zondag 29 december 2019

Zondagochtendmuziek - Van Bree: Allegro voor vier strijkkwartetten - Janine Jansen - Internati...

Het openingsconcert van het Janine Jansen Internationaal Kamermuziekfestival 2019 in Utrecht opende vrijdagavond met het Allegro voor vier strijkkwartetten van Johannes Gerardus van Bree (1801 - 1857).

Daarmee zijn we wat Nederlandse componisten betreft een eeuw eerder in de geschiedenis beland dan bij Rosy Wertheim, die in de vorige zondagochtendmuziek voorbij kwam. Van Bree was een van de prominentste Nederlandse componisten van de eerste helft van de negentiende eeuw. Geboren in Amsterdam bracht hij een groot deel van zijn jeugd door in Leeuwarden, waar hij zijn vader bijstond als pianostemmer en begeleider van danslessen. En waar hij muziekleraar was van de kinderen van baron Carel Æmilius Els Collot d'Escury te Minnertsga.

Teruggekeerd in Amsterdam werd hij daar een belangrijk man in het muziekleven. Volgens Wikipedia, waar ik me op baseer, was zijn muziek in zijn tijd nationaal en internationaal bekend, maar heeft het meeste ervan de tand des tijds niet doorstaan.

Dat laatste kan zo zijn, maar vaak keert de waardering voor muziek die eerder was afgeschreven later toch weer terug. Denk aan de opera's van Händel en de symfonieën van Beethoven. En natuurlijk aan alle muziek van Johan Sebastian Bach, die in de negentiende eeuw door Mendelssohn aan de vergetelheid werd ontrukt. Luister hier eens naar Van Bree's Szene für Horn und Orchester, uitgevoerd door Ab Koster en het Noord Nederlands Symfonie Orkest onder leiding van Jürgen Kussmaul.

Maar Van Bree is het bekendst gebleven door dat Allegro voor vier strijkkwartetten. Zo bekend dat ik, hoewel geen muziekkenner, van het bestaan wist en het verschillende keren heb horen uitvoeren. Meestal als radioluisteraar, maar ik heb ook een vage herinnering aan een live uitvoering. Wikipedia noemt het "curieus". Maar dat zal vanwege de bezetting zijn. Want het is gewoon boeiende muziek.

Hier is die uitvoering van vrijdagavond door Janine Jansen and Friends. Een mooi citaat van haar uit dit recente interview in Trouw, dat ook sociaalwetenschappelijk interessant is (denk aan het bericht Kunnen we nog wel onszelf zijn? In een toestand van sociale vluchtigheid is voor authenticiteit zelf-compassie nodig):
Als ik op het podium ben, kan ik altijd mezelf zijn en me van mijn breekbaarste kant laten zien. Er is totaal geen remming. De Janine op het podium vormt een contrast met mijn ik in het dagelijks leven. Die vraagt zich vaker af: wat vindt de ander van mij? Ik denk dat ik daarom musiceren zo geweldig vind, daar bestaat de vraag ‘hoe kom ik over?’ niet, het ‘ik’ is van geen belang, alleen de muziek.

dinsdag 17 december 2019

Over waar Boulding en Friedman in 1965 hun mens- en maatschappijvisies vandaan haalden

In de discussie tussen Kenneth Boulding en Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago (zie hier het vorige bericht) ging het om twee visies op hoe de maatschappij in elkaar steekt en hoe verbeteringen mogelijk zijn. Friedmans visie is die van de neoliberale econoom (door Boulding aangeduid met libertarianism) en Bouldings visie is die van de econoom die inziet dat het in de maatschappij om meer draait en om meer behoort te draaien dan alleen de markt.

Friedman propageert een maatschappij waarin het domein van de markt de bron is van welvaart en waarin dat domein van de vrijwillige transacties (ruil) dus zoveel mogelijk moet worden uitgebreid. Er is weliswaar een ander domein, maar dat is beperkt tot de kring van naasten die mensen om zich heen hebben. En dat kunnen we volgens deze visie buiten beschouwing laten. (Later begonnen economen, onder aanvoering van Gary Becker, die in Chicago hoogleraar werd in de economie en de sociologie, zich ook met dat domein van naasten bezig te houden.)

Boulding stelt daar tegenover dat er in de maatschappij drie ordeningsprincipes zijn en behoren te zijn: naast de markt het principe van de bedreiging en het principe van de integratie. Met dien verstande dat er een gewenste maatschappelijke ordening bestaat die inhoudt dat bedreiging en markt zijn ingekaderd en begrensd door het integratieprincipe.

Bedreiging (dwang) draagt alleen dan bij aan de gewenste maatschappelijke ordening als hij legitiem is, dat wil zeggen als hij gedrag sanctioneert dat in strijd is met het integratieprincipe (kwaadaardigheid, bedrog, uitbuiting, onderdrukking).

En de markt kan alleen een gewenste bijdrage leveren in een atmosfeer van vertrouwen, respect en gelijkheid. Als die gelijkheid er onvoldoende is, dan hebben we niet meer te maken met ruil tussen gelijken, maar met onderdrukking en uitbuiting. Het domein van de markt hoort dus begrensd te zijn door zoveel gelijkheid dat uitbuiting en onderdrukking worden voorkomen.

Wat kun je, na deze recapitulatie van het voorgaande, zeggen over waar Friedman en Boulding hun maatschappijvisies vandaan halen?

In grote lijnen is die visie van Friedman de strikt economische, dat wil zeggen een uitvloeisel van de academisch-historische ontwikkeling van het vak economie als een zelfstandige, van andere sociale wetenschappen afgegrensde, discipline.

Een vak dus dat je kunt bestuderen en beoefenen zonder je te hoeven verdiepen in andere sociale wetenschappen, zoals de sociologie, de culturele antropologie en de psychologie. Een opvatting die je misschien in zijn extreemste vorm tegenkomt in het werk van Friedrich Hayek (1899 - 1992), die de spontane orde van de markt zag als de historische overwinning van de Great Society op het "tribalisme" van vroeger tijden. Een maatschappij dus waarin er wel een overheid en een rechtssysteem bestaan, maar uitsluitend ten dienste van de spontane werking van de markt.

In vergelijking daarmee heeft Boulding, hoewel econoom, een breder zicht op de maatschappij en daarmee een breder mensbeeld. Dat bracht hem ertoe om naast dat ordeningsprincipe van de markt ook de principes van bedreiging (dwang) en integratie te onderkennen.

Ik wees al op de overeenstemming tussen die laatste twee en de op dit blog onderscheiden patronen van de statuscompetitie en het gemeenschapsgedrag. En we hebben gezien dat het sociaalwetenschappelijk onderzoek nogal wat empirische aanwijzingen verschaft voor het bestaan van die twee patronen en dus voor de ambivalente menselijke sociale natuur.

Maar Boulding voerde die discussie met Friedman in 1965, toen dat sociaalwetenschappelijke onderzoek er nog niet was en er ook nog maar weinig bekend was over de evolutionaire achtergrond van de menselijke sociale natuur. Hij kon dus ook zonder kennis van de latere ontwikkelingen en kennelijk op grond van zijn persoonlijke ervaringen met mensen en met de maatschappij waarin hij opgroeide tot dat inzicht komen dat statuscompetitie (bedreiging/dwang) en gemeenschapsgedrag (integratie) tot het menselijk gedragsrepertoire behoren en dat dat is terug te zien in hoe de maatschappij in elkaar steekt.

Gewone, alledaagse mensenkennis dus. En gewone, alledaagse maatschappijkennis. Vreemd is dat natuurlijk niet. Want er is natuurlijk altijd een zekere continuïteit tussen alledaagse en sociaalwetenschappelijke verklaringen. Wat me herinnerde aan wat ik daar al weer lang geleden over schreef: De wetenschappelijkheid en de alledaagsheid van sociologische verklaringen.

In een volgend bericht meer over de vraag wat Boulding in 1965 te melden had over wat zijn visie betekent voor hoe de maatschappij het beste zou kunnen worden ingericht.

zondag 15 december 2019

Zondagochtendmuziek - Rosy Wertheim - String Quartet

Nu we, sinds vorige week met Theo Verbey, bij Nederlandse componisten zijn aanbeland, kunnen we ook wat teruggaan in de geschiedenis en uitkomen bij Rosy Wertheim (1888 - 1949). Lees hier haar levensbeschrijving.

Geboren in de welgestelde en bekende Amsterdamse familie Wertheim, ontwikkelde ze een sterke sociale bewogenheid. Naast haar werk aan het Amsterdams Muzieklyceum in de jaren 30 leidde ze het kinderkoor "Eilandenkinderen" en het vrouwenkoor van het Religieus Socialistisch Verbond. Lees hier Wat wil het religieus socialistisch verbond, met een mooi citaat van Willem Banning. Alleen naar het taalgebruik en bepaald niet naar de inhoud gedateerd.

Na in Parijs, Wenen en New York te hebben gewoond en gewerkt, keerde ze in 1937 terug naar Nederland, waar ze ondergedoken op verschillende adressen de oorlog overleefde. Haar muziek werd en wordt zo nu en dan nog uitgevoerd. De fluitiste Leonore Pameijer over die muziek:
Haar composities zijn nooit eenvoudig of eenduidig. Rosy Wertheim schreef gelaagde muziek, zocht diepte, op een manier die enigszins aan Brahms doet denken. Geen gebaren maar grote gestes. Zelfs in haar eenvoudigste liederen toont Wertheim een complexe gelaagdheid.
Ze schreef veel liederen en koormuziek. Maar ook dit mooie en intrigerende strijkkwartet, dat wat mij betreft best nog wat langer had mogen duren. Uitgevoerd door het Utrecht String Quartet.

donderdag 12 december 2019

Als je de markt zijn werk wilt laten doen zonder daarbij rekening te houden met de rol van statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, dan loopt dat niet goed af.

Kenneth Boulding stelde in zijn discussie die hij voerde met Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago tegenover Friedmans pleidooi voor ruil als maatschappelijk ordeningsprincipe twee andere principes, dat van de bedreiging - onderwerping en dat van de integratie. Lees hier het vorige bericht: Boulding in 1965: er is wel degelijk een maatschappij. En dus een collectieve uitdaging en opdracht.

Volgens het neoliberale idee dat Friedman propageerde, kun je de maatschappij, als je afziet van de relaties die mensen met hun naasten hebben, bestuderen als een systeem van vrijwillige ruiltransacties. En heb je bovendien als econoom de opdracht om uit te dragen dat het plaats vinden van zulke transacties zoveel mogelijk dient te worden bevorderd. Want elke vrijwillige ruil verhoogt per definite de welvaart. Dus moet de markt, als het geheel van zulke transacties zoveel mogelijk aan zichzelf worden overgelaten en moet er dus zo weinig mogelijk overheidsbemoeienis zijn.

Naast de econoom als onderzoeker, die de maatschappij bestudeert, is er dus ook de econoom als ideoloog, die bepleit dat de overheid zo klein mogelijk moet zijn.

