Posts tonen met het label Dirk Bezemer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dirk Bezemer. Alle posts tonen

maandag 24 april 2023

Het neoliberalisme is een gewone politieke stroming die zijn kansen heeft gehad en nu plaats moet maken voor de 21ste-eeuwse sociaaldemocratie

We leven in de korte overgangstijd waarin we bezig zijn met afscheid te nemen van de veertig à vijftig jaar dat in de sociaaleconomische politiek het neoliberale denken van de marktvuistregel domineerde. Zie voor het verschil met de lange overgangstijd: We leven in een overgangstijd. In een lange en een korte

Die korte overgangstijd wordt er door gekenmerkt dat we de laatste stuiptrekkingen van het neoliberalisme meemaken. Laten we er even bij stil staan wat die stuiptrekkingen precies inhouden.

Het neoliberalisme kon een zo grote invloed uitoefenen op het politieke denken doordat het succesvol de reputatie wist te creëren van grote economische deskundigheid. "De economie" werd gelijkgesteld aan "het bedrijfsleven" en de neoliberale politici, zeg de VVD'ers, schurkten tegen dat bedrijfsleven aan. En ze slaagden erin om bij het grote publiek de indruk te wekken dat de linkse politici economisch onverantwoord alleen maar uit waren op "leuke dingen voor de mensen". Veel kiezers trapten daarin, ook al doordat de linkse politici weinig weerwerk boden. Erger, ze gingen een heel eind mee in dat neoliberale denken. Zie Over de sociale zeepbel van het neoliberalisme: Dat hadden we nooit moeten doen.

Maar we hebben ondertussen voldoende ervaring opgedaan om te kunnen constateren dat dat neoliberale denken op een economische fantasiewereld berustte. De fantasiewereld waarin de overheid moest terugtreden en zichzelf ook meer bedrijfseconomisch moest organiseren. En de markt moest worden uitgebreid, door uitbesteding, privatiseringen, deregulering en verlaging van belastingen. Meer ongelijkheid was goed, want zorgde voor de benodigde "prikkels". En dat alles zou zorgen voor meer economische groei en precies die economische groei moest ook het allesbepalende criterium worden voor wat wenselijk was. 

Maar wat gebeurde? De economische groei viel tegen en was lager dan in de eerste, zeg maar sociaaldemocratische, decennia na de Tweede Wereldoorlog. De ongelijkheid nam groteske vormen aan. Naast exorbitante rijkdom ellendige armoede. Van het beloofde "trickle-down" kwam niets terecht. Hogere drempels voor de sociale zekerheid en jacht op fraudeurs. Eigen risico in de gezondheidszorg. Daklozen verschenen in het straatbeeld en voedselbanken werden opgericht. Niet iedereen telde meer mee. En de financieel-economische instabiliteit nam toe. Bestaansonzekerheid nam toe. Crises stapelden zich op: De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben.

Oké, zou je denken, laten we er snel mee stoppen. Laat die korte overgangsperiode maar zo kort mogelijk duren. Terug naar de overheidsvuistregel van de sociaaldemocratische twintig à dertig jaar van na de Tweede Wereldoorlog. Waarin nog het inzicht bestond dat de overheid niet een last is voor de economie, maar integendeel de economie laat werken en laat werken voor iedereen. Ik sloeg even Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer erop na (p. 82-4):

We moeten de opvatting dat de overheid een last voor de economie is loslaten (...) Een veelgehoorde opvatting is dat al die overheidsdiensten uiteindelijk slechts kunnen bestaan bij de gratie van een goedlopende markteconomie. De centjes moeten wel verdiend worden voor ze kunnen worden uitgegeven - dat sentiment. Het is precies omgekeerd. Zonder de vitale functies voor markt en maatschappij die in de publieke sector geborgd worden, is er weinig groei en ontwikkeling en grote fragiliteit. Er zijn helemaal geen centjes te verdienen zonder overheidsuitgaven.

De publieke sector is met name een buffer voor wie zelf weinig veerkracht heeft. Van zwemles op school tot jongerenwerk, van politie op straat en een jeugdwerker in moeilijke wijken tot begeleid wonen voor psychiatrische patiënten, sociale advocatuur, en het uitbetalen van toeslagen: de publieke sector draagt bij aan de veerkracht van juist die Nederlanders die daar zelf geen geld voor hebben.

Dat gaat het om het iedereen-telt-mee van de democratische overheid. Maar er is ook de overheid waarzonder de economie niet werkt.

Maar ook in harde financiële zin is de publieke sector een buffer voor huishoudens en bedrijven. De eerste reden is dat een groep burgers die buiten de boot valt hoge maatschappelijke kosten veroorzaakt. De tweede reden is dat goed vervulde publieke taken ook grote financiële baten voor burgers en bedrijven opleveren. Een overheid die goed openbaar vervoer verzorgt en subsidieert, of woningen bouwt voor de sociale huursector, of de prijzen voor water en electriciteit laag houdt, of zwembaden, bibliotheken en parken onderhoudt, of een breed aanbod aan cultuur garandeert, of effectieve vraag op peil houdt in recessies - zo'n overheid bespaart haar burgers kosten van levensonderhoud op allerlei gebied. Dat vertaalt zich ook in lagere loondruk, omdat adequate overheidsvoorzieningen een goede kwaliteit van leven bieden, ook voor wie een bescheiden inkomen heeft.

