Posts tonen met het label Steven C. Hayes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Steven C. Hayes. Alle posts tonen

dinsdag 4 november 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 20 - Er was geen vak dat er aan had kunnen bijdragen dat het nooit weer zou gebeuren.

Waar waren we gebleven? De sociologie in de tijd dat ik studeerde leed aan twee mankementen: dat van een curieuze wetenschapsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Aan hoe het vak daarmee omging, zijn drie richtingen te onderscheiden. De eerste was die van de variabelensociologie, dus van zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie. De tweede was die van de macrosociologie en de derde die van het het niet zo serieus nemen van die wetenschapsopvatting en van het eigen domein. We waren nog bezig met die richting van de macrosociologie. Hier het vorige bericht..

Die macrosociologie was er in twee gedaanten, die van het structureel-functionalisme en die van de marxistische sociologie. Voor ik naar die tweede overga eerst nog een enkele opmerking over het structureel-functionalisme.

De kern daarvan was de gedachte van de maatschappij als een sociaal systeem dat altijd naar een nieuw evenwicht tendeert, dat ook altijd het goede evenwicht is. Met de veronderstelling van een onbeperkt flexibele menselijke sociale natuur die geheel ondergeschikt is aan wat het systeem vraagt. Die veronderstelling leefde trouwens breder dan alleen in het vak sociologie. 

Het was de tijd van het Standard Social Science Model (SSSM), de term die de psychologen Leda Cosmides en John Tooby er in 1992 aan gaven. De menselijke sociale natuur zou figureren als een leeg blad (blank slate) dat door de invloed van de sociale omgeving, door de cultuur, dus top down, beschreven wordt (cultureel determinisme). Daartegenover bepleitten ze een psychologie die er juist uitdrukkelijk op gebaseerd is dat de mens een biologisch organisme is, dat dus het resultaat is van een evolutionair proces. Hun conclusie daaruit was dat de menselijke geest bestaat uit een soort blokkendoos van special-purpose modules, die zich in een proces van natuurlijke selectie ontwikkelden als oplossingen voor de uitdagingen waar mensen in het verre verleden aan blootstonden. Een bekend voorbeeld van zo'n module is de vaardigheid om snel bedrog te ontdekken (het cheater-detection mechanism). 

Steven Pinker betoogt in zijn The Language Instinct (1994) dat de invloed van de veronderstellingen van dat SSSM niet beperkt bleef tot de sociologie, maar zich zelfs uitstrekte tot het gehele "moderne intellectuele leven", waar het zelfs de vorm van een ideologie aannam (p.405-6): 

Modern intellectual life is suffused with a relativism that denies that there is such a thing as a universal human nature (...)
The doctrine underlying that relativism, the Standard Social Science Model (SSSM), began to dominate intellectual life in the 1920s. (...)
The SSSM has not only been the foundation of the study of humankind within the academy, but serves as the secular ideology of our age, the position on human nature that any decent person should hold. 

Op die kenschets van het vak psychologie is ook wel weer kritiek gekomen. David S. Wilson laat zien dat de waarheid ergens in het midden ligt tussen de blank slate-psychologie en de blokkendoos-psychologie (Evolutionary Psychology and the Standard Social Science Model: Regaining the Middle Ground). Bovendien wijst hij op interessante ontwikkelingen in de toegepaste psychologie, waar therapeuten zich weinig aantrokken van de academische discussies. En daar duikt de naam op van Steven C. Hayes, die we al tegenkwamen toen het over de menselijke neiging tot psychologische starheid ging, als een inadequate reactie op het ervaren van sociale onveiligheid.

Maar dan hebben we het over de latere ontwikkeling van het vak psychologie. Wat de sociologie betreft, liggen de zaken duidelijk anders. Er was voor Rudi Wielers en mij in 1999 nog meer dan genoeg reden om sociologen op te roepen zich meer open te stellen voor de biologie en mijn indruk is dat je een kwart eeuw later niet kunt zeggen dat die oproep veel heeft uitgehaald. En mijn in 2020 biologisch en neurofysiologisch onderbouwde sociaalwetenschappelijk zicht (Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen) is in het vak een wel heel vreemde eend in de bijt.

