We weten al dat opgroeien in armoede is af te lezen aan langzamere hersenontwikkeling in eerste levensjaren. Ook weten we dat het opgroeien in armoede gepaard gaat met meer chronische stress en dat de gevolgen ervan nog op 17- en 24-jarige leeftijd kunnen worden vastgesteld aan onder meer een slechter werkgeheugen.
Arm opgroeien in een voor het overige welvarende maatschappij zet kinderen dus wat hun cognitieve vermogens betreft op achterstand. Want we weten ook dat er in de verklaring van verschillen in cognitieve vermogens naar sociaal-economische status naast een genetische weg ook een weg via de opgroei-omgeving een rol speelt.
Als het arm opgroeien voor de cognitieve vermogens van kinderen inderdaad slecht uitwerkt, dan zou het zo moeten zijn dat een inkomensverbetering gevolgen heeft voor de cognitieve ontwikkeling van kinderen in de periode daarna.
Precies dat vinden de onderzoekers in de studie Income Gains Predict Cognitive Functioning Longitudinally Throughout Later Childhood in Poor Children. Ze analyseerden de longitudinale data van het Amerikaanse NICHD Early Child Care Research Network. Bij arm opgroeiende kinderen zijn inkomensverbeteringen terug te zien in hogere scores op verbale en wiskundige vermogens op latere leeftijden. Net zo zijn inkomensverslechteringen terug te zien in lagere scores op hogere leeftijden.
Mogelijke verklaringen liggen erin dat het extra inkomen zo wordt besteed dat de huiselijke omgeving voor kinderen stimulerender is en dat het extra inkomen zorgt voor minder stress bij de ouders en bij de kinderen zelf.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label cognitief/intellectueel functioneren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cognitief/intellectueel functioneren. Alle posts tonen
dinsdag 26 juni 2018
dinsdag 13 december 2016
Door opgroeien in armoede meer stress en hulpeloosheid en minder goed werkgeheugen op volwassen leeftijd
Over de gevolgen die het opgroeien in armoede heeft, kun je meer te weten komen door kinderen uit arme en niet-arme gezinnen bij dat opgroeien te volgen.
Gary W. Evans en zijn mede-onderzoekers hebben dat gedaan voor een groep van 341 jongeren in de Verenigde Staten, die ze vanaf hun negende jaar volgden. In die groep waren kinderen uit arme gezinnen oververtegenwoordigd, waardoor een vergelijking kon worden gemaakt met kinderen uit niet-arme gezinnen.
In het bericht Lage status, armoede, piekeren en chronische stress ging het over de resultaten van dat onderzoek toen de kinderen 17 jaar waren geworden. Het bleek dat degenen die langer in armoede hadden doorgebracht, meer last hadden van chronische stress (allostatische belasting). En het meer last hebben gehad van chronische stress, had ook het werkgeheugen verminderd (hoeveel je op korte termijn kunt onthouden). Het verband tussen armoede en werkgeheugen bleek te verdwijnen als je rekening houdt met die chronische stress.
In later onderzoek lieten Evans c.s. zien dat die chronische stress er uit voortkomt dat kinderen uit arme gezinnen het gevoel hebben vanwege hun achtergrond of komaf anders behandeld te worden. Anders gezegd: zich gediscrimineerd te voelen. Zie Armoede maakt ziek door gevoel anders behandeld te worden.
Die kinderen zijn intussen 24 jaar geworden en Evans laat nu in het onderzoek Childhood poverty and adult psychological well-being zien wat de gevolgen zijn van opgroeien in armoede als je jong-volwassen bent geworden. Die gevolgen bestaan er uit dat
Er is dus zacht gezegd nogal wat voor te zeggen om te voorkomen dat kinderen opgroeien in armoede. Zie Armoede in kaart, 2016 van het SCP voor de ontwikkeling van armoede in Nederland sinds 2001. Citaat:
Onderzoek wijst dus op de negatieve gevolgen daarvan, ook op de langere termijn. En het wijst op de maatschappelijke kosten die daaruit voortkomen.
