Posts tonen met het label vriendschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vriendschap. Alle posts tonen

vrijdag 27 maart 2020

Over vriendschap, sociale vluchtigheid, vampiervleermuizen en vertrouwdheid

Laten we het in deze tijd van gedwongen sociale onthouding over vriendschap hebben. Is vriendschap iets typisch menselijks? Of komt het ook voor bij andere diersoorten en hebben we het eigenlijk over een biologisch fenomeen?

Aanleiding daartoe is ook de net verschenen studie Development of New Food-Sharing Relationships in Vampire Bats, waarvan de Summary begint met deze zin:
Some nonhuman animals form adaptive long-term cooperative relationships with nonkin that seem analogous in form and function to human friendship.
De Volkskrant besteedde op 24 maart aandacht aan de studie. Zie Vampiervleermuizen delen hun bloedmaaltijd alleen met echte vrienden.

Van vampiervleermuizen, die leven van het bloed van zoogdieren,  was al bekend dat de vrouwtjes bij het groepsgewijs overnachten hun maaltijd met een ander delen als die niet voldoende heeft weten te bemachtigen. En dat ze met het oog op dat delen vaste partnerschappen vormen. Vriendschappen dus. Dat is van levensbelang omdat ze zonder een dagelijkse portie vers bloed niet overleven.

In die nieuwe studie gaat het over de vraag hoe zulke vriendschappen ontstaan. De onderzoekers plaatsten vleermuizen uit verschillende kolonies bij elkaar en observeerden wat er ging gebeuren. Het bleek toen dat er inderdaad vriendschappen ontstonden en wel volgens het raising-the-stake-model. Wat inhoudt dat vriendschappen eerst klein beginnen, door het initiëren van de uitwisseling van fysiek contact, knuffelen of vlooien (grooming). Pas als dat werd beantwoord, werd overgegaan op het delen van voedsel. En als die fase eenmaal was aangebroken, verminderde ook het knuffelen, wat er op wijst dat dat bedoeld was als het uittesten van de relatie.

In de Volkskrant wordt gedragsbioloog Jorg Massen om commentaar gevraagd. Jorg Massen, Liesbeth Sterck en ik schreven in 2010 het artikel Close social associations in animals and humans: Functions and mechanisms of friendship. Met als conclusie:
We conclude that both human friendship and animal close social associations are ultimately beneficial. On the proximate level, motivations for friendship in humans and for close social associations in animals are not necessarily based on benefits and are often unconditional. Moreover, humans share with many animals a similar physiological basis of sociality. Therefore, biologists and social scientist describe the same phenomenon, and the use of the term friendship for animals seems justified.
Wat er op neerkomt dat er inderdaad zoiets als vriendschap bestaat dat mensen en andere diersoorten gemeenschappelijk hebben. En dat het goed is om onderscheid te maken tussen de "proximate" en de 'ultimate" verklaring voor vriendschap. Zie ook het bericht Over vertrouwdheid en het verschil tussen een ultimate en een proximate verklaring.

In die ultimate verklaring gaat het erom dat het vermogen tot het sluiten van vriendschappen, of het fenomeen vriendschap, bijdraagt tot overleving en reproductie. En dus door natuurlijke selectie in het verleden is verspreid in de populatie. Terwijl het bij de proximate verklaring gaat om de vraag hoe een vriendschap tot stand komt.

Bij die vampiervleermuizen werd dus door de onderzoekers eerst een onnatuurlijke situatie gecreëerd door vleermuizen uit verschillende kolonies bij elkaar te zetten. Daardoor moesten ze dus als vreemden proberen om vriendschappen te sluiten. En dan blijkt dus dat mechanisme te werken van het elkaar uittesten.

Een mechanisme dat dus niet nodig was binnen die kolonies waar ze waren uitgehaald. Daar was immers al de onderlinge vertrouwdheid die delen mogelijk, en vanzelfsprekend, maakte. Dat uittesten kun je dus zien als het gezamenlijke proces tot het scheppen van een "nieuwe" vertrouwdheid. Vertrouwdheid is de proximate oorzaak van vriendschap. Vertrouwdheid is immers het signaal van veiligheid bij uitstek, dat de evolutie binnenkwam op het moment dat levende wezens in staat waren zich voort te bewegen..

Als we het bij mensen hebben over vriendschap, dan gaat het natuurlijk ook meestal over de "onnatuurlijke" situatie waarin wij in de huidige maatschappij verkeren. Want die maatschappij is immers gekenmerkt door een grote mate van sociale vluchtigheid. Zie Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid.

We worden in een wel heel kleine kring van vertrouwde anderen geboren en moeten al vrij snel onze eigen weg zien te vinden in die toestand van sociale vluchtigheid. Analoog aan die vleermuizen die door de onderzoekers uit hun kolonie werden gehaald.

Heel anders dus dan die toestand van de Paleo Sociale Omgeving, waarin jagers-verzamelaars hun hele leven doorbrachten in de stabiele kring van vertrouwde anderen. Die net als voor die vleermuizen essentieel was voor hun overleving, omdat ze het zonder samenwerking en delen niet redden.

donderdag 9 augustus 2018

Statusvertoon en vriendschap verdragen elkaar slecht - Maar dat hebben we slecht door als we vriendschap zoeken

Mensen brengen al heel lang niet meer hun hele leven door in de groep van vertrouwde anderen, zoals dat het geval was in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars. Naast het gemeenschapsdomein van familie en vrienden, kennen we ook het domein van de statuscompetitie en statushiërarchie. Bovendien is dat gemeenschapsdomein vaak maar klein en precair, vandaar dat eenzaamheid een maatschappelijk probleem is.

Anders gezegd, we leven in een maatschappij met een grote mate van sociale vluchtigheid, waarin we ons nogal eens eenzaam voelen en waarin we best wel meer vrienden zouden willen.

Maar hoe maak je nieuwe vrienden?

Evolutionair gezien zijn we er niet op geselecteerd om gemakkelijk nieuwe vrienden te maken, want die uitdaging kwam in die Paleo Sociale Omgeving eigenlijk niet voor. Vrienden had je en het ging erom die te houden, niet om nieuwe vrienden te maken.

Je moet het nu dus zelf maar zien uit te vinden. En omdat je zowel gemeenschap als statuscompetitie om je heen ziet, kan het zijn dat je die twee door elkaar haalt. En dan op het idee komt om door statusvertoon te proberen om vrienden te maken.

Dat die vergissing veel gemaakt wordt, blijkt uit de nieuwe studie The Status Signals Paradox.