Je kunt je natuurlijk afvragen waar je zo een nogal verreikende stap, verklaren dat alles in de maatschappij, buiten die kring van naasten, draait om ruil en dat bovendien alle welvaart uit die ruil voortkomt, eigenlijk op baseert.

Maar die vraag parkeren we even en we kijken wat Boulding daartegen over stelde.

Boulding zegt dus naast ruil die twee andere ordeningsprincipes in de maatschappij te onderkennen. 

Volgens dat bedreiging - onderwerpingsprincipe eist de een onder (dreiging met) dwang iets van de ander op ("you had better do something nice for me or I shall do something nasty to you"). Dit principe is met de landbouwsamenlevingen de mensheidsgeschiedenis binnen gekomen, zoals in de vorm van slavernij. Ik wees al op de overeenkomst tussen het bedreiging - onderwerpingsprincipe en het statuscompetitiepatroon

Het is nu, zo zegt Boulding, bezig te vervagen ("in the process of passing away"). Daarmee zal hij gedoeld hebben op het proces van democratisering, opbouw van de verzorgingsstaat en van bestaanszekerheid en mensenrechten. Hetzelfde proces dat ik zag als de collectieve poging om de morele intuïties van het gemeenschapspatroon te institutionaliseren op het niveau van nationale staten, ja, zelfs de wereldbevolking.

Daarmee zijn we aangekomen bij zijn tweede ordeningsprincipe, dat van de integratie. Want de overeenkomst met het gemeenschapspatroon valt meteen op. Zijn integratieprincipe omschrijft Boulding als volgt:
It involves such things as status, identity, love, hate, benevolence, malevolence, legitimacy - the whole raft of social institutions which define roles in such a way that you do things because of what you are and because of what I am, that is, because of some kind of status or respect.
Ik geef toe, hier doemen complicaties op door het gebruik van termen als status, haat en kwaadaardigheid, die beter thuis hadden gehoord bij het bedreiging - onderwerpingsprincipe. Maar de rest van Bouldings betoog doet vermoeden dat hij hier oftewel wat onzorgvuldig is geweest oftewel niet helemaal consistent is.

Wat is nu het grote belang van het onderkennen van deze twee ordeningsprincipes naast het ruilprincipe? Waarom kunnen we niet volstaan met uitsluitend het ruilprincipe?

Het antwoord dat Boulding daarop geeft is boeiend en diepzinnig, zeker als je het vergelijkt met de toch wat platvloerse en oppervlakkige neoliberale omhelzing van dat ruilprincipe als alleenzaligmakend. Want zo zegt Boulding het grote belang van het integratieprincipe is dat het het onmisbare kader vormt waarbinnen de andere twee alleen maar goed kunnen opereren.

Ruil is immers alleen mogelijk als er voldoende vertrouwen is: "Exchange can take place only if there is an atmosphere of trust, confidence, respect and, indeed, equality. Exchange is an extraordinarily equalitarian institution in the sense that in exchange the two parties look eye to eye."

Waarmee Boulding er op wijst dat een markt die zich niet meer afspeelt binnen de (integrerende) grenzen van voldoende gelijkheid niet meer goed zal functioneren. En dat mag je wel een diep inzicht noemen, nu je in 2019 inzicht hebt in de negatieve gevolgen van de sterk toegenomen ongelijkheid. Een inzicht dat gemakkelijk doet vermoeden dat het kapitalisme op zijn laatste benen loopt.

En daarnaast zijn bedreiging en dwang ineffectief om als als ordening te kunnen functioneren als ze niet zijn ingekaderd in het integratieprincipe. Ze kunnen alleen, als ordening, werken als er een legitiem doel wordt gediend. Dus als het gebruik ervan voldoende wordt geaccepteerd.

Anders gezegd, dwang kan onderdeel zijn van het gemeenschapspatroon. En is dan legitiem. Denk aan het elkaar bij de les houden in het proces van zelforganisatie En denk aan de bereidheid van mensen om in een publieke goed-dilemma sancties uit te delen aan profiteurs.

Met dat laatste worden we er overigens op geattendeerd dat er twee verschillende soorten dwang bestaan, de kwaadaardige dwang als onderdeel van het statuscompetitiepatroon, en de gelegitimeerde dwang als onderdeel van het gemeenschapspatroon.

Maar dat wisten we al. Denk ook aan het betoog van Richard Wrangham over sociale sanctionering als noodzakelijk element van de menselijke zelf-domesticatie. Het gemeenschapspatroon kan niet blijvend bestaan als niet het statuscompetitiepatroon in de persoon zelf en zo nodig tussen personen wordt onderdrukt.

Samengevat wijst Boulding er dus op dat de politieke zwakheid van het neoliberalisme bestaat uit het onvermogen
to recognize explicitly that exchange is only one of the organizers of social life and that, if it is to operate successfully, it must operate in a setting in which both the threat system and the integrative system are realistically taken into account.
In mijn woorden: als je de markt zijn werk wilt laten doen zonder daarbij rekening te houden met de rol van statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, dan loopt dat niet goed af.

In volgende bericht meer over wat Boulding te melden heeft over wat dat zoal maatschappelijk impliceert.

En ook over die vraag wat er eigenlijk voor nodig is om verantwoord tot een stellingname te komen over wat de ordeningsprincipes van de menselijke samenleving zijn.

dinsdag 10 december 2019

Boulding in 1965: er is wel degelijk een maatschappij. En dus een collectieve uitdaging en opdracht

Kenneth Boulding opende zijn bijdrage aan het debat met Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago zonder veel omhaal van woorden. Lees hier het vorige bericht, waarin dat debat werd geïntroduceerd.

Hij begint met te zeggen op zoek te gaan naar de grenzen van het libertarianisme, dat wil zeggen van het denken van Friedman. Daarbij gaat het hem vooral om de rol van ruil in de maatschappij. Want, zegt hij, vrijheid is een beetje een afleidingsmanoeuvre.

Dat laatste zal een reactie zijn geweest op het benadrukken van het belang van vrijheid door Friedman. We kennen de bijdrage van Friedman niet, maar hij zal het ongetwijfeld veel over vrijheid hebben gehad. Misschien heeft hij zelfs deze alinea (p. 2-3) uit het boek Free to Choose, dat hij later (1979) met zijn vrouw Rose Friedman zou schrijven, min of meer letterlijk uitgesproken:
Economic freedom is an essential requisite for political freedom. By enabling people to cooperate with one another without coercion or central direction, it reduces the area over which political power is exercised. In addition, by dispersing power, the free market provides an offset to whatever concentration of political power may arise. The combination of economic and political power in the same hands is a sure recipe for tyranny.
We herkennen hier het neoliberale wantrouwen tegen de democratische overheid. Die moet maar beter zo weinig mogelijk te zeggen hebben.

Maar Boulding zag dat dus als een afleidingsmanoeuvre (een red herring). Het gaat volgens hem om de rol van ruil, dat wil zeggen, van de uit vrije wil tot stand gekomen transactie tussen personen, waarbij alle transacties samengenomen de markt vormen. Dat is het ordeningsprincipe (organizer) waar het bij Friedman allemaal om draait.

Maar is dat het enige ordeningsprincipe? Volgens Friedman wel. Die stelling werd later (1987) door Margaret Thatcher verwoord als
there is no such thing as society. There are individual men and women and there are families. And no government can do anything except through people, and people must look after themselves first. It is our duty to look after ourselves and then, also, to look after our neighbours.
 Als iedereen maar voor zichzelf en zijn naasten opkomt, dan komt alles goed. Een algemeen belang waar we met zijn allen over kunnen beraadslagen en besluiten (democratie), dat moet je wantrouwen en zoveel mogelijk binnen de perken houden.

Daartegenover brengt Boulding naar voren dat er naast het ruilsysteem in onze samenleving twee andere ordeningsprincipes vallen te onderscheiden: het bedreigingssysteem en het integratiesysteem.

In het volgende bericht daarover meer, maar nu al valt op te merken dat hij met dat bedreigingssysteem doelt op wat op dit blog voortdurend langskomt als het statuscompetitiepatroon en het integratiesysteem als het gemeenschapspatroon.

Volgende keer meer over hoe Boulding die twee en hun relatie tot het ruilsysteem behandelt en over wat de implicaties daarvan zijn voor de politiek, voor de gezamenlijke vormgeving van de maatschappij waarin we nu eenmaal met elkaar leven.

Dat komt er op neer dat er wel degelijk een maatschappij is. En dus een collectieve uitdaging en opdracht.
Update. Lees nu het vervolgbericht: Als je de markt zijn werk wilt laten doen zonder daarbij rekening te houden met de rol van statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, dan loopt dat niet goed af

zondag 8 december 2019

Zondagochtendmuziek - Theo Verbey - Pavane oubliée

De Nederlandse componist Theo Verbey is op 60-jarige leeftijd overleden. Hij is uit het leven gestapt. Lees het In Memoriam in Trouw. Op Radio 4 stonden Hans Haffmans en collega-componist Willem Jeths er enkele keren bij stil.

Ik kende zijn naam en had wel eens naar wat van hem geluisterd. Kan me niet herinneren zijn muziek live te hebben meegemaakt. Maar dat zou in de Zaterdagmatinee best wel eens gebeurd kunnen zijn.

Zijn muziek is intrigerend en werd, nadat hij een depressie had doorstaan, eleganter en impressionistischer. En er was internationale erkenning. Net gisteravond moet in Boston, Verenigde Staten, zijn hobokwartet ‘4 Preludes to infinity’ zijn uitgevoerd. Alles volgens dat In Memoriam.

Hier kun je bijna tien minuten luisteren naar zijn Pavane oubliée voor harp en orkest, uitgevoerd door Godelieve Schrama en het Nederlands Radio Kamer Orkest onder leiding van Micha Hamel. Prachtige, verstilde muziek.

En kijk ook eens dit mooie filmpje uit 2010 waarin hij bij hem thuis vertelt over zijn manier van componeren. "In het hele proces van eerste schetsen naar het laatste stadium toe, voltooiing van een partituur, moet je helder blijven denken." Dat heeft heel mooie muziek opgeleverd.


vrijdag 6 december 2019

Een persoonlijke ideeëngeschiedenis over sociologie en economie. En over een discussie in 1965 tussen Kenneth Boulding en Milton Friedman

Bij het (her-)lezen van het werk van Kenneth E. Boulding (zie het vorige bericht) viel mijn oog op het essay Economic libertarianism in zijn boek Beyond Economics. Essays on Society, Religion and Ethics (1970). Ik was het vergeten, maar ergens in de jaren tachtig moet ik dat essay als tentamenliteratuur hebben opgegeven, waarschijnlijk voor het keuzevak Het paradijs der sociologen, dat ik destijds een paar jaar gegeven heb. Waarschijnlijk, want noch zoeken op mijn harde schijf, noch zoeken in verschillende stapels papieren, leverde uitsluitsel op.

Hoe ouder je wordt, hoe meer geschiedenis om op terug te zien. En meestal met gemengde gevoelens, want als het goed is, ben je met de jaren wat wijzer geworden. Want de tijd waar we het over hebben, is die van de opkomst van het neoliberale denken in de economie en in de politiek. Milton Friedman kun je wel de invloedrijkste vertegenwoordiger noemen van dat denken. Zie nog eens het vorige bericht. In het vak economie kreeg dat de vorm van het afscheid van het Keynesiaanse denken en de groeiende populariteit, ja, dominantie, van de neoklassieke economie.

