woensdag 27 februari 2019

Afscheid nemen van het geluksideaal van het authentieke zelf kun je niet in je eentje - En over Carl Cederström

We zijn er als groepsdier op ingesteld om op te groeien en ons leven door te brengen in een leeftijdsheterogene groep van vertrouwde anderen. Dat arrangement bestond ook in de lange periode van het bestaan van de mensheid waarin we als jagers-verzamelaars leefden (de Paleo Sociale Omgeving).

Maar in onze huidige manier van samenleven is de kring van vertrouwde anderen nog maar klein en brengen we daarnaast veel tijd door in vluchtige contacten. Dat we, nog steeds als groepsdier, die sociale vluchtigheid maar beperkt waarderen (het is altijd nog beter dan sociaal geïsoleerd zijn), blijkt eruit dat we ons beter voelen in vertrouwde contacten dan in vluchtige contacten.

We weten al het een en ander over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid. Die uitdagingen brengen ook met zich mee dat we het verlangen kennen om te weten wie we nu echt zelf zijn. Het verlangen naar ons ware, authentieke zelf. En het daarmee gepaard gaande verlangen naar zelfontplooiing.

Dat lijkt eruit voort te komen dat we in vluchtige relaties voortdurend bezig zijn om onszelf zo gunstig mogelijk te presenteren. En omdat het in vluchtige relaties al snel gaat om het jezelf en de ander in te delen in een statushiërarchie, ben je dus vaak bezig met jezelf als sterker en competenter voor te doen dan je echt bent. Het is moeilijk om dan nog aan zelfontplooiing toe te komen. En om je eigen, authentieke zelf te leren kennen.

Daarentegen hoef je er in vertrouwde relaties niet mee aan te komen om je anders of sterker voor te doen dan je echt bent.  Je hebt immers die lange gezamenlijke geschiedenis, waardoor je elkaar door en door kent. Vandaar dat statusvertoon en vriendschap elkaar slecht verdragen.

Dat huidige verlangen naar het ware, authentieke zelf is dus goed te begrijpen. En het is te begrijpen dat het niet zo gemakkelijk is om echt jezelf te kunnen zijn. We zagen al dat het beter lukt als je beter in staat bent tot zelf-compassie en zelf-controle. Maar dat zijn vaardigheden waar bepaald niet iedereen zo maar over beschikt.

Maar zou je ook helemaal af kunnen zien van dat verlangen naar het authentieke zelf en naar de ontplooiing ervan? De Zweedse onderzoeker Carl Cederström, auteur van het boek Ons Geluksideaal, pleit ervoor om precies dat te doen.

Dat boek ken ik nog niet. Maar de VPRO Gids van volgende week wijdt een artikel aan zijn werk, naar aanleiding van het Human-programma Brainwash Talks, dat a.s. zondag op NPO 2 wordt uitgezonden. Ik citeer daaruit:
Laten we stoppen met het verafgoden van zelfontplooiing en het onafhankelijke, sterke ik, zegt Cederström. "In plaats van een geluksideaal dat gebaseerd is op de gedachte dat we ons ware zelf moeten vinden en authentiek moeten zijn, doen we er misschien beter aan op zoek te gaan naar een geluksideaal waarin we zelf wat minder belangrijk zijn en niet per se naar authenticiteit moeten streven. Minder belangrijk in de zin dat we gaan beseffen dat we fundamenteel afhankelijk van elkaar zijn.
En dus dat we ons er beter rekenschap van geven dat we een groepsdier zijn. Dat meer van die vertrouwde sociale omgeving nodig heeft. Waarin die zoektocht naar het ware zelf helemaal niet nodig is, omdat die vertrouwdheid de grenzen tussen jou en de anderen doet wegvallen.

