Posts tonen met het label marktdenken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label marktdenken. Alle posts tonen

maandag 19 juli 2021

Nu, in 2021, komen we misschien tot de conclusie dat de maatschappij als geheel, inclusief de markt, toch een moreel project is

Mensen zijn morele wezens, maar sinds eind achttiende eeuw kennen we een vak economie dat het historisch nieuwe sociale domein van de markt aanwijst als de bron van welvaart bij uitstek en als het domein waarop die moraal niet van toepassing zou behoren te zijn. Als het domein dus waarin het streven naar eigenbelang en competitie de grootst mogelijke welvaart voort zouden brengen. Zie het bericht Wat de morele luchtledigheid van het vak economie zoal betekent - deel 1 en volg daarin de linken naar vorige en volgende berichten. Update. Of zie De pogingen om het economieonderwijs te hervormen zijn nog niet zo succesvol - En dus over de morele luchtledigheid van het vak, waar je die berichten achter elkaar kunt lezen.

Dat vak economie en de door dat vak uitgedragen opvatting van de morele luchtledigheid van het domein van de markt heeft zonder twijfel grote invloed gehad. De gevolgen er van zijn er bijvoorbeeld aan af te lezen dat de werkers in de marktsector zich minder pro-sociaal gedragen dan zij die in de publieke sector werkzaam zijn. En ze vallen op te maken uit het onderzoek dat liet zien dat bankiers zich in een laboratoriumsituatie oneerlijker gedragen als ze kort daarvoor aan hun werk zijn herinnerd. En uit het onderzoek waaruit bleek dat bankiers meer rekening houden met het belang van hun klant als ze kort daarvoor zijn herinnerd aan de inhoud van hun bankierseed.

Mensen zijn voorwaardelijk moreel: we houden graag rekening met anderen, maar daarbij helpt het wel als anderen dat ook doen en als het ook van ons verwacht wordt. Als die voorwaarden afwezig zijn, dan vallen we terug op dat andere gedragspatroon, dat van het eigenbelang van de statuscompetitie. 

Een andere aanwijzing voor die grote invloed bestaat eruit dat het door studie in aanraking komen met dat economische, moreel luchtledige, denken jongeren egoïstischer, hebzuchtiger, minder eerlijk en competitiever maakt. Daarom vroeg ik me al eens af of we niet beter af zouden zijn als minder jongeren economie zouden studeren. 

Toch was die invloed ook weer niet zo groot dat hij de opkomst van de het iedereen telt mee van de democratie en van de naoorlogse verzorgingsstaten kon voorkomen. Dat was een ontwikkeling van sterke inperking van het werkingsgebied van de markt, waarbij het vak economie geheel aan de zijlijn stond. De morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt me en van rechtvaardigheid lieten zich, tegen de verdrukking in, wel degelijk gelden

Die ontwikkeling was er een van het inperken en corrigeren van de werking van de markt, waarin er nog niet getornd werd aan die economische stelling van morele luchtledigheid. De idee van een moraalvrij sociaal domein bleef nog intact. Het idee dat vooral door de grote man van het neoliberalisme, Milton Friedman (1912 - 2006), werd verkondigd als de eis dat ondernemingen niets anders behoorden te doen dan zoveel mogelijk winst maken en de belangen van hun aandeelhouders behartigen. Verder moesten ze zich natuurlijk aan de wet houden, maar vooral niet meer dan dat. Voor morele overwegingen hoorde in hun besluitvorming geen plaats te zijn. De markt zou dan wel zorgen dat alles goed kwam. 

Dat werd anders met de opkomst van de intellectuele en maatschappelijke tegenbeweging van het "maatschappelijk verantwoord ondernemen", waarmee de stelling van de morele luchtledigheid van de markt meer frontaal werd aangevallen. Die beweging kent al een langere geschiedenis, maar wint de laatste tijd weer aan invloed. Denk aan het bericht Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding, waarin het ging over verschillende pleidooien om van ondernemingen te eisen dat hun gedrag niet alleen door juridische, maar ook door morele overwegingen begrensd wordt. Een onderneming zou net zoals een persoon rekening dienen te houden met negatieve gevolgen van zijn handelen voor anderen en voor toekomstige generaties. Dat is de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen telt mee, dus van het vermijden van het anderen schade toebrengen. Van het moreel verantwoordelijk handelen.

Die roep om ook van ondernemingen moreel (maatschappelijk verantwoord) gedrag te eisen, wordt de laatste jaren weer sterker. Niet verwonderlijk na wat we de laatste tientallen jaren hebben meegemaakt aan wangedrag van ondernemingen. En niet verwonderlijk nu we geconfronteerd worden met de rampzalige gevolgen van de klimaatverandering. 

Zo was er gisteren dit bericht in het Financieel Dagblad: Bedrijfsleven verzet zich tegen 'maatschappelijke zorgplicht'. Er bestaat al wel een code voor goed ondernemingsbestuur, maar de commissie die de toepassing van die code toetst, wil een bepaling toevoegen dat bedrijven onder meer de milieu-effecten van hun beleid moeten verantwoorden. Bedrijven zouden zich meer rekenschap moeten geven van de maatschappelijke effecten van hun handelen. Het gaat dan niet alleen om klimaat, maar ook om sociale vraagstukken zoals ongelijkheid, diversiteit, werk- en inkomenszekerheid en inclusiviteit. 

Dit is geheel in lijn met eerder het pleidooi van 25 Nederlandse hoogleraren dat verscheen in het blad Ondernemingsrecht: Naar een zorgplicht voor bestuurders en commissarissen tot verantwoorde deelname aan het maatschappelijk verkeer. Ik haalde vorig jaar dat pleidooi aan in het bericht Een wettelijke taakopdracht tot maatschappelijk verantwoord ondernemen - Over morele intuïties en het domein van de markt, met daarin dit citaat:

Een verantwoordelijke vennootschap draagt verantwoordelijkheid jegens haar werknemers, is verantwoordelijk voor de gevolgen van haar handelen in de gemeenschappen waarin zij opereert en voor de gevolgen van haar handelen voor milieu en klimaat. Het streven naar winstgevende continuïteit op lange termijn moet ingebed zijn in deze brede verantwoordelijkheid. De inhoud van de zorgplicht van het bestuur en de raad van commissarissen voor een verantwoordelijke deelname van de vennootschap aan het maatschappelijk verkeer moet mede aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid in de concrete omstandigheden van het geval worden bepaald.

In die laatste zin komt ook precies tot uiting dat het bij die zorgplicht gaat over een morele intuïtie en niet om een wettelijk voorschrift. Wat een morele intuïtie inhoudt moet inderdaad altijd "aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid in de concrete omstandigheden van het geval worden bepaald". En door die zorgplicht in de wet vast te leggen, kan dus uiteindelijk altijd de rechter daarover een oordeel vellen. 

Als deze ontwikkeling zich doorzet, en je zou zeggen, dat valt te verwachten, dan is dus uiteindelijk de cirkel rond. Eind achttiende eeuw, de tijd van Polanyi"s waterscheiding, ontstond dat idee van de morele luchtledigheid van het domein van de markt. In de afgelopen twee eeuwen hebben we gezien tot welke maatschappelijke problemen het serieus nemen van dat idee kan leiden. 

Nu, in 2021, komen we misschien tot de conclusie dat de maatschappij als geheel, inclusief de markt, toch een moreel project is. Zoals Adam Smith (1723 - 1790) en anderen voorafgaand aan die waterscheiding verkondigden.

maandag 22 maart 2021

Na de morele luchtledigheid waarin we de economie zich hebben laten ontwikkelen, moeten we terug naar de maatschappij als moreel project - En over Polanyi's waterscheiding rond 1780

Polanyi ziet in de ontwikkeling van het economisch denken een waterscheiding tussen de achttiende en de negentiende eeuw. Dat zagen we in het vorige bericht

Die waterscheiding dateert hij ergens rond 1780. Daarvoor heerste er nog, als een vanzelfsprekendheid, de gedachte van de maatschappij als een moreel project, waaraan het streven naar materieel welzijn, het domein van de economie en de markt, ondergeschikt dient te zijn. Er zijn morele normen waaraan het nieuwe, maar zich snel uitbreidende, marktsysteem behoort te voldoen. Polanyi ziet Adam Smith (1723 - 1790) als de voorlopig laatste vertegenwoordiger van dit denken.

Daarna overheerst in het denken over economie en maatschappij de gedachte dat het marktsysteem zelf de morele maat der dingen is. Je  moet de markt zijn werk laten doen, laissez faire, want die zorgt voor de best mogelijke uitkomst. We zijn dan al aangeland bij het werk van Thomas Malthus (An Essay on the Principle of Population, 1798) en David Ricardo (On the Principles of Political Economy and Taxation, 1817).

Het sleutelmoment in de overgang van het morele primaat naar het primaat van de markt was volgens Polanyi het verschijnen, in 1786, van A Dissertation on the Poor Laws van Joseph Townsend. Daarin komen we voor het eerst de gedachte tegen van een snellere bevolkingsgroei dan door de bestaande natuurlijke hulpbronnen kan worden gerechtvaardigd, de gedachte dus van (absolute) schaarste, en dat armoede en hongersnood noodzakelijk zijn om tot een nieuw "evenwicht" te komen. En daarmee de afwijzing van het verschaffen van hulp aan de armen, dus van de Poor Laws. Bovendien was armoede nodig, omdat er anders niemand is om het smerige en verachtelijke werk te verrichten. In de woorden van Brian Inglis (Poverty and the Industrial Revolution, 1972):

'There never was greater distress among the poor,' Townsend asserted; 'there never was more money collected for their relief'; surely there must be something wrong that this could have come about? Not that the existence of poverty disturbed him. On the contrary, it was a law of nature that there must be poor, 'so that there may always be some to fulfill the most servile, the most sordid, and the most ignoble offices in the community'. And it was as well for society that this should be the case: 'the stock of human happiness is thereby much increased, while the more delicate are not only relieved from drudgery, and freed from those occasional employments which would make them miserable, but are left at liberty, without interruption, to pursue those callings which are suited to their various dispositions, and most useful to the state.' But there was no point, Townsend went on, in having any more poor than were absolutely necessary for that function. (p. 95-6)

En Polanyi zelf haalt Townsend aan waar die honger als een noodzakelijkheid aanprijst (p. 113-4):

Hunger will tame the fiercest animals, it will teach decency and civility, obedience and subjection, to the most perverse. In general it is only hunger which can spur and goad them [the poor] on to labor; yet our laws have said they shall never hunger."