En ik was toen, als socioloog, onder de indruk van die neoklassieke economie. Het was een intellectueel bouwwerk waar mee vergeleken de sociologische theorie niet veel voorstelde. De onderste steen was die van de marginale analyse (een persoon, een goed), met daarbovenop achtereenvolgens de indifferentiecurvenanalyse (een persoon, twee goederen), de Edgeworth Box-analyse (twee personen, twee goederen) en de theorie van de markt (veel personen, veel goederen).

En dan had je daarnaast nog, alles met dezelfde "nutstheorie", de speltheorie, waarin het gaat om strategische gedrag, dus gedrag waarin personen proberen om met elkaars gedrag rekening te houden.

Het prestige en daarmee de invloed van die neoklassieke theorie en de speltheorie was groot, ook op het vak sociologie. Dat resulteerde er in dat een flink deel van de sociologen, waaronder ikzelf, in de ban raakten van de "rationele keuzetheorie". Dus van de poging om de Homo economicus ook als sociologisch mensbeeld toe te passen. Een uiting van "economisch imperialisme" werd dat wel genoemd.

Wat mij daarin aantrok, was niet alleen dat dit denken intellectueel meer voorstelde dan de theoretisch veel minder ontwikkelde sociologie, maar vooral ook dat er een welvaartstheorie op kon worden gebaseerd. Dat wil zeggen, een theorie die het mogelijk maakte om individuele en maatschappelijke verbeteringen vast te stellen en voor te stellen. Een toestand is beter als hij meer welvaart ("nut") verschaft. Wat voor het collectief kon worden geformuleerd met het Pareto-optimum: een toestand is beter als er tenminste een persoon op vooruitgaat en niemand er op achteruitgaat.

Maar ondanks dat ik daarvan onder de indruk was, had ik al wel het besef dat de sociologie, of algemener de sociale wetenschappen, niet zomaar die economische welvaartstheorie zouden kunnen overnemen. Want een echte empirische sociale wetenschap, die zich er rekenschap van geeft dat het sociale en maatschappelijke leven uit meer bestaat dan uit de markt, kan niet zonder empirisch onderbouwde aannames over de menselijke sociale natuur. En dus over wat mensen kunnen (hun gedrag) en willen (hun behoeften). Zie nog eens deel 1 van de reeks berichten over het maatschappelijk belang van de sociologie.

Een en ander leidt tot de gedachte dat de sociologie een eigen sociale welvaartstheorie nodig heeft. Zie om de gedachten te bepalen de berichten op dit blog achter het label sociale welvaart.

Ergens in de jaren zeventig of tachtig bracht mij dat op dat idee van, tongue in cheek, een paradijs der sociologen. Naar analogie van het paradijs der economen (efficiëntie, Pareto-optimaliteit) zou er ook een paradijs der sociologen moeten komen. Een bepaling van een maatschappelijke toestand die zo goed mogelijk tegemoetkomt aan wat mensen kunnen en willen en die zo richtinggevend kan zijn voor sociologische beleidsadvisering. Denk aan wat ik nu het gemeenschapsevenwicht noem.

Maar destijds was ik nog niet zover. ik dacht toen, laat ik er maar een keuzevak over aanbieden, dan dwing ik mezelf om er een poos systematisch over na te denken.

En om relevante en geschikte literatuur te zoeken om studenten te laten lezen. Zo kwam ik onder meer terecht bij het werk van Kenneth Boulding. Een econoom weliswaar, maar eentje die zich verzette tegen dat neoliberale marktdenken van Milton Friedman en anderen.

En precies daarom is dat essay waarmee ik dit bericht begon, Economic libertarianism, zo interessant. Want het is de de enigszins geredigeerde transcriptie van zijn mondelinge bijdrage aan de discussie die hij had met diezelfde Milton Friedman op 6 mei 1965 in Chicago, het hol van de neoliberale leeuw.

Achteraf zou je kunnen zeggen dat die discussie een historische betekenis had. Want we weten nu dat Friedman de meeste aanhang kreeg, maar ook dat we in 2019 tot de conclusie komen dat we misschien beter naar Kenneth Boulding hadden moeten luisteren.

In het volgende bericht meer daarover. Dit was een inleidende persoonlijke ideeëngeschiedenis.
Update. Lees hier het volgende bericht: Boulding in 1965: er is wel degelijk een maatschappij. En dus een collectieve uitdaging en opdracht.

woensdag 4 december 2019

Wat mogen we van ondernemingen verwachten? En over Milton Friedman en Kenneth Boulding

We zitten misschien, en hopelijk, in de nadagen van de neoliberale golf die het politieke en economische denken heeft geteisterd. Onderdeel van die golf was dat zoveel mogelijk zaken in de samenleving door middel van het marktmechanisme zouden moeten worden geregeld. En onderdeel daar weer van was de richtlijn die voor ondernemingen moest gelden dat al het handelen gericht moest zijn op winstmaximalisatie ten behoeve van de aandeelhouders. Zoals bepleit door Milton Friedman in 1970: The Social Responsibility of Business Is to Increase Its Profits.

Het mensbeeld daarachter was dat van de Homo economicus, van de mens als rationeel handelend wezen dat zich laat leiden door zoiets als eigenbelang. Die dus niet "afgeleid wordt" door de natuurlijke neiging tot statuscompetitie en de schadelijke kanten daarvan (bedrog, vijandigheid, hebzucht, discriminatie), noch door de natuurlijke neiging tot gemeenschapsgedrag en de schadelijke kanten daarvan (nepotisme, patronage). Als iedereen zich maar rationeel door het eigenbelang zou laten leiden, dan zou dat wonderbaarlijke marktmechanisme er wel voor zorgen dat alles goed komt.

Dat we in de nadagen van dat denken zitten, blijkt eruit dat er pleidooien verschijnen voor een bredere belangenbehartiging door ondernemingen dan alleen die van de eigen aandeelhouders. Want we beginnen door te krijgen dat het met die weldadige werking van de markt nogal tegenvalt. En dat het beter zou zijn om van ondernemingen te verlangen dat ze met meer belangen rekening houden dan die van hun aandeelhouders. Dus ook met die van hun werknemers, hun leveranciers, hun omwonenden, het milieu en de planeet.

Zo was er in oktober dit opiniestuk in de New York Times: Marc Benioff: We Need a New Capitalism. The current system has led to profound inequality. To fix it, we need businesses and executives to value purpose alongside profit. En er is het rapport Principles for Purposeful Business van de British Academy.

Daar komt nu het pleidooi bij van Ard Jan Biemond, Henri Slob en Harry Commandeur dat deze week in ESB verscheen: De bedrijfseconoom moet mee met de tijdsgeest. Met daarin de gedachte dat het mensbeeld van de Homo economicus zou moeten worden vervangen door dat van de Homo dignus, waarin de intrinsieke waardigheid van de mens voorop staat.

Wat me opviel is dat Biemond, Slob en Commandeur zich onder meer ook baseren op het werk van Kenneth Boulding (1910 - 1993). Dat is niet alleen heel terecht, maar het stemt ook tot nadenken over "hoe het allemaal gekomen is".

Want Boulding bepleitte zo rond 1970, toen Milton Friedman zoveel invloed begon te krijgen, een heel andere visie op de economie en op de onderneming. Ik trok even de twee boekje uit de kast die ik eind jaren 70 kocht: Beyond Economics. Essays on Society, Religion and Ethics (1970) en The Economy of Love and Fear (1973). Die nu inderdaad weer heel actueel zijn, of beter, steeds actueel en belangrijk zijn geweest. Alleen: iedereen die er toe deed, liep achter Friedman aan.

Ik ben begonnen er weer in te lezen en te herlezen. Met dank aan Biemond, Slob en Commandeur. En ik kom er in een of meer volgende berichten op terug.
Update. Zie nu het vervolgbericht: Een persoonlijke ideeëngeschiedenis over sociologie en economie. En over een discussie in 1965 tussen Kenneth Boulding en Milton Friedman

maandag 2 december 2019

Door het volgen van de natuurlijke neiging tot zorgverlening leven mensen langer - nieuwe aanwijzingen

Naast de menselijke neiging tot statuscompetitie is er ook de daaraan tegengestelde natuurlijke neiging tot zorgverlening, tot pro-sociaal gedrag. Die laatste neiging lijkt zich te hebben ontwikkeld als een uitbreiding van de zoogdierlijke zorg voor het eigen nageslacht tot ook niet-verwanten. Zie Draait alles om vertrouwdheid?

Dat het om een natuurlijke neiging tot zorgverlening gaat, wil niet zeggen dat hij onvoorwaardelijk is. Mensen zijn immers ook toegerust met die evenzeer natuurlijke neiging tot statuscompetitie. En de combinatie van die twee houdt in dat er daaraan gekoppeld een vermogen is om te bepalen wanneer zorgverlening gepast is, namelijk in een veilige omgeving waarin dus ook anderen bereid zijn tot het verlenen van zorg, en wanneer statuscompetitie noodzakelijk is, namelijk in een onveilige omgeving waarin dus ook anderen tot statuscompetitie geneigd zijn.

In het eerste geval hebben we te maken met de toestand van het gemeenschapsevenwicht en in het tweede geval met de toestand van het statuscompetitie-evenwicht. En we zagen de aanwijzingen die doen vermoeden dat het gemeenschapsevenwicht een hoger welzijn verschaft dan het statuscompetitie-evenwicht. Zie Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 3.

Een en ander suggereert dat als mensen zorg verlenen dat dat positieve uitwerkingen heeft op welzijn en zelfs gezondheid. In lijn met het inzicht dat het gunstig is om natuurlijk gedrag te kunnen uitvoeren. Waarbij dus de veronderstelling is dat mensen die zorg vooral of zelfs alleen verlenen als de sociale omgeving daarvoor geschikt is.

En inderdaad is er het vele onderzoek waaruit blijkt dat het verlenen van zorg, het helpen van anderen, positieve gezondheidseffecten heeft. Zie Zijn mensen van nature zorgverleners? Waarom voor een ander zorgen goed voor je isNaast het ontvangen van steun is het geven van steun goed voor je en Geld schenken verlaagt hoge bloeddruk.

Er is nu de nieuwe studie Caregiving within and beyond the family is associated with lower mortality for the caregiver: A prospective study die met de data van de Berlin Aging Study laat zien dat de mortaliteit onder grootouders die voor hun kleinkinderen zorgden, onder ouders die voor hun volwassen kinderen zorgden en onder kinderloze ouderen die voor anderen in hun netwerk zorgden, lager was dan onder niet-zorgverlenende ouderen.

Anders gezegd, degenen die zorg verleenden leefden langer dan degenen die dat niet deden. Er werd gecontroleerd voor een serie relevante variabelen, zoals de gezondheidstoestand bij de aanvang van het onderzoek, leeftijd, geslacht, inkomen, aantal (klein-)kinderen en de afstand tot de woonplaats van de (klein-)kinderen.