De onderzoekers lieten in vijf deelstudies mensen kiezen tussen het wel of niet met statusvertoon te proberen om nieuwe vrienden te maken. Het ging er dan bijvoorbeeld om of je met een dure of een middenklasse auto zou arriveren of dat je een duur merkhorloge of een gewoon horloge zou dragen of een duur merk T-shirt aan zou trekken of een gewoon Walmart T-shirt.

Steeds bleek dat significant meer mensen kozen voor het statusvertoon. Ze verwachten dus daarmee succesvoller te zijn in het maken van vrienden. Anderen zouden hen aantrekkelijker vinden als mogelijke nieuwe vriend.

Maar of dat laatste zo was, werd ook vastgesteld door mensen te vragen naar wie ze als mogelijke vriend aantrekkelijker zouden vinden. En daaruit bleek dat degenen met statusvertoon juist minder positief werden beoordeeld. Er bestaat dus inderdaad een Status Signalen Paradox.

Kennelijk is het zo dat als we op zoek zijn naar vriendschap, maar die dus nog niet hebben gevonden, we dat statuscompetitiepatroon dat ook in ons zit, niet gemakkelijk buiten werking kunnen stellen.

Misschien dat we bang zijn om toch in een statusstrijd terecht te komen en dan willen we maar liever goed voor de dag komen.

Maar die angst maakt de kans op vriendschap dus juist kleiner.

vrijdag 23 maart 2018

Hoeveel tijd "kost" het om goede vrienden te worden? En waarover heb je het dan? - Vrienden worden is vertrouwd worden met elkaar

Hoe maak je nieuwe vrienden? Hoeveel tijd moet je daarvoor samen doorbrengen, wat doe je in die tijd en waarover praat je?

Je kunt dat onderzoeken bij mensen die nog niet zo lang geleden verhuisd zijn en bij eerstejaarsstudenten. Dat gebeurde in de studie How many hours does it take to make a friend?

Het deelonderzoekje naar die eerstejaarsstudenten was longitudinaal, wat wil zeggen dat de studenten na 3, 6 en 9 weken na het begin van de colleges ondervraagd werden.

Het bleek dat de samen doorgebrachte tijd voorspellend was voor of iemand een goede vriend was geworden. Tussen 6 en 9 weken verdubbelde de samen doorgebrachte tijd met "vage vrienden", die daardoor "vrienden" werden. Eveneens verdubbelde de samen doorgebrachte tijd met "vrienden", die daardoor "goede of beste vrienden" werden. Dat ging ten koste van de tijd die werd doorgebracht met medestudenten die in mate van vriendschap gelijk bleven.

De samen doorgebrachte tijd maakte vooral verschil als hij werd besteed aan zaken als bijpraten, elkaar op de hoogte houden van wat je gedaan hebt sinds de vorige ontmoeting, praten over serieuzere zaken waarbij je allebei aan het woord komt en het maken van grappen en samen plezier hebben. En je ziet dat bij degenen waarbij die vriendschap niet toenam, de tijd besteed aan small talk (praten over koetjes en kalfjes) juist toenam. Met vrienden praat je over meer dan koetjes en kalfjes.

Het zijn geen opzienbarende resultaten. Maar wat je er wel van leert, is dat waarover je met elkaar praat als je vrienden wordt, datgene is wat de wederzijdse vertrouwdheid doet toenemen. Het gaat bij vriendschap om vertrouwdheid. En die groeit als je elkaar bij praat over wat er gebeurd is en wat je deed toen je ergens anders was. Die sociale leemtes tussen ontmoetingen, die moeten worden opgevuld. En natuurlijk schep je ook die vertrouwdheid door het niet alleen over koetjes en kalfjes te hebben, maar ook echt over wat serieuzere zaken, waarbij je elkaar aan het woord laat.

Bij het maken van nieuwe vrienden gaat het dus kennelijk om het "zo snel mogelijk" die toestand van onderlinge vertrouwdheid tot stand te brengen, waar we als een sociale diersoort altijd naar op zoek zijn. Lees nog eens: Draait alles om vertrouwdheid?

vrijdag 28 oktober 2016

Narcisten hebben baat bij sociale vluchtigheid

Klopt het dat narcisten in het sociale domein van de persoonlijke relaties minder "succesvol" zijn dan in het publieke domein? In het bericht Is populisme de uitingsvorm van narcisme in het publieke domein? - Jan-Werner Müller over populisten (en technocraten!) bracht ik die gedachte onder woorden in deze alinea:
Verkerend in de sfeer van persoonlijke relaties kan hun gedrag vaak door anderen in toom worden gehouden. Als ze schade aanrichten, dan is dat als de relaties wisselend zijn. Door hun oppervlakkige charme weten ze gemakkelijk aandacht te trekken en relaties aan te gaan, maar na verloop van tijd krijgen anderen door wat voor vlees ze in de kuip hebben. Zo kunnen narcisten soms een spoor van slachtoffers achter zich laten.
Ja, er is onderzoek dat aanwijzingen in die richting verschaft. Maar dat is vooral laboratoriumonderzoek, met kunstmatig samengestelde groepen.

Een mooi overzicht van onderzoek is te vinden in On the Self-regulatory Dynamics Created by the Peculiar Benefits and Costs of Narcissism:A Contextual Reinforcement Model and Examination of Leadership. Volgens het model dat daar ontwikkeld wordt op basis van het bestaande onderzoek zijn narcisten wel succesvol, vooral voor zichzelf, in wat wordt genoemd de emerging zone, in sociale situaties waarin mensen elkaar nog niet goed kennen. Succesvol wil zeggen dat ze door anderen aantrekkelijk worden gevonden als potentiële vrienden en als mogelijke leiders gezien worden.

Maar dat verandert in de enduring zone, in
sociale situaties waarin mensen elkaar hebben leren kennen en waarin de relaties dus langdurig zijn. Dan maakt hun narcistische (egoïstische, agressieve) gedrag slachtoffers, wat natuurlijk sterk afbreuk doet aan hun aantrekkelijkheid voor vriendschap en leiderschap.

Er is nu nieuw onderzoek dat in dezelfde richting wijst en dat het voordeel heeft dat het is uitgevoerd in een natuurlijke setting: Do Narcissism and Emotional Intelligence Win Us Friends? Modeling Dynamics of Peer Popularity Using Inferential Network Analysis

De Poolse onderzoekers namen bij eerstejaarsstudenten, die in studiegroepen waren ingedeeld, aan het begin van het jaar een vragenlijst af en herhaalden dat drie maanden later. In de vragenlijst waren onder meer een narcisme-test opgenomen en een populariteitstest (iedereen gaf aan wie van de anderen hij of zij sympathiek vond).