Terug naar de tijd dat ik studeerde. Dat het structureel-functionalisme toen zo veel invloed had, betekende dus ook dat het vak sociologie toen sterk neigde naar een toeschouwersrol. Er ontbrak een theoretisch kader waarmee de bestaande toestand van de samenleving kon worden beoordeeld. Waarmee beleidsvoorstellen konden worden gedaan voor verbetering, voor het dichterbij brengen van een toestand die meer tegemoetkomt aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen. Want de maatschappij moest gezien worden als een sociaal systeem en dat zou uit zichzelf altijd wel in het goede evenwicht terechtkomen.

Vandaar dat het vak sociologie niet of nauwelijks een rol speelde, ja, zich terughoudend opstelde, in de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaat. Dat was een duidelijke ontwikkeling in de richting van de sociaal superieure toestand van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon. En een duidelijke reactie op het meegemaakt hebben van de sociaal inferieure toestand van een veroveringsoorlog, de bezetting en de genocide van de Holocaust. 

Er was dus geen wetenschappelijk vak dat in staat was om wat er zich had afgespeeld theoretisch te verwerken en dat de opgedane inzichten kon uitdragen. Dat er aan had kunnen bijdragen dat het nooit weer zou gebeuren.

Dat is om over na te denken nu we wederom te maken hebben met de dreiging van een ontwikkeling naar een sociaal inferieure toestand. Hier het vervolg.

dinsdag 7 juli 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 14

Al met al zijn we in deze fase van de mensheidsgeschiedenis "terechtgekomen in een maatschappij waarin het niet gegarandeerd is dat anderen zich altijd om je bekommeren. Waarin je buiten dat kleine eilandje van het gezin waarin je opgroeit, een plaats moet zien te verwerven. Moet leren om te gaan met de uitdagingen van eenzaamheid en statuscompetitie. Dus met de uitdagingen van sociale onveiligheid." Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Gecombineerd met onze neiging tot psychologische starheid, het steeds maar blijven proberen om de negatieve gedachten en gevoelens die we door die sociale onveiligheid hebben, te vermijden en te bestrijden, leidt dat ertoe dat psychische aandoeningen zo veel voorkomen. Gegeven onze evolutionaire geschiedenis zijn we er niet goed op ingesteld om met de gevaren van eenzaamheid en statuscompetitie om te gaan. Ons taalvermogen brengt met zich mee dat we dat gevoel van onveiligheid concretiseren in een verhaal over onszelf waarin we ons vergelijken met anderen, waarin we aandacht tekortkomen, waarin we negatief over onszelf denken en waarin we tekort schieten. Als we geheel opgaan in dat verhaal, dat verhaal worden, zijn we terechtgekomen in een toestand van psychologische starheid.

Er is de individuele weg van het zoeken naar een oplossing. Zoals de Acceptance and Commitment Therapy van Steven C. Hayes, die je helpt bij het ontwikkelen van psychologische flexibiliteit. Die je leert te beseffen dat je niet samenvalt met het verhaal dat je over jezelf hebt opgebouwd. Dat verhaal, dat ingewikkelde netwerk van automatische gedachten, valt slecht te controleren en te veranderen. maar door het te accepteren als dat wat het is, niet meer dan een stroom van gedachten, kun je er wel afstand van nemen. Waardoor er ruimte komt voor een meer zelfgekozen, en zinvol, leven.

Maar zolang we die uitdagingen van eenzaamheid en statuscompetitie laten bestaan, komt ook de optelsom van al die individuele oplossingen, hoe wenselijk ook, toch uiteindelijk neer op "dweilen met de kraan open". 

