Posts tonen met het label informatietekort. Alle posts tonen
Posts tonen met het label informatietekort. Alle posts tonen

dinsdag 24 januari 2023

De Nederlandse polycrisis: een moedeloos makende waslijst van problemen - die met elkaar samenhangen en een gemeenschappelijke oorzaak hebben - deel 3

De waslijst van elf crises of problemen in de Nederlandse politiek die ik in de twee vorige berichten opsomde (zie hier het vorige bericht), kan als je de actualiteit volgt nog worden aangevuld. Eén aanvulling is de volgende:

Het mestbeleid van het Ministerie van Landbouw bestaat er al jaren uit om hoognodige maatregelen zo lang mogelijk uit te stellen. Doordat we een veel te grote landbouwsector hebben, die veel milieuschade veroorzaakt en in vergelijking daarmee maar weinig bijdraagt aan het bbp, is er een groot mestoverschot. Waardoor het grond- en oppervlaktewater sterk wordt vervuild met stikstof en fosfaat. Dat had voor de Nederlandse regering zelf al lang reden moeten zijn om in te grijpen. Maar daar is mee gedraald. En er is zelfs bij de Europese Commissie uitstel bedongen van de toepassing van Europese mestregels die waren opgesteld, met instemming van Nederland, om de kwaliteit van het water te verbeteren. Maar in ruil daarvoor moesten wel de al bestaande regels worden gehandhaafd. Omdat dat laatste niet gebeurde, denk aan het oogluikend toegestane gesjoemel met de mestboekhouding door boeren, heeft Brussel al op 19 december 2022 laten weten genoeg te hebben van het gedraal. Als nu niet wordt gehandhaafd, vervalt het Europese uitstel per direct. Immer dralend ministerie heeft elk krediet in Brussel verspeeld. Tot 20 januari 2023 wekte minister van Landbouw Adema de indruk dat nog meer uitstel mogelijk zou zijn. Hij moest die dag halsoverkop uit het buitenland terugkeren voor spoedberaad van het kabinet. Kabinet wist al weken dat Brussel Nederlands mestbeleid niet accepteert.

Oké, twaalf crises dus. Als er niet nog meer bijkomen.

Wat valt er te zeggen over het vermoeden dat al die crises uit een en dezelfde bron voortkomen? Om die vraag te beantwoorden, moeten we onder ogen zien dat politici en beleidsmakers zich meestal laten leiden door vuistregels in plaats van door diepgravende analyses. En dat bij de totstandkoming en verspreiding van die vuistregels sociale zeepbelvorming optreedt. Doordat weinigen voldoende op de hoogte zijn om zelfstandig een oordeel te kunnen vellen, kan sociale beïnvloeding een grote rol spelen. Als je merkt dat veel mensen een bepaald inzicht aanhangen, dan is het moeilijk om je aan de neiging te onttrekken om dat inzicht voor waar te houden. Zoveel mensen kunnen zich toch niet vergissen? 

Zo'n inzicht heeft vaak de vorm van een vuistregel: bij dit-en-dit probleem kies je het beste deze-en-deze oplossing. Succes is niet gegarandeerd, maar komt vaak of net vaak genoeg voor om de vuistregel in leven te houden. Tel bij dat net-vaak-genoeg die sociale beïnvloeding op en je hebt het verschijnsel van een sociale zeepbel: iedereen neemt als waar en vanzelfsprekend aan waar maar weinig empirische evidentie voor bestaat. 

Over het publieke domein van de politiek, van de vraag wat in een democratie van dag tot dag het beste beleid is, zijn we altijd onvolledig geïnformeerd. Dat is dus een domein waar gemakkelijk vuistregels en sociale zeepbellen ontstaan. Denk aan het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen? De menselijke sociale natuur maakt nu dat twee aan elkaar tegengestelde vuistregels als het ware klaarliggen om "uitgekozen" te worden en om zich tot een sociale zeepbel te ontwikkelen: 

  • enerzijds de vuistregel dat in een democratie de overheid een belangrijke en onmisbare rol moet spelen ten behoeve van het menselijk welzijn en 
  • anderzijds de vuistregel dat de rol van de overheid juist zoveel mogelijk dient te worden teruggedrongen om zoveel mogelijk ruimte te verschaffen voor de markt, de eigenlijk bron van welvaart

Die eerste vuistregel kun je zien als een uitwerking van de menselijke morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. Waarin samenwerking en delen voorop staat. 

En de tweede als de uitwerking van het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. Waarin alles draait om competitie.

In het volgende bericht zal het gaan over wat dit nu betekent voor die vraag naar de bron waar al die twaalf, of meer, crises in de huidige Nederlandse politiek uit voortkomen.

vrijdag 16 december 2022

Over sociale onzekerheid en hoe het "onderaanbod" van gemeenschapsgedrag tot stand komt

Het blijkt dat we "sociale winst" zouden kunnen boeken door ons in de omgang met anderen vaker te laten leiden door onze morele gemeenschapsintuïties. Gemeenschapsgedrag, een praatje maken met iemand, iemand complimenteren of iets aardigs doen voor anderen, vindt minder plaats dan goed voor ons is. In economentaal: er is een onderaanbod van gemeenschapsgedrag. Zie het vorige bericht

Dat zou er aan kunnen liggen dat we in onze huidige manier van samenleven, met een grote mate van sociale vluchtigheid, vaak in sociale onzekerheid verkeren. Dat is namelijk het geval in al die interacties, en dat zijn er veel, die we hebben met anderen die ons niet vertrouwd zijn. We weten dan niet goed op welk gedrag van de ander we kunnen rekenen, gemeenschapsgedrag of statuscompetitiegedrag. Daardoor zijn we bang om de ontmoeting te beginnen met gemeenschapsgedrag (aangeven wel een praatje te willen maken, een compliment geven, iets aardigs doen), want de ander zou daar met statuscompetitiegedrag op kunnen reageren en ons gedrag als zwak en kwetsbaar kunnen opvatten. Dus vermijden we contact, houden we sociale afstand en doen we zelfs wat uit de hoogte om maar te voorkomen dat de ander ons niet serieus neemt of op ons neerkijkt.

Dat is jammer, want we laten dus die sociale winst aan ons en aan die anderen voorbijgaan. Mensen zijn in het verleden duidelijk niet geselecteerd op het vermogen om goed met zulke toestanden van sociale onzekerheid om te gaan.

Het onderzoek waar het in dat vorige bericht over ging, geeft enig inzicht in de manieren waarop die sociale onzekerheid ons belemmert ("mechanisms of miscalibration"), die aardig overeenkomen met het vermoeden hierboven. Er blijken namelijk drie problemen te zijn: verschillen in interpretaties ("differentail construal"), onzekerheid over hoe de ander zal reageren ("uncertain responsivenes") en het niet opdoen van bepaalde ervaringen ("asymmetric learning").

Dat eerste probleem bestaat eruit dat wij ons zorgen maken over hoe we dat precies moeten doen, een praatje beginnen, een compliment maken of iets aardigs doen. Waar we met vertrouwde anderen niet over hoeven na te denken, is problematisch als we met anderen te maken hebben die we niet goed kennen. We zijn daarom bezorgd om niet competent over te komen. Bang dat de ander ons een sociale kluns vindt. We zien dus een statuscompetitieve interactie voor ons, waarin we zelf kwetsbaar zijn. Maar wat blijkt? De ander kijkt naar ons gedrag en ziet ons een poging doen om aardig te zijn, herkent dus onze poging als gemeenschapsgedrag. Wat bij die ander datzelfde gedrag triggert.

En dat wijst op het tweede probleem: het probleem namelijk dat wij die positieve reactie van de ander niet verwachten. Dat wil zeggen, we halen ons van alles in het hoofd over met wat voor iemand we te maken hebben. En inderdaad, mensen kunnen sterk van elkaar verschillen. Maar geheel los van die verschillen, reageren mensen over het algemeen op een aardig gebaar van iemand met zelf iets aardigs terug te doen. Gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit. Maar daar zijn wij dus vaak onzeker over.

En dat kan er weer aan liggen, en dat is het derde probleem, dat wij daar te weinig ervaringen mee opdoen. Doordat we zo terughoudend en afstandelijk doen, geven we onszelf ook te weinig kans om te leren dat anderen positief zouden reageren op onze sociale toenadering. We beperken ons domein van sociale ervaringen. Met een "structureel" informatietekort als gevolg.

vrijdag 29 juli 2022

Sociale vluchtigheid maakt dat sociale winst niet tot stand komt - mensen zouden vaker "iets van zich moeten laten horen" dan ze doen

We moeten het weer eens over sociale vluchtigheid hebben.

In de maatschappij die wij kennen leidt vrijwel iedereen zijn/haar leven onder de conditie van sociale vluchtigheid. Dat wil zeggen dat de meeste mensen buiten de eigen, vaak kleine, kring van vertrouwde anderen, familie, vrienden. dagelijks te maken hebben, face to face of via sociale media, met anderen die ze niet of alleen maar vluchtig kennen.

Onze sociale leefwereld is dus voor een groot deel vluchtig. Daar groeien we in op, we zijn eraan "gewend" en staan er zelden bij stil. Maar als je bedenkt dat wij een sociale diersoort zijn, die in de loop van zijn evolutie morele gemeenschapsintuïties heeft ontwikkeld, dan dringt zich aan je op dat die sociale vluchtigheid ons voor grote uitdagingen stelt. Scrol maar eens door al die berichten achter het label sociale vluchtigheid om meer te weten te komen over de aard van die uitdagingen.

Het punt is dat we in die vluchtige sociale leefwereld ons niet altijd zo maar door onze morele gemeenschapsintuïties kunnen laten leiden. We zijn daar altijd enigszins of sterk op onze hoede. Misschien komen we in een statusstrijd terecht en dan moeten we daaraan meedoen. Of voelen we de drang om daaraan mee te doen. En dan gaan we voor de zekerheid maar in de aanval. We bluffen en doen stoerder dan we eigenlijk zijn. Of we kruipen in onze schulp omdat de ander ons al heeft geïntimideerd. 

Het gaat er om dat we in die sociaal vluchtige leefwereld altijd onzeker zijn over wat we kunnen verwachten en over hoe we ons het beste kunnen opstellen. Dat maakt dat we in ons leven niet alleen te maken hebben met de sociaal veilige leefwereld van de kring van vertrouwde contacten, maar ook met de sociale onveiligheid van die sociale vluchtigheid. En het is die sociale onveiligheid die maakt dat zoveel mensen lijden aan de stress van statuscompetitie en eenzaamheid en aan de psychische aandoeningen die daaruit voortkomen.

