige maatschappij wordt gekenmerkt door ambivalentie tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Kinderen leren het gemeenschapsgedrag meestal wel aan in de kring van gezin, familie en vrienden. Maar daarbuiten komen ze al gauw in aanraking met het statuscompetitiegedrag. Zie Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein.

Die ambivalentie maakt dat het opgroeien in een maatschappij als de onze nogal wat uitdagingen met zich meebrengt. En dat we moeten leren om daarmee om te gaan. Dat dat niet altijd goed lukt, blijkt er uit dat het leven vaak stressvol is en dat we daarmee samenhangende fysieke en psychische gezondheidsproblemen kennen.

De onvermijdelijkheid van dat leerproces roept de vraag op of het omgaan met die uitdagingen met het stijgen van de leeftijd, dus met de toename aan opgedane sociale ervaringen, beter lukt. Dus wat het uitmaakt om ouder te worden.

We zagen al dat ouderen meer inzicht hebben in hun eigen authentieke behoeften, minder last hebben van stress, beter kunnen omgaan met hun emoties en tevredener zijn met hun leven.

Een en ander zou ermee kunnen samenhangen dat we gedurende het opgroeien leren dat gemeenschapsgedrag beter voor ons is dan statuscompetitiegedrag. En een essentieel onderdeel van dat leerproces zou kunnen zijn dat we gaandeweg en met incidentele missers een netwerk om ons heen tot stand brengen van anderen die tot hetzelfde inzicht zijn gekomen. Door het selectie- en beïnvloedingsproces waarover het ging in het bericht Gemeenschapsgerichtheid is goed voor je als het je lukt om het ook bij anderen uit te lokken.

En precies dat zou betekenen dat onze gemeenschapsgerichtheid met het ouder worden toeneemt. Aanwijzingen daarvoor zijn er al. Want we weten dat puur altruïsme meer voorkomt bij ouderen. En dat het vertrouwen in anderen met het ouder worden toeneemt.

Daar is nu de studie Longitudinal Changes in Empathy Across the Life Span in Six Samples of Human Development bijgekomen. De onderzoekers combineerden de data van van vier longitudinale onderzoeken met in totaal ruim 2000 waarnemingen. De mate van gemeenschapsgerichtheid (door de onderzoekers empathie genoemd) was vastgesteld door beoordelaars, waardoor de nadelen van zelf-rapportage (sociale wenselijkheid) werden vermeden. Het ging om de mate waarin elk van de volgende veertien uitspraken op de persoon van toepassing werden geacht:


De uitspraken met een R tussen haakjes staan voor het omgekeerde van gemeenschapsgerichtheid en zijn gemakkelijk te herkennen als statuscompetitiegerichtheid.

Uit de analyses van de gecombineerde data komt dan naar voren dat de mate van gemeenschapsgerichtheid toeneemt, en de statuscompetitiegerichtheid afneemt, vanaf de adolescentie tot de oudere volwassenheid.

Een aanwijzing dus dat we in een maatschappij waarin we zowel gemeenschapsgedrag als statuscompetitiegedrag tegenkomen, tijd nodig hebben om te ontdekken dat van die twee het gemeenschapsgedrag te prefereren valt.

Zou er niet wat te bedenken zijn waardoor we die leerperiode korter zouden kunnen laten duren? Waardoor we de last van de stress en de fysieke en psychische gezondheidsproblemen die met statuscompetitiegedrag samenhangen zouden kunnen verminderen?

maandag 14 mei 2018

Waardoor leden drie van de vier Britten het afgelopen jaar tenminste eenmaal aan overweldigende stress?

Drie van de vier inwoners van Groot-Brittannië geven aan zich in het afgelopen jaar tenminste een maal zo gestresst te hebben gevoeld dat ze zich overweldigd voelden of niet in staat om er het hoofd aan te bieden.

Dat is de uitkomst van een nieuw onderzoek van de Britse Mental Health Foundation onder een representatieve steekproef van 4619 Britten: Stress. Are We Coping?  The Guardian besteedt er vandaag aandacht aan: Three in four Britons felt overwhelmed by stress, survey reveals.

Stress hoeft niet een groot probleem te zijn. We spreken dan over stress Type I, die je helpt om adequaat te reageren op een opduikend probleem. Dus te reageren met een oplossing die de oorzaak van de stress wegneemt.

Maar als stress overweldigend is en je er niet het hoofd aan weet te bieden, dan hebben we het over een langer durende toestand. Dus over chronische stress oftewel stress type II. Zie nog eens Gezondheid en sociale omgeving (8): allostatische belasting en de levensloop.

Dat zoveel mensen last hebben van chronische stress is natuurlijk niet normaal. Het heeft ermee te maken dat we een maatschappij hebben laten ontstaan waarin de uitdagingen van statuscompetitie en eenzaamheid groter zijn dan de meesten van ons aankunnen. Een maatschappij waarin stress toeneemt en daarmee ook de psychische problemen die er het gevolg van zijn. Zie De toename van psychische problemen is een echte toename, niet alleen maar een toename van diagnoses.

