donderdag 19 september 2019

Waarom stagneren de lonen? Er is nog veel verborgen werkloosheid

Hoe komt het dat in veel landen de werkloosheid sinds de jaren na de Grote Financiële Crisis flink gedaald is en dat toch de lonen niet of nauwelijks zijn gestegen? (En dat daarmee samenhangend de inflatie maar niet echt wil toenemen?) Je zou immers verwachten dat dalende werkloosheid leidt tot een grotere krapte op de arbeidsmarkt, die maakt dat werkgevers hogere lonen moeten aanbieden om werknemers aan te kunnen trekken.

Dat de lonen toch stagneren, zou eraan kunnen liggen dat die werkloosheid minder gedaald is dan uit het meestal gehanteerde werkloosheidscijfer (wel of geen betaald werk hebben) naar voren komt. Want dat cijfer houdt geen rekening met de verborgen werkloosheid, die eruit bestaat dat er mensen zijn die in deeltijd werken en graag meer uren zouden willen werken. Dat kunnen werkende armen zijn die graag uit hun armoede zouden willen ontsnappen. In de Engelstalige literatuur wordt die verborgen werkloosheid aangeduid met underemployment.

Vandaag vraagt Norbert Häring daar aandacht voor: Wie unfreiwillige Teilzeitarbeit die Reservearmee der Arbeitslosen ersetzt.

Daarin verwijst hij naar het NBER-paper Underemployment in the US and Europe, dat al een jaar geleden verscheen, maar nu als artikel uitkomt in de Industrial and Labor Relations Review. David N.F. Bell en David G. Blanchflower laten daarin voor de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en veel van 25 andere Europese landen zien dat weliswaar de werkloosheid is teruggekeerd op het niveau van voor de crisis, maar dat zulks niet geldt voor de verborgen werkloosheid.

En bovendien blijkt dat een verklaring te zijn voor die achterblijvende loongroei. Want als je met die verborgen werkloosheid rekening houdt, dan is die achterblijvende loongroei precies wat je zou verwachten.

Het valt anders gezegd nogal mee, of eigenlijk tegen, met die krapte op de arbeidsmarkt. De echte werkloosheid, dat wil zeggen de niet-gerealiseerde vraag naar uren arbeid, is veel hoger dan uit het eenvoudige werkloosheidscijfer blijkt. Vooral in landen waarvan gezegd wordt dat "het nu beter gaat", zoals in Italië, Spanje, Portugal en Ierland, is dat het geval. Zo veel beter gaat het dus helemaal niet.

We kennen dus nog in hoge mate het verschijnsel van het industriële reserveleger, zoals Karl Marx dat beschreef in zijn Das Kapital (1867).

Of we kennen het weer, want het na-oorlogse sociaaleconomische beleid was tot in de jaren 70 immers nog gericht op de doelstelling van de volledige werkgelegenheid. Een beleid waarmee dat vernederende en inhumane reserveleger voorgoed tot de geschiedenis zou gaan behoren. Zie nog eens het bericht van begin vorig jaar: De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie.

Update. Ook voor Nederland geldt dat de verborgen werkloosheid een verklaring vormt voor de achterblijvende loongroei. Zie De Nederlandse loon-Phillips-curve opnieuw bekeken.

woensdag 18 september 2019

Waarom het niet klopt dat we nu kunnen investeren doordat we in het verleden zo goed hebben bezuinigd

Dit is een vervolg op het bericht van gisteren: Hoe zit het in Nederland met de bezuinigingszeepbel? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.
Vanaf volgend jaar gaat het kabinet extra investeren door miljarden euro's te gaan lenen: Hoekstra: investeringsfonds om Nederland klaar te maken voor een toekomst met minder groei

Dat is mooi. Er wordt wel gezegd dat de regering door in de afgelopen jaren zoveel te bezuinigen nu de ruimte heeft om geld te lenen. Anders gezegd, doordat we zo "rijk zijn", dus een groot begrotingsoverschot hebben, kunnen we nu geld lenen om te investeren.

Maar dat is een verkeerde redenering. Door al die bezuinigingen zijn we juist armer geworden, als je kijkt naar de economie in plaats van naar de overheidsbegroting. 

In 2015 schatte Bas Jacobs de schade van het bezuinigingsbeleid op 20 tot 30 miljard per jaar. Investeringen die nu nodig zijn, zijn voor een groot deel nodig om die schade te herstellen. Denk aan de infrastructuur, het woningtekort, de jeugdzorg, de zorg voor ouderen, de tekorten bij de gemeenten, de energietransitie, de landbouw. 

Maar denk ook aan al het leed en de toename van bestaansonzekerheid die die bezuinigingen de afgelopen jaren hebben teweeggebracht. Die schade kan helemaal niet meer worden hersteld.

dinsdag 17 september 2019

Hoe zit het in Nederland met de bezuinigingszeepbel? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.

Update. Vanaf volgend jaar gaat het kabinet extra investeren door miljarden euro's te gaan lenen: Hoekstra: investeringsfonds om Nederland klaar te maken voor een toekomst met minder groei. Dat is mooi. Er wordt wel gezegd dat de regering door in de afgelopen jaren zoveel te bezuinigen nu de ruimte heeft om geld te lenen. Anders gezegd, doordat we zo "rijk zijn", dus een groot begrotingsoverschot hebben, kunnen we nu investeren.
Maar dat is een verkeerde redenering. Door al die bezuinigingen zijn we juist armer geworden, als je kijkt naar de economie in plaats van naar de overheidsbegroting. In 2015 schatte Bas Jacobs de schade van het bezuinigingsbeleid op 20 tot 30 miljard per jaar. Investeringen die nu nodig zijn, zijn voor een groot deel nodig om die schade te herstellen. Denk aan de infrastructuur, het woningtekort, de jeugdzorg, de zorg voor ouderen, de tekorten bij de gemeenten, de energietransitie, de landbouw. En denk aan al het leed en de toename van bestaansonzekerheid die die bezuinigingen de afgelopen jaren hebben teweeggebracht. Die schade kan helemaal niet worden hersteld.
Sinds 2011, het jaar dat ik dit blog begon, staan er berichten op dit blog over de bezuinigingszeepbel. Die term sloeg op het sociale verschijnsel dat politici en beleidsmakers in veel landen na de Grote Financiële Crisis van 2009 - 2010 een obsessie ontwikkelden met begrotingstekorten van de overheid en gingen uitdragen dat overheden zo veel en zo snel mogelijk moesten bezuinigen als antwoord op de door Crisis ontstane problemen.

Ik noem dat een sociaal verschijnsel, omdat die opvatting niet spoorde met wat de economiehandboeken voorschreven. Er was geen rechtvaardiging voor die consensus te vinden in de mainstream van het vak economie. Denk aan wat Nobelprijswinnaar Paul Krugman allemaal heeft geschreven over de economische ongeletterdheid van de voorstanders van bezuinigen. Een mooi overzicht daarvan lees je in zijn What Have We Learned From The Crisis?

En denk in ons land aan de pogingen van econoom en VVD-lid wijlen Johan Witteveen (ex-minister van Financiën en ex-voorzitter van het IMF) om Mark Rutte en andere VVD-voormannen er van te overtuigen dat hun verhaal over het overheidstekort niet klopte. Het meest dodelijke daarvan, voor die VVD-voormannen, was wel dat ze volgens Witteveen wisten dat het verhaal niet klopte, maar er toch naar handelden. Zie, uit 2012: Johan Witteveen: "Ik heb gezegd: het verhaal over het tekort is niet juist en dat weten jullie".

En denk in ons land aan alle pogingen van Bas Jacobs om de voorstanders van bezuinigen als remedie tegen de gevolgen van de crisis op andere, en betere, gedachten te brengen. Uit 2016: Bas Jacobs: De vraag moet zo krachtig worden gestimuleerd dat overbesteding en inflatie ontstaat.

Er leek dus het verschijnsel van de sociale zeepbel ten grondslag te liggen aan die merkwaardige consensus onder politici, in Nederland, in Duitsland, in Groot-Brittannië en in de Eurogroep van ministers van Financiën van de eurozone, dat juist nu de overheidstekorten zo snel mogelijk moesten worden teruggedrongen. Bij gebrek aan economische geletterdheid kregen degenen die het eerst en het hardst riepen bijval van anderen, waardoor nog weer anderen zich daarbij aansloten, want als zoveel mensen iets roepen, dan zal dat wel kloppen. Zie nog eens mijn eerste bericht over de bezuinigingszeepbel.

Waarmee overigens niet gezegd is dat die sociale zeepbel zo maar uit het niets kon ontstaan en groeien. Er lagen ook wel degelijk belangen (het Grote Geld) en ideologische overtuigingen (de ideologie van de kleine overheid) aan ten grondslag.

Maar als het goed is, loopt een sociale zeepbel op den duur leeg, doordat hij niet is opgewassen tegen de feiten en de feitelijke ontwikkelingen. Dat is met de bezuinigingszeepbel nu al een poos aan de gang. Zo is in Duitsland, nota bene het land van het huishoudboekje van die schwäbische Hausfraude discussie opgelaaid over de zinvolheid van het in de Grondwet vastgelegde (!) beleid van de Schuldenbremse of de schwarze Null.

En in Nederland? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.

zondag 15 september 2019

Zondagochtendmuziek - Miles Davis with John Coltrane- March 21, 1960 Olympia Theatre, Paris

Gisteravond in de bioscoop de documentaire Miles Davis - Birth of the Cool gezien.

Sociaalwetenschappelijk gezien zet die natuurlijk aan het denken over wat het met iemand doet als hij een celebrity wordt. Hoe moeilijk is het om met de uitdagingen daarvan om te gaan en om desondanks een goed leven te leiden. En om goede muziek te maken en te blijven maken.