Het verschil kan er dus ook mee te maken hebben gehad dat degenen die zorg verleenden meer een sociale omgeving om zich heen hadden met anderen die zorg verleenden.

zondag 1 december 2019

Zondagochtendmuziek - VOCES8: Magnificat Primi Toni - Giovanni Pierluigi da Palestrina

Twee eeuwen eerder dan Von Biber in München was er in Rome Giovanni Pierluigi da Palestrina (ca. 1525 - 1594). Hoewel zijn kerkelijke muziek tijdens zijn leven ook al in Europa bekendheid genoot, kwam zijn muziek vooral in de negentiende eeuw weer in de belangstelling.

Dit is maar een kort fragment, het Magnificat Primi Toni, uitgevoerd door VOCES8. Het blijft intrigeren dat muziek van vele eeuwen geleden, die integraal onderdeel was van een samenleving waarvan we ons nauwelijks nog kunnen voorstellen hoe het geweest moet zijn om er in op te groeien, ons nog steeds zo kan raken. En die dus nog veel wordt uitgevoerd.

Als je op YouTube blijft luisteren, dan ga je naadloos over naar uitvoeringen door hetzelfde koor van meer eigentijdse muziek. Eeuwen zijn te overbruggen.

VOCES8 toert de hele wereld rond en is tot eind volgend jaar volgeboekt. Maar geen optredens in Nederland.

woensdag 27 november 2019

Wat sociale werkplaatsen en kinderbijslag met elkaar te maken hebben - En over sociale ordes

De Participatiewet was een product van het kabinet Rutte II, het kabinet Rutte - Asscher (eigenlijk Rutte - Samsom). Nu, vijf jaar later, is er de eindevaluatie van de wet door het Sociaal en Cultureel Planbureau.  Ik citeer uit de samenvatting daarvan:
De wet heeft tot doel om zo veel mogelijk mensen – ook degenen met weinig arbeidsvermogen – aan het werk te helpen, bij voorkeur bij een gewone werkgever. Daarnaast is het doel van de wet om de afhankelijkheid van uitkeringen zo klein mogelijk te maken. Hierbij ligt de nadruk op het activeren van mensen. Dat betekent dat er vooral wordt gekeken naar wat iemand wél kan, hoe die kwaliteiten op een werkplek benut kunnen worden en hoe iemand gestimuleerd kan worden om aan de slag te gaan.
Daarmee is die Participatiewet onderdeel van de verschuiving van het naoorlogse sociaaleconomische beleid gericht op volledige werkgelegenheid en verzorgingsstaat naar het neoliberale beleid van het geloof in de markt en de kleine overheid. Zie het bericht De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie.

Volgens die neoliberale ideologie ligt het aan de mensen zelf als ze geen werk kunnen vinden. Geen werk hebben betekent dat je je eisen die je aan een baan stelt nog niet voldoende naar beneden hebt bijgesteld. Of dat je nog niet genoeg de vaardigheden hebt ontwikkeld om werk te vinden en om werknemer te zijn. Daarom is het nodig dat je "begeleid" en "geactiveerd" en "gestimuleerd" wordt.

En als je daar maar genoeg aan meewerkt, dan is er vast wel een baan voor jou te vinden. Zo nodig met een loonkostensubsidie voor je toekomstige werkgever. Of als dat ook niet lukt, biedt de gemeente je een beschutte werkplek aan. Hoe en in welke mate dat gebeurt, dat beslist de gemeente. Dat staat in die Participatiewet.

De teneur van die Eindevaluatie is dat die wet is mislukt. Volgens het SCP zijn de doelstellingen van de wet niet gehaald.

Daar is misschien discussie over mogelijk, zoals Pierre Koning in ESB betoogt. Maar over de mislukking van een onderdeel van die wet lijkt een consensus te groeien. Het gaat dan om het sluiten van de sociale werkplaatsen, als onderdeel van de wet, dat wil zeggen om het besluit te stoppen met het aanbieden van plaatsen in de sociale werkvoorziening. Die overheidstaak van het aanbieden van werk aan diegenen die de vaardigheden missen voor werk op de reguliere arbeidsmarkt, moest worden afgestoten. U weet wel, de markt moet het werk doen en we willen een kleinere overheid.

Er gaan nu stemmen op om dat besluit terug te draaien. De SP dient daartoe een initiatiefwet in. Ook de PvdA is nu voorstander van de herinvoering van de sociale werkplaatsen, evenals het wetenschappelijk bureau van het CDA.

Het gaat hier niet alleen om politiek, maar ook om het belangrijke sociaalwetenschappelijk thema hoe je het beste de nodige taken verdeelt over de bestaande sociale ordes, dus over Overheid, Markt, Organisaties en Primaire Sociale Orde

De arbeidsmarkt is in de mensheidsgeschiedenis een zo nieuw verschijnsel dat het bepaald niet gegarandeerd is dat iedereen daar werk kan vinden om in zijn levensonderhoud te voorzien. En hoe meer die markt echt "werkt", dus hoe meer concurrentie, hoe minder werkgevers de ruimte hebben en hoe minder gemotiveerd ze zijn om mensen een baan aan te bieden die niet productief genoeg zijn.

De concurrentie biedt werkgevers geen ruimte om hun gemeenschapsintuïties te volgen, zoals ze dat in de Primaire sociale orde van de persoonlijke relaties graag gedaan zouden hebben. Concurrentie verdringt pro-sociaal gedrag. Een bedrijf dat niet genoeg de arbeidskosten tergudringt, redt het op den duur niet.

Anders gezegd, van de sociale orde van de markt moeten we geen zaken verwachten die die orde niet te bieden heeft. Die markt is er juist vanwege de voordelen van de concurrentie. Die uiteraard gereguleerd moet worden.

Maar als je die zo probeert te reguleren dat werkgevers er wel voor zullen zorgen dat ook de zwakkeren werk vinden, dat blijkt dus niet goed te werken. Ook niet met loonkostensubsidies en met gemeenten die moeten proberen om beschutte werkplekken te vinden.

Dus was het bij nader inzien toch eigenlijk wel een goed idee om als overheid te zorgen voor sociale werkvoorziening, voor sociale werkplaatsen. Die er helemaal op zijn ingericht om werk en een werkomgeving aan te bieden aan mensen met te weinig vaardigheden voor de reguliere arbeidsmarkt.

Want eigenlijk waren die sociale werkplaatsen een groot succes. Totdat ze, als uitvloeisel van diezelfde neoliberale verschuiving meer moesten gaan concurreren. Ze moesten hun eigen inkomsten vergroten. Zodat ze voor de overheid goedkoper werden. De overheid moest kleiner en dus moesten de sociale werkplaatsen meer met private middelen gefinancierd worden.

Met als gevolg dat de werkplaatsen hun beste werknemers, die misschien anders regulier werk hadden kunnen vinden, probeerden te behouden. Vandaar dat de lonen in de sociale werkvoorziening gingen toenemen. Waardoor de sociale werkplaatsen nog duurder werden. En er wachtlijsten ontstonden en groeiden. Want de werkplaatsen begonnen in te zien dat het "bedrijfseconomisch" gezien niet verstandig was om datgene te doen waarvoor ze bedoeld waren: werk bieden aan de zwaksten op de arbeidsmarkt. Zie het bericht Een publieke taak moet je met publiek geld financieren - Over de publieke omroep en over de sociale werkvoorziening.

Dat neoliberale denken zorgde er dus eerst voor dat de werkplaatsen niet meer konden doen waarvoor ze op de wereld waren, waarna ze wegens "slecht functioneren" maar beter konden worden afgeschaft.

Datzelfde thema van de goede verdeling van taken over de sociale ordes speelde langer geleden met de kinderbijslag. Want aanvankelijk heersten nog ideeën over het "rechtvaardige loon", die inhielden dat wat marktrelaties betreft niet teveel mocht worden afgeweken van de persoonlijke relaties van de Primaire sociale orde. Daarin word je geacht om zorg te hebben voor elkaar en dat houdt ook in dat je met elkaars noden en behoeften rekening houdt.

Zoals met verschillen in behoeftes tussen werknemers. De een heeft kinderen te onderhouden en de ander niet. Dan heeft toch degene met (meer) kinderen meer nodig en hoort hij dus meer te verdienen dan degene zonder of met minder kinderen? Zo doen we dat toch als we rekening met elkaar houden?

Maar we kwamen al gauw tot het inzicht dat de arbeidsmarkt zo niet kan werken. Want concurrentie.

En als de markt het niet kan, dan moet dus de sociale orde van de Overheid inspringen. Zo kwam er de door de overheid gefinancierde kinderbijslag. Zie Kinderbijslag en de arbeidsovereenkomst.

Het goed toedelen van taken aan sociale ordes, dat is nu eenmaal een niet te vermijden collectieve uitdaging van de maatschappij waarin we terecht zijn gekomen.

dinsdag 26 november 2019

Door toename van statuscompetitie, en dus van statusangst, worden mensen ziek en stemmen ze rechtser

Hoe te verklaren dat sinds eind jaren negentig de mortaliteit onder witte Amerikanen, dus het aantal sterfgevallen per jaar per 1000 personen, zo opvallend is toegenomen? Terwijl er onder de zwarte en de Latino-bevolking juist een afname was. Zie de ontwikkelingen in het plaatje hieronder.


Het is ontleend aan de pas verschenen studie Growing sense of social status threat and concomitant deaths of despair among whites. Op die opvallende mortaliteitstoename onder alleen de witte Amerikaanse bevolking werd eerder gewezen door Ann Case en Angus Deaton (2015).

De onderzoekers van deze nieuwe studie wijzen er op dat die toename geldt voor de witte bevolking van tussen de 25 en 54 jaar en niet beperkt is tot de laagopgeleiden, hoewel hij voor die groep wel het sterkst is.

Waaraan kan die opvallende ontwikkeling worden toegeschreven? Wat is er met die witte Amerikanen in die leeftijdsgroep aan de hand?

Case en Deaton wezen er al op dat die toegenomen mortaliteit samen lijkt te hangen met een toename van middelengebruik (alcohol, pijnstillers), van suïcides en van chronische stress (allostatische belasting). Wat hen er toe bracht om te spreken van deaths of despair.

Komt die ontwikkeling dan voort uit een verslechtering van de economische omstandigheden? Dat is onwaarschijnlijk, omdat ook de zwarte en de Latino-bevolking diezelfde of zelfs nog sterkere verslechtering ondergingen.

Dat brengt de onderzoekers er toe om na te gaan of er misschien speciaal onder de witte Amerikanen een toename van statusangst is geweest. Van de perceptie dat ze werden ingehaald door de zwarte bevolking en dat ze daardoor in hun subjectieve status werden bedreigd. En er blijken inderdaad allerlei aanwijzingen te zijn voor die toename van statusangst. Terwijl er tegelijkertijd van dat inhaalproces door de zwarte bevolking in werkelijkheid in het geheel geen sprake is.