Dat betekent natuurlijk ook dat we maar beperkt in staat zijn om dat in ons eentje te doen. Want het gaat om een andere manier van samenleven. Cederström daarover:
Zo'n geluksideaal zou ons de weg kunnen wijzen naar nieuwe vormen van leven en werken, een wereld waarin marktwaarde niet langer zaligmakend is, waar empathie belangrijker is dan zelfzucht. Een naïeve gedachte allicht, geeft hij toe, maar alles is beter dan vasthouden aan een geluksideaal dat misleidend is gebleken en in toenemende mate ongeluk on ongelijkheid heeft voortgebracht.
Anders gezegd, terwijl we nu een tijd meemaken waarin het statuscompetitiepatroon lijkt te gaan overheersen over het gemeenschapspatroon, is het juist de omgekeerde beweging die we hard nodig hebben.

dinsdag 26 februari 2019

Maakt het studeren van het vak economie egoïstischer? - Nieuw overzicht van onderzoek

Verschillen economen en studenten economie van andere mensen in de zin dat ze egoïstischer en opportunistischer, dus minder pro-sociaal, zijn? En als dat zo is, komt dat dan doordat meer egoïstische mensen meer kiezen om economie te studeren (selectie-effect) of doordat het studeren van het vak economie, en het daardoor meer in aanraking komen met het economische gedragsmodel, mensen egoïstischer maakt (beïnvloedingseffect)?

Onderzoek levert aanwijzingen op voor beide effecten. Naar aanleiding van het beïnvloedingseffect vroeg ik me al eens af of we niet beter af zouden zijn als minder jongeren economie (of bedrijfskunde) zouden studeren. Want je zou toch niet willen dat een universitaire studie eraan bijdraagt dat we in de maatschappij meer te maken hebben met egoïsme en competitief gedrag.

Maar het onderzoek naar het mogelijke verschil en naar die beide effecten is doorgegaan en levert niet altijd even duidelijke conclusies op. De nieuwe studie Are People Trained in Economics “Different,” and if so, Why? A Literature Review geeft nu een overzicht van de literatuur.

Daaruit blijkt dat een opleiding economie inderdaad egoïstischer maakt, maar dan bovenal in speltheoretische experimenten, dus in situaties die overeenkomen met wat behandeld wordt in de economische leerstof. In alledaagse situaties, en als er geen geld in het spel is, lijkt dat verschil met niet-economen zo niet weg te vallen, dan toch veel kleiner te zijn.

Verder zijn er aanwijzingen voor zowel het selectie-effect als het beïnvloedingseffect. Wat die beïnvloeding betreft, lijkt het zo te zijn dat de invloed mede verloopt via de inschatting die mensen maken van het gedrag van anderen. Als je als economiestudent leert dat het economische gedragsmodel (rationele keuzetheorie) ook echt het menselijk gedrag beschrijft of als die suggestie gewekt wordt, dan brengt dat je er gemakkelijk toe om jezelf ook zo te gedragen. Omdat je daar dan moreel minder last van hebt en/of uit zelfbescherming.

Het in aanraking komen met economische leerstof lijkt dus te werken als een aanwijzing voor hoe mensen in het algemeen zich gedragen. Daar pas je je op aan. En dat komt dus geheel overeen met de gedachte van de Dual Mode-theorie dat mensen zich bij de "keuze" tussen (egoïstisch) statuscompetitiegedrag en (pro-sociaal) gemeenschapsgedrag laten leiden door de signalen die ze krijgen over de aard van hun sociale omgeving.

maandag 18 februari 2019

Taal van politieke leiders al ruim 100 jaar afnemend analytisch en toenemend zelfverzekerd - Over de opmars van het populisme

Ik ben 75 en merk bij mezelf dat ik de uitingen van politici, mondeling of schriftelijk, nog maar moeilijk kan verdragen. Oké, van de meeste politici. Ze geven maar heel beperkt de indruk dat ze goed over de zaken hebben nagedacht of zich uitgebreid door deskundigen hebben laten voorlichten. Desondanks slagen ze er goed in om zelfverzekerd en overtuigd van eigen gelijk over te komen.