Toen bleek dat aan het begin van het jaar, toen de studenten elkaar nog nauwelijks hadden leren kennen (de emerging zone dus), degenen met een hoge score op narcisme vaker als sympathiek werden beoordeeld dan degenen die juist lager scoorden.

In de drie maanden daarna ontstonden allerlei vriendschappen en dat was er aan te zien dat gemiddeld genomen de sympathiescores toenamen. Maar dat gold in veel mindere mate voor de narcisten. 

In die drie maanden was er kennelijk tijd geweest om elkaar beter te leren kennen. Er was, zou je kunnen zeggen, een overgang gaande naar de enduring zone. Wat inhield dat anderen van de narcisten de donkere kant leerden kennen. (Denk aan De donkere drie: psychopathie, narcisme en Machiavellianisme.)

Omdat in de vragenlijst ook een test voor emotionele intelligentie was meegenomen, kon worden vastgesteld dat de combinatie van hoge narcisme-score en lage emotionele intelligentie het slechtst uitwerkte. De combinatie van laag narcisme en hoog emotioneel intelligent was het meest succesvol in het maken van vrienden.

Kortom, narcisten hebben baat bij die emerging zone, bij de sociale vluchtigheid in het domein van de persoonlijke relaties. 

En daarnaast natuurlijk bij de sociale vluchtigheid die zo kenmerkend is voor de relaties in het publieke domein.
(De afbeelding is overgenomen van NARCISSISM CARTOONS AND COMICS.)

maandag 9 mei 2016

Hoe goed weten we of onze vrienden ook inderdaad onze vrienden zijn? Niet zo goed

Wanneer zijn we elkaars vrienden? Je zou zeggen, als we elkaar als vriend beschouwen. Niets aan de hand.

Maar het blijkt veel voor te komen dat de een de ander wel als vriend beschouwt, maar de ander de een niet. In zulke gevallen is er dus een asymmetrische relatie. En er valt wat voor te zeggen dat een echte vriendschap pas bestaat als de relatie symmetrisch is: ik beschouw jou als mijn vriend en jij beschouwt mij als jouw vriend.

Het onderzoek Are You Your Friends’ Friend? Poor Perception of Friendship Ties Limits the Ability to Promote Behavioral Change laat zien dat er in die zin veel minder vriendschappen bestaan dan mensen geneigd zijn te denken.

Zo bleek dat studenten vrijwel altijd (in 94 procent van de gevallen) veronderstelden dat degene die zij als hun vriend beschouwden ook omgekeerd hen als vriend zou noemen. Maar in werkelijkheid bleek dat slechts in de helft van de gevallen zo te zijn.

Als je daar bij stil staat, is het wel wrang. Het is dus vaak zo dat je denkt dat iemand jou als vriend ziet terwijl dat niet zo is.

Dat wil zeggen, het komt vaak voor onder studenten. De auteurs noemen meer studies met soortgelijke resultaten, maar steeds onder studentenpopulaties (of scholieren). Het kan zijn dat het onder studenten meer voorkomt, omdat die elkaar over het algemeen nog niet zo lang kennen. Maar aan de andere kant gaan ze vaak wel intensief met elkaar om. Het studentenleven is voor velen een bron van vriendschappen.

Ditzelfde onderzoek geeft trouwens wel enig inzicht in waar de symmetrie of asymmetrie van vriendschappen van afhangt. Want het blijkt dat symmetrie meer voorkomt tussen twee studenten die veel gemeenschappelijke vrienden hebben. Als ze meer zijn ingebed in een en hetzelfde sociale netwerk. Het zou kunnen dat je dan je inschatting van de kans dat de ander jou ook als vriend ziet, op meer informatie, ook die van derden, kunt baseren. Bedenk dat we bij een zogenaamd dicht sociaal netwerk aan een dorp denken.

Daarnaast blijkt dat asymmetrische "vriendschappen" meer voorkomen tussen meer perifere en meer centrale leden van een sociaal netwerk. Een meer centraal lid heeft veel vriendschapsnominaties en een meer perifeer lid juist weinig. Dat is ongeveer het verschil tussen iemand met hoge status en iemand met een lage status. Het komt er op neer dat iedereen voor zijn vriendschappen graag omhoog kijkt in de statushiërarchie. Dan krijg je "automatisch" meer asymmetrische "vriendschappen".

De conclusie die je kunt trekken is dat er in een dicht en egalitair sociaal netwerk weinig asymmetrische "vriendschappen" zullen voorkomen. Oftewel: als we elkaar kennen en niemand is meer dan een ander, dan is iedereen elkaars vriend.

Bedenk daarbij dat zulke sociale netwerken in onze huidige maatschappij niet meer zo veel voorkomen.

vrijdag 30 oktober 2015

Over de frequenties van "vriendschap" en "eenzaamheid" in fictie

Naar aanleiding van het bericht Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden? vroeg ik me af of het klopt wat ik daarin beweerde, namelijk dat woorden als "vriendschap" en "eenzaamheid" vrij recente uitvindingen zijn. In de zin dat ze tegenwoordig frequenter in ons vocabulaire voorkomen dan vroeger.

Maat wat is vroeger? Ik dacht eigenlijk aan heel lang geleden, toen onze verre voorouders nog als jagers-verzamelaars leefden. In groepen van rond de 150 personen (Dunbar's number), die een intensief sociaal leven hadden en voor hun overleving afhankelijk waren van samenwerking en het delen van voedsel. Omdat iedereen elkaars "vriend" was, kun je op het idee komen dat het woord (en het begrip) vriendschap in hun vocabulaire nauwelijks een rol speelde. Net zo als vissen geen woord voor water zouden ontwikkelen als ze zouden kunnen praten.

Maar goed, we kunnen het onze verre voorouders niet meer vragen. En onderzoek naar nog bestaande jagers-verzamelaars verschaft voor zover ik weet geen uitsluitsel. Maar zie hier een bespreking van een studie naar de sociale netwerken van de Hadza, waaruit je zou kunnen opmaken dat bij wisselingen in groepssamenstelling zoiets als vriendschap een rol speelt. Vrienden zijn dan diegenen waarmee je het beste kunt samenwerken.

Als je het wat minder ver weg in de geschiedenis zoekt, kun je met de Google Ngram viewer nagaan hoe vaak een woord in boeken opduikt. Ik heb dat voor de aardigheid eens gedaan met "loneliness" en "friendship" in Engelstalige fictie. Ik zou de ontstane grafieken graag hier reproduceren, maar ik heb nog niet door hoe dat zou kunnen (als het al kan).