Overheidsuitgaven, sterker overheidstekorten, zijn onmisbaar voor een goed lopende economie. Geheel tegengesteld aan het denken van die neoliberale marktvuistregel. Daarin staan de zorgen om het "houdbaarheidssaldo" van de overheidstekorten centraal. Volgens de berekeningen van het Centraal Planbureau die Bezemer aanhaalt, zouden de overheidsfinanciën (p.79)

pas houdbaar worden op een niveau dat sinds 1814 nog nooit voorgekomen is. Dit zou toch aanleiding moeten zijn nog eens na te denken over het realisme van dit getal, een realisme dat ontbreekt in de onderliggende theoretische aannames. Kort gezegd, in het gebruikte model zijn de overheidsbestedingen slechts kosten, en leveren ze maar heel weinig op; geheel conform het wereldbeeld uit de leerboeken.

En precies dat wereldbeeld uit de leerboeken, de fantasiewereld van het neoliberale denken, is in de achter ons liggende periode van zo grote invloed geweest op het denken van de politiek. Het gaf dat denken een cachet van neutrale, apolitieke wetenschappelijkheid. "De economen" zeiden het, dus was het zo.

En het is ook precies die invloed die de voltrekking van het afscheid van de neoliberale marktvuistregel nog lijkt te vertragen. In HP/De Tijd vraagt Hans van Willigenburg zich af of we in de nadagen van het neoliberalisme zitten. En of we ooit nog van dat denken afkomen: Gezwicht voor de beloften van de markt. 

Voor het definitieve afscheid lijkt het nodig dat politici en kiezers die dekmantel van zogenaamde apolitieke wetenschappelijkheid doorzien. En in staat zijn het denken te zien voor wat het is, een gewone politieke stroming die zijn kansen heeft gehad, die de beloftes niet kon waarmaken en die nu plaats moet maken. 

Plaats moet maken voor het denken dat wel recht doet aan het grote belang van het iedereen-telt-mee van de democratische overheid. Toevallig staat er in dezelfde editie van HP/De Tijd een stuk van Willem Pekelder onder de titel Heimwee naar Ome Joop. Joop den Uyl, die al

in zijn Paradiso-rede van mei 1981 waarschuwde voor het ik-tijdperk, dat de solidariteit en de verzorgingsstaat zou bedreigen.

Het is tijd voor een herwaardering van de sociaaldemocratie. Voor de 21ste-eeuwse versie daarvan. 

Net zo als de regering-Biden in de Verenigde Staten de eerste post-Reagan regering is, is het in Nederland tijd voor de eerste post-Lubbers regering. Denk aan Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

woensdag 5 mei 2021

Economie is een wetenschap over, en beoefend door, morele wezens waarin morele argumenten alleen tussen haakjes of in bijzinnen binnen mogen komen. Daar klopt iets niet - Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 7

Aan de morele luchtledigheid van het vak economie zijn we zo gewend dat we er niet eens meer bij stilstaan. Zie hier het vorige bericht. Terwijl de mens een moreel dier is, die zijn overleving en succes te danken heeft aan het samenwerken en delen waarvoor onze morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid noodzakelijk waren. Dat wij (nog) bestaan is er aan te danken dat we zijn toegerust met morele intuïties.

Maar toen we de derde stap van onze geschiedenis zetten, die van de ontwikkeling van de onpersoonlijke relaties van de markt, toen waren we daar zo van onder de indruk dat we dachten dat zich hier een amoreel sociaal domein aandiende. In dat domein zouden de verhoudingen die van de onderlinge competitie behoren te zijn, want dan zou zich een proces voltrekken waarin iedereen precies krijgt wat hij "verdient". In plaats van het iedereen telt mee en van rechtvaardige verhoudingen kwam de markt als maat der dingen en dus het iedereen krijgt wat hij verdient, hoeveel of hoe weinig dat ook is. Hoe exorbitant rijk (en dus machtig) de ene en hoe hopeloos arm (en dus machteloos) de ander ook is.

Dat we daar zo van onder de indruk waren, leidde er toe dat zich dat moreel luchtledige vak economie kon ontwikkelen. Een werkelijkheidsvreemd vak omdat het afzag van de morele aard van het menszijn. En daarmee van de menselijke waardigheid. Denk aan Polanyi, zoals in dit bericht geciteerd:

The dignity of man is that of a moral being, who is, as such, a member of the civic order of family, state, and "the great Society of mankind."

In dat theoretische apparaat dat dit vak economie vanaf het eind van de achttiende eeuw tot vandaag de dag hanteert, kom je die notie van menselijke waardigheid niet tegen.