Die sociale onzekerheid is natuurlijk een informatieprobleem. Want je komt misschien met anderen in een statusstrijd terecht, terwijl geen van de betrokkenen daar op uit was. Er is vaak collectieve stoerdoenerij. Om maar niet de eigen kwetsbaarheid te laten zien. Of mensen zijn terughoudend in pogingen om contacten met anderen te leggen (een praatje maken), uit vrees om te worden afgewezen en als zwak of zielig over te komen. Of terughoudend in het vragen om hulp. Terwijl onderzoek uitwijst dat we ons beter voelen door een praatje met een vreemde en als we door anderen om hulp gevraagd worden.

Zo'n informatieprobleem blijkt er ook te bestaan in die gevallen waarin mensen een ooit vertrouwd contact, een goede vriend of vriendin, uit het oog zijn verloren. Dat kan nu eenmaal gemakkelijk gebeuren in een sociaal vluchtige maatschappij. Door verhuizing of baanverandering. Je wilde allebei contact houden, maar dat kwam er niet van. En je voelt nu schroom om opnieuw contact te zoeken. Omdat je niet weet hoe de ander dat zal opvatten. Misschien is er van de andere kant helemaal geen interesse meer in hernieuwd contact. Stel dat de ander koel reageert. Dat kan pijnlijk zijn en dus laat je het erbij.

Welnu, er is goed nieuws. Uit een serie deelonderzoeken waarover in de nieuwe studie The Surprise of Reaching Out: Appreciated More Than We Think verslag wordt gedaan, blijkt dat mensen die zich afvragen of ze "iets van zich zullen laten horen" sterk onderschatten hoe prettig de ontvangers daarvan dat zouden vinden. En die onderschatting maakt dus dat het herstel van oude vriendschappen te weinig gebeurt. Er blijkt sociale "winst" te zijn die niet tot stand komt.

Dat is dus ook een uitdaging van de sociale vluchtigheid. Schroom overwinnen en toch de stap zetten om na lange tijd weer eens iets van je te laten horen. Dat wordt dus meer op prijs gesteld dan je geneigd bent te denken.

dinsdag 28 september 2021

Morele oordelen zonder alle relevante informatie te hebben meegewogen, kunnen de plank misslaan. Over het coronatoegangsbewijs

Ik zag op het Journaal een interview met een artiest, ik meen een rapper, die overwoog zijn optredens niet door te laten gaan. Omdat hij geen bezoekers zou mogen toelaten die niet beschikken over een coronatoegangsbewijs. En hij wilde niet "discrimineren", geen onderscheid maken. De precieze bewoordingen kan ik niet helemaal terughalen, maar het was duidelijk dat hij een beroep deed op de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen telt mee. Niemand hoort te worden buitengesloten. Ook de manier waarop hij sprak, verried de morele lading van zijn standpunt.

Ook was er staatssecretaris Mona Keizer, die verklaarde tegenstander te zijn van het coronatoegangsbewijs en die werd voorgedragen voor ontslag, omdat ze daarmee inging tegen het kabinetsbeleid en het principe dat de regering met één mond praat. Ze kon het beleid niet meer rijmen met haar geweten en vond dat het funest was voor de saamhorigheid in de maatschappij. Ook hier zien we de morele lading.

Tegelijk is er een meerderheid van de Nederlandse bevolking die het coronatoegangsbewijs accepteert, ja, ondersteunt. Ook was er een Tweede Kamermeerderheid. En er zijn berichten dat het in andere landen (Frankrijk, Italië) algemeen als vanzelfsprekend geaccepteerd wordt. 

Dat zal er aan liggen dat het coronatoegangsbewijs evenzeer appelleert aan die morele gemeenschapsintuïties, namelijk aan de notie dat je anderen geen schade mag toebrengen. Een notie die gemakkelijk is te herleiden tot datzelfde iedereen telt mee. Als iedereen meetelt, hoor je niet een ander schade te berokkenen. Er valt zelfs veel voor te zeggen, volgens de Theory of Dyadic Morality, dat die notie van het geen schade toebrengen de kern vormt van dat complex van onze morele gemeenschapsintuïties. 

Een en ander wijst er op dat onze morele intuïties ons niet altijd als een soort algoritme één kant op sturen. Zoals ik al memoreerde, komt er bij het "toepassen" van die intuïties op concrete gevallen het probleem kijken van het wel of niet beschikken over alle relevante informatie. Bij het luisteren naar die rapper in het Journaal wilde ik hem toeroepen dat hij toch niet zou willen dat er bij zijn optreden bezoekers besmet zouden raken. En ik verwonderde me erover dat de interviewer dat niet ter sprake bracht. Had hij dat wel overwogen? Had hij daarover nagedacht?

Kennelijk niet, want hij gaf er geen blijk van het morele dilemma te hebben ervaren dat dan zou zijn ontstaan. Ook Mona Keizer zou je willen vragen of het willens en wetens laten oplopen van de besmettingen en het daardoor langer laten duren van de pandemie, met de onvermijdelijke extra overlijdensgevallen, wel zo goed zou zijn voor de saamhorigheid in de maatschappij.

Morele oordelen zonder alle relevante informatie te hebben meegewogen, kunnen dus de plank misslaan. Eigenlijk besef je dan dat het je zo goed mogelijk informeren alvorens te oordelen ook tot die morele gemeenschapsintuïties zou moeten worden gerekend.

vrijdag 6 augustus 2021

De democratie heeft goed geïnformeerde kiezers nodig. Wordt het tijd voor een wettelijke bescherming van de titel beroepsjournalist?

In een democratie kun je de nieuwsvoorziening niet zomaar aan de markt, en dus aan het grote geld, overlaten. Dat is de titel van een bericht dat ik in 2017 schreef. Volg de link. Met daarin een verwijzing naar het bericht Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen. Volg weer de link.

Het is echt de moeite waard om beide berichten (nog eens) te lezen. In het eerste kom je een verwijzing tegen naar onderzoek naar de invloed van het door mediamagnaat Rupert Murdoch gefinancierde Fox News Channel op het stemgedrag van de Amerikanen. Dat "nieuws"- kanaal geeft eenzijdige en partijdige "informatie", dat wil zeggen sterk in het voordeel van de rechtsextremistische Republikeinse partij. Het onderzoek laat zien dat het kijken naar dat kanaal inderdaad het door de financiers en makers beoogde effect heeft op het kiezersgedrag. Het Grote Geld kan dus de werking van de democratie negatief beïnvloeden. De democratie kan immers niet goed gedijen als kiezers slecht en eenzijdig geïnformeerd worden.

En dit is een citaat uit het tweede bericht:

Nu is het klagen over de media van alle tijden, maar misschien is er nu toch meer aan de hand. Want het is onderdeel van de neoliberale golf waarin we zijn terechtgekomen om te denken dat je de media kunt overlaten aan de commercie. De markt is overal goed voor en zal er dus ook wel voor zorgen dat de burgers goed worden geïnformeerd over het publieke domein.

Dat is een ernstige misvatting. Media overlaten aan de markt heeft in feite betekend dat de mediamagnaten het heft in handen hebben genomen. En die hebben hun eigen belangen.

En zijn zo machtig geworden dat ze niet alleen de berichtgeving en de politieke commentaren naar hun hand zetten, maar ook rechtstreeks de politici beïnvloeden.

En nog los daarvan, heeft de commercialisering van de media in de hand gewerkt dat er een omvangrijke amusementsindustrie kon ontstaan. Een bijkomend effect daarvan is dat de indruk wordt gewekt dat het ook helemaal niet nodig is om je goed te informeren. Wat weer de ruimte creëerde voor de populist die gemakkelijke oplossingen aandraagt en die de verpersoonlijking is van dat amusement en van de alternatieve feiten.

Dat we nu in een tijd leven waarin de democratie wordt bedreigd, heeft natuurlijk alles met deze grote misvatting te maken. 

En het roept de dringende vraag op wat we kunnen doen om deze bedreigingen het hoofd te bieden. Precies daarover gaat de column Een verantwoordelijk beroep van Bert van den Braak, bijzonder hoogleraar parlementaire geschiedenis en parlementair stelsel aan de Universiteit Maastricht, die vandaag verscheen op PARLEMENT.com.

Van den Braak bespreekt de mogelijkheid om het beroep van journalist een beschermde status te geven, een status die we al kennen voor medici, notarissen, advocaten, architecten, makelaars en rijschoolhouders. Het gaat dan om beroepen waarvan de kwaliteit van de geleverde diensten moeilijk door de afnemers zelf beoordeeld kunnen worden, terwijl tegelijk die afnemers grote risico's lopen als die kwaliteit slecht is. 

Dit is een van de bekende gevallen van marktfalen, namelijk het probleem van informatieasymmetrie. Natuurlijk zou het mooi zijn als de aanbieders van die diensten uit zichzelf moreel verantwoordelijk zouden handelen, maar de kans daarop wordt negatief beïnvloed door de algemeen heersende ideologie van de morele luchtledigheid van het domein van de markt. 

Toekenning van een beschermde status aan "beroepsjournalisten", wat op titelbescherming neer zou komen, zou allerlei voordelen kunnen hebben, die vergelijkbaar zijn met die van andere beschermde beroepen. Niet alleen kunnen kwaliteitseisen worden gesteld, maar ook kan het gedrag van de beroepsbeoefenaar door middel van tuchtrechtspraak beoordeeld worden.

Van den Braak wijst er op dat er in België wel degelijk een wettelijke bescherming van de titel beroepsjournalist bestaat. Dat wist ik niet. Ook wist ik niet dat er in Nederland ooit, in 1949, een dergelijk wetsvoorstel is ingediend. Maar dat bleef "in een la liggen", om er pas in 1960 weer uit te komen, toen het werd ingetrokken. Met als motief de toen algemeen heersende opvatting dat "zelfregulering" zou volstaan.

Nu, in 2021, moeten we die opvatting misschien eens goed tegen het licht houden. Van den Braak is nog aan de voorzichtige kant:

In een tijd van 'nepnieuws' en infotainment is alles wat kan bijdragen aan betrouwbare journalistiek, winst. Wettelijke regeling lijkt een stap te ver, maar de (reguliere) media moet dan wel de eigen verantwoordelijkheid nog beter oppakken, bijvoorbeeld door striktere scheiding van nieuws en opinie en door het voorkomen van ongewenste vermenging van presentatie en journalistiek in talkshows.

Kwalitatief goede en verantwoordelijke media zijn de beste remedie tegen nepnieuws en belangenverstrengeling. Als het daaraan schort, moeten we misschien toch maar eens die wettelijke titelbescherming overwegen.