Ik deed dat voor de periode vanaf 1700. "Loneliness" komt dan, als percentage van alle woorden, vanaf rond 1800 voor en neemt gestaag toe tot rond 1935, waarna het constant blijft tot rond 1980. Daarna neemt het af tot 2005, waarna er weer een kleine toename is.

En de frequentie van "friendship" begint tegen 1750 sterk op te lopen, waarna het in de tweede helft van de achttiende eeuw opvallend hoog blijft. Dat was de tijd van de Verlichting. Denk aan Rousseau, die leefde van 1712-1778. Daarna neemt het snel af tot 1850, waarna die afname zich langzamer doorzet.

Hoeveel waarde je hier moet toekennen? Ik zou het niet weten. Maar aardig om eens gezien te hebben.

vrijdag 6 maart 2015

Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait

De aard van het sociale leven van adolescenten is sterk institutioneel bepaald. Bepaald namelijk door de school en de regels die daar gelden. In het bijzonder de regel dat onderwijs groepsgewijs gevolgd wordt en dat groepen bestaan uit leerlingen van dezelfde leeftijd. Daardoor moeten adolescenten, en kinderen in het algemeen, hun weg zien te vinden in een groep van leeftijdsgenoten. Dat is niet een natuurlijke sociale omgeving, maar een die geconstrueerd is door de manier waarop wij ons onderwijssysteem vormgeven.

In de wijze waarop adolescenten in die kunstmatige sociale omgeving hun weg vinden, krijg je enig inzicht door het onderzoek naar sociale doelen van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Een recent voorbeeld van zulk onderzoek is de studie The Role of Goal Structures and Peer Climate inTrajectories of Social Achievement Goals During HighSchool (betaalpoort). Ik gebruik het als aanleiding om het een en ander te melden over dat onderzoek en de inzichten die het oplevert.

Dat onderzoek naar sociale doelen van leerlingen is er nog niet zo lang. Aanvankelijk waren onderzoekers op het terrein van het onderwijs er vooral in geïnteresseerd of leerlingen wel genoeg het doel nastreefden om op school goed te presteren. En dus deden ze onderzoek naar prestatiedoelen van leerlingen. In de hoop dat je die prestatiedoelen bij leerlingen zou kunnen aanwakkeren en zo de leerprestaties zou kunnen verbeteren.

Tot iemand ooit eens bedacht moet hebben, ik weet niet wie en wanneer, dat leerlingen op school ook een sociaal leven hebben en dat ze niet alleen voor de uitdaging staan om te presteren, maar ook voor die van de eisen van het sociale leven. Dat leidde het onderzoek in naar de sociale prestatiedoelen. Kennelijk met het idee dat op school alles om presteren draait, dus ook in het sociale leven.

Daaruit kwam het onderscheid naar voren tussen enerzijds het doel om jezelf sociaal te ontwikkelen en anderzijds het doel om populair te zijn. Het eerste doel zou je vriendschap kunnen noemen en het tweede status (in het onderzoek meestal populariteit genoemd). Ik licht kort toe wat beide inhouden.

Het doel vriendschap wordt, in de Social Achievement Goal Orientation Scale, gemeten met uitspraken als de volgende, waarvan je moet aangeven hoeveel je het er mee (on)eens bent:
  • In general, I strive to develop my interpersonal skills. 
  • I like friendships that challenge me to learn new things about myself.
  • I feel successful when I learn something new about how I relate to other people. 
  • It is important to me to work on improving the quality of my relationships with my friends
Als je zulke uitspraken onderschrijft, dan ben je dus sterk gericht op het aangaan en onderhouden van vriendschappen en op het ontwikkelen van de vaardigheden die daar voor nodig zijn. In de taal die ik op dit blog veel gebruik: je bent gemeenschapsgericht.

Maar je kunt ook meer op populariteit of status gericht zijn en dus op statuscompetitie. Want niet iedereen kan de hoogste status hebben. Uit het onderzoek naar dat populariteitsdoel komt dan weer het onderscheid naar voren tussen het nastreven van status en het vermijden van statusverlies. Volgens diezelfde schaal als hierboven wordt het nastreven van status gemeten met uitspraken als:
  • It is important to me to have “cool” friends.
  • I want to be friends with “popular” people.
  • It is important to me that others think of me as popular.
  • It is important to me to be seen as having a lot of friends.
En het vermijden van statusverlies met uitspraken als
  • My goal is to avoid doing things that would cause others to make fun of me.
  • I would be successful if I could avoid being socially awkward.
  • In social situations, I feel successful if I manage to avoid having others think I am a geek.
  • I try not to goof up when I am out with people
(Ik moest dat "goof up" even opzoeken en vond verprutsen als vertaling.) Als je dat eerste blokje uitspraken vergelijkt met de andere twee, dan kan je het grote onderscheid niet ontgaan. Het valt nagenoeg samen met het bij de lezers van dit blog bekende onderscheid tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag.

En als je dat onderscheid goed tot je laat doordringen, zou je op gedachten kunnen komen over wat het voor iemand betekent die meer op vriendschap gericht is dan wel meer op status. En als je dan kijkt naar het onderzoek dat daarnaar gedaan is, dan worden die gedachten  waarschijnlijk bevestigd. Want het blijkt dat adolescenten die meer het vriendschapsdoel nastreven, betere relaties met anderen hebben, een hogere zelfwaardering hebben, sociaal vaardiger zijn, meer persoonlijke groei ondergaan en meer pro-sociaal gedrag vertonen.

Daartegenover gaat dat nastreven van het statusdoel meer samen met problemen op sociaal vlak en daarover piekeren, meer agressie, minder gevoel van autonomie, minder goede relaties met anderen, minder persoonlijke groei, minder pro-sociaal gedrag, meer angstgevoelens en eenzaamheid en meer faalangst.

Let wel, dit alles gaat om samenhangen; over de oorzakelijke richtingen kun je je gedachten hebben.

Maar hoe dan ook, je zou wensen dat alle adolescenten in hoge mate dat vriendschapsdoel nastreven en dat statusdoel ver van zich werpen. Maar dat is helaas niet het geval. Uit onderzoek blijkt gelukkig meestal wel dat dat vriendschapsdoel onder de meeste adolescenten hoog scoort. Maar die twee vormen van het statusdoel, die onderling samenhangen, zijn ook ruim voorhanden.