Uit dit onderzoek leren we dat de meest genoemde oorzaak van stress eruit bestond dat mensen leden aan chronische ziekten, die op hun beurt vaak weer voortkomen uit eerder ervaren stress. Daarnaast komen werk en het combineren van werk en gezinsleven, financiële problemen, sociale media en maatschappelijk-politieke problemen als oorzaken naar voren. De dieperliggende oorzaken: teveel aan statuscompetitie, vaak gepaard gaande met bestaansonzekerheid, en de (dreiging van)  eenzaamheid, zijn niet moeilijk op te merken.

Met die dieperliggende oorzaken komt overeen dat vrouwen meer stress ervaren dan mannen, want over het algemeen hebben mannen wat minder te lijden van een statuscompetitieve omgeving dan vrouwen. Ook komt ermee overeen dat minderheden en armen meer onder stress te lijden hebben.

En er komt mee overeen dat jongeren meer stress ervaren dan ouderen. Ze moeten nog leren om in die statuscompetitieve maatschappij hun weg te vinden. Daarnaast kan er ook een uitvaleffect optreden: degen die het meeste stress ervaren, worden minder oud.

maandag 29 mei 2017

Met het verstrijken van de levensloop minder contacten met vrienden - Nieuwe aanwijzingen

Een bekend sociologisch inzicht is dat voor het ontstaan en onderhouden van sociale contacten nodig is dat er geregelde spontane ontmoetingen zijn in een veilige sfeer waarin mensen niet op hun hoede hoeven te zijn.

En evenzeer weten we dat in onze huidige manier van samenleven maar beperkt aan deze voorwaarden is voldaan. Dat verklaart onder meer dat we in ons volwassen leven nog maar weinig nieuwe vrienden maken. Zie Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden?

Er is nu het nieuwe onderzoek Getting Together: Social Contact Frequency Across the Life Span dat in dezelfde richting wijst. De onderzoekers konden met behulp van gegevens van het German Socioeconomic Panel mensen van tussen de 15 en 85 jaar gedurende vijftien jaar volgen.

In dat panel was onder meer gevraagd naar hoe vaak mensen bezoek uitwisselden met buren, familie en vrienden. Uit de analyses blijkt dat die frequentie gedurende de levensloop alleen maar afneemt. Vooral tot het vijftigste levensjaar is die afname opvallend sterk. Daarna zwakt hij wat af, waarna hij na de leeftijd van 70 jaar weer steiler wordt. (Zie over de afname van het uitwisselen van bezoek in Nederland: We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd.)

Er was ook bekend of mensen waren verhuisd over een afstand van 100 kilometer of meer. Hoewel we weten dat het vaker verhuisd zijn tot een grotere sociale vluchtigheid leidt, bleek er in dit onderzoek geen verband tussen verhuisd zijn en de frequentie van contact met buren, vrienden en kennissen.

De algemenere les lijkt te zijn dat het in onze huidige maatschappij moeilijk is om gedurende de volwassen levensloop sociale contacten in stand te houden en nieuwe contacten aan te gaan. Vandaar dat we een eenzaamheidsprobleem hebben.

Bedenk daarbij dat contacten via telefoon en sociale media een beperkte vervanging zijn voor het bij elkaar over de vloer komen. Zie Facebook is leuk, maar geen vervanging voor echte sociale contacten en Gelukkiger door real-life vrienden, niet door on-line vrienden.

En het is natuurlijk een aanleiding om weer eens stil te staan bij alles wat we weten over de negatieve gezondheidseffecten van weinig sociale contacten.

En bij de negatieve effecten van het sociale isolement van gezinnen op het opgroeien van kinderen.

maandag 5 september 2016

Puur altruïsme bestaat echt - En meer bij ouderen

Het is misschien de tijd waarin we leven, maar je komt vaak een cynische kijk op mensen tegen. Die houdt in dat iedereen van binnen een egoïst is die alleen op eigen gewin uit is en dat alle menselijke goedheid niet meer is dan een vernislaagje dat dient om van anderen het vertrouwen te winnen en om van hun goedgelovigheid te profiteren. Wat op altruïsme lijkt, zou dan alleen maar voortkomen uit de zorg om de eigen reputatie, om op anderen indruk te maken. Dat cynisme wordt wel verwoord met de frase Scratch an ‘altruist’ and watch a ‘hypocrite’ bleed.

Dat cynisme staat op de een of andere manier wel stoer en in een statuscompetitieve maatschappij is het altijd goed om stoer over te komen.

Maar de menselijke sociale natuur is complex en het is plausibel dat "echt", "puur" altruïsme er ook onderdeel van is. (Denk aan de Dual Mode-theorie als het gaat om die complexiteit.)