Het voordeel van een wettelijk geregelde titelbescherming zou zijn dat het iedereen vrij staat om journalistiek werk te verrichten, maar dat het voeren van de titel "beroepsjournalist" aan voorwaarden is gebonden. Zoals die kwaliteitseisen en het zich onderwerpen aan tuchtrechtspraak.

vrijdag 29 januari 2021

Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Hoe moeten we aankijken tegen het presidentschap van Joe Biden? Hoe moeten we beoordelen dat de Amerikaanse kiezers al na één termijn genoeg hadden van zijn voorganger? En wat vertellen ons de eerste beleidsdaden van de nieuwe president?

Ik stond daar bij stil in het bericht In de Verenigde Staten maken we een beweging mee in de richting van het gemeenschapsevenwicht - en over de rol van de media van ruim een week geleden, een dag na de inauguratie van Biden. Met als teneur dat je deze presidentswisseling kunt zien als een beweging op het niveau van de nationale staat in de richting van het gemeenschapsevenwicht en weg van het statuscompetitie-evenwicht. Dus in de richting van een politiek waarin iedereen meetelt en de overheid een schild is voor de zwakkeren en weg van de neoliberale politiek van ieder voor zich en juist vernedering van de zwakkeren. Voor wie nog niet bekend is met die twee evenwichten, lees Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Het presidentschap van Bidens voorganger, waarvan we de naam maar liever zo weinig mogelijk nog tegenkomen, was duidelijk de culminatie van een periode van een politiek van statuscompetitie. Denk aan de exorbitante belastingverlaging voor de rijken, aan de negatieve bejegening van minderheden, aan het wegnemen van de bescherming van de zwakkeren en aan het inruilen van democratische verantwoordelijkheidslijnen door de persoonlijke loyaliteiten van een statushiërarchie. En denk aan het uittreden uit internationale samenwerkingsverbanden. Als er al een beleid te onderkennen was, dan was het dat van het vrij baan geven aan het iedereen-zoekt-het-zelf-maar-uit van de statuscompetitie. Rijken zijn rijk door verdienste en armen en zieken hebben het er zelf naar gemaakt. En de president bekleedt niet een functie, maar staat aan het hoofd van een statushiërarchie. Aan die positie kan door verkiezingen niet getornd worden, dus kan een ongunstige verkiezingsuitslag nimmer erkend worden.

Daarentegen kunnen we aan de eerste beleidsdaden van president Biden duidelijk een beweging richting het gemeenschapsevenwicht onderkennen. Hij neemt wel de coronapandemie serieus, terwijl Trump die aanvankelijk ontkende en verder op zijn beloop liep, met veel onnodige besmetting en sterfgevallen tot gevolg. Hij beëindigde de bouw van de muur aan de Mexicaanse grens, bedoeld om immigranten tegen te houden, en wil een nieuw en ruimer immigratiebeleid. Hij beëindigde het verbod op inreizen uit moslimlanden en trad weer toe tot het Klimaatakkoord van Parijs en de Wereldgezondheidsorganisatie. Hij schrapte de uitsluiting van transgenders uit het leger, breidde de voedselhulp uit en begon met het beëindigen van de private gevangenissen. Hij breidde de toegankelijkheid tot de collectieve ziektekostenverzekering (Obamacare) uit, daarmee een maatregel van zijn voorganger terugdraaiend. En hij kondigde aan de klimaatcrisis als hoogste prioriteit te gaan behandelen en een echt begin te maken met de verbetering van de sterk verouderde Amerikaanse infrastructuur. De Amerikaanse overheid is terug.

Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Dat staat natuurlijk nog te bezien. Maar ik ben niet de enige die zich dit afvraagt. In haar column gisteren in de New York Times noemt Michelle Goldberg de Biden-regering het eerste post-Reagan presidentschap. Met een verwijzing naar de theorie van de political time van de Amerikaanse politieke historicus Stephen Skowronek. Volgens Skowronek zijn er in het Amerikaanse presidentschap 40- tot 60-jarige cycli of regimes te onderkennen, die elk beginnen met een transformerende president die voor zijn opvolgers het speelveld van wat politiek mogelijk is omgrenst. 

Franklin Delano Roosevelt was zo'n figuur, de grondlegger van de principes van de New Deal, waar zowel de Democraten als de Republikeinen zich achter schaarden. Dat was de politieke tijd van de opbouw van de verzorgingsstaat, van de "gemeenschap georganiseerd in de staat". Aan die politieke tijd kwam met de verkiezingsoverwinning van de Republikein Ronald Reagan in 1981 een eind. Het nieuwe politieke speelveld werd afgebakend met het adagium van de overheid als probleem in plaats van als oplossing. De neoliberale periode van de kleine overheid en zoveel mogelijk marktwerking nam een aanvang. Zelfs de democratische presidenten Bill Clinton en Barack Obama gingen daarin mee, de een meer, de ander minder, met hun beduchtheid voor overheidsschulden, voor inflatie en voor alles wat riekte naar Big Government.

Een vrijwel parallelle ontwikkeling begon in 1982 in Nederland met het eerste kabinet-Lubbers. En wie weet, zien we na de verkiezingen op 17 maart, als ze doorgaan, in Nederland een kabinet geformeerd worden dat net als Joe Biden in Amerika voor de komende 40- tot 60 jaar een politiek speelveld creëert waarin de overheid terug is. Waarin weer de gemeenschap is georganiseerd in de staat.

Hoe zou het komen, als het zo is, dat er in de politiek zulke cycli of regimes zijn te onderkennen? Dat moet wel te maken hebben met het verschijnsel van de sociale zeepbelvorming. We hebben in het publieke domein van de politiek nu eenmaal te maken met een groot gebrek aan informatie. Ook als iedereen gemotiveerd is door de democratische waarde van het vinden van het beste beleid voor iedereen, wat geenszins gegarandeerd is, dan nog is er altijd te weinig informatie beschikbaar om te kunnen bepalen wat dat beste beleid is.

En zulke informatietekorten zijn de voedingsbodem voor sociale zeepbellen. De meningen verschillen, maar sommigen zijn meer overtuigd van zichzelf dan anderen. Door die overtuigingskracht, die inhoudelijk niet veel hoeft voor te stellen, vergroot zo iemand zijn aanhang, wat voor anderen weer een signaal vormt: zoveel mensen zullen het wel niet verkeerd hebben. Sociale beïnvloeding doet zijn werk. Zie, uit 2013, het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen?

In dat proces speelt natuurlijk mee dat elk politiek speelveld dat door sociale zeepbelvorming tot stand komt, na verloop van tijd met de maatschappelijke werkelijkheid geconfronteerd wordt. Het is vanuit een toestand van informatietekort ontstaan en door het in werking te stellen, door de omschreven politiek in beleid om te zetten, wordt natuurlijk die informatie ras aangevuld. Politici en kiezers ondervinden de echte gevolgen van het uitgevoerde beleid. Die ondervindingen stapelen zich op en, zo vermoedt Stephen Skowronek, na zo'n 40 tot 60 jaar komt die "politieke tijd" aan zijn eind en breekt er een nieuwe aan.

Wat je natuurlijk hoopt is dat we niet na elke cyclus weer van voren af aan beginnen. Als het goed is wordt er over een reeks van cycli het een en ander geleerd. Zodat de grote historische lijn er een is van een vallen-en-opstaan beweging richting het gemeenschapsevenwicht.

donderdag 13 augustus 2020

Over de verplichte thuisquarantaine moet je niet alleen juridisch of bestuurlijk nadenken, maar ook sociaalwetenschappelijk

Is het verstandig om een wettelijk verplichte thuisquarantaine in te stellen voor mensen die contact hebben gehad met een potentieel besmet iemand? De maatregel daartoe werd dinsdag door minister Hugo de Jonge aangekondigd, maar die heeft nu laten weten dat hij er eerst nog eens goed over wil nadenken en zich wil laten adviseren. Daarin kan een rol gespeeld hebben dat er meteen vragen opkwamen of en hoe deze verplichting zou kunnen worden gehandhaafd. Met de onuitgesproken gedachte dat een verplichting geen zin heeft als de handhaving (controle, boetes) gebrekkig is of ontbreekt. (Andere problemen zullen ook een rol gespeeld hebben, zoals het nog ontbreken van regelingen om mensen in quarantaine te ondersteunen, zoals met compensatie voor inkomensderving.)

De verplichting tot thuisquarantaine komt neer op een verbod, het verbod namelijk om gedurende een bepaalde periode je huis te verlaten. Eerdere berichten op dit blog gingen er over dat in de discussies over de vraag wanneer het verstandig is om iets te verbieden, vaak het sociaalwetenschappelijk gezichtspunt ontbreekt. Zie de berichten achter het label verbieden

In het kort houdt dat gezichtspunt in dat het hier gaat om handelingen met zogenaamde negatieve externaliteiten. Dat zijn negatieve effecten van een gedrag op anderen die daar weinig of niets tegen kunnen doen. Denk aan roken in publieke ruimtes en aan vuurwerk afsteken. Dat slachtoffers daar weinig tot niets tegen kunnen doen, is vaak de eerste rechtvaardiging voor een wettelijk verbod. 

Maar wat ook meespeelt is dat het gedrag in strijd is met een morele intuïtie, namelijk de gemeenschapsintuïtie dat je anderen geen schade mag berokkenen of leed toebrengen. Zie Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein. En dan gaat het over het thema van de verhouding tussen wet en moraal. En over de vraag: waarom nog een wettelijk verbod, als er al een moreel "verbod" bestaat?

Een antwoord daarop is dat een wettelijk verbod een belangrijke sociale functie kan hebben. Die kan er uit bestaan dat het omstanders gemakkelijker wordt gemaakt om er wat van te zeggen als iemand zich er niet aan houdt. Zonder dat verbod moet een omstander de dader aan die morele intuïtie herinneren. In de trant van: wat je nu doet, dat deugt niet. Het hoort niet. En dat is een grote stap, want de dader kan dat ervaren als een aanval op zijn morele integriteit. Omstanders zijn daarom vaak afwachtend en afhoudend. 

Dat wordt anders zodra er een wettelijk verbod is. Voor omstanders is het veel gemakkelijker om aan dat verbod te herinneren dan een morele kwestie aan te snijden. En de dader kan wegkomen met zich te verontschuldigen dat hij daar even niet aan gedacht had. De morele lading is er natuurlijk nog steeds, maar hij staat niet zo op de voorgrond. En dat vergemakkelijkt het sociale proces van er iets van zeggen, van de sociale of informele sanctionering.