Je kunt vermoeden, wat ik doe, dat onze institutie van de leeftijdshomogene schoolklas er toe bijdraagt dat dat statusdoel toch zo onmiskenbaar door leerlingen wordt nagestreefd. Zoals eerder gezegd, het ontbreken van oudere en jongere kinderen lokt uit tot strijd om populariteit en status. En dat staat in de weg van vriendschapsvorming.

Dat vermoeden vindt ondersteuning door de studie die ik in het begin van dit bericht noemde. Want de onderzoekers hebben die sociale doelen bij dezelfde leerlingen op verschillende tijdstippen gemeten. En dan blijkt dat leerlingen aanvankelijk, bij het begin van een nieuw schooljaar in een nieuwe klas, nog sterk fluctueren tussen die verschillende sociale doelen. Ze weten dan nog niet in wat voor sociaal klimaat ze terecht zijn gekomen.

Na verloop van tijd krijgen ze dat door en passen ze zich daarbij aan. Als ze een gunstig sociaal klimaat om zich heen zien, bijvoorbeeld dat leerlingen graag samenwerken in schoolactiviteiten, dan zie je ze opschuiven in de richting van dat vriendschapsdoel en weg van die statusdoelen. (Wat weer overeenkomt met de inzichten van de Dual Mode-theorie).

En ja, het is inderdaad zo dat de schoolprestaties beter zijn als leerlingen meer dat vriendschapsdoel nastreven. Die statusstrijd is demoraliserend. Kijk nog maar eens naar die negatieve effecten er van.

vrijdag 26 september 2014

Waar komt ons rechtvaardigheidsgevoel vandaan?

Ons rechtvaardigheidsgevoel is inderdaad een gevoel. Een emotionele aversie tegen ongelijke verdelingen. We houden in de gaten wat anderen krijgen en vergelijken ons daarmee. Als we minder krijgen, maken we ons boos en protesteren we (ongelijkheidsaversie-van-de-eerste-orde). Maar ook als ons meer toevalt, kunnen we dat als onaangenaam ervaren (ongelijkheidsaversie-van-de-tweede-orde).

Sarah Brosnan en Frans de Waal geven nu een mooi overzicht van het onderzoek naar het gedrag dat uit het rechtvaardigheidsgevoel voortkomt bij mensen en bij andere dieren, in het bijzonder bij apen. Zie Evolution of responses to (un)fairness (verschijnt binnenkort in Science; betaalpoort).

Die ongelijkheidsaversie-van-de-tweede-orde tref je alleen aan bij mensen en bij chimpansees en die van de eerste orde bij mensen en verschillende soorten apen. Dat wij het gevoel delen met genetisch verwante soorten wijst er op dat het evolutionaire wortels heeft die verder teruggaan dan tot het ontstaan van onze soort. Het lijkt dus niet zo te zijn dat onze bijzondere intelligentie een noodzakelijke voorwaarde is voor het streven naar rechtvaardigheid.

Wat zijn dan de omstandigheden geweest die er in het verleden toe hebben geleid dat op rechtvaardigheidsgevoel en het daaruit voortkomende gedrag werd geselecteerd? Brosnan en De Waal denken bovenal aan het belang van samenwerking voor overleving.

Samenwerking wordt natuurlijk vergemakkelijkt als de samenwerkende partijen er op bedacht zijn dat iedereen die zijn bijdrage heeft geleverd ook aan zijn trekken komt. Niet zozeer als een cognitieve vaardigheid, hoewel die er onderdeel van is (denk aan die vergelijking), maar vooral ook als een emotionele aversie. Als jij beseft dat anderen het als onaangenaam zouden ervaren als zij meer zouden profiteren dan jij, dan is het veiliger om aan de samenwerking mee te doen.

Dat betekent dat je rechtvaardigheidsgevoel en -gedrag meer zult aantreffen bij soorten die voor hun overleving meer op samenwerking zijn aangewezen. En dat blijkt dus ook zo te zijn.

Toch ligt het nog iets ingewikkelder. Want het blijkt ook dat in omstandigheden waarin de samenwerking zo vanzelfsprekend en gegarandeerd is dat je er niet meer op hoeft te letten, de ongelijkheidsaversie minder de kop opsteekt. Dat geldt bijvoorbeeld voor vriendschappen. Als je een hechte band met elkaar hebt, dan doet het er niet meer zoveel toe dat er een is die een keer wat meer krijgt. De ongelijkheidstolerantie is groter, uiteraard zolang de hechte band vanzelf spreekt.

Dat verklaart ook waarom er bij de Common marmosets (de klauwaapjes) geen rechtvaardigheidsgevoel is aangetroffen. Zoals we weten, doen de klauwaapjes heel sterk aan het coöperatief grootbrengen van hun jongen. Die gezamenlijke zorg is zo vanzelfsprekend omdat iedereen er mee opgroeit en nooit iets anders heeft meegemaakt. Het er op letten dat jij niet minder krijgt dan een ander, of meer, dat is dus helemaal niet meer nodig. Alleen als samenwerking weliswaar tot de mogelijkheden behoort, maar altijd enigermate precair is, heeft het evolutionair zin om een rechtvaardigheidsgevoel te hebben.

Dat zegt ook iets over de grote rol die rechtvaardigheid bij mensen speelt. Wij kunnen weliswaar heel goed samenwerken, maar we hebben ook nog de nasleep van een vrij recent evolutionair verleden van statushiërarchie en statuscompetitie. De menselijke sociale natuur is bij uitstek ambivalent tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag.

Vandaar dat mensen toestanden kunnen laten ontstaan van grote sociale ongelijkheid. Waarin de allerrijksten helemaal geen last hebben van de ongelijkheidsaversie-van-de-tweede-orde. Integendeel, ze pronken met hun rijkdom. Ik moest even denken aan de column The Show-Off Society van Paul Krugman van vandaag.

woensdag 12 maart 2014

Zijn we bezig het sociale leven te verwaarlozen?

Het Duitse weekblad Der Spiegel geeft zo nu en dan aardige informatie over sociaalwetenschappelijk onderzoek. Vandaag is dat een artikel over twee studies naar vriendschappen.

Die eerste studie, Peer Relationships Across the Preschool to School Transition (betaalpoort), gaat over vriendschappen bij kinderen van vier jaar (in Dublin, Ierland) die de overgang maakten van de kleuterschool (preschool) naar de basisschool.