Soms denk je dat we zijn vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen.
Gary W. Evans en zijn mede-onderzoekers hebben dat gedaan voor een groep van 341 jongeren in de Verenigde Staten, die ze vanaf hun negende jaar volgden. In die groep waren kinderen uit arme gezinnen oververtegenwoordigd, waardoor een vergelijking kon worden gemaakt met kinderen uit niet-arme gezinnen.
In het bericht Lage status, armoede, piekeren en chronische stress ging het over de resultaten van dat onderzoek toen de kinderen 17 jaar waren geworden. Het bleek dat degenen die langer in armoede hadden doorgebracht, meer last hadden van chronische stress (allostatische belasting). En het meer last hebben gehad van chronische stress, had ook het werkgeheugen verminderd (hoeveel je op korte termijn kunt onthouden). Het verband tussen armoede en werkgeheugen bleek te verdwijnen als je rekening houdt met die chronische stress.
In later onderzoek lieten Evans c.s. zien dat die chronische stress er uit voortkomt dat kinderen uit arme gezinnen het gevoel hebben vanwege hun achtergrond of komaf anders behandeld te worden. Anders gezegd: zich gediscrimineerd te voelen. Zie Armoede maakt ziek door gevoel anders behandeld te worden.
Die kinderen zijn intussen 24 jaar geworden en Evans laat nu in het onderzoek Childhood poverty and adult psychological well-being zien wat de gevolgen zijn van opgroeien in armoede als je jong-volwassen bent geworden. Die gevolgen bestaan er uit dat
- het werkgeheugen minder goed functioneert. Het werkgeheugen is een belangrijk fundament voor cognitieve vaardigheden en voor leerprestaties. Bekend is dat het werkgeheugen negatief beïnvloed wordt door stress
- je meer gestresst bent (allostatische belasting)
- je meer last hebt van externaliserende gedragssymptomen (zoals agressie)
- je meer last hebt van gevoelens van hulpeloosheid.
Er is dus zacht gezegd nogal wat voor te zeggen om te voorkomen dat kinderen opgroeien in armoede. Zie Armoede in kaart, 2016 van het SCP voor de ontwikkeling van armoede in Nederland sinds 2001. Citaat:
De laatste cijfers die beschikbaar zijn, betreffen 2014. Dit jaar laat weer een lichte daling van de armoede zien. Het aantal armen volgens de ruimere niet-veel-maar-toereikendgrens bedraagt nu iets meer dan 1,2 miljoen (7,6%) en volgens de basisbehoeftengrens ruim 810.000 (5,1%).Nadat de armoede na 2005 flink daalde, nam hij na 2010 door de crisis, maar vooral ook door het rampzalige bezuinigingsbeleid als antwoord daarop, sterk toe.
Onderzoek wijst dus op de negatieve gevolgen daarvan, ook op de langere termijn. En het wijst op de maatschappelijke kosten die daaruit voortkomen.
Soms denk je dat we zijn vergeten dat we een maatschappij zonder armoede willen.
maandag 28 september 2015
Hogere uitkeringen verbeteren cognitief functioneren van ouderen
We wisten al dat een betere inkomenspositie bij ouderen samengaat met een betere gezondheid, beter cognitief functioneren en een langer leven. Maar de achterliggende oorzaken waren niet geheel duidelijk. Het kan zijn dat die ouderen ook in het verleden al gezonder waren en beter cognitief functioneerden, daardoor een hoger arbeidsinkomen hadden, met als gevolg een betere financiële positie in hun latere leven.
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder: Hogere uitkeringen verbeteren cognitief functioneren van ouderen.
woensdag 1 oktober 2014
Coöperatieve zorg voor kinderen maakt exploratief en leergierig - Wild marmosets learn skills from monkey movies
Klauwaapjes (Common Marmosets) zijn intrigerende beestjes. Ze zijn genetisch vrij ver van ons verwijderd, veel verder dan de chimpansees, de bonobo's en de andere grote apen. Maar we delen met hen een niet zoveel voorkomende eigenschap, namelijk het coöperatief grootbrengen van kinderen. Zie eerder o.a. het bericht Michael Tomassello, kinderen, chimpansees en klauwaapjes.
