Posts tonen met het label depressie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label depressie. Alle posts tonen

woensdag 29 maart 2023

Mensen met depressieve symptomen zijn vatbaarder voor samenzweringstheorieën - En over waarom dat zo is.

In lijn met eerder onderzoek komen de onderzoekers van de studie Depressive symptoms and conspiracy beliefs tot de conclusie dat mensen met depressieve symptomen vatbaarder zijn voor samenzweringstheorieën. 

Het gaat om een analyse van de data van drie grote representatieve steekproeven van Amerikanen die in 2021 en 2022, dus tijdens de coronapandemie, werden ondervraagd. De vatbaarheid voor samenzweringstheorieën werd vastgesteld met de vraag of mensen het eens of oneens waren met een of meer van de volgende drie toen in omloop zijnde stellingen:

  • Coronavirus was created as a weapon in a Chinese lab.
  • The COVID-19 vaccines contain the lung tissue of aborted fetuses.
  • The COVID-19 vaccines contain microchips that could track people.

De aanwezigheid van symptomen van depressie werd vastgesteld met een bekende lijst van negen vragen of je gedurende de laatste twee weken last hebt gehad van symptomen als “little interest or pleasure in doing things,” “feeling down, depressed, or hopeless” en “feeling tired or having little energy”.

De onderzoekers vinden dan duidelijke aanwijzingen dat mensen die meer last hebben van depressieve symptomen meer die drie samenzweringstheorieën onderschrijven. Het verband is sterker bij Evangelische Christenen, Republikeinen en conservatieven en minder sterk bij vrouwen, ouderen en mensen die een mondkapjes droegen. Ook was het verband minder sterk bij mensen met een meer ondersteunende sociale omgeving (meer mensen om je heen hebben die voor je kunnen zorgen als je ziek wordt, die je geld kunnen lenen, waar je mee kunt praten als je je niet goed voelt of die je kunnen helpen een baan te vinden).

Opvallend is dat de onderzoekers weinig te zeggen hebben over waarom je dit verband zou verwachten. Waar ligt het aan dat je meer in samenzweringstheorieën gelooft als je meer depressieve symptomen hebt?

Als verklaring ligt voor de hand dat er aan beide iets gemeenschappelijk is, namelijk het beeld van een onveilige wereld. Depressie is een reactie van immobilisatie op het ervaren van onveiligheid. Zie ook de reeks berichten die begint met Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 1. Je trekt je terug omdat je geleerd hebt dat het gevaarlijk is om de wereld in te gaan. 

En als je de wereld als onveilig waarneemt, dan moeten gevaren wel veroorzaakt zijn door het werk van kwaadaardige krachten. Door mensen die het slecht met ons voor hebben.

Depressie en samenzweringstheorieën zijn beide symptomen van dat statuscompetitieve wereldbeeld van gevaar en onveiligheid. 

Dat verklaart ook waarom het verband minder sterk is bij mensen met een meer ondersteunende sociale omgeving. Die gemeenschapsomgeving zorgt voor afzwakking van dat statuscompetitieve wereldbeeld.

vrijdag 24 maart 2023

De interventie van de fysieke activiteit helpt om te ontsnappen aan de immobilisatie van depressie en angststoornis

De onderzoekers van de studie Effectiveness of physical activity interventions for improving depression, anxiety and distress: an overview of systematic reviews verzamelden alle onderzoek dat iets kan zeggen over de vraag of fysieke activiteit een goede interventie is om depressie en angststoornis te bestrijden. Uit een meta-analyse concluderen ze dat mensen die lijden aan depressie of een angststoornis veel baat hebben bij het meer fysiek gaan bewegen. Ze bevelen aan om fysieke activiteit te beschouwen als de basis voor de behandelingen van symptomen van depressie en angststoornis. 

Dat is een interessante bevinding als je bedenkt dat depressie en angststoornissen voort lijken te komen uit de immobilisatiereactie op sociale bedreigingen en sociale onveiligheid. We zagen al dat er een gemeenschappelijke factor van sociale onveiligheid ten grondslag lijkt te liggen aan vrijwel alle psychische aandoeningen. Zie de reeks berichten die begon met Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 1. Denk ook aan de evolutionaire psychiatrie, waarin depressie en angststoornis worden gezien als de reacties van opgeven en berusten op verlies in de statuscompetitie en als de reactie van terugtrekking op eenzaamheid (Anthony Stevens en John Price, Evolutionary Psychiatry. A New Beginning). En denk natuurlijk aan de polyvagaaltheorie van Stephen Porges, waarin immobilisatie een reactie is op traumatische ervaringen.

Een en ander komt ermee overeen dat immobilisatie een natuurlijke reactie is op de sociale bedreigingen van statuscompetitie en sociale afwijzing, in de zin van dat er in de loop van de evolutie op is geselecteerd. Een reactie dus die in het verleden gemiddeld genomen heeft bijgedragen aan overleving, maar dat nu niet meer hoeft te doen. Als we ons nu terugtrekken door in een depressie of een angststoornis te belanden, doen we onszelf tekort. Niet alleen door het emotionele lijden dat daarmee gepaard gaat, maar ook door de grote negatieve gezondheidseffecten.

Vandaar dat we hulp zoeken. En het blijkt dus dat die hulp er "eenvoudig" uit kan bestaan dat we ertoe worden aangezet om letterlijk met die immobilisatie te stoppen. We blijken aan dat lijden te kunnen ontsnappen door te stoppen met wat we deden, ons terugtrekken en verstarren. Als we ons ertoe kunnen zetten om het lichaam weer in beweging te brengen, dan vermindert dat het lijden en de angst. 

Maar zo gemakkelijk is dat natuurlijk niet. Het blijkt te helpen als we die fysieke activiteit als een medische interventie krijgen voorgeschreven. Het zij zo.

vrijdag 18 februari 2022

Hoe krijgen we een betere samenleving? Door meer rekening te houden met de fundamentele menselijke behoefte aan sociale veiligheid - Een eerste stapje zou zijn om het pestprobleem op scholen aan te pakken

In hoe we onze samenleving inrichten houden we veel te weinig rekening met de fundamentele menselijke behoefte aan sociale veiligheid. De behoefte dus aan een omgeving waarin mensen elkaar vertrouwen en accepteren. Waarin het gemeenschapsgedrag overheerst en het statuscompetitiegedrag geen kans krijgt. 

Onze huidige samenleving komt veel te weinig aan die behoefte tegemoet. Vandaar dat we de stress van statuscompetitie, ongelijkheid, armoede, angstgevoelens en eenzaamheid kennen en daarmee samenhangend de hoge prevalentie van psychische aandoeningen

Maar hoe richt je de samenleving anders in? Als je daar bij stilstaat, dan zinkt je al gauw de moed in de schoenen. Want waar te beginnen?

Welnu, we zouden kunnen beginnen met politici te kiezen die inzicht hebben in het fundamentele belang van die menselijke behoefte aan sociale veiligheid en die dus een beleid voorstaan waarin iedereen meetelt. Waarin de ongelijkheid en dus de statuscompetitie binnen de perken wordt gehouden. Waarin de menselijke waardigheid van het iedereen-telt-mee voorop staat. Waarin niet een minister voor armoedebeleid nodig is omdat andere ministeries er al voor zorgen dat niemand in armoede hoeft te leven. Waarin iedereen een fatsoenlijk dak boven het hoofd heeft. Waarin werkgevers wettelijk verplicht zijn om hun werknemers een sociaal veilige werkomgeving te bieden. Waarin ondernemingen met een wettelijk omschreven taakopdracht tot maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn toegerust. Kortom, een beleid dat gebaseerd is op het inzicht dat de maatschappij een gezamenlijk moreel project is.

Daar zouden we allemaal mee kunnen beginnen. 

Maar dan is er ook nog een ander begin. Want waar begint in de levensloop de (confrontatie met) statuscompetitie? 

Die begint voor iedereen op het moment dat we de sociale veiligheid van het gezin waarin we opgroeiden, die er gelukkig vaak is, moeten verlaten en we voor het eerst te maken krijgen met de onveiligheid van de statuscompetitie. Dat is dus op het moment dat we onze kinderen naar school sturen. En dus naar de sociaal onveilige omgeving die we gecreëerd hebben met de wijze waarop we het onderwijs georganiseerd hebben. Die sociale onveiligheid blijkt eruit dat zoveel kinderen gedurende hun onderwijsloopbaan met pesten te maken krijgen. 

Van pesten weten we dat het onderdeel is van dat vermaledijde statuscompetitiepatroon. En er zijn aanwijzingen dat die onderlinge statuscompetitie in het onderwijs in de hand wordt gewerkt doordat scholen te groot zijn en doordat er op de meeste scholen naar leeftijd gegroepeerd wordt. Zie Minder pesten door kleinere scholen en leeftijdsgemengde groepen

Daarin ging het er ook over hoe ernstig dat pestprobleem is, zowel op de korte termijn als op de lange termijn. Gepest worden is stressvol en laat diepe littekens na. Het leert kinderen dat je in onze maatschappij in sociaal onveilige omgevingen terecht kunt komen en sociale onveiligheidsgevoelens zijn een belangrijke, zo niet de voornaamste, oorzaak van psychische aandoeningen.

Over dat pesten op scholen en de negatieve gevolgen ervan is nu het proefschrift Bullying Victimisation throught an Interpersonal Lens verschenen, waarop Minita Franzen vorige week in Groningen promoveerde. Het hieraan voorafgaande is eigenlijk een wat lang uitgevallen inleiding op wat ik uit dat proefschrift naar voren wilde halen.

Minita Franzen onderzocht het verband tussen gepest worden en de kans op het ontwikkelen van een depressie. Ze doet dat met een theoretisch kader, de Contemporary Integrative Interpersonal
Theory
(CITT), dat sterke overeenkomsten vertoont met de eerste twee stellingen van de op dit blog veel voorbijkomende Dual Mode-theorie. Gedrag tussen mensen kan volgens die theorie langs twee dimensies worden gekarakteriseerd, die van Agency (overeenkomend met statuscompetitiegedrag) en die van Communion (overeenkomend met gemeenschapsgedrag). De dimensie van gemeenschapsgedrag loopt van het uiterste van vijandigheid naar het andere uiterste van vriendelijkheid. En de dimensie van statuscompetitie loopt van overheersing naar onderwerping. Dat komt overeen met de Eerste stelling van de Dual-Mode theorie.

Bovendien lokt het statuscompetitiegedrag van de een dat van de ander uit: dat wil zeggen, het overheersend gedrag van de een vergroot de kans op onderwerpingsgedrag van de ander. En op de dimensie gemeenschapsgedrag lokt vijandigheid van de een vijandigheid van de ander uit en vriendelijkheid van de een vriendelijkheid van de ander. Het verschil met de tweede Stelling van de Dual-Mode-theorie is dat daar statuscompetitiegedrag van de een dat van de ander uitlokt, wat zowel kan leiden tot een manifeste statusstrijd als een stabiel statusverschil, waarin de een overheerst en de ander zich onderwerpt.

Hoe dan ook, Minita Franzen beschouwt het pestgedrag als een poging tot overheersing en de reactie daarop van het slachtoffer als onderwerping. En een uitingsvorm van onderwerping is depressie. Gepest worden leert je dat de wereld onveilig is en dat onveiligheidsgevoel zet aan tot depressief gedrag, met symptomen als neerslachtigheid, slecht over jezelf denken, slecht slapen, concentratieproblemen, nergens in geïnteresseerd zijn en zelfmoordgedachten hebben. Noch de wereld om je heen, noch jijzelf zijn nog de moeite waard. Volgens de evolutionaire psychiatrie is depressief gedrag een aanpassing aan het door anderen gedomineerd worden, als een poging om de schade nog zoveel mogelijk te beperken. "Ik ben al verslagen en ben geen gevaar meer."

Klopt het nu dat gepest worden en gepest zijn de kans op depressie vergroot? Ja, Minita Franzen vindt daar voor aanwijzingen. Scholieren die gepest werden toen ze 13 jaar waren, hadden op 19-jarige leeftijd meer depressieve symptomen. Bovendien bleek dat ze toen ze 16 jaar waren meer vijandigheidsgevoelens hadden, wat je kunt zien als een aanwijzing dat ze de wereld als sociaal onveiliger zagen. En die sociale onveiligheidsgevoelens bleken een tussenliggende schakel te zijn: een derde van het verband tussen het gepest zijn en de latere depressiesymptomen werd verklaard door die onveiligheidsgevoelens.

Kortom, het aanpakken van dat pestprobleem, waar zo veel scholieren mee te maken hebben, zou een goed eerste stap op weg naar een betere samenleving. Waarin we dus meer rekening houden met die fundamentele menselijke behoefte aan sociale veiligheid.

donderdag 4 juni 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 8

De tweede van de drie wegen die van "fundamentele bedreigingen van iemands fysieke en psychologische veiligheid" naar het optreden van een of meer psychische aandoeningen leiden, wordt door Caspi en Moffitt aangeduid als stress generation. Zie hier het bericht over de eerste weg, die van stress inbedding.

Stress teweegbrenging, om stress generation daar maar mee te vertalen, slaat erop dat het ondergaan van die fundamentele bedreigingen en van de stress die ze oproepen je kan aanzetten tot gedrag dat bij anderen reacties oproept of die je in situaties brengt die nieuwe stress teweegbrengen. Het onderscheid met stress inbedding lijkt mij subtiel, maar zoals vaker in de sociale wetenschap gaat het wel om verschillende onderzoekslijnen.

Een onderzoekster die je in deze onderzoekslijn veel tegenkomt is Constance Hammen. In Stress Generation in Depression: Reflections on Origins, Research, and Future Directions (2006) vatte zij de gedachte erachter als volgt samen:

The stress generation perspective in its barest form is the empirical demonstration that individuals with depressive disorders experience more episodic stressful life events that are due at least in part, to their own characteristics and behaviors than do individuals without depression histories (Hammen, 1991). It appears that depressive individuals are actively contributing to stressful environments, with the implication that such stressful conditions are likely to precipitate continuing or recurrent depression.

Caspi en Moffitt omschrijven het als volgt:

Stress generation occurs as individuals who are maltreated behave in ways that contribute to the occurrence of other negative events in their lives, including further and new forms of victimization (revictimization).

De indruk die daaruit en uit Stress generation: Future directions and clinical implications naar voren komt, is dat er inderdaad tal van aanwijzingen zijn dat niet alleen blootstelling aan stressvolle gebeurtenissen, zoals kindermishandeling, de kans op depressie vergroot, maar dat vervolgens ook depressie gepaard gaat met een negatieve kijk op de wereld en zichzelf en met daarmee samenhangende gedragingen tegenover anderen die via de reacties van anderen daarop de depressie in stand houden of doen terugkeren. Het gaat dan om zaken als een negatieve cognitieve stijl, gevoel van hopeloosheid, excessieve zelfkritiek, piekeren, vermijdende of angstige hechting, excessieve afhankelijkheid, moeite met je te laten gelden, excessieve zorgzaamheid, agressie en excessieve openhartigheid. 

Allemaal trefwoorden waarvan je je gemakkelijk kunt voorstellen dat het ernaar handelen op sociaal vlak negatief uitwerkt. En dus juist niet behulpzaam is bij pogingen om je beter te voelen. En zelfs averechts werken.

Natuurlijk vraag je je af hoe het komt dat het belanden in een depressie aanzet tot een manier van denken en tot gedrag die de ellendige toestand waarin je verkeert in stand houdt of zelfs verergert. Maar het opvallende aan al die literatuur over stress teweegbrenging is dat die vraag eigenlijk niet aan de orde lijkt te komen. De onderzoekers lijken, om in stijl te blijven, excessief empirisch te opereren. Er is eerst al het onderzoek naar de relatie tussen het ondergaan van stressvolle gebeurtenissen en het als gevolg daarvan optreden van depressie. Dan komt iemand op het idee dat de relatie ook andersom kan liggen: depressie genereert zelf ook weer stressvolle gebeurtenissen. Waarna de onderzoekers daar mee aan de haal gaan om te kijken of dat wel klopt.

Theoretische vermoedens spelen daarin geen rol van betekenis. Ik kwam ze niet tegen. Terwijl het zo voor de hand ligt om te denken dat al die psychische aandoeningen en die p-factor die eraan ten grondslag ligt, te maken hebben met die mismatch tussen onze aanleg en de maatschappij waar we in zijn beland. We worden immers, zie het eerste bericht van deze reeks

in onze huidige sociale omgeving veel geconfronteerd ... met de uitdagingen van statuscompetitie en eenzaamheid, uitdagingen omdat ze niet stroken met onze behoeften aan sociale veiligheid en vertrouwdheid. Het omgaan met die uitdagingen is vaak "succesvol", maar gaat ook dan gepaard met stress. Denk aan het bericht over allostatische belasting en de levensloop.

Die evolutionaire benadering van de vraag hoe het komt dat zoveel mensen lijden aan een psychische aandoening, komt echter in al dat onderzoek naar stress teweegbrenging niet aan de orde. Terwijl die juist inzicht kan geven in bijvoorbeeld de vraag waardoor het lijden aan een depressie gedachten en gedrag teweegbrengen die hun lijden juist verlengen of verergeren.

Ik moest in mijn gedachten even een stap achteruit doen om zicht te krijgen op een andere onderzoekslijn, die van de evolutionaire psychiatrie. Waarin juist die gedachte van de mismatch centraal staat. En ik herinnerde me dat ik Evolutionary Pschiatry. A new beginning (2000) van Anthony Stevens en John Price in de boekenkast heb staan. (Ik zie nu dat het in 2015 is herdrukt.) Op enig moment kom ik er verderop in deze reeks berichten op terug. Terzijde: het blijft verbazen dat in de sociale wetenschappen onderzoekslijnen die inhoudelijk sterk met elkaar samenhangen, zich zo gescheiden van elkaar kunnen ontwikkelen.
Zie hier het volgende bericht.

maandag 18 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 3

Ligt er een gemeenschappelijke factor ten grondslag aan die veelheid van psychische aandoeningen die wordt onderscheiden in de DSM-5? En hangt de aard van die factor er mee samen dat er een mismatch bestaat tussen onze aanleg en de sociale omgeving waarin we zijn terechtgekomen?

In het vorige bericht waren we, aan de hand van de onderzoekers Caspi en Moffitt, zo ver gevorderd dat een driedeling mogelijk blijkt, waarin internaliserende en externaliserende stoornissen en schizofrenie worden onderscheiden. 

Maar ook die driedeling blijkt verder te kunnen worden gereduceerd. Caspi en Moffitt geven drie aanwijzingen in die richting.

In de eerste plaats blijkt dat zelfs ook deze drie domeinen met elkaar samenhangen. Anders gezegd, de kans dat iemand met een aandoening in het ene domein ook een aandoening in een van de twee andere domein heeft, is behoorlijk groot. De correlaties die worden gevonden liggen rond de 0,5.

In de tweede plaats blijkt dat als je mensen blijft volgen dat een aandoening uit het ene domein later net zo goed gevolgd kan worden door een andere aandoening uit een ander domein dan uit hetzelfde domein.

En tenslotte blijkt dat de overerfbaarheid van aandoeningen zich weinig aantrekt van die driedeling.

Dit leidde ertoe dat onderzoekers serieus rekening gingen houden met de mogelijkheid van het bestaan van een enkele factor die staat voor iets dat de vatbaarheid voor psychische aandoeningen, welke dan ook, bepaalt. De eerste publicatie die daaruit voortkwam, dateert uit 2012: Is there a general factor of prevalent psychopathology during adulthood?     

In 2014 bouwden Caspi, Moffit en anderen daarop voort: The p Factor: One General Psychopathology Factor in the Structure of Psychiatric Disorders?  En toen ontstond ook de naam p-factor, naar analogie met de g-factor die ten grondslag ligt aan de verschillende vormen van intelligentie.

Maar wat is die p-factor? Bedenk dat het tot dan uitsluitend ging om statistische analyses, zonder een theoretisch vermoeden zoals dat van die mismatch tussen aanleg en omgeving. Voor een mogelijke inhoudelijke invulling lopen Caspi en Moffitt vier vermoedens langs: neuroticisme (emotionele instabiliteit), gebrekkige impulscontrole, gebrekkig intellectueel functioneren (in een maatschappij die hoge eisen stelt) en verwardheid in gedachten en manier van denken.

Die laatste mogelijkheid vinden ze het meest intrigerend. Want het optreden van irrationele, ongewenste gedachten is niet alleen kenmerkend voor psychoses, maar ook voor depressies, angststoornissen, eetstoornissen, posttraumatische stress, somatoforme klachten (lichamelijke klachten zonder aanwijsbare fysieke oorzaak), dissociatie (verlies van contact met de werkelijkheid), verslavingsstoornis en antisociaal gedrag.

Stel dat het inderdaad zo is dat die p-factor zo sterk te maken heeft met die verwardheid in gedachten en manier van denken, met het onvermogen om irrationele, ongewenste gedachten te onderdrukken, hoe valt dan te verklaren dat dat patroon zoveel voorkomt? Zoveel dat kennelijk slechts één van de vijf mensenlevens er van gevrijwaard is? En kan dat dan te maken hebben met die mismatch? Meer in het volgende bericht. (Hint: denk aan het bericht Door eenzaamheid meer paranoïde gedachten.)

donderdag 14 mei 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 2

Wat zijn de aanwijzingen dat er aan de grote diversiteit aan psychische aandoeningen, zoals geclassificeerd in de DSM-5, een gemeenschappelijke factor ten grondslag ligt? Dat was de vraag die in het vorige bericht aan de orde kwam, met als achtergrond dat het feit dat psychische aandoeningen zoveel voorkomen te maken zou kunnen hebben met de mismatch tussen onze aanleg en de aard van de sociale omgeving waarin we tegenwoordig leven.

Aanleiding tot het stellen van die vraag is ook het begin deze maand in Nature verschenen artikel The hidden links between mental disorders. Daarin wijst Michael Marshall op het vele recente onderzoek dat probeert om meer te weten te komen over de biologische grondslag van al die aandoeningen in plaats van het steeds maar gedetailleerder classificeren. Het meest radicale voorstel dat daaruit naar voren komt is dat er een enkele factor is die mensen vatbaar maakt voor psychopathologie. Een overzichtsartikel waar Marshall in dat verband naar verwijst is All for One and One for All: Mental Disorders in One Dimension uit 2018 van het gerenommeerde onderzoekersduo en echtpaar Avshalom Caspi en Terrie E. Moffit. Dat geeft wel een heel fraai overzicht van voor mij deels bekende, maar deels ook nieuwe inzichten.

Het verhaal begint met de de voorloper van de DSM-5, de DSM-3, die dateert van 1980 en die de hoop wekte dat alle aandoeningen er netjes mee konden worden geclassificeerd met bijbehorende symptomen en behandelingen. Maar dat viel tegen. Een van de eerste opduikende problemen was het verschijnsel van de comorbiditeit. Het bleek dat het voldoen aan de diagnostische criteria voor een aandoening vaak samen gaat met het voldoen aan de criteria van een andere aandoening. Van de mensen die over een periode van 25 jaar gevolgd werden, bleek van de groep die op enig moment voor een aandoening gediagnosticeerd werd, 66 procent op enig ander moment ook voor een tweede aandoening een diagnose te krijgen. En van de groep met twee diagnoses kreeg 53 procent op enig moment een derde diagnose, waarvan weer 41 procent een vierde diagnose kreeg. (Het ging in totaal om zeven verschillende diagnoses: angststoornis, depressie, ADHD, gedragsstoornis, verslaving, bipolaire stoornis en schizofrenie.)

Dat zette natuurlijk aan het denken. Het suggereerde dat een minder fijne indeling realistischer zou zijn. Die ook werkbaarder zou zijn voor behandelaars. Dat leidde tot een onderzoek waarin werd uitgezocht of een bekende tweedeling van aandoeningen die veel werd gebruikt voor kinderen ook geldig zou kunnen zijn voor volwassenen. Het gaat om de tweedeling in internaliserende (angst en depressie) en externaliserende stoornissen (agressie, delinquentie en hyperactiviteit/impulsiviteit). Want waarom zou die voor jeugdigen bruikbare tweedeling ineens niet meer gelden na de overgang naar volwassenheid?

En inderdaad, een zogenaamde confirmerende factoranalyse van een groot databestand leverde op dat de comorbiditeit vooral plaatsvond binnen deze twee categorieën. Een internaliserende categorie met stemmings- en angststoornissen, zoals depressie, algemene angststoornis, paniekstoornis en sociale fobieën en een externaliserende categorie met verslavingsgeneigdheid en antisociaal gedrag.

Maar dat liet de schizofrenie buiten beschouwing, het aanhoudend lijden aan psychotische verschijnselen. Dat lag eraan dat in veel onderzoek daar niet naar gevraagd werd omdat het minder zou voorkomen en omdat verondersteld werd dat mensen op vragen daarnaar niet zouden willen of kunnen antwoorden. Maar later bleek dit allebei niet te kloppen. En dus werd de indeling uitgebreid met een derde categorie, die van de schizofrenie, met klachten als psychotische ervaringen, hallucinaties, achterdochtigheid, verlies van contact met de werkelijkheid (dissociatie) en ongeorganiseerde gedachten.

Een driedeling dus. Maar ook dat bleek niet de oplossing. Meer daarover in het volgende bericht.

dinsdag 25 september 2018

Nieuwe aanwijzing voor negatieve gezondheidseffecten van baanonzekerheid - Menselijke behoeftes stroken slecht met de eisen van de markt

Er zijn steeds meer aanwijzingen dat het in de afgelopen decennia om zich heen grijpende marktdenken (ook wel neoliberalisme genoemd) tegen zijn grenzen oploopt. Anders gezegd, dat de vertaling van dat denken in beleid grote negatieve gevolgen heeft.

Onderdeel van dat denken is dat de arbeidsmarkt als een markt als alle andere dient te worden beschouwd. En dat deregulering nodig is om de flexibiliteit te verhogen en de markt dus beter te laten werken. In dat denken is "marktwerking" voor overheidsbeleid het laatste criterium, met verwaarlozing van wat mensen aankunnen en van wat ze nodig hebben.

Ontslagbescherming? Weg ermee. Als werknemers daardoor meer baanonzekerheid ervaren, dan is dat juist een bedoeld effect. Want mensen hebben immers prikkels nodig om zich in te spannen.

Een nieuwe studie die wijst op de negatieve gezondheidsgevolgen van zulk beleid is de masterscriptie (!) The causal effect of job insecurity on health – Study based on a sample of the elderly from 20 different European countries, waar ESB op attendeert. Zie voor eerder onderzoek naar de negatieve gevolgen van baanonzekerheid, niet alleen voor de gezondheid, maar ook voor de kans op rechts-extremisme, de berichten op dit blog achter het label baanonzekerheid.

De onderzoeker analyseert de data van de Survey of Health, Aging and Retirement in Europe, die in 20 Europese landen gedurende meerdere jaren is afgenomen onder werknemers van 40 tot 70 jaar. Daarin was zowel gevraagd naar de ervaren mate van baanonzekerheid als naar een heel scala aan gezondheidsaspecten. Doordat in de analyses de mate van ontslagbescherming per land als instrumentele variabele werd meegenomen, kon ook echt een oorzakelijk verband tussen baanonzekerheid en gezondheid worden vastgesteld.
Het zou zo kunnen zijn dat werknemers met meer gezondheidsproblemen meer in onzekere banen terechtkomen. Maar die omgekeerde oorzakelijkheid kon dus worden uitgesloten.
Het blijkt dan dat het negatieve effect van baanonzekerheid op de gezondheid aanzienlijk is. Zo verhoogt baanonzekerheid de kans op een depressie met 13 procentpunten.

Zoals gezegd, dat marktdenken gaat over een fantasiewereld waarin mensen zich geruisloos aanpassen aan wat de markt vraagt. Alles wat we weten over het grote belang van bestaanszekerheid voor mensen wordt genegeerd.
Toevallig is er vandaag ook de nieuwe studie over het belang van dagelijkse routines voor het gevoel een zinvol leven te leiden: Routines and Meaning in Life. Mensen hebben nu eenmaal behoeftes en het is wel heel naïef om te denken dat die altijd stroken met de eisen die de markt stelt.

donderdag 11 januari 2018

Meer over het verband tussen het gebruik van sociale media en eenzaamheid

Marlies Maes reageerde op Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen met een verwijzing naar het overzichtsartikel Loneliness and Social Internet Use: Pathways to Reconnection in a Digital World?

Dat overzicht van onderzoek laat zien dat het gebruik van sociale media niet alleen samen kan gaan met meer eenzaamheid, maar ook juist met minder eenzaamheid. Het hangt er maar vanaf waar je die sociale media voor gebruikt.

Er zijn er die er hun bestaande sociale contacten beter mee weten te onderhouden of er zelfs nieuwe contacten mee weten te leggen, en dat vermindert dus de kans op eenzaamheid. Dat wil zeggen, onder de voorwaarde dat de online interacties maar genoeg worden aangevuld met de offline interacties. Dit eenzaamheidsreducerende effect bestaat opvallend vaak bij ouderen.

Maar bij anderen komt de activiteit op sociale media meer in de plaats van offline interacties en dat heeft een eenzaamheidsverhogend effect. Je hebt dan immers minder bevredigender en stimulerender interacties "in het echt", waardoor je je eenzamer gaat voelen.

Daar komt nog het tweerichtingsverkeer bij: niet alleen maakt sociale media-activiteit eenzamer, maar ook vergroot eenzaamheid het sociale mediagebruik. Degenen die al eenzaam zijn, trekken zich nog meer terug en gaan het internet op.

Al deze inzichten komen voort uit zogenaamd cross-sectioneel onderzoek, waarin mensen worden vergeleken die meer of juist minder actief zijn op de sociale media.

In het onderzoek van Jean Twenge waar het in Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen over ging, worden generaties vergeleken. En daaruit valt op te maken dat de generatie die is opgegroeid met internet en sociale media in vergelijking met de vorige generaties meer tijd doorbrengt met online interactie en minder met offline interacties. En zich daardoor meer eenzaam voelt en meer buitengesloten. Mezelf citerend:
Tussen 2000 en 2015 nam het aantal adolescenten dat bijna elke dag vrienden ontmoet met meer dan 40 procent af. Rondhangen met vrienden is sterk afgenomen. In plaats daarvan hangen ze meer rond op de sociale media.
En daarmee samenhangend nam de kans op symptomen van depressie en op zelfmoordgedachten toe. Ook weer in vergelijking met de vorige generaties.

Het zal dus zeker zo zijn dat er binnen deze generatie verschil is in de manier waarop de sociale media worden gebruikt. Sommigen zullen ze zo gebruiken dat ze er juist minder eenzaam door worden. Maar per saldo is de kans op eenzaamheid in vergelijking met de vorige generaties dus toegenomen.

donderdag 28 december 2017

Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen

Update. Een versie van dit bericht is nu ook als gastblog te lezen op Samen tegen eenzaamheid.
Twee vragen over het gebruik van sociale media kwamen in het vorige bericht niet aan de orde:
  • komt communicatie via de sociale media in de plaats van real life-ontmoetingen?
  • als dat zo is, heeft dat dan negatieve welzijnseffecten?
Antwoorden op die vragen komen naar voren uit het onderzoek van Jean Twenge, waarover ze verslag doet in The Atlantic: Have Smartphones Destroyed A Generation?

Jean Twenge doet al langer onderzoek naar verschillen tussen generaties. Eerder kwamen we haar tegen toen het ging om de toename van narcisme in de Verenigde Staten sinds de jaren 50 van de vorige eeuw. Nu gaat het over de generatie, die ze iGen noemt en die geboren is tussen 1995 en 2012. Het is de generatie die opgroeide met de smartphone, met een Instagram account nog voor ze naar het voortgezet onderwijs gingen en zonder herinnering aan een tijd van voor het internet.

En dit blijkt precies de generatie te zijn die meer tijd doorbrengt op sociale media en minder tijd besteedt aan real life ontmoetingen met vrienden buitenshuis. Tussen 2000 en 2015 nam het aantal adolescenten dat bijna elke dag vrienden ontmoet met meer dan 40 procent af. Rondhangen met vrienden is sterk afgenomen. In plaats daarvan hangen ze meer rond op de sociale media.

Bij de jongste generatie is het dus inderdaad zo dat tijdsbesteding aan sociale media, zoals in je eentje op je kamer op je bed liggen met je telefoon, in de plaats is gekomen van echte sociale activiteiten.

Het doet me denken aan de supernormale stimulus van Niko Tinbergen: dat grote, felgekleurde ei, waar de zeemeeuwen energiek op gingen zitten broeden in plaats van op hun echte eieren. Facebook, Snapchat, Instagram en al die sociale media als een overdreven, in het oog springend sociaal domein, dat verleidt en opslokt.

En heeft dat verleid worden en opgeslokt worden dan negatieve welzijnseffecten?

Nou, reken maar. Hoe meer tijd doorgebracht op Facebook, hoe ongelukkiger. Zonder aanwijzingen voor het omgekeerde verband: hoe ongelukkiger, hoe meer je op Facebook zit.

Bovendien zijn de adolescenten die elke dag op de sociale media actief zijn en minder vrienden in het echt ontmoeten, precies degenen die zich vaker eenzaam en buitengesloten voelen. En ze hebben een grotere kans op symptomen van depressie en op zelfmoordgedachten.

Een deel van de verklaring zou kunnen zijn dat je je meer buitengesloten gaat voelen hoe meer je voortdurend geïnformeerd wordt, via die sociale media, hoe leuk anderen het samen hebben. Want iedereen die iets leuks doet, maakt daar meteen digitaal gewag van. Twenge daarover:
For all their power to link kids day and night, social media also exacerbate the age-old teen concern about being left out. Today’s teens may go to fewer parties and spend less time together in person, but when they do congregate, they document their hangouts relentlessly—on Snapchat, Instagram, Facebook. Those not invited to come along are keenly aware of it. Accordingly, the number of teens who feel left out has reached all-time highs across age groups. Like the increase in loneliness, the upswing in feeling left out has been swift and significant.
En dat doet natuurlijk denken aan Over het sociale leven van anderen zijn we eenzijdig geïnformeerd. Daarom denken we dat anderen een rijker sociaal leven hebben.

dinsdag 14 maart 2017

Naast het ontvangen van steun is het geven van steun goed voor je

Toen sociaalwetenschappelijk onderzoekers zich bezig gingen houden met het verband tussen sociale omgeving en welbevinden en gezondheid, zaten ze aanvankelijk op het spoor dat het ontvangen van sociale steun voor dat verband verantwoordelijk is. Volgens die redenering is het hebben van relaties met familie en vrienden goed voor je doordat zij jouw (materiële en emotionele) steun geven als je die nodig hebt en is het die ontvangen steun die positieve effecten heeft. Zie Gezondheid en sociale omgeving (2): sociale steun ontvangen, waarnemen en geven.

Die redenering was nog gebaseerd op een economisch gedragsmodel van eigenbelang en het afwegen van kosten en baten. Ontvangen steun ligt aan de batenkant en het is dus "logisch" dat je je daardoor beter voelt.

Volgens diezelfde redenering zou dus het geven van steun aan anderen negatieve effecten moeten hebben. Het gaat immers om kosten. Maar dat bleek dus al gauw niet te kloppen. Als je in onderzoek mensen vraagt naar hoeveel steun ze ontvangen en hoeveel ze geven, dan komt daar eigenlijk altijd uit dat beide positief uitwerken op het welbevinden en de gezondheid en de levensduur.

En dat is in de sociale wetenschappen een van de aanleidingen geweest om dat economische gedragsmodel te vervangen door een evolutionair-psychologisch model van de mens als een sociale diersoort. Exemplaren van een sociale diersoort zijn voor hun overleving en reproductie afhankelijk van het hebben van goede relaties met anderen en zijn er op geselecteerd om het prettig te vinden die anderen bij te staan. Niet uit economische (!) berekening, maar doordat het goed voelt. Vandaar het inzicht dat mensen van nature goed zijn. Zie Zijn wij van nature goed? Ja, maar... en Zijn mensen van nature zorgverleners? Waarom voor een ander zorgen goed voor je is.

Het nieuwe onderzoek The psychological costs of social support imbalance: Variation across relationship context and age is de aanleiding om daar weer eens bij stil te staan. Uit analyses van het Midlife in the United States - project blijkt dat zowel het ontvangen als het geven van steun elk op zich samen gaan met minder stress, minder depressieve klachten, minder angstgevoelens en een betere stemming.

Wat er weer eens op wijst dat mensen van nature zorgverleners zijn. Denk er ook nog even aan dat een zinvol leven leiden, wat onder meer inhoudt dat je anderen bijstaat, beter voor je is dan gelukkig zijn (Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter).

In het onderzoek werd ook gekeken naar de effecten van onevenwichtigheid in het uitwisselen van steun, dus van het meer steun krijgen dan geven en andersom. Daaruit blijkt dat beide minder gunstig uitwerken in vergelijking met een toestand van evenwicht, dus niet alleen het minder krijgen dan geven, maar ook het minder geven dan krijgen. Maar dat laat onverlet dat het geven van steun goed voor je is.

zaterdag 1 oktober 2016

Is er een gen voor eenzaamheid? En over maatschappijvergelijking

Is er een gen voor eenzaamheid? Nee, dat lijkt niet het geval te zijn. Uit vorig onderzoek kwamen wel varianten van bepaalde genen als kandidaat naar voren, maar in nieuw onderzoek met een groot databestand (10.760 Amerikanen van 50 jaar en ouder) houdt geen van die mogelijke verbanden stand (Genome-Wide Association Study of Loneliness Demonstrates a Role for Common Variation). Zie ook de samenvatting van het onderzoek in ScienceDaily.

Ik was er benieuwd naar om welk gen of samenstel van genen het zou kunnen gaan en naar de associaties met andere gedragskenmerken. Toch geeft dit nieuwe onderzoek over dat laatste wel enig inzicht.

Want de onderzoekers konden een schatting maken van de overerfbaarheid van eenzaamheid. Eenzaamheid, niet als een tijdelijk fenomeen, maar als de kans op eenzaamheid gedurende de levensloop, blijkt voor 14 tot 27 procent genetisch bepaald.

Wat dat precies betekent, wordt iets duidelijker als je bedenkt dat er een gemeenschappelijke overerfbaarheid blijkt te zijn van eenzaamheid, neuroticisme, extraversie en depressieve symptomen. Dat doet vermoeden dat een genetische "verklaring" voor eenzaamheid en een maatschappelijke verklaring niet los van elkaar staan.

Want het zou kunnen zijn dat je in een land als de Verenigde Staten behoorlijk emotioneel stabiel moet zijn (tegenovergestelde van neuroticisme), behoorlijk extravert en weinig depressief om niet eenzaam te worden. In andere landen of sociale omstandigheden zou dat anders kunnen zijn.

Denk (weer) even aan de Boliviaanse Tzimane, die misschien qua aanleg voor neuroticisme niet verschillen van Amerikanen, maar die in een sociale omgeving hun leven doorbrengen waarin die aanleg helemaal niet tot uiting kan komen. Zie (nog eens) het bericht Waarom zijn we eigenlijk niet allemaal emotioneel stabiel?

Want Amerikanen (en wij Nederlanders) leven in een maatschappij waarin we bloot staan aan de uitdagingen van het vermijden van sociaal isolement en van het moeten meedoen aan de statuscompetitie. Wat onder meer inhoudt dat je je voortdurend beter en krachtiger en slimmer moet voordoen dan je bent. Dat wij met die uitdagingen worden geconfronteerd, betekent dat wij aanhoudend stressvolle gebeurtenissen meemaken: bedreigingen die met afwijzing en eenzaamheid en met strijd en nederlaag te maken hebben..

Dat is dus een sociale omgeving waarin het helpt, ja, noodzakelijk is, om emotioneel stabiel te zijn, om extravert te zijn en om niet last te hebben van een neiging tot depressiviteit.

Vergelijk dat met de uitdagingen waar de Tzimane mee te maken krijgen: ze moeten voldoende pro-sociaal zijn (genereus, vriendelijk en bescheiden) en ze moeten zich voldoende inspannen voor het welzijn van de groep. (Ze leven in verwantschapsgroepen van tussen de 30 en 500 personen.)

Een sociale omgeving waar je, als je die uitdagingen voldoende aan kunt, als vanzelfsprekend wordt geaccepteerd om wie je bent. Een sociaal veilige omgeving, waarin verschillen in de aanleg voor eenzaamheid, neuroticisme, extraversie en depressie niet aan het licht komen.

Zo kom je van een onderzoek naar de genetische aanleg voor eenzaamheid zomaar terecht bij een sociaalwetenschappelijke maatschappijvergelijking.

donderdag 12 mei 2016

Over psychisch lijden en de mythe van de verwende baby

Waardoor is er onder mensen zoveel psychisch lijden? Hoe komt het dat er zoveel mensen (ruim meer dan een miljoen) lijden aan angststoornissen? En hoe komt dat er zoveel last hebben van stemmingsstoornissen, zoals depressie (zeker 800.000)?

Dit zijn cijfers voor Nederland. Zie het bericht Hoeveel Europeanen lijden aan een mentale stoornis? voor Europese cijfers.

Bedenk daarbij dat het gaat om het aantal vastgestelde gevallen in een jaar. Dat wijst op veel hogere cijfers als je zou kijken naar hoeveel mensen er gedurende hun leven last van hebben gehad.

En bedenk dat er aanwijzingen zijn voor een stijgende trend, niet alleen van diagnoses, maar van echte gevallen.

Aafke Hendriks gaat in haar boek Terug naar onze zoogdierlijke roots. Over de oorzaak van psychisch lijden op zoek naar een antwoord. Mijn samenvatting daarvan is dat we in de loop van de menselijke geschiedenis een wijze van samenleven hebben doen ontstaan die maar beperkt tegemoetkomt aan onze natuurlijke behoeften.

Welke behoeften zijn dat? Kort gezegd: de behoefte aan bestaanszekerheid, die we delen met alle dieren, en de behoefte aan sociale geborgenheid, die we delen met andere zoogdieren.

Eerst maar even over die bestaanszekerheid. Over het belang daarvan heb ik eerder geschreven. Zie hier en hier. Maar dit boek attendeert me er op dat die behoefte (natuurlijk) al levensgroot aanwezig is bij de pasgeboren baby. Aafke Hendriks inventariseert het onderzoek daarover en concludeert dat behoeftebevrediging bij een pasgeborene boven alles gaat;
Voor een gezonde ontwikkeling moeten in het eerste half jaar na de geboorte alle behoeften meteen bevredigd worden, zo simpel is het gewoon. En deze fase hoef je echt nog niet bang te zijn dat je verwende of afhankelijke kinderen aan het kweken bent. (...) Een pasgeborene heeft als hij niet in zijn natuurlijke behoeften voorzien wordt niet de mogelijkheid het dan maar zelf te regelen en heeft geen besef van tijd. Het ervaart een situatie waarin het wacht op bevrediging van een bepaalde behoefte daarom als zeer beangstigend en afschrikwekkend.
Die extreme mate van afhankelijkheid van mensenbaby's verklaart tegelijk de sterke behoefte aan sociale geborgenheid, dus aan de nabijheid van de moeder en/of andere vertrouwde anderen die zorgen voor behoeftebevrediging. Doordat wij zo onrijp en hulpeloos geboren worden, zijn we geheel vervuld van die behoefte aan geborgenheid. En zijn we zo goed in staat om aandacht en engagement uit te lokken, niet alleen door te huilen, maar ook door oogcontact, brabbelen en imitatie.

En wat is nu het geval? Dat psychisch lijden van mensen op volwassen leeftijd heeft te maken met bestaansonzekerheid en de gebrekkige bevrediging van onze sociale behoeften (eenzaamheid). Maar die problemen zijn dus al begonnen vlak na de geboorte.

Want door de grote mate waarin onze gezinnen sociaal geïsoleerd zijn, wat we "normaal' zijn gaan vinden, staan moeders (en vaders) er in die eerste maanden en jaren veel te veel alleen voor. Pasgeboren baby's "verwachten" een hoeveelheid zorg en geborgenheid die in onze manier van leven praktisch niet meer op te brengen is.

Ook in jagers-verzamelaarssamenlevingen is een pasgeborene de meeste tijd in de nabijheid van de moeder. Maar altijd zijn er anderen in de directe omgeving die te hulp schieten, de baby overnemen, er mee spelen en er mee communiceren. Precies die grote mate van sociale inbedding van moeder en baby (coöperatieve zorg) maakt de kans op, uiteraard meestal onbedoelde, fysieke en emotionele verwaarlozing vele malen kleiner. Zie Een samenleving zonder emotionele verwaarlozing van kinderen. Kan dat? De Hadza.

Het wrange is dat die verwaarlozing in onze huidige maatschappij welhaast niet te voorkomen is. Vandaar dat psychisch lijden. En vandaar ook het verschijnsel van de postnatale depressie.

En het probleem is dat we dat nog altijd niet voldoende onder ogen zien. Dat we in plaats daarvan mythes in het leven roepen. Zoals dus de mythe van de verwende baby. En de mythe van de opvoedbaarheid.

Lezenswaardig en belangrijk boek!

maandag 25 januari 2016

Ruim een miljoen Nederlanders depressief - Wat is het echte wondermiddel tegen depressie?

Het CBS meldt vandaag dat ruim 1 miljoen Nederlanders aangeven een depressie te hebben of een depressie te hebben gehad in het afgelopen jaar. Hier zie je de verdeling over de leeftijdsgroepen:
Wat je ziet is dat depressies zich in de adolescentiefase beginnen te melden en dat de aantallen in de middelbare leeftijdsgroepen hun top bereiken. Dit suggereert de oorzakelijke werking van de statuscompetitie van opleiding en beroepsloopbaan. Die ons afleidt van waar het in het menselijk bestaan echt om gaat: het leiden van een zinvol leven. Dat dat zo is beginnen de meesten van ons pas op latere leeftijd door te krijgen. Merk op dat depressie na de leeftijd van 16 jaar het minst voorkomt bij de 65 tot 74-jarigen.

En ja, we weten dat het leiden van een zinvol leven het beste middel is tegen depressie. Zie Wat is het èchte nieuwe wondermiddel tegen depressie?

Maar wat is dat dan, een zinvol leven? Zie daar voor: Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.

maandag 9 november 2015

De dimensies van statuscompetitiegedrag - en de samenhang met depressie, angststoornis en manische symptomen

Het menselijke sociale gedrag kent twee patronen, dat van de statuscompetitie en dat van het gemeenschapsgedrag. In het verre verleden, in de Paleo Sociale Omgeving, waren mensen doordat ze in kleine groepen leefden in staat om het statuscompetitiegedrag sociaal te onderdrukken. Het was nodig om samen te werken en om voedsel te delen en dan kon je egoïsme, profiteursgedrag en meer willen dan een ander niet gebruiken.

Maar in onze huidige maatschappij is statuscompetitie veel moeilijker te onderdrukken en komt het dus ook veel meer voor. Ieder van ons moet leren daar mee om te gaan of heeft dat min of meer geleerd. Over wat dat bijvoorbeeld voor adolescenten betekent, zie de berichten De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait.

Allerlei nadelige effecten van statuscompetitiegedrag zijn bekend. Een cultuur van statuscompetitie leidt tot meer geweld, depressie en suïcide. Statuscompetitiegedrag verhoogt het stressniveau (allostatische overbelasting), maakt minder pro-sociaal, verhoogt de kans op pesten, evenals de kans op fraude en bedrog en de kans op futloosheid, vermoeidheid en hoofdpijn.

Er is nu nieuw onderzoek, The dominance behavioural system: A multidimensional transdiagnostic approachdat statuscompetitiegedrag weet te onderscheiden in verschillende dimensies en laat zien hoe die samenhangen met psychopathologie, in het bijzonder met depressie, angststoornis en manische symptomen. De resultaten van het onderzoek, onder studenten van een Amerikaanse universiteit, vatten de onderzoekers samen in onderstaande figuur.



Die zes dimensies van statuscompetitiegedrag vind je in de linkerkolom. Ik geef van elk een korte aanduiding.

Studenten die hoog scoorden op authentic pride wilden (o.a.) presteren, streefden succes na en hadden een hoge zelfwaardering.

Zij die hoog scoorden op hubris (hoogmoed) waren egoïstisch, arrogant, zelfgenoegzaam en ijdel.

Een hoge mate van discomfort in leadership betekende dat je geen leiderschapspositie nastreeft en vermijdt om macht uit te oefenen. Een hoge score op deze dimensie betekent een lage geneigdheid tot statuscompetitiegedrag.

Hoog scoren op cooperation houdt in dat je bereid bent naar anderen te luisteren, dat je bereid bent tot compromissen en dat je graag samenwerkt. Ook hier betekent een hoge score een lage geneigdheid tot statuscompetitie.

Hoog scoren op influence betekent dat je je in staat acht om anderen ergens van te overtuigen, dat je je zin kunt doorzetten en dat er naar jou wordt geluisterd.

En tenslotte betekent ruthless ambition dat je alles doet om hogerop te komen en dat hogerop komen voor jou belangrijker is dan loyaal zijn aan anderen.

In de figuur zie door middel van de getekende pijlen welke dimensies samenhangen met manische symptomen, depressie en angststoornis.

Wat meteen opvalt is dat hoogmoed sterk samenhangt met elk van de drie psychische problemen. Als statuscompetitie aanzet tot hoogmoedigheid, wat zo is, dan is dat een weg waarlangs de statuscompetitie in onze maatschappij bijdraagt tot psychopathie.

Daartegenover staat dat een authentiek gevoel van trots, willen presteren en geloof in jezelf hebben, juist de kans op zowel manische symptomen, depressie en angst verminderen.

Ook voor overtuigingskracht (influence) geldt dat het de kans op depressie en angststoornis vermindert. Bedenk daarbij dat een geringe overtuigingskracht staat voor het hebben van een lage status en voor de neiging tot onderwerping en onderdanigheid. En die laatste neiging ('ik heb toch niets in te brengen", "naar mij wordt toch niet geluisterd") blijkt dus de kans op depressie en angststoornis te verhogen.

Tenslotte zie je het verband van de meedogenloze ambitie met de kans op manische symptomen.

Het ontbreken van pijlen bij het wel of niet nastreven van leiderschap en het wel of niet bereid zijn tot samenwerken wijst er op dat hier geen samenhang met psychopathie werd gevonden.

Samengevat zijn het dus vooral de hoogmoed, de meedogenloze ambitie en de onderworpenheid/onderdanigheid die maken dat statuscompetitiegedrag een bijdrage levert aan psychopathie. De andere drie dimensies zijn wat dit aangaat onschuldiger.

Er zijn wel wat beperkingen aan dit onderzoek. Zo ontbreken andere vormen van psychopathie, zoals narcisme en de anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. En er is natuurlijk het bezwaar van de specifieke onderzoeksgroep: studenten. Je zou je bijvoorbeeld kunnen voorstellen dat een geringe bereidheid tot samenwerking je nog niet opbreekt zolang je als student door het leven gaat. Maar dat dat anders wordt als je later in een arbeidssituatie terecht komt.

woensdag 17 december 2014

Postnatale depressie en het sociale isolement van gezinnen

In de nieuwe studie Is Postpartum Depression a Disease of Modern Civilization? (betaalpoort) vragen de psychologen Jennifer Hahn-Holbrook en Martie Haselton zich af of de hoge prevalentie van postnatale depressie voortkomt uit kenmerken van onze huidige leefwijze. Is postnatale depressie net als obesitas, diabetes en hart- en vaatziekten een moderne beschavingsziekte? En spelen ook sociale kenmerken daarin een rol, zoals het historisch gezien grote sociale isolement van onze gezinnen?

Allereerst: komt postnatale depressie inderdaad zoveel voor? Ja, dat lijkt inderdaad het geval te zijn. Wereldwijd wordt geschat dat 13 procent van de vrouwen last heeft van depressieve symptomen in de eerste drie maanden na de bevalling. (Na wat zoeken kom ik voor Nederland schattingen tegen van tussen de 10 en 14 procent. En ik ontdek dat postnatale depressies niet worden geregistreerd.) Dat is een hoog percentage, gezien de schadelijke effecten die bekend zijn, zoals minder goede zorg voor de pasgeborene en grotere kans op cognitieve, sociale en gezondheidsproblemen op latere leeftijd. Er is zelfs een verband met kindersterfte.

De onderzoekers gaan na of dit er aan zou kunnen liggen dat onze leefwijze teveel afwijkt van de omstandigheden waaraan wij in ons evolutionaire verleden zijn aangepast. De omstandigheden dus van de pre-landbouwsamenlevingen. Deze mismatch-hypothese onderzoeken ze op het vlak van dieet, borstvoeding, fysieke beweging en blootstelling aan zonlicht.

Maar ook op het sociale vlak, namelijk als het gaat om het sociale isolement van gezinnen, dat zo kenmerkend is voor onze huidige leefwijze in vergelijking met de Paleo Sociale Omgeving.

Het blijkt namelijk dat de kans op postnatale depressie groter is bij minder sociale steun van de kant van grootouders, familie en vrienden. En dat komt natuurlijk doordat familie en vrienden vaak niet in de buurt wonen en doordat het veel voorkomt dat wij onze buren niet zo goed kennen. Bovendien zijn onze gezinnen klein en worden onze kinderen veelal met korte tussenpozen geboren. Daardoor is er ook weinig kans dat oudere kinderen bij de zorg te hulp kunnen schieten. (Wat trouwens ook goed zou zijn voor hun sociale ontwikkeling.)

Historisch gezien is dat een uitzonderlijke toestand. De grote mate van sociale steun voor en na de bevalling die in de Paleo Sociale Omgeving bestond, is waarschijnlijk cruciaal geweest in de selectie waaraan onze verre voorouders werden blootgesteld. Zonder die coöperatieve zorg hadden wij nu niet bestaan.

Jammer dat wij er met zijn allen zo slecht in slagen om die sociale omgeving die moeders en kinderen, en wij allemaal, zo nodig hebben ook voldoende tot stand te brengen.

Meer weten? Zie ook dit artikel op het blog van de Huffington Post.

dinsdag 19 augustus 2014

Op het werk veel moeten omgaan met vreemden verhoogt de kans op depressie - voor mannen

We leven in een maatschappij waarin bijna iedereen betaald werk moet verrichten om aan de kost te komen. Die toestand bestaat nog niet zo lang en we zijn dus nog bezig met uit te vinden hoe goed mensen overweg kunnen met dat sociale domein van het betaalde werk. Met de meestal hiërarchische organisaties waarin mensen dan terecht komen. En met de sociale omstandigheden van de werksituatie. Zo weten we dat het hebben van betaald werk (versus werkloosheid) bijdraagt aan ons welzijn, maar ook dat we het werk als activiteit gemiddeld bepaald niet als aangenaam ervaren. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee.

Dat de activiteit van het betaalde werk ons zo weinig gelukkig maakt, kan te maken hebben met de sociale omgeving die we op de werkplek aantreffen. Zo is bekend dat veel onvrede en ziekteverzuim voortkomt uit slechte relaties met leidinggevenden en met collega's (pesten op het werk).

Maar er zijn ook functies waar je veel omgang hebt met vreemden, in rollen als die van cliënt, klant en patiënt. Het gaat dan om functies als bij de politie, de gezondheidszorg, de jeugdzorg, de thuiszorg en de persoonlijke dienstverlening in het algemeen. In ons persoonlijke leven, buiten het werk, hebben we niet veel omgang met vreemden en hebben we bovendien de vrijheid om die omgang naar eigen goeddunken te doseren. Dat kan dus op het werk heel anders liggen. Contacten met vreemden kunnen daar onvermijdelijk zijn, ze horen bij het werk. Hoe goed kunnen mensen daar mee omgaan? Kan het een bron zijn van stress en ziekteverzuim?

De nieuwe studie Hell Is Other People? Gender and Interactions with Strangers in the Workplace Influence a Person’s Risk of Depression wijst inderdaad in die richting. De onderzoekers hadden een groot databestand in Duitsland tot hun beschikking van mensen met een ziektewetuitkering. En ze konden laten zien wat het uitoefenen van een functie waarin je veel contacten met vreemden hebt, uitmaakt voor de kans dat je ziek thuis zit met de diagnose depressie. Het gaat dus om degenen die ook echt van een dokter die diagnose hebben gekregen, uiteraard een veel beperktere groep dan die van mensen met klachten van depressieve aard. In het databestand had 6,8 procent (76563 personen) die diagnose depressie gekregen.

thumbnailHet blijkt dan dat de kans om die diagnose te krijgen groter is voor functies met veel contacten met vreemden. Maar: dat geldt alleen voor mannen. Sterker: bij vrouwen ligt het andersom: hoe meer contacten met vreemden ze hebben, hoe kleiner de kans op depressie. Zie de Figuur.

Dat man/vrouw verschil wijst er op dat je wel met het zogenaamde selectie-effect rekening moet houden. Dat effect houdt in dat mensen het soort werk proberen te vinden dat het beste bij hen past. De onderzoekers noemen onderzoek dat laat zien dat vrouwen functioneler met emoties kunnen omgaan dan mannen en dat kan verklaren dat ze beter zijn in het omgaan met vreemden. Vandaar dat vrouwen meer dan mannen in functies te vinden zijn waarin ze met mensen moeten omgaan.

Als je bedenkt dat dat selectie-effect ook werkzaam is binnen de groep mannen, dan maakt dat het gevonden verband nog sterker. Ondanks dat die mannen die graag omgaan met mensen het meeste kiezen voor functies waarin ze veel met vreemden omgaan, is het toch nog zo dat die mannen een grotere kans hebben op depressie. Het zegt iets over de grootte van de last van het omgaan met vreemden - voor mannen.

Overigens, van alle depressiediagnoses in dit bestand kwam de meerderheid (64 procent) terecht bij de vrouwen, die maar 36 procent van het bestand uitmaakten. De kans dat werk depressief maakt is groter voor vrouwen dan voor mannen, wat er op wijst dat werk over het geheel genomen nog steeds een mannenwereld is.

Tenslotte, voor zowel mannen als vrouwen gold dat het veel te maken hebben met conflictueuze contacten de kans op depressie verhoogde. Of we nu man of vrouw zijn, we houden er niet van om bij voortduring conflicten te moeten uitvechten. We houden van harmonie.

maandag 18 november 2013

Wat is het èchte nieuwe wondermiddel tegen depressie?

Wat is er toch met mensen aan de hand dat de kans om depressief te worden zo groot is en steeds maar lijkt toe te nemen?

Volgens het laatste rapport van de World Health Organization zijn er wereldwijd 350 miljoen mensen depressief. Nu kun je zeggen dat dat niet eens zo veel is op een wereldbevolking van meer dan 7 miljard (5 procent). Maar je kunt er ook van uit gaan dat depressie, een hevige en langdurige neerslachtigheid die het dagelijks functioneren aantast, eigenlijk helemaal niet zou moeten voorkomen. Met een evolutionaire blik zou je zeggen dat organismen in de loop van de tijd behoorlijk goed zijn aangepast aan hun omgeving en dat ze daardoor een soort optimale uitdaging ervaren. Waardoor ze zich in hun omgeving thuis voelen. En voldoende competent voelen om het leven aan te kunnen. Chronische neerslachtigheid, met zelfmoordgedachten, past daar niet in.

Met diezelfde evolutionaire blik zou je zeggen dat de kans op depressie groter wordt als een organisme snelle veranderingen in de omgeving meemaakt, zo snel dat de evolutionaire aanpassing dat niet kan bijbenen. De uitdagingen die de omgeving stelt, gaan de mogelijkheden dan te boven. Een chronisch gevoel van hier niet thuis te zijn en van incompetentie, van vervreemding, maakt depressief.

Dat mensen nu al duizenden jaren lang een snel veranderende omgeving meemaken staat buiten kijf. Natuurlijk ook de fysieke, maar toch vooral de sociale omgeving. En de kortste samenvatting van die veranderingen is dat mensen sinds de "Agrarische Revolutie", die eigenlijk geen revolutie was, in hun omgeving veel meer de uitdagingen van de statuscompetitie het hoofd moeten bieden dan in de Paleo Sociale Omgeving gebruikelijk was. Zie dit bericht. En dit bericht.

En het is bekend dat de kans op depressiviteit en suïcide groter is in een cultuur van statuscompetitie. Die wereldwijde toename van depressies is goed te begrijpen als je bedenkt dat ook de cultuur van statuscompetitie wereldwijd is toegenomen. Degenen onder ons die daar qua aanleg het slechtst tegen bestand zijn, worden dan het eerst getroffen. En afhankelijk van de mate waarin die cultuur zich nog meer verbreidt, zal het aantal getroffenen verder toenemen.

Wat te doen? Wat we nu al tientallen jaren doen is er op rekenen dat de farmaceutische industrie een oplossing verzint. Een marktoplossing dus, die er voor zorgt dat er middelen te koop zijn die je kunt slikken en die je minder neerslachtig maken. Antidepressiva. Het zou zo mooi zijn als die ook echt werkten en nog mooier, als er geen vervelende bijwerkingen waren. Dan hoefden we ons immers niet te bekommeren om hoe we onze maatschappij minder statuscompetitief zouden kunnen inrichten. Anders gezegd, we zouden niet hoeven na te denken over hoe we met omwegbeleid de echte, maatschappelijke, oorzaken kunnen aanpakken.

Maar die antidepressiva werken maar heel gebrekkig. Vandaag herinnert Simone Grimm, van de Universiteit van Zürich, ons er aan dat maar ongeveer de helft van de patiënten die een antidepressivum slikken er goed op reageren. En als ze dat al doen, dan kan dat weken of zelfs maanden duren, te lang voor mensen met zelfmoordgedachten.

Maar ze wijst ook op wat misschien een nieuwe doorbraak is in de farmaceutische ontwikkeling: het middel ketamine is de rijzende ster in het onderzoek naar depressie. Ketamine is al bekend als een anestheticum, een verdovend middel, in de diergeneeskunde, en als een pijnstiller in ziekenhuizen bij operaties en andere ingrepen. Maar nu blijkt het ook bij depressie te werken, doordat het na te zijn geïnjecteerd, snel, in minuten of uren, de symptomen er van terugdringt. Een wondermiddel, lijkt het. Het werkt via de neurotransmitter glutamaat. En produceert zo een verandering in de bewustzijnstoestand die wordt omschreven als het oplossen van de grenzen van het zelf en het ervaren van eenheid met de wereld om je heen.

Tja, en zou dat nu juist niet precies de ervaring zijn die je zou hebben als je zou opgroeien en leven in die Paleo Sociale Omgeving, waarin vertrouwde anderen er voor jou als vanzelfsprekend zijn? En jij er voor hen als vanzelfsprekend bent? Waarin je voor anderen een waardevol iemand bent, zonder dat je een schijn hoeft op te houden en zonder dat je je voortdurend moet bewijzen. Waarin je geaccepteerd wordt zoals je bent. Waarin je kortom een zinvol leven kunt leiden?

Hebben we met ketamine dus eindelijk het wondermiddel tegen depressie en voor een zinvol leven? Nee, want natuurlijk zijn er vervelende bijwerkingen. Op het vlak van leren, waarnemen en geheugen. Nog er van afgezien dat de weldadige werking er van weliswaar snel optreedt, maar niet langdurig is.

Misschien is er geen ander middel om een zinvol leven te ervaren dan om ook echt dat zinvolle leven te leiden.

En zit er niets anders op dan, door omwegbeleid, onze maatschappij zo in te richten dat een zinvol leven meer binnen ieders bereik komt.

donderdag 12 september 2013

Kun je depressie in verpleeghuizen verminderen? En wat zegt dat over de oorzaken?

Onderzoekers van het UMC St Radboud (Nijmegen) en het VUmc (Amsterdam) hebben laten zien dat je depressieve klachten van verpleeghuisbewoners kunt verminderen. Zie het bericht Depressie in verpleeghuizen te lijf in Mediator. En zie hier het artikel in het wetenschappelijke tijdschrift The Lancet, waarin ze hun onderzoek en aanpak rapporteren (betaalpoort).

Hoe hebben ze dat gedaan? En wat zegt dat over de oorzaken van die depressieve klachten?

Allereerst de vraag of depressie bij verpleeghuisbewoners meer voorkomt dan bij vergelijkbare personen die niet in een verpleeghuis zijn opgenomen. Een antwoord daarop is nog niet zo gemakkelijk te geven. In de verpleeghuizen die deel uitmaakten van het onderzoek bleek dat een op de drie bewoners kampt met depressieve klachten. Martin Smalbrugge zegt in zijn dissertatie Anxiety and depression in nursing home patients dat de prevalentie van depressie bij verpleeghuisbewoners twee tot vier keer hoger is dan bij ouderen in de algemene bevolking.

Maar dan vergelijk je met alle ouderen, dus ook met de grote groep zonder somatische klachten of dementie. Misschien komt depressie onder thuiswonende leeftijdsgenoten met vergelijkbare klachten wel even vaak voor dan onder verpleeghuisbewoners. Een aanwijzing in die richting komt naar voren uit het promotie-onderzoek van Anne-Marie Eisses. Bovendien zijn verpleeghuisbewoners vaak al depressief voorafgaand aan de opname, door ziektes, handicaps en eenzaamheid, en knappen ze soms in het verpleeghuis op.

Maar dat neemt niet weg dat je depressie in verpleeghuizen dus kunt verminderen. Door een aanpak die de onderzoekers 'Doen bij Depressie" noemen. En die aanpak geeft wel degelijk inzicht in wat het verblijf in een verpleeghuis bijdraagt aan depressieve klachten bij bewoners.

Wat houdt die aanpak in? Allereerst worden bewoners regelmatig gescreend op depressieve klachten. Als daar aanwijzingen voor zijn, komt er een dagprogramma  en een 'plezierig activiteitenplan' om het dagritme te herstellen en de bewoner te activeren. Ik citeer uit dat artikel in Mediator:
Activiteitenbegeleidster Kim Advokaat straalt als ze begint te vertellen: ‘We gaan op zoek naar activiteiten waarmee een bewoner positieve ervaringen heeft. Als iemand zich moeilijk kan uiten, vragen we het aan de familie. Op basis van die observaties maak je samen met de psycholoog en verzorging/verpleging een plan. Het resultaat is geweldig.’
Een van de bewoners bleek gek op voetbal te zijn. Hij had gevoetbald en daarna bestuursfuncties bekleed. De zorgverleners spelen daar nu op in door veel met hem te praten over zijn favoriete sport en over wedstrijden op tv. Van een andere bewoonster ontdekte het team dat ze fijne herinneringen had aan haar moeder die haar elke ochtend wakker zong. ‘Vanaf dat moment hebben we een cd met dat nummer opgezet. Soms zongen we zelf. Het maakt het ook voor ons zoveel makkelijker als iemand niet tegenstribbelt, maar in een prettige stemming opstaat.’

Het kost wel veel tijd, zegt Advokaat. ‘Maar wat ik het mooiste vind: je maakt dieper contact met bewoners. Het is ongelooflijk hoeveel verschil kleine dingen kunnen maken.’
 Bij een echte depressie wordt bovendien de 'Dierbare Herinneringen Therapie' gestart:
‘Deze therapie is specifiek gericht op het systematisch ophalen van positieve herinneringen’, legt De Bonth uit. Het was ook voor haar wennen, want doorgaans vragen therapeuten juist naar de nare ervaringen als mogelijke bron van depressies. ‘Ik mocht me alleen richten op positieve zaken. Volgens een vast stramien’, aldus De Bonth.
Ze laat een video zien van een gesprek met een cliënt die een zwaar herseninfarct heeft gehad. ‘Ik heb gevoelsvervlakking, een verlies van emoties’, legt meneer Visser* uit. Meermalen herhaalt De Bonth dat ze samen gaan proberen positieve herinneringen terug te halen. Langzaam komt meneer Visser op gang. Opeens is hij niet meer te stuiten als hij zich het kleine Dakota-modelvliegtuigje uit zijn jeugd herinnert. Hij leeft helemaal op als hij vertelt over de kleuren, de motoren en het vliegen.
Tenslotte werd regelmatig gecheckt of de aanpak goed werkte.

Uit het onderzoek blijkt dus dat deze aanpak de depressieve klachten verminderden en/of de kwaliteit van leven verbeterde. Die effecten waren er zelfs al als alleen de screening had plaats gevonden. Waaraan is dat toe te schrijven?

Mij lijkt dat de aanpak niet zozeer een 'behandeling' is als wel een poging om voor de bewoners iets meer een normale sociale omgeving tot stand te brengen. Want in zo'n normale sociale omgeving ben je omgeven door familie, vrienden en anderen die je persoonlijk kennen. Waarmee je herinneringen deelt, waarmee je een praatje maakt en voor wie je een persoon bent in een kringetje van enige onderlinge verbondenheid. In zo een omgeving heb je een basaal gevoel van veiligheid en vertrouwdheid. Een omgeving waarin mensen zo nu en dan willen weten hoe het met je gaat.

Eenzaamheid, het wegvallen van die kring, is een van de grootste risicofactoren voor depressieve klachten. In veel gevallen is opname in een verpleeghuis gelijk aan het wegvallen van die sociale omgeving. Natuurlijk komt er bezoek, maar dat is anders dan daarvoor. Of er komt geen bezoek. En je wordt omgeven door andere bewoners en personeel waarmee je uiteraard niet die gezamenlijke geschiedenis hebt en die onderlinge verbondenheid. Je voelt je alleen en aan jezelf overgelaten.

Dat alles wordt anders als die mensen ineens echt willen weten hoe het met je gaat. En je dus screenen op depressieve klachten. En als ze daar iets aan willen doen, door activiteiten en een prettige dagindeling. Ze zijn in je geïnteresseerd. Dat alleen al. En ze nodigen je uit om herinneringen te delen. Waardoor zoiets als een gezamenlijke geschiedenis groeit. En waardoor dieper contact ontstaat. Gewoon, normaal, zoals mensen dat nodig hebben. De kleine dingen.

Het lijkt er op dat we er nog steeds te weinig van doordrongen zijn dat zo een 'normale' sociale omgeving voor mensen essentieel is. 

donderdag 24 mei 2012

Succesvol ouder worden en omgaan met emoties

Nieuw onderzoek (fulltext achter de poort) wijst er op dat we met het succesvol ouder worden beter leren om met onze emoties om te gaan.

De onderzoekers lieten drie groepen proefpersonen, gezonde jongeren, gezonde ouderen en depressieve ouderen, keuzes maken die winst, maar ook verlies konden opleveren. Ze zagen op het computerscherm acht doosjes op een rij, die ze van links naar rechts konden openen. Elk doosje bevatte een opbrengst, behalve een per toeval bepaald doosje waarin een duiveltje bleek te zitten. Als je dat doosje opende, gingen alle tot dan toe verkregen opbrengsten verloren. Dat is natuurlijk spijtig en de onderzoekers gingen na hoe sterk mensen spijt en boosheid ervoeren en hoe ze reageerden.

In eerder onderzoek was gevonden dat jongeren, en niet ouderen, op spijt reageerden met in de volgende ronde meer risico te nemen. Dus met langer doorgaan doosjes te openen, met het steeds toenemende risico om een duiveltje te treffen. Omdat de plek van het duiveltje voor elke ronde opnieuw per toeval werd bepaald, en de proefpersonen hier van op de hoogte waren, kun je deze reactie opvatten als door emoties van spijt en boosheid gedreven. In feite werd de kans op spijt in de volgende ronde er door vergroot. Als je je minder door de spijt laat leiden, dan geef je er blijk van in te zien dat je na elke ronde met een schone lei begint. En ouderen geven dus meer blijk van dat besef dan jongeren.

In dit nieuwe onderzoek werd ook een groep depressieve ouderen onderzocht en het bleek dat die vergelijkbaar reageerden als jongeren. Dat is er een aanwijzing voor dat succesvol ouder worden, in plaats van depressief ouder worden, gepaard gaat met een betere beheersing van emoties. Dit bleek ook uit de waarden van fysiologische stressmetingen tijdens het onderzoek: bij de depressieve ouderen (en bij de jongeren) namen de huidgeleiding en hartslag toe en bij de gezonde ouderen niet. En uit fMRI onderzoek bleek dat vooral bij gezonde ouderen het hersengebied van de anterior cingulate cortex werd geactiveerd. En daarvan is bekend dat het een rol speelt in de cognitieve beheersing van emoties en in het aandacht geven aan positieve gebeurtenissen, zeg maar, optimisme. Gezonde ouderen zouden daardoor beter in staat zijn om de oorzaak van mislukkingen niet alleen maar bij zichzelf te zoeken, beter dan jongeren en depressieve ouderen.

De onderzoekers speculeren dat het verschil tussen gezonde jongeren en gezonde ouderen adaptief is. In de zin dat jongeren nog een lang leven voor de boeg hebben en zich dus maar beter veel van mislukkingen kunnen aantrekken. Als je nog veel tijd te gaan hebt, dan "loont het" om je over je eigen gedrag zorgen te maken en te piekeren. Maar als je dat nog steeds doet als je oud bent, dan zou dat geen goede aanpassing zijn aan het kortere perspectief dat je nog voor je hebt. En zou het de kans op ouderdomsdepressie dus vergroten.

Dat kan. Maar het kan ook zijn dat wij in een leefomgeving opgroeien die zo afwijkt van onze natuurlijke leefomgeving dat we een flink deel van onze levensloop nodig hebben om er een goede weg in te vinden. Er is met andere woorden een lang leerproces nodig om onze emotionele reacties goed te leren beheersen, om minder stress te ondervinden en om je gelukkig te voelen en tevreden met je leven te zijn. Zie ook nog eens hier en hier. Als dat zo zou zijn, dan hebben jongeren dus een achterstand in het leerproces van het leven op ouderen.

maandag 2 januari 2012

Stadsleven vergroot kans op mentale stoornissen

De Duitse psychiater Andreas Meyer-Lindenberg schrijft in Der Spiegel over zijn onderzoek naar de negatieve effecten van leven in de stad waar ik in dit bericht naar linkte. Zie het bericht hieronder. Stadsbewoners in Duitsland hebben een veertig procent grotere kans op depressies en een twintig procent grotere kans op angststoornissen. En volgens de Nederlandse onderzoekers Lydia Krabbendam en Jim van Os is het risico op schizofrenie bij mensen die in de stad zijn opgegroeid minstens twee keer zo groot als bij mensen die op het platteland zijn opgegroeid. Als we allemaal op het platteland zouden wonen, waren onze geestelijke gezondheidsproblemen, en de kosten daarvan, aanzienlijk geringer.

Het is niet zo dat deze verschillen ontstaan doordat mensen met deze psychische problemen meer naar de stad trekken. De oorzaak lijkt echt te liggen in de aard van de stedelijke omgeving. Zoals ik in dat vorige bericht meldde, zijn er aanwijzingen dat het stadsleven en het opgegroeid zijn in de stad een negatieve invloed heeft op het vermogen om met sociale stress om te gaan, in het bijzonder met zogenaamde evaluatieve stress. Het lijkt er op dat stedelingen meer bezig zijn met het niet willen falen in de ogen van anderen. Dus met het voortdurend proberen eigen zwakheden te verbergen. Hun sociale leven staat meer in het teken van statuscompetitie en dat is een bron van stress.

Het mooie is nu dat Meyer-Lindenberg in dat artikel in Der Spiegel er op wijst dat de omvang van het vriendennetwerk een beschermende factor kan zijn. Stadsbewoners die goed omgeven zijn door een netwerk van persoonlijke relaties zijn minder kwetsbaar dan meer sociaal geïsoleerde stadsbewoners. En dat wijst dus op de grotere sociale fragmentering in de stad in vergelijking met het platteland als oorzaak voor die grotere kans op mentale stoornissen.

Gemiddeld genomen zijn stadsbewoners inderdaad meer sociaal geïsoleerd dan plattelandsbewoners. Misschien niet in de zin dat ze minder sociale contacten hebben, maar wel in de zin dat de contacten die ze hebben meer draaien rond het "voor wat hoort wat" principe. Volgens dit onderzoek lijken de contacten van stadsbewoners zakelijker te zijn. En dat zou heel goed met meer evaluatieve stress kunnen samenhangen. Het is in de stad minder zo dat mensen "er gewoon voor elkaar zijn", waardoor de geborgenheid van de gemeenschap die mensen nodig hebben, er minder aanwezig is.

Dit verwijst natuurlijk naar twee van die acht leefstijlveranderingen die volgens dit bericht de kans op fysieke en psychische kwalen verkleinen: het vergroten van het netwerk van persoonlijke relaties en het meer gericht zijn op iets doen voor anderen.

En als je dat verband met die leefstijlveranderingen toch legt, kun je er ook aan denken dat stadsmensen minder tijd doorbrengen in de natuur. En dat is ook een risicofactor.

Dit alles pleit er sterk voor om:

1. de stad fysiek en bestuurlijk meer zo in te richten dat mensen elkaar gemakkelijker leren kennen en gemakkelijker persoonlijke relaties aangaan (dus bijvoorbeeld meer ontmoetingsplekken, meer zelfbestuur van buurten en meer menging van wonen en werken),

2. dichte bebouwing meer af te wisselen met natuurgebieden en er in het algemeen voor te zorgen dat stadsbewoners zich altijd op zo kort mogelijke afstand van natuur bevinden.

Maatregelen als deze winnen behoorlijk aan urgentie als je bedenkt dat wereldwijd al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont en dat dat tegen 2050 tot twee derde zal zijn gestegen.
Update. Zie nu ook Meer over de voor- en nadelen.


'via Blog this'