In de analyses die de onderzoekers vervolgens hebben uitgevoerd, gebruiken ze op basis van ander onderzoek een stem op of voorkeur voor de Republikeinse partij (en voor Donald Trump) als indicator voor statusangst, dus voor het zich door de zwarte bevolking bedreigd voelen. Denk in dat verband ook aan het bericht Populisme verklaard door 'economie" of door "cultuur"? Niet of-of, maar en-en.

En uit die analyses blijkt op districtsniveau een samenhang tussen de aanhang van de Republikeinse partij en voor Trump en de morbiditeit. Een toename van een procent in het aandeel stemmen op de Republikeinen gaat gepaard met een toename van 1,49 sterfgevallen per 100.000 van de witte bevolking.

Een toename van statuscompetitie, en dus van statusangst, heeft dus zowel negatieve gezondheidseffecten als negatieve politieke effecten: een toename van rechts-extremistisch populisme.

zondag 24 november 2019

Zondagochtendmuziek - Biber: The Rosary Sonatas (Andrew Manze, Richard Egarr) CD 1

Waar waren we gebleven? Bij Heinrich Ignaz Franz von Biber (1644 - 1704). (Die adelstitel "Biber von Bibern" kreeg hij in 1690, na een wachttijd van 9 jaar, toegekend door keizer Leopold I van het heilige Roomse Rijk.)

Van Von Biber zijn vooral ook de Rozenkrans Sonates bekend geworden. In scordatura, met 16 verschillende stemmingen. Maar dat laatste alleen voor de kenners, waartoe ik niet behoor.

Andrew Manze, viool, en Richard Egarr, orgel en klavecimbel, zetten die sonates op twee CD's. Dit is de eerste daarvan. Ruim een uur muziek, die je over je heen moet laten komen. (Maar ga vandaag, als je kan, vooral ook naar buiten.)

Guido van Oorschot schreef er over:
Tot Bibers gedurfdste ondernemingen behoren de zestien 'sonates over de mysteriën van de rozenkrans'. Het zijn muzikale meditaties, bijbels geïnspireerd, die alleen al opvallen doordat Biber de vier vioolsnaren per sonate verschillend stemt. Resultaat: gonzende en geselende sonoriteiten.

woensdag 20 november 2019

Wat het interview met Willem Schinkel zegt over het vak sociologie

Het interview dat Ewout Klei had met Willem Schinkel, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit, is er een fraaie illustratie van dat het vak sociologie veel zou kunnen winnen aan maatschappelijke belangrijkheid. Zie ‘D66 en GroenLinks verschillen niet fundamenteel van extreemrechts’.

Want Schinkel neemt daar weliswaar allerlei stellingen in, zoals dat we in een gevaarlijke tijd leven en dat politiek links het heeft laten afweten, maar die worden als persoonlijke meningen naar voren gebracht. Je zoekt in het interview vergeefs naar verwijzingen naar sociologisch onderzoek en daarop gebaseerde inzichten, waarmee hij die meningen onderbouwt.

Dat kan aan Willem Schinkel liggen, die misschien te weinig op de hoogte is van het onderzoek en de inzichten die er wel zijn of daar te weinig aandacht aan besteedt. (Maar dat is wel vreemd voor een hoogleraar sociologie.)

Maar het kan er ook aan liggen dat het vak sociologie zich tot nu toe te weinig tot een maatschappelijk belangrijk vak heeft ontwikkeld.

Daaraan en aan de mogelijkheden om dat maatschappelijk belang te vergroten, wijdde ik een reeks berichten op dit blog die begon met het bericht Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft- deel 1. Je kunt de hele reeks gemakkelijk lezen door steeds onderaan elk bericht op de link naar het volgende bericht te klikken.

In die reeks gaat het erover dat het vak sociologie nooit een empirisch onderbouwd theoretisch kader heeft ontwikkeld over wat mensen willen en kunnen, dat richtinggevend kan zijn voor beleidsadvisering. Vandaar dat de opleiding sociologie bovenal een onderzoekersopleiding is, terwijl de meeste afgestudeerden niet in het onderzoek terechtkomen. En nogal hulpeloos zijn als ze zich in het beleid moeten waarmaken. Lees daarover wat Arie Glebbeek en ik daarover schreven: Heeft de sociologie een toekomst? Over de hardnekkige onvolledigheid van de sociologische beroepsopvatting. Uit 2000 al weer, maar nog onverminderd actueel.

Dat gebrek aan een op beleidsadvisering toegesneden theoretisch kader voor het vak sociologie heeft overigens niet verhinderd dat er wel degelijk veel sociaalwetenschappelijk onderzoek is uitgevoerd dat maatschappelijk belangrijke inzichten verschaft. Zoals inzichten in de oorzaken van de opkomst van extreem-rechts populisme, waardoor we inderdaad in een gevaarlijke tijd leven. Denk aan al die berichten op dit blog achter het label bestaansonzekerheid.

dinsdag 19 november 2019

Fundamenteel sociaal zijn betekent ook dat je niet alleen begrijpt wat de ander wil, maar ook wat de ander nodig heeft

De lange periode dat mensen als jager-verzamelaars er voor hun overleving op waren aangewezen om samen te werken en te delen, heeft er voor gezorgd dat wij een heel fundamenteel sociaal groepsdier zijn.

Wat dat zoal betekent, zagen we in het bericht Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? Over interpersonele autonome synchronie.

Zo zorgt de spontane activiteit in het zogenaamde default- (terugval-)netwerk van onze hersenen als we geen prikkels van buiten krijgen, er voor dat we voorbereid zijn (geprimed zijn) op een intentionele houding tegenover anderen. Anders gezegd, de rusttoestand van onze hersenen is die van een sociaal wezen.

En de werking van ons autonome zenuwstelsel, gemeten aan maten als hartslag, hartslagvariabiliteit, ademhaling, huidweerstand en huidtemperatuur, blijkt synchroon te gaan lopen met die van anderen die in onze nabijheid zijn. En naar het lijkt meer met die van vertrouwden dan met (nog) vreemden. Waardoor we in staat zijn tot onderlinge empathie, tot het zich in elkaar kunnen verplaatsen.

Wat dat nog meer inhoudt, wordt duidelijker uit de nieuwe studie Chimpanzees help others with what they want; Children help them with what they need, met Michael Tomasello als mede-auteur.

Het onderzoek vergelijkt het hulpgedrag van driejarige mensenkinderen met dat van chimpansees. Met een ingenieuze opzet, die het mogelijk maakt te onderscheiden tussen helpen als de ander om hulp vraagt en helpen als reactie op wat de ander nodig heeft, ook al vraagt hij om iets anders. In dat laatste geval heeft de helper meer informatie dan de hulp vragende en laat hij zich daardoor leiden. De onderzoekers noemen dat "paternalistisch helpen", dat wil zeggen, helpen met inzicht in waar de ander behoefte aan heeft.

Het blijkt dan dat zowel de kinderen als de chimpansees helpen als de ander daarom vraagt. Maar in die gevallen waarin paternalistisch helpen mogelijk was, gingen kinderen daar wel toe over en de chimpansees niet. Kinderen bleken wel inzicht te hebben in wat de ander echt nodig had en dat dat verschilde van waar hij om vroeg. Chimpansees reageerden daarentegen alleen op de hulpvraag.

Dat is een intrigerend verschil. Dat chimpansees groepsdieren zijn, lijkt te betekenen dat ze bereid zijn de ander bij te staan als die aangeeft die bijstand nodig te hebben.

Dat mensen groepsdieren zijn, lijkt daarenboven te betekenen dat ze bereid zijn om het welzijn van de ander te dienen, ook al gaat dat in tegen waar de ander zelf om vraagt.

En dat laatste is te verwachten als een resultaat van een evolutionair verleden waarin je op onderlinge samenwerking en delen was aangewezen. Waarin jouw welzijn er ook van afhing of het met de anderen wel goed ging.

En dat stelde hogere eisen aan je empathisch vermogen. Om goed te kunnen samenwerken en om goed te kunnen delen, moet je niet alleen kunnen begrijpen wat de ander wil, maar ook wat de ander nodig heeft.

zondag 17 november 2019

Zondagochtendmuziek - Heinrich Ignaz Franz Biber Missa Salisburgensis Václav Luks Collegium 1704

Tijdens het vrijdagse lunchpauzeconcert in TivoliVredenburg speelden studenten Historische Uitvoeringspraktijk van het HKU Utrechts Conservatorium onder meer een gedeelte uit de Sonatae Tam Aris Quam Aulis Servientes van Heinrich Ignaz Franz von Biber (ca. 1644 - 1704). Prachtige muziek, die ik vaag meende te herkennen. En ja, na wat zoeken vond ik de Chandos CD die ik eind jaren negentig gekocht moet hebben met een uitvoering door het met trompetten en altviolen uitgebreide Purcell Quartet.

Maar er is natuurlijk veel meer te genieten van de muziek van Von Biber. Na wat zoeken kwam ik terecht bij deze uitvoering van de Missa Salisburgensis door het Václav Luks Collegium 1704, die plaatsvond in de kathedraal van Salzburg, waar hij ook voor gecomponeerd is. O, wat mooi!

donderdag 14 november 2019

Toegenomen bestaansonzekerheid hangt samen met toename steun voor rechts populisme - Nog meer aanwijzingen

De aanwijzingen dat de toename van bestaansonzekerheid een belangrijke oorzakelijke rol heeft gespeeld in de toename van rechts-extremistisch populisme stapelen zich op. Zie her het vorige bericht daarover: De toegenomen bestaansonzekerheid als oorzaak van toegenomen populisme - Meer aanwijzingen.

Er is nu de studie Economic Insecurity and the Rise of the Right bijgekomen. Een samenvatting ervan is te lezen op het blog van de London School of EconomicsHow economic insecurity encourages political activism and support for the right.

De onderzoekers gebruiken als maat voor bestaansonzekerheid de combinatie van door een individu ervaren afname of toename van financiële middelen en de tijd die sinds die verandering is verstreken. Hoe meer iemand financiële verslechteringen heeft meegemaakt en hoe recenter die hebben plaatsgevonden, hoe groter iemands bestaansonzekerheid.

Met gebruikmaking van data van de British Household Panel Survey en constant houdend voor wel of niet werkloos zijn, inkomen, opleiding, leeftijd en geslacht komen ze dan tot de conclusie dat een grotere bestaansonzekerheid de kans op een stem voor de Conservatieven vergrootte. De Conservatieven zijn zoals bekend rechts, maar je kunt hen sinds het extreme bezuinigingsbeleid dat ze nu al jaren voorstaan en hebben uitgevoerd wel extreemrechts noemen. De kans op een stem voor Labour werd door meer bestaansonzekerheid juist iets geringer.

Dat mag je wel een pervers proces noemen. Door met hun bezuinigen de bestaansonzekerheid van de kiezers te vergroten, hebben de Conservatieven bijgedragen aan hun succes bij verkiezingen. Kiezers kunnen worden verleid om tegen hun eigen belangen in te stemmen.

Ook blijkt dat toegenomen bestaansonzekerheid de steun voor het uittreden uit de Europese Unie (Brexit) vergrootte.