Het gaat maar om een klein aantal kinderen, die bovendien een bijzondere groep vormden omdat ze een Head Start programma volgden. Maar de resultaten wijzen uit dat de vriendschappen die de kinderen op de kleuterschool hadden ("beste vrienden") vrijwel geheel ophielden te bestaan na de overgang naar de basisschool. En dat lag er aan dat die vrienden naar verschillende scholen gingen of in verschillende klassen van dezelfde school terecht kwamen.

Dat patroon zou wel eens veel algemener kunnen zijn. Kinderen hebben al vroeg "vriendjes". En het schijnt (ik ben de bron kwijt) dat als je kinderen vraagt waarom een ander kind hun vriend is, ze antwoorden geven in de trant van "Omdat hij/zij naast ons woont". Anders gezegd: ze hebben de neiging om andere kinderen als vriend te beschouwen eenvoudig omdat ze er nu eenmaal zijn. Vrienden zijn andere kinderen waarmee je samen speelt. Vertrouwdheid is de eerste basis voor vriendschap. Kinderen zijn er op "geprogrammeerd" om vertrouwdheid te herkennen en te waarderen.

En in de Paleo Sociale Omgeving (zie ook Angst voor vreemden en het sociale isolement van gezinnen) was er ook altijd die vertrouwdheid en bleef die gedurende het leven bestaan. De mensen die je kende, die waren je ook vertrouwd. En vreemden ontmoette je zelden. Die alomtegenwoordige vertrouwdheid zal met zich hebben meegebracht dat mensen zich gemakkelijk veilig voelden, dat ze veilig gehecht waren, zoals wij dat tegenwoordig noemen.

Onze manier van samenleven leidt er toe dat een op de drie mensen niet veilig gehecht is, dus vermijdend of angstig. Wat inhoudt dat ze moeilijk contacten aangaan en in stand kunnen houden. Dat heeft vele oorzaken, maar een daarvan zou kunnen zijn dat we jonge kinderen al snel de les bijbrengen dat een vertrouwde sociale omgeving altijd tijdelijk en precair is.

Want we hebben het onderwijs zo georganiseerd dat de behoefte van kinderen aan een vertrouwde sociale omgeving daarin slechts bijzaak is. En onze economie, onze ruimtelijke ordening en onze arbeidsmarkt zijn zo ingericht dat geografische mobiliteit (verhuizen) normaal en wenselijk is. Dat gaat ten koste van de voordelen van vertrouwdheid en dat heeft negatieve gezondheidseffecten, die overigens wel afhankelijk zijn van hoe introvert mensen zijn.

Wat al op jonge leeftijd begint, vriendschappen verliezen en proberen nieuwe vrienden te maken, dat gaat verder een leven lang door. Dat laat die tweede studie die vandaag in Der Spiegel besproken wordt, Social Network Changes and Life Events Across the Life Span: A Meta-Analysis (pdf), goed zien. Terwijl het sociale netwerk van vrienden tot de jongvolwassen leeftijd groeit, neemt het daarna alleen nog maar gestaag af.

Maar tegenwoordig hebben we bovendien minder vrienden dan in 1980-1985. De meta-analyse van onderzoeken die sinds die tijd en tot 2000-2005 werden uitgevoerd, laat zien dat het aantal leden van het zogenaamde persoonlijke netwerk (familie, vrienden en andere vertrouwde relaties) in elke 5 jaar met gemiddeld 1,6 personen afnam. En dat het vriendschapsnetwerk in elke 5-jaarsperiode gemiddeld afnam met 0,9 personen. In 1980-1985 hadden mensen gemiddeld 6,3 personen meer in hun persoonlijke netwerk. En gemiddeld 3,6 vrienden meer.

We slagen er dus met zijn allen steeds minder in om tegemoet te komen aan onze behoefte aan vertrouwde sociale contacten. Zijn we bezig het sociale leven te verwaarlozen?

woensdag 10 april 2013

Niet alleen verlegen zijn, maar ook de leeftijdshomogene groep, maakt eenzaam

Zijn het alleen de verlegen en kwetsbare jongeren die zich eenzaam voelen? Of hangt de kans op eenzaamheid ook af van wat er in de groep gebeurt waar kinderen in terecht komen? Zoals de groep van de schoolklas?

De Leuvense onderzoekers Janne Vanhalst, Koen Luyckx en Luc Goossens hebben die vraag proberen te beantwoorden in hun pas verschenen studie Experiencing Loneliness in Adolescence: A Matter of Individual Characteristics, Negative Peer Experiences, or Both? (betaalpoort). Ze laten zien dat kinderen die verlegen zijn of een lage zelfwaardering hebben, een grotere kans hebben om zich eenzaam te voelen. Oké, maar belangrijk is wat daarnaast in de groep gebeurt, want dat heeft een zelfstandige invloed op de kans op eenzaamheid. Nog los van of je verlegen bent of een lage zelfwaardering hebt, vergroten het niet door anderen geaccepteerd worden en het gepest worden de kans dat je je eenzaam voelt. 

Eenzaamheid is dus niet zomaar een rechtstreeks gevolg van hoe jij bent, of je wel of niet verlegen bent of wel of niet tevreden met je zelf bent. Nee, het is daarnaast ook een uitkomst van het groepsproces. En dus is het een kwestie van geluk of pech in welke groep je terecht komt. En zo kun je je dus ook eenzaam voelen als je niet verlegen bent of niet een lage zelfwaardering hebt. Je hebt dan gewoon pech gehad.

De groep doet er dus toe. Maar welke groep? In dit onderzoek ging het om de schoolklas. (Het ging om adolescenten van gemiddeld tegen de 16 jaar oud.) Wat de onderzoekers dus in feite hebben vastgesteld is dat het deel uit maken van een naar leeftijd homogene groep een bijdrage levert aan de kans op eenzaamheid. 

Wat zou het mooi zijn als we wat vaker onderzoek zien waarin een vergelijking mogelijk is met naar leeftijd gemengde groepen. Zoals gebeurde in de Amerikaanse studie Children's Social Behavior in Relation to Participation in Mixed-Age or Same-Age Classrooms, waar ik eerder naar verwees. Want dat wijst er op dat zulke gemengde groepen sociaal veel beter functioneren. Waardoor de kans op eenzaamheid kleiner is, of je nu verlegen bent of negatief over je zelf denkt of niet. Hoe het met je gaat, is dan wat minder afhankelijk  van pech hebben of geluk hebben.

woensdag 21 maart 2012

Gezondheid en sociale omgeving (14): huisdieren en vriendschappen tussen soorten

Mensen houden huisdieren en dat lijkt tot op zekere hoogte een vervanging te zijn voor relaties met andere mensen, soortgenoten dus. Die vervanging blijkt er uit dat het hebben van een of meer huisdieren gezondheidsbevorderend is. Zie dit bericht. Maar het sluiten van vriendschap met iemand van een andere soort, komt in het dierenrijk meer voor. Sander Voormolen schreef daar gisteren over in NRC/Handelsblad.