Je kunt hen wel wettelijk tot werk verplichten, maar dat gaat gepaard met "much trouble, violence and noise", roept verzet op en komt de kwaliteit van de arbeid niet ten goede.

hunger is not only peaceable, silent, unremitting pressure, but, as the most natural motive to industry and labor, it calls forth the most powerful exertions (...) The slave must be compelled to work but the free man should be left to his own judgment, and discretion; should be protected in the full enjoyment of his own, be it much or little; and punished when he invades his neighbor's property.

Dat idee van het door niets te doen een "evenwicht" tot stand te brengen, rechtvaardigde Townsend met te verwijzen naar hoe in de natuur evenwichten tot stand komen tussen roof- en prooidieren. Er is een evenwicht als alleen de sterksten en slimsten over zijn gebleven. Naar analogie daarmee zou er een evenwicht moeten bestaan tussen de altijd schaarse natuurlijke hulpbronnen en de omvang van de bevolking, waarbij de zwakkeren eerder het loodje leggen. En zo hoort het ook te zijn. Tim Rogan daarover (p. 89):

 Poverty was a problem created and sustained by the poor laws: by allowing hunger and scarcity to do their grim work, the abolition of the poor laws would limit the population to a level the country could support, lifting the living standards of the laboring poor. This - for Polanyi - was the inauguration of the social philosophy of laissez faire.

En zo ontstond er een nieuwe maatschappij. Er is een overheid, maar alleen om eigendom te beschermen. Verder is iedereen "vrij". Polanyi (p. 114):

From this novel point of view, a free society could be regarded as consisting of two races: property owners and laborers. The number of the latter was limited by the amount of food; and as long as property was safe, hunger would drive them to work. No magistrates were necessary, for hunger was a better disciplinarian than the magistrate.

Dat was de waterscheiding. "Since the emerging society was no other than the market system, human society was now in danger of being shifted to foundations utterly foreign to the moral world of which the body politic hitherto had formed part." (p. 115-6)

Waarmee dus het denken over maatschappij en politiek een aanvang nam waarin dus niet onze morele gemeenschapsintuïties, van het iedereen telt mee, van het elkaar bijstaan, van de persoonlijke autonomie en van rechtvaardigheid, de leidraad vormen voor hoe we met zijn allen samenleven. Maar integendeel waarin iedereen vrij is om naar eigen inzicht te handelen, met als restricties de bescherming van eigendom en de dreiging van het van honger omkomen. 

Het beeld dus van een marktmaatschappij dat niet zoveel afwijkt van het neoliberale vulgair-economische denken, waarin immers ook het primaat van de vrijwilligheid voorop staat. En waarin de markt de maat der dingen is. Waarin armoede, bestaansonzekerheid en voedselbanken getolereerd worden. Of zelfs, net als Townsends "honger", noodzakelijk geacht worden. Waarin werkloosheid een individueel probleem is, dat opgelost dient te worden door je eisen verder naar beneden bij te stellen. Waarin dus uitkeringen zo laag mogelijk dienen te zijn. Waar voor bovendien een tegenprestatie verlangd kan worden. En waarin anderzijds de rijken (de bezitters) vrij baan krijgen om belastingen te ontwijken en om zoveel mogelijk de overheid naar hun hand te zetten.

Er is in de tussentijd van alles gebeurd. Na de Tweede Wereldoorlog probeerden we een verzorgingsstaat op te bouwen, de "gemeenschap, georganiseerd in de staat", maar daarna zijn we weer op het pad teruggekeerd dat aan het eind van de achttiende eeuw werd ingeslagen.

Tot we ons nu, in 2021, realiseren dat het zonder overheid niet goed gaat. Dat wil zeggen, een overheid die zich realiseert dat het niet goed afloopt als je een heel maatschappelijk veld, de economie, zich in het moreel luchtledige laat ontwikkelen. 

Om met Polanyi te spreken, terug naar het denken van vóór de waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw, van de maatschappij als een moreel project. Uiteraard met verwerking van alle lessen die we daarna hebben geleerd. Meer in het volgende bericht.

dinsdag 27 oktober 2020

Het eendimensionale economische mensbeeld is niet alleen als mensbeeld onrealistisch, maar ook als venster op wat zich werkelijk in de markt en in de maatschappij afspeelt

Er zijn tenminste twee complicaties van dat primaat van vrijwilligheid dat dient als morele onderbouwing van het geloof in de vrije markt als bron van alle welvaart: de complicatie van de consumentensoevereiniteit en de complicatie van het vetorecht. Zie hier het vorige bericht

Volgens het economische leerstuk van de consumentensoevereiniteit zijn mensen zelf de beste beoordelaars van wat goed voor hen is. En is de markt vervolgens, als het geheel van alle vrijwillige transacties, bijna per definitie, de bron van alle welvaart. De markt is immers de sociale ruimte waarin alle vrijwillig gesloten transacties zich afspelen. De markt stelt iedereen in staat om zijn/haar eigenbelang zoals hij/zij dat zelf ziet, na te streven en als iedereen dat dan ook doet, dan is het collectieve resultaat het best denkbare. Economisch gezegd: de markt zorgt voor een eindtoestand die een Pareto-optimaal evenwicht is, in de zin dat er niemand meer is die er beter op kan worden zonder dat anderen er slechter op worden.

Een al bekende tegenwerping is dat er bepaalde goederen en diensten zijn die wel degelijk onze welvaart vergroten, maar die de markt niet goed kan verschaffen. Dat is het leerstuk van het marktfalen. Het gaat om zaken als publieke goederen (schone lucht, biodiversiteit), goederen met externaliteiten (goederen waarvan de productie milieuschade veroorzaakt, vaccinaties), goederen met een natuurlijk monopoliekarakter (waterleidingnet, electriciteitsnet, spoorwegennet, internet, postbezorging) en diensten waarvan de kwaliteit beter door de verschaffer ervan kan worden ingeschat dan door de klant (gezondheidszorg, geneesmiddelen, levensmiddelen). In zulke gevallen is er aanleiding voor overheidsoptreden. Zie Policy Analysis. Concepts and Practice van David L. Weimer en Aidan R. Vining voor een overzicht van argumenten en onderzoek. (Ik gebruikte dat boek ooit in mijn colleges.)

Maar het gaat mij nu om een andere, meer fundamentele tegenwerping, die ik in het vorige bericht al aankondigde. Dat is de tegenwerping dat dit economische marktdenken volledig is gebaseerd op het mensbeeld van de homo economicus, waarin de dualiteit van de menselijke sociale natuur genegeerd wordt. Dat duale mensbeeld, waarin mensen in hun sociale gedrag, afhankelijk van de aard van hun sociale omgeving, dus afhankelijk van wat anderen doen, oftewel gemeenschapsgedrag oftewel statuscompetitiegedrag vertonen, is veel realistischer dan die eendimensionale homo economicus

Het berust op het fundamentele empirische inzicht dat mensen zoals alle dieren erop geselecteerd zijn om snel hun sociale omgeving op veiligheid dan wel onveiligheid te beoordelen en hun eigen gedraag daaraan aan te passen. Bij genoeg signalen van gemeenschapsgedrag van anderen, en dus van veiligheid, wordt gemeenschapsgedrag uitgelokt. Maar bij voldoende signalen van statuscompetitiegedrag, en dus van onveiligheid, wordt ook het eigen statuscompetitiepatroon geactiveerd. De evolutie heeft onze sociale natuur flexibel gemaakt. Zie verschillende berichten op dit blog, zoals hier, hier, hier en hier.

Een in het oog springende implicatie daarvan is dat er in het menselijk sociale leven twee evenwichten mogelijk zijn, het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht. Waarbij alles erop wijst dat dat gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en naar onze morele oordelen te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Daarmee wordt het vulgaire economische marktdenken van het neoliberalisme natuurlijk volledig onderuitgehaald, zowel naar empirische inzichten als naar morele beoordeling. Want als je met dat duale mensbeeld naar de markt kijkt, dus naar de reële markt en niet naar het economische ideaalbeeld, dan zie je enerzijds gemeenschapsgedrag, maar anderzijds juist ook veel statuscompetitiegedrag.

Je ziet gemeenschapsgedrag in al die transacties die op onderling vertrouwen gebaseerd zijn. Transacties dus waarin niet alles van te voren contractueel hoeft te worden vastgelegd. Waarin de partijen op elkaars gemeenschapsgedrag vertrouwen. En als je daar goed over nadenkt, dan zie je dat zonder een zekere mate van onderling vertrouwen veel transacties nooit zouden kunnen plaats vinden. Zie ook Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie en zie Calculativeness, trust and the reciprocity complex: Is the market the domain of cynicism? van Rudi Wielers en mij.

En je ziet anderzijds dat de markt en het marktdenken statuscompetitiegedrag uitlokken. Denk aan het onderzoek waaruit bleek dat bankiers in hun positie als bankier oneerlijk zijn, wat wijst op een bankencultuur van bedrog. En denk aan de aanwijzingen dat de markt morele waarden erodeert, dat het studeren van het vak economie studenten minder pro-sociaal maakt en dat werkers in de publieke sector pro-socialer zijn dan die in het bedrijfsleven. O ja, en aan het onderzoek dat wijst op een haasje-over-effect bij de totstandkoming van de hoge beloningen van CEO's van grote ondernemingen, dat wijst op onderlinge statuscompetitie. 

Dat de markt dat statuscompetitiegedrag gemakkelijk uitlokt, heeft ook tot gevolg dat de economie zich nogal eens anders gedraagt dan de economen verwachten. Zo blijkt volgens onderzoekers van de Amerikaanse Centrale Bank statuscompetitie een grote rol te spelen in de groei van de grote ongelijkheid en van de financiële instabiliteit van de afgelopen veertig jaar.

Dat eendimensionale economische mensbeeld is dus niet alleen als mensbeeld onrealistisch, maar ook als venster op wat zich werkelijk in de markt en in de maatschappij afspeelt. Daar zien we niet dat ene optimale marktevenwicht, maar juist zowel bewegingen in de richting van het gemeenschapsevenwicht als bewegingen in de richting van het statuscompetitie-evenwicht.

Dat alles over over de complicatie van de consumentensoevereiniteit en het morele primaat van vrijwilligheid van het neoliberale vulgair-economisch denken. Waar dit meteen op wijst is dat het voeren van overheidsbeleid zacht gezegd gecompliceerder moet zijn dan dat je alles zoveel mogelijk aan de markt kunt overlaten.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over die andere complicatie van het neoliberale denken, die van het vetorecht. Wordt vervolgd.

donderdag 22 oktober 2020

Over complicaties van het morele primaat van vrijwilligheid van het neoliberale vulgair-economisch denken

Dat je overal hoort dat de overheid terug is, moet wel betekenen dat hij weggeweest is. En dat was inderdaad het geval in de periode waarin de neoliberale economische politiek het denken van de politici overheerste. Zoals in het vorige bericht viel te lezen, hield die politiek in dat de markt bij uitstek de bron van welvaart is en dat daarom de overheid zoveel mogelijk zou moeten terugtreden. 