Voor Duitsland en de Verenigde Staten worden overeenkomstige resultaten gevonden: toename van bestaansonzekerheid maakte de kans op het stemmen voor de CSU/CDU en voor Donald Trump groter.

Opmerkelijk in de zin dat kiezers zo overduidelijk kunnen worden verleid tegen hun eigen belangen in te stemmen.

Maar ook opmerkelijk in de zin dat sociaaldemocratische politieke partijen zo kunnen falen in het aanbieden van een alternatieve economische politiek gericht op het bieden van bestaanszekerheid. En in het verdedigen van de verzorgingsstaat.

dinsdag 12 november 2019

Het vermogen tot samenwerking en delen verklaart het uitzonderlijke succes van de mensheid (tot nu toe)

Antropologe Karen L. Kramer geeft een fraai overzicht van de mensheidsgeschiedenis bekeken vanuit de vraag waarom wij zo succesvol zijn geweest in vergelijking met onze naaste verwanten, de andere grote apen: How There Got to Be So Many of Us: The Evolutionary Story of Population Growth and a Life History of Cooperation. Het is een uitgebreid en uitbundig gedocumenteerd betoog, waarvan je op ScienceDaily een korte samenvatting kunt lezen: How Human Population came from our ability to cooperate.

Het gaat om "succes" in de zin van met hoeveel wij nu zijn, dus met succes in overleving en voortplanting. In het artikel afgebeeld met dit plaatje:


Daarin valt natuurlijk meteen de exponentiële groei op in de laatste twee eeuwen. Maar dat succes begon eerder. Want hoewel er in die lange periode bottlenecks zijn geweest. zoals tussen 10.000 en 60.000 jaar geleden, toen we met niet meer dan enkele duizenden waren, is er de laatste 50.000 jaar een gemiddelde groei geweest van ongeveer 0,4 procent per jaar. Gepaard gaande met een verspreiding over vrijwel de gehele aardbol, en dus met een aanpassing aan uiteenlopende omstandigheden.

Rond 1800, dus nog voor die exponentiële versnelling, waren we al met 1 miljard. We weten geloof ik niet hoeveel chimpansees er toen waren, maar wel dat dat er vele malen minder waren.

Hoe is dat succes (tot nu toe!) te verklaren? Waarom wij wel en de chimpansees niet?

Kramer geeft een fraai overzicht van alle aanwijzingen die wijzen in de richting van de verklaring  dat wij leerden om samen te werken en te delen. In het "vinden" en verwerken (koken!) van voedsel en in de intergenerationele samenwerking bij het grootbrengen van kinderen en de zorg voor zwangere vrouwen (cooperative breeding). Waardoor niet alleen meer kinderen overleefden, maar ook de geboorte-intervallen korter konden worden. En er dus per vrouw meer kinderen konden worden geboren. Wat het weer mogelijk maakte dat oudere kinderen meehielpen bij het grootbrengen van de jongere.

En dat overzicht wordt aangevuld met een beschrijving van de resultaten van haar veldonderzoek bij de Maya die leven van de opbrengsten van landbouw op het Yucatan schiereiland (Mexico) en bij de Savanna Pumé, die als jagers-verzamelaars leven op de savannen van westelijk-centraal Venezuela.

Of dat succes in stand zal kunnen blijven, nu we zo ingrijpend geconfronteerd worden met de eindigheid van de aardse hulpbronnen, dat staat natuurlijk nog te bezien. Het moet nog blijken of ons vermogen tot samenwerken ook in staat is om deze uitdaging het hoofd te bieden.

maandag 11 november 2019

Meer over de sociale oorsprong van zelfbewustzijn - bij mensen en bij chimpansees

Laat in ons tweede levensjaar heeft zich bij ons het zelfbewustzijn ontwikkeld. Zie het bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering.

Die overgang van het niet naar het wel "hebben" van zelfbewustzijn wordt door onderzoekers vastgesteld met de spiegeltest. Voorafgaand aan die overgang geef je er geen blijk van dat je jezelf in een spiegel herkent, daarna wel. Als er nog geen zelfbewustzijn is, is er wel het besef van het eigen lichaam, dat we met andere diersoorten gemeen hebben.

Waardoor is het zo dat wij wel zelfbewustzijn ontwikkelen (en met ons enkele andere primaten, zoals chimpansees) en andere diersoorten niet (mogelijke uitzonderingen zijn onder meer olifanten en dolfijnen)?

Een bekend antwoord daarop is de sociale cognitie hypothese, die al in 1982 werd opgeworpen door Gordon Gallup in Self‐awareness and the emergence of mind in primates. Het houdt in dat het vermogen tot zelfbewustzijn een bijproduct is van de evolutie van vaardigheden om in een groep te functioneren. Voor dat functioneren helpt het om je bedoelingen over te kunnen brengen op anderen (communiceren), om je in anderen te kunnen verplaatsen en om te beseffen dat anderen een blik op de wereld kunnen hebben die anders is dan die van jou (Theory of Mind).

Met die hypothese komt overeen dat het zelfbewustzijn zich ontwikkelt in en door sociale interactie met vertrouwde anderen, zoals ik beschreef in dat bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering:
Als wij, volwassenen en oudere kinderen, het kind maar genoeg engageren, wat het trouwens gemakkelijk zelf uitlokt, dan "groeit" dat zelfbewustzijn.
En dat lijkt dus sterk op hoe wij onze eerste taal leren. In dat bericht ging het ook over onderzoek dat het vermoeden van dat sociale karakter van zelfbewustzijn ondersteunt: Social awareness and early self-recognition.

Meer ondersteuning komt er nu van het onderzoek Mirror self-recognition and its relationship to social cognition in chimpanzees, waaruit blijkt dat bij chimpansees het doorstaan van de spiegeltest samenhangt met prestaties op verschillende testen voor sociale cognitie. Chimpansees die zichzelf in de spiegel herkennen zijn sociaal vaardiger dan degenen die dat niet doen, in de zin dat ze begrijpen wat het is om iets aan te wijzen en om aandacht te vragen, dat ze iemands blik volgen, dat ze het doorhebben als ze geïmiteerd worden en dat ze een besef hebben van het unieke gezichtspunt van een ander, dus doorhebben wat een ander vanuit zijn positie wel en niet kan waarnemen (perspective taking).

Dat zelfbewustzijn die sociale oorsprong heeft, en dus al bij chimpansees aanwezig is, doet vermoeden dat verschillen in de wijze van groepsleven tussen chimpansees en mensen iets vertellen over wat zelfbewustzijn in beide gevallen inhoudt. We kunnen er hetzelfde woord voor gebruiken, maar dat chimpansee-bewustzijn en mensen-bewustzijn niet identiek aan elkaar zijn, lijkt waarschijnlijk.

En dat zal ermee samenhangen dat de chimpanseegroep het karakter heeft van een statushiërarchie, terwijl de menselijke egalitaire jagers-verzamelaarsgroep sterk gebaseerd is op samenwerken en delen. Voor dat samenwerken en delen, en dus voor de daarvoor benodigde onderdrukking van de statuscompetitie, lijken veel verder ontwikkelde sociale en communicatieve vaardigheden nodig te zijn dan voor het in standhouden van een statushiërarchie.

Dat zou verklaren waarom mensen wel taal ontwikkelden en chimpansees niet.

Wat ook weer invloed moet hebben gehad op de aard van ons zelfbewustzijn. Want die taal heeft het mogelijk gemaakt dat ons zelfbewustzijn ook inhoudt dat we een innerlijke dialoog kunnen voeren, onszelf kunnen toespreken. Zonder taal zal dat bij een chimpansee niet zo goed lukken, ook al is er zelfbewustzijn.

zondag 10 november 2019

Zondagochtendmuziek - Newman Taylor Baker, Marvin Sewell, Uncle Red

Dinsdagavond trad het Charles Lloyd Quintet op in het Utrechtse TivoliVredenburg. Charles Lloyd (1938 - ) heeft met alle jazzgrootheden gespeeld, maar ik lees net dat hij ook een tijd saxofonist is geweest van de Beach Boys. Waarna hij door Michel Petrucciani weer is teruggehaald naar de jazz.

Maar zijn achtergrond ligt ook in de blues, wereldmuziek en zelfs in de klassieke muziek. Volgens zijn website heeft hij Afrikaanse, Cherokee, Mongoolse en Ierse voorouders.

En hij had dinsdagavond een geweldige gitarist bij zich: Marvin Sewell. Niet eerder van gehoord, maar ook al met een interessante en brede geschiedenis. Dit is van vijf jaar geleden.

donderdag 7 november 2019

Ruime meerderheden vinden dat overheid de ongelijkheid binnen de perken moet houden

Maarten Hermans van de KU Leuven maakte met de data van de European Social Survey de onderstaande grafiek. Je ziet voor de jaren 2002, 2008, 2014 en 2018 het percentage van de ondervraagden dat het er mee eens of er sterk mee eens is dat de overheid beleid moet voeren tegen te grote inkomensongelijkheid.

Je ziet voor de landen Nederland, Groot Brittannië, Noorwegen, België, Duitsland, Frankrijk en Italië een duidelijke toename van die percentages. Dat is gemakkelijk te verklaren uit de toename van inkomensongelijkheid in veel landen en de daarmee gepaard gaande toename van berichten in de media daarover. (Lees hieronder door.)
Maar wat je ook ziet is dat de percentages over de gehele periode ruim boven de vijftig procent liggen. Het gemiddelde van deze landen zal in 2002 zo ongeveer tegen de 70 procent hebben gelegen en lijkt in 2018 toegenomen te zijn tot tegen de 75 procent.

De verschillen tussen de landen kunnen te maken hebben met de verschillen in ongelijkheid. Volgens die redenering zou de ongelijkheid in Italië aanzienlijk groter zijn dan die in Nederland, wat geloof ik ook zo is.

Maar ze kunnen ook te maken hebben met verschillen in politieke opvattingen. Grotere inkomensgelijkheid brengt een land dichter bij het gemeenschapsevenwicht en vooral de linkse kiezers zullen daarmee instemmen. En zo gezien valt het op dat de drie grote landen Italië, Frankrijk en Duitsland in 2018 het meest links zijn. (Terwijl Duitsland in 2002 het minst linkse land was.)

Maar wat natuurlijk bovenal opvalt is dat  het zulke ruime meerderheden zijn die vinden dat de ongelijkheid niet te groot moet zijn en dat daar een taak voor de overheid ligt. Terwijl in deze periode bij de politici nog de neoliberale fantasiewereld overheerst waarin de markt vooral zijn werk moet doen en de overheid daar zo weinig mogelijk tussen moet komen. Waarin ongelijkheid die daaruit resulteert juist goed is of voor lief moet worden genomen.

Kennelijk zijn de kiezers linkser dan de politici en hebben ze meer inzicht in de negatieve effecten van te grote ongelijkheid.

zondag 3 november 2019

Zondagochtendmuziek - Orlande de Lassus: Psalmi Davidis Pœnitentiales (Herreweghe, Collegium V...

Orlandi di Lasso (1532 - 1594) werd geboren in Bergen in Henegouwen en bracht na omzwervingen (Sicilië, Milaan, Napels, Parijs, Rome, Antwerpen) het grootste deel van zijn leven door in München.