Het bericht (Konijn verdrijft eenzaamheid van gorilla) vertelt over de gorilla Samantha in de dierentuin van Erie (Pennsylvania, V.S.) die na het verlies van haar partner haar dagen in eenzaamheid doorbracht. De oppassers kwamen op het idee om haar een huisdier te geven. Dat werd een konijn, Panda geheten. Ze werden voorzichtig aan elkaar gekoppeld, met in het begin nog een "konijnenluikje" als ontsnappingsmogelijkheid. Maar de twee sloten al gauw vriendschap. Ze zijn altijd in elkaars nabijheid en delen voedsel. Panda mag zelfs aan de knuffel van Samantha komen, een babygorillapop die Samantha vaak als haar eigen jong bij zich draagt en bij wie niemand in de buurt mag komen. (Gorilla's hebben kennelijk ook imaginaire vrienden!)

Sander Voormolen e-mailde hierover met Frans de Waal, die terug mailde: 
We weten dat voor mensen huisdieren goed gezelschap zijn, waarschijnlijk is dat ook zo voor de gorilla met haar konijn.
Hij wijst er op dat de beroemde gorilla Koko in zijn leven diverse katjes heeft gehouden. Vriendschap tussen verschillende soorten komt meer voor, vooral bij dieren die bij mensen leven of in dierentuinen. Maar:
Het komt in het wild voor, maar dan is het meestal tijdelijk. Zoals in het geval van de leeuwin in Kenia die een tijdje een oryx-kalfje hield.
En hij wijst op het boek Unlikely Friendships dat hierover geschreven is en dat verhaalt over een olifant die beste maatjes is met een schaap, een reuzenschildpad en een nijlpaardjong die onafscheidelijk zijn, een ijsbeer en een sledehond die vriendschap sluiten. Dat boek ga ik bestellen. Trouwens, als je afbeeldingen zoekt met unlikely friendships, dan kijk je je ogen uit!

maandag 9 januari 2012

Over het genoegen van het om hulp gevraagd worden

In dit bericht meldde ik dat mensen over het algemeen meer bereid zijn om anderen te helpen dan dat die hulp ook echt tot stand komt. Dat lijkt er aan te liggen dat mensen die hulp zouden kunnen gebruiken, het vaak moeilijk vinden om er naar te vragen. En in dit bericht ging ik in op onderzoek waaruit blijkt dat het om hulp vragen tussen vrienden minder moeilijk is dan tussen kennissen. En ik vertelde daarbij dat het om hulp vragen ook heel gebruikelijk is in maatschappijen waarin mensen opgroeien en omgeven blijven door vertrouwde anderen (wat wij "vrienden" noemen). Hulp vragen kan dan eenvoudig de vorm aannemen van aanwezig zijn (dus zonder met zoveel woorden te hoeven vragen).

Je kunt daaruit concluderen dat als we graag zouden willen dat mensen meer hulp uitwisselen, dat het dan belangrijk is om te bevorderen dat mensen elkaar beter kennen. Hoe beter ze elkaar kennen, hoe gemakkelijker het wordt om om hulp te vragen. Daarom moeten alternatieve ruilsystemen, zoals LETS en Time Banks, naast die economische functie van uitwisseling, ook altijd een sociale functie hebben. Als mensen elkaar niet persoonlijk kennen, komt het systeem maar moeilijk op gang.

Er is nu nieuw onderzoek dat laat zien dat het gevraagd worden om hulp ook echt prettig gevonden wordt. Meer in Japan dan in de Verenigde Staten. Het geeft de gevraagde het gevoel dat de vrager de relatie zo close vindt (mijn woordenboek uit 1973 vertaalt close in deze betekenis met "dik" als in "dikke vrienden"; maar klopt mijn indruk dat wij nu meer dat close gebruiken?), dat de hulp wel gevraagd mag worden. Dat dat gevoel prettig is, duidt er op dat wij graag een bevestiging willen van onze vriendschappen. En dat onze vriendschappen dus misschien zelden vanzelfsprekend zijn.

De Japanners hebben een woord voor dat vriendschapssignaal van om hulp vragen: amae. En dat betekent zoiets als: ik ben nu wel vrijpostig, door jou dit te vragen, maar ik weet dat het bij jou wel kan.

Het onderzoek laat trouwens ook zien dat het er wel toe doet hoeveel het kost om de hulp te geven. Maar mij viel vooral op dat het gevoel positief blijft ook als een vriend jou vraagt om drie maanden lang de planten in zijn tuin water te geven. Als een kennis het vraagt, wordt het gevoel negatief bij twee weken of langer.

maandag 3 oktober 2011

Samen eenzaam

Moniek van Dijk mailde me over het interview met Sherry Turkle (Ned. 2, 25 september), de schrijfster van het boek Alone Together. Why We Expect More From Technology and Less From Each Other. Moniek was getroffen door de stelling dat mensen wel contact maken (steeds meer virtueel), maar het steeds moeilijker vinden om echt verbinding te maken.

Ik heb het boek niet gelezen. Maar ben wel dat interview gaan zien, heb het interview van Margriet Oostveen met de schrijfster gelezen en heb rondgeneusd in de besprekingen van het boek op Amazon. De stelling die Moniek trof, is wat verder uitgewerkt te vinden in deze bespreking op Amazon:
Distance communication in all of its forms (print media, broadcasting, telecommunications, online) tends to facilitate what the sociologists call `weak (or loose) ties'. One sociological argument is that society at large depends on the maintenance of loose ties between distant acquaintances and those we know only indirectly, functioning as a sort of social glue, in addition to the strong ties and commitments that bind us rather more closely to our `immediate' family and `close' friends. As a psychoanalyst, however, the author argues that the personal cost may be that we are coming to rely too much on online communication with relative strangers at the expense of intimacy with, and commitment to the people we know from face-to-face interaction. For instance, her earlier enthusiasm for online worlds as `identity workshops' is tempered by a concern that the mediation of a screen encourages more premeditated behaviour, which has in turn led many teenagers to prefer texting to speaking on the phone because speech `reveals too much'.
De stelling lijkt te zeggen dat we ons erg aangetrokken voelen tot het communiceren met anderen die we niet zo goed kennen op het net, zoals op Facebook of door texting, maar dat we uiteindelijk slechter af zijn als we daardoor minder face-to-face communiceren met familie en vrienden. Dat roept twee vragen op: 1. vanwaar die aantrekkingskracht?, en 2. waarom zijn we uiteindelijk slechter af?