Je kunt daar natuurlijk verschillend over oordelen, maar mij lijkt dat Miles Davis zijn beste muziek maakte in de tijd van zijn Miles Davis Quintet, met John Coltrane, tenorsax, Wynton Kelly, piano, Paul Chambers, bas en Jimmy Cobb, drums.

Dit is uit 1960 in het Olympia in Parijs. Het is wel te snappen dat je in de problemen komt als je het hierna nog beter wilt doen.

donderdag 12 september 2019

Hoe te verklaren dat de Tinbergen-norm voor een rechtvaardige inkomensverdeling zo maar werd losgelaten?

Het is vijftig jaar geleden dat Jan Tinbergen (1903 - 1994), samen met Ragnar Frisch, de eerste Nobelprijs voor Economie ontving. Naar aanleiding daarvan wordt, terecht, her en der stilgestaan bij de invloed die zijn werk heeft gehad en nog heeft.

In ESB gaan Roelof Bos en Gelijn Werner in op de normatieve kant van zijn werk, op de normen en vuistregels waar overheden zich op zouden behoren te oriënteren om het welzijn van mensen te bevorderen: Normatieve kant van Tinbergen heeft flinke stempel op beleid gedrukt.

Een van de normen waar het om gaat is die van een rechtvaardige, en dus behoorlijk egalitaire,  inkomensverdeling. Er ging in de politiek een tijd lang een concretisering van die norm rond die inhield dat de verhouding tussen het inkomen van de laagstbetaalde en hoogstbetaalde niet zou behoren uit te gaan boven de 1:5. Maar die schijnt niet van Tinbergen zelf afkomstig te zijn.

Hoe dan ook, de norm van een rechtvaardige of redelijke inkomensverdeling is in (het denken over) de sociaaleconomische politiek enige tijd gemeengoed geweest. Maar dat is veranderd. Bos en Werner:
Sinds de jaren zeventig is de inkomensverdeling steeds sterker uiteen gaan lopen. Veranderingen in de structuur van de wereldeconomie, zoals globalisering en technologische ontwikkelingen, alsook de opkomst van het neoklassieke denken bij politici in de jaren tachtig en negentig, leidden ertoe dat de doelstelling van een gelijkmatige inkomensverdeling naar de achtergrond verdween.
Niet alleen dus als gevolg van structurele ontwikkelingen in de economie, maar ook door veranderingen in het denken van politici.  Het neoklassieke denken won aan invloed en kreeg vorm in wat we nu vrijuit de neoliberale politieke ideologie noemen. In die ideologie is gelijkheid niet een na te streven toestand.

De markt moet immers zijn werk doen en de inkomensverdeling is een resultante daarvan. Dat zette de bekende golf van privatisering, deregulering en terugtredende overheid in. Onderdeel van die golf was ook dat de hoogste tarieven in de inkomstenbelasting fors werden verlaagd. Tinbergen werd vergeten of zelfs doelbewust aan de kant geschoven.

Nu, in 2019, vragen we ons af hoe dat zo gemakkelijk heeft kunnen gebeuren. Tot de jaren zeventig was een rechtvaardige inkomensverdeling als sociaal-economisch beleidsdoel onomstreden. En daarna was het alsof hij nooit had bestaan. Hoe kan dat?

Dat zou ermee te maken kunnen hebben dat die norm voor een rechtvaardige inkomensverdeling nooit goed onderbouwd is. Niet door Tinbergen en niet door het vak economie.

Dat komt ook naar voren uit hoe Bos en Werner erover schrijven. Want daarin gaat het over twee mogelijke onderbouwingen voor die norm: "een persoonlijk waardestelsel" en "een economische analyse". Naast die economische analyse, die wijst op economische nadelen van te grote ongelijkheid, zou er dus alleen maar dat persoonlijke, en dus "willekeurige", waardestelsel zijn.

Ja, als dan dat neoklassieke denken ineens aan invloed wint, en die economische nadelen terzijde schuift, dan is er alleen nog het persoonlijke waardestelsel dat groeiende ongelijkheid zou kunnen tegenhouden. En dat is natuurlijk een zwak tegenwicht, want tegenover de waarden van de ene persoon staan die van de andere.

Maar er is natuurlijk naast die economische analyse ook een sociaalwetenschappelijke. Of die had er kunnen zijn, als de sociologie een maatschappelijk belangrijker was geweest.

Een vak met de empirisch onderbouwde beleidsdoelstelling om bewegingen in de richting van het gemeenschapsevenwicht tot stand te brengen en om bewegingen in de richting van het statuscompetitie-evenwicht te vermijden.  Zie het bericht Een maatschappelijk belangrijker vak sociologie had kunnen optreden als verdediger van de verzorgingsstaat (deel 10 van de reeks Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden?).

Een vak dus dat er met kracht van empirische argumenten op had kunnen wijzen dat een toename van ongelijkheid krachten in werking zet die de samenleving stuurt in de richting van het statuscompetitie-evenwicht, het evenwicht dat naar menselijk welzijn inferieur is aan het gemeenschapsevenwicht. Zie Vermindering van ongelijkheid brengt ons dichter bij het gemeenschapsevenwicht  (deel 11 van diezelfde reeks).

De les is dus dat er naast een vak economie een vak nodig is dat een sociaalwetenschappelijk gefundeerde beleidsdoelstelling kan verschaffen. Zodat er naast een economische analyse meer bestaat dan "een persoonlijk waardestelsel".

dinsdag 10 september 2019

Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie

Charlotte Bouwman twitterde op 4 augustus:
Ik praat heel vaak door mensen heen. Onbewust. Waarom? Geen idee. Denk een mix van enthousiasme, angst voor stilte, snel denken en geen geduld. Wie heeft dit ook? Iemand tips?
Net zoals veel van degenen die hierop reageerden, herkende ik dat. Dat wil zeggen, ik herkende het verschijnsel van door elkaar heen pratende mensen.
Zelf praat ik niet graag door anderen heen. Het voelt niet goed om iemand te onderbreken. En natuurlijk ook niet om zelf te worden onderbroken. Ik ben geloof ik wel een goede toehoorder.
Wat je Charlotte moet toegeven is dat ze het als een probleem ziet. Ze zou het liever niet doen. Maar kennelijk heeft ze het vaak al gedaan voor ze het zich realiseert. En ze zou het liever minder doen.

Hoe komt het dat we vaak door elkaar heen praten? De eerste reactie op de tweet van Charlotte wijst op een mogelijk antwoord:
Een 'gewoon' groepsgesprek is vaak niets meer dan een wedstrijd om aandacht. Je kan voorstellen de spreekstok in te voeren, zoals bij de Indianen. Of een gespreksleider wil ook weleens helpen.
Een reactie verderop gaat in dezelfde richting:
Het is vaak ook onzekerheid volgens mij: het (onbewuste) idee dat je je moet laten gelden.
Het zou kortom kunnen zijn dat het door elkaar heen praten een verschijningsvorm is van onze neiging tot statuscompetitie. We zijn bang niet genoeg aan bod te komen. Dat anderen ons niet zien staan. Degene die het woord voert, heeft daarmee de aandacht, want anderen luisteren. Die aandacht heb jij dan dus niet.

O jee, dat zou zo kunnen worden opgevat dat jij minder voorstelt. Dat er in de groep het begin van een statushiërarchie bezig is te ontstaan, waarin jij misschien wel ergens onderaan belandt. Hoe voorkom je dat? Door je te laten gelden. Door tenminste dezelfde status te claimen als degene die op dat moment het woord voert. En het enige middel om dat te doen is om hem of haar te onderbreken.

Of om dat te proberen. Want als hij of zij zich niet laat onderbreken, dan zijn we bezig met door elkaar heen praten. Wat we dus zo vaak doen.

Als deze "analyse" iets voorstelt, dan zijn er twee situaties waarin we niet of minder door elkaar heen praten, die van de gevestigde, stabiele statushiërarchie en die van het ontbreken van statuscompetitie.

Als de statushiërarchie gevestigd is, dan is vooral degene aan het woord met de hoogste status en de anderen luisteren. Als ze al iets zeggen, dan is dat onderdanige bijval. In het geval dat er nog twee gegadigden zijn voor de top, dan zie je steevast, althans naar mijn ervaring met het universitaire leven, dat als de een het woord gevoerd heeft, de ander daar meteen op volgt.

Maar in een gesprek tussen goede vrienden kan de statuscompetitie ook geheel ontbreken. Er is dan niet meer de strijd om aandacht, want iedereen weet zich geaccepteerd. Die veiligheid maakt het mogelijk om in elkaar geïnteresseerd te zijn. Er kunnen zelfs stiltes vallen.

Waarmee verklaard is dat Charlotte Bouwman liever minder door mensen heen zou willen praten. Ze zou veel liever vaker gesprekken voeren met goede vrienden en vriendinnen, waarin onderlinge acceptatie vanzelfsprekend is. Waarin je in elkaar geïnteresseerd bent.

zondag 8 september 2019

Zondagochtendmuziek - Bach - Cantate Mein Herze schwimmt im Blut BWV 199 - Julia Doyle, Bernardini | Nederlandse Bachvereniging...

Bachs cantate Mein Herz schwimmt im Blut (BWV 1999) is gecomponeerd op een tekst waar je niet heel vrolijk van wordt. Neem de eerste zeven regels:
Mein Herze schwimmt im Blut,
weil mich der Sünden Brut
in Gottes heilgen Augen
zum Ungeheuer macht;
und mein Gewissen fühlet Pein,
weil mir die Sünden
nicht als Höllenhenker sein.
En zo gaat het nog een poosje door. Ik ben slecht en bega grote zonden.