Dat verontrust natuurlijk, want we leven in een ingewikkelde maatschappij en een ingewikkelde internationale orde en de gewone burger komt er maar weinig aan toe om zich daarin te verdiepen. Van politieke leiders zou je daarom verwachten dat ze dat wel hebben gedaan, dat ze er blijk van geven dat ze diepere inzichten hebben, daarvan ook de onzekerheden kennen en dat ze niet alleen maar de gewone burger naar de mond praten. En dat ze het ook tot hun taak rekenen om die gewone burger zo goed mogelijk voor te lichten. Al was het maar om uit te dragen dat meestal enige inspanning vereist is om tot gefundeerde oordelen te komen.

Als populisme er in ieder geval ook uit bestaat dat het de kiezers naar de mond praat (het is meer dan dat), dan lijkt het alsof populisme in de politiek hoogtij viert. Terugkijkend naar eerdere perioden in mijn politiek bewuste leven, dringt zich de indruk aan me op dat de politiek er qua verdieping op is achteruitgegaan.

Dat zou je natuurlijk als oude mannenpraat kunnen wegzetten. Maar volgens de nieuwe studie
Examining long-term trends in politics and culture through language of political leaders and cultural institutions zou er wel eens meer aan de hand kunnen zijn.

De onderzoekers, onder wie James W. Pennebaker, analyseerden grote hoeveelheden teksten, gesproken en geschreven, van politieke leiders uit de Angelsaksische wereld (Verenigde Staten, Groot Brittannië, Canada, Australië) over een periode van meer dan 200 jaar. Daarbij ging het om de communicatieve stijl, in het bijzonder om hoe analytisch die was en om hoe zelfverzekerd. 

Dat werd vastgesteld met het tekstanalyseprogramma Linguistic Inquiry and Word Count (LIWC). Die analytische stijl wordt gekenmerkt door meer gebruik van zelfstandige naamwoorden waarmee begrippen worden aangeduid en van voorzetsels die relaties tussen begrippen specificeren. Daartegenover staat de meer intuïtieve en persoonlijke stijl, met een grotere frequentie van persoonlijke voornaamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voegwoorden. Net zo kan ook een meer zelfverzekerde stijl worden onderscheiden van een meer onzekere.

De resultaten van die analyse zijn samengevat in het plaatje. Bovenaan zie je de ontwikkeling van de scores voor de analytische stijl en onderaan die van de zelfverzekerde stijl (clout).

Wat meteen opvalt is dat de afname van de analytische stijl en de toename van de zelfverzekerde stijl ontwikkelingen zijn die al omstreeks 1900 begonnen. Het populisme, die vervelende combinatie van weinig analytisch en sterk zelfverzekerd, is al meer dan honderd jaar aan een opmars bezig. Een opmars die voorlopig is geculmineerd in de stijl van "President" Donald Trump.

En wat ik er dus ook uit opmaak is dat mijn indruk van de achteruitgang van de politiek niet alleen maar oude mannenpraat is. Alleen, die achteruitgang is al langer bezig dan vanaf de tijd dat ik, in de jaren 50 van de vorige eeuw, politiek bewust werd.

De onderzoekers herhaalden de analyse op meer algemeen-culturele teksten, zoals op de inhoud van romans, de ondertiteling van speelfilms en artikelen uit de New York Times. De resultaten daarvan doen vermoeden dat we hier te maken hebben met een specifiek politieke ontwikkeling.

zondag 17 februari 2019

Zondagochtendmuziek - 3 Hours of Once Upon a Time in Paris - Erik Satie [HD]

Het is VANDAAG natuurlijk weer om naar buiten te gaan.

Maar mocht dat om de een of andere reden niet lukken, dan is luisteren naar Erik Satie (1899 - 1925), gespeeld door Anne Queffélec, het beste alternatief. Met schilderijen van Parijs van Éduard Cortès (1882 - 1969).

dinsdag 12 februari 2019

Hoe de replicatiecrisis op te lossen? Over het belang van een overkoepelend theoretisch kader, over diepte en over videogames

Dit is een wat wetenschapstheoretisch bericht, maar als je toch doorleest tot het eind, kom je daar een concreet voorbeeld tegen van waar het om gaat.
Michael Muthukrishna en Joseph Henrich gaan in hun pas verschenen A problem in theory in op de replicatiecrisis in de psychologie en de sociale wetenschappen. Die replicatiecrisis slaat erop dat de resultaten van veel onderzoek niet in stand blijven als het onderzoek gerepliceerd wordt. Dat wil zeggen, als het onderzoek herhaald wordt met zoveel mogelijk dezelfde opzet, maar met nieuwe proefpersonen.