Wat houdt die constatering zoal in, vroeg ik me in de vorige berichten af? We zagen al dat die morele gemeenschapsintuïties en daaraan gekoppeld de notie van de menselijke waardigheid zich in de reële maatschappelijke ontwikkelingen, die van de vestiging van democratieën en van de opbouw van de verzorgingsstaten, wel degelijk lieten gelden. Maar dat tegelijk het vak economie daarbij aan de zijlijn stond. Wat natuurlijk ook weer niet uitsluit dat veel economen als persoon die ontwikkelingen toejuichten en er aan bijdroegen. Maar dus: als persoon, niet omdat hun vak hen die richting wees.

Als je even achterover leunt en daarover nadenkt, kun je moeilijk anders concluderen dan dat dit uiterst merkwaardig is. (Overigens net zo merkwaardig als dat het vak sociologie moreel luchtledig is.) Maar, zoals gezegd, we zijn eraan gewend.

Wat betekent dat het ons nauwelijks opvalt als een econoom een bepaald beleid voorstaat, met economische argumenten, en daar dan terloops aan toevoegt dat dat beleid ook moreel te prefereren valt. Maar die toevoeging behoort duidelijk niet tot "het vak economie". 

Neem die passage uit het boek Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer, die ik aanhaalde in het bericht Nu de overheid terug is, kun je dan als het vak economie of het vak sociologie morele oordelen buiten de deur blijven houden? Daarin gaat het over de te grote en disfunctionele financiële sector, die onvermijdelijk een piramidespel in werking zet en dus fraude en misleiding. Waarop Bezemer laat volgen dat deze constatering geen morele veroordeling is, maar dat die trouwens ook best mag. Het mag best, maar is geen economisch argument.

Of neem nu de column die Paul Krugman twee dagen geleden schreef: Biden and the Future of the Family. Daarin gaat het over de plannen van Biden om structureel geld uit te trekken om gezinnen met kinderen financieel te helpen. Erop neerkomend dat ook de Amerikaanse gezinnen eindelijk kinderbijslag krijgen, zoals in verzorgingsstaten gebruikelijk is. (Zie ook mijn bericht over kinderbijslag en de arbeidsovereenkomst uit 2014.) 

Plannen waar de Republikeinen natuurlijk tegen zijn, want in hun ogen maakt de markt wel uit wat iedereen verdient. Geen overheidsinmenging, geen subsidies! De econoom Krugman brengt daartegenin dat zulke uitgaven juist economisch gezien gunstige opbrengsten hebben. Ze dragen eraan bij dat kinderen beter opgeleid worden en gezondere, langere en productievere levens hebben. Er zijn goede economische argumenten:

So there are good reasons to believe that providing more aid to families with children would, in addition to helping Americans in need, make our economy stronger in the long run.

En ook daar komt in een bijzin een moreel argument binnen: je hoort mensen in nood te helpen. Maar dus in een bijzin.

En als je daar eenmaal oog voor hebt, valt op hoe merkwaardig dat is. Dat we een wetenschap over mensen hebben, dus over een moreel wezen, waarin morele argumenten slechts tussen haakjes of in bijzinnen, binnen mogen komen. Geen onderdeel van het vak mogen zijn. Daar klopt iets niet.

vrijdag 2 oktober 2020

Nu de overheid terug is, kun je dan als het vak economie of het vak sociologie morele oordelen buiten de deur blijven houden?

Nadat Dirk Bezemer in Een land van kleine buffers heeft uiteengezet hoe het aandeelhouderskapitalisme waar we de afgelopen tientallen jaren onder geleden hebben, uitliep op een grootschalige vermogensopbouw, die ten koste ging van inkomens (stagnatie van lonen), private en publieke investeringen en overheidsvoorzieningen, is hij in hoofdstuk 10 (Afromen of investeren?) aangekomen bij de vraag hoe dit precies kon gebeuren. Wat was er precies aan de hand in dat aandeelhouderskapitalisme dat dat afromen ten behoeve van vermogensopbouw mogelijk maakte?

Bezemer komt het dichtst bij een antwoord op p. 183:

De tendens tot ongezonde uitdijing van vermogensmarkten zit ingebakken in de structuur van de economie, gecombineerd met de menselijke aard, althans in de kapitalistische maatschappij. Dat wil niet zeggen dat het een onvermijdelijke gang van zaken is - de problemen die zich de afgelopen decennia ontwikkelden, ontstonden op zijn best door de misvatting dat liberalisering van die tendens ons een mooiere wereld zou geven, en op zijn slechtst door blinde hebzucht. Er is continu publieke begrenzing en sturing nodig om deformaties en pathologieën in de financiële sector te voorkomen en te corrigeren. De bonafide, rationele acties van banken en hun klanten leiden immers te vaak tot ongewenste uitkomsten: hoge schuld, lage buffers, grote kwetsbaarheid. Hetzelfde geldt voor pensioenfondsen, verzekeraars, vastgoedontwikkelaars, rating agencies en andere vastgoed- en financiële bedrijven.