Maar in het vervolg is er een verlossing, want omdat ik toch ootmoedig en vol berouw ben en mijn zonden en schuld beken, mag ik rekenen op Gods genade:
Wie freudig ist mein Herz,
da Gott versöhnet ist
und mir auf/nach Reu und Leid
nicht mehr die Seligkeit
noch auch sein Herz verschliesst.
De cantate illustreert, tekstueel en muzikaal, hoe het christelijk geloof, dat immers de morele gemeenschapsintuïties van samenwerken en delen aanbeveelt, probeert het probleem op te lossen van het bestaan van die andere kant van de menselijke sociale natuur, de geneigdheid tot de wandaden van de statuscompetitie (egoïsme, zelfverheffing, verraad). Die andere kant is er nu eenmaal, dat valt niet te ontkennen, maar als we ons van dat kwaad bewust zijn en berouw tonen dan is verzoening en verlossing mogelijk.

John Elliott Gardiner schrijft over deze cantate in zijn Bach. Muziek als een wenk van de hemel (p.550):
Wat Bach ons hier voorzet is niet zozeer een preek als wel een uitbeelding van de complexe psychologische en emotionele ontwikkeling van een individu in gewetensnood.
Waarna Gardiner prachtig analyseert hoe Bach die tekst en de achterliggende ideeën en emoties muzikaal vormgeeft.

Gisteren kreeg deze sopraancantate een prachtige uitvoering in de Utrechtse Domkerk door Tanja Obalski en Concerto da Fusignano onder leiding van Sascha Mommertz. (Want de zaterdagmiddagconcerten in de Domkerk zijn weer begonnen!)

En hier is de uitvoering door de Nederlandse Bachvereniging in de Waalse kerk in Amsterdam, met sopraan Julia Doyle. Die is eigenlijk niet te overtreffen.

vrijdag 6 september 2019

Het presidentschap van Donald Trump is voor het grote publiek een dagelijkse leerschool in het gedrag van een narcist

Het presidentschap van Donald Trump heeft een voordeel. Een vergeleken met de vele nadelen, onbeduidend voordeel, maar wel de moeite waard om even naar voren te halen. Het bestaat eruit dat iedereen die het nieuws een beetje gevolgd heeft, nu beter geïnformeerd is over het gedrag van narcisten.

Sommigen van ons hadden die informatie al doordat ze ervaringen hebben opgedaan, slechte en soms zelfs traumatische ervaringen, met narcisten in hun persoonlijke netwerk. Maar Trump heeft het voor elkaar gekregen dat de publieke kennis over narcisme sterk is toegenomen. Lees ter illustratie de berichten op dit blog waarin dat narcisme van Trump aan de orde kwam, zoals:
Daar kunnen we nu een wel heel frappante eigenschap van narcisten aan toevoegen, hun onvermogen namelijk om hun ongelijk toe te geven. Ook als het om een onbeduidende vergissing lijkt te gaan, die ieder ander met gemak zou erkennen.

Wat is het geval? Trump twitterde op 1 september dat de orkaan Dorian niet alleen langs de staten aan de westkust zou trekken, maar "zeer waarschijnlijk" ook Alabama zou treffen. 

Dat was een vergissing. Er waren geen berichten die in die richting wezen. Het is niet onmogelijk dat Trump niet zo goed op de hoogte is van de geografie van de Verenigde Staten of die kennis toen even niet tot zijn beschikking had. Hoe dan ook, hij had die fout kunnen toegeven en dan was er verder weinig aan de hand geweest. Anders dan dat hij de inwoners van Alabama even schrik had bezorgd.

Maar nee, de narcist Trump kon zichzelf niet zo ver brengen dat hij zijn ongelijk toegaf. Hij houdt vol dat hij het bij het rechte eind had. Dat ging zover dat hij vanuit het Oval Office aan het Amerikaanse volk een kaart presenteerde van het voorspelde traject van Dorian, waarop met een sharpie pen (een permanente marker, als ik het goed heb) een uitbreiding naar Alabama was ingetekend. Lees het bericht van Chris Cillizza van gisteren: Donald Trump's Alabama obsession reveals a very deep flaw.

Dat leidde natuurlijk tot grote hilariteit en ging de wereld rond. Sommigen gingen zich afvragen wie die pen gehanteerd had en ik zag een bericht voorbijkomen dat Trump dat persoonlijk zou hebben gedaan.

En nu was er vandaag het bericht dat een adviseur van het Witte Huis, Rear Admiral (zoiets als schout-bij-nacht) Peter Brown, heeft moeten komen opdraven om te verklaren dat in zijn briefings aan de president ook de mogelijkheid aan de orde zou zijn gekomen dat het zuidoosten van Alabama misschien getroffen zou kunnen worden. 

Je zou denken dat een president van de Verenigde Staten belangrijker zaken aan zijn hoofd behoort te hebben.

Maar, nee, voor een narcist is niets belangrijker dan het overeind houden van zijn zelfbeeld van onfeilbaarheid.

Update. Zie ook de Washington Post van gisteren: ‘What I said was accurate!’: Trump stays fixated on his Alabama error as hurricane pounds the Carolinas, met daarin deze passage:
Tim O’Brien, a Trump biographer and executive editor of Bloomberg Opinion, said the Alabama claims underscore the president’s belief that admitting error is a sign of weakness.
“He’s doubling down on the worst sides of his troubled personality — to never admit an error and to continue obsessing about it, and emphasizing it, when it doesn’t serve him well to do so,” he said. “He doesn’t move along because he is incapable of moving along.”

woensdag 4 september 2019

Over de giftige driehoek van (1) de narcistische tiran, (2) zijn volgelingen en (3) de maatschappelijke voedingsbodem voor de verbintenis van die twee

De democratie, de hedendaagse politieke en maatschappelijke vormgeving van onze oeroude gemeenschapsintuïties, is in gevaar als de ongelijkheid tussen mensen te groot wordt. De exorbitant rijke bovenlaag, het Grote Geld, gaat dan de kern van de democratie, dat elke stem even zwaar telt, zien als een bedreiging van zijn verworvenheden. Dus moet die democratie 'gestuurd" worden in een voor het Grote Geld gunstige richting, door sponsoring (omkoping) van politici en door beïnvloeding, rechtstreeks door lobbying en via de publieke opinie door opkopen van de media.

We hebben dat proces heel uitgesproken zien gebeuren in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië. En na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie heeft het voorkomen dat zich in Rusland een democratie kon vestigen.

Een nationale staat waarin de democratie om zeep is geholpen, wordt dan het strijdtoneel van de onbelemmerde statuscompetitie, uitmondend in een puur door rijkdom en macht bepaalde statushiërarchie.

En omdat dat strijdtoneel de ideale omstandigheden creëert voor het aan de macht komen van de naar grootsheid en adoratie hunkerende narcist, is de kans groot dat de statushiërarchie overgaat in een tirannie. Zoals we dat kennen van het aan de macht komen van Adolf Hitler in het Duitsland van de jaren dertig van de vorige eeuw.

Maar ook nu, in 2019, zien we bedreigingen van de democratie die elementen in zich dragen van die overgang naar statushiërarchie en tirannie. Te denken valt aan de Verenigde Staten (Trump), Brazilië (Bolsonaro), Turkije (Erdogan), Rusland (Putin), Hongarije (Orbán), Polen (Kaczynski) en misschien zelfs aan Groot-Brittannië (Johnson).

Dat proces van statushiërarchie naar narcistisch leiderschap naar tirannie is indringend geanalyseerd door Elizabeth Mika in Tyranny as a Triumph of Narcissism, dat verscheen in het boek The Dangerous Case of Donald Trump, waar ik eerder aandacht aan besteedde.

Die analyse verloopt langs de lijnen van de "giftige driehoek" (toxic triangle) van destructief leiderschap, die bestaat uit (1) de narcistische tiran en (2) zijn volgelingen en (3) de maatschappelijke omstandigheden die de voedingsbodem vormen voor de verbintenis van die twee (ongelijkheid en bestaansonzekerheid).

Mika loopt die drie lijnen langs, gedetailleerd en met boeiende verwijzingen naar deels oudere en ten onrechte vergeten literatuur (Erich Fromm!), op een manier die je, als het je net zo vergaat als mij, bij tijd en wijle de adem beneemt.

Misschien komt dat laatste doordat ik, geboren midden in de Tweede Wereldoorlog, met een vader die betrokken was bij het verzet tegen de Duitse bezetter, lang heb vermoed dat zo'n betoog nooit meer actueel zou kunnen worden.

Na de verschrikkingen van het Hitler-bewind zouden we toch voorgoed de democratie vestigen en de tirannie achter ons laten? We waren toch het pad van de vooruitgang voorgoed ingeslagen?

dinsdag 3 september 2019

De Sociale Dominantie Oriëntatie en dus de geneigdheid tot statuscompetitie blijkt behoorlijk overerfbaar te zijn

We zagen dat de behoefte die mensen hebben aan een sterke man als leider, beter verklaard wordt door de mate waarin ze de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO) aanhangen dan door de mate waarin ze voldoen aan het type van de autoritaire persoonlijkheid. Zie het bericht De behoefte aan een sterke man en het wereldbeeld van vijandigheid tussen groepen.

Dat is een belangrijk inzicht, omdat de mate waarin mensen die SDO aanhangen, dus de wereld zien als een strijdtoneel tussen groepen waarin de eigen groep superieur is en dus andere groepen behoort te overheersen, behoorlijk wordt beïnvloed door de mate van onveiligheid en bestaansonzekerheid die mensen in hun omgeving waarnemen. Vandaar dat een toename van bestaansonzekerheid gepaard gaat met een toename van rechts-extremisme.