Die crisis kan verschillende oorzaken hebben die liggen op het terrein van de selectie van studies voor publicatie (gebrek aan pre-registratie) en van statistiek en methodologie. Maar Muthukrishna en Henrich vragen aandacht voor een fundamentelere oorzaak: het gebrek aan een overkoepelend, integrerend, theoretisch kader in de psychologie en de sociale wetenschappen (hierna aangeduid als sociale wetenschappen, want de psychologie van een groepsdier is natuurlijk altijd een sociale wetenschap).

Door het ontbreken van zo een algemenere theorie is er eigenlijk bij elke sociaalwetenschappelijke studie weinig zicht op mogelijk van invloed zijnde factoren die het resultaat kunnen hebben beïnvloed. Zo een factor kan in in de ene studie toevallig geen rol hebben gespeeld, maar kan in een replicatie ineens opduiken, omdat de omstandigheden van de eerste studie nooit perfect herhaald kunnen worden. Een algemener theoretisch kader had het dan gemakkelijker gemaakt om voor zulke factoren al vanaf het begin oog te hebben.

Eigenlijk is een "niet gelukte" replicatie vaak een geval waarin we leren, of zouden moeten leren, dat een eerder onderzoeksresultaat slechts onder bepaalde voorwaarden opgaat. In feite ontwikkelt zich zo de wetenschap: door het ontdekken van de voorwaarden waaronder wel of niet een theorie opgaat, kunnen we komen we tot een diepere theorie.  
Denk aan Karl Poppers wetenschapstheorie, in het bijzonder aan het hoofdstuk The Aim of Science uit zijn Objective Knowledge. An Evolutionary Approach (1973), waarin hij groei van kennis analyseert als een toenemende diepte van theorieën. Ik ging daar op in in mijn Verklaring en Interpretatie in de Sociologie, waaruit dit citaat (p. 52):
Poppers verklaringsmodel houdt in dat groei van kennis niet uitsluitend of zelfs niet in de eerste plaats geschiedt door het vinden van informatievere wetten waaruit bekende, minder informatieve wetten kunnen worden afgeleid, maar door het vinden van diepere wetten, waaruit de onwaarheid van de bekende wetten kan worden afgeleid. (Of, nauwkeuriger, waaruit kan worden afgeleid onder welke voorwaarden de bekende wetten wél en onder welke voorwaarden ze niet tot de juiste voorspellingen leiden.)
Zonder overigens Karl Popper aan te halen, leggen Muthukrishna en Henrich uit hoe de sociale wetenschappen beter een toename van diepte, in plaats van een losse hoeveelheid onderzoeksresultaten, zouden kunnen realiseren. Het zou daarbij helpen om onderzoek meer te laten leiden door een algemeen, overkoepelend theoretisch kader. En het kader dat zij voorstellen is dat van de dual-inheritance theory, ook wel aangeduid als de culture–gene co-evolutionary theory.

Die theorie ziet, in het kort, het menselijke gedrag als een resultaat van evolutie, inclusief het inzicht dat mensen cultuur zijn gaan ontwikkelen en dat die cultuur zich weer cumulatief ontwikkelt. Menselijk gedrag is volgens dat kader een product van zowel genetische als van culturele overerving.

Die culturele overerving slaat erop dat mensen erop geselecteerd zijn om zich te conformeren aan het gedrag dat in hun omgeving het meeste voorkomt. Anders gezegd, dat mensen naast een individueel leerproces ook heel sterk een sociaal leerproces kennen. Denk ook aan mijn Dual Mode-theorie, met de verwachting dat mensen bij de "keuze" tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag geneigd zijn zich te laten leiden door wat ze in hun sociale omgeving het meest waarnemen.