Hij werd door tijdgenoten als de allergrootste beschouwd, als de Vorst der Muziek. Hij was uitzonderlijk productief en leed misschien daardoor aan het eind van zijn leven aan "melancholie", aan wat wij nu burnout zouden noemen.

Alleen de specialist zal al zijn composities kennen. Mijn ervaring is dat je zijn muziek echt tot je moet laten doordringen en dat het daarbij niet helpt om naar de uitvoerenden te kijken. Gewoon luisteren, meer niet.

Zoals naar deze uitvoering van de Psalmi Davidis Pœnitentiales door Collegium Vocale Gent onder leiding van Philip Herreweghe.

De afbeelding is ontleend aan het schilderij The repentent David chooses between the three proposed punishments: an avenging angel brings three days of plague, ca, 1635 - 1640 geschilderd door Pieter de Grebber en aanwezig in het Utrechtse Catharijneconvent.

vrijdag 1 november 2019

Over het besef van het onderscheid tussen persoon en positie, en dus van de democratie

We leven in een maatschappij waarin we niet alleen als personen met elkaar omgaan, maar ook als bekleders van posities of functies. Een positie is een bundel van omschreven rechten en plichten, die door verschillende personen kan worden ingenomen.

Posities bestaan in een onderneming en een vereniging (in formele organisaties), maar ook in een democratie. Een volksvertegenwoordiger is een persoon, maar hij of zij kan worden weggestemd en dan bekleedt iemand anders die positie. Hetzelfde geldt voor een president.

Het is goed om daar even bij stil te staan, want we maken mee dat de democratie in veel landen in gevaar is. En dat gevaar bestaat eruit dat iemand, bijvoorbeeld Donald Trump, in een positie, die van president, is gekozen, maar zich vervolgens weinig aantrekt van de omschreven rechten en plichten die daarmee zijn verbonden. Hij ziet zichzelf als persoon, in een netwerk van persoonlijk loyaliteiten in plaats van als een tijdelijke bekleder van een positie.

Vandaar dat hij er ook op zinspeelt dat hij "alles kan doen wat hij wil" en dat hij "kan aanblijven zolang als hij wil".

De overeenkomst met voorgangers die in hun land de democratie om zeep hielpen, zoals die met Adolf Hitler, is frappant. In beide gevallen gaat het om een poging om het institutionele stelsel van de democratische staatsvorm om te zetten in een persoonlijke statushiërarchie. Hitler slaagde daarin, met gruwelijke gevolgen. Trump slaagt daarin hopelijk niet.

Ik stond eerder stil bij die sociale uitvinding van het onderscheid tussen persoon en positie in het bericht Is ons koningschap een functie? En zijn we eigenlijk al een republiek? Met een verwijzing naar het hoofdstuk 20 van James Colemans Foundations of Social Theory, waarin hij zo fraai de geschiedenis van de ontwikkeling van die sociale uitvinding beschrijft.

Maar waarin hij ook betoogt dat de sociale wetenschappen, in zijn geval de sociologie, zich in hun theorievorming rekenschap behoren te geven van die sociale uitvinding. Maatschappijen veranderen mede door zulke uitvindingen en dat kan niet zonder gevolgen blijven voor de theorie. Een en ander houdt een kritiek in op de roltheorie, die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in de sociologie populair was, omdat die theorie tekort schoot in het onderscheid tussen persoon en positie.

Naast de vraag of wetenschappers zich wel genoeg rekenschap geven van dat onderscheid, kun je je ook afvragen of het in de maatschappij zelf wel voldoende is doorgedrongen. Zo lijkt het er sterk op dat Donald Trump en zijn aanhangers het onderscheid niet begrijpen. De narcist Trump ziet zichzelf als aan het hoofd staand van een statushiërarchie, met een schare van bewonderaars en volgelingen.

En zo kun je je ook afvragen wanneer en hoe opgroeiende kinderen leren om onderscheid te maken tussen het optreden als een persoon en het optreden als een bekleder van een positie. Want kinderen hebben wel een aangeboren neiging om spontaan een persoonlijke relatie aan te gaan met vertrouwde anderen. Maar net zoals je moet leren schrijven, moet je ook leren dat mensen soms niet als persoon handelen of geacht worden te handelen, maar als bekleders van omschreven posities. Dat leren is onderdeel van de socialisering (inburgering) in de huidige maatschappij.

Wanneer kinderen dat doorhebben, is uitgezocht in de nieuwe studie Institutional actors: Children’s emerging beliefs about the causal structure of social roles.

Daaruit komt naar voren dat kinderen gedurende hun zesde tot zevende levensjaar beginnen door te krijgen dat er posities bestaan, waarin mensen behoren te handelen volgens bepaalde omschreven rechten en plichten. Bij vier- tot vijfjarigen is dat besef duidelijk nog niet aanwezig. En bij acht- tot negenjarigen is het robuust doorgedrongen.

Wat dus niet wil zeggen dat het ook bij alle volwassenen altijd aanwezig is. Denk aan Donald Trump en zijn aanhang. En aan al die bedreigingen van de democratie die we nu in veel landen meemaken.

woensdag 30 oktober 2019

Een extreme vorm van het najagen van status, namelijk van het onvermogen om anderen te zien als gelijken

Psychotherapeut Harper West, co-auteur van het boek The Dangerous Case of Donald Trump, waar het over ging in het bericht Het gevaar van Donald Trump - Psychiaters waarschuwen, bespreekt het boek Disordered Minds. How Dangerous Personalities Are Destroying Democracy van Ian Hughes, die ook meewerkte aan dat eerdergenoemde boek.

In de reacties van psychologen, psychiaters en psychotherapeuten op het verschijnsel Donald Trump gaat het natuurlijk eerst en vooral over een bepaald persoonlijkheidstype, dat van de narcistische paranoïde sociopaat. Zeg maar, de extreme narcist.

Maar als het gaat over het gedrag van die extreme narcist in de sfeer van de persoonlijke relaties en in de sfeer van de democratische politiek, dan hebben we het over een sociaalwetenschappelijk thema.

Dat boek van Hughes gaat over Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot en dus over de vreselijke en grootschalige ellende die door narcistische sociopaten kan worden aangericht als ze in een nationale staat aan de macht komen.

Maar hetzelfde gebeurt, natuurlijk op een compleet andere schaal, als een narcist in de sfeer van persoonlijke relaties anderen aan zich weet te binden.

Harper West analyseert de narcist als iemand die de emotie van de schaamte niet kan tolereren en die dat probleem oplost door altijd anderen de schuld te geven. We hebben te maken met Other-Blamers, die
over-react to any threat to their self-worth with fear, leading to excessive worry that others might criticize them. They imagine others are after them (paranoia), and they lash out with blame-shifting attacks, even to the point of sadism, violence and abuse (sociopathic). They can also create a larger-than-life, charismatic persona to dominate others, place themselves above the law, and grab for power (narcissistic). (...)
Other-Blamers insist on being right, and can never accept they are wrong, can never apologize and dismiss those who challenge them in any way.
Sociaalwetenschappelijk gezien gaat het dan om een extreme vorm van het najagen van status, namelijk van het onvermogen om anderen te zien als gelijken. Gelijken zouden jou immers kunnen bekritiseren en dat moet ten koste van alles worden voorkomen. Dus hoor jij, als enige, de macht te hebben, oftewel in een persoonlijke relatie oftewel in een nationale statushiërarchie.

En je bent dus noch in staat om te functioneren in een persoonlijke relatie op basis van gelijkheid noch in een democratie, die immers ook is gebaseerd op gelijke rechten.

Maar daarbovenop ben je niet in staat om buiten jouzelf een werkelijkheid te accepteren die jou zou kunnen tegenspreken. De gedachte daaraan, dat je ongelijk zou moeten bekennen, is onverdraaglijk. Dus zet je altijd de werkelijkheid naar jouw hand. Er kan geen objectieve waarheid meer bestaan.

Vandaar dat, zoals Harper West beschrijft, slachtoffers van narcisten in de sfeer van de persoonlijke relaties, aan zichzelf gaan twijfelen en het gevoel krijgen gek te worden:
New patients of mine often report feeling “crazy” in their relationships, a sure sign that I am dealing with the victim of Other-Blamer abuse.
En vandaar dat je een gevoel van gekte kan bekruipen als je volgt hoe de extreme narcist Donald Trump in zijn rol als president van de Verenigde Staten omgaat met de werkelijkheid. En hoe zijn volgelingen daarin meegaan.

Maar uiteindelijk is er natuurlijk wel die werkelijkheid. Waar ook de machtigste narcistische dictator of dictator-in-spe ooit tegenaan loopt.

Dat kan eindigen in een massale destructie, zoals in het geval van Hitler, die vond dat het hele Duitse volk samen met hem moest ondergaan. Want als Other-Blamer kon hij niet anders dan dat volk er de schuld van geven dat hij gefaald had. Zijn volk had hem verraden.

De herinnering daaraan maakt het, zacht gezegd, spannend hoe Donald Trump zal reageren als het een keer zover is dat hij de werkelijkheid niet langer naar zijn hand kan zetten.

zondag 27 oktober 2019

Zondagochtendmuziek - Daniël Lohues - Hier kom ik weg @Folk an de Gruppe 2019

Dinsdagavond waren we bij een feestje in de uitverkochte Hertz-zaal in het Utrechtse TivoliVredenburg: de Drentse troubadour Daniël Lohues trad op met Holland Baroque. Muziek van  Bach, Telemann, Händel en Lohues. Een feestje om nog lang van na te genieten.

Daniël Lohues is een verteller en heeft ook iets te vertellen.

Ook als hij optreedt met zijn eigen band. Zoals hier, nog maar kort geleden, in Nieuw-Schoonebeek. Hier kom ik weg.

vrijdag 25 oktober 2019

Sociaalwetenschappelijk onderzoekers zouden meer oog moeten hebben voor de collectieve uitdaging - neem nu het onderzoek naar schoolklassen

Verreweg de meeste kinderen en adolescenten brengen een groot deel van hun tijd door in de kunstmatige sociale omgeving van leeftijdsgenoten. Dat komt doordat we ooit een keer hebben bedacht dat onderwijs het beste kan worden gegeven door kinderen van dezelfde leeftijd bij elkaar in de klas te zetten.

We weten dat die leeftijdshomogene omgeving niet alleen kunstmatig is, maar ook negatieve effecten heeft. Zo ontstaat er in die omgeving gemakkelijk een strijd om status, die gepaard gaat met pesten en gepest worden. En we weten dat die statuscompetitie en dat pesten op scholen waar minder kunstmatig, en dus leeftijdsgemengd, gegroepeerd wordt, de helft minder voorkomt.

Er is veel onderzoek naar wat zich afspeelt in die leeftijdshomogene groepen. Maar het lijkt alsof onderzoekers niet beseffen hoe kunstmatig die sociale omgeving is. En dat ook een gunstiger, en dus leeftijdsgemengde, groepering mogelijk is.