En het wijst erop dat die SDO en het hebben van rechts-extremistische politieke opvattingen, waartoe ook die behoefte aan een sterke man gerekend kan worden, meer onderhevig is aan maatschappelijke omgevingsinvloeden dan dat ze beschouwd kunnen worden als een stabiele persoonlijkheidstrek.

In termen van de Dual Mode-theorie: de mate waarin bij iemand het statuscompetitiepatroon overheerst, is minder een kwestie van persoonlijkheid dan een kwestie van de maatschappelijke omgeving (meer of minder bestaansonzekerheid biedend) waarin die persoon verkeert.

Maar daar staat tegenover dat de nieuwe studie Correlations between social dominance orientationand political attitudes reflect commongenetic underpinnings uitwijst dat het toch ook weer niet het een of het ander is. Ook al zijn er die omgevingsinvloeden, daarnaast zijn er ook wel degelijk tussen personen behoorlijk stabiele verschillen in de kans dat ze wel of niet hoog scoren op die SDO.

Op basis van een toevalssteekproef van bijna 2000 (een-eiige en twee-eiige) tweelingen komen de onderzoekers namelijk tot de conclusie dat de verschillen in het overheersingsfacet en in het anti-gelijkheidsfacet van de SDO voor 36 procent en voor 24 procent overerfbaar zijn. Wat erop wijst dat SDO toch een behoorlijk stabiel persoonlijkheidskenmerk is.

Zoals vaak in de sociale wetenschappen, geldt zowel dat mensen behoorlijk stabiel van elkaar verschillen als dat ze beïnvloedbaar zijn door hun (sociale) omgeving. Het is niet het een of het ander.

Weer even in termen van de Dual Mode-theorie: mensen zijn enerzijds in hun "keuze" voor statuscompetitiegedrag dan wel gemeenschapsgedrag beïnvloedbaar door wat ze anderen in hun sociale omgeving zien doen, maar verschillen anderzijds in de mate waarin ze van nature tot het ene dan wel het andere gedrag geneigd zijn.

Nog anders gezegd: de een moet veel meer statuscompetitie (en dus onveiligheid) in zijn omgeving waarnemen om zelf ook voor statuscompetitie te "kiezen" dan de ander.

vrijdag 23 augustus 2019

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 17 - Over een politieke partij, de Amerikaanse Republikeinen, als verlengstuk van het Grote Geld

We zagen in deze reeks berichten al dat de democratie, als de poging om de oeroude gemeenschapsintuïties vorm te geven op het niveau van de nationale staat, het moeilijk heeft als de verschillen tussen arm en rijk al te groot worden. Zie het vorige bericht Hoe het Amerikaanse Grote Geld zich verdedigt tegen de democratie. De rijken hebben de neiging om hun rijkdom te gaan zien als uitkomst van hun eigen uitzonderlijke talenten en prestaties en dat maakt het hen gemakkelijker om de democratie, waarin elke stem immers even zwaar telt, te zien als een bedreiging van hun positie.

Dat betekent dat de democratie moet zien te voorkomen dat de ongelijkheid uit de hand loopt. Of, mocht dat al gebeurd zijn, te voorkomen dat de rijken in staat worden gesteld om de democratie te kapen. Dat wil zeggen, met hun financiële middelen volksvertegenwoordigers ertoe brengen om voor hen gunstige beslissingen te nemen. Zoals het verlagen van de toptarieven in de inkomstenbelasting of het vergemakkelijken van belastingontwijking. In het geval van een waakzame democratie is zulk gedrag illegaal en noemen we het omkoping en corruptie.

Maar het Grote Geld kan het ook voor elkaar hebben gekregen, zoals in de Verenigde Staten, dat het "kopen" van gunstige democratische besluiten is gelegaliseerd. Oftewel door middel van giften aan volksvertegenwoordigers, oftewel door met veel geld de publieke opinie te beïnvloeden (de Super PACs).

Uit de studie The Party or the Purse? Unequal Representation in the US Senate blijkt nu dat de invloed van het Grote geld op de democratische besluitvorming aanzienlijk is. Zie ook het bericht in The EconomistIs Congress rigged in favour of the rich?

De onderzoekers keken naar 49 besluiten in de Amerikaanse Senaat tussen 2001 en 2015 en legden die naast publieke opiniepeilingen. In de gevallen dat de opinies van arm en rijk tegenover elkaar staan, is de uitkomst in 63 procent daarvan in overeenstemming met de opinie van de rijken. (Bedenk dat Trump toen nog niet door de rijken, Amerikaanse en Russische, aan de macht was gebracht.)

Maar opvallend is het grote verschil tussen Democratische en Republikeinse Senatoren. Want het percentage voor de Democraten is 35 procent en voor de Republikeinen 86 procent. Dat verschil wordt door The Economist fraai in beeld gebracht, maar ik neem aan dat ik dat plaatje niet zomaar mag overnemen.

Er kan dus in een democratie een politieke partij tot ontwikkeling komen die het ronduit en onbeschaamd als zijn opdracht ziet om de belangen van de rijken te beschermen.

Dat illustreert het inzicht dat democratie en grote ongelijkheid niet samen gaan.

donderdag 22 augustus 2019

Dat wij er moeite mee hebben om holistisch te denken zou kunnen liggen aan de sociale vluchtigheid waarin we opgroeien

Als leden van een fundamenteel sociale diersoort zijn we in de meeste Westerse landen, zoals Europa en Noord-Amerika, terechtgekomen in samenlevingen met een hoge mate van sociale vluchtigheid. Die brengt een individualistische cultuur met zich mee, waarin mensen zichzelf zien als autonome en onafhankelijke individuen met wisselende relaties.

Daartegenover vind je in Oost-Aziatische landen nog meer een collectivistische cultuur, waarin mensen zichzelf meer zien als onderdeel van een stabiel geheel van onderling afhankelijke relaties.

Van die twee lijken de meer collectivistische culturen meer overeen te komen met de Paleo Sociale Omgeving waarin de mensheid verreweg het grootste deel van zijn bestaan heeft doorgebracht.

Dat roept de vraag op wat het voor mensen betekent om op te groeien en het leven door te brengen in de meer individualistische cultuur van de meeste Westerse landen. Het bericht Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid ging over onderzoek dat daar een antwoord op gaf. Hieronder het lijstje dat in dat bericht voorkomt:
  • Onder condities van sociale stabiliteit moet je leren om om te gaan met anderen die je misschien niet zo goed liggen. In een sociaal vluchtige omgeving hoeft dat niet, omdat je de relatie gemakkelijker kunt beëindigen.
  • Daardoor zullen mensen onder condities van sociale vluchtigheid meer relaties hebben met anderen die op hen lijken. Want er kan gelden: soort zoekt soort. Bij sociale stabiliteit zullen mensen meer de vaardigheid hebben ontwikkeld om met andersoortigen om te gaan.
  • Bij sociale vluchtigheid is een relatie dus altijd minder vanzelfsprekend dan bij sociale stabiliteit. Omdat je van jezelf en van elkaar weet dat er mogelijke alternatieven bestaan.
  • Bij sociale vluchtigheid zijn mensen er meer op gericht om een bestaande aantrekkelijke relatie in stand te houden door de ander meer te ondersteunen en zo te proberen om voor de ander onmisbaar te zijn. Dit verklaart dat vrienden in individualistische culturen meer steun uitwisselen dan vrienden in collectivistische culturen.
  • Bij sociale vluchtigheid zijn mensen in hun zoektocht naar relaties meer bereid om meer van zichzelf te onthullen dan bij sociale stabiliteit. Anders gezegd, onder condities van sociale vluchtigheid is zelfonthulling (self-disclosure) een signaal dat je de relatie op prijs stelt en wilt behouden. Bij sociale stabiliteit heb je dat signaal niet nodig.
  • Onder condities van sociale vluchtigheid speelt romantische liefde een grotere rol, als een soort signaal (commitment device) van gebondenheid. Bij sociale stabiliteit is dat signaal minder nodig.
Nieuw onderzoek maakt het mogelijk om dat lijstje uit te breiden. Het gaat om de studie Relational Mobility and Cultural Differences in Analytic and Holistic Thinking, waarin de onderzoekers laten zien dat sociale vluchtigheid meer aanzet tot de analytische en sociale stabiliteit tot de meer holistische denkstijl. 

Je hebt een meer analytische denkstijl als je aandacht meer uitgaat naar individuele objecten los van hun omgeving (context) en daarmee samenhangend meer naar objecten kijkt als geïsoleerd van elkaar. 

Daartegenover denk je meer holistisch als je objecten ziet als onderling overlappend en ingebed in hun omgeving, waardoor je meer bent gespitst op onderlinge verbanden en op het deel zijn van een groter geheel.

En een deel van dat onderscheid lijkt verklaard te kunnen worden door het bekende verschil in de locus of control, dat wel vertaald wordt met beheersingsoriëntatie. Sociale vluchtigheid blijkt meer samen te gaan met een interne beheersingsoriëntatie, dat wil zeggen met de neiging om oorzaken van gedrag meer in de persoon zelf te zoeken. Terwijl sociale stabiliteit samengaat met de neiging om die oorzaken meer in de omgeving en in de omstandigheden te zoeken.

Dat komt er dus op neer dat het bekende verschil tussen individualistische en collectivistische culturen voor een deel verklaard kan worden door het verschil in de mate van sociale vluchtigheid (versus sociale stabiliteit) en dat dat verschil in de mate van sociale vluchtigheid deels het verschil in de mate van analytisch denken (versus holistisch denken) verklaart. En dat laatste verloopt deels via die meer interne (dan wel externe) beheersingsoriëntatie. 