Hoewel de onderbouwing daarvoor uit het vak economie kwam, was en is dat vak diverser dan je uit die neoliberale politiek zou opmaken. Dat verleidt tot de gedachte die onderbouwing vulgair-economisch te noemen, naar analogie met vulgair Marxisme. Een beknopte, maar helaas alleen voor ingewijden goed te volgen, beschrijving van de naoorlogse ontwikkelingen in het vak economie geeft Oliver J. Blanchard in Neoclassical synthesis. Maar ook zonder al ins en outs daarvan te beheersen, kun je wel de "vulgair-economische" ideeën aanwijzen die zo'n grote invloed hebben gehad op de economische politiek in de periode van het neoliberalisme.

Ik noemde in het vorige bericht al de gedachte dat de markt, dat wil zeggen de markt met volledige concurrentie, het grote voordeel heeft dat hij de optelsom is van alle vrijwillige transacties. Immers, alles wat mensen vrijwillig doen, moet wel hun welvaart vergroten. Of eventueel een verlies aan welvaart beperken. Dus moeten we mensen zo veel mogelijk de ruimte geven om te handelen naar wat henzelf goeddunkt en die ruimte noemen we de markt.

Daar komt bij dat die perfecte markt, wederom, de markt met volledige concurrentie, altijd tot één evenwichtstoestand leidt, die bovendien "goed" is, in de zin van Pareto-optimaal. Een toestand is Pareto-optimaal als er vanuit die toestand niet een verbetering voor iemand of sommigen mogelijk is zonder dat er iemand anders op achteruitgaat. Anders gezegd, alle mogelijke welvaartsverbeteringen door vrijwillige transacties hebben plaatsgevonden. 

De welvaartseconomen Kenneth Arrow en Gérard Debreu bewezen wiskundig en onafhankelijk van elkaar dat die perfecte markt inderdaad één evenwichtstoestand heeft en dat die toestand Pareto-optimaal is. Waarbij meteen dient te worden opgemerkt dat de condities waaronder die perfecte markt bestaat, streng zijn. Er bestaan geen externaliteiten, geen transactiekosten, iedereen is volledig geïnformeerd en producenten zijn prijsnemers. Zie de wikipediapagina over de welvaartseconomie. In feite was dat bewijst niet meer dan de afleiding van een onrealistische toestand uit onrealistische prémissen.

Maar ook zonder dat alles te weten, werd dat idee van de markt als bron van welvaart bij uitstek omarmd door politici. Niet alleen door politici ter rechterzijde, maar ook ter linkerzijde. Denk aan Dat hadden we nooit moeten doen. Het prestige van een vak economie dat zijn inzichten meer wiskundig dan empirisch onderbouwde, was zo groot dat de vulgaire variant ervan (het neoliberalisme) de economische politiek ging bepalen. Eigenlijk ging het om het prestige van de wiskunde, dat door de economen werd gekaapt.

Dat zulks kon gebeuren had er ongetwijfeld ook mee te maken dat er die morele rechtvaardiging voor leek te bestaan dat de transacties op de markt vrijwillig zouden zijn. De tegenwerping van het fictieve karakter daarvan werd geneutraliseerd door de stelling dat je in de economische politiek dat ideaal van de vrije markt zoveel mogelijk moest zien te benaderen. Vandaar de pleidooien voor privatisering, deregulering, anti-kartelwetgeving en uitbesteding. En voor zo weinig mogelijk overheidsinmenging, inclusief de afwijzing, in de vorm van het huishoudboekjesdenken, van de macro-economische functie van de overheidsbegroting. 

Maar nu terug naar die morele rechtvaardiging. Want dat primaat van vrijwilligheid heeft nogal wat haken en ogen. Er zijn tenminste twee complicaties, die van de consumentensoevereiniteit en die van het vetorecht.

De stelling van de consumentensoevereiniteit houdt in dat mensen in die toestand van vrijwilligheid altijd kiezen wat voor hen het beste is en dat zij zelf het beste kunnen beoordelen wat goed voor hen is. En de markt zou er dan voor zorgen dat al die vrije keuzes tezamen, onafhankelijk van elkaar genomen,  dat ene, Pareto-optimale evenwicht creëren. Mooier kun je het niet hebben.

Maar daar is er de complicatie dat wat voor een persoon de beste keuze is, afhankelijk is van wat anderen kiezen. Dat prachtige ene optimale evenwicht is er alleen in de fantasiewereld van de homo economicus. Een realistischer zicht is dat de menselijke sociale natuur innerlijk tegenstrijdig is. We kunnen kiezen tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag en wat de beste keuze is hangt er van af hoeveel anderen voor het ene dan wel het andere gedrag kiezen. Waardoor er niet een, maar twee evenwichten kunnen ontstaan. Het optimale evenwicht van het gemeenschapsgedrag en het sub-optimale evenwicht van het statuscompetitiegedrag.

Ook als je dus accepteert dat iedereen zelf het beste weet wat goed voor hem/haar is, dan volgt daar dus niet uit dat het collectieve resultaat van alle individuele keuzes ook het beste is. Daarover, en over die complicatie van het vetorecht, meer in volgende berichten. Zie hier het volgende bericht.

dinsdag 20 oktober 2020

De overheid is terug en dus de moraal. En twee vragen bij de morele rechtvaardiging van de neoliberale politiek

Na de barbarij van de Holocaust, die liet zien waar het statuscompetitiepatroon op kan uitlopen, was er de breed gedeelde overtuiging dat het nationaal en internationaal de kant moest opgaan van het gemeenschapsevenwicht. Dat kreeg vorm in de opbouw van de verzorgingsstaat en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Zie het vorige bericht.

Die beweging in de richting van het gemeenschapsevenwicht hield in dat er een grote rol moest worden weggelegd voor wat mensen "met zijn allen" willen en kunnen. Dus voor overheden, die zich er op richten om de bestaanszekerheid van iedereen te garanderen, nationaal door sociale zekerheid en toegang tot het onderwijs, en internationaal door mensenrechtenverdragen  die moesten zorgen voor wereldwijde vrijheid van gebrek en onderdrukking.

Maar die beweging werd na enkele decennia een halt toegeroepen. Er ontwikkelde zich de wereldwijde backlash van het neoliberalisme. De overheid was niet de oplossing, maar juist het probleem. In plaats daarvan kwam "de markt" als oplossing van vrijwel alle problemen, als de voornaamste bron van welvaart. Het moest niet meer "met zijn allen", het kon integendeel worden uitbesteed aan het anonieme marktmechanisme. Het wij-met-zijn-allen denken werd vervangen door het marktdenken.

Terwijl dat "met zijn allen" appelleert aan de morele gemeenschapsintuïties, had dat amorele marktmechanisme het "voordeel" dat het voldoende was om op ieders eigenbelang te vertrouwen. Het menselijk vermogen tot moreel gedrag kon worden verwezen naar de persoonlijke levenssfeer van familie en vrienden, voor de collectieve welvaart werd hij niet van belang geacht. De markt, de beroemde onzichtbare hand, zorgt er wel voor dat al die individuele eigenbelangen uiteindelijk de meeste collectieve welvaart voortbrengen. De overheid moet niet meer doen dan zorgen voor de wetten om die markt goed te laten werken, zoals wetten die het recht op eigendom regelen.

Internationaal betekende dat zoveel mogelijk vrijhandel, globalisering dus. Hoewel die ook gunstige effecten had, maakte hij ruim baan voor de grote internationale ondernemingen, die machtiger werden dan staten en zo voor elkaar kregen dat ze niet of nauwelijks belastingen betalen.

Afijn, we weten ondertussen waar dat neoliberale regime op is uitgelopen. Extreme ongelijkheid, exorbitante rijkdom voor weinigen en stagnerende welvaart en bestaansonzekerheid voor velen. Daardoor tekortschietende vraag en tekortschietende investeringen. Overheden die stug volhardden in het huishoudboekjesdenken en dus hun tekorten terugdrongen in een tijd die juist vroeg om meer publieke investeringen. Door die vermogensophoping en overheden die weigerden te investeren ontwikkelde zich het monster van de financiële sector, dus van het aandeelhouderkapitalisme, een bron van economische instabiliteit.

En last but not least worden we ermee geconfronteerd dat dit economisch stelsel de natuurlijke hulpbronnen uitput, de biodiversiteit vernietigt en de aarde catastrofaal opwarmt. En ons blootstelt aan pandemieën, waarvan de corona-crisis waarschijnlijk slechts een voorbode is.

Geen wonder dat het inzicht doorbreekt dat "de overheid terug is", dat we voor opgaven zijn komen te staan die we met zijn allen moeten oplossen of waaraan we ten onder gaan. Waarmee de vraag opkomt wat dan de richtlijn moet zijn voor overheidshandelen. Nu we immers inzien dat we van de overheid meer moeten verwachten dan "het aan de markt overlaten". waar moeten we ons dan met zijn allen door laten leiden? In het bijzonder, wat hebben vakken als economie of sociologie, of algemener, wat heeft de toegepaste sociale wetenschap dan te bieden als wetenschappelijke bijdrage aan de politiek en de democratische besluitvorming. En kunnen daar morele oordelen buiten de deur blijven?

Dat die vraag zich nu opdringt, ligt eraan dat in de afgelopen periode van "uitbesteding aan de markt" de indruk kon ontstaan dat morele oordelen geen rol meer speelden. En ook niet meer mochten spelen. De allesoverheersende indruk was immers dat de politiek zich kon laten leiden door wat het vak economie als wetenschap voorschreef. Het vak economie had uitgevonden welk beleid het beste was. Dus viel daar eigenlijk niet meer over te discussiëren. Vandaar TINA: There is no alternative. 

Maar dat was natuurlijk alleen maar een indruk. Die weliswaar de neoliberale politiek een wetenschappelijk cachet gaf, waardoor velen er in meegingen, maar toch niet meer dan een indruk. Want als je beter kijkt, dan zie je wel degelijk morele oordelen. De vermeende superioriteit van het marktmechanisme wordt er immers door gerechtvaardigd dat het de optelsom is van alle vrijwillige transacties. Dat wil zeggen, bij volledige concurrentie. De markt zou niet alleen efficiënt zijn, maar ook moreel goed, omdat niemand tot iets wordt gedwongen. Er is geen overheersing, er is geen macht. En vrijheid van overheersing is inderdaad een van onze morele gemeenschapsintuïties. 