Daarbij komt nog dat wel erg veel gedrag in de sector bepaald niet bonafide is. Het wemelt er van de schandalen, zoals de Vestia-affaire en de mkb-derivaten, of de Libor-rentemanipulatie en de vastgoedschandalen. Met zoveel geld, en zo weinig toezicht en zoveel grip op de politiek is fraude en misleiding gemakkelijk; zeker met klanten die best graag misleid willen worden als dat geld lijkt op te leveren. Maar het gaat verder.

In een te grote disfunctionele financiële sector móét er wel fraude en misleiding zijn om inkomsten te genereren.

En op die plek volgt er een interessante noot, waarin Bezemer verwijst naar de theorie van control fraud van William Black (p. 308). Daarin gaat het erom dat aan die zucht naar financiële rendementen op een gegeven moment niet anders kan worden tegemoetgekomen dan door een pyramidespel, zonder enig verband met de fundamentals van de reële economie. En dat brengt onvermijdelijk fraude en misleiding met zich mee.

Waarop deze interessante zin volgt:

Blacks analyse is geen morele veroordeling (mag ook best, trouwens), maar een beschrijving van de mechanismen die tot endemische fraude leiden.

Want wat te denken van die tussenvoeging "mag ook best, trouwens'? Dat kun je met Bezemer volmondig eens zijn. Maar het punt is dat het niet meer is dan een tussenopmerking. Die ons er dus op wijst dat die morele veroordeling weliswaar van de auteur best mag, maar niet onderdeel is van de economische analyse.

En daarmee is die tussenopmerking onderdeel van een opvatting van het vak economie, en breder van de sociale wetenschappen, waarin morele beoordeling wordt beschouwd als extern aan het vak. Oordelen over goed en kwaad zijn natuurlijk prima, maar niet uit de mond van de wetenschapper als hij zijn vak beoefent.

Hoewel die opvatting gebruikelijk is, nodigt hij wel uit tot kritisch nadenken. Bedenk dat het vak economie tot nu toe de moraal buiten de deur kon houden door het postulaat (geloof?) in het marktmechanisme als oplossing voor alle problemen. Ja, ook de morele. Maar die neoliberale ideologie loopt op zijn einde en het inzicht verbreidt zich dat we veel meer moeten vertrouwen op de overheid, dus, in een democratie, op "wij met zijn allen". Een overheid die niet alleen maar marktfalen corrigeert, maar optreedt als behartiger van het algemeen belang.

Wat moeten dan de richtlijnen zijn voor die overheid? En dus voor het vak economie en voor de sociale wetenschappen die de rol van de overheid serieus nemen? Kunnen dan ook morele oordelen buiten het speelveld van het vak geplaatst worden? En hoogstens als een soort tussenvoeging binnen komen?

Als voorlopig antwoord nu eerst maar een verwijzing naar mijn reeks van dertien berichten over de vraag hoe de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak kan worden, waarvan hier het eerste bericht. Volg steeds de link naar het volgende bericht.

En hier het vervolg van dit bericht: De overheid is terug. Het vak economie kan niet meer terugvallen op "de markt doet het wel". En de sociologie moet haar maatschappelijke opdracht nu toch echt serieus nemen.

vrijdag 11 september 2020

Dirk Bezemer over het aandeelhouderkapitalisme - Lees Een land van kleine buffers!

Iedereen moet Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer lezen. Ik ben nog niet zo heel ver gevorderd - er is veel te veel dat gelezen moet worden - , maar wil er al wel aandacht aan besteden. Want al in het begin geeft Bezemer een wel heel heldere en beknopte omschrijving van wat er zich afspeelt onder het regime van het aandeelhouderkapitalisme waar wij nu al tientallen jaren onder leven. 

Denk nog even terug aan de discussie tussen Milton Friedman, de aanjager van dat aandeelhouderkapitalisme, en Kenneth Boulding in 1965. Ik schreef daarover in het bericht Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding en de berichten die daarop volgden. Iedereen liep achter Friedman aan, maar het begint nu eindelijk tot velen door te dringen dat we beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren.

Wat dat achter Milton Friedman aanlopen ons heeft opgeleverd, daarvan geeft Dirk Bezemer een fraaie samenvatting, die op p. 37 begint. Het gaat daar over financiële stromen die reële doelen hadden kunnen dienen, maar die naar de vermogensmarkten zijn toegeleid. Ik citeer een passage:

Lonen zijn een reservoir dat afgetapt kan worden door hervormingen naar een flexibele arbeidsmarkt. Hierdoor stijgt de bedrijfswinst. De toekomstige verdiencapaciteit van adolescenten is een reservoir dat afgetapt kan worden door het studieleningstelsel. Huishoudinkomens zijn een reservoir dat afgetapt kan worden door het te verpanden via hypotheekschuldgroei, Hierdoor stijgt de winst in de financiële sector. Bedrijfswinst op haar beurt, en winst in de financiële sector, is een reservoir dat afgetapt kan worden door dividenden, inkoop van aandelen en onttrekkingen en bonussen, waardoor het vermogen van aandeelhouders, directeuren-grootaandeelhouders en topmanagement wordt vergroot. Zo ziet 'financieel gaat voor reëel' eruit.