Hoe zo'n overkoepelend theoretisch kader de replicatiecrisis zou kunnen oplossen, is met een concreet voorbeeld wat duidelijker te maken.

Neem het vele onderzoek naar de vraag of het spelen van videogames, waarin vaak geweld voorkomt, mensen agressiever maakt. Lees de berichten op dit blog achter het label games. Als je naar al dat onderzoek zou kijken vanuit de ad hoc-theorie "spelen van videogames maakt mensen agressiever", dan zou blijken dat dat soms wel klopt en soms ook niet. Studies waarin de theorie wel klopt, kunnen dus niet gerepliceerd worden.

Zo is er het pas verschenen overzicht van onderzoek dat als uitkomst heeft dat het spelen van videogames in het geheel geen lange termijn-gevolgen heeft voor de mate van agressiviteit. Je kunt dat zien als een verwerping van de theorie.

Maar je kunt ook als overkoepelend theoretisch kader hanteren dat mensen in hun gedrag beïnvloed worden door het gedrag waar ze het meest mee in aanraking komen. (Denk weer aan de Dual Mode-theorie.) Met de bijkomende veronderstelling dat spelers van videogames het agressieve gedrag in die games zien als een aanwijzing voor de mate waarin gedrag ook in het echt voorkomt.

Volgens dat kader moet je dan ook rekening houden met de sociale omgeving waarmee spelers van videogames in het echte leven in aanraking komen. En omdat het vooral jongeren zijn die videogames spelen, kun je dan verwachten dat zeker op de langere termijn die echte sociale omgeving, die meestal minder gewelddadig is dan die videogames, een relatief grotere rol gaat spelen in de beïnvloeding van hun gedrag.

Met die algemenere theorie van de beïnvloeding door de sociale omgeving kun je dus verklaren dat het spelen van videogames op korte termijn wel en op langere termijn juist niet tot meer agressief gedrag leidt. Met die algemenere theorie heb je dus aan diepte gewonnen in vergelijking met de ad hoc-theorie dat videogames leiden tot meer agressief gedrag.

zondag 10 februari 2019

Zondagochtendmuziek - Mozart: Concerto for piano and Orchestra (d-minor) K.466, Uchida

Vorige week trad Mitsuko Uchida op in de Grote Zaal van TivoliVredenburg in Utrecht. Samen met het Mahler Chamber Orchestra , dat ze in twee pianoconcerten van Mozart van achter de piano dirigeerde. Daartussen in speelde het orkest drie delen uit de Lyrische Suite voor strijkorkest van Alban Berg. Over die combinatie van Mozart en Alban Berg schrijft Emanual Overbeeke in zijn toelichting:
Mozart werd een groot voorbeeld voor expressionisten als Berg, Schönberg en Webern die de mens in zijn zwartste momenten toonden en die tegelijk de behoefte hadden hun wereldbeeld te gieten in een mooie kunst die al die verschrikkingen (van de Eerste Wereldoorlog) enigszins draaglijk zou kunnen maken. Mitsuko Uchida, die én veel Mozart én graag Berg speelt, noemde de muziek van zowel Berg als Mozart zeer dramatisch. Drama betekent per definitie dat men mensen en situaties ziet als veelzijdig en vaak innerlijk tegenstrijdig: welluidend en gruwelijk, schijn en wezen, ordelijk en chaotisch.
Het concert werd afgesloten met dat "mooie", maar tegelijk ook dramatische, Pianoconcert nr. 20 (KV 466). Wat een geniale invallen en wat een scala aan emoties! Hier een uitvoering met Camerata Salzburg.

Scroll ook door de reacties en blijf even hangen bij:
One of the most beautiful pieces of music ever written. Mozart speaks to us through the ages about the entire range of human emotion. It makes my heart ache and then jump for joy.. and everything in between. This is the apex of human achievement. And the performance is masterful.

donderdag 7 februari 2019

Zelf-compassie en zelfcontrole zijn belangrijk om nog jezelf te kunnen zijn

De samenleving waarin wij ons bewegen is er een die, in vergelijking met de Paleo Sociale Omgeving van lang geleden, gekenmerkt wordt door een grote mate van sociale vluchtigheid. Ons sociale leven bestaat voor een groot deel uit ontmoetingen en relaties met anderen die we niet zo goed kennen.