De nieuwe studie A General Benevolence Dimension That Links Neural,Psychological, Economic, and Life-Span Data on AltruisticTendencies versterkt de al bestaande aanwijzingen in die richting. Zie ook Signs of pure altruism converge in the brain and increase with age voor een samenvatting van het onderzoek.

De onderzoekers namen bij 80 personen een fMRI-scan af terwijl die keken naar verschillende verdelingen van sommen geld over henzelf en verschillende goede doelen. Ze keken in het bijzonder naar de hersengebiedjes waarin beloond worden neuraal wordt verwerkt. Bij sommige van de deelnemers waren die gebiedjes vooral actief in die gevallen dat die verdelingen voor henzelf gunstig uitvielen.

Maar bij anderen waren ze juist heel actief als er veel geld naar een goed doel ging. Wat dus laat zien dat deze personen daarbij een gevoel van beloning ervoeren. Bij hen was het besef dat een charitatieve instelling meer middelen kreeg toegediend, een aangename ervaring.

Beide blijkt dus mogelijk: de een is een egoïst, de ander een (pure) altruïst.

Interessant was dat dat pure altruïsme blijkt samen te hangen met de scores op vragenlijstjes waarmee de mate van empathische bezorgdheid en de geneigdheid tot inleving in anderen werden gemeten. Wat mensen verbaal over zichzelf vertelden, blijkt te worden "bevestigd" door hun hersenactiviteit.

Opvallend was ook dat het pure altruïsme meer voorkwam bij de ouderen. Dat kan er op wijzen dat het met de jaren groeit. Misschien hangt dat er mee samen dat we gedurende onze levensloop beter leren om andere mensen te vertrouwen, Omringd door anderen die je vertrouwt, is het makkelijker om puur altruïstisch te zijn.

Maar toch vraag je je af of dat niet anders zou kunnen. Waarom moeten mensen eerst een egoïstische en wantrouwende levensfase door alvorens uit te groeien tot elkaar vertrouwende altruïsten? Wat een verspilling.

maandag 13 april 2015

In Nederland juist minder vertrouwen in andere mensen bij het ouder worden

Een recent onderzoek geeft aanwijzingen dat het vertrouwen in andere mensen met het ouder worden toeneemt. Ik maakte er melding van in het bericht Waardoor neemt ons vertrouwen in andere mensen toe als we ouder worden? Het ging om een onderzoek met data van het World Values Survey dat werd uitgevoerd in 83 landen en het bleek dat het zogenaamde interpersonele vertrouwen (ook wel sociaal vertrouwen genoemd) bij ouderen hoger was dan bij jongeren. Bovendien bleek uit een longitudinaal onderzoek in de Verenigde Staten dat het vertrouwen ook echt met het klimmen der jaren toeneemt.

Bij het interpersonele vertrouwen gaat het om het antwoord op de vraag of je vindt dat de meeste mensen te vertrouwen zijn of dat je met andere mensen niet voorzichtig genoeg kunt zijn. Je moet dan kiezen voor een van de twee antwoordmogelijkheden.

Ik had ook een verklaring geopperd:
Misschien vallen we terug op een strategie waarop in het verleden door de evolutie is geselecteerd. De strategie namelijk dat het beter is om te voorzichtig te zijn dan te roekeloos. Want een keer te roekeloos kan fataal zijn. Dat verklaart ook waarom we vaak angstiger zijn dan "objectief gezien" nodig is. Te angstig draagt meer bij aan overleving dan te roekeloos.
En als we nog jong zijn en nog weinig sociale ervaringen hebben opgedaan met onbekenden, zal dus die voorzichtige strategie domineren. Maar met het ouder worden doen we meer ervaringen op en ontdekken we langzamerhand dat anderen over het algemeen heel goed te vertrouwen zijn. Hoe meer we zulke vertrouwenwekkende ervaringen hebben opgedaan, hoe groter ons vertrouwen in anderen.
Min of meer toevallig viel vanochtend mijn oog op de CBS-studie Sociaal en institutioneel vertrouwen in Nederland (pdf), met daarin de tabel 3.2.1 op pagina 7, waaruit blijkt dat het vertrouwen in andere mensen in Nederland met het klimmen der jaren juist afneemt. Van de leeftijdsgroepen tussen 15 en 55 jaar heeft rond de 60 procent vertrouwen in andere mensen. Vervolgens daalt dat percentage naar 58 voor de leeftijdsgroep 55-64 jaar, naar 52 voor de 65 tot 74-jarigen en tot 49 voor degenen ouder van 75 jaar of ouder.

Misschien vind je de 60 procent al aan de lage kant. Ik ben zelf geneigd om het verontrustend te vinden dat tenminste 40 procent geen vertrouwen in andere mensen heeft. Daar moet je wel bij bedenken dat Nederland in vergelijking met andere landen hoog scoort op dat interpersonele vertrouwen. In Europa scoren alleen de Scandinavische landen hoger. Andere mensen niet vertrouwen is dus een wijdverbreid verschijnsel.