Daar komt bij dat een wettelijk verbod ook rechtstreeks het gedrag van de potentiële dader kan beïnvloeden. In veel gevallen is het bestaan van de schade en de omvang ervan per geval niet overduidelijk. Er is een informatietekort. De dader kan er dan voor zichzelf mee wegkomen dat de schade wel niet zo groot zal zijn. Dat het wel meevalt. Als het echt zo schadelijk zou zijn, dan zou de overheid het wel al lang verboden hebben.

En precies dat laatste pleit dus voor een wettelijk verbod. Om het informatietekort op te heffen. Het gaat hier om ernstige zaken en daarom is er dat verbod. Denk even aan de invoering van dat verbod op het gratis verstrekken van plastic tasjes aan klanten. Ook daar werden van te voren problemen voorzien met de handhaving. Maar wat bleek? Handhaving was helemaal niet nodig. Bijna iedereen had zich al zorgen gemaakt over de schade van al dat plastic voor het milieu. Maar dat had nog nauwelijks effect op het gedrag. Zodra dat verbod er was, veranderde dat. Zie Plastic tasjes, sociale beïnvloeding en de maakbare samenleving.

Over een wettelijk verbod moet je dus niet alleen juridisch of bestuurlijk nadenken, maar ook sociaalwetenschappelijk. Een wettelijk verplichte thuisquarantaine zou wel eens, ook zonder veel inzet voor handhaving, heel goed kunnen werken. 

woensdag 1 mei 2019

Het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht op het niveau van nationale staten - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 5

Update. Zie nu ook deel 6 in deze reeks: Hoe meer gemeenschapsgedrag, hoe beter.
We besloten het vorige bericht in deze reeks met de tussentijdse conclusie dat het vak sociologie maatschappelijk belangrijker zou kunnen worden door meer oog te ontwikkelen voor de voorwaarden waaronder het gemeenschapsevenwicht dan wel het statuscompetitie-evenwicht tot stand komt. Waarbij het gemeenschapsevenwicht een hoger welzijn verschaft dan het statuscompetitie-evenwicht.

In dat bericht ging het over die voorwaarden als het kleine en overzichtelijke groepen betreft: enerzijds groepen van familie en vrienden en anderzijds de groep van de schoolklas. In die groepen is er gemakkelijke onderlinge waarneembaarheid, waardoor behoorlijk snel het ene dan wel het andere evenwicht kan ontstaan.

Dat ligt anders als we het hebben over grotere groepen, zoals die van de bevolking van een nationale staat. De directe waarneembaarheid van het gedrag van anderen betreft dan maar een fractie van de totale bevolking. Gedeeltelijk komen mensen tot een inschatting van welk gedrag het meeste voorkomt in de gehele bevolking door die directe waarnemingen te generaliseren. In de trant van: ik kom in het dagelijks leven eigenlijk alleen maar aardige mensen tegen, waaruit ik opmaak dat mensen ook wel in het algemeen goed te vertrouwen zijn.

De direct waargenomen mate van gemeenschapsgerichtheid wordt dan dus gegeneraliseerd naar de gehele bevolking, naar "mensen in het algemeen". We weten al dat dit proces zich voordoet: mensen die meer gemeenschapscontacten hebben (contacten met familie, vrienden en buren), hebben een hogere mate van interpersoneel vertrouwen. Zie het bericht Meer omgang met vrienden, familie en buren vergroot het algemene vertrouwen in anderen, met daarin de drie stellingen waarmee dat interpersonele vertrouwen wordt vastgesteld.

Maar daarnaast maken mensen natuurlijk ook inschattingen op basis van indirecte waarnemingen, dat wil zeggen op grond van wat via de media tot hen doordringt. En dat wijst erop dat hoe  waarheidsgetrouw de media berichten, een zelfstandige rol speelt in bewegingen in de richting van het ene dan wel het andere evenwicht.

Een algemene klacht is dat de media, altijd op zoek naar nieuwswaardigheid, meer aandacht besteden aan uitingen van statuscompetitiegedrag (moord en doodslag, leugen en bedrog) dan aan, daarmee vergeleken altijd wat saaie, uitingen van gemeenschapsgedrag. Denk ook aan die overmatige aandacht in de media voor narcistische rechts-extremisten in de politiek (nu Baudet, voorheen Wilders), waardoor statuscompetitiegedrag dreigt te worden "genormaliseerd". Dat wil zeggen, geportretteerd als meer voorkomend dan in werkelijkheid het geval is.

Als dat zo is, dan is er dus wat de indirecte waarneembaarheid betreft, altijd een bias in de richting van het statuscompetitie-evenwicht, die ingaat tegen de beweging op grond van directe waarneming. En het is die bias die mede verklaart waarom we altijd zo geïnteresseerd zijn in objectievere opiniepeilingen.

Dan hebben we het alleen nog over die directe of indirecte waarneembaarheid van het gedrag van anderen. Die dus informatie oplevert waardoor mensen zich laten beïnvloeden in de "keuze" voor hun eigen gedrag.

Een ander soort indirecte informatie waar mensen zich door kunnen laten leiden heeft te maken met de mate waarin ze in hun dagelijks leven bedreigingen ervaren voor hun bestaanszekerheid.

We weten al dat een gevoel van veiligheid gemakkelijk aanzet tot pro-sociaal gedrag en dus tot gemeenschapsgedrag. Dat gevoel van veiligheid heeft ook te maken met het land waarin je woont, met name met de mate waarin dat land een verzorgingsstaat is, met een wetgeving die erop gericht is om bestaanszekerheid te garanderen.

Want de formeel georganiseerde zorg en bevordering van bestaanszekerheid blijkt immers niet de informele, onderlinge hulpverlening te verdringen, maar juist aan te wakkeren. Zie Geen verdringing - Juist meer informele langdurige zorg in landen met uitgebreidere overheidsvoorzieningen voor langdurige zorg en Participatiesamenleving en verzorgingsstaat: niet of-of, maar en-en? Meer aanwijzingen voor en-en.

En de toename van bestaansonzekerheid als gevolg van de neoliberale  afbraak van de Nederlandse verzorgingsstaat in de afgelopen decennia is gemakkelijk in verband te brengen met de toename van maatschappelijke tegenstellingen.

Als je landen vergelijkt, dan kun je pogingen om een verzorgingsstaat te vestigen of te handhaven zien als bewegingen naar het gemeenschapsevenwicht. In termen van Why Nations Fail. The Origins of Power, Prosperity and Poverty van Daron Acemoglu en James A. Robinson gaat het dan over landen met inclusieve instituties.

En tegengesteld daaraan, zijn landen met extractieve instituties de landen waarin de statuscompetitie allesoverheersend is en een stabiele statushiërarchie tot stand heeft gebracht. Waarin een rijke elite erin geslaagd is om zich de rijkdommen van het land toe te eigenen en om de rest van de bevolking voor zich te laten werken.

In grote lijnen is dus een functionerende democratie een geval van een gemeenschapsevenwicht en een failed state een geval van een statuscompetitie-evenwicht.

dinsdag 7 augustus 2018

Over sociale zeepbellen en dat je die soms aan kleine dingen kunt herkennen - Zoals aan een passage uit Zomergasten

De aanleiding tot dit bericht is een passage uit Zomergasten van afgelopen zondag. Maar dat blijkt pas aan het eind. Even doorlezen dus.
Het publieke domein is een zo recent verschijnsel in de mensheidsgeschiedenis dat je er niet op kunt vertrouwen dat wij er goed op zijn ingesteld om het te doorgronden en er goed geïnformeerde keuzes in te maken.

Verreweg het grootste deel van het mensheidsbestaan, ruwweg 98 procent, brachten mensen hun leven door in een groep waarin op basis van persoonlijke relaties gedeeld werd en werd samengewerkt. Iedereen werd als onderdeel van de dagelijkse gang van zaken ruimschoots geïnformeerd over wat er in de groep (en in de fysieke omgeving) aan de hand was.

Vergeleken daarmee is het bestaan van het hedendaagse, publieke domein er de oorzaak van dat we altijd een fundamenteel informatietekort hebben. In het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen? omschreef ik dat als volgt:
We leven in een maatschappij met een omvangrijk publiek domein. Dat is het sociale domein dat bestaat uit alle mensen, relaties, omstandigheden en gebeurtenissen waar we geen directe, op persoonlijke ervaringen berustende kennis van hebben. In vergelijking met het persoonlijke domein, dat van de familie en vrienden waarmee we een persoonlijke geschiedenis delen, is onze relatie met het publieke domein er een van een fundamenteel informatietekort. Vrijwel alles wat we weten of menen te weten, hebben we van horen zeggen. Sommigen van ons doen hun best om dat informatietekort te verminderen. Ze lezen kranten, ze raadplegen boeken en internet en ze volgen het (sociaalwetenschappelijk) onderzoek. Maar verreweg de meesten maken zich afhankelijk van wat ze zoal horen en onder ogen krijgen bij hun dagelijkse bezigheden die op andere zaken gericht zijn.
Omdat dat publieke domein ons op allerlei manieren wel raakt en omdat ons welzijn sterk afhankelijk is van wat er zich daar afspeelt, voelen we wel de noodzaak om ons er oordelen over te vormen. Al was maar omdat de politiek er onderdeel van is en we dus van tijd tot tijd onze stem kunnen uitbrengen.

Dat informatietekort zorgt er dan voor dat er gemakkelijk sociale zeepbellen ontstaan. In het bericht
Sociale zeepbellen in economie en politiek kom je daarover deze alinea tegen:
Sociale zeepbellen ontstaan als mensen slecht geïnformeerd zijn over zaken waar ze over moeten beslissen en zich dan vooral laten leiden door wat anderen doen. Het begin van een zeepbel kan heel nietig en onbeduidend zijn. Van al die slecht geïnformeerden zijn er sommigen die een bepaalde overtuiging hebben en daar, onterecht, zo zeker van zijn, dat ze die uitdragen. Anderen raken daarvan onder de indruk en nemen die overtuiging over, waardoor nog weer anderen er ook mee in aanraking komen. Dat versterkt de eersten in hun overtuiging waardoor ze die nog meer uitdragen. Het zo in stand gezette groeiproces dijt snel uit en zo ontstaat een zeepbel, een wijdverbreide overtuiging die weinig met de werkelijkheid te maken hoeft te hebben.
Het bestaan van sociale zeepbellen is dus inherent aan het soort maatschappij waarin wij leven, want dan informatietekort zal er altijd zijn. Media zouden op de wereld moeten zijn om dat tekort zo klein mogelijk te houden, maar dat is helaas niet altijd het geval. Wat misschien ook weer een gevolg is van een sociale zeepbel, de gedachte namelijk dat je de media wel aan de markt, en dus aan het Grote Geld, kunt overlaten.