De neoliberale politiek kent dus wel degelijk een morele rechtvaardiging. Maar daar kun je meteen twee vragen bij stellen. Is vrijheid van overheersing dan de enige gemeenschapsintuïtie? Nee natuurlijk. En dat marktmechanisme, dat mag als een abstractie tegemoetkomen aan die morele eis van vrijheid van overheersing, maar wat betekent dat voor de praktische realiteit, waarin volledige concurrentie eigenlijk niet bestaat? Wat heb je aan vrijheid van overheersing in een fantasiewereld?

Over die vragen in het volgende bericht meer.

dinsdag 15 september 2020

Een wettelijke taakopdracht tot maatschappelijk verantwoord ondernemen - Over morele intuïties en het domein van de markt

Wat mogen we van ondernemingen verwachten? Natuurlijk dat ze zich net als iedereen aan de wet houden. Maar er is naast de wet ook nog de moraal. Dus het geheel van onze gemeenschapsintuïties, die gaan over elkaar bijstaan, of in ieder geval elkaar geen schade berokkenen, en over eerlijk delen. Dat zijn inderdaad intuïties, dus geen vastomlijnde inzichten die voor alle omstandigheden in wetsteksten vertaald kunnen worden. Vandaar dat we naast en boven en onder de wet ook altijd nog de moraal hebben.

Daarom verwachten we van elkaar, als "natuurlijke personen", niet alleen het volgen van de wet, maar ook moreel gedrag. Een helpende hand toesteken als dat nodig is, eerlijk delen, elkaars autonomie respecteren en loyaal zijn. En omdat het in dit geval om inbedding in persoonlijke relaties gaat, creëren we dat morele gedrag met elkaar. We verwachten het van elkaar en het voelt meestal goed om aan die verwachtingen te voldoen. In die gevallen waarin we verwachtingen beschamen, laten anderen ons weten dat ze teleurgesteld of zelfs boos zijn. Wat ons weer herinnert aan het belang van moreel gedrag in het sociale verkeer. Moreel gedrag is dus een uitkomst van een sociaal proces, zoals ook pro-sociaal gedrag dat is.

Maar ondernemingen, en dus hun directeuren, opereren meestal niet in dat web van persoonlijke relaties. Ze zijn marktdeelnemers en hebben in die hoedanigheid vooral vluchtige, onpersoonlijke en zelfs anonieme relaties met anderen. Maar hun gedrag kan voor die anderen wel grote gevolgen hebben. 

Dat is een sociale omgeving die niet als vanzelf moreel gedrag doet ontstaan. En hoewel mensen morele wezens zijn, zijn ze niet onvoorwaardelijk moreel. Als moreel gedrag niet verwacht wordt, kun je er dus niet van uitgaan dat anderen zich moreel gedragen. Er is dan dus niet de sociale veiligheid die moreel gedrag uitlokt. Sterker, op de markt concurreer je met elkaar. 

Een sociale omgeving dus die gemakkelijk dat andere patroon, dat van de statuscompetitie uitlokt. In de aanvalsvariant, anderen de loef afsteken of te slim afzijn, of in de verdedigingsvariant. En dan kan  moreel gedrag geheel of gedeeltelijk uit het zicht verdwijnen. Dat kan dus betekenen dat een en dezelfde persoon zich binnen dat web van persoonlijke relaties als vanzelfsprekend moreel gedraagt en als ondernemingsdirecteur morele normen aan zijn laars lapt. Denk aan Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog.

Er is dus naast dat domein van de persoonlijke relaties ook het domein van de markt. Maar er is ook nog het domein van de democratische overheid, van wat wij met zijn allen willen. Denk aan het OMOP-schema. En wij met zijn allen kunnen via het democratische proces te kennen geven wat wij van marktdeelnemers, van ondernemingen en ondernemingsdirecteuren, verwachten.

Precies daarover gaan de discussies over "maatschappelijk verantwoord ondernemen". Discussies die niet toevallig de kop weer opsteken nu een periode van neoliberalisme op zijn eind lijkt te lopen. Waarin het Friedman-adagium domineerde dat ondernemingen niets anders behoren te doen dan het behartigen van de belangen van de aandeelhouders. Natuurlijk met als restrictie dat ze zich aan de wet dienen te houden. Maar afgezien daarvan zou het speelveld vrij moeten zijn van morele verwachtingen. Dat speelveld zou immers de wonderlijke eigenschap hebben dat het juist ook zonder verwachtingen van moreel gedrag tot voor iedereen heilzame uitkomsten zou leiden. U weet wel, de beroemde onzichtbare hand.

We zagen al dat nog voor deze periode een aanvang nam, in 1965, Kenneth Boulding zich in de discussie met Milton Friedman met argumenten tegen deze opvatting keerde. Lees nog eens de reeks berichten die ik daaraan wijdde, te beginnen met Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding. Nu we de gevolgen van dat Friedman-adagium hebben meegemaakt, gaan we inzien dat we misschien beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren.

In dat kader is het boeiend om te zien dat er nu weer, geheel in de geest van Kenneth Boulding, gepleit wordt voor het expliciet en wettelijk invoeren van morele verwachtingen voor het gedrag van ondernemingen. Zie het pleidooi van 25 Nederlandse hoogleraren dat verscheen in het blad OndernemingsrechtNaar een zorgplicht voor bestuurders encommissarissen tot verantwoorde deelname aan hetmaatschappelijk verkeer.  Hier is de samenvatting: 

De liberalisering van de kapitaalmarkten heeft als neveneffect dat andere productiefactoren verhoudingsgewijs aan belang hebben ingeboet. Het denken in aandeelhouderswaarde is in de praktijk dominant geworden, ook in de Nederlandse context. De norm van het vennootschapsbelang waarborgt blijkens periodieke maatschappelijke erupties onvoldoende dat vennootschappen zich daadwerkelijk verantwoordelijk gedragen in de samenleving. Om die reden bepleiten 25 hoogleraren ondernemingsrecht de introductie van responsible corporate citizenship in de wettelijke taakopdracht van bestuurders en commissarissen. Bestuurders dienen ervoor te zorgen dat de vennootschap aan het maatschappelijk verkeer deelneemt als een verantwoordelijke vennootschap; commissarissen houden hierop toezicht. Verder stellen zij voor in de wet op te nemen dat vennootschappen een statutaire bestaansgrond (purpose of raison d’être) kunnen formuleren. Daarmee leggen zij op vrijwillige basis hun uiteindelijke doel en hun leidende beginselen vast. Over de verantwoordelijkheid voor de impact van de vennootschap op menselijk, sociaal en natuurlijk kapitaal kan expliciete verantwoording in de jaarstukken worden voorgeschreven. Zo kan het vennootschapsrecht de inbedding van ondernemingen in de samenleving versterken.

Ik vind het een fraai en doordacht pleidooi, dat precies op het goede moment komt. We hebben immers geleerd hoe dat moreel vrije speelveld van de markt zich kan ontwikkelen. Lees Een land van kleine buffers van Dirk Bezemer

En merk op hoe wet en moraal zich in dit voorstel verhouden. De opdracht tot "verantwoordelijk" handelen wordt in de wet opgenomen. Terwijl tegelijk niet precies kan worden omschreven wat die verantwoordelijkheid inhoudt:

Een verantwoordelijke vennootschap draagt verantwoordelijkheid jegens haar werknemers, is verantwoordelijk voor de gevolgen van haar handelen in de gemeenschappen waarin zij opereert en voor de gevolgen van haar handelen voor milieu en klimaat. Het streven naar winstgevende continuïteit op lange termijn moet ingebed zijn in deze brede verantwoordelijkheid. De inhoud van de zorgplicht van het bestuur en de raad van commissarissen voor een verantwoordelijke deelname van de vennootschap aan het maatschappelijk verkeer moet mede aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid in de concrete omstandigheden van het geval worden bepaald.

In die laatste zin staat precies wat nu eenmaal inherent is aan onze morele gemeenschapsintuïties. Ze sturen ons gedrag, maar als intuïties, niet als voorschriften. Beoordelingen "in de concrete omstandigheden van het geval" zijn dus onvermijdelijk. Net zo als dat in het domein van de persoonlijke relaties het geval is. Maar die onderliggende morele intuïties, die zijn bij iedereen aanwezig. Ook, als het goed is, bij de bedrijfselite die nu zegt niets te voelen voor "wettelijk opgelegd 'goed gedrag'".

donderdag 27 februari 2020

De markt moet je niet gebruiken voor taken waarvoor je mensen met goede intenties nodig hebt - Over een nadeel van privatisering van de zorg waar de politiek te weinig aandacht voor heeft


Dat inzicht wijst op een mogelijk nadeel van het overhevelen van voorheen publieke taken naar de marktsector. Als het om taken gaat die appelleren aan de behoefte van mensen om iets goeds te doen voor anderen, dan kan het zijn dat privatisering en het vrij baan geven aan winstuitkering aan aandeelhouders een verschuiving teweegbrengt in het werknemers- en aanbiedersbestand. Dus minder werknemers die er voor anderen willen zijn en meer aanbieders die toetreden uit winstbejag.

Precies die verschuiving lijkt zich te hebben voorgedaan als gevolg van de privatisering van de zorg. Op veel nadelen van die privatisering is al gewezen, zoals op de toegenomen kosten van controle. Maar dit nadeel, dat je minder kunt vertrouwen op de pro-sociale en intrinsieke motivatie van degenen die in de zorg werkzaam zijn, krijgt nog weinig aandacht.

Aanleiding om daar bij stil te staan vormt de kamerbrief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Hugo de Jonge, waarin hij de Tweede Kamer een overzicht geeft "van de maatregelen die mijn collega-bewindspersonen van VWS en ik nemen om te voorkomen dat personen met verkeerde intenties in de zorg aan de slag gaan".

In die brief lees je een opsomming van de vele maatregelen die de minister gaat nemen om dus die personen met verkeerde intenties uit de zorg te weren. 

Zoals het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz), waarin de wettelijke eisen aan de bedrijfsvoering van zorgaanbieders worden aangescherpt. En het wetsvoorstel Bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz), waarin het waarschuwingsregister zorgfraude wordt geregeld en het beter uitwisselen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de bestrijding van zorgfraude. En de uitbreiding van de Wet Normering Topinkomens, die moet voorkomen dat zowel hoofd- als onderaannemers in de zorg die wet ontwijken en zichzelf verrijken.