Ik begrijp, ook uit deze bespreking in de New York Times, dat die aantrekkingskracht er in ligt dat de communicatie gemakkelijker gecontroleerd kan worden dan wanneer je direct contact hebt, via de telefoon of face-to-face. Een citaat van een student in het boek illustreert dat:
“When you talk on the phone, you don’t really think about what you’re saying as much as in a text. On the telephone, too much might show.”
 En dit citaat uit dat interview verduidelijkt dat nog:
As Ms. Turkle sees it, online life tends to promote more superficial, emotionally lazy relationships, as people are “drawn to connections that seem low risk and always at hand.” This tendency to treat other people as objects that can be quickly discarded, she says, is embodied at its most extreme by the social Web site Chatroulette, “which randomly connects you to other users all over the world”:
“You see each other on live video. You can talk or write notes. People mostly hit ‘next’ after about two seconds to bring another person up on their screens.”
En in dat interview op Ned. 2 zegt Sherry Turkle dat on line communicatie de illusie van vriendschap verschaft, zonder de verplichtingen en de moeilijkheden die nu eenmaal bij een echte vriendschap horen. Kortom, volgens de stelling ligt de aantrekkingskracht er in dat we iets krijgen dat slechts oppervlakkig belonend is, maar waar we toch voor kiezen omdat het weinig kost en weinig risico's met zich mee brengt.

En uiteindelijk zouden we slechter af zijn (vraag 2) omdat we de beloningen van diepere, intieme vriendschappen meer aan ons voorbij laten gaan dan wanneer we daar meer tijd aan zouden besteden. Het zou een voorbeeld zijn van de algemeen-menselijke zwakte om verleidingen het hoofd te bieden die korte-termijn genoegens opleveren, maar het lange-termijn welzijn verlagen.

Daar komt misschien nog bij dat we minder oefenen in het onderhouden van echte vriendschappen en dus minder goed leren hoe dat moet. In plaats daarvan zijn we voortdurend bezig met ons zo goed mogelijk voor te doen, dus een schijn ophouden, waarbij steeds de vrees aanwezig is dat we een keer door de mand vallen. Daardoor worden we met zijn allen wat narcistischer, want een kenmerk van narcisme is dat je andere mensen als object beschouwt, die er alleen maar zijn om er aan bij te dragen dat jij je goed voelt. En het is bekend dat narcisme weliswaar op korte-termijn goed voelt, maar op langere termijn slecht uitpakt.

Ik formuleer met enige terughoudendheid omdat Sherry Turkle in dat boek haar stelling alleen anekdotisch onderbouwt. Het is een zogenaamde kwalitatieve studie, in die zin dat de ondervraagden niet representatief zijn voor de gehele bevolking of voor een bepaalde leeftijdsgroep. Ook baseert ze zich niet op experimenteel of vergelijkend onderzoek.

Maar je komt de stelling vaker tegen. Toevallig dit weekend in het Volkskrant magazine, met een voorpublicatie uit het boek Allemaal losers - De kunst van het verliezen van Wilma de Rek. Die schrijft dat we ons allemaal beter proberen voor te doen dan we zijn, uit angst om als een loser te worden gezien. Die neiging wordt tegenwoordig aangewakkerd door "reclamemensen,  filmregisseurs, journalisten, modeontwerpers, architecten, fotografen, romanschrijvers, designers, (...), koks, pr-jongens, lobbyisten, kappers, psychologen, winkeliers, scenarioschrijvers", die ons elke dag een keer of duizend "een volmaakte schijnwereld" opdringen. Uit de gesprekken die zij voor haar boek voerde, ook hier is de onderbouwing anekdotisch, werd het haar duidelijk
dat ongeveer iedereen zich geregeld een loser voelt. Het maakt weinig uit of mensen belangrijke banen hebben of huisman zijn, of ze vier prachtige kinderen hebben of nul, of ze in een klein appartement wonen of in een dure villa. (...) Diep in veel mensen blijkt de angst te schuilen die ik ook ken: op een dag val ik door de mand. Op een dag komen ze erachter dat ik eigenlijk niks kan. Wat zullen ze lachen.
Sociaalwetenschappelijk gezien lijkt het me dat de neiging van mensen om zich beter voor te doen dan ze zijn vooral optreedt in situaties waarin ze omgeven worden door anderen die ze (nog) niet zo goed kennen. Waarin er weinig informatie over elkaar is en waarin het er op aankomt welke indruk je op anderen weet te maken. Situaties dus waarin het publieke domein meer plaats inneemt dan het persoonlijke domein, dat van je familie en vrienden. Die kennen je goed genoeg om te voorkomen dat jij een schijn ophoudt. En dus hoef je die angst om een loser te zijn daar ook niet te hebben.

Dat klopt met de bevinding die ik eerder noemde dat het in een stad wonen of opgegroeid zijn negatieve effecten heeft op de manier waarop je met sociaal-evaluatieve situaties omgaat. Het lijkt er op dat het stadsleven mensen gevoeliger maakt voor negatieve oordelen van anderen. Anders gezegd (mijn woorden): ze zijn meer bezig met het niet willen falen in de ogen van anderen. Dus meer met het proberen eigen zwakheden te verbergen. Stadsbewoners bewegen zich in het algemeen meer in dat publieke domein van mensen die weinig informatie over elkaar hebben dan dorpsbewoners dat doen.

Ook komt er mee overeen dat studenten van grotere Amerikaanse colleges minder hechte en diepgaande vriendschappen hadden dan studenten van kleinere colleges. Op die grotere colleges zijn er meer medestudenten die je niet zo goed kent en zijn er dus meer alternatieven om vriendschappen te sluiten. Dat leidt er toe dat vooral vriendschappen ontstaan tussen studenten die meer op elkaar lijken. Maar die vriendschappen zijn dus minder hecht en diepgaand. En je kunt dus verwachten dat narcisme en de angst om loser te zijn meer op die grotere colleges voorkomen dan op de kleinere.

En er komt tenslotte mee overeen dat narcisme meer voorkomt bij "celebrities", dus bij mensen die sterk worden aangetrokken door het publieke domein en daar veel tijd doorbrengen, dan bij de gemiddelde bevolking. "Celebrities" hebben wellicht ook een meer dan gemiddelde angst om door de mand te vallen, maar ik ken geen onderzoek dat dat vermoeden ondersteunt.