Hoewel sociale zeepbellen dus veel voorkomen, worden ze niet altijd opgemerkt. Dat kan eraan liggen dat sommigen zich in een van de bestaande zeepbellen bevinden en van andere geen weet hebben. En misschien merk je ze eerder op als je ouder bent geworden, want dat maakt de kans groter dat je al enkele aan je voorbij hebt zien gaan.

Nu is het natuurlijk niet zo dat alle zeepbellen gelijkwaardig zijn. Sommige hebben meer contact met de werkelijkheid dan andere. Zo meen ik dat de zeepbel die in de politiek van na de Tweede Wereldoorlog heerste en inhield dat je als overheid moet streven naar bestaanszekerheid voor je burgers en dat je de ongelijkheid binnen de perken moet houden, meer contact had met de werkelijkheid dan de neo-liberale zeepbel die na de jaren 70 opkwam en waar we nu nog steeds onder lijden. De ene zeepbel kan een achteruitgang zijn vergeleken met een andere. Denk aan het bericht Zullen we weer terug kunnen keren op het pad van de vooruitgang?

Dit alles bedacht ik me toen ik ik terugdacht aan een passage in het programma Zomergasten waarin Louis van Gaal gast was. Het was maar een stukje van misschien een halve minuut, dat me aan het denken zette. Van Gaal vertelde over het tragische overlijden van zijn eerste vrouw, bij wie alvleesklierkanker werd vastgesteld. De artsen, zo vertelde hij, als ik me goed herinner tot twee keer toe, deden, "omdat ik Louis van Gaal ben", extra hun best. Meer dus dan ze bij iemand anders gedaan hadden.

En dat bleef dus bij mij hangen. Want ik verwachtte eigenlijk van hemzelf of van gastvrouw Janine Abbring iets te horen in de trant van: eigenlijk hoort dat natuurlijk niet. Want laten we wel wezen, je mag nog zo beroemd zijn of nog zoveel geld hebben, maar het hoort niet dat artsen zich daardoor meer voor jou inspannen dan voor iemand anders. 

Maar dat hoorde ik dus niet. 

En ik dacht bij mezelf: ook aan kleine dingen, die in een gesprek voorbijkomen en waarop niet wordt gereageerd, kun je een sociale zeepbel herkennen. In dit geval dus de zeepbel dat ongelijkheid in het publieke domein helemaal niet zo verkeerd is en dat ongelijke behandeling er nu eenmaal bij hoort. (Dat Van Gaal die extra inspanningen voor zijn vrouw accepteerde, valt natuurlijk goed te begrijpen.)

Ik kan dat natuurlijk niet hard maken, maar ik stel me voor dat zo'n passage in een televisieprogramma van veertig of vijftig jaar geleden anders was verlopen. Iemand had het belangrijk gevonden om toch even te wijzen op het ongepaste van ongelijke behandeling.

woensdag 6 december 2017

Over het sociale leven van anderen zijn we eenzijdig geïnformeerd. Daarom denken we dat anderen een rijker sociaal leven hebben

Mensen zijn geneigd te denken dat zij een minder rijk sociaal leven hebben dan anderen. De onderzoekers van de studie Home alone: Why people believe others’ social lives are richer than their own geven daarvoor een reeks van aanwijzingen. Zie ook het bericht van gisteren op dit blog.

In verschillende groepen respondenten en bij verschillende manieren van vragen duikt hetzelfde resultaat op: mensen denken dat anderen (let wel: anderen die zij kennen) een rijker sociaal leven hebben dan zijzelf. Anderen hebben meer vrienden, hebben een groter sociaal netwerk, gaan vaker uit, enzovoort.

Stel dat het inderdaad zo is dat we allemaal denken dat anderen een rijker sociaal leven hebben dan wijzelf, waar zou dat aan kunnen liggen? In ieder geval een deel van de verklaring lijkt te zijn dat, als we aan "anderen" denken, degenen die sociaal bijzonder actief zijn ook degenen zijn die het eerst bij ons boven komen.

Het onderzoek geeft daar inderdaad aanwijzingen voor. Als we bij ons eigen sociale leven stilstaan, vergelijken we ons vooral met anderen met een bijzonder rijk sociaal leven. Waarbij wijzelf negatief afsteken.

Maakt het wat uit? Ja, want het beïnvloedt onze tevredenheid met het leven. Hoe meer we vinden dat we negatief afsteken bij anderen, hoe ontevredener we zijn over ons eigen leven.

En dat komt er mee overeen dat degenen die zichzelf meer negatief vinden afsteken bij anderen, ook degenen zijn die graag een rijker sociaal leven zouden willen hebben. Er is dus ook een echt gemis dat kan verklaren waarom je ontevredener bent.

Dat we ons vooral vergelijken met anderen die, althans naar onze waarneming, een rijk en actief sociaal leven hebben, is eigenlijk niet verrassend. Want we zijn natuurlijk niet volledig geïnformeerd over het sociale leven dat anderen leiden. En de informatie die we hebben, ontlenen we aan directe ontmoetingen en aan de sociale media. De berichten die mensen op Facebook zetten, gaan vaak over bezoekjes, uitstapjes en feestjes. Als anderen in hun eentje thuis zitten, dan krijgen wij dat dus meestal niet te weten.

Terwijl we heel goed van onszelf weten wanneer we thuis alleen op de bank zitten.

Dat lijkt een kenmerk te zijn van onze huidige manier van leven. Doordat onze sociale netwerken gefragmenteerd zijn, zijn we altijd eenzijdig geïnformeerd over het sociale leven van anderen. Eenzijdig, in de zin dat vooral de sociale kant daarvan tot ons komt.

En alleen van onszelf kennen we, vaak maar al te goed, ook de eenzame kant.

dinsdag 5 december 2017

De meeste mensen denken dat hun eigen sociale leven minder rijk is dan dat van anderen

Stel dat je de vraag gesteld krijgt hoe rijk jij denkt dat jouw sociale leven is in vergelijking met anderen die jij kent. En stel dat je die die vraag op 6 manieren krijgt voorgelegd:

  • Wie gaat naar meer feestjes, jij of anderen?
  • Wie heeft meer vrienden, jij of anderen?
  • Wie ziet zijn familie vaker, jij of anderen?
  • Wie heeft meer sociale kringen, jij of anderen?
  • Wie heeft een groter sociaal netwerk, jij of anderen?
  • Wie gaat vaker met anderen uit eten, jij of anderen?
Hoe zou je antwoorden als je dat op een zogenaamde vijfpuntsschaal van - 2 naar + 2 zou mogen doen? Als je 0 aankruist, betekent dat dat jij denkt dat er geen verschil is tussen jouw sociale leven en dat van anderen. - 2 en - 1 betekenen dat jouw sociale leven (veel) minder rijk is en + 1 en + 2 dat jouw sociale leven juist (veel) rijker is. Zouden jouw antwoorden meer naar links neigen of juist meer naar rechts? Is jouw sociale leven rijker, gelijk aan of juist minder rijk dan dat van anderen?

Onderzoekers legden die zes vragen voor aan ruim driehonderd bezoekers van Amazon Mechanical Turk. Je ziet hieronder de antwoordverdelingen als staafdiagrammetjes afgebeeld.


Je ziet een duidelijk patroon: de antwoorden neigen sterk naar links. Dat betekent dat de meeste mensen denken dat hun eigen sociale leven minder rijk is dan dat van anderen.

Hoe zou dat komen? Vanwaar die negatieve bias?

In het onderzoek Home alone: Why people believe others’ social lives are richer than their own, waar deze resultaten uit afkomstig zijn, vind je meer aanwijzingen voor die negatieve bias.

En de onderzoekers proberen een antwoord te geven op de vraag hoe het komt dat wij denken dat anderen het sociaal gezien beter voor elkaar hebben dan wijzelf. Daarover een volgende keer.

donderdag 25 mei 2017

Waar komt de gevaarlijke obsessie met het concurrentievermogen van landen toch vandaan?

De menselijke sociale natuur is ambivalent. We zijn erop voorbereid om met anderen samen te werken, maar evenzeer op de mogelijkheid dat we met anderen moeten concurreren.

Die ambivalentie maakt dat er zich situaties kunnen voordoen waarin we moeten beslissen wat de beste gedragslijn is: samenwerking of competitie. Het spreekt vanzelf dat je met vrienden samenwerkt en met tegenstanders concurreert. Maar het kan ook gebeuren dat we eerst goed zouden moeten nadenken en ons goed zouden moeten informeren voor we een keuze maken.

Anders gezegd: er doen zich omstandigheden voor waarin we een informatieprobleem hebben. Waarin we graag hulp zouden krijgen, aanwijzingen voor hoe ons te gedragen en voor wat we van anderen hebben te verwachten. Dat verklaart het verschijnen van een soort self-help boekje als Friend & Foe. When To Cooperate, When To Compete, And How To Succeed At Both van Adam Galinsky en Maurice Schweitzer.

Maar zulke informatieproblemen spelen daarnaast ook in de sfeer van maatschappij-inrichting en economische politiek. We leven in een marktmaatschappij en dat houdt in dat we proberen zo goed mogelijk te profiteren van een economisch stelsel, het kapitalisme, waarin het domein van de markt bedoeld is om de concurrentie tussen ondernemingen, zelfstandigen en werknemers zijn werk te laten doen. Dat suggereert echter meer duidelijkheid dan in feite geboden kan worden, want in de reële markt draait niet alles om concurrentie, maar integendeel juist ook om samenwerking en onderling vertrouwen. 

Dit alles als inleiding op de vraag in de titel van dit bericht: hoe zit het met de economische relaties tussen landen? Hoe kunnen we in de economische politiek het beste onze relatie met andere landen zien? Moeten we er van uitgaan dat landen net als ondernemingen met elkaar concurreren?

Dat is een opvatting die je vaak tegenkomt, juist ook bij politici. Die hoor je vaak over het grote belang van het "concurrentievermogen" van het land. Dat vermogen (competitiveness) wordt dan gezien als het succes in de internationale handel. Als je betere en/of goedkopere producten aan te bieden hebt dan andere landen, dan kun je een handelsoverschot creëren. Je exporteert meer dan je importeert. Je blinkt uit in concurrentievermogen.

De vraag is echter of politici wel gelijk hebben met zo te schermen met het belang van dat concurrentievermogen.

Paul Krugman waarschuwde  al in 1994 voor de heersende obsessie met het concurrentievermogen (Competitiveness:A Dangerous Obsession). Het is bepaald niet zo dat het hebben van een handelsoverschot altijd gezien kan worden als een teken van economische sterkte. En het vooropgezette streven naar een positieve handelsbalans leidt gemakkelijk tot slechte economische politiek. Niet alleen protectionisme en handelsoorlogen kunnen het gevolg zijn, maar ook slecht binnenlands economisch beleid, gericht op lage lonen, slechte arbeidsomstandigheden en lage milieu-eisen.