Waarbij je natuurlijk bedenkt dat de noodzaak van al die maatregelen, die dus nu pas wordt ingezien,  eruit voortkomt dat je er niet aan gedacht had dat de voordelen van concurrentie misschien niet zouden opwegen tegen de nadelen van het aantrekken van die "personen met verkeerde intenties".

De markt moet je niet gebruiken voor taken waarvoor je personen met goede intenties nodig hebt. Dus mensen die er voor anderen willen zijn.

Wat trouwens meer in het algemeen betekent dat het gebied waar de markt wel goed kan werken, veel minder groot is dan in de politiek vaak wordt gedacht.

dinsdag 10 december 2019

Boulding in 1965: er is wel degelijk een maatschappij. En dus een collectieve uitdaging en opdracht

Kenneth Boulding opende zijn bijdrage aan het debat met Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago zonder veel omhaal van woorden. Lees hier het vorige bericht, waarin dat debat werd geïntroduceerd.

Hij begint met te zeggen op zoek te gaan naar de grenzen van het libertarianisme, dat wil zeggen van het denken van Friedman. Daarbij gaat het hem vooral om de rol van ruil in de maatschappij. Want, zegt hij, vrijheid is een beetje een afleidingsmanoeuvre.

Dat laatste zal een reactie zijn geweest op het benadrukken van het belang van vrijheid door Friedman. We kennen de bijdrage van Friedman niet, maar hij zal het ongetwijfeld veel over vrijheid hebben gehad. Misschien heeft hij zelfs deze alinea (p. 2-3) uit het boek Free to Choose, dat hij later (1979) met zijn vrouw Rose Friedman zou schrijven, min of meer letterlijk uitgesproken:
Economic freedom is an essential requisite for political freedom. By enabling people to cooperate with one another without coercion or central direction, it reduces the area over which political power is exercised. In addition, by dispersing power, the free market provides an offset to whatever concentration of political power may arise. The combination of economic and political power in the same hands is a sure recipe for tyranny.
We herkennen hier het neoliberale wantrouwen tegen de democratische overheid. Die moet maar beter zo weinig mogelijk te zeggen hebben.

Maar Boulding zag dat dus als een afleidingsmanoeuvre (een red herring). Het gaat volgens hem om de rol van ruil, dat wil zeggen, van de uit vrije wil tot stand gekomen transactie tussen personen, waarbij alle transacties samengenomen de markt vormen. Dat is het ordeningsprincipe (organizer) waar het bij Friedman allemaal om draait.

Maar is dat het enige ordeningsprincipe? Volgens Friedman wel. Die stelling werd later (1987) door Margaret Thatcher verwoord als
there is no such thing as society. There are individual men and women and there are families. And no government can do anything except through people, and people must look after themselves first. It is our duty to look after ourselves and then, also, to look after our neighbours.
 Als iedereen maar voor zichzelf en zijn naasten opkomt, dan komt alles goed. Een algemeen belang waar we met zijn allen over kunnen beraadslagen en besluiten (democratie), dat moet je wantrouwen en zoveel mogelijk binnen de perken houden.

Daartegenover brengt Boulding naar voren dat er naast het ruilsysteem in onze samenleving twee andere ordeningsprincipes vallen te onderscheiden: het bedreigingssysteem en het integratiesysteem.

In het volgende bericht daarover meer, maar nu al valt op te merken dat hij met dat bedreigingssysteem doelt op wat op dit blog voortdurend langskomt als het statuscompetitiepatroon en het integratiesysteem als het gemeenschapspatroon.

Volgende keer meer over hoe Boulding die twee en hun relatie tot het ruilsysteem behandelt en over wat de implicaties daarvan zijn voor de politiek, voor de gezamenlijke vormgeving van de maatschappij waarin we nu eenmaal met elkaar leven.

Dat komt er op neer dat er wel degelijk een maatschappij is. En dus een collectieve uitdaging en opdracht.
Update. Lees nu het vervolgbericht: Als je de markt zijn werk wilt laten doen zonder daarbij rekening te houden met de rol van statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, dan loopt dat niet goed af

vrijdag 16 augustus 2019

Hoe door privatisering zelfverrijking en corruptie werden aangewakkerd. En over hoe dat was te verwachten

Twee berichten die, op heel verschillende niveau's, aan het zelfde thema raken: het thema van de verhouding tussen de markt (de private sector) en de overheid (de publieke sector).

In het bericht Eigenaren bedachten schimmige bedrijfsstructuur om miljoenen uit PrivaZorg te halen op het onvolprezen Follow the Money doet Siem Eikelenboom uitvoerig en gedetailleerd verslag van het onderzoek, in samenwerking met Trouw, naar wantoestanden in de geprivatiseerde (van publieke naar private sector) thuiszorg. We lezen hoe bestuurders van de thuiszorginstelling PrivaZorg met schimmige constructies zichzelf wisten te verrijken ten koste van publieke (AWBZ-)middelen.

En in het bericht Bad governance: How privatization increases corruption in the developing world, verschenen in het wetenschappelijke tijdschrift Regulation & Governance, lezen we hoe het International Monetary Fund (IMF) in de periode van 1982 tot 2014 in 141 ontwikkelingslanden aan de toename van corruptie en zelfverrijking heeft bijgedragen door privatisering van overheidsbedrijven als voorwaarde te stellen voor financiële ondersteuning.

In beide gevallen gaat het over de privatiseringsgolf die zich wereldwijd heeft afgespeeld als uitvloeisel van de neoliberale ideologie, die verkondigde dat we de overheid in de eerste plaats als probleem dienen te zien in plaats van als oplossing. Zich baserend op de gedachte dat mensen allereerst op eigen belang uit zijn en dus door de prikkels van de markt dienen te worden gemotiveerd. Als die prikkels van de concurrentie er onvoldoende zijn, dan spannen ze zich niet genoeg in.

Dat mensbeeld gaat er geheel aan voorbij dat de menselijke natuur naast dat statuscompetitiepatroon, dat appelleert aan egoïstische motieven, ook nog het daaraan tegengestelde gemeenschapspatroon kennen, dat erop gericht is om iets goeds te doen voor anderen. Afhankelijk van hoeveel statuscompetitiegedrag dan wel gemeenschapsgedrag ze in hun omgeving waarnemen, zullen mensen meer voor het ene dan wel het andere gedrag kiezen. Als iedereen competitief en dus egoïstisch is, dan is de kans groot dat jij dat ook bent. En andersom, als iedereen rekening houdt met anderen en bij wil dragen aan een betere wereld, dan is de kans groot dat jij je voelt aangesproken en daaraan meedoet.

En omdat de markt meer appelleert aan die egoïstische motieven en de overheid meer aan het algemeen belang en solidariteit met anderen, zul je dus kunnen verwachten dat mensen in de private sector meer egoïstisch gedrag vertonen dan in de publieke sector. En er zijn aanwijzingen die met die verwachting overeenstemmen. Zie de berichten Werkers in publieke sector zijn pro-socialer dan in bedrijfsleven en Mensen die er meer voor anderen willen zijn, werken meer in de publieke sector dan in de marktsector.

Die neoliberale privatiseringsgolf is geheel voorbijgegaan aan dat inzicht van de ambivalente menselijke sociale natuur (ook bekend, althans op dit blog, als de Dual Mode-theorie). En je kunt wel zeggen dat de gevolgen daarvan rampzalig zijn geweest. Die ambivalentie in de menselijke sociale natuur maakt het noodzakelijk om heel voorzichtig te zijn bij politieke keuzes tussen markt en overheid.

Het schijnt trouwens dat we die les beginnen te leren. Want in veel landen zien we dat eerdere privatiseringen weer worden teruggedraaid. Er wordt weer volop gerenationaliseerd. Wat eerder de markt op werd geduwd, komt nu weer terug in overheidshanden. Zie, uit 2017: Na de privatiseringsgolf is er nu volop renationalisering - Welke lessen zijn daaruit te trekken?

dinsdag 25 september 2018

Nieuwe aanwijzing voor negatieve gezondheidseffecten van baanonzekerheid - Menselijke behoeftes stroken slecht met de eisen van de markt

Er zijn steeds meer aanwijzingen dat het in de afgelopen decennia om zich heen grijpende marktdenken (ook wel neoliberalisme genoemd) tegen zijn grenzen oploopt. Anders gezegd, dat de vertaling van dat denken in beleid grote negatieve gevolgen heeft.

Onderdeel van dat denken is dat de arbeidsmarkt als een markt als alle andere dient te worden beschouwd. En dat deregulering nodig is om de flexibiliteit te verhogen en de markt dus beter te laten werken. In dat denken is "marktwerking" voor overheidsbeleid het laatste criterium, met verwaarlozing van wat mensen aankunnen en van wat ze nodig hebben.

Ontslagbescherming? Weg ermee. Als werknemers daardoor meer baanonzekerheid ervaren, dan is dat juist een bedoeld effect. Want mensen hebben immers prikkels nodig om zich in te spannen.

Een nieuwe studie die wijst op de negatieve gezondheidsgevolgen van zulk beleid is de masterscriptie (!) The causal effect of job insecurity on health – Study based on a sample of the elderly from 20 different European countries, waar ESB op attendeert. Zie voor eerder onderzoek naar de negatieve gevolgen van baanonzekerheid, niet alleen voor de gezondheid, maar ook voor de kans op rechts-extremisme, de berichten op dit blog achter het label baanonzekerheid.

De onderzoeker analyseert de data van de Survey of Health, Aging and Retirement in Europe, die in 20 Europese landen gedurende meerdere jaren is afgenomen onder werknemers van 40 tot 70 jaar. Daarin was zowel gevraagd naar de ervaren mate van baanonzekerheid als naar een heel scala aan gezondheidsaspecten. Doordat in de analyses de mate van ontslagbescherming per land als instrumentele variabele werd meegenomen, kon ook echt een oorzakelijk verband tussen baanonzekerheid en gezondheid worden vastgesteld.
Het zou zo kunnen zijn dat werknemers met meer gezondheidsproblemen meer in onzekere banen terechtkomen. Maar die omgekeerde oorzakelijkheid kon dus worden uitgesloten.
Het blijkt dan dat het negatieve effect van baanonzekerheid op de gezondheid aanzienlijk is. Zo verhoogt baanonzekerheid de kans op een depressie met 13 procentpunten.