Zo is er nu de nieuwe studie A Test of the Bistrategic Control Hypothesis of Adolescent Popularity, waarin het erom gaat welke kinderen in een klas het meest populair gevonden worden. Het blijkt dan dat er drie groepen populaire leerlingen kunnen worden onderscheiden:

  • het meest populair is de groep bi-strategische leerlingen, die populair zijn door een combinatie van pro-sociaal gedrag (hulpbereidheid) en dominerend/agressief gedrag. In dit onderzoek behoort 12 procent tot deze groep.
  • minder populair zijn de leerlingen die hun populariteit ontlenen aan hun pro-sociale gedrag. Die groep beslaat 20 procent van de leerlingen, met een oververtegenwoordiging van meisjes.
  • nog minder populair, maar dus wel populairder dan de rest, zijn de leerlingen die populair zijn door hun agressieve gedrag. Dit gaat om een groep van 5 procent.
Het is een voorbeeld van onderzoek waarin die leeftijdsheterogene groepering als gegeven wordt aangenomen en waarin vaak minutieus wordt beschreven en geanalyseerd wat zich in die groepen afspeelt. Waarin het ook als een gegeven wordt beschouwd dat er zich een strijd om populariteit afspeelt, waarin sommigen er beter afkomen dan anderen. En waarin wordt geconcludeerd dat sommigen zich beter aanpassen en meer succesvol zijn dan anderen.

En daarmee is het ook een voorbeeld van sociaalwetenschappelijk onderzoek dat zich toelegt op de individuele uitdaging van het zich moeten aanpassen aan een sociale omgeving waarin statuscompetitie bestaat. Denk aan het vorige bericht In het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar statuscompetitie is er weinig oog voor "de collectieve uitdaging".

Terwijl er daarnaast natuurlijk ook levensgroot die collectieve uitdaging is, de uitdaging van het creëren van een sociale omgeving die beter is afgestemd op wat mensen willen en kunnen. Een omgeving waarin kinderen beter gedijen omdat er minder kans is op die competitie om populariteit. En waarin dus de helft minder pesten zou voorkomen. Waarin alle leerlingen beter af zouden zijn.

En waarin misschien wel 100 procent zich pro-sociaal gedraagt. Denk aan dat gemeenschapsevenwicht.

Het zou toch mooi zijn als sociaalwetenschappelijk onderzoekers meer oog zouden hebben voor het belang van die collectieve uitdaging.

dinsdag 22 oktober 2019

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar statuscompetitie is er weinig oog voor "de collectieve uitdaging"

De grote uitdaging van het opgroeien en leven in onze huidige maatschappij is dat we geconfronteerd worden met zowel gemeenschapsgedrag als het daaraan tegengestelde statuscompetitiegedrag. Gezien tegen de achtergrond van de gehele mensheidsgeschiedenis is dat een uitzonderlijke toestand.

Want gedurende verreweg het grootste deel van die geschiedenis leefden we in de Paleo Sociale Omgeving, dus in kleine groepen van vertrouwde anderen waarin de statuscompetitie succesvol werd onderdrukt. Hoewel hij altijd als potentie op de achtergrond aanwezig was, kon je ervan uitgaan dat het gemeenschapsgedrag in het dagelijks leven zou overheersen.

Die uitdaging die onze huidige maatschappij ons stelt is enerzijds individueel en anderzijds collectief.

Individueel gaat het er om om je zo goed mogelijk aan te passen, in de zin dat je dient te bepalen wanneer het ene dan wel het andere gedrag het meest aangewezen is en voor jouzelf het meeste "oplevert". De ene keer is de ander zo vertrouwd dat je empathisch en genereus kunt zijn. Maar de andere keer heb je met iemand te maken waarbij je op je hoede moet zijn en in een statusconflict verwikkeld kunt raken. Of waarbij je voldoende "respect" behoort te betuigen of andersom je je zo moet gedragen dat de ander dat doet.

Maar er is ook de collectieve uitdaging die er uit voortkomt dat we allemaal beter af zouden zijn als we de statuscompetitie beter zouden kunnen onderdrukken. Want we kennen de vele aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar welzijn te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Als je vanuit die achtergrond het sociaalwetenschappelijk onderzoek probeert te overzien, dan valt je op dat er voor die collectieve uitdaging maar weinig oog is. In het onderzoek naar statuscompetitiegedrag en statushiërarchie wordt er voetstoots vanuit gegaan dat die fenomenen nu eenmaal tot het sociale en maatschappelijk leven behoren en dat je daar neutraal en "waardevrij" naar behoort te kijken.

Misschien de fraaiste uiting van die houding is het boek Friend & Foe. When To cooperate, When To Compete, And How To Succeed At Both van Adam Galinsky en Maurice Schweitzer. Een soort zelfhulpboek voor het aangaan van die individuele uitdaging. En zonder enig blijk te geven van het bestaan van die collectieve uitdaging. De maatschappij is nu eenmaal zoals hij is en het enige wat rest is je zo goed mogelijk aan te passen. Met als alles overkoepelende eis dat je moet "slagen", dat je "succesvol" moet zijn, als onontkoombaar uitvloeisel van die rol van de statuscompetitie.

Maar meer in het algemeen ontbreekt in het onderzoek naar statuscompetitie die invalshoek van de collectieve uitdaging. Van hoe de maatschappij beter tegemoet zou komen aan wat mensen kunnen en willen als we meer oog zouden hebben voor de negatieve effecten van statuscompetitie en statushiërarchie en voor de mogelijkheden om het gemeenschapsevenwicht dichterbij te brengen. Zie de reeks berichten op dit blog over hoe de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak zou kunnen worden, te beginnen met Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft- deel 1 (volg de links naar de volgende delen).

Een recent overzicht van onderzoek-zonder-die-collectieve-uitdaging is de studie A Trajectories Based Perspective on Status Dynamics. Die eigenlijk de aanleiding vormde om dit bericht te schrijven.

zondag 20 oktober 2019

Zondagochtendmuziek - Beethoven String Quartet No 14 Op 131 in C♯ minor Alban Berg Quartet

In Lyon, waar we vorige week een paar dagen vertoefden, staat in het Musée des Beaux-Arts deze Beethoven-buste van Léopold Renard (1868 - 1945), die het grootste deel van zijn leven in Lyon gewerkt heeft.

Het staat model voor het beeld dat de muziek van Beethoven gemakkelijk oproept, dat van de muziek van een gepijnigde en diepzinnige geest. Waar veel mensen zich in herkennen en herkenden, zeker rond de tijd waarin deze buste werd gemaakt (1922).

En zeker is veel van Beetovens muziek diepzinnig te noemen. Neem nu de late strijkkwartetten. Jan Caeyers schrijft daarover in zijn Beethoven-biografie (p. 598-599):
Dit soort meerduidigheid en veelgelaagdheid is echter typerend voor deze muziek. Vandaar dat musicologen onderling zo van mening verschillen als het over de vorm van Beethovens late strijkkwartetten gaat. Maar doet dat er eigenlijk veel toe? De logica die de muzikale materie beheerst, is immers zó van het niveau van de waarneming weggedrongen naar het subniveau van het onder- en onbewustzijn, dat ze irrelevant geworden is voor elk esthetisch oordeel. Nog meer dan in de late klaviermuziek worden de spelers en luisteraars van Beethovens late strijkkwartetten gedwongen alle notie van muzikale tijd en ruimte - dus van vorm - los te laten en zich willoos over te geven aan de kracht van de pure emotie. Na een proces dat bijna vijftig jaar heeft geduurd, en waarin hij eerst heeft moeten leren zijn fantasie te kanaliseren en vervolgens opnieuw de vrije loop te laten, heeft Beethoven ons op het punt gebracht van dissociatie tussen muzikaal denken en voelen, tussen materialiteit en spiritualiteit. Daar houden rationaliseren, spreken en schrijven op.
Hier speelt het Alban Berg Quartet een van die late strijkkwartetten, het kwartet nr. 14 opus 131. Officieel zijn er zeven delen, maar die lopen in elkaar over. Caeyens (p. 595):
Daardoor klinkt dit kwartet als een veertig minuten durende improvisatie, die echter nergens de indruk wekt willekeurig te zijn.
Beethoven zelf moet dit zijn beste strijkkwartet hebben gevonden.

vrijdag 18 oktober 2019

De toegenomen bestaansonzekerheid als oorzaak van toegenomen populisme - Meer aanwijzingen

Er zijn meer aanwijzingen dat de opkomst van het populisme meer verklaard wordt door de toename van (economische) bestaansonzekerheid dan dat hij een gevolg zou zijn van een toename van gevoelens van cultureel bedreigd zijn (door vreemdelingen, buitenlanders, immigranten, moslims).

Dat wil zeggen, meer aanwijzingen dat die toegenomen gevoelens van culturele bedreiging niet op zichzelf staan, maar zelf ook weer hun bron hebben in de toegenomen bestaansonzekerheid. Zie hier het vorige bericht dat op deze kwestie inging: Populisme verklaard door 'economie" of door "cultuur"? Niet of-of, maar en-en.

Het gaat om de studie The cosmopolitan-parochial divide: changing patterns of party and electoral competition in the Netherlands and beyond, waarin Catherine E. de Vries tot de conclusie komt dat het Nederlandse kiezersvolk niet alleen kan worden onderscheiden op een links-rechts dimensie, maar daarnaast ook op een dimensie van kosmopolitisch en parochiaal.

Kosmopolitisch slaat dan op een positievere houding tegenover open grenzen en immigranten en tegenover verdere Europese integratie, terwijl parochiaal slaat op de daaraan tegengestelde standpunten. Dat dit een andere dimensie is dan links - rechts, blijkt eruit dat de linkse SP en de rechts PVV op deze dimensie allebei parochiaal zijn. (Het Forum voor democratie ontbreekt, doordat de gebruikte data niet verder gaan dan tot 2014.)

Maar wie zijn die meer parochiale kiezers? Is dat gevoel van zich bedreigd voelen door invloeden van buitenaf een kwestie van een op zichzelf staande culturele behoudzucht?

Nee, geenszins, want Catherine de Vries kan laten zien dat die parochiale kiezers en degenen met meer parochiale standpunten meer last hadden gehad van de Grote Financiële Crisis, zich uitend in werkloosheid of werkloos geweest zijn en/of in een achteruitgang van het gezinsinkomen. Het is wel degelijk een toename van bestaansonzekerheid die maakt dat mensen meer parochiale, en dus meer populistische, standpunten gaan innemen. Bestaansonzekerheid brengt mensen ertoe om zich van de wereld af te sluiten en om beducht te zijn voor "het vreemde" en "het andere".

Volgens die neoliberale fantasiewereld die vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw om zich heen greep, waren er meer onzekerheden nodig om de economie te laten bloeien. De zekerheden van de verzorgingsstaat waren te ver doorgeslagen. Alles moest "dynamischer' en "flexibeler".

De werkelijke economische, sociale en politieke ontwikkelingen die daarmee in gang werden gezet, vandaag de dag resulterende in populisme, rechts-extremisme en bedreigingen van de democratie, laten zien wat die fantasiewereld zoal heeft voortgebracht.

Zie voor meer achtergrond ook nog eens het bericht Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd?