Posts tonen met het label gedrags- en emotionele problemen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gedrags- en emotionele problemen. Alle posts tonen

maandag 18 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 3

Ligt er een gemeenschappelijke factor ten grondslag aan die veelheid van psychische aandoeningen die wordt onderscheiden in de DSM-5? En hangt de aard van die factor er mee samen dat er een mismatch bestaat tussen onze aanleg en de sociale omgeving waarin we zijn terechtgekomen?

In het vorige bericht waren we, aan de hand van de onderzoekers Caspi en Moffitt, zo ver gevorderd dat een driedeling mogelijk blijkt, waarin internaliserende en externaliserende stoornissen en schizofrenie worden onderscheiden. 

Maar ook die driedeling blijkt verder te kunnen worden gereduceerd. Caspi en Moffitt geven drie aanwijzingen in die richting.

In de eerste plaats blijkt dat zelfs ook deze drie domeinen met elkaar samenhangen. Anders gezegd, de kans dat iemand met een aandoening in het ene domein ook een aandoening in een van de twee andere domein heeft, is behoorlijk groot. De correlaties die worden gevonden liggen rond de 0,5.

In de tweede plaats blijkt dat als je mensen blijft volgen dat een aandoening uit het ene domein later net zo goed gevolgd kan worden door een andere aandoening uit een ander domein dan uit hetzelfde domein.

En tenslotte blijkt dat de overerfbaarheid van aandoeningen zich weinig aantrekt van die driedeling.

Dit leidde ertoe dat onderzoekers serieus rekening gingen houden met de mogelijkheid van het bestaan van een enkele factor die staat voor iets dat de vatbaarheid voor psychische aandoeningen, welke dan ook, bepaalt. De eerste publicatie die daaruit voortkwam, dateert uit 2012: Is there a general factor of prevalent psychopathology during adulthood?     

In 2014 bouwden Caspi, Moffit en anderen daarop voort: The p Factor: One General Psychopathology Factor in the Structure of Psychiatric Disorders?  En toen ontstond ook de naam p-factor, naar analogie met de g-factor die ten grondslag ligt aan de verschillende vormen van intelligentie.

Maar wat is die p-factor? Bedenk dat het tot dan uitsluitend ging om statistische analyses, zonder een theoretisch vermoeden zoals dat van die mismatch tussen aanleg en omgeving. Voor een mogelijke inhoudelijke invulling lopen Caspi en Moffitt vier vermoedens langs: neuroticisme (emotionele instabiliteit), gebrekkige impulscontrole, gebrekkig intellectueel functioneren (in een maatschappij die hoge eisen stelt) en verwardheid in gedachten en manier van denken.

Die laatste mogelijkheid vinden ze het meest intrigerend. Want het optreden van irrationele, ongewenste gedachten is niet alleen kenmerkend voor psychoses, maar ook voor depressies, angststoornissen, eetstoornissen, posttraumatische stress, somatoforme klachten (lichamelijke klachten zonder aanwijsbare fysieke oorzaak), dissociatie (verlies van contact met de werkelijkheid), verslavingsstoornis en antisociaal gedrag.

Stel dat het inderdaad zo is dat die p-factor zo sterk te maken heeft met die verwardheid in gedachten en manier van denken, met het onvermogen om irrationele, ongewenste gedachten te onderdrukken, hoe valt dan te verklaren dat dat patroon zoveel voorkomt? Zoveel dat kennelijk slechts één van de vijf mensenlevens er van gevrijwaard is? En kan dat dan te maken hebben met die mismatch? Meer in het volgende bericht. (Hint: denk aan het bericht Door eenzaamheid meer paranoïde gedachten.)

dinsdag 29 september 2015

Negatieve effecten van armoede bestrijd je door armen minder arm te maken

Het wordt steeds duidelijker dat armoede grote negatieve effecten heeft op de armen en hun kinderen. Ik stond daar eerder bij stil in de berichten Lage status, armoede, piekeren en chronische stress en Opgroeien in armoede is af te lezen aan langzamere hersenontwikkeling in eerste levensjaren.

Bij de bestrijding van armoede gaan we er vaak van uit dat we de oorzaken moeten aanpakken en die denken we te vinden in eigenschappen van de armen. Ze missen vaardigheden en ze hebben te weinig opleiding. En daar moeten we dan dus wat aan doen.