Daardoor zijn we er vaak mee bezig hoe we op anderen overkomen en hoe we willen overkomen. En dus met de reacties van anderen op hoe wij ons presenteren. Denk even aan Erving Goffmans The Presentation of Self in Everyday Life, dat in 1956 verscheen en vele malen is herdrukt. Het vormde het begin van wat de dramaturgische analyse van het sociale leven ging heten, waarin het erom gaat dat mensen voortdurend, meer of minder onbewust, bezig zijn met impression management.

Dat bezig zijn met hoe we willen overkomen is begrijpelijk als de sociale relaties vluchtig van aard zijn. Iedereen vraagt zich dan af met wat voor iemand hij te maken heeft. En andersom is iedereen ervan doordrongen dat anderen zich die vraag stellen. Hoe je je presenteert en hoe je je tegenover wie presenteert, is dan een voortdurende opgave.

Dat kan ertoe leiden, en leidt er kennelijk vaak toe, dat mensen zich gaan afvragen wie ze zelf nu eigenlijk zijn. Wat is je authentieke zelf? Hoe vind je nog je ware zelf achter al die vaak verschillende facades waarmee je jezelf aan anderen presenteert? Die vragen hebben enige urgentie, want het blijkt dat mensen zich beter voelen als ze meer het gevoel hebben dat ze zichzelf kunnen zijn.

Bedenk daarbij dat dat authenticiteitsprobleem zich niet of veel minder voordoet als het sociale leven zich meer afspeelt tussen vertrouwde anderen. Als mensen hun leven doorbrengen in een groep van vertrouwde contacten, zoals dat het geval was in die Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars, dan is er altijd de gezamenlijke geschiedenis die maakt dat niemand zich anders hoeft voor te doen dan hij is. De opdracht van het zich presenteren is geheel afwezig. Je kunt zijn wie je bent, want anderen, en jijzelf, weten wie je bent.

De vraag naar het authentieke zelf en de dringendheid van die vraag zijn dus "moderniteitsproducten". Onvermijdelijke gevolgen van de sociale vluchtigheid van het tegenwoordige sociale leven.

Waarin natuurlijk nog wel eilandjes van sociale vertrouwdheid bestaan, de kringen van familie en vrienden, waarin nog een gezamenlijke geschiedenis bestaat. En het is inderdaad zo dat mensen zich beter voelen in die kring van vertrouwde contacten en we weten dat dat eraan ligt dat mensen in die contacten meer het gevoel hebben dat ze zichzelf kunnen zijn. Zie Hoe komt het dat we ons in vertrouwde contacten beter voelen dan in vluchtige contacten?

Toch slagen sommige mensen er nog behoorlijk goed in om ondanks die sociale vluchtigheid zichzelf te kunnen zijn en hun authentieke zelf te bewaren. Dat zijn degenen die in staat zijn tot zelf-compassie. Zie eerder het bericht Kunnen we nog wel onszelf zijn? In een toestand van sociale vluchtigheid is voor authenticiteit zelf-compassie nodig.

Het hebben van zelf-compassie houdt in dat je in staat bent om (a) aardig te zijn voor jezelf in plaats van streng en veroordelend, (b) in te zien dat het algemeen menselijk is om fouten te maken en om je wel eens slecht te voelen, en (c) je falen en je pijn met gelijkmoedigheid (mindful) te constateren. Mensen met meer zelf-compassie zijn minder bezig met hoe anderen over hen oordelen en dus ook minder met zich altijd maar zo goed mogelijk voor te doen.

En volgens de nieuwe studie Choosing goals that express the true self: A novel mechanism of the effect of self‐control on goal attainment helpt het ook als je beter in staat bent tot zelfcontrole. Dus tot het volgen van een uitgezette gedragslijn en het weerstaan van verleidingen om daarvan af te wijken.