De publieke sector is een reservoir dat afgetapt kan worden door 'hervormingen' die leiden tot overschotten, waardoor de staatsschuld daalt en de buffer van de staat groeit. De buffer van de staat is een reservoir dat afgetapt kan worden door belastingontwijking en steunoperaties aan banken en grote bedrijven. Hierdoor stijgt de bedrijfswinst, die weer afgetapt kan worden door dividenden, inkoop van aandelen, onttrekkingen en bonussen... en zo verder.

En zo verder. En dan zijn we nog maar op p. 38. Lezen dat boek.

Na de Grote Financiële Crisis van 2008 - 2010 hadden we natuurlijk al moeten inzien dat niet Friedman, maar Boulding gelijk had, toen in 1965. Maar toen dachten de kiezers nog dat het een goed idee was om juist de VVD de grootste partij te maken. 

donderdag 4 februari 2016

Het economisch herstel is maar miezerig. Waardoor?

Ter aanvulling op het bericht Hoe hoog is de echte werkloosheid? Er is nog helemaal geen economisch herstel van een paar weken geleden nu deze fraaie grafiek van het CBS, waarin we de ontwikkeling van werkloosheid en banen sinds 2008 zien afgebeeld.
Vanaf 2010 had de werkloosheid kunnen dalen als de bezuinigingsobsessie toen niet had toegeslagen. In plaats daarvan begon de werkloosheid in 2011 weer snel op te lopen. Met in 2014 het hoogtepunt. En het dieptepunt wat het aantal banen betreft. Het "herstel" is bepaald niet indrukwekkend. In vergelijking met het herstel na eerdere crisissen en in vergelijking met het herstel in de Verenigde Staten, waar de economie wél gestimuleerd werd.

Door dat miezerige herstel zien we allerlei vervelende verschijnselen. Steeds meer leegstaande winkelpanden in de binnensteden. Steeds meer langdurige werklozen en bijstandstrekkers. Zie het verhaal in de Volkskrant van twee dagen geleden: Bijstand voor velen eindstation - één op tien krijgt al 15 jaar uitkering. Steeds grotere problemen met pensioenopbouw en pensioenuitkeringen.

We hebben te maken met een zelfgecreëerde economische stagnatie. En dan komt aan het licht dat allerlei regelingen en voorzieningen die we in het verleden hebben tot stand gebracht, er op gebaseerd waren dat overheden het als verantwoordelijkheid zouden blijven zien om door macro-economisch beleid voldoende economische groei te genereren. En dat ze niet zouden gaan leiden aan een kortzichtige obsessie met het overheidstekort.

Een ander vervelend gevolg van dat miezerige herstel is dat de oorzaak van de crisis in en na 2008, de opeenhoping van private schulden, gewoon blijft bestaan. Als de lonen stagneren en de inflatie in de buurt van de nul ligt en als schuldkwijtschelding taboe is, dan schiet het niet op. Lees vooral even Dirk Bezemer in De Groene:
Zeven jaar later denken we dat we uit de crisis zijn (Dijsselbloem zei het anderhalf jaar geleden al), omdat het krediet weer stroomt – al zijn het dan ook hypotheken en ECB-leningen. Maar zolang de schulden nog zo hoog blijven, zijn we niet écht uit de crisis. Dus moeten groeivoorspellingen steeds weer naar beneden bijgesteld worden.

zaterdag 4 augustus 2012

Over de broekriem en het huishoudboekje - Nog eens over de gevaren van beeldspraak in het publieke domein

Als we nadenken over oplossingen voor problemen in het publieke domein, zoals nu het probleem van de eurocrisis en de economische crisis in het algemeen, is het verleidelijk om dat te doen zoals we ook nadenken over het persoonlijke domein, dat van gezin, familie en vrienden. Dat is niet altijd, maar soms wel verkeerd. En dan heel verkeerd.

Eerder, in dit bericht, wees ik op de gevaren van het gebruiken van de beeldspraak van de broekriem die moet worden aangehaald als je teveel hebt uitgegeven. Die beeldspraak is goed van toepassing op het persoonlijke domein van het huishouden. Maar niet op het publieke domein van een overheid, die, in plaats van een huishouden een hele economie moet bestieren. Ik neem nog maar even dit citaat van Robert Shiller op uit dat vorige bericht:
wat verstandig is voor het huishouden is niet verstandig voor de maatschappij als geheel. Dit idee, soms de paradox van de zuinigheid genoemd, is dat als we allemaal tegelijk de broekriem aanhalen, de economie zo verzwakt wordt dat we uiteindelijk minder kunnen besparen, en integendeel allemaal slechter af zijn. Als dat gebeurt, dan is er collectieve actie - overheidsstimulering - nodig.
Eigenlijk is dit een eenvoudig te begrijpen inzicht. Als je er niet naar handelt, maak je de fallacy of composition, de fout van het ten onrechte geldig verklaren van inzichten in de werking van een deel op de werking van het samengestelde geheel. Zie ook nog eens dit bericht, mijn eerste bericht over de bezuinigingszeepbel.