En dat wijst tenslotte op het grote belang van sociale vluchtigheid versus sociale stabiliteit voor hoe mensen naar zichzelf en naar anderen kijken en voor hun manier van denken en kijken naar de wereld (analytisch versus holistisch).

Ik vraag me wel eens af of dat grote belang van een nogal fundamenteel sociaalwetenschappelijk inzicht wel voldoende onder ogen wordt gezien.

zondag 18 augustus 2019

Zondagochtendmuziek - "Armenian Street" Alex Simu Quintet live at the Bimhuis

Heaven heeft een interview met Alex Simu, de Roemeense klarinettist die naar Nederland kwam om jazz te studeren en nu al vijftien jaar in Amsterdam woont. Een citaat uit dat interview:
In ben jazz gaan studeren in Nederland en heb me verdiept in klassieke muziek en elektronica. Maar als Roemeen ben ik opgegroeid met oriëntaalse muziek en daar heb ik altijd belangstelling voor gehouden. Ik ken de muziektheorieën die ten grondslag liggen aan westerse en oosterse muziek, en ik doorgrond de structuren. Er zijn de nodige overeenkomsten maar ook grote verschillen, bijvoorbeeld in het gebruik van toonladders. Stel je die twee muzikale tradities voor als twee oevers van een rivier, dan is het slechtste wat je kunt doen de rivier dempen, want dan verliezen beide plekken hun identiteit. Dan krijg je muziek zonder kracht. Onze opzet is elementen uit beide tradities met elkaar in contact te brengen waarbij ze wel hun eigenheid behouden.
Hier speelt hij met zijn kwintet in het Bimhuis het nummer Armenian Street. Lees vooral ook op YouTube de begeleidende tekst.

vrijdag 16 augustus 2019

Hoe door privatisering zelfverrijking en corruptie werden aangewakkerd. En over hoe dat was te verwachten

Twee berichten die, op heel verschillende niveau's, aan het zelfde thema raken: het thema van de verhouding tussen de markt (de private sector) en de overheid (de publieke sector).

In het bericht Eigenaren bedachten schimmige bedrijfsstructuur om miljoenen uit PrivaZorg te halen op het onvolprezen Follow the Money doet Siem Eikelenboom uitvoerig en gedetailleerd verslag van het onderzoek, in samenwerking met Trouw, naar wantoestanden in de geprivatiseerde (van publieke naar private sector) thuiszorg. We lezen hoe bestuurders van de thuiszorginstelling PrivaZorg met schimmige constructies zichzelf wisten te verrijken ten koste van publieke (AWBZ-)middelen.

En in het bericht Bad governance: How privatization increases corruption in the developing world, verschenen in het wetenschappelijke tijdschrift Regulation & Governance, lezen we hoe het International Monetary Fund (IMF) in de periode van 1982 tot 2014 in 141 ontwikkelingslanden aan de toename van corruptie en zelfverrijking heeft bijgedragen door privatisering van overheidsbedrijven als voorwaarde te stellen voor financiële ondersteuning.

In beide gevallen gaat het over de privatiseringsgolf die zich wereldwijd heeft afgespeeld als uitvloeisel van de neoliberale ideologie, die verkondigde dat we de overheid in de eerste plaats als probleem dienen te zien in plaats van als oplossing. Zich baserend op de gedachte dat mensen allereerst op eigen belang uit zijn en dus door de prikkels van de markt dienen te worden gemotiveerd. Als die prikkels van de concurrentie er onvoldoende zijn, dan spannen ze zich niet genoeg in.

Dat mensbeeld gaat er geheel aan voorbij dat de menselijke natuur naast dat statuscompetitiepatroon, dat appelleert aan egoïstische motieven, ook nog het daaraan tegengestelde gemeenschapspatroon kennen, dat erop gericht is om iets goeds te doen voor anderen. Afhankelijk van hoeveel statuscompetitiegedrag dan wel gemeenschapsgedrag ze in hun omgeving waarnemen, zullen mensen meer voor het ene dan wel het andere gedrag kiezen. Als iedereen competitief en dus egoïstisch is, dan is de kans groot dat jij dat ook bent. En andersom, als iedereen rekening houdt met anderen en bij wil dragen aan een betere wereld, dan is de kans groot dat jij je voelt aangesproken en daaraan meedoet.

En omdat de markt meer appelleert aan die egoïstische motieven en de overheid meer aan het algemeen belang en solidariteit met anderen, zul je dus kunnen verwachten dat mensen in de private sector meer egoïstisch gedrag vertonen dan in de publieke sector. En er zijn aanwijzingen die met die verwachting overeenstemmen. Zie de berichten Werkers in publieke sector zijn pro-socialer dan in bedrijfsleven en Mensen die er meer voor anderen willen zijn, werken meer in de publieke sector dan in de marktsector.

Die neoliberale privatiseringsgolf is geheel voorbijgegaan aan dat inzicht van de ambivalente menselijke sociale natuur (ook bekend, althans op dit blog, als de Dual Mode-theorie). En je kunt wel zeggen dat de gevolgen daarvan rampzalig zijn geweest. Die ambivalentie in de menselijke sociale natuur maakt het noodzakelijk om heel voorzichtig te zijn bij politieke keuzes tussen markt en overheid.

Het schijnt trouwens dat we die les beginnen te leren. Want in veel landen zien we dat eerdere privatiseringen weer worden teruggedraaid. Er wordt weer volop gerenationaliseerd. Wat eerder de markt op werd geduwd, komt nu weer terug in overheidshanden. Zie, uit 2017: Na de privatiseringsgolf is er nu volop renationalisering - Welke lessen zijn daaruit te trekken?

dinsdag 13 augustus 2019

De behoefte aan een sterke man en het wereldbeeld van vijandigheid tussen groepen

Mensen hebben ten behoeve van hun functioneren in het sociale en maatschappelijke leven twee fundamentele gedragspatronen tot hun beschikking: het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon.

Die twee patronen hebben allebei hun eigen sociaal wereldbeeld. Als het gemeenschapspatroon op de voorgrond staat, zie je anderen als goedwillend en dus de wereld als veilig. Staat daarentegen het statuscompetitiepatroon vooraan, dan zijn anderen tegenstrevers en vijanden en is de wereld er een van strijd en onveiligheid.

Tegen die achtergrond is het boeiend om kennis te nemen van de studie Dominant Leaders and the Political Psychology of Followership. Want daarin geven de auteurs een overzicht van het recente onderzoek naar waar de behoefte aan dominante leiders (de "sterke man"), die tegenwoordig zo opvallend aanwezig is, vandaan komt.

Volgens ouder onderzoek, denk aan Adorno's autoritaire persoonlijkheid (The Authoritarian Personality uit 1950), zou de behoefte aan een sterke man samenhangen met een bepaalde, stabiele persoonlijkheid.

In tegenstelling daarmee ontwikkelen de auteurs op basis van recenter onderzoek hun adaptive followership theory of preferences for dominant leaders, waarin die behoefte veel meer flexibel en instrumenteel van aard is en waarin bepaalde omstandigheden veel mensen er toe kunnen bewegen om volgeling van een sterke man te worden.

Wat is er voor nodig om als "sterke man" gezien te worden? In de tegenwoordige maatschappij, waarin we leiders of potentiële leiders niet persoonlijk kennen, gaan we af op uiterlijke kenmerken en op politieke standpunten. Onderzoek laat zien dat mensen een leider meer als dominant beoordelen als hij (meestal een hij) masculiene gelaatstrekken heeft, een lagere stem heeft, assertief is en op eigen belang gericht en in politiek opzicht meer rechts-extreme standpunten verkondigt. Anderen vrees aanjagen en intimideren en pleiten voor strenge straffen voor criminelen, dat zijn signalen dat je te maken hebt met een dominante leider, een sterke man.

En de behoefte aan zo'n sterke man blijkt sterk toe te nemen als er sprake is van conflict, van strijd met andere, vijandige, groepen. Dat kan om een echt conflict gaan, maar het kan ook zijn dat een sterke man die aan de macht wil komen, tegenstellingen opblaast en conflicten en vijanden creëert. Hij kan er dan in slagen om mensen tot zijn volgelingen te maken die denken dat hij als enige de gevaren kan afwenden.

De kans op slagen is groter als bij die volgelingen meer het wereldbeeld kan worden opgewekt van alomtegenwoordigheid van gevaar en strijd. Van strijd tussen groepen die elkaar naar het leven staan.. Het wereldbeeld van de statuscompetitie. Zoals we dat al zagen in de Sociale Dominantie Oriëntatie. Zie nog eens het bericht De twee wereldbeelden van het rechts-extremisme: de wereld is gevaarlijk en/of de wereld is een amorele jungle.

Want het blijkt dat die Sociale Dominantie Oriëntatie, het de wereld waarnemen als een strijdtoneel tussen groepen, een betere voorspeller is van de behoefte aan een sterke man dan het voldoen aan de kenmerken van Adorno's autoritaire persoonlijkheid.

En de mate waarin mensen dat wereldbeeld van strijd en conflict aanhangen, kan sterk wisselen. Het kan worden aangewakkerd door terroristische aanslagen, maar ook door economische instabiliteit. Vandaar dat verband tussen economische ongelijkheid en bestaansonzekerheid met groepsvijandigheid en rechts-extremisme.

En vandaar het grote belang van een verzorgingsstaat, die tegemoetkomt aan de behoefte aan bestaanszekerheid. Die daardoor de kans verkleint op zo'n wereldbeeld van strijd en conflict en daarmee de behoefte aan een sterke man.

Waardevolle inzichten om wat er zich in deze tijd in de wereld afspeelt beter te begrijpen.

zondag 11 augustus 2019

Zondagochtendmuziek - Anner Bylsma en Malcolm Bilson - Beethoven: Sonata No. 3 in A major, Op. 69 - Allegro ma non tanto

De cellist en oude muziek-specialist Anner Bylsma is overleden. In de New York Times was er dit mooie In Memoriam: Anner Bylsma, Eminent Cellist With an Ear for the Past, Dies at 85.

Ik kan me niet herinneren een live optreden te hebben bijgewoond. Maar o, wat zijn er veel prachtige opnamen. Natuurlijk de twee opnames van Bachs cellosuites, die van 1979 en die van 1992.

Hij hield er niet van dat oude instrumenten "authentiek" werden genoemd:
Mr. Bylsma disliked hearing period instruments described as “authentic.” In a 1996 interview in Gramophone, he recalled being asked what is “authentic” in music. The answer, he said, comes clear “when you hear someone play a piece that you know extremely well and it suddenly appears still more beautiful than it was.”
Dat het nog mooier is dan je dacht dat het was.

Hij maakte ook opnames met de Amerikaanse fortepianist Malcolm Bilson.

Zoals in 1991 die van Beethovens cellosonates. Hier hoor je het Allegro ma non tanto uit de Sonate Nr. 3. Misschien je ogen er bij dichtdoen.

vrijdag 9 augustus 2019

Over de gunstige invloed van het opgroeien met oudere broers en/of zussen

Omdat wij een groepsdier zijn, zijn kinderen er bij hun geboorte op voorbereid om te leren hoe je functioneert in een groep van vertrouwde anderen, groter dan wat wij nu het gezin noemen. Maar voor dat leren is het nodig dat kinderen veel geëngageerd worden in interacties met oudere kinderen en volwassenen.

Dat was in het verre verleden, in onze Paleo Sociale Omgeving, ook vanzelfsprekend het geval. Maar in vergelijking daarmee groeien kinderen tegenwoordig op in sterk sociaal geïsoleerde gezinnen. Waardoor ze veel tijd doorbrengen met alleen de eigen ouders en met alleen de leeftijdsgenootjes van de school.

Dat is niet de ideale omgeving voor de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van de vaardigheden die een groepsdier nodig heeft. Anders gezegd, voor de ontwikkeling van het gemeenschapspatroon dat samenwerking en delen mogelijk maakt.

Een en ander verklaart al die onderzoeksbevindingen over wat het uitmaakt om op te groeien in een meer of minder sociaal geïsoleerd gezin. Denk aan het onderzoek naar het belang van de buurt. En aan het onderzoek dat kinderen zich beter ontwikkelen als er meer contacten zijn met buren, vrienden en grootouders.

Als je bedenkt dat onze gezinnen niet alleen sociaal geïsoleerder zijn geworden, maar ook aanzienlijk kleiner, dan kun je vermoeden dat het voor de ontwikkeling van gemeenschapsgedrag ook uitmaakt hoe groot het gezin is waarin een kind geboren wordt en opgroeit. Dus hoeveel oudere broers en/of zussen een opgroeiend kind heeft.

En in dat verband weten we al dat kinderen die opgroeien met meer oudere broers en/of zussen sneller het vermogen ontwikkelen om zich in anderen te verplaatsen. Anders gezegd, ze hebben sneller een Theory of Mind, zoals vastgesteld met de false belief  test. Zie het bericht Opgroeien in groter gezin is beter voor sociale ontwikkeling. In dezelfde richting wijst dit onderzoek uit 1994: Theory of Mind Is Contagious: You Catch Itfrom Your Sibs.

Nu is er onderzoek dat laat zien dat er bredere voordelen zijn verbonden met het opgroeien in een groter gezin. Met de gegevens van de Early Childhood Longitudinal Study laten onderzoekers in de studie Older Sibling Contribution to Younger Children's Working Memory and Cognitive Flexibility
zien dat het hebben van oudere broers en/of zussen ook gunstig uitwerkt op de ontwikkeling van het werkgeheugen en de cognitieve flexibiliteit (je snel kunnen aanpassen als bij een taak de regels veranderen), zoals vastgesteld bij kinderen van tussen 4 en 8 jaar oud.

Bedenk dat het bestaan van zulke effecten kenmerkend is voor een maatschappij met een sterk sociaal isolement van gezinnen. Als gezinnen veel meer sociaal zijn ingebed, dus met meer coöperatieve zorg, dan heb je voor een gunstige ontwikkeling veel minder die oudere broers en zussen nodig. Omdat die rijke sociale omgeving waarin je wordt geëngageerd al als vanzelfsprekend aanwezig is.

woensdag 7 augustus 2019

Hoe zit dat nu eigenlijk met videogames en gewelddadigheid?

Trump en de Republikeinen proberen de aandacht af te leiden van de racistische en white supremacy-achtergronden van de terroristische schietpartij in El Paso, Texas, en van hun weigering om het wapenbezit aan banden te leggen, door als belangrijke oorzaak van zulke gewelddadigheden te wijzen naar gewelddadige videogames. Daarop is gereageerd met berichten dat het spelen van gewelddadige videogames niet gewelddadiger maakt en dat videogames niet kunnen worden aangemerkt als oorzaak van de toename van massale schietpartijen in de Verenigde Staten.

Maar hoe zit dat nu precies met die videogames? Volgens dit bericht No, there's still no link between video games and violence is er onderzoek dat erop wijst dat er geen verband is tussen videogames en gewelddadigheid. Maar dan gaat om deze studie Violent Video Games and Real-World Violence:Rhetoric Versus Data, die inderdaad laat zien dat de introductie en toename van de verkoop van gewelddadige videogames in de Verenigde Staten niet samen is gegaan met met een toename van de statistieken voor moord, doodslag en fysiek geweld. En al helemaal niet met de toename van massale schietpartijen. Niet verrassend, want gewelddadige videogames zijn overal, maar alleen in de Verenigde Staten is er die toename van massale schietpartijen.

Maar er is toch ook onderzoek dat laat zien dat het spelen van gewelddadige videogames wel leidt tot een toename van agressiviteit? Ja, dat klopt. Zie op dit blog de berichten achter het label games.

Maar daaruit komt naar voren dat het niet gaat om het geweld in die videogames, maar om het competitie-element. Geweld staat voor gevaar en trekt snel de aandacht. We zijn dus snel geneigd om het geweld in die games als oorzaak aan te wijzen. Maar het is de (status-)competitie, het kunnen winnen of kunnen verliezen, dat, geheel in lijn met de Dual Mode-theorie, het statuscompetitiepatroon activeert.

En dat patroon vergroot de kans om verbaal of fysiek geweld te gebruiken als dat nodig is. Zie de berichten Niet het geweld, maar de competitie, in video games maakt adolescenten agressief en Competitieve videogames versterken agressieve gevoelens en daardoor meer agressief gedrag.

Die Dual Mode-theorie heeft heeft als belangrijk voordeel dat hij een diepere verklaring mogelijk maakt. Samen met de omstandigheid dat vooral jongeren videogames spelen, kan hij namelijk verklaren dat de effecten ervan op de langere termijn niet meer te zien zijn.

Want in die Dual Mode-theorie het gaat om de gehele sociale omgeving waarmee mensen in aanraking komen. En als jongeren opgroeien, komen ze meer in aanraking met de echte sociale omgeving, die meestal minder competitief is dan de gemaakte inhoud van die videogames. Zie Hoe de replicatiecrisis op te lossen? Over het belang van een overkoepelend theoretisch kader, over diepte en over videogames.

dinsdag 6 augustus 2019

Over de stress van strijd, winnen en verliezen - Twee varianten van het statuscompetitie-evenwicht: de stabiele en de instabiele statushiërarchie

Van de twee evenwichten waar het sociale leven in terecht kan komen, valt het gemeenschapsevenwicht naar welzijn te prefereren boven het statuscompetitie-evenwicht. Zie het bericht Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 3 voor een overzicht van aanwijzingen.

Dat laat buiten beschouwing dat het statuscompetitie-evenwicht in twee varianten kan bestaan, doordat de strijd om status wel of niet kan resulteren in een stabiele statushiërarchie. Als de statushiërarchie instabiel is, dan hebben we te maken met een manifeste statuscompetitie. Iedereen staat in de competitiestand.

Maar het kan ook zijn dat de competitie geresulteerd is in een stabiele statushiërarchie: er zijn winnaars die de verliezers onder de duim kunnen houden. Sterker, de verliezers hebben zich bij hun nederlaag en dus bij de heersende verhoudingen neergelegd.

De statuscompetitie is dan latent. Hij kan weer oplaaien, als reactie op bepaalde veranderingen. Denk aan de overgang van de stabiele statushiërarchie van het feodalisme naar de kapitalistische klassenstrijd, die in gang werd gezet door de Industriële Revolutie in de achttiende en negentiende eeuw. Die versterkte de positie van de arbeiders, doordat technologische vooruitgang de prijs van de arbeid deed toenemen.

Wat maakt het voor mensen uit of de statuscompetitie manifest is of latent? Daar valt het een en ander over te zeggen op basis van het onderzoek naar het stressniveau van het hebben van hoge of lage status en van instabiliteit van status. De studie Neuroendocrine and Cardiovascular Responses to Shifting Status geeft van dat onderzoek een overzicht.

We kennen al de negatieve gezondheidseffecten van een lage sociaal-economische status, die met verhoogde stress samenhangen  Zie het bericht Lage sociaaleconomische status verlaagt levensverwachting fors, nog los van andere risicofactoren. Daarmee komt overeen dat het hebben van een hoge status in een stabiele statushiërarchie samengaat met lagere stressniveau's, gemeten aan cortisol en cardiovasculaire indicatoren.

Maar als de statushiërarchie instabiel wordt, voelen juist degenen met hoge status zich bedreigd. Hun stressniveau neemt toe, gemeten aan cortisol en testosteron. Terwijl tegelijk degenen met lage status juist een gunstig stressniveau kennen, dat samengaat met het ervaren van kansen op verbetering. Zie de eerder verschenen studie Unstable power threatens the powerful and challenges the powerless: evidence from cardiovascular markers of motivation.

De negatieve welzijnseffecten van het statuscompetitie-evenwicht zijn dus te differentiëren naar de mate van manifeste dan wel latente statuscompetitie. En daar staat tegenover dat de positieve welzijnseffecten van het gemeenschapsevenwicht zich voor iedereen voordoen.

donderdag 1 augustus 2019

Hoe meer mensen hebben, hoe meer ze willen - Argument om ongelijkheid en dus de statuscompetitie binnen de perken te houden

De nadelige effecten van grote ongelijkheid zijn bekend. Ik stond erbij stil in twee berichten over het werk van Richard Wilkinson en Kate Pickett: WRR-lezing over de schadelijke gevolgen van inkomensongelijkheid en Door meer ongelijkheid meer stress, angststoornissen en psychische problemen. En lees ook nog eens het fraaie overzicht van de gevaren van ongelijkheid door Rudi Wielers.

Dat probleem van die gevaren is extra urgent door de vele aanwijzingen die er bestaan voor de gedachte dat een proces van toenemende ongelijkheid zichzelf versterkt. Zie Is toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces?

Een van de paden waarlangs dat proces van zichzelf versterken verloopt, is dat degenen die erop vooruitgaan ertoe aangezet worden om nog meer te willen. Er zit geen natuurlijke rem op dat steeds maar meer willen. Sterker, hoe meer je hebt, hoe meer je wilt.

Een gedachte die je vindt in het sprookje Van de visser en zijn vrouw dat de gebroeders Grimm optekenden en dat in ons land werd bewerkt tot Van het toovervischje, een prentenboek over kabouter Piggelmee en zijn vrouw, waarmee reclame werd gemaakt voor Van Nelle-koffie.

Maar je vind hem ook bij de klassieke socioloog Emile Durkheim (1858 - 1917), die het eraan toeschreef dat mensen zich van de andere dieren onderscheiden door hun voorstellingsvermogen. Dat vermogen heeft veel voordelen, zoals het kunnen abstraheren van de werkelijkheid, maar heeft als groot nadeel de neiging tot onverzadigbaarheid.

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek zijn er aanwijzingen dat het steeds maar meer willen voortkomt uit het proces van sociale vergelijking. Het onderliggende proces is dat mensen zich in hun streven naar lotsverbetering vergelijken met de anderen om hen heen. In een ongelijke maatschappij brengt dat met zich mee dat een eenmaal geslaagde lotsverbetering gepaard gaat met sociale stijging, waardoor de groep van mensen om je heen (de referentiegroep) van samenstelling verandert. Je daarmee vergelijkend, ontdek je dat je eigenlijk nog niets bent opgeschoten, waardoor je ertoe wordt aangezet om nog meer te willen. De werking van dit proces van sociale vergelijking is aangetoond voor CEO's van grote bedrijven en verklaart hun exorbitante beloningen.Zie Beloningen CEO's groeien sneller door bias in keuze van peer group - Een geval van statuscompetitie.

En er zijn aanwijzingen voor het bestaan van een gewenningsproces, dat maakt dat elke lotsverbetering maar kortstondig een welzijnswinst oplevert, doordat hij op den duur als de normale toestand wordt ervaren. Of doordat succes aanzet tot de productie van dopamine, het "verleidingshormoon", dat doet verlangen naar nog meer succes, een proces waar Rudi Wielers op wees.

In de nieuwe studie The More You Have, the More You Want? Higher Social Class Predicts a Greater Desire for Wealth and Status wordt in dezelfde lijn aangetoond dat degenen met al veel rijkdom en status meer naar rijkdom en status streven dan degenen met minder. Met bovendien aanwijzingen voor een oorzakelijk verband. Degenen die gevraagd werden om zich een hogere positie qua rijkdom en status voor te stellen, gingen status en rijkdom belangrijker vinden dan degenen die zich een lagere positie voorstelden.

Sociaalwetenschappelijk gezien allemaal uitstekende argumenten om de mate van ongelijkheid binnen de perken te houden. Op zijn kortst gezegd, versterkt een toename van ongelijkheid het statuscompetitiepatroon, met alle nadelen die dat patroon met zich meebrengt.

dinsdag 30 juli 2019

Wat maakt het uit om vaker verhuisd te zijn? Over vertrouwdheid en sociale vluchtigheid

In de mensheidsgeschiedenis heeft de periode dat mensen hun leven doorbrachten in de sociale kring van vertrouwde anderen, verreweg het langst geduurd. Op die onderlinge vertrouwdheid zijn we als groepsdier nog altijd ingesteld. Maar we leven tegenwoordig in een nog maar klein kringetje van onderlinge vertrouwdheid, omgeven door een zee van sociale vluchtigheid.

Dat neemt niet weg dat er grote verschillen bestaan tussen mensen in de mate waarin ze vertrouwdheid dan wel sociale vluchtigheid ervaren. Veel sociaalwetenschappelijk onderzoek gaat over die verschillen en over de oorzaken daarvan.

Een onderzoekslijn in dat verband gaat over wat het voor mensen betekent om vaak verhuisd te zijn of om in een buurt te wonen met een hoge mate van "residentiële mobiliteit", een buurt dus met sterk wisselende samenstelling.

Een bekend onderzoeker op dat terrein is Shigehiro Oishi. Sterker, hij is die onderzoekslijn. We kwamen hem al tegen in het bericht Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen.

Nu is er van Oishi, samen met Hyewon Choi, een nieuw overzicht van onderzoek: The Psychology of Residential Mobility: A Decade of Progress. Hieronder een lijstje met inzichten die daaruit zijn voortgekomen.

1. Mensen die in hun jeugd vaker verhuisd zijn, zien hun eigen persoonlijkheid (personal self) als centraler dan hun groepslidmaatschappen (collective self).

2. Mensen die vaker verhuisd zijn of in buurten wonen waarin vaker verhuisd wordt (mobiele buurten), hebben een meer voorwaardelijke (minder hechte) band met de groepen waartoe ze zich rekenen. En ze hebben een voorkeur voor zulke groepen, waar je makkelijk kunt toetreden en ook makkelijk weer afscheid van kunt nemen. In lijn daarmee zijn er in meer mobiele Amerikaanse staten meer megakerken en in meer mobiele steden meer meetup-groepen.

In dit NRC.nl bericht uit 2017 over megakerken in Nederland (Een reuzenhal waar je de ‘flow’ voelt) komt een bezoeker aan het woord die verklaart: „Tijdens zo’n dienst voel je je enorm connected met anderen.” Wat suggereert dat die megakerken een instant-verbondenheid bieden als substituut voor meer authentieke verbondenheid die mensen in hun dagelijks leven missen.
Ik vroeg me in dat verband af of het gebruik van dating apps zoals Tinder in de meer mobiele omgeving van de grote stad meer voorkomt (ook als je controleert voor leeftijd) of daar meer een andere functie heeft dan in de meer stabielere sociale omgeving van het platteland. Het zou kunnen dienen als middel tot instant-verbondenheid in de gevallen waarin het gaat om one-night stands. Maar anders dan met die megakerken gaat het hier vaak om de zoektocht naar een stabiele partner. En in die gevallen is in de stedelijke omgeving het aanbod groter, waardoor de stad aantrekkelijker is als je op zoek bent. Lees stadsgeograaf Cody Hochstenbach daarover naar aanleiding van het Amerikaanse onderzoek dat laat zien dat inmiddels bijna 40 procent van de heteroseksuele stellen elkaar online heeft ontmoet: Hoe Tinder de stad woest aantrekkelijk maakt.

3. Mensen die vaker verhuisd zijn hebben gefragmenteerde (minder dichte) netwerken, wat wil zeggen dat hun contacten meer gespreid zijn over activiteiten of contexten. De een ontmoet je alleen bij de sportclub, de ander alleen op je werk of alleen als buur en nog weer een ander alleen als familielid. Het gefragmenteerde zit er in dat de mensen die jij kent elkaar niet kennen.

4. Het op jeugdige leeftijd vaker verhuisd zijn heeft negatieve effecten op het gebied van onderwijsloopbaan, welzijn en gezondheid

5. Alleen voor mensen in een meer mobiele, dus wisselende, sociale omgeving is een groter sociaal netwerk belangrijk voor financieel succes en sociale stijging. Hoe wisselender je sociale omgeving, hoe meer het er dus op aankomt om meer mensen te kennen. Dat zijn dan instrumentele contacten, waarmee je hulp en informatie uitwisselt.

Tenslotte: Choi en Oishi noemen als een mogelijk voordeel van een een meer wisselende sociale omgeving dat mensen minder wantrouwend en vijandig zouden staan tegenover vreemden, zoals immigranten.
Maar is dat wel zo? In een meer stabiele sociale omgeving voelen mensen weliswaar meer verbondenheid met de eigen groep (in-group loyalty), maar dat gaat niet systematisch samen met vijandigheid tegenover andere groepen (intergroup hostility). Die is er alleen in het geval van echte of vermeende bedreigingen. Zie nog eens het bericht De uitspraken van minister Blok sociaalwetenschappelijk bekeken - Politici zouden beter op de hoogte moeten zijn van het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

zondag 28 juli 2019

Zondagochtendmuziek - Erik Satie - Gymnopédies No. 1 and 3 | Symfonieorkest Vlaanderen

Vorige week zondag belanden we op ons fietstochtje door het Reitdiepdal in het noorden van Groningen in het kerkje van Klein Wetsinge. Een prachtige ambiance voor een pianoconcertje, met Bach, Chopin en Satie. En daarna een geweldige lunch. Later op de middag zou Tineke Postma optreden, maar daar konden we helaas niet meer bij zijn.