Zoals gezegd, dat marktdenken gaat over een fantasiewereld waarin mensen zich geruisloos aanpassen aan wat de markt vraagt. Alles wat we weten over het grote belang van bestaanszekerheid voor mensen wordt genegeerd.
Toevallig is er vandaag ook de nieuwe studie over het belang van dagelijkse routines voor het gevoel een zinvol leven te leiden: Routines and Meaning in Life. Mensen hebben nu eenmaal behoeftes en het is wel heel naïef om te denken dat die altijd stroken met de eisen die de markt stelt.

zaterdag 28 april 2018

Waarom alle bedrijfskundeopleidingen beter kunnen worden gesloten

Update. Lees nu ook dit kritische onderzoek naar de Nederlandse bacheloropleiding economie: Thinking like an economist? 
Zouden we beter af zijn als minder jongeren economie of bedrijfskunde studeerden? Ik vroeg me dat eerder af in het bericht waarin onderzoek voorbijkwam dat suggereert dat studenten door het volgen van economievakken egoïstischer, hebzuchtiger en oneerlijk worden en meer geneigd tot corruptie en minder bereid tot samenwerken.

In de vakken economie en bedrijfskunde domineert het (neoliberale) marktdenken, dat wil zeggen, het idee dat het marktmechanisme ervoor zou zorgen dat egoïstisch gedrag van iedereen toch tot maatschappelijk wenselijke uitkomsten leidt. Er mankeert nogal wat aan dat idee. De populariteit ervan heeft er zeker aan bijgedragen dat we een Grote Financiële Crisis (kredietcrisis) achter de rug hebben en dat we te maken hebben met een sterk gegroeide bestaansonzekerheid voor velen en een exorbitante rijkdom voor enkelen. Kortom, het marktdenken werkt maatschappelijk ontwrichtend als het te wijd verbreid is.

Het voorstel van Martin Parker gisteren in The Guardian (Why We Should Bulldoze the Business School) gaat verder dan mijn suggestie van vier jaar geleden aan jongeren om een andere studie te kiezen. Martin Parker, die 20 jaar les heeft gegeven aan een bedrijfskunde-opleiding (business school), stelt voor om alle business schools te sluiten.

Zijn hele betoog is lezenswaardig, maar ik sta even stil bij de passage waarin hij uiteenzet wat de verschillende vakken die aan de bedrijfskunde-opleidingen gedoceerd worden, gemeenschappelijk hebben.

Dat is in de eerste plaats de vanzelfsprekendheid dat de kapitalistische ondernemingsvorm staat voor het einde van de geschiedenis. Het staat voor het economische model dat boven alle andere is uitgestegen en dat nu als wetenschap kan worden gepresenteerd, in plaats van als ideologie.

In de tweede plaats de veronderstelling dat alle menselijke gedrag het beste begrepen kan worden als dat van rationele egoïsten. Dat vormt de achterliggende gedachte van de modellen voor de aansturing van menselijk gedrag ten behoeve van het ondernemingsbelang.
Motivating employees, correcting market failures, designing lean management systems or persuading consumers to spend money are all instances of the same sort of problem. The foregrounded interest here is that of the person who wants control, and the people who are the objects of that interest can then be treated as people who can be manipulated.
En in de derde plaats zijn er de universitaire toga's en baretten die het mogelijk maken dit alles te presenteren als wetenschappelijk en dus respectabel.
Because it borrows the gown and mortarboard of the university, and cloaks its knowledge in the apparatus of science – journals, professors, big words – it is relatively easy to imagine that the knowledge the business school sells and the way that it sells it somehow less vulgar and stupid than it really is.
Natuurlijk is er ook binnen de business schools ruimte voor kritische geluiden. En zelfs voor vakken als business ethics en corporate social responsibility. Maar het feit dat die ruimte er is, fungeert meer als window dressing, dan als serieuze hervorming. Dat laatste zou het geval zijn als de oorzaak dat zulke vakken nodig zijn, zou worden aangepakt.

Lees vooral het hele betoog van Martin Parker.

vrijdag 23 juni 2017

Na de privatiseringsgolf is er nu volop renationalisering - Welke lessen zijn daaruit te trekken?

Een onderdeel van de opkomst van de ideologie van de kleine overheid enkele tientallen jaren geleden was de vaste overtuiging dat publieke diensten veel beter geprivatiseerd konden worden. 

Openbaar vervoer, levering van water en energie, kinderopvang, zwembaden en zelfs gevangenissen, alles kon beter via de markt verschaft worden. Want door gebrek aan concurrentie was overheidsvoorziening altijd inefficiënt, duur en van slechte kwaliteit. Als bedrijven en hun werknemers niet onder druk staan van de tucht van de markt, dan spannen ze zich niet genoeg in en leveren ze slecht werk af.

En zo kwam er wereldwijd een privatiseringsgolf. Maar de aanwijzingen zijn dat er nu een tegengestelde beweging plaats vindt. Er wordt weer volop gerenationaliseerd. Wat eerder de markt op werd geduwd, komt nu weer terug in overheidshanden.

Dat blijkt uit het rapport Reclaiming Public Services:How cities and citizens are turning backprivatisation, waar Trouw vandaag over bericht: Privatisering wordt wereldwijd weer volop teruggedraaid.

Dat rapport opent met een fraai inleidend hoofdstuk, waar ik de eerste alinea's maar even uit citeer (lees daarna verder voor de lessen die zijn te trekken):
You would be forgiven, especially if you live in Europe, to think that public services are by nature expensive, inefficient, maybe even somewhat outdated, and that reforming them to adapt to new challenges is difficult. It would seem natural to assume – because this is what most politicians, media and so-called experts tell us continuously – that we, as citizens and users, should resign ourselves to paying ever higher tariffs for services of an ever lower standard, and that service workers have no choice but to accept ever more degraded conditions. It would seem that private companies will inevitably play an ever larger role in the provision of public services, because everything has a price, because politicians have lost sight of the common good and citizens are only interested in their own individual pursuits. 
This book, however, tells a completely different story. Sometimes it may feel as though we are living in a time when profit and austerity – when it is not authoritarianism and xenophobia – are our only horizons. In reality, below the radar, thousands of politicians, public officials, workers and unions, and social movements are working to reclaim or create effective public services that address the basic needs of people and respond to our social, environmental and climate challenges. They do this most often at the local level. Our research shows there have been at least 835 examples of (re)municipalisation of public services worldwide in recent years, involving more than 1,600 cities in 45 countries. And these (re) municipalisations generally succeeded in bringing down costs and tariffs, improving conditions for workers and boosting service quality, while ensuring greater transparency and accountability.
This (re)municipalisation1 wave is especially strong in Europe, but it is also gaining strength elsewhere in the world. What is more, many of the 835 examples we identified are not merely technical changes in ownership but very often entail broader economic, social and environmental changes. (Re)municipalisation initiatives emerge from a range of motivations, from addressing private sector abuse or labour violations, recovering control over the local economy and resources, or providing affordable services to people, to implementing ambitious energy transition and environmental strategies. (Re)municipalisations occur at all levels, with different models of public ownership, and with various levels of involvement from citizens and workers. But out of this diversity a coherent picture nevertheless can be drawn: the movement for (re)municipalisation is growing and spreading, despite the continued top-down push for privatisation and austerity policies. 
Remunicipalisation refers to the return of public services from private to public delivery. More precisely, remunicipalisation is the passage of public services from privatisation in any of its various forms – including private ownership of assets, outsourcing of services and public-private partnerships (PPPs) – to public ownership, public management and democratic control. While our main focus in this research is on cases of return to full public ownership, the survey also includes cases of predominantly publicly owned services when the model is implemented with clear public values, to serve public objectives and when it contains a form of democratic accountability.
Een eerste les die daaruit valt te trekken is dat we kennelijk met zijn allen nog niet zo goed weten hoe we in het publieke domein de dienstverlening het beste kunnen organiseren. Dat is niet verwonderlijk, want we hebben als mensheid nog maar kort ervaring met de werking van de markt en van de overheid. En met hoe deze beide coördinatiemechanismen aansluiten op de natuurlijke vermogens en beperkingen van mensen.

De privatiseringsgolf was op het vermoeden gebaseerd dat mensen bij uitstek door de noodzaak van concurrentie met anderen en door het streven naar winst gemotiveerd worden. Maar de huidige renationaliseringsgolf lijkt erop te wijzen dat we die andere menselijke motivatie, die om bij te dragen aan de publieke zaak, om iets te doen voor het collectief, niet moeten verwaarlozen.

En dat is de tweede belangrijke les. Want door een publieke dienst te privatiseren en daarmee het signaal te geven dat vanaf nu vertrouwd wordt op de werking van het egoïstische concurrentie- en winstmotief, gooien we dat pro-sociale motief overboord. De wens om je voor het collectief, voor anderen, voor je "klanten", in te spannen wordt door dat signaal als het ware verdrongen. Denk aan dat proces van crowding out.

En misschien is die extra, pro-sociale inspanning nu juist erg nodig als het gaat om publieke dienstverlening. Ik moest denken aan het bezoek dat ik ergens eind jaren tachtig bracht aan een waterleidingbedrijf in het kader van een stagebegeleiding. Dat bedrijf moest weliswaar niet geprivatiseerd worden, maar wel commerciëler gaan werken. Dat hield onder meer in dat er uitkeringen zouden moeten worden verstrekt aan de aandeelhouders, dat wil zeggen de gemeenten. Gemeenten kregen daardoor een belang bij hogere uitkeringen. Het winstmotief zou moeten worden aangeboord.

Het hoofd personeelszaken, die later waarschijnlijk HR-manager is gaan heten, was sceptisch. Hij vertelde dat hij tot dan toe ervan uit kon gaan dat zijn personeel sterk gemotiveerd was door het publieke karakter van hun werk. Mensen moesten altijd kunnen rekenen op veilig drinkwater, dat stond voorop en dat rechtvaardigde de extra inspanningen die soms nodig waren. Hij vreesde dat het winstmotief die motivatie zou verzwakken.

Inzicht in dat proces van crowding-out zou wel eens te maken kunnen hebben met die renationaliseringsgolf die we nu meemaken.

En dat zou geheel in lijn zijn met onderzoek dat laat zien dat werkers in de publieke sector pro-socialer zijn dan in de marktsector. Denk aan Werkers in publieke sector zijn pro-socialer dan in bedrijfsleven en aan Mensen die er meer voor anderen willen zijn, werken meer in de publieke sector dan in de marktsector.

woensdag 9 maart 2016

Wangedrag hoort bij de financiële advisering. In de VS. En in Nederland

Luigi Zingales, auteur van A Capitalism for the People, verzuchtte vorig jaar in zijn Presidential Address aan de American Finance Association:
I fear that in the financial sector fraud has become a feature and not a bug.
Anders gezegd: wangedrag is in plaats van een zo nu en dan voorkomend foutje een normaal ingrediënt geworden van de financiële sector.