Maar de aanwijzingen worden steeds sterker dat een goede manier van armoedebestrijding er eenvoudigweg uit bestaat dat je de armoede opheft door de financiële positie van armen te verbeteren. Het blijkt dan namelijk dat wat je eerst aanzag voor eigenschappen die de armoede veroorzaakten, in werkelijkheid gevolgen zijn van armoede.

Nu is er weer de studie How Does Household Income Affect Child Personality Traits and Behaviors? De onderzoekers benutten een unieke gelegenheid om de effecten van een "inkomensoverdracht" van rijk naar arm te bestuderen. Het gaat om een longitudinaal onderzoek, de Great Mountains Study of Youth, dat in 1993 begon in Noord-Carolina in de Verenigde Staten. In de steekproef  waren kinderen van Cherokee Indiaanse ouders (over-)vertegenwoordigd. Kinderen en hun ouders werden verschillende keren geïnterviewd, de kinderen tot ze 19 en 21 jaar oud waren.

Tijdens het verloop van het onderzoek werd er, zoals in meer Indianenreservaten in de V.S., een casino geopend, dat eigendom werd van het bestuur van de Cherokee indianen. Een deel van de winst werd  halfjaarlijks verdeeld over alle volwassen leden van de stam. Zonder enige voorwaarden, anders dan dat je bekend moest zijn als lid. Het ging om bedragen van ongeveer 4000 dollar per jaar, vergelijkbaar met sommige Amerikaanse uitkeringen.

Je zou kunnen zeggen dat hier een "inkomensoverdracht" plaats vond, van de overwegend rijke bezoekers van het casino naar de overwegend arme indianen. Het gevolg hiervan was dat het gemiddelde inkomen van de indianenouders werd opgetrokken tot in de buurt van het gemiddelde inkomen van de andere ouders. De armen werden minder arm.

De onderzoekers konden nagaan wat de effecten hiervan waren op gedrags- en emotionele stoornissen en persoonlijkheidseigenschappen bij de indianenkinderen in de periode daarna. Het bleek toen dat gedragsproblemen sterk afnamen (26,7 procent van een standaarddeviatie) en dat de scores op de persoonlijkheidseigenschap zorgvuldigheid (conscientiousness) sterk toenamen (42,8 procent vaneen standaarddeviatie).

Ook konden ze iets zeggen over de weg waarlangs deze effecten tot stand kwamen. Ze konden namelijk vaststellen dat de fysieke en mentale gezondheid van de ouders verbeterden, wat wijst op een afname van stress. In lijn daarmee verbeterde het ouderlijk toezicht op de kinderen en vonden de kinderen dat de relatie met hun ouders prettiger was. Ook verbeterde de relatie tussen de ouders. Bovendien nam hun alcohol- en druggebruik af.

Sterke aanwijzingen dus voor de effectiviteit van de bestrijding van de negatieve effecten van armoede door armen minder arm te maken. En dus sterke aanwijzingen voor de wenselijkheid van de verzorgingsstaat, voor een beleid gericht op meer inkomensgelijkheid en op inkomensoverdrachten van arm naar rijk. (Zie natuurlijk ook nog eens het bericht Hogere uitkeringen verbeteren cognitief functioneren van ouderen.)

En je vraagt je af of al die economen die het basisinkomen afdoen als economisch onhaalbaar, wel voldoende met zulke onderzoeksresultaten rekening houden.

donderdag 12 december 2013

Opgroeien in armoede is af te lezen aan langzamere hersenontwikkeling in eerste levensjaren

Ons inzicht in wat het betekent om arm te zijn in een overwegend welvarende maatschappij, dus in wat het betekent om een lage status te hebben, neemt steeds meer toe. Nu is er de studie Family Poverty Affects the Rate of Human Infant Brain Growth (pdf) die laat zien welke effecten armoede heeft op de hersenontwikkeling in de eerste levensjaren.

De onderzoekers volgden 77 kinderen tot hun vierde levensjaar, geboren in arme gezinnen (onder de armoedegrens) tot welvarende gezinnen (meer dan vier maal de armoedegrens). Dat hield o.a. ook in dat op een aantal momenten een hersenscan werd genomen. Het bleek toen dat de groei van het volume grijze stof in de frontale en de pariëtale kwab van de neocortex bij kinderen uit arme gezinnen achterbleef. Terwijl er aanvankelijk geen verschil was. De oorzaak lijkt dus te liggen in verschillen in het opgroeien in die eerste vier levensjaren.