Het blijkt namelijk dat het bekende verband tussen het hebben van zelfcontrole en succesvol zijn in het bereiken van je doelen, mede verklaard wordt doordat mensen met meer zelfcontrole zichzelf meer doelen stellen die overeenkomen met hun authentiek zelf. Die dus in staat zijn om zich meer door hun ware zelf te laten leiden

Want het nastreven van zaken die uit je ware zelf voortkomen, die dus echt zelf gekozen zijn, is natuurlijk motiverender en beter vol te houden, dan het najagen van doelen die van buitenaf zijn opgelegd of waartoe je je hebt laten overhalen of waarvan je denkt dat je er goede sier mee kunt maken.

Dat we in een toestand leven met een grote mate van sociale vluchtigheid, betekent dus dat het om nog onszelf te kunnen zijn, aankomt op individuele eigenschappen als zelf-compassie en zelfcontrole. En het betekent ook dat niet iedereen even goed in staat is om zichzelf te kunnen zijn.

dinsdag 5 februari 2019

De stress van flexibele en onregelmatige werktijden en oproepwerk - Nieuw onderzoek

Een element van de neo-liberale sociale zeepbel die veel ontwikkelde landen zo ongeveer sinds de jaren 70 van de vorige eeuw heeft geteisterd, is de overtuiging dat arbeid een goed is als alle andere en dat dus de arbeidsmarkt zoveel mogelijk gedereguleerd moest worden. De arbeidsmarkt moest dynamischer worden.

Die flexibilisering van de arbeid hield een grootscheepse verschuiving in van risico en onzekerheid van de werkgever naar de werknemer. Of de arbeidsproductiviteit daardoor is gestegen, staat nog te bezien. Als dat zo is geweest, en als dat is doorberekend in de prijzen, dan hebben de werknemers dus van die lagere prijzen kunnen profiteren.

Maar of dat zou opwegen tegen de negatieve gevolgen van die flexibilisering voor hun welzijn en gezondheid? Flexibilisering kan leiden tot minder autonomie en meer hiërarchie op het werk en tot een hogere werkdruk. En we kennen de negatieve gevolgen daarvan voor het welzijn van werknemers, zich onder meer uitend in een hogere kans op een burn-out. En flexibilisering gaat vaak gepaard met grotere baan- en inkomensonzekerheid, waarvan de negatieve welzijnseffecten eveneens bekend zijn.

Uit de nieuwe Amerikaanse studie Consequences of Routine Work-Schedule Instability for Worker Health and Well-Being komen specifiek die negatieve effecten naar voren van flexibele arbeidstijden. Onregelmatige en kort van tevoren aangekondigde werktijden en oproepwerk gaan gepaard met verhoogde psychologische stress (somberheid, rusteloosheid, nervositeit, uitzichtloosheid, vermoeidheid), met slechter slapen en met lagere geluksscores. Dat verband komt zowel tot stand via verhoogde bestaansonzekerheid (wisselend inkomen), als door grotere problemen met het combineren van werk en gezin.

De resultaten komen overeen met eerder onderzoek. Het wordt steeds duidelijker hoe onbezonnen dat neo-liberale streven was om de arbeidsmarkt te laten functioneren als een gewone markt. En om arbeid als gewone koopwaar te beschouwen. Een afschrikwekkend voorbeeld van een manier van economisch denken waarin voor reflectie over de menselijke natuur, over wat mensen nodig hebben en over wat mensen aankunnen, geen plaats is.

vrijdag 1 februari 2019

Richard Wrangham over agressie en de evolutionaire achtergrond van de duale menselijke sociale natuur

Wat ik ooit, bij gebrek aan een bestaande benaming, de Dual Mode-theorie ben gaan noemen, kun je met de volgende twee stellingen samenvatten:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee aan elkaar tegengestelde bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.
Dat "ooit" slaat op INTERACTIEVE EFFECTEN VAN SOCIALE ASPIRATIES, GEDRAG EN OMGEVING OP DE KANS OM GEZOND OUDER TE WORDEN uit 2004. Zie ook de berichten op dit blog achter het label Dual Mode-theorie, zoals:
Uiteraard zou het voor het toetsen van deze theorie nodig zijn om precieze voorspellingen af te leiden en die in een passende onderzoeksopzet met de werkelijkheid te confronteren. Maar bij gebreke daaraan kun je al wel nagaan hoe plausibel de theorie is door te kijken welke onderzoeksresultaten er zoal mee overeenkomen. De berichten achter het label Dual Mode-theorie geven enig inzicht daarin.