Sindsdien zijn er pogingen geweest om het begrip concurrentievermogen te herdefiniëren in een richting die het als doel van economisch beleid zinvoller maakt. Maar tegelijk maakt dat de term minder toepasselijk, omdat landen dan juist niet meer met elkaar concurreren, maar juist van elkaars beleid profiteren door positieve spillovers. Zie Competitiveness: From a Dangerous Obsession to a Welfare Creating Ability with Positive Externalities. Economisch verstandig beleid blijkt dan dus juist niet gebaseerd te zijn op het idee van concurrentie tussen landen.

Maar in de politieke praktijk is dat inzicht bij lange na nog niet gemeengoed. Te denken valt dan natuurlijk meteen aan wat we nog steeds in de eurozone zien gebeuren. Daar heerst nog volop de gevaarlijke obsessie met het concurrentievermogen. Met Duitsland voorop als prediker van de weldaden van het streven naar concurrentie tussen landen. Door middel van terugdringen van de overheidsuitgaven (de bezuinigingszeepbel) en van lage lonen en slechtere arbeidsvoorwaarden.

Zie over de gevaren daarvan nu Martin Hellwig in de FAZ: Leistungsbilanzüberschüsse. Bitte nicht großdeutsch. Ik citeer deze cynische alinea:
Natürlich sind wir Deutsche stolz darauf, Exportweltmeister zu sein. Das ist fast so gut wie Fußball-Weltmeister – und lässt sich mit größerer Regelmäßigkeit erreichen. Man muss aber auch fragen, ob es wirklich im Interesse des Landes liegt, einen großen Teil der deutschen Ersparnisse im Ausland anzulegen – in Verbriefungen minderwertiger Hypotheken in den Vereinigten Staaten, in Krediten an irische oder spanische Banken, die ihrerseits Immobilienblasen finanzieren, in Kredite an Staaten, die dann ihre Schulden nicht bedienen können.
En zie ook de kritiek van Oostenrijkse econoom Georg Feigl (Was bringt die einseitige Exportorientierung?), met als conclusie:
Anstelle der einseitigen Exportorientierung ist eine aktivere Steuerung der Gesamtnachfrage gefragt – insbesondere mittels expansiver Budget- (zB goldene Investitionsregel) und Lohnpolitik (zB EGB-Kampagne „Europe needs a payrise“). Diese Nachfrageförderung sollte eingebettet werden in ein breiteres Konzept der – in den europäischen Verträgen als übergeordnetes wirtschaftspolitisches Ziel verankerte – Wohlstandsorientierung. Die Krise hat gezeigt, dass sozial- und wirtschaftspolitische Konvergenz und eine stabile wohlstandsorientierte Entwicklung keine Selbstverständlichkeiten sind, sondern eine aktive sozial- und wirtschaftspolitische Koordinierung bzw. eine Europäische Sozialunion erfordern.
Merkwaardig dat die obsessie met concurrentie tussen landen in de politiek zo opvallend blijft voortbestaan. Tegen de heersende economische inzichten in.

maandag 9 maart 2015

Hoe bestrijd je een cultuur van belastingontduiking, bijvoorbeeld in Griekenland?

Het Griekse ministerie van Financiën, onder de leiding van de nieuwe minister, de econoom Yanis Varoufakis, is doende met het uitwerken van een plan om belastingontduiking tegen te gaan. Zoals bekend, is belastingontduiking in Griekenland een soort volkssport. Naar ik begrijp wordt bijvoorbeeld de BTW massaal ontdoken. Dat schijnt te gebeuren door levering van goederen en diensten buiten de administratie te houden en dus geen bonnetjes uit te draaien. Er gaan als regel geen bonnetjes over de toonbank. Omdat vrijwel iedereen het doet, kun je wel spreken van een cultuur van belastingontduiking.

Het ministerie heeft nu een plan ontwikkeld om die cultuur te bestrijden. Het staat omschreven in de bijlage bij de brief die Varoufakis vorige week stuurde (pdf) aan Jeroen Dijsselbloem, de voorzitter van de Eurogroep van ministers van Financiën. Er is her en der wat laatdunkend over gedaan. Maar sociaalwetenschappelijk bekeken is enige waardering gepast. Dat probeer ik uit te leggen.

Dat belastingontduiking een cultuur is geworden houdt in dat de personen die zich er aan bezondigen naar persoonlijke geaardheid geen slechtere mensen zijn dan anderen die niet aan die cultuur deelnemen. Als je ze zou overhevelen naar andere omstandigheden, dan zouden ze zich anders gedragen. Denk even weer aan die bankiers die in hun functie als bankier geneigd zijn tot het plegen van fraude, maar alleen doordat er nu eenmaal in de bankensector een cultuur van fraude heerst. Als je ze anders aanspreekt dan als bankier, dan is hun fraudegeneigdheid niet groter dan die van anderen. Zie Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog.

Hoe bestrijd je dan zo'n cultuur? Niet door de mensen te willen veranderen, want daar ligt het probleem niet. Nee, de kern van een cultuurprobleem is een sociaal informatieprobleem, dat in de sociale wetenschappen bekend staat als pluralistic ignorance. Dat slaat op het verschijnsel dat iedereen een bepaald voor zichzelf profijtelijk gedrag eigenlijk afkeurt, maar dat men dat niet van elkaar weet.

Je denkt dus dat anderen belastingontduiking niet zo'n probleem vinden en er zich dus ook zonder morele scrupules aan overgeven. Dat gedrag zie je ook om je heen. Je zou wel bereid zijn om je belastingen te betalen, maar je wilt ook weer niet de enige zijn die dat doet. Je wilt wel moreel handelen, maar niet als sukkel worden gezien. Het "Ik ben wel goed, maar niet gek", dat kennen we allemaal.

Een oplossing van dat informatieprobleem kan er uit bestaan dat je voor elkaar krijgt dat een leverancier niet meer voetstoots kan aannemen dat zijn klant het normaal vindt dat de transactie zonder bonnetje verloopt. En dat kun je bereiken door mystery shoppers in te huren en aan het werk te zetten. Verklikkers dus, die er bij de opsporingsinstanties melding van maken wanneer ze een leverancier treffen die geen bonnetje levert. Eventueel rust je hen uit met cameraatjes om een en ander als bewijsmateriaal vast te leggen.

Nu zijn we geneigd om verklikken ook weer niet prettig te vinden, maar in dit geval misschien toch minder afkeurenswaardig dan belastingontduiking. Bovendien hoeft dat verklikken eigenlijk maar weinig te gebeuren. Als je maar luid en duidelijk in de media aankondigt dat zulke mystery shoppers op pad zullen gaan. Want dat kan al voldoende zijn om de verwachtingen te doorbreken. Niemand kan er meer voetstoots van uitgaan dat niemand een bonnetje verwacht.

En je geeft iedere leverancier een motief in handen voor goed gedrag zonder zichzelf meteen als sukkel te hoeven zien. Het motief namelijk dat je niet gepakt wilt worden.

Als je dat vergezeld zou laten gaan van een mediacampagne die beklemtoont dat het rechtvaardig is als iedereen zijn belasting betaalt, dan zou je een culturele verandering voor elkaar kunnen krijgen. Want dat iedereen dat eigenlijk ook rechtvaardig vindt, daar mag je wel van uitgaan. Je hebt kortom een sociaal informatieprobleem opgelost.

En laat dat nu precies zijn wat het Griekse ministerie van Financiën van plan is om te gaan doen.

woensdag 30 oktober 2013

Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen?

We leven in een maatschappij met een omvangrijk publiek domein. Dat is het sociale domein dat bestaat uit alle mensen, relaties, omstandigheden en gebeurtenissen waar we geen directe, op persoonlijke ervaringen berustende kennis van hebben. In vergelijking met het persoonlijke domein, dat van de familie en vrienden waarmee we een persoonlijke geschiedenis delen, is onze relatie met het publieke domein er een van een fundamenteel informatietekort. Vrijwel alles wat we weten of menen te weten, hebben we van horen zeggen. Sommigen van ons doen hun best om dat informatietekort te verminderen. Ze lezen kranten, ze raadplegen boeken en internet en ze volgen het (sociaalwetenschappelijk) onderzoek. Maar verreweg de meesten maken zich afhankelijk van wat ze zoal horen en onder ogen krijgen bij hun dagelijkse bezigheden die op andere zaken gericht zijn.

Nou en? Zou je kunnen denken. Maar zo gemakkelijk kom je er niet van af. Want onze lotgevallen zijn met wat er in dat publieke domein gebeurt wel innig verbonden. Wat al die anderen die we niet persoonlijk kennen, doen en nalaten, in economie, openbaar bestuur en politiek, daar van ondervinden we wel de gevolgen. Denk maar aan werkloos worden als gevolg van een economische recessie die door een ten onrechte gedereguleerde bankensector is veroorzaakt. En denk er aan wat het dan voor verschil maakt of je in een land leeft met een behoorlijke sociale zekerheid of niet.

Afhankelijk zijn van het onbekende maakt onzeker. Dat heeft emotionele gevolgen (stress), maar ook cognitieve. Want we kunnen die onaangename onzekerheid verminderen door op vuistregels te vertrouwen. Niet door de feiten gestaafde inzichten, die echter wel plausibel lijken en die in ieder geval niet overduidelijk door die feiten weerlegd worden. Zo'n vuistregel is bijvoorbeeld dat je de meeste mensen (die je niet persoonlijk kent) wel kunt vertrouwen. Of dat je ze juist niet kunt vertrouwen. Of neem de nog concretere vuistregel dat je altijd maar beter je fiets op slot kunt zetten.

Vooroordelen zijn ook vuistregels. Als we andere mensen niet kennen, hebben we snel de neiging om ze in groepen in te delen en ze binnen die groepen over een kam te scheren. Zie het vorige bericht. Die vooroordelen zijn vaak negatief. Dat zal er mee te maken hebben dat evolutionair gezien overdreven angst en behoedzaamheid succesvoller zijn dan te grote naïviteit en lichtzinnigheid.

Maar evenzeer zijn er vuistregels in de vorm van sociale zeepbellen en ideologieën. Zoals de sociale zeepbel dat het een goed idee is om als overheid te bezuinigen in een balansrecessie. En de (neoliberale) ideologie dat overheidsingrijpen in het marktmechanisme als regel meer kwaad dan goed doet. In een volgend bericht meer aandacht voor deze vuistregels aan de hand van enkele actualiteiten.