Daarom dient zich natuurlijk ook de collectieve weg aan, die van het met zijn allen terugdringen van die uitdagingen. Maatschappijverandering dus. Waardoor als het goed is, niet alleen minder mensen lijden aan een psychische aandoening, maar zelfs daarbovenop meer mensen de kans krijgen om een zinvol leven te leiden en om te floreren en te gedijen.

Dat zou, om de gedachten te bepalen, een maatschappij zijn die meer overeenkomt met de kenmerken van het gemeenschapsevenwicht. Want in die toestand, die ook als hij niet volledig realiseerbaar is, wel altijd dichterbij gebracht kan worden, verschaffen mensen elkaar de sociale veiligheid die ze nodig hebben. 

Denk in dat verband aan de reeks berichten over hoe de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak zou kunnen worden. Met een overzicht van aanwijzingen voor de positieve effecten van bewegingen in de richting van dat gemeenschapsevenwicht en weg van het statuscompetitie-evenwicht. Zie hier het eerste bericht van die reeks en volg steeds de link naar het volgende bericht.

donderdag 25 juni 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 13

Als je je aanhoudend of terugkerend onveilig voelt, loop je het gevaar daar met psychologische starheid - starheid in waarnemen en denken - op te reageren en daardoor een angststoornis, een depressie of een andere psychische aandoening te ontwikkelen. Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Die starheid bestaat eruit dat we de negatieve gedachten en gevoelens die we door die onveiligheid hebben, proberen te vermijden en te bestrijden. We piekeren, maken ons zorgen en zijn voortdurend voorbereid op nieuwe gevaren. En we proberen om afleiding te vinden, zoals door hard te werken of onophoudelijk druk in de weer te zijn, om maar te voorkomen dat de pijn en de angst, of de herinneringen daaraan, ons overvallen en overweldigen. Steven C. Hayes noemt dit onze Innerlijke Dictator.

Dat wij te maken kunnen hebben met die Innerlijke Dictator ligt er aan dat wij in staat zijn om taal te leren. Want het leren van taal behelst het leren leggen van relaties en het kunnen denken in relaties. Dat verwijst naar een omvangrijke lijn van onderzoek onder het trefwoord Relational Frame Theory, waarvan ik deze samenvatting vond: An introduction to Relational Frame Theory: Basics and Applications. Maar mijn ervaring is dat het goed doorgronden daarvan een behoorlijke investering vraagt. Gelukkig zijn er ook eenvoudiger samenvattingen (for dummies), zoals deze: What is Relational Frame Theory? A Psychologist Explains

Relaties leggen en denken in relaties kunnen we doordat we niet alleen in staat zijn tot associëren (klassieke conditionering; de hond van Pavlov die een belletje associeert met eten), maar ook tot het leggen van het omgekeerde verband (bij eten denken aan dat belletje). En precies daaruit bestaat het leren van taal. Niet alleen leren babies het woord mamma te associëren met een bepaalde persoon, maar ook komt het woord mamma spontaan bij hen op als die persoon er is. Daarmee is dus een relatie tussen een woord en een persoon gelegd.

Die vaardigheid is volgens Hayes uniek menselijk. Je kunt een chimpansee leren om een abstract symbool aan te wijzen als hij een sinaasappel ziet, maar als je hem dat symbool laat zien dan is hij niet in staat om een sinaasappel op een fruitschaal aan te wijzen.

Taal leren is dus niet woorden leren associëren met iets in de werkelijkheid, maar het leren leggen van relaties. En als je dat een keer kunt, "dingen" met elkaar in verband brengen, dan gaat het heel snel. Als je relaties 'verwacht", kun je per dag honderden nieuwe woorden leren. En je kunt die woorden met elkaar in verband brengen, dus zinnen maken. Zo ontstaat het taalvermogen. En het vermogen om in taal, in symbolen, te denken. En daarmee ons voorstellingsvermogen oftewel het vermogen om abstract te denken.