Het nieuwe boek van Richard Wrangham, The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution, valt op te vatten als een onderbouwing van Stelling 1. In het bijzonder als een inventarisatie van alle aanwijzingen voor een evolutionair verleden van de mensheid met die twee aan elkaar tegengestelde gedragspatronen als uitkomst.

Ik heb het boek nog maar een paar dagen in huis en zal er nog wel vaker op terugkomen. Maar om de gedachten te bepalen sta ik nu even stil bij het inleidende hoofdstuk (Virtue and Violence in Human Evolution).


Wrangham haalt daar de al eeuwenoude discussie aan tussen enerzijds aanhangers van de overtuiging dat de mens van nature goed is (Rousseau) en anderzijds de aanhangers van de overtuiging dat de mens van nature slecht is (Hobbes). Een discussie die maar niet kan worden beslecht.


En dat ligt eraan dat beide partijen het gelijk aan hun zijde hebben. Wrangham (p.6):

I believe that there is an escape from this morass about the fundamental nature of humans. Rather than needing to prove that either side is wrong, we should ask whether the debate makes sense at all. Babies point us in the right direction: the Rousseau and Hobbes perspectives were both right as far as they went. We are naturally good in the way that Rousseau is said to have claimed, and we are naturally selfish, much as Hobbes argued. The potential for good and evil occurs in every individual. Our biology determines the contradictionary aspects of our personalities, and society modifies both tendencies. Our goodness can be intensified or corrupted, just as our selfishness can be exaggerated or reduced.
Wrangham schreef eerder, samen met Dale Peterson, het boek Demonic Males. Apes and the Origins of Human Violence, in het Nederands vertaald als Agressieve mannetjes. Over mensapen en de oorsprong van geweld bij de mens (1996). Sinds dat boek is hij tot het inzicht gekomen dat agressie in twee vormen voorkomt: reactieve agressie, bestaande uit nijdige reacties op provocaties (hot), en proactieve agressie, het geplande en weloverwogen geweld om iemand uit te schakelen (cold).

En het unieke van de menselijke evolutie is dat wij erop geselecteerd zijn om weinig reactief agressief te zijn, door een proces van zelf-domesticatie, en tegelijk sterk proactief agressief. Die proactieve agressie maakte het mogelijk dat jagers-verzamelaars, ook met geweld, optraden tegen de reactieve agressievelingen die meer voor zichzelf opeisten dan anderen en anderen wilden overheersen. Anders gezegd, de proactieve agressie zorgde ervoor dat het statuscompetitieve Alfamannetjesgedrag werd onderdrukt. In voorkomende gevallen ook door het samen voorbereide en weloverwogen om het leven brengen van iemand.

En precies dat was dat proces van zelf-domesticatie. Het proces van natuurlijke selectie zorgde ervoor dat de neiging tot reactieve agressie minder in de populatie voorkwam. Waardoor het gemeenschapsgedrag, en de morele gemeenschapsintuïties, konden bloeien. En zo werden we een relatief tolerante, goedaardige apensoort met een verminderde geneigdheid tot reactieve agressie.

Het is wat ironisch: een bepaalde vorm van agressie, de proactieve variant, zorgde ervoor dat onze neiging tot goedaardigheid en gemeenschap werd versterkt. Denk in dat verband ook aan ons vermogen om wapens te gebruiken (stokken, stenen, speren), dat dienstbaar was aan het onderdrukken van de statuscompetitie en daarmee aan de egalitaire gemeenschap van samenwerken en delen. Zie het bericht De oorsprong van ons pro-sociale gedrag: grote hersenen en wapens.

Ik lees verder in The Goodness Paradox. En heb later ongetwijfeld meer te melden.