Uit de studie Video demonstrations seed alternative problem-solving techniques in wild common marmosets (betaalpoort) blijkt nu dat klauwaapjes in staat zijn tot een bijzondere vorm van sociaal leren. De onderzoekers installeerden een video-installatie in gebieden waar verschillende groepen klauwaapjes leven. En vertoonden een opgenomen filmpje waarin een klauwaapje, niet behorende tot dezelfde groep, met bepaalde handelingen een lekkernij uit een doorzichtige plastic box ontfutselt. Die box heeft een laatje en een deksel, maar dat zie je er niet gemakkelijk aan af. De klauwaapjes-acteur weet dat echter en doet het voor.
Het blijkt dan dat klauwaapjes niet alleen zeer geïnteresseerd zijn in het filmpje, maar na verloop van enige tijd die "instructie" snappen en in staat zijn om uit een identieke box op dezelfde wijze die lekkernij te bemachtigen. Zie het filmpje onderaan dit bericht. Dat die instructie effect heeft gehad blijkt er uit dat klauwaapjes in een overigens precies dezelfde setting, maar met alleen een stilstaand beeld van een klauwaapje bij die box, niet of veel minder vaak in staat zijn om de box te openen.
Het is een interessant onderzoek. Gisteren besteedde de New York Times er aandacht aan. En eerder New Scientist. Het artikel zelf is fulltext nog niet vrijgegeven, zelfs niet via mijn faciliteiten van de Universiteitsbibliotheek. Ik kan dus nog geen gedetailleerd commentaar geven. Maar ik werd wel aan het denken gezet.
Want we weten dat bij mensen een sociaal veilige omgeving, een omgeving dus waarin anderen jou goedgezind zijn, kinderen exploratiever en leergieriger maakt. Als je veilig gehecht bent, ga je makkelijker de wereld in en sta je meer open voor nieuwe informatie. Opgroeien in een veilige buurt is goed voor schoolprestaties. Eenzaamheid en de onzekerheid van armoede zijn slecht voor het cognitief-intellectuele functioneren.
Daarmee komt ook overeen dat mensen die meer gericht zijn op goede relaties met anderen en op pro-sociaal gedrag ook meer belang hechten aan zelfontplooiïng, dus aan het opnemen en verwerken van nieuwe informatie. Dit in tegenstelling tot mensen die statuscompetitief zijn en materialistisch. Zie Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven?
Kortom, door een gemeenschap om je heen te hebben, zoals wanneer je opgroeit omringd door oudere kinderen en volwassenen die weten wie je bent en die zich om jou bekommeren, kom je open en onbevreesd in het leven te staan. Nieuwsgierig en klaar om nieuwe dingen te leren.
En dat zien we dus precies ook bij die klauwaapjes, die niets anders dan coöperatieve zorg hebben meegemaakt.
Er zou overigens nog wel moeten worden uitgetest of het inderdaad zo is dat bijvoorbeeld chimpansees niet in staat zijn om op deze wijze van een instructievideo te leren. Want dat is voor zover ik weet nog niet gebeurd. Update. Zie nu ook Ook chimpansees zijn in staat tot leren van een instructievideo. Maar je moet wel eerst hun aandacht hebben.
Uit de studie Video demonstrations seed alternative problem-solving techniques in wild common marmosets (betaalpoort) blijkt nu dat klauwaapjes in staat zijn tot een bijzondere vorm van sociaal leren. De onderzoekers installeerden een video-installatie in gebieden waar verschillende groepen klauwaapjes leven. En vertoonden een opgenomen filmpje waarin een klauwaapje, niet behorende tot dezelfde groep, met bepaalde handelingen een lekkernij uit een doorzichtige plastic box ontfutselt. Die box heeft een laatje en een deksel, maar dat zie je er niet gemakkelijk aan af. De klauwaapjes-acteur weet dat echter en doet het voor.
Het blijkt dan dat klauwaapjes niet alleen zeer geïnteresseerd zijn in het filmpje, maar na verloop van enige tijd die "instructie" snappen en in staat zijn om uit een identieke box op dezelfde wijze die lekkernij te bemachtigen. Zie het filmpje onderaan dit bericht. Dat die instructie effect heeft gehad blijkt er uit dat klauwaapjes in een overigens precies dezelfde setting, maar met alleen een stilstaand beeld van een klauwaapje bij die box, niet of veel minder vaak in staat zijn om de box te openen.
Het is een interessant onderzoek. Gisteren besteedde de New York Times er aandacht aan. En eerder New Scientist. Het artikel zelf is fulltext nog niet vrijgegeven, zelfs niet via mijn faciliteiten van de Universiteitsbibliotheek. Ik kan dus nog geen gedetailleerd commentaar geven. Maar ik werd wel aan het denken gezet.
Want we weten dat bij mensen een sociaal veilige omgeving, een omgeving dus waarin anderen jou goedgezind zijn, kinderen exploratiever en leergieriger maakt. Als je veilig gehecht bent, ga je makkelijker de wereld in en sta je meer open voor nieuwe informatie. Opgroeien in een veilige buurt is goed voor schoolprestaties. Eenzaamheid en de onzekerheid van armoede zijn slecht voor het cognitief-intellectuele functioneren.
Daarmee komt ook overeen dat mensen die meer gericht zijn op goede relaties met anderen en op pro-sociaal gedrag ook meer belang hechten aan zelfontplooiïng, dus aan het opnemen en verwerken van nieuwe informatie. Dit in tegenstelling tot mensen die statuscompetitief zijn en materialistisch. Zie Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven?
Kortom, door een gemeenschap om je heen te hebben, zoals wanneer je opgroeit omringd door oudere kinderen en volwassenen die weten wie je bent en die zich om jou bekommeren, kom je open en onbevreesd in het leven te staan. Nieuwsgierig en klaar om nieuwe dingen te leren.
En dat zien we dus precies ook bij die klauwaapjes, die niets anders dan coöperatieve zorg hebben meegemaakt.
Er zou overigens nog wel moeten worden uitgetest of het inderdaad zo is dat bijvoorbeeld chimpansees niet in staat zijn om op deze wijze van een instructievideo te leren. Want dat is voor zover ik weet nog niet gebeurd. Update. Zie nu ook Ook chimpansees zijn in staat tot leren van een instructievideo. Maar je moet wel eerst hun aandacht hebben.
maandag 14 oktober 2013
Hoe te verklaren dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze geeft? N.a.v. Rutger Bregman
Rutger Bregman geeft een overzicht van onderzoek dat er op wijst dat je daklozen en in het algemeen armen en werklozen beter geld kunt geven dan ze door hulpverleners te laten begeleiden. Zie de link onderaan dit bericht. Als je ze gewoon geld geeft, zonder voorwaarden, dan blijkt dat ze daar verstandige dingen mee doen en er zuinig mee omgaan.
Hij noemt o.a. een experiment in Londen, waarbij 13 daklozen elk 3000 pond kregen, vrij te besteden. Geen van de mannen verspilde zijn geld aan drank, drugs of gokken. Integendeel, ze waren zuinig op hun centen en hadden na een jaar gemiddeld slechts 800 pond uitgegeven. Ze accepteerden opvang, volgden cursussen, leerden koken, kickten af, bezochten hun familie en maakten plannen voor de toekomst, schrijft Rutger Bregman. Na een jaar hadden 11 van de 13 een dak boven hun hoofd. Met vele malen lagere kosten dan "vruchteloos duwen, trekken, pamperen, bekeuren, vervolgen en verzorgen" door hulpverleners en politieagenten.