Met het leren van taal bouw je een steeds complexer wordend netwerk van relaties op, niet alleen tussen woorden (symbolen) en dingen, personen of gebeurtenissen, maar ook tussen de gedachten die je hebt. En die gedachten kunnen een heel reële betekenis krijgen, doordat ze de "concreetheid" van woorden en zinnen aannemen. We kunnen ons immers moeilijk voorstellen wat denken zonder taal is.

Hayes (p. 71):

with relational thinking, we can connect things that have no physical relation to one another and don't appear together in time and place. Not only can we, but we constantly do, and the connections become extremely complex.

Onderdeel van dat proces is dat we ook onszelf een plaats geven in dat web van relaties. Dat wil zeggen, het besef van onszelf oftewel ons zelfbewustzijn. Want dan gaat het om de relatie tussen de waarnemer en het waargenomene. Kinderen leren dat "hier" gebonden is aan de positie die de spreker inneemt en dat "hier" voor de ander "daar" is. Zelfbewustzijn is daarmee ook meteen het vermogen in om je in een ander te verplaatsen en van daaruit naar de wereld en naar jezelf te kijken.

Dat zou er op wijzen dat het ontstaan van zelfbewustzijn niet alleen sociale interactie vereist, maar dat taalontwikkeling daar een essentieel onderdeel van is. En dat ligt eigenlijk voor de hand, maar had ik mij nog niet gerealiseerd. Zie hier mijn eerdere berichten over zelfbewustzijn.

Daarmee is de grondslag gelegd voor de ontwikkeling van het verhaal of de verhalen over jouzelf en de relaties met anderen. Hayes (p. 73-74):

perspective-taking also supports storytelling about ourselves that is more content-based and evaluative, and that part is hard to put on a leash. With the rise of our verbal problem-solving ability, the Dictator Within is born,(...). As we begin to create our story of who we are, for example, we also start to compare ourselves to others, and to social ideals of who we should be. Thus the unfortunate side effect of the same cognitive skills that allow a sense of ourselves as conscious human beings is that we often soon become self-critical, or excessively seek to be attended to, to be important or notable based on the specialness of our self-stories. We have begun to fashion the conceptualized self, and this imagined self often takes on the illusion of being our "real" self. We begin to become the content of our stories, and the Dictator comes fully into power.

The problem is not the presence of a self-story; we all need one. But when we disappear into this ongoing storytelling - when we fuse with the story - all sorts of mental health and life-satisfaction challenges follow.

Kortom, relaties, taal, zelfbewustzijn, je kunnen verplaatsen in anderen en naar jezelf kijken, en zo een verhaal over jezelf maken, waarin je het goed kunt doen, maar ook kunt tekortschieten. 

Met al die ingrediënten ben je terechtgekomen in een maatschappij waarin het niet gegarandeerd is dat anderen zich altijd om je bekommeren. Waarin je buiten dat kleine eilandje van het gezin waarin je opgroeit, een plaats moet zien te verwerven. Moet leren om te gaan met de uitdagingen van eenzaamheid en statuscompetitie. Dus met de uitdagingen van sociale onveiligheid.

En daar ligt het gevaar van die psychologische starheid op de loer. Meer daarover in volgende berichten. Hier het volgende bericht.

dinsdag 23 juni 2020

Over starheid in het denken als wapen tegen angst en onveiligheid - Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 12

Dat zoveel mensen op tenminste enig moment in hun leven lijden aan een psychische aandoening, heeft er mee te maken dat het ervaren van "psychologische en fysieke onveiligheid" (Caspi en Moffitt) in de maatschappij waarin wij leven een normaal verschijnsel is geworden. Zie hier het vorige bericht in deze reeks. 