Wat is het belang van die langzamere ontwikkeling van volumes grijze stof in die hersendelen? De functies van die frontale kwab liggen op het gebied van planning en impuls- en aandachtsbeheersing. En de pariëtale kwab is actief als het gaat om het integreren van de verschillende zintuigen, om visuele aandacht en om de verbindingen tussen verschillende hersendelen. Bekend is dat lagere volumes van die grijze stof in deze twee kwabben samenhangen met gedragsproblemen.

Ligt dit verschil nu inderdaad echt aan die armoede? Of zijn er misschien andere factoren die, wellicht, meer bij arme gezinnen voorkomen? Met die mogelijkheid hadden de onderzoekers rekening gehouden. Ze hadden kinderen van het onderzoek uitgesloten waar "iets" mee aan de hand was of waarvan de medische geschiedenis onbekend was. Zo waren er geen adoptiekinderen, geen kinderen met een moeder die tijdens de zwangerschap gerookt of gedronken had, geen kinderen waarvan de bevalling gecompliceerd was of met neonatale complicaties, geen kinderen met taal- of leerproblemen of medische problemen en geen kinderen met psychiatrische problemen in de familie.

Het lijkt er dus op dat de oorzaak echt met die armoede te maken heeft. En dat zou ook overeenkomen met ander onderzoek bij dieren en mensen naar de invloed van stress en deprivatie op de hersenontwikkeling. Denk ook aan dit bericht (en volg de links daarin) over de chronische angst- en onveiligheidsgevoelens waarmee armoede en lage status en discriminatie gepaard gaan. Je kunt niet aannemen dat kinderen van vier jaar en jonger al veel besef hebben van de armoede in het gezin waarin ze opgroeien. Maar ze ervaren natuurlijk wel de stress en de angst en de onzekerheid van hun ouders en van andere gezinsleden. En de gevolgen daarvan zien we dus in die hersenscans.

Denk ook even aan de gevolgen van armoede voor het cognitieve functioneren. En sta ook nog even stil bij de WRR-lezing van Richard Wilkinson over de schadelijke gevolgen van grote inkomensongelijkheid.

zaterdag 10 december 2011

De statushiërarchie van de schoolklas

Eerder schreef ik over de negatieve effecten van statushiërarchie en statuscompetitie. Zie de berichten achter deze labels. Ik kreeg nu een aardig artikel onder ogen over de schoolklas als een groep die meer of minder een statushiërarchie kan zijn. Het artikel is verschenen in het tijdschrift Social Networks en het maakt gebruik van sociale netwerk-theorie. In die theorie wordt de mate waarin een groep een statushiërarchie is, de centraliteit van de groep genoemd. Eenvoudig gezegd: hoe hoger de centraliteit, hoe meer er een persoon is die centraal in het netwerk zit en de hoogste status heeft. En andersom: hoe lager de centraliteit, hoe mee de leden van de groep elkaars gelijken zijn, dus hoe meer de groep egalitair is.

Iedereen heeft in een schoolklas gezeten en dus zijn we allemaal ervaringsdeskundigen. Je kunt je gemakkelijk voorstellen hoe het is om in een klas te zitten met een sterke statushiërarchie, waarin een persoon de informele leider is en iedereen bij die persoon in het gevlei wil komen, of in een egalitaire klas, waarin de leerlingen op gelijke voet met elkaar omgaan. Maar naar de gevolgen van het een of het ander is tot nu toe weinig onderzoek gedaan.

In dit artikel is gekeken naar de gezondheidseffecten, ook op langere termijn. Van bijna 16000 kinderen in Aberdeen in Schotland die in 1962 op school zaten, zijn gegevens bekend over de mate van statushiërarchie in hun schoolklas. Ook zijn gegevens bekend over gedrags- en emotionele problemen die de kinderen in die tijd hadden. En van bijna 7000 van deze kinderen was de door hen zelf gerapporteerde gezondheidstoestand ongeveer veertig jaar later bekend. (Het gaat om gegevens van de Aberdeen Child Development Study).

Het blijkt nu dat kinderen die in 1962 in klassen zaten met een hogere mate van statushiërarchie in die tijd meer last hadden van gedrags- en emotionele problemen. En veertig jaar later was hun gezondheidstoestand (iets) slechter dan degenen die in 1962 in een meer egalitaire klas hadden gezeten, ook als met die gedrags- en emotionele problemen in de statistische analyse rekening werd gehouden. Dat laatste is een aanwijzing, niet meer dan een aanwijzing, dat het op school meer moeten omgaan met de stress van de statushiërarchie, langdurige negatieve gezondheidseffecten heeft.