Dat allemaal in het kader van de vraag of we het publieke domein wel ooit onder de knie zullen krijgen. De vuistregel is misschien: nee, dat zullen we niet.

dinsdag 18 juni 2013

Moet er een bijzondere wettelijke zorgplicht voor banken komen? Over wetgeving als informatie over het goede gedrag

Het kabinet wil een bijzondere zorgplicht voor banken invoeren. Nadat de Raad van State negatief over het wetsvoorstel heeft geadviseerd, houdt de Tweede Kamer deze week een hoorzitting. Zie de link onderaan. Is het een goed idee om voor banken een bijzondere wettelijke zorgplicht in te voeren?

Een wettelijk geregelde zorgplicht is een mogelijke oplossing voor een probleem van informatie-asymmetrie. Banken zijn over de complexe financiële producten die ze aanbieden uiteraard beter geïnformeerd dan hun klanten, die maar zelden in hun leven zulke transacties aangaan. Dit kan banken in de verleiding brengen om hun winsten te vergroten ten koste van de belangen van hun klanten.

En sinds de woekerpolissen weten we dat ze niet altijd tegen die verleiding zijn opgewassen. Je kunt in zulke gevallen in een wet regelen dat banken verplicht zijn tot een zorgvuldige behandeling van hun klanten. Een zorgplicht dus, die inhoudt dat de financiële dienstverlener op zorgvuldige wijze de gerechtvaardigde belangen van de consument in acht dient te nemen. Zo formuleert de Raad van State het in de samenvatting van zijn advies Wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2014. Waarom is de Raad van State daar tegen?

In diezelfde samenvatting staan twee argumenten. Het eerste argument is dat de wet niet nodig is omdat er in het civiele recht al een bijzondere zorgplicht voor financiële dienstverleners bestaat. En omdat de consument dus ook nu al naar de rechter kan gaan om een schadeloosstelling te eisen. Waarom nog een extra zorgplicht?

Als tweede argument noemt de RvS dat door het zeer ruime bereik van de voorgestelde zorgplicht
de financiële dienstverlener er voor verantwoordelijk (lijkt) te worden dat de consument uiteindelijk een goede beslissing neemt. De Afdeling advisering (van de RvS) is er niet van overtuigd dat een dergelijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de financiële dienstverlener en de consument recht doet aan de eigen verantwoordelijkheid van de consument. Met een zodanig vergaande zorgplicht valt zelfs niet uit te sluiten dat de consument minder eigen verantwoordelijkheid zal nemen, omdat zijn belang in belangrijke mate door de financiële dienstverlener moet worden behartigd.
Tja, onderkent de Raad van State eigenlijk wel dat we hier met een probleem van informatie-asymmetrie te maken hebben? Waarin dus die consument door informatietekort gewoonweg niet of maar heel beperkt in staat is om die eigen verantwoordelijkheid te nemen? En waarin dus de andere partij in de transactie een extra grote verantwoordelijkheid, ja, een zorgplicht, heeft? Als dit argument zou kloppen, dan zou je ook de al bestaande zorgplicht (zie eerste argument) moeten afschaffen. Consumenten moeten zichzelf beter informeren en de wet moet hen geen excuus bieden om dat na te laten. Dit komt eigenlijk neer op het oplossen van problemen van informatie-asymmetrie door te ontkennen dat ze bestaan. Als iedereen zich maar goed informeert.....

Maar daar komt bij dat de redenering van de RvS wel heel strikt juridisch is. Afgaand op die samenvatting heeft de Raad weinig oog voor de functie van wetgeving als morele attendering. Mensen, ook financiële dienstverleners, zijn over het algemeen toegerust met morele intuïties over wat goed gedrag is. En die zijn in het persoonlijke, sociale domein meestal toereikend om het interpersoonlijke verkeer goed te laten verlopen.

Maar in het onpersoonlijke domein van de meeste economische transacties is niet altijd precies duidelijk of die morele intuïties wel voluit van toepassing zijn. Mensen kunnen zelfs,  door, zeg maar, de neo-liberale ideologie van het marktdenken, op het idee gebracht worden dat je goed handelt als je alleen maar je eigen belangen behartigt. Want de onzichtbare hand lost immers alles op? Het kan dan al helpen hen er door wetgeving op te attenderen wat het goede gedrag is. De bedoeling en de functie van de wet is dan inderdaad om mensen te informeren over wat het goede gedrag is ( zie bijvoorbeeld Social Norms and the Law: Why Peoples Obey the Law (pdf) van Amir N. Licht). En dan gaat het dus nog helemaal niet over pakkans, sancties en rechtszaken.

Als je die redenering serieus neemt, en daar valt veel voor te zeggen, dan hangt het nut van een bijzondere wettelijke zorgplicht dus vooral af van de vraag of wat extra attendering nodig lijkt. Dan ben je niet formeel-juridisch aan het redeneren, maar veel meer sociaal-wetenschappelijk. Mensen zijn van goede wil, maar soms hebben ze wel een extra geheugensteuntje nodig. Van een legitieme instantie zoals onze overheid gelukkig nog altijd is.

Dat lijkt mij de ratio te zijn achter het wetsvoorstel voor die extra bijzondere zorgplicht van banken. Want dat extra geheugensteuntje lijkt echt wel nodig. Vreemd dat de Raad van State daar geen oog voor lijkt te hebben. En ook niet beseft dat het nu juist niet besluiten tot zo'n extra geheugensteuntje een wel heel verkeerd signaal kan geven.

artikelen 2013 06 juni 18 Is die zorgplicht voor banken echt nodig - SC Online:

'via Blog this'

donderdag 13 juni 2013

Informatie-asymmetrie en het opgeheven crediteurenvingertje - Jesse Frederik

Als er riskant en onverantwoordelijk uitgeleend en geleend is, ja, dan ligt het toch voor de hand dat beide partijen, de debiteur en de crediteur, daarvoor verantwoordelijkheid dragen. Dat is zo voor de geldstromen die van de Duitse en Nederlandse banken naar Spanje en Griekenland vloeiden en die de Eurocrisis in werking hebben gezet. Je zou zeggen dat het redelijk is dat niet alleen de Spaanse en Griekse overheden en vooral niet alleen de Spaanse en Griekse burgers moeten boeten, maar dat ook die banken hun steentje bijdragen om de problemen op te lossen. Maar nee, vinden de Europese leiders, het is beter de banken te ontzien en om de Spaanse en Griekse burgers offers te vragen. Werkloosheid is natuurlijk wel erg, maar ja, de prijs van arbeid moet nu eenmaal naar beneden.

Het tragische is dat er zich binnen onze landsgrenzen een zelfde proces afspeelt. De banken die er met volle overgave aan hebben meegewerkt om de huizenzeepbel te doen ontstaan, door riskante en exotische hypotheken te verstrekken, slagen er in de huizenbezitters volledig voor de ontstane restschulden te laten opdraaien. De overheid grijpt niet in. Jesse Frederik verbaast zich er over. Zie de link onderaan.

En hij wijst er terecht op dat de banken juist meer verantwoordelijkheid zouden moeten dragen vanwege de op de hypotheekmarkt zo overduidelijk aanwezige informatie-asymmetrie. Informatie is asymmetrisch als de ene partij van een transactie beter op de hoogte is van de kwaliteit van het product dan de andere partij. In dit geval waren de hypotheekverstrekkers veel beter geïnformeerd over de risico's van die exotische hypotheken dan hun klanten. Ze hebben dus heel veel meer omzet gedraaid en winst gemaakt dan ze hadden gedaan als ze hun klanten beter hadden voorgelicht. Of als de overheid hen daartoe eerder had verplicht of als de overheid de hypotheekmarkt strenger had gereguleerd of de hypotheekrente-aftrek nooit had ingevoerd of eerder had beëindigd. Kortom, ligt er nu ook niet een verantwoordelijkheid bij de banken? En dus ook bij de overheid?

Maar nee, deze regering vindt dat alleen de debiteuren, de huizenbezitters met grote restschulden, voor de gevolgen moeten opdraaien. Dat is akelig voor hen. Maar bovendien draagt dat bij aan de verdere stagnatie van de economie. Onbegrijpelijk. Lees vandaag Jesse Frederik.

Het opgeheven crediteurenvingertje - Follow the Money

zaterdag 10 november 2012

Politiek moet meer in dienst staan van belangen van kiezers en minder in dienst van hun voorkeuren - Chris Dillow

Er wordt vaak geklaagd over de kloof tussen politici en burgers. Maar als daarmee wordt bedoeld dat politici (nog) meer gewoon moeten doen wat de kiezers willen, wat hun voorkeuren zijn, dan krijgen we (nog) meer een X-Factor politiek.

Daarom pleit Chris Dillow (van het blog Stumbling and Mumbling) er voor dat politici zich juist meer richten op de belangen van de kiezers. Daarmee er op wijzend dat wat kiezers willen in strijd kan zijn met hun eigen belangen. Zie de link onderaan dit bericht. En om dat goed te kunnen doen, moeten politici juist veel meer dan ze nu doen te rade gaan bij inhoudelijke deskundigheid en empirische evidentie. Het probleem dat ze dat te weinig doen is misschien een ernstiger probleem dan dat ze te weinig naar de kiezers luisteren. Politici moeten het de kiezers vertellen als ze denken dat die het met wat ze willen, bij het verkeerde eind hebben. Chris geeft dit citaat van Edmund Burke (het dateert van 1774) (mijn vertaling):
Uw vertegenwoordiger is aan u niet alleen zijn ijver verplicht, maar ook zijn oordeel; en hij verraadt  u in plaats van dat hij u dient, als hij dat oordeel opoffert aan uw mening...
Mooi citaat! Chris eindigt met (zonder links; weer mijn vertaling):
.. ik ben bang dat degenen die willen dat politici dichter bij de kiezers staan eigenlijk willen dat politici zich meer ondergeschikt maken aan wat de kiezers willen. Dit brengt het gevaar met zich mee van het vervallen in X Factor politiek - een slecht-geïnformeerde keuze tussen een beperkt veld van incompetente kandidaten, waarvan de winnaar snel vervaagt in teleurstellende middelmatigheid.
Moet de politiek in een wereld waarin keizers (rationeel?) onwetend zijn over het beleid, werkelijk alleen maar een andere vorm zijn van marketing en consumentenkeuze?
Een noodzakelijke voorwaarde voor een oriëntatie van politici op de belangen van de kiezers is dat ze het belangrijk vinden om zich heel goed te informeren. Dus belangstelling aan de dag leggen voor wat deskundigen op basis van analyses van de evidentie te vertellen hebben. Gewoon goed geïnformeerd willen zijn.  Zonder uiteraard een garantie dat ze dan altijd de juiste beslissingen nemen. En uiteraard is altijd het laatste woord aan de kiezers. Maar dan ook goed geïnformeerd door die politici die eerst de moeite hebben genomen om zichzelf goed te informeren.