Op dit blog zijn aanwijzingen langsgekomen dat die onveiligheidservaringen eruit voortkomen dat mensen vaker dan incidenteel geconfronteerd worden met de uitdagingen van statuscompetitie en eenzaamheid. Dat verhoogt de kans op de ontwikkeling van chronische stress oftewel de allostatische overbelasting type II, die lichamelijke processen ontregelt die in een normale toestand beschermend zouden werken. Zoals andere diersoorten zijn wij er op ingesteld om adequaat, maar uiteraard zonder garantie op succes, te reageren op acuut gevaar met een vechten-of-vluchten reactie (Type I allostatische belasting). Maar met een aanhoudende of vaak terugkerende ervaring van onveiligheid kunnen we slecht uit de voeten.

In termen van de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges is er de ervaring van veiligheid nodig om ons sociale betrokkenheidssysteem te activeren, waarmee we ons openstellen voor anderen en bovendien voor het opdoen van nieuwe ervaringen (exploratie). Die toestand waarin we veiligheid ervaren is de toestand waarin we floreren en gedijen. Waarin we niet alleen geen last hebben van een psychische aandoening, maar integendeel juist een gevoel van vervulling hebben, ons kalm en vreedzaam voelen, het gevoel hebben dat wat we doen waardevol is en waarin we ons energiek voelen. Een toestand zonder de uitdagingen van (de kans op) eenzaamheid en/of statuscompetitie, in de evolutionaire psychiatrie van Steven en Price de twee hoofdoorzaken van psychische aandoeningen

Wat betekent het nu om als persoon die ervaring van veiligheid te missen en in mindere of meerdere mate te lijden aan een psychische aandoening? Dus om je aanhoudend of terugkerend onveilig te voelen? 

Volgens Steven C. Hayes, die ik al noemde als de auteur van The Liberated Mind, zijn we er niet op ingesteld om goed met aanhoudende of terugkerende onveiligheid om te gaan, omdat we de neiging hebben te vervallen in wat hij psychologische starheid noemt (p. 7):

We fall into patterns of psychological rigidity, where we try to run from or fight off the mental challenges we face, and we disappear into rumination, worry, distraction, self-stimulation, work without end, or other forms of mindlessness, all in the attempt to evade the pain we're feeling.

Psychological rigidity is at its core an attempt to avoid negatieve thoughts and feelings caused by difficult experiences, both when they occur and in our memory of them.

Die psychologisch starheid maakt ons ontvankelijk voor het ontwikkelen van een angststoornis of depressie of van een van de andere psychische aandoeningen. Denk weer even terug aan Caspi en Moffitt, die de p-factor die gemeenschappelijk is aan alle psychische aandoeningen omschrijven als problemen met aandacht en cognitieve controle, in het bijzonder met het registreren en verwerken van informatie. Informatie van buitenaf, maar ook informatie over de eigen gedachten en emoties.

Door die starheid in ons waarnemen en denken proberen we angstvallig (!) te vermijden pijn en angst te ervaren, waardoor we het, paradoxaal, ook moeilijker gaan vinden om ons gelukkig te voelen. Want, o jee, op een moment van geluk kan snel een bittere teleurstelling volgen. Dan maar liever gevoelloos. 

Bovendien maak je het door steeds maar te proberen om je af te sluiten van je negatieve emoties moeilijker om van je gevoelens te leren. Je komt vreemd te staan tegenover je eigen gevoelswereld (p.8):

This is the most hidden and most horrible cost of psychological rigidity: as you fight, and run, and hide from your insides, you become distant form your own history, your own motivation, and your own caring.

Wat natuurlijk de vraag oproept hoe het komt dat mensen zo geneigd zijn tot die starheid in het denken. 

Hayes denkt dat het te maken heeft met de uniek-menselijke vermogens tot het leren van taal en van het ontwikkelen van zelfbewustzijn. Vermogens die ons natuurlijk ver hebben gebracht, maar die ook met psychologische kosten gepaard zijn gegaan. Daar valt zoveel over te zeggen, dat ik er in een volgend bericht op terugkom. Hier het volgende bericht.