Naast die van de broekriem kom je ook veel de beeldspraak van het huishoudboekje tegen. Waarmee dezelfde fout gemaakt wordt. Teruggekomen van vakantie en de stapel kranten door nemend, kwam ik het opiniestuk "Van schulden is een land nooit ziek geworden" in de Volkskrant van 25 juli van Steven Brakman en Dirk Bezemer tegen. Ze nemen nog maar weer eens de moeite om uit te leggen dat die beeldspraak van het huishoudboekje niet goed van toepassing is op het probleem van overheidsschulden. Voor niet-abonnees is de tekst hier te vinden. Lees het, want het is een verademing, in deze tijd waarin veel politici en, helaas, economen in het verleden verworven inzichten luchthartig en waarschijnlijk onwetend, maar in ieder geval onverantwoordelijk, negeren. Ik las met instemming deze reactie van Jacob Jurg:
Zolang er nog ingezonden brieven nodig zijn om duidelijk te maken wat vroeger voor zich sprak (volgt verwijzing naar het stuk van Brakman en Bezemer), namelijk dat micro-economie niet hetzelfde is als macro-economie, zal het doormodderen blijven.

maandag 25 juni 2012

Het wordt nu wel tijd om de financiële sector eens goed te begrijpen - Dirk Bezemer

We zitten midden in een economische crisis die is veroorzaakt door een extreme uitdijing van de financiële sector (en door een riskant experiment met een muntunie in Europa). De vorige grote crisis, die van de jaren dertig van de vorige eeuw, werd eveneens voorafgegaan door een uitdijing van de financiële sector. En daartussen in en daarvoor waren er allerlei kleinere crisissen die vaak ook hun oorsprong vonden in ontwikkelingen in de financiële sector. Wordt het niet hoog tijd dat we de aard en de rol van die sector in het economisch leven nu eens goed uitzoeken?

Die vraag wint sterk aan urgentie als je, zoals ik nu gedaan heb, dit paper van Dirk Bezemer gelezen hebt. Ik heb er eerder bij stilgestaan (zie hier). Ik heb het, zoals aangekondigd, bestudeerd en ben er van onder de indruk. Zonder te pretenderen dat ik alle details volledig begrijp, zou ik het wel heel veel mensen willen aanraden om het te lezen. In het kader daarvan hieronder een deel van de samenvatting en afsluitende opmerkingen.

De kern van zijn betoog, dat de financiële sector de economische groei kan bevorderen, maar ook economische crisissen kan veroorzaken, lijkt me niet (meer) controversieel. De oorzaak daar van ligt er in dat er enerzijds kredietverlening bestaat die de werkelijke economie, die van goederen en diensten, ondersteunt, maar anderzijds ook krediet dat de prijzen voor financiële producten en bezittingen (zoals onroerend goed) opblaast. (Toch blijft het verbazend dat in de standaard macro-economische modellen die tweede vorm wordt verwaarloosd. Maar dat is een ander verhaal.)

De eerste vorm van kredietverlening gaat hand in hand met de groei van de economie. De verhouding tussen schuld en bruto nationaal product (BBP) neemt er niet door toe. Maar de tweede vorm van krediet verhoogt de schuldenlast als proportie van het BBP. Als dat financiële transacties goedkoper maakt, kan dat ook de echte economie helpen. Maar, en ik citeer nu de samenvatting van het paper (vertaling en links van mij):
als het verder dan dat gaat, leidt het tot opgeblazen financiële markten, met een aantal slechte gevolgen voor de echte economie: stijgende kosten door hoge waarden van activa, toenemende ongelijkheid, en toenemende onzekerheid door financiële kwetsbaarheid. Doordat de waardestijging van activa en toename van consumptief krediet de investeringen en de groei van lonen gaan vervangen als aanjagers van groei, gaat de economie zich meer richten op vermogensaanwas dan op winst. Dit alles doordringende proces van financialisering heeft een sterke invloed op zowel de particuliere als de publieke sector, het verandert alles (huizen, ondernemingen, pensioenen, voedsel) in activa te verhandelen voor speculatieve doeleinden, het oefent een meedogenloze en onophoudelijke druk uit om te dereguleren en voorzover het wetgeving en controle niet gewoon uit de weg ruimt, nodigt het uit tot wijdverbreide fraude en corruptie en ondermijnt het het openbaar bestuur en de private normen. Helaas is het teveel uitdijen van dit financiële sector krediet, met al die bijbehorende gevolgen, ingebouwd in het systeem door de aard van het geld, van het bankieren en van het samengestelde interest. Dat is waardoor financiële deregulering tot booms en busts leidt. Buitensporige groei van dit tweede soort van kredietverlening aan de financiële en de vastgoedsector is de directe oorzaak van financiële crisissen; gebrek aan publieke regulering is de uiteindelijke oorzaak.(...)
De financiële sector is ten opzichte van de echte economie een schuldeiser (geworden) en absorbeert een onophoudelijke stroom van geld in de vorm van rentebetalingen en financiële  honoraria, die anders een effectieve vraag was geweest naar goederen en diensten, waardoor economische groei was bevorderd. Dat zou te rechtvaardigen zijn geweest als het groei op andere manieren zou bevorderen, maar niet als het alleen maar prijzen van activa opdrijft.
De financiële deregulering heeft het mogelijk gemaakt dat de niet-bancaire financiële sector van de Verenigde Staten nu ongeveer drie keer zo groot is als in de jaren 80 (nog groter met andere standaarden) en dus zijn de claims op de echte economie drie keer groter dan een kwart eeuw geleden. Vrijwel hetzelfde patroon deed zich voor in veel andere landen van de OECD. Dit is onhoudbaar, maar het huidige beleid is er eerder op gericht om de financiële sector te ondersteunen dan de echte economie te helpen. In plaats daarvan hebben we een beleid nodig dat de financiële sector terugdringt: we moeten fiscale prikkels en constructies om schulden te vergroten beteugelen, het in de boeken houden van leningen aanmoedigen of afdwingen, financiële producten voor huishoudens vereenvoudigen en publieke verzekering afschermen van casino-achtige handel. We moeten het schuldenniveau terugbrengen.
Met huishoudens, ondernemingen en overheden die hun schulden terugdringen is dit deels al aan de gang, op veel plaatsen onder druk van de bezuinigingspolitiek. Maar terwijl dat individueel gezien rationeel is, is dit soort schuldterugdringing het laatste wat we nodig hebben om de economie weer te laten groeien. Het kader dat in dit paper gepresenteerd is wijst op de noodzaak om de FIRE (Finance, Insurance and Real Estate) sector te reduceren, niet het krediet dat de echte economie ondersteunt. Die reductie vereist vooral regulering, niet alleen maar het terugbrengen van schulden over de hele linie.
Het is niet overdreven moeilijk om beleid te bedenken dat de weg vrijmaakt voor hernieuwde financiële houdbaarheid. "Primitieve" economieën als die van Sumerië, Babylonië, Israel en Rome deden het duizenden jaren geleden al. Toegegeven, onze situatie is nu complexer omdat de meeste schulden bij private partijen liggen, zodat het publiek herstructureren van schulden rekening moet houden met een reeks van (vaak machtige) schuldeisers in plaats van met alleen de staat (...). Maar zulke hervormingen worden nu tegengehouden door wetenschappelijke modellen en beleidsanalyses met een blinde vlek voor schulden en de gevolgen er van, door een machtige financiële lobby en door het taaie idee (als gevolg van beide) dat we voor onze economische overleving afhankelijk zijn van de financiële sector met zijn hele hebben en houwen. Dat is een vergissing. Sommige kredietstromen helpen de economie; maar andere kunnen hem tegenwerken en dat hebben ze gedaan. We moeten de sector hervormen om de eerste te versterken en de tweede in te tomen.
Toen Klassieke liberalen als John Stuart Mill over de vrije markt schreven, hadden ze niet een vrijheid-voor-iedereen markt op het oog, maar een economie die vrij was van de last van de belangen van "renteniers" (...). De paradox is dat deze vrijheid - vrij zijn van schuldenlasten en hoge prijzen van activa; de vrijheid voor ondernemingen en huishoudens om andere motieven dan het financiële, speculatieve motief belangrijker te vinden - een sterke en competente overheid nodig heeft, die de financiële sector reguleert en optuigt voor groei en welvaart. Voor hoog gefinancialiseerde economieën als de onze zijn de woorden van Goethe geschreven in 1802 meer dan ooit van toepassing: minder is meer, en geen vrijheid zonder wetten.
Bij die "renteniers" ware te denken aan (en ik citeer Paul Krugman):
degenen die veel inkomen ontlenen aan activa, die in het verleden grote sommen geld hebben uitgeleend, vaak onverstandig, maar nu ten koste van anderen beschermd worden.

maandag 23 april 2012

Het eerste geld was krediet, niet ruilmiddel. Dirk Bezemer

Eerder noemde ik Dirk Bezemer als een van de weinige economen die er aan werken om de financiële sector, en het geld, ook echt op te nemen in een model van de economie. Op de INET-Conferentie in Berlijn heeft hij zijn onderzoek daarnaar uitgewerkt in het paper Finance and Growth: When Credit Helps and When It Hinders (hier te downloaden). Ik ben het nu aan het bestuderen, maar ontdek dat het me flink wat tijd kost om het goed te kunnen samenvatten en beoordelen. Het is wel uiterst boeiend en het lijkt me belangrijk voor een beter begrip van de financiële crisis en onze huidige problemen. Dat komt dus, als het me lukt, later. Nu alvast aandacht voor een interessante passage over de historische oorsprong van het geld (paragraaf 3 van het paper).

Uit wat ik ooit geleerd heb, maakte ik op dat geld historisch gezien ontstaan is als ruilmiddel. En de functie  er van was om de ruilhandel te vergemakkelijken. Onder een regime van ruilhandel moet iedereen die iets aan te bieden heeft, precies die iemand zoeken die daar behoefte aan heeft en bovendien iets anders zou willen afstaan dat precies aan de behoefte van de aanbieder tegemoet komt. In de trant van: ik zou wel een schaap kunnen missen, maar heb grote behoefte aan een kubieke meter hout. Om een transactie tot stand te brengen, moet ik iemand vinden die qua behoefte en middelen precies complementair aan mij is. Dat is een toestand waarin twee personen er allebei beter van zouden kunnen worden, maar er zijn, zoals economen zeggen, hoge transactiekosten, in dit geval vooral zoekkosten. Geld is een oplossing: ik kan mijn schaap verkopen aan iemand die er het geld voor over heeft (en geen hout in de aanbieding heeft) en daarna met dat geld houtaanbieders langs gaan tot ik mijn kubieke meter naast de deur heb liggen. Voorwaarde is dat alle betrokkenen het geld accepteren. Materieel kan het geld bestaan uit schelpen of klompjes zilver of wat dan ook dat niet al te uitbundig voorradig is.

Zo staat het ontstaan van geld in de economische handboeken beschreven. En kennelijk al bij Aristoteles. Dat geld ook een kredietfunctie kan hebben, is volgens deze visie van latere datum. Die nadruk op de functie van geld als ruilmiddel is volgens Dirk Bezemer te begrijpen als je kijkt naar de rol van geld in de huidige economische modellen. Die rol is er namelijk niet. Het gaat in die modellen om de transacties en het geld heeft als enige functie om die mogelijk te maken. Je kunt er dus volgens de aanhangers van die modellen geheel van abstraheren.

Een volgende keer over de vraag of dat laatste inderdaad zo is. Nu over het ontstaan van geld. Want volgens Dirk Bezemer zijn er volop aanwijzingen dat geld niet als ruilmiddel, maar juist als krediet, is ontstaan. Volgens die aanwijzingen hadden de eerste beschavingen allereerst geld als krediet, om zo de tijd te kunnen overbruggen tussen levering van verschillende goederen. En die functie werd noodzakelijk door de arbeidsverdeling, de specialisatie. Die eerste beschavingen waren sterk gecentraliseerd. Er was een centraal punt, de tempel, waar goederen werden bezorgd en afgehaald. De kleitabletten in die tempels, waarop werd aangegeven wie wanneer wat had afgeleverd, dienden als schuldbewijzen. En die schuldbewijzen gingen vervolgens als geld functioneren. Waarna munten ontstonden. Maar het schuldbewijs, dus het krediet, was er het eerst.

Ik wist dat niet. Het mooie er van is dat als dit zo is, het geld niet "spontaan" en decentraal ontstond als een soort sociale uitvinding door de verzamelde personen die er een belang bij hadden. Maar dat het voortkwam uit een systeem van een gecentraliseerde staat die kredietverlening "organiseerde". Anders gezegd, eerst was er een "overheid" en toen kwam het geld. Dat is boeiend als je bedenkt dat de huidige financiële crisissen het gevolg lijken te zijn van het doorgeslagen marktdenken, waarin de rol van de overheid maar het beste zo klein mogelijk is. Het is natuurlijk ook weer niet zo dat daarmee iets "bewezen" is. Maar intrigerend vind ik het wel.

zaterdag 25 februari 2012

Onder de indruk van Dirk Bezemer. Agent-based modeling in de economie

Ik ben erg onder de indruk van Dirk Bezemer, universitair hoofddocent economie aan de Groningse Universiteit. Zie de link hieronder voor een interview met hem. Eerder noemde ik hem als een van de twee Nederlandse Paul de Grauwes. Hij is een van de weinige economen die er aan werken om de financiële sector ook echt op te nemen in een model van de economie. Met andere woorden: om de financiële sector als economische factor ook echt serieus te nemen. Het is curieus om je te realiseren dat dat tot nu toe vrijwel niet is gebeurd. Aanleidingen tot dit werk waren de transitieproblemen van de communistische economieën na de val van de Muur en uiteraard de kredietcrisis.

Hij maakt daarbij de overstap van de traditionele economische modellen naar "agent-based modeling", een manier van simuleren van sociale interacties die uit de biologie en de sociale wetenschappen komt. Ik heb daar in het verleden ook zelf mee gewerkt. Zie hier en hier.
Dirk Bezemer - Growth and Crisis: The Two Faces of Credit | Institute for New Economic Thinking:

'via Blog this'

maandag 19 december 2011

Is er een Paul de Grauwe onder de Nederlandse economen? Ja, zelfs twee.

Eerder vroeg ik me af waarom we in Nederland niet een Paul de Grauwe hebben. Een econoom die zich echt in de oorzaken van de eurocrisis heeft verdiept en inziet dat een muntunie zonder een normale centrale bank niet kan functioneren.

Maar die hebben we wel. Zelfs twee. Bas Jacobs (zie hier) en vanochtend in de Volkskrant Dirk Bezemer met een helder stuk waarin hij er voor pleit dat de Europese Centrale Bank zich garant moet stellen voor obligaties. En waarin hij laat zien dat de argumenten daartegen niet kloppen.