Maar afgezien daarvan, wat is er in ons land aan de hand dat wij met het ouder worden juist minder vertrouwen in andere mensen krijgen? Als mijn "verklaring" hout snijdt, dan zou het zo moeten zijn dat wij Nederlanders gedurende ons leven juist vaak in ons vertrouwen in anderen worden teleurgesteld. En die gecumuleerde ervaringen maken dat we anderen minder gaan vertrouwen.

Geen prettige gedachte. Vooral ook omdat er dus veel andere landen moeten zijn waarin mensen met het klimmen der jaren juist in hun vertrouwen gesterkt worden.

dinsdag 31 maart 2015

Waardoor neemt ons vertrouwen in andere mensen toe als we ouder worden?

We wisten al dat ouder worden een serie positieve effecten heeft. Bij het klimmen der jaren ontwikkelen we, gemiddeld genomen, een aangenamere persoonlijkheid, zijn we minder op onszelf gericht, krijgen we beter inzicht in onze authentieke behoeften,  zijn we minder gestresst, leren we om beter met onze emoties om te gaan, zijn we tevredener met onze persoonlijke relaties en zijn we pro-socialer. De nieuwe studie Growing to Trust. Evidence That Trust Increases and Sustains Well-Being Across the Life Span  (betaalpoort) voegt daar aan toe dat met het ouder worden ons vertrouwen in andere mensen toeneemt.

Uit een analyse van gegevens van bijna 200.000 ondervraagden verspreid over 83 landen blijkt dat ouderen meer dan jongeren vertrouwen hebben in andere mensen. Dat wil zeggen dat ze het er mee mee eens waren dat je de meeste mensen kunt vertrouwen en het er minder mee eens waren dat je met anderen nooit voorzichtig genoeg kunt zijn. Datzelfde patroon komt naar voren als je vraagt naar het vertrouwen in medeburgers, mensen die je persoonlijk kent, mensen die je voor het eerst ontmoet en mensen met een ander geloof en mensen met een andere nationaliteit.

En een longitudinale studie van gegevens uit de Verenigde Staten verschaft aanwijzingen dat dit ook inderdaad effecten zijn van het ouder worden. In plaats van zogenaamde cohorteffecten, die er op wijzen dat het vertrouwen in latere perioden groter is dan in eerdere.

Hoe zou dat komen, dat we meer vertrouwen krijgen in anderen als we ouder worden? Het kan er mee te maken hebben dat we in een maatschappij opgroeien waarin we naast de omgang met bekende en vertrouwde personen (familie, vrienden), ook veel te maken hebben met mensen die we niet goed kennen of die zelfs anoniem zijn. Over die laatste categorie hebben we maar weinig informatie en vaak is die indirect, van horen zeggen en via de media. Hoe bepalen we hoe veel vertrouwen we daarin mogen hebben?

Misschien vallen we terug op een strategie waarop in het verleden door de evolutie is geselecteerd. De strategie namelijk dat het beter is om te voorzichtig te zijn dan te roekeloos. Want een keer te roekeloos kan fataal zijn. Dat verklaart ook waarom we vaak angstiger zijn dan "objectief gezien" nodig is. Te angstig draagt meer bij aan overleving dan te roekeloos.

En als we nog jong zijn en nog weinig sociale ervaringen hebben opgedaan met onbekenden, zal dus die voorzichtige strategie domineren. Maar met het ouder worden doen we meer ervaringen op en ontdekken we langzamerhand dat anderen over het algemeen heel goed te vertrouwen zijn. Hoe meer we zulke vertrouwenwekkende ervaringen hebben opgedaan, hoe groter ons vertrouwen in anderen.

Maakt het wat uit of dat vertrouwen groot is of niet? Jazeker, want het blijkt ook dat we ons gelukkiger voelen en tevredener zijn met het leven als we andere mensen meer vertrouwen. We ervaren dan de wereld om ons heen als veiliger en minder bedreigend. We moeten dus leren dat de wereld veiliger is dan we dachten toen we nog jong waren en daardoor voelen we ons beter.

Dat toenemende vertrouwen zou dus ook verklaren dat we met het ouder worden minder gestresst zijn en meer pro-sociaal.

vrijdag 21 maart 2014

Tevredenheid met het leven daalt tot je 40ste en neemt daarna weer toe

Ben je rond de 40 en ben je zo ongeveer sinds je 20ste alleen maar ontevredener geworden met je leven? Dan is er nu het goede nieuws dat je je de komende tientallen jaren alleen maar beter zult gaan voelen.

De aanwijzingen zijn namelijk sterker geworden voor de U-vorm van het verloop van tevredenheid gedurende de levensloop. Dat wil zeggen, de periode vanaf ongeveer 20 jaar tot een jaar of 70. Die aanwijzingen waren er al wel, maar die berustten op vergelijkingen tussen personen van verschillende leeftijden. En dan kunnen er nog zogenaamde cohort-effecten meespelen, effecten dus van de specifieke periode waarin je bent geboren en opgegroeid.

Nu is er de studie Longitudinal Evidence for a Midlife Nadir in Human Well-being: Results from Four Data Sets, waarin dezelfde personen op verschillende tijdstippen werden ondervraagd. Als die U-vorm echt bestaat, dan zou je dus moeten vinden dat voorafgaand aan zo ongeveer de 40-jarige leeftijd de tevredenheid afneemt en daarna weer toeneemt. Dat wil zeggen, elke verandering in tevredenheid die je waarneemt, moet dus eerst een afname zijn en daarna een toename.

En dat blijkt het geval te zijn in de vier datasets die geanalyseerd konden worden. Ter illustratie hier het plaatje voor Groot-Britannië. Elke rode stip is een meting van een verandering in tevredenheid vergeleken met een eerder tijdstip. Op de horizontale as staat de leeftijd en op de verticale as de mate van verandering, die dus negatief kan zijn (een afname) of positief (een toename). Je ziet dat beneden de ongeveer 40 jaar de stippen overwegend in het negatieve gebied liggen (kleiner dan 0) en boven de 40 jaar overwegend in het positieve gebied (groter dan 0).

Hoe zou het komen? Ik denk dat het er aan ligt dat we in een behoorlijk statuscompetitieve maatschappij leven. Voor ons veertigste zijn we nog weinig in staat om weerstand te bieden tegen de verleidingen om aan die statuscompetitie mee te doen. Anders gezegd, we denken dat het goed is om ambitieus te zijn en naar het hoogste te streven. We worden door de reclame, door de televisie en door elkaar opgestookt. En we denken dat dat de natuurlijke gang van zaken is.

Maar de aard van de statuscompetitie is nu eenmaal zo dat er een statushiërarchie ontstaat, een piramide, waarin altijd maar weinigen de top bereiken en dus hun ambities hebben waargemaakt. De meesten van ons hebben dat niet en dat krijgen we langzaam door. Tot we rond ons veertigste ons gaan afvragen wat we eigenlijk aan het doen zijn.

Is dit nu wel waar ik gelukkig van wordt? Waar het in het leven om draait? Het duurt een poos voor we geleerd hebben wat geluk nu eigenlijk echt is (Geluk en ouder worden). Daarmee kan samenhangen dat we met het ouder worden beter leren met onze emoties om te gaan (Succesvol ouder worden en omgaan met emoties). En dat we bij het ouder worden niet meer zo nodig overal bij hoeven te zijn. Beter in staat om onze inspanningen te richten op zaken die echt belangrijk en zinvol zijn (Maakt ouder worden minder empathisch? Of maakt het selectiever?) En zo laten we de stress van de statuscompetitie achter ons.

Ik denk dus dat het aan de grote mate van statuscompetitie ligt die we in onze maatschappij toelaten. Als dat zou kloppen, dan zou je diezelfde U-vorm moeten zien bij andere primaten die ook behoorlijk statuscompetitief zijn.

En ziedaar, dat is ook het geval. Bij de statuscompetitieve chimpansees en de orang oetans (Evidence for a midlife crisis in great apes consistent with the U-shape in human well-being).

maandag 15 april 2013

Gaat het echt goed met kinderen in Nederland? Drie kanttekeningen

Ja, het gaat goed met kinderen in Nederland. Dat wijst het UNICEF-rapport Child Well-Being in Rich Countries. A Comparative Overview uit. Het welzijn van kinderen is zowel objectief als subjectief gemeten en bij beide indicatoren staat Nederland bovenaan op een lijst van 29 rijkere landen. (Nou ja, rijk, landen als Griekenland, Roemenië en de Baltische landen zijn niet zo rijk, zou je denken.) Maar wat houden die indicatoren nu precies in?

Bij dat objectieve welzijn gaat het om:
  • materieel welzijn (hoeveel kinderen in armoede leven)
  • gezondheid en veiligheid (geboortegewicht, kindersterfte, inentingen)
  • opleiding (onderwijsdeelname, schooluitval, schoolprestaties)
  • gezondheids- en risicogedrag (obesitas, ontbijten, fruit eten, bewegen, teenagerzwangerschappen, roken, alcoholgebruik, cannabisgebruik, vechten, gepest worden)
  • huisvesting en veiligheid omgeving (aantal kamers per persoon, huisvestingsproblemen, moordcijfers, luchtvervuiling)
Nederland staat hier dus bovenaan, gevolgd door de Noord-Europese landen, Duitsland, Luxemburg en Zwitserland. Onderaan staan (in deze volgorde) Griekenland, de Verenigde Staten (!), Litouwen, Letland en Roemenië.

Oké, hoe zit dat dan met het subjectieve welzijn? Daarvoor gebruikt UNICEF de volgende 4 maten:
  • tevredenheid met het leven: kinderen van 11, 13 en 15 jaar oud is gevraagd om op een ladder van 0 ("slechtst mogelijke leven") tot 10 ("best mogelijke leven") aan te geven hoe tevreden ze met hun leven waren. Landen zijn gerangordend naar het percentage kinderen dat hun tevredenheid met een 6 of hoger waardeert.
  • relaties: kinderen werd gevraagd of ze gemakkelijk ze met hun vader en met hun moeder kunnen praten en of klasgenoten aardig en behulpzaam zijn. Landen gerangordend naar percentage dat bevestigend beantwoordt.
  • subjectieve opleiding: een vraag naar hoeveel druk het schoolwerk oplevert en een vraag naar hoe leuk het op school is
  • subjectieve gezondheid: een vraag naar hoe goed de eigen gezondheid wordt beoordeeld en een vraag naar gezondheidsklachten
En wat blijkt? Nederland staat bij de eerste twee weer bovenaan. Bij tevredenheid met het leven gevolgd door IJsland, Spanje, Finland en Griekenland. Hekkensluiter is daar weer Roemenië. Bij relaties wordt Nederland gevolgd door IJsland (weer), Zweden, Denemarken en, verrassing, Roemenië. Onderaan staan Griekenland, de Verenigde Staten en Frankrijk. (Zie voor de rangorde op de andere twee maten het UNICEF-Working Paper Children's Subjective Well-Being in Rich Countries.)

Wat valt op? Drie kanttekeningen. In de eerste plaats valt op dat de rangorde voor tevredenheid met het leven eigenlijk de rangorde is voor de geringste ontevredenheid. Nederland staat bovenaan omdat wij het laagste percentage kinderen hebben die hun leven het cijfer 5 of lager geven. Je zou wel willen weten of wij ook het land zijn met de hoogste gemiddelde tevredenheid, maar het rapport geeft daarover geen uitsluitsel. Waarom niet is mij een raadsel. Een gewone rangorde naar de gemiddelde tevredenheid zou informatiever zijn.

Maar belangrijker is die maat voor relaties. Want wat verstaat UNICEF onder het domein van relaties dat belangrijk is voor het subjectieve welzijn van kinderen? De relatie met de ouders en de relatie met de klasgenoten. Anders gezegd: UNICEF gaat uit van het sociaal geïsoleerde gezin, waarin het kind vooral tijd doorbrengt met de eigen ouders en met de leeftijdsgenoten op school. Wat voor het welzijn en voor de sociale en morele ontwikkeling van kinderen juist cruciaal is, of een kind ook contacten heeft met oudere en jongere kinderen en met volwassenen anders dan de eigen ouders, dat is dus helemaal niet meegenomen! Over de variatie die daarin tussen landen bestaat, komen we  niets te weten. Als het klopt dat Nederland het land is waar kinderen de meeste tijd doorbrengen met alleen de eigen ouders, dus het land met de meest sociaal geïsoleerde gezinnen, dan zou die rangorde wel eens anders hebben kunnen uitvallen als die leeftijdsgemengde relaties ook waren meegenomen. Ik vind het vreemd.

Ten slotte is het goed om stil te staan bij wat jongeren onder tevredenheid met het leven zouden kunnen verstaan. Waar denken ze aan bij "het best mogelijke leven"? We weten dat jongeren onder geluk vooral verstaan hoeveel opwindende en nieuwe ervaringen ze meemaken. Zie de studie The Shifting Meaning of Happiness en mijn bericht Geluk en ouder worden. Terwijl mensen bij het ouder worden bij geluk meer denken aan vredigheid en meer inzicht hebben in hun eigen authentieke behoeften, waardoor ze minder bezig zijn met hoe ze op anderen overkomen. Het best mogelijke leven zou voor kinderen dus wel eens het leven kunnen zijn met de meeste "sensatie" en het meeste "succes" in de ogen van anderen.

Het land met de meest tevreden kinderen zou dan het land zijn dat zijn kinderen wat die zaken betreft de meeste ruimte en dus de meeste vrijheid geeft. Zou dat er mee overeenkomen dat Nederland volgens dat Working Paper dat ik hierboven noemde, bij de landen hoort waar kinderen de minste druk van het schoolwerk ervaren? En school het leukste vinden?

maandag 7 januari 2013

Maakt ouder worden minder empathisch? Of maakt het selectiever?

Met het ouder worden gaan je cognitieve vermogens achteruit. Je verwerkt informatie minder snel en je geheugen wordt slechter. Omdat het je verplaatsen in anderen (empathie) ook een cognitieve taak is, kan dat betekenen dat je ook daarin minder goed wordt. En daar zijn ook inderdaad aanwijzingen voor. Zo zijn ouderen minder goed in het oplossen van false belief tasks, wat wil zeggen dat ze zich minder goed kunnen verplaatsen in iemand die iets niet weet wat zij zelf wel weten. En ze blijken minder goed te zijn in het herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. Uit longitudinaal onderzoek blijkt dat deze vermogens ook inderdaad met het ouder worden achteruitgaan.

Maar net verschenen onderzoek (fulltext achter de poort) werpt hier een nieuw en verrassend licht op. Want neem nu dat kunnen herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. De Chinese en Amerikaanse onderzoekers (Zhang, Fung, Stanley, Isaacowitz en Ho) gaven jongeren (tussen 18 en 29 jaar) en ouderen (tussen 60 en 82 jaar) een emotieherkenningstaak, aan de hand van een serie foto's van gezichten die oftewel boosheid, geluk of verdriet uitdrukten. Toen bleek inderdaad dat jongeren de emoties beter herkenden dan de ouderen.

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt er op te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze er van uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

Denk er ook aan dat we bij het ouder worden, beter leren omgaan met onze emoties, minder met stress te maken hebben en geluk meer met vredigheid associëren (in plaats van met opwinding, zoals jongeren doen).

donderdag 24 mei 2012

Succesvol ouder worden en omgaan met emoties

Nieuw onderzoek (fulltext achter de poort) wijst er op dat we met het succesvol ouder worden beter leren om met onze emoties om te gaan.

De onderzoekers lieten drie groepen proefpersonen, gezonde jongeren, gezonde ouderen en depressieve ouderen, keuzes maken die winst, maar ook verlies konden opleveren. Ze zagen op het computerscherm acht doosjes op een rij, die ze van links naar rechts konden openen. Elk doosje bevatte een opbrengst, behalve een per toeval bepaald doosje waarin een duiveltje bleek te zitten. Als je dat doosje opende, gingen alle tot dan toe verkregen opbrengsten verloren. Dat is natuurlijk spijtig en de onderzoekers gingen na hoe sterk mensen spijt en boosheid ervoeren en hoe ze reageerden.

In eerder onderzoek was gevonden dat jongeren, en niet ouderen, op spijt reageerden met in de volgende ronde meer risico te nemen. Dus met langer doorgaan doosjes te openen, met het steeds toenemende risico om een duiveltje te treffen. Omdat de plek van het duiveltje voor elke ronde opnieuw per toeval werd bepaald, en de proefpersonen hier van op de hoogte waren, kun je deze reactie opvatten als door emoties van spijt en boosheid gedreven. In feite werd de kans op spijt in de volgende ronde er door vergroot. Als je je minder door de spijt laat leiden, dan geef je er blijk van in te zien dat je na elke ronde met een schone lei begint. En ouderen geven dus meer blijk van dat besef dan jongeren.

In dit nieuwe onderzoek werd ook een groep depressieve ouderen onderzocht en het bleek dat die vergelijkbaar reageerden als jongeren. Dat is er een aanwijzing voor dat succesvol ouder worden, in plaats van depressief ouder worden, gepaard gaat met een betere beheersing van emoties. Dit bleek ook uit de waarden van fysiologische stressmetingen tijdens het onderzoek: bij de depressieve ouderen (en bij de jongeren) namen de huidgeleiding en hartslag toe en bij de gezonde ouderen niet. En uit fMRI onderzoek bleek dat vooral bij gezonde ouderen het hersengebied van de anterior cingulate cortex werd geactiveerd. En daarvan is bekend dat het een rol speelt in de cognitieve beheersing van emoties en in het aandacht geven aan positieve gebeurtenissen, zeg maar, optimisme. Gezonde ouderen zouden daardoor beter in staat zijn om de oorzaak van mislukkingen niet alleen maar bij zichzelf te zoeken, beter dan jongeren en depressieve ouderen.

De onderzoekers speculeren dat het verschil tussen gezonde jongeren en gezonde ouderen adaptief is. In de zin dat jongeren nog een lang leven voor de boeg hebben en zich dus maar beter veel van mislukkingen kunnen aantrekken. Als je nog veel tijd te gaan hebt, dan "loont het" om je over je eigen gedrag zorgen te maken en te piekeren. Maar als je dat nog steeds doet als je oud bent, dan zou dat geen goede aanpassing zijn aan het kortere perspectief dat je nog voor je hebt. En zou het de kans op ouderdomsdepressie dus vergroten.

Dat kan. Maar het kan ook zijn dat wij in een leefomgeving opgroeien die zo afwijkt van onze natuurlijke leefomgeving dat we een flink deel van onze levensloop nodig hebben om er een goede weg in te vinden. Er is met andere woorden een lang leerproces nodig om onze emotionele reacties goed te leren beheersen, om minder stress te ondervinden en om je gelukkig te voelen en tevreden met je leven te zijn. Zie ook nog eens hier en hier. Als dat zo zou zijn, dan hebben jongeren dus een achterstand in het leerproces van het leven op ouderen.

dinsdag 17 april 2012

Wie zijn het meest gestresst? En is stress toegenomen? Wat zegt dat over onze maatschappij?

De Amerikaanse onderzoekers Sheldon Cohen en Denise Janicki-Deverts geven inzicht in welke Amerikanen het meest gestresst zijn en in de vraag of de mate van stress in 2006 en 2009 gemiddeld hoger was dan in 1983. Hun artikel is net verschenen in de Journal of Applied Social Psychology (achter de poort). Het blijkt dat:
  1. vrouwen meer stress ondervinden dan mannen,
  2. de ondervonden stress af neemt met toenemende opleiding en inkomen,
  3. mensen met betaald werk in 1983 en 2006 minder stress ondervonden dan werklozen. Dit verschil was er niet in 2009, ten tijde van de economische crisis. Waarschijnlijk schreven de werklozen in 2009 de oorzaak van hun werkloosheid minder toe aan eigen falen, waardoor hun stress lager was dan die van de werklozen in 1983 en 2006.
  4. gepensioneerden minder stress ondervinden dan werkenden en dat geldt voor werkenden in alle beroepscategorieën.
  5. de ondervonden stress af neemt met het ouder worden. Dit lijkt niet (alleen maar) het gevolg te zijn van het eerder overlijden van mensen met veel stress, want de afname van stress vindt plaats over de gehele levensloop.
  6. Sinds 1983 is de ondervonden stress toegenomen, in vrijwel alle demografische categorieën. Maar het is niet duidelijk in hoeverre dat er aan ligt dat het onderzoek in 1983 telefonisch werd afgenomen en in 2006 en 2009 via internet.
Wat werd onder stress verstaan? Voor de meting van stress werd de Psychologische Stress Schaal gebruikt. Die bestaat uit vragen over hoe onvoorspelbaar, oncontroleerbaar en overbelastend mensen hun leven vinden. Voorbeelden van vragen zijn: Hoe vaak heeft u (zich) in de afgelopen maand ...
  • zenuwachtig en gestresst gevoeld?
  • het gevoel gehad dat de moeilijkheden zich zo ophoopten dat ze niet oplosbaar leken?
  • het gevoel gehad dat u niet op kon tegen de dingen die op u afkwamen?
De uitkomsten van het onderzoek kun je zo interpreteren dat ze iets zeggen over de uitdagingen die de huidige maatschappij aan mensen stelt. Je kunt dan concluderen dat we onze maatschappij zo hebben ingericht dat mannen zich er gemakkelijker aan aanpassen dan vrouwen. En zo dat het leven moeilijker is als je weinig opleiding en een laag inkomen hebt. En dat werkloosheid meer stress veroorzaakt, behalve als er veel werklozen zijn. Maar in vergelijking met werkenden hebben gepensioneerden weer minder stress. Zie ook nog eens dit bericht.
    En je kunt concluderen dat onze maatschappij zo in elkaar zit dat stress afneemt met het ouder worden, dus met de tijd die we er in doorbrengen. Dit wijst er op dat we als we geboren worden niet onze natuurlijke leefomgeving aantreffen. De moeilijkheden die we ondervinden zijn meer geconcentreerd aan het begin van onze levensloop en gaandeweg leren we beter om ze het hoofd te bieden. Anders gezegd, we zijn een leven lang bezig met te leren hoe we het beste kunnen leven. Dat dat leerproces zich voltrekt is mooi. Maar het is ook wat tragisch dat we tot nu toe de maatschappij niet zo kunnen inrichten dat jongeren in staat zijn net zo van het leven te genieten als ouderen.

    Dat stress lijkt te zijn toegenomen, is trouwens een aanwijzing dat we er kennelijk met de tijd juist minder goed in slagen om onze natuurlijke leefomgeving beter tot stand te brengen.

    Het kan zijn dat deze uitkomsten meer gelden voor de Verenigde Staten dan voor Europa. Maar ik heb geen onderzoek paraat dat daar uitsluitsel over kan geven.

    zaterdag 29 oktober 2011

    Geluk en ouder worden

    Iedereen wil graag gelukkig zijn, maar verstaan we wel hetzelfde onder geluk? Nee, er zijn verschillen tussen mensen in de betekenis die ze aan geluk geven. Er zijn bijvoorbeeld verschillen naar culturele achtergrond van mensen. Daarover een andere keer.

    Een ander interessant verschil is dat naar leeftijd. Er zijn aanwijzingen dat jongeren bij geluk meer denken aan opwindende ervaringen ("excitement"), terwijl ouderen geluk meer opvatten als vredigheid ("peacefulness"). Dit lijkt er mee samen te hangen dat jongeren meer op de toekomst georiënteerd zijn en ouderen meer op het heden.

    Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

    Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

    Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt. Over dat dal later een keer.