Dit alles doelt uiteraard ook op de ongeïnformeerdheid van de Europese leiders waardoor de economische crisis vele malen meer schade en lijden aanricht dan nodig was geweest.

Stumbling and Mumbling: Interests or preferences?:

'via Blog this'

woensdag 26 september 2012

Verloren decennia zijn niet nodig - Merijn Knibbe en Rens van Tilburg

Allerlei zogenaamde deskundigen, die vooral heel serieus willen overkomen, drukken ons op het hart dat een periode van economische krimp, hoge werkloosheid, ingrijpen in de zorg en versobering van pensioenen en de sociale zekerheid, onvermijdelijk zijn om de economie er weer bovenop te helpen. We moeten volgens hen eerst heel veel pijn lijden voor het weer beter gaat. En dat sluit helaas aan op morele intuïties van mensen, die echter, hoewel ze toepasselijk zijn in het private domein van een huishouden, dat niet zijn in het publieke domein van een hele economie. De zogenaamde deskundigen zij dus niet goed geïnformeerd. En dragen er ook niet aan bij dat burgers beter geïnformeerd zijn.

Al met al is dit een treurniswekkende toestand. Die met zich meebrengt dat het kan gebeuren dat bloggers en columnisten beter geïnformeerd zijn dan een minister van Financiën. Zie vandaag het blogbericht van Merijn Knibbe, waarin hij laat zien dat verloren decennia niet nodig zijn (link onderaan dit bericht).

En lees vandaag de column "Begrotingspopulisme" van Rens van Tilburg in de Volkskrant. Jan Kees de Jager, onze demissionaire minister van Financiën, verkeert in de waan dat het IMF nog steeds, net als in de jaren tachtig en negentig, groot voorstander is van bezuinigen en groot tegenstander van schuldkwijtschelding. En dat hij dus het IMF kan blijven napraten, zoals hij altijd gedaan heeft. Maar bij het IMF staat het denken niet stil. IMF-studies adviseren nu om versoberingen van de overheidsfinanciën van probleemlanden zo lang mogelijk uit te stellen. En bepleitten kwijtschelding van schulden. Dat uitstel is geheel in lijn met wat ons Centraal Planbureau aanbeveelt in de Macro Economische Verkenning. Zie ook eerdere berichten op dit blog, zoals hier, hier, hier en hier.

Wat helpt nog? Moeten leiders als Jan Kees de Jager de tekst "Ik moet mij beter informeren!" op de muur tegenover hun bureau geprojecteerd krijgen? En wat te denken over de geïnformeerdheid van de onderhandelaars van de VVD en de PvdA?

Crisis, arbeid en de jaren dertig: waarom ‘verloren decennia’ niet nodig zijn

dinsdag 18 september 2012

Het anti-overheidssentiment - Romney in de V.S. en de VVD in Nederland

Er is een video opgedoken van een speech die de Republikeinse presidents-kandidaat Mitt Romney houdt voor een gezelschap van rijke donateurs. Zie de link onderaan dit bericht. Hij verwoordt daar het anti-overheidssentiment dat in zijn partij hoogtij viert. Dat sentiment houdt bovenal in dat overheidsvoorzieningen mensen afhankelijk en onzelfstandig maakt. Een (vertaald) citaat:
Er zijn 47 procent van de mensen die hoe dan ook voor de president (Obama) zullen stemmen. Oké, er zijn 47 procent die hem steunen, die afhankelijk zijn van de overheid, die geloven dat ze slachtoffer zijn, die geloven dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft om voor hen te zorgen, die geloven dat ze recht hebben op gezondheidszorg, op voedsel, op huisvesting, noem maar op. Dat dat is een wettelijk recht. En de overheid moet hen dat geven. En ze zullen hoe dan ook op deze president stemmen... Dit zijn mensen die geen inkomstenbelasting betalen.
Het lijkt hetzelfde sentiment te zijn als de boosheid van mensen in een morele gemeenschap van zelf-organisatie en in het experiment van Fehr en Gächter (zie dit bericht) over profiteursgedrag. Die boosheid op wel meeprofiteren, maar niet zelf bijdragen, maakt dat mensen die wel hun bijdrage leveren, bereid zijn om de profiteurs te sanctioneren. In die morele gemeenschap van mensen die elkaar persoonlijk kennen, is  sanctionering echter altijd subtiel en terughoudend en wordt er pas als dat echt nodig is explicieter gereageerd. En iedereen is, net zoals in die experimenten, voluit geïnformeerd over elkaars gedrag.

Het verschil met dat anti-overheidssentiment is dat dat dat laatste zich afspeelt in het publieke domein, waarin we oordelen over het gedrag van mensen die we niet kennen en over wier gedrag we maar zeer onvolledig zijn geïnformeerd. Dat kan verleiden tot ongenuanceerde beweringen, zoals die van Romney, dat bijna de helft van de Amerikaanse kiezers profiteurs zijn. Daar zijn voor de hand liggende, feitelijke argumenten tegen in te brengen. Zie voor zulke reacties Barkley Rosser, Paul KrugmanDavid BrooksGlenn Kessler en Ezra Klein. Update: en Mark Thoma. En Jeffrey Frankel. En Jonathan Cohn. En Bruce Bartlett. En Jack Goldstone. En Joseph Stiglitz. En Jared Bernstein. En nog eens Paul Krugman.

Maar niet iedereen informeert zich. En dus kun je ook dat sentiment bespelen om kiezers te trekken. Zoals in ons land de VVD deed met dat schaamteloze verkiezingsaffiche met de tekst "handen uit de mouwen in plaats van hand ophouden".

Het is wel kenmerkend voor dat publieke domein dat zulke anti-overheidssentimenten kunnen bestaan naast een massieve steun voor overheidsvoorzieningen als sociale zekerheid, collectieve gezondheidszorg en inkomensbeleid. Dat kan zelfs leiden tot het Keep Your Government Hands Off My Government Programs - fenomeen.

SECRET VIDEO: Romney Tells Millionaire Donors What He REALLY Thinks of Obama Voters | Mother Jones:

'via Blog this'

woensdag 8 augustus 2012

De psychologie van het marktdenken en de draden van dit blog

De verschillende draden die in dit blog zijn te onderscheiden, zitten natuurlijk ook in mijn hoofd. Soms lijken ze daarin (in mijn hoofd) een poosje parallel aan elkaar te lopen en soms lopen ze door elkaar heen en wordt het een ondoorzichtige kluwen. Maar soms ook komen ze min of meer bij elkaar en ontstaat een, altijd voorlopig, beeld van eenheid. Waardoor, en dat is natuurlijk het mooiste, de inzichten van die verschillende draden niet alleen bij elkaar aansluiten en onderlinge samenhang vertonen, maar ook elkaar aanvullen, versterken of tegenspreken.

Die laatste ervaring bracht me er op dat ik een nieuwe draad zou moeten beginnen onder de titel psychologie van het marktdenken. Met het achterliggende idee dat de markt een nog maar recent verschijnsel is in de mensheidsgeschiedenis en dat onze morele en cognitieve intuïties er maar een beperkt zicht op en een beperkte helderheid in kunnen verschaffen. Dit "informatietekort" leidt er toe dat we in ons denken sterk geneigd zijn om op vuistregels te vertrouwen. En dat tegelijkertijd uiteenlopende vuistregels zich kunnen aandienen.

Een zo'n vuistregel is die van de onzichtbare hand, die er voor zorgt dat mensen die alleen maar hun eigen belang nastreven er toch met zijn allen voor kunnen zorgen dat het resultaat voor ons allen gunstig is. Maar daartegenover staat de vuistregel dat het voor een goede maatschappij nodig is dat mensen zich moreel gedragen en niet alleen maar egoïstisch zijn.

Nu is er over die tegenstelling in de intellectuele ideeëngeschiedenis natuurlijk van alles geschreven. Ik noem alleen maar het zogenaamde Adam Smith-probleem, dat er over gaat dat beide vuistregels in het werk van Smith aanwezig zijn, zonder dat dat probleem van die tegenstelling lijkt te worden opgelost (zie bijvoorbeeld hier). En zie meer in het algemeen het mooie boek The Mind and the Market van Jerry Z. Muller.

Maar onder die titel Psychologie van het marktdenken zou ik meer willen kijken naar wat het sociaal-psychologische onderzoek te vertellen heeft over hoe mensen geneigd zijn de markt te begrijpen (of juist niet te begrijpen) en te beoordelen. Ik denk nu aan een onderzoek dat ergens rondom 1990 werd gepubliceerd (en dat ik dus moet zien terug te vinden), waaruit bleek dat de meeste mensen marktprocessen en marktuitkomsten heel anders beoordelen dan dat we ze volgens de neo-klassieke micro-economie zouden moeten beoordelen. (Denk ondertussen ook aan de gedragseconomie en bijvoorbeeld aan het boek Ons feilbare denken van Daniel Kahneman, dat wel een bestseller genoemd mag worden).

Maar ik denk ook aan recentere studies van Kathleen Vohs en anderen, die er op wijzen hoe ons gedrag beïnvloed wordt door met geld in aanraking te komen, ook al is die "aanraking" heel subtiel. En geld is natuurlijk waar het in de markt om draait. Zie bijvoorbeeld hier.

Dit onderzoek wijst er op dat ons denken over de markt sterk kan fluctueren. In de zin dat verschillende mensen er heel andere gedachten en gevoelens over kunnen hebben. Maar ook in de zin dat het denken en de gevoelens van personen in de tijd aan veranderingen onderhevig zijn. Het lijkt van belang om uit te vinden wat de factoren zijn die die fluctuaties beïnvloeden.

Dit bericht is dus voor mijzelf een herinnering en aanmaning om eens een begin te maken met de draad Psychologie van het marktdenken. En voor de lezers van dit blog een aankondiging.

Andere draden lopen gewoon door. Zoals de draad van sociale omgeving en gezondheid, die van sociale omgeving en pro-sociaal gedrag, die van de mythe van de opvoedbaarheid en die van zelf-organisatie. En tussentijds komen zo nu en dan al deze draden samen. Dat is althans de bedoeling.
Update. De vele berichten over de eurocrisis zijn meer gemotiveerd door actuele urgentie dan dat ze een inhoudelijke draad vormen. Wel is er in ieder geval een verband met de draad van de zelf-organisatie. En uiteraard met de psychologie van het marktdenken.