Rutger pleit daarom voor de invoering van een basisinkomen. In plaats van allerlei voorwaarden stellen aan het ontvangen van bijstand, wat onvermijdelijk gepaard gaat met een duur controleapparaat. Want het klopt niet dat armen lui zijn en niet met geld kunnen omgaan.
Nu is er over dat basisinkomen al veel nagedacht en geschreven. Een deskundige en voorstander er van is Philippe van Parijs. In ons land bepleitte de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 1985 de invoering van een gedeeltelijk basisinkomen. Zo gek is die gedachte niet. Europees is er nu het Burgerinitiatief voor een Onvoorwaardelijk Basisinkomen, dat je hier kunt ondertekenen.
Maar hoe verklaar je dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze onvoorwaardelijk geeft? Kennelijk is het een misvatting te denken dat ze lui zijn en niet met geld kunnen omgaan. Maar wat is er dan wel aan de hand?
Ik moest meteen denken aan de studie Poverty Impedes Cognitive Function (betaalpoort) die ruim een maand geleden in Science verscheen. De onderzoekers vinden overtuigende aanwijzingen dat armoede een oorzaak is van slechter cognitief functioneren. Het is bekend dat mensen die arm zijn, minder goed op hun gezondheid passen, minder zorgvuldig hun medicijnen innemen, minder goed afspraken nakomen, minder productief zijn en minder goed met geld kunnen omgaan. En het ligt voor de hand om te denken dat dat allemaal eigenschappen zijn die hebben gemaakt dat ze arm zijn.
Maar het zou ook kunnen dat het arm zijn en het hebben van geldzorgen en zorgen over de toekomst een aanslag zijn op je cognitieve capaciteiten. De stress van het arm zijn zou dan een oorzaak zijn van slechter cognitief functioneren. (Vergelijk ook de negatieve effecten van eenzaamheid op emotionele zelf-regulering en op de kans op dementie.)
Een mooie aanwijzing daarvoor is dat Indiase boeren voorafgaand aan de oogst, als ze arm zijn en onzeker over de toekomst, slechter scoren op een cognitieve test dan na de oogst, als ze niet meer arm zijn. De beste aanwijzing voor een oorzakelijk verband tussen armoede en cognitief functioneren.
Dat zou dus verklaren waardoor die Londense zwervers zo verstandig met hun gekregen geld omgingen. Ze waren immers niet meer arm. Wat wil je nog meer om er van overtuigd te raken dat armoede de wereld uit moet?
Waarom we iedereen gratis geld moeten geven:
'via Blog this'
Hij noemt o.a. een experiment in Londen, waarbij 13 daklozen elk 3000 pond kregen, vrij te besteden. Geen van de mannen verspilde zijn geld aan drank, drugs of gokken. Integendeel, ze waren zuinig op hun centen en hadden na een jaar gemiddeld slechts 800 pond uitgegeven. Ze accepteerden opvang, volgden cursussen, leerden koken, kickten af, bezochten hun familie en maakten plannen voor de toekomst, schrijft Rutger Bregman. Na een jaar hadden 11 van de 13 een dak boven hun hoofd. Met vele malen lagere kosten dan "vruchteloos duwen, trekken, pamperen, bekeuren, vervolgen en verzorgen" door hulpverleners en politieagenten.
Rutger pleit daarom voor de invoering van een basisinkomen. In plaats van allerlei voorwaarden stellen aan het ontvangen van bijstand, wat onvermijdelijk gepaard gaat met een duur controleapparaat. Want het klopt niet dat armen lui zijn en niet met geld kunnen omgaan.
Nu is er over dat basisinkomen al veel nagedacht en geschreven. Een deskundige en voorstander er van is Philippe van Parijs. In ons land bepleitte de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 1985 de invoering van een gedeeltelijk basisinkomen. Zo gek is die gedachte niet. Europees is er nu het Burgerinitiatief voor een Onvoorwaardelijk Basisinkomen, dat je hier kunt ondertekenen.
Maar hoe verklaar je dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze onvoorwaardelijk geeft? Kennelijk is het een misvatting te denken dat ze lui zijn en niet met geld kunnen omgaan. Maar wat is er dan wel aan de hand?
Ik moest meteen denken aan de studie Poverty Impedes Cognitive Function (betaalpoort) die ruim een maand geleden in Science verscheen. De onderzoekers vinden overtuigende aanwijzingen dat armoede een oorzaak is van slechter cognitief functioneren. Het is bekend dat mensen die arm zijn, minder goed op hun gezondheid passen, minder zorgvuldig hun medicijnen innemen, minder goed afspraken nakomen, minder productief zijn en minder goed met geld kunnen omgaan. En het ligt voor de hand om te denken dat dat allemaal eigenschappen zijn die hebben gemaakt dat ze arm zijn.
Maar het zou ook kunnen dat het arm zijn en het hebben van geldzorgen en zorgen over de toekomst een aanslag zijn op je cognitieve capaciteiten. De stress van het arm zijn zou dan een oorzaak zijn van slechter cognitief functioneren. (Vergelijk ook de negatieve effecten van eenzaamheid op emotionele zelf-regulering en op de kans op dementie.)
Een mooie aanwijzing daarvoor is dat Indiase boeren voorafgaand aan de oogst, als ze arm zijn en onzeker over de toekomst, slechter scoren op een cognitieve test dan na de oogst, als ze niet meer arm zijn. De beste aanwijzing voor een oorzakelijk verband tussen armoede en cognitief functioneren.
Dat zou dus verklaren waardoor die Londense zwervers zo verstandig met hun gekregen geld omgingen. Ze waren immers niet meer arm. Wat wil je nog meer om er van overtuigd te raken dat armoede de wereld uit moet?
Waarom we iedereen gratis geld moeten geven:
'via Blog this'
donderdag 5 juli 2012
Leefstijl, stress, eenzaamheid en de kans op dementie - Gezondheid en sociale omgeving (19)
We zijn nog steeds geneigd om dementie als een ouderdomsziekte te zien en het klopt dat de ziekte vooral bij ouderen voorkomt. Maar het lijkt er op dat het niet het ouder worden op zich is dat dementie veroorzaakt. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat het uitmaakt hoe je geleefd hebt of onder welke omstandigheden je geleefd hebt. Dat betekent dat we de (voorspelde) toename van dementie niet alleen moeten toeschrijven aan de vergrijzing, dus aan de toename van de proportie ouderen van de totale bevolking. Het blijkt er ook om te gaan hoe die ouderen geleefd hebben voor ze oud waren.
Zo waarschuwden twee maanden terug vier hoogleraren van de VU dat het aantal dementerenden tussen de 50 en de 60 jaar sterk zal toenemen en dat dat veroorzaakt wordt door een ongezonde leefstijl op jonge leeftijd. Het gaat met name om een leefstijl die de kans op obesitas en ouderdomsdiabetes op jongere leeftijd verhoogt en dat soort leefstijl lijkt steeds meer voor te komen.
Maar daarnaast zijn er ook aanwijzingen dat de kans op dementie groter is als je gedurende je middelbare leven meer met stress te kampen hebt gehad. Dit bericht meldde dat daar nu in Engeland nader onderzoek naar begonnen wordt. Eerder onderzoek wijst al sterk in deze richting.
Zo is er dit onderzoek dat een verband laat zien tussen psychologische stress op middelbare leeftijd en de kans op dementie op latere leeftijd. Stress werd gemeten als gevoelens van ergernis, gespannenheid, zenuwachtigheid of angst of slapeloosheid in het dagelijks leven, zoals in verband met het werk, de gezondheid of gezinsomstandigheden. Vrouwen (mannen maakten geen deel uit van het onderzoek) werden 35 jaar gevolgd en toen bleek dat degenen die vaak stress ervaren hadden, een hogere kans op dementie hadden. Ook bij controle voor gezondheid, medicatie, roken, alcoholconsumptie, beweging, gewicht, sociaal-economische status, al of niet gehuwd zijn en al of niet kinderen hebben. In dezelfde lijn ligt onderzoek dat laat zien dat mensen met een stressgevoelige persoonlijkheid (neuroticisme) meer kans hebben om dementie te krijgen. Het biologische mechanisme kan met de activiteit van het stress-systeem (HPA as) te maken hebben en daardoor met het niveau van glucocorticoïde (het stresshormoon), met schade aan de hippocampus en met ontstekingsprocessen.
En uit dit pas verschenen onderzoek blijkt dat werkgerelateerde stress, zoals in beroepen met weinig controle over je werk en gebrek aan sociale contacten, voor zowel mannen als vrouwen de kans op dementie verhoogt.
Omdat stress ook in verband kan staan met leefstijl en daarmee met diabetes, zou het kunnen dat stress de algemene, onderliggende factor is. Dat zou in de lijn liggen van ander longitudinaal onderzoek waaruit blijkt dat stressvolle omstandigheden als eenzaamheid en sociaal isolement de kans op dementie vergroten. Zie hier en hier (fulltext achter de poort).
(Update. Zie over de vraag wat (psychologische) stress precies is, ook nog eens dit bericht en dit bericht over allostatische belasting.)
Dit alles betekent dat wijzelf, individueel en met zijn allen, van alles kunnen doen om dementie als toenemend gezondheidsprobleem terug te dringen. Meer beweging, gezonder eten, betere werkomstandigheden en meer sociale integratie. Kortom, een sociale omgeving creëren die beter bij ons past dan nu vaak het geval is.
Zo waarschuwden twee maanden terug vier hoogleraren van de VU dat het aantal dementerenden tussen de 50 en de 60 jaar sterk zal toenemen en dat dat veroorzaakt wordt door een ongezonde leefstijl op jonge leeftijd. Het gaat met name om een leefstijl die de kans op obesitas en ouderdomsdiabetes op jongere leeftijd verhoogt en dat soort leefstijl lijkt steeds meer voor te komen.
Maar daarnaast zijn er ook aanwijzingen dat de kans op dementie groter is als je gedurende je middelbare leven meer met stress te kampen hebt gehad. Dit bericht meldde dat daar nu in Engeland nader onderzoek naar begonnen wordt. Eerder onderzoek wijst al sterk in deze richting.
Zo is er dit onderzoek dat een verband laat zien tussen psychologische stress op middelbare leeftijd en de kans op dementie op latere leeftijd. Stress werd gemeten als gevoelens van ergernis, gespannenheid, zenuwachtigheid of angst of slapeloosheid in het dagelijks leven, zoals in verband met het werk, de gezondheid of gezinsomstandigheden. Vrouwen (mannen maakten geen deel uit van het onderzoek) werden 35 jaar gevolgd en toen bleek dat degenen die vaak stress ervaren hadden, een hogere kans op dementie hadden. Ook bij controle voor gezondheid, medicatie, roken, alcoholconsumptie, beweging, gewicht, sociaal-economische status, al of niet gehuwd zijn en al of niet kinderen hebben. In dezelfde lijn ligt onderzoek dat laat zien dat mensen met een stressgevoelige persoonlijkheid (neuroticisme) meer kans hebben om dementie te krijgen. Het biologische mechanisme kan met de activiteit van het stress-systeem (HPA as) te maken hebben en daardoor met het niveau van glucocorticoïde (het stresshormoon), met schade aan de hippocampus en met ontstekingsprocessen.
En uit dit pas verschenen onderzoek blijkt dat werkgerelateerde stress, zoals in beroepen met weinig controle over je werk en gebrek aan sociale contacten, voor zowel mannen als vrouwen de kans op dementie verhoogt.
Omdat stress ook in verband kan staan met leefstijl en daarmee met diabetes, zou het kunnen dat stress de algemene, onderliggende factor is. Dat zou in de lijn liggen van ander longitudinaal onderzoek waaruit blijkt dat stressvolle omstandigheden als eenzaamheid en sociaal isolement de kans op dementie vergroten. Zie hier en hier (fulltext achter de poort).
(Update. Zie over de vraag wat (psychologische) stress precies is, ook nog eens dit bericht en dit bericht over allostatische belasting.)
Dit alles betekent dat wijzelf, individueel en met zijn allen, van alles kunnen doen om dementie als toenemend gezondheidsprobleem terug te dringen. Meer beweging, gezonder eten, betere werkomstandigheden en meer sociale integratie. Kortom, een sociale omgeving creëren die beter bij ons past dan nu vaak het geval is.
woensdag 25 januari 2012
Van welke persoonlijke en maatschappelijke problemen is bekend dat ze mede veroorzaakt worden door de sociale omgeving?
Analoog aan de (vereenvoudigde) redenering achter het Paleo Dieet kun je een redenering opzetten over de (mogelijke) wenselijkheid van een sociale omgeving die de Paleo Sociale Omgeving dichter benadert. Dat wil zeggen, dichter dan het soort sociale omgeving waarin de meeste mensen in onze huidige maatschappij opgroeien en hun leven leiden. Zie dit bericht. Die redenering zou, denk ik, uit de volgende vier stappen bestaan:
Voor zover ik de sociaalwetenschappelijke onderzoeksliteratuur ken, zijn er voor de volgende vijf persoonlijke/maatschappelijke problemen aanwijzingen dat ze mede worden veroorzaakt door kenmerken van de sociale omgeving:
Daarmee bouw ik voort op werk dat ik al eerder heb gedaan en dat een deel van de stof uitmaakte van het vak Sociale Welvaart dat ik tot 2008/2009 aan de sociologie-opleiding van de Groningse universiteit doceerde. Zie dit bericht voor een beschrijving van dat vak. Sinds die tijd is er natuurlijk voortschrijdend inzicht bij mijzelf, maar is er ook veel interessant sociaalwetenschappelijk onderzoek bijgekomen.
- Een inventarisatie van de in onze maatschappij bestaande persoonlijke en maatschappelijke problemen waarvan we weten dat ze mede worden veroorzaakt door kenmerken van de sociale omgeving van mensen.
- Aanwijzingen dat die kenmerken van de huidige sociale omgeving niet of veel minder aanwezig waren in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars.
- Aanwijzingen dat die persoonlijke en maatschappelijke problemen (zie stap 1) niet of veel minder aanwezig waren in de jagers-verzamelaars maatschappijen. En aanwijzingen dat die jagers-verzamelaars niet te kampen hadden met andere persoonlijke en maatschappelijke problemen die wij niet meer kennen.
- Vinden van (praktisch toepasbare) mogelijkheden om onze huidige sociale omgeving dichter in de buurt te brengen van de Paleo Sociale Omgeving.
Voor zover ik de sociaalwetenschappelijke onderzoeksliteratuur ken, zijn er voor de volgende vijf persoonlijke/maatschappelijke problemen aanwijzingen dat ze mede worden veroorzaakt door kenmerken van de sociale omgeving:
- gezondheidsproblemen
- problemen met het cognitief/intellectuele functioneren
- criminaliteit en algemener: asociaal gedrag
- economische stagnatie en economische instabiliteit
- problemen met het functioneren van de democratie.
Daarmee bouw ik voort op werk dat ik al eerder heb gedaan en dat een deel van de stof uitmaakte van het vak Sociale Welvaart dat ik tot 2008/2009 aan de sociologie-opleiding van de Groningse universiteit doceerde. Zie dit bericht voor een beschrijving van dat vak. Sinds die tijd is er natuurlijk voortschrijdend inzicht bij mijzelf, maar is er ook veel interessant sociaalwetenschappelijk onderzoek bijgekomen.
Abonneren op:
Posts (Atom)