Satie (1866 - 1925) klonk heel goed in dat mooie kerkje. Ik ontdekte dat muziek van Satie ook georkestreerd is. De Gymnopédie nr. 1 door Debussy en de Gymnopédie nr. 3 door Poulenc. Geheimzinnige muziek, hier uitgevoerd door het Symfonie Orkest Vlaanderen onder leiding van Jan Latham-Koenig.

En ik ontdekte dit interessante, lange betoog van Reinbert de Leeuw in De Gids uit 1971 over Satie en zijn muziek: Monsieur le pauvre. Met deze prachtige alinea:
Tot in de kleinste details waren Satie's wijze van leven, zijn gedrag, zijn manier van converseren excentriek. Dat deze excentriciteit geen uiterlijke façade was of een poging om voor oorspronkelijk door te gaan, bewijst de bijna strenge consequentie waarmee hij zijn bizarre verhouding tot de buitenwereld tot aan zijn dood handhaafde. Hoewel hij de lijnen waarlangs deze communicatie verliep, meer dan eens wijzigde, bleef zijn wonderlijk samengestelde wereld nauwlijks doordringbaar en stelde hij iedereen voortdurend opnieuw voor raadsels.

donderdag 25 juli 2019

Veel van het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar het statusmotief is individualistisch, ja, atomistisch, van opzet

De nieuwe studie Drivers of Desire for Social Rank geeft een fraai overzicht van het onderzoek naar het statuscompetitiemotief, het zich willen inspannen om een hogere status te bereiken. Samen met de eerder verschenen studie Is the desire for status a fundamental human motive? A review of the empirical literature geeft het een aanvulling op de empirische aanwijzingen voor het vermoeden dat de menselijke sociale natuur innerlijk ambivalent is tussen enerzijds het statuscompetitiepatroon en anderzijds het gemeenschapspatroon.

In dat eerste overzicht gaat het over de volgende vijf vragen:
  1. Waarom willen mensen een hoge sociale status?
  2. Bij welke mensen is die wens het sterkst?
  3. Onder welke omstandigheden is die wens het sterkst?
  4. Wat zijn de gevolgen van de wens een hoge status te hebben?
  5. Wanneer en waarom kiezen mensen er voor om niet een hoge status te willen?
Onderaan dit bericht vind je het overzicht dat de onderzoekers maakten van wat onderzoek per vraag aan antwoorden heeft opgeleverd. Zo vind je bijvoorbeeld dat het streven naar status eruit kan voortkomen dat mensen autonoom willen zijn of een gevoel van zelfwaardering willen hebben. En dat het streven naar status sterker is bij mensen met een hoog testosteron-niveau en een hoge dominantie-oriëntatie.

Maar wat bovenal opvalt is dat er in het onderzoek kennelijk geen aandacht is voor de omstandigheid dat mensen bij hun "keuze" voor dat statuscompetitie-motief worden beïnvloed door de "keuzes" van anderen in hun sociale omgeving. (Keuzes tussen aanhalingstekens, omdat er niet altijd een bewuste afweging hoeft te zijn.) Het lijkt alsof al het onderzoek dat hier aan de orde komt, een atomistisch mensbeeld als verborgen veronderstelling heeft. Mensen "kiezen" voor dat statuscompetitiemotief alsof ze alleen op de wereld zijn, los van wat ze waarnemen van de 'keuzes" van anderen. Sociale beïnvloeding bestaat niet.

Anders gezegd: het inzicht van Stelling 2 van de Dual Mode-theorie ontbreekt geheel. Dat is de stelling dat mensen bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen (statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag) sterk beïnvloed worden door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen.

En dat is precies het inzicht dat de aandacht vestigt op de sociale processen van bewegingen in de richting van oftewel het statuscompetitie-evenwicht oftewel het gemeenschapsevenwicht. Processen waar Stelling 3 van de Dual Mode-theorie op wijst.

Dat sociale beïnvloedingsproces had gemakkelijk aan de orde kunnen komen waar het gaat om de antwoorden op de vraag naar de omstandigheden waaronder mensen meer of minder het statuscompetitiemotief hebben. Want daar gaat het om omstandigheden waarin de behoefte aan controle en zelfwaardering worden bedreigd.

Omstandigheden die meer zullen bestaan als je meer omgeven wordt door anderen die sterk gemotiveerd zijn om naar status te streven. Want anderen zien jou dan als concurrent en hebben dus niet het beste met jou voor.

Omstandigheden die dus minder zullen bestaan als je meer omgeven bent door anderen die gekozen hebben voor gemeenschapsgedrag. Want die hebben daarmee een sociaal veilige omgeving gecreëerd, waarin mensen het wel goed met elkaar voor hebben.

Opmerkelijk dat veel van het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar wat mensen beweegt, nog zo individualistisch, ja, atomistisch, in elkaar steekt. Je beoefent sociale wetenschap, maar kijkt naar mensen als naar sociale atomen.

Hieronder het overzicht van de vragen en antwoorden dat ik overnam uit die studie Drivers of Desire for Social Rank

Table 1. Key Findings from Drivers of Desire for Social Rank.
Review QuestionsAnswer Summary
Why do people desire high social rank?
Satisfies fundamental desires and needs (e.g., autonomy, need to belong)
Reaps reproductive benefits
Provides a sense of control
Boosts self-esteem
Enhances social acceptance
For whom is the desire for social rank the strongest?
Individuals with high testosterone
Individuals high in self-monitoring
Individuals with abstract information processing style
Individuals high in prestige or dominance-orientations
Under which circumstances is the desire for social rank the strongest?
Situations that threaten or challenge one’s:
o
Control
o
Self-esteem
o
Competence
o
High rank
What are the consequences of the desire for high social rank?
Increased monitoring, attention, and reaction to cues that signal threat to high rank
Behavioral signaling of competence and dominance (e.g., taking more risks)
Building interpersonal capital
Greater negative affect
Reduced life satisfaction
Negative physiological symptoms
Trade-offs in performance and creativity
Unethical behavior and aggression
When and why do people not desire to maximize their social rank?
High rank can be stressful, particularly for those with lower testosterone
To avoid falling short of others’ high expectations
Having high rank is associated with negative perceptions from others (e.g., inauthenticity)

dinsdag 23 juli 2019

Rechts-extremistisch populisme als verschijningsvorm van het statuscompetitiepatroon - aangewakkerd door bestaansonzekerheid

We leven in een tijd van rechts-extremistisch populisme en dus in een tijd waarin het statuscompetitiepatroon de kop opsteekt ten koste van het gemeenschapspatroon. Zie, uit 2017: We maken een tijd mee waarin het statuscompetitiepatroon gaat overheersen in het publieke domein.

Wat populisten gemeen hebben is dat ze bevreesd zijn dat 'het eigene", "het volk", de eigen cultuur, de traditie, bedreigd worden door "vreemden", oftewel de "kosmopolitische elite", die het bestaan van het eigene loochent, het "verraadt", oftewel de letterlijk vreemden, de etnisch of religieuze minderheden en in het bijzonder de migranten. Zie Wat de populisten werkelijk gemeen hebben. Mooie analyse van Jan-Werner Müller.

Het statuscompetitieve karakter van het populisme zit hem in dat rechts-extremistische wereldbeeld van een allesoverheersende statushiërarchie. Het eigene is niet alleen het vertrouwde, maar het is ook fundamenteel superieur aan het vreemde. Wat betekent dat van iedereen dient te worden vastgesteld of hij tot het eigene behoort of daar wel voldoende respect voor betoont of dat hij tot het vijandelijke kamp moet worden gerekend. Love us. Or go back to where you came from.

Door die nadruk op superioriteit heeft het populisme ook altijd een hang tot narcisme. Collectief narcisme, als het om de eigen groep gaat, en individueel narcisme, als een narcist door de populistische horde in het zadel wordt geholpen en vanuit die positie die horde aanvuurt en opzweept.

Het is dus ook niet toevallig dat populisten eigenlijk altijd een persoonlijkheidscultus vormen. En zo de narcistische leider bevestigen in zijn grandioze, maar meestal uiterst kwetsbare, zelfbeeld. Die de indruk weet te wekken dat hij er is voor zijn volgelingen, maar die alleen maar om zichzelf geeft. Een mooie omschrijving van dit patroon geeft Paul Rosenberg in Understanding our bully-in-chief: Donald Trump's "antisocial personality disorder" fits a pattern. En merk op hoe daar de link wordt gelegd met het statuscompetitiepatroon van het pesten onder adolescenten.

Het wordt steeds duidelijker dat het rechts-extremistisch populisme een voedingsbodem nodig heeft van economische bestaansonzekerheid. Zie mijn bericht van vorig jaar voor de empirische aanwijzingen in die richting: Door economische bestaansonzekerheid meer succes van rechts-extremistische partijen - Nieuwe aanwijzingen.

De meeste mensen zijn goed in staat en bereid tot gemeenschapsgedrag. Maar een toestand van veiligheid helpt daarbij. Als die veiligheid in gevaar komt, en het bestaan onzeker wordt, gaan we op zoek naar oplossingen in een wereld die we maar moeilijk doorgronden. En precies daar liggen de kansen voor de narcistische leider, die naast een schare van volgelingen ook altijd vijanden nodig heeft.

Zie over die rol van bestaansonzekerheid vandaag ook Dani Rodrik: What’s driving populism? Met afsluitend als overduidelijke les voor de politiek:
There is little debate here. Economic remedies to inequality and insecurity are paramount.