Daarbij denken we natuurlijk meteen aan de grote schandalen, waaraan in de media veel aandacht is besteed. Maar hoe zit het met fraude en wangedrag in de dagelijkse routine in die sector, zoals in de financiële advisering?

Het vereist grondig onderzoek om daar zicht op te krijgen. En precies zulk onderzoek is nu uitgevoerd als het gaat om de financiële advisering in de Verenigde Staten: The Market for Financial Adviser Misconduct.

Op basis van openbare gegevens construeerden de onderzoekers een dataset van alle, ongeveer 1,2 miljoen, financiële adviseurs over de periode 2005 tot 2015. Van ongeveer 7 procent van hen zijn een of meer gevallen van geregistreerd wangedrag bekend, met een bedrag van 40.000 dollar als mediaan van de aan de benadeelden uitbetaalde compensaties.

Deze gevallen van wangedrag zijn niet willekeurig over alle adviseurs verdeeld: een derde van hen is recidivist. En degenen die eerder in de fout gingen, gaan vijf maal zoveel opnieuw in de fout dan gemiddeld. Daaruit blijkt dat de marktwerking (reputatie) noch de regulering er voor zorgen dat de rotte appels uit de mand worden verwijderd.

Bovendien blijkt het wangedrag zich in bepaalde bedrijven te concentreren. En vaak zijn dat bedrijven waar ook meer wangedrag is geregistreerd van bestuurders en leidinggevenden.

Dat alles wil niet zeggen dat er niet tegen misdragingen wordt opgetreden. In de helft van de gevallen volgt ontslag, maar het blijkt dat de gestraften vrij snel weer bij een ander bedrijf aan de slag kunnen. En dat zijn, inderdaad, overwegend die bedrijven waar meer wangedrag voorkomt.

Als al deze gegevens openbaar zijn, hoe komt het dan dat consumenten zich hier niet tegen wapenen? Dat zal er aan liggen dat veel van hen daar niet genoeg deskundig en bijdehand voor zijn. Dat klopt, want het blijkt dat het wangedrag meer voorkomt in de bedrijven die zich specialiseren in de advisering aan zulke consumenten. Er bestaat kennelijk een soort niche in de markt waar fraude het meeste loont en waar bedrijven zich op richten.

De markt voor financiële advisering is wel heel duidelijk een geval van informatie-asymmetrie, een bekende vorm van marktfalen. Een vertrouwensmarkt dus. En reputatie en regulering blijken maar beperkt het misbruik van dat vertrouwen tegen te gaan.

Dat versterkt de redenen om te denken dat markten zonder vertrouwen niet goed kunnen werken.

En het laat weer eens zien dat er veel werk aan de winkel blijft om de monsterachtige kant van de vrije markt te temmen.

Blijft de vraag hoe het zit met de markt voor financiële advisering in Nederland. Je gedachten gaan natuurlijk meteen uit naar de woekerpolisaffaire. En nu naar het rentederivatendossier.

Update. Naar aanleiding van dit onderzoek bepleit Nir Kaissar veel hogere toelatingseisen en meer professionalisering van financieel adviseurs, evenals een ethische code. Net als medici kunnen financieel adviseurs veel schade aanrichten. Dat pleit voor met medische beroepen vergelijkbare eisen. Zie You Deserve a Better Financial Adviser. In dezelfde geest: Brokers Behaving Badly door Barry Ritholtz.

In Nederland is als ik het goed heb de zorgplicht van financiële dienstverleners geregeld in de Wijzigingswet financiële markten 2014. Die zorgplicht houdt onder meer in dat de dienstverlener in het belang van de klant dient te handelen. Veelzeggend dat zulks wettelijk dient te worden vastgelegd.

En zie nu ook over de Rabobank en de rentederivaten: Rabo-baas Draijer krijgt tuchtklacht aan z'n broek om renteswapdossier.

Het gaat nog even door. Nu in De Groene Amsterdammer over het gebrekkige toezicht op de bankensector: Toezichthouder AFM: een waakhond zonder tanden.

woensdag 25 november 2015

Bij het overlijden van Douglass C. North - over markt en overheid

Vandaag het bericht dat economisch historicus en Nobelprijswinnaar in 1993 Douglass C. North is overleden. Zie Douglass C. North, Nobel Laureate Economist, Dies at 95. Hij was een van de grondleggers van de new institutional economics, waartoe ook Elinor Ostrom wordt gerekend.

North was vooral op zoek naar de oorzaken van de snelle economische groei in de laatste paar eeuwen in de Westerse wereld. En hij liet overtuigend zien dat de rol van instituties daarin cruciaal was. Denk aan door overheidswetgeving in het leven geroepen overeenkomstenrecht, eigendomsrechten, patenten en octrooien.

Daarmee ging hij in tegen het neoklassieke economische denken, dat er van uitging dat een zoveel mogelijk vrij gelaten marktmechanisme (laissez faire) als vanzelf de economische groei zou aanjagen. Technologische ontwikkeling zou dan spontaan gegenereerd worden en markten zouden als vanzelf in omvang toenemen.

Ik sloeg even zijn fraaie boek Structure and Change in Economic History uit 1981 er op na. En kwam terecht op p. 166-7, waar hij economisch historici aanhaalt die vooral wijzen naar deregulering als oorzaak van de industriële revolutie. Zijn antwoord daarop is vervat in dit wat langere citaat:
What has been missing in the argument, however, is that while laissez faire is identified as the key to the development, the term "laissez faire" not only has misleading ideological overtones but at least in part misses the point. It is true that the decline in mercantilist restrictions including repeal or reform of the Statute of Artificers (denk aan de ambachtsgilden - HdV), poor laws, acts of settlements, usury laws, navigation acts, and so forth is part of the story. Particularly significant to the developing of more efficient markets, however, is the better specification and enforcement of property rights over goods and services; and in many cases much more was involved than simply removing restrictions on the mobility of capital and labor - important as those changes were. Private and parliamentary enclosures in agriculture, the Statute of Monopolies establishing a patent law, and the immense development of a body of common law to better specify and enforce contracts also are part of the story. Laissez faire implies an absence of restraints; efficient markets imply well-specified and enforced property rights, which means the creation of a set of restraints encouraging productivity growth. The removal of restrictions widening the gap between private and social returns frequently required positive action by government - a government which we have seen was, as a result of the English revoltion, oriented toward such development.
In een slogan samengevat: Niet meer markt, maar meer overheid en daardoor meer markt. Een mooie weerlegging van het naïeve marktdenken, uitgerekend in het jaar, 1981, dat Ronald Reagan in de Verenigde Staten tot president werd verkozen.

Maar nu, in 2015, in een tijd waarin we vrezen voor langdurige economische stagnatie als gevolg van (wederom!) een in de politiek wijd verbreide onderschatting van het belang van een positieve de rol van de overheid, kun je je afvragen of we niet nog twee stappen verder moeten gaan dan North deed in 1981.

Allereerst, we beseffen, of zouden behoren te beseffen, dat de economie naast een aanbodkant ook een vraagkant heeft. En dat dus economische groei niet alleen afhangt van overheidsbeleid voor de aanbodkant, waar North op wees, maar ook van macro-economisch beleid om in tijden van liquiditeitsval de vraag op peil te houden. Tragisch dat dit besef, zeker in Europa, maar zo beperkt tot de politiek doordringt. Denk aan alle berichten op dit blog over de bezuinigingszeepbel.

Maar daar komt nog een stap bij. Want je kunt bepaald niet verwachten dat de markt wel genoeg technologische innovatie verschaft als maar aan die institutionele voorwaarden van North is voldaan. Het blijkt immers dat veel technologische vernieuwingen pas tot stand komen als de overheid bereid is om investeringen te doen waarvoor private geldschieters terugdeinzen vanwege de hoge risico's. Zoals overtuigend naar voren gebracht door Mariana Mazzucato in dat prachtige boek The Entrepreneurial State. Zie ook het bericht Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie.

maandag 5 oktober 2015

Bijwerkingen van de vrije markt: manipulatie, bedrog en kuddegedrag

Twee interessante berichten die weer eens aanzetten tot nadenken over de bijwerkingen van de vrije markt.

In de New York Review of Books bespreekt Cass Sunstein (die van Going To Extremes: How Like Minds Unite and Divide) het nieuwe boek van de economen en Nobelprijswinnaars Akerlof en Shiller (Phishing for Phools: The Economics of Manipulation and Deception). Zie Why Free Markets Make Fools of Us.

En Steven Pearlstein schreef in de Washington Post een lange beschouwing naar aanleiding van het vertrek van Oliver Blanchard als hoofdeconoom van het IMF. Zie The smartest economist you’ve never heard of.

Wat hou je, althans ik, er op zijn kortst samengevat aan over?

Doordat het menselijk gedrag niet rationeel is, in de betekenis die economen daaraan toekennen, functioneren markten niet zoals economen denken dat ze doen of zoals ze zouden willen dat ze doen. Er valt zo langzamerhand een lijst op te stellen van duidelijk aanwijsbare afwijkingen ("zwakheden") in ons gedrag van het rationele model: we zijn te zelfverzekerd en onrealistisch optimistisch, we kunnen slecht overweg met waarschijnlijkheden, we hebben te weinig oog voor de langere termijn en we laten ons meer drijven door mogelijke verliezen dan door gelijkwaardige verbeteringen.

Die zwakheden zijn eigenlijk geen zwakheden, maar aanpassingen aan omstandigheden in het verleden, toen de markt nog niet bestond. Nu die er wel is, maken ze ons kwetsbaar voor manipulatie en bedrog. Want hoewel economen graag uitgaan van het principe van de consumentensouvereiniteit, van de gedachte dat niemand anders dan jijzelf weet wat het beste voor je is, maken deze zwakheden ons tot een gemakkelijke prooi van degenen die er werk van maken om ons te manipuleren en te bedriegen. Omdat ze daar zelf beter van worden.

En zo is de markt een oorzaak van gezondheidsproblemen, van het najagen van aangewakkerde behoeften, van overdadige statuscompetitie en de stress die daarmee gepaard gaat en van financiële crises.

Als consument of als investeerder of als kiezer worden we te grazen genomen. Uiteraard is het verstandig als we dat met zijn allen, via de overheid en door regulering en wetgeving, tegengaan. Maar dat gebeurt meestal als het kwaad al is geschied of het gebeurt onvolkomen, doordat ook de overheid wordt gemanipuleerd en bedrogen (denk aan Volkswagen, maar niet alleen daaraan, want de rij is lang). En bovendien hangt er "boven de markt" nog altijd dat blinde geloof in de onbegrensde weldadigheid er van ("op den duur komt alles goed") en in de overheid als probleem in plaats van als een oplossing.

Wat je er aan overhoudt is dat er nog heel veel werk te doen is om de monsterachtige kant van de vrije markt voldoende te temmen. Want diezelfde markt creëert ook de bedrijven die graag bereid zijn om die menselijke zwakheden te exploiteren. Sunstein:
If a company can make money by deceiving or manipulating people, someone is going to create such a company, and it will prosper (unless the law regulates it). And if it prospers, companies that do not deceive or manipulate people may well be at a competitive disadvantage.
En aan dat prachtige stuk van Steven Pearlstein over Oliver Blanchard, dat trouwens ook een mooi overzicht geeft van de crisis in het vak economie, hield ik vooral de laatste alinea over, die getiteld is The tiranny of bad ideas. Want dat gaat er in feite over dat wij met zijn allen, inclusief al die zogenaamde deskundigen, de vrije markt en het publieke domein dat daarmee ontstaan is, nog maar slecht begrijpen.

De markt heeft een weldadige kant, die van de voordelen van de concurrentie. Maar dus ook die monsterachtige kant, van manipulatie en bedrog. En het vereist serieuze studie en hard werken en een open geest om dat beest onder controle te krijgen en goed voor ons allen te laten werken.

Maar dat komt er vaak niet van. Wat hem het meest verbaasde, zegt Blanchard, is:
"how quickly a consensus can develop around some question on the basis of what decision-makers read in the press or hear over dinner". (...)
"There’s a big risk of people agreeing on something without thinking about it or doing the hard analysis,” he said. In the face of incomplete information and genuine uncertainty, he said, it was disquieting “how easily bad ideas become entrenched.”
Dat is het kuddegedrag dat ontstaat door een andere menselijke "zwakheid", onze sterke neiging tot sociale beìnvloedbaarheid onder omstandigheden van onvolledige informatie en onzekerheid. Waardoor we met zijn allen achter idiote ideeën aanlopen omdat, ja, omdat de meeste anderen dat ook doen. Zo ontstaan de sociale zeepbellen. Die inderdaad financiële crisissen veroorzaken. En totaal verkeerd economisch beleid. Denk aan de bezuinigingszeepbel.

dinsdag 10 maart 2015

De markt, dat is competitie, maar vooral ook samenwerking en vertrouwen

Gemeten aan de mensheidsgeschiedenis is het marktsysteem een heel recent verschijnsel. Dat betekent dat we het met onze cognitieve vermogens nog maar beperkt kunnen doorgronden. Dat hele stelsel van economische transacties die zich in ruimte en tijd afspelen, is te ingewikkeld om greep op te krijgen. Het gevolg daarvan is dat we het gevaar lopen er een te eenzijdig beeld van te hebben en daarop ons gedrag baseren. (Dit bericht is een vervolg op Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie.)

Dat beeld kan in vele vormen eenzijdig zijn, maar het lijkt er op dat een bepaalde vorm het meest opduikt. Dat is de eenzijdigheid van het gelijkstellen van de markt aan competitie. Het is dat competitie-element dat het meest opvalt als je de markt vergelijkt met de Paleo Sociale Omgeving, de sociale vorm waarin onze verre voorouders werden geselecteerd op de vermogens tot samenwerking en collectieve onderdrukking van de statuscompetitie. (Vergelijk ook het baseline communisme van David Graeber.)

De ontwikkeling van de markt, samen met de opkomst van de landbouwsamenlevingen, leek er op te duiden dat je met zijn allen ook welvaart, juist welvaart!, en een geordende samenleving kon creëren door veel meer dan daarvoor te vertrouwen op de voordelen van het met elkaar concurreren. Dat kan er toe geleid hebben dat we teveel over het hoofd zien hoe essentieel het voor de goede werking van de markt is dat wij in staat zijn tot samenwerking op basis van onderling vertrouwen.

We weten dat vertrouwen tussen economische partners een grote bijdrage levert aan de efficiëntie van transacties of zelfs aan het tot stand komen van die transacties. Vandaar dat landen met een hoger onderling vertrouwen (generalized trust) ook de landen zijn met een hogere economische welvaart en groei. Zie bijvoorbeeld Trust and Growth (pdf) van Paul J. Zak en Stephen Knack uit 2001.

Maar dat is academische kennis en die is niet altijd evenveel bij iedereen beschikbaar. Er kan dus bij het algemene publiek of zelfs in de politiek een beeld ontstaan van de markt als het systeem waarin alles draait om competitie. En het lijkt er op dat dat beeld de afgelopen tientallen jaren nogal is gaan overheersen. Zo ongeveer sinds de tijd van Reagan in de Verenigde Staten en Thatcher in Groot-Britannië. Zeg maar de tijd van de opkomst van het neoliberalisme, eigenlijk de stroming die inderdaad altijd en overal de weldaden van concurrentie predikt.

Maar elke beweging roept op den duur een tegengestelde beweging op. Waardoor we nu weer meer meemaken dat economen er op gaan wijzen hoezeer de goede werking van de markt afhankelijk is van de menselijke bereidheid tot samenwerking op basis van onderling vertrouwen. Ik moest daaraan denken toen ik Six Reasons Why Economists Should Say Less About "Competition" van Timothy Taylor las, die daarin verwijst naar Emporiophobia (Fear of Markets): Cooperation or Competition? van Paul Rubin. Rubin legt daarin uit dat economen veel meer dan ze gewend zijn te doen aandacht zouden moeten besteden aan het economische belang van samenwerking. Interessante ontwikkelingen.

donderdag 12 februari 2015

Gaat geloof in de vrije markt samen met meer immoreel gedrag? Over VVD'ers

Vandaag maakt Kustaw Bessems zich kwaad op drie VVD'ers. Allereerst op Kamerlid Mark Verheijen, die in zijn vorige functie als gedeputeerde in Limburg duizenden euro's ten onrecht declareerde, maar dat afdoet met "Waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt". En op fractievoorzitter Halbe Zijlstra en premier Rutte, die vinden dat het verhaal is opgeblazen. Zo erg is het volgens hen nou ook weer niet, om foute declaraties in te dienen.

Bessems trekt een vergelijking met het bovenal door de VVD gewilde strenge en onrechtvaardige sanctioneringsbeleid van de UWV als het gaat om uitkeringstrekkers. Die krijgen hoge boetes opgelegd voor het niet of onjuist verstrekken van informatie, ook als opzet niet duidelijk of zelfs onwaarschijnlijk is. Het contrast is nogal groot.

Uiteraard denkt iedereen meteen ook aan René Leegte, dat andere VVD-Kamerlid, die zich bellend in de trein neerbuigend had uitgesproken over de zorgen van Groningers over de aardgaswinning in hun regio. Hij sprak onder meer over het 'pappen' van de Groningers en over de VVD-strategie om gaswinning gaande te houden. Dat kwam in het nieuws doordat andere treinpassagiers konden meeluisteren.

En zo kwam het cynisme naar buiten waarmee de VVD de problemen benadert die voor de Groningers zijn ontstaan door de gaswinning. In het economisch onzinnige streven naar begrotingsevenwicht komt het de VVD niet goed uit dat de aardgasinkomsten zouden moeten teruglopen. Het optreden van René Leegte werd "stom" gevonden, maar dat leek meer te slaan op dat bellen in een eersteklascoupé, dan op dat cynisme zelf.

Nu gaat het natuurlijk te ver om hier meteen een beschouwing aan te verbinden dat VVD'ers meer geneigd zijn tot immoreel gedrag dan leden van andere politieke partijen. Maar desalniettemin zijn er wel aanwijzingen dat het aanhangen van een sterk geloof in de weldadige werking van het marktmechanisme, zoals VVD'ers geneigd zijn te doen, samen gaat met minder moreel gedrag.

Een sterk vertrouwen in de onzichtbare hand kan het gevoel geven dat egoïsme en zelfverrijking gelegitimeerd zijn, omdat het marktmechanisme er wel voor zorgt dat alles dan toch op zijn pootjes terechtkomt. Het is een wat primitieve gedachte, maar als die je goed uitkomt, dan stap je daar wel overheen. Zie voor aanwijzingen die in deze richting wijzen: Bankiers zijn, als bankiers, oneerlijk - Dat wijst op een bankencultuur van bedrog, Maakt het marktdenken mensen minder pro-sociaal? en De markt erodeert morele waarden. En niet te vergeten Zouden we beter af zijn als minder jongeren economie of bedrijfskunde studeerden?

Natuurlijk komt die financiële crisis van 2008, waar we nu nog steeds onder te lijden hebben, ook voor een groot deel voort uit datzelfde overdreven geloof in de wonderen van het vrije en ongereguleerde marktmechanisme. Bankiers gingen zich te buiten aan onbegrensde zelfverrijking, met grote risico's voor anderen. Het mag ieder weldenkend mens ondertussen wel duidelijk zijn geworden dat fraude in het drama een grote rol heeft gespeeld. En nog speelt. Update. Zie nu How Mortgage Fraud Made the Financial Crisis Worse.

En dat maakt de ontwikkelingen daarna wel ironisch. Want je had kunnen verwachten dat de financiële crisis die politieke en maatschappelijke stromingen had versterkt die met wat meer scepsis naar het marktmechanisme kijken. En wat meer inzicht hebben in de noodzaak van overheidsingrijpen en de wenselijkheid van regulering, macro-economische beleid, sociale bescherming en sociale en publieke voorzieningen. Die stromingen dus die zich meer in het linker gedeelte van het politiek spectrum ophouden.

Maar geheel tegengesteld aan die verwachtingen hebben we een ruk naar rechts meegemaakt. Dat gaat misschien wel snel veranderen, maar voorlopig zitten we daar nog mee. En dus ook met figuren in publieke functies als Mark Verheijen, René Leegte, Halbe Zijlstra en Mark Rutte.
Update 27-2-2015.  Na dit bericht is er in de media uitgebreid aandacht geweest voor integriteitssschendingen (keurig woord trouwens) van VVD-leden. RTL Nieuws stelde een overzicht samen: Corruptie, dubbele petten, omkoping: VVD'ers en hun affaires. En vandaag wordt bekend dat Mark Verheijen zijn lidmaatschap van de Tweede kamer neerlegt, nadat de Permanente Commissie Integriteit van de VVD concludeerde dat alles bij elkaar opgeteld de feiten en de dynamiek rondom zijn persoon niet passen in het integriteitskader van de partij. (Ook weer keurig onder woorden gebracht.) Reactie van VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra: een persoonlijk drama, maar een logisch besluit. Geen drama voor de VVD. Geen drama voor de politiek.