Wat al voorzichtig begon na de Grote Financiële Crisis van 2008, lijkt nu met de wereldwijde coronacrisis zijn beslag te krijgen: we leren met zijn allen wat geld eigenlijk is, hoe het ontstaat en hoe je het met zijn allen kunt gebruiken. Want het blijkt nu dat een heel verkeerde opvatting over geld gangbaar was. Met grote negatieve gevolgen.
Ondanks dat geld een zo vanzelfsprekend onderdeel is van ons dagelijks leven, is het een geheimzinnig iets waar gemakkelijk misvattingen over ontstaan. Misvattingen die ook in serieuze media de ronde doen.
Ik stond eerder al stil bij de bekende misvatting dat geld ooit ontstaan zou zijn als ruilmiddel om de tekortkomingen van ruilhandel weg te nemen. Bij die ruilhandel kwamen transacties moeilijk tot stand, omdat je als je iets aan te bieden hebt, iemand moet vinden die daar behoefte aan heeft, maar tegelijk ook iets van dezelfde waarde heeft aan te bieden waar jij behoefte aan hebt. Dus werd geld, als ruilmiddel, uitgevonden. Dat past mooi in het neoklassieke economische denken, waarin de markt de bron is van alle welvaart en waarin mensen dat dus al vroeg uitvonden. Geld zou dus "spontaan" en decentraal zijn ontstaan.
Maar dat blijkt dus historisch niet te kloppen. Geld ontstond als krediet en had als functie om het tijdsverloop tussen de aanvang en het einde van een transactie te overbruggen. En die kredietverlening werd centraal georganiseerd, door een "overheid", met een centrale locatie, de tempel, waar goederen werden bezorgd en afgehaald. Die overheid schiep het geld, dat daarna kon worden gebruikt om belastingen te heffen. Zie, uit 2012, Het eerste geld was krediet, niet ruilmiddel. Dirk Bezemer.
Maar wat het betekent dat geld en overheid op die manier met elkaar zijn verbonden, kan gemakkelijk uit het oog worden verloren. Zeker na de neoliberale revolutie van omstreeks 1980 is het gangbaar geworden om te denken dat een overheid eerst belastingen moet heffen voor hij geld kan uitgeven. Lees het mooie overzicht Neoliberalism has tricked us into believing a fairytale about where money comes from van Mary Mellor.
Dat heeft geleid tot het huishoudboekjesdenken, dat inhoudt dat de overheid moet handelen als een huishouden zoals andere huishoudens. Niet meer geld uitgeven dan er binnenkomt. Beducht zijn voor tekorten. In Duitsland resulterend in een in de grondwet vastgelegde eis van begrotingsevenwicht (schwarze Null). Lees nog eens (uit 2017): De overheidsbegroting is nog steeds geen huishoudboekje - Over onkunde in de politiek en de media.
Maar een overheid met een eigen centrale bank (en een muntunie met een goed functionerende centrale bank) beheert geen huishoudboekje, maar een gehele economie. Waarin geld een middel is om die economie goed te laten werken. Om te stimuleren als de economie inzakt, bijvoorbeeld als er teveel gespaard wordt om te hoge schulden af te lossen. Of om af te koelen als hij oververhit raakt.
Dat betekent dat begrotingstekorten of -overschotten een (macro-)economische functie hebben. En precies dat zien we nu met de coronacrisis wel heel duidelijk zich afspelen. Om levens te sparen en om overbelasting van de gezondheidszorg te voorkomen, moeten grote delen van de economie worden stilgelegd. Met grote gevolgen voor inkomens en bestaanszekerheid. En overheden die besluiten, en dat dus ook blijken te kunnen besluiten, om het geld te laten rollen. Gezonde bedrijven moeten worden geholpen om deze periode te kunnen overbruggen. Werknemers moeten worden doorbetaald. Sterk oplopende kosten van de gezondheidszorg moeten worden opgebracht. Wetenschappelijk onderzoek moet gefinancierd worden.
En wat blijkt? Dat kan allemaal. Er gaan geen stemmen op dat nu eerst maar eens belastingen moeten worden verhoogd om al die extra uitgaven te financieren. De euro's hoeven niet eerst te worden verdiend voor ze kunnen worden uitgegeven. De Amerikaanse Fed, de Bank of England en de Europese Centrale Bank zijn zonder blikken of blozen overgegaan op monetaire financiering ("geld drukken").
En op een enkele uitzondering na is iedereen het er over eens dat dit uitgavenfeest niet straks moet worden verstoord door weer te gaan bezuinigen op de overheidsuitgaven. Zelfs Nederlandse politici hebben doorgekregen hoe fout het was om na de Grote Financiële Crisis van 2008 zo gauw mogelijk te gaan bezuinigen (PvdA'ers balen van 'verkeerde keuzes' in Rutte II). En hoe fout het zou zijn om dat straks te herhalen. In Duitsland worden stemmen sterker om begrotingsevenwicht als doelstelling te verlaten:Surfen auf der Schuldenwelle. Wie wird Fiskalpolitik nach Corona aussehen? Die Dogmen von gestern helfen nicht mehr.
En wie weet, komen de regeringsleiders van de eurozone nog eens tot het bevrijdende inzicht dat die begrotingsregels van het Verdrag van Maastricht een neoliberaal gedrocht zijn.
Uiteraard is het ook met het oog op de nauwelijks minder urgente klimaatcrisis van groot belang dat een realistischer visie op de rol van geld en van de overheidsbegroting terrein wint. Net zo als we de coronacrisis met zijn allen moeten aanpakken, zullen we dat ook moeten doen met de klimaatcrisis. En voor wat we met zijn allen kunnen, is het zaak om in te zien dat geld een collectief middel is om rampspoed te vermijden en om een betere en duurzamere maatschappij te creëren.
Over een nieuw sociaalwetenschappelijk zicht op mens en maatschappij. En over de lange weg daarnaartoe.
Posts tonen met het label geld. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geld. Alle posts tonen
donderdag 30 april 2020
zondag 30 november 2014
Eerst was er de staat, toen het geld en de markt. En dat primaat van de overheid is ook nu nog essentieel
Onze huidige economische crisis is niet een noodlot dat ons treft, maar de uitkomst van slecht economisch beleid. Doordat een groot deel van de private sector bezig is schulden af te lossen, is er een probleem van een tekortschietende vraag.
Tekortschietend in de zin van niet tegemoetkomend aan de bestaande productiecapaciteit. Er zijn veel mensen die zouden willen werken of meer uren zouden willen werken. Denk maar even aan het drama van de hoge (jeugd-)werkloosheid in landen als Griekenland, Italië en Spanje. Maar ook in andere Europese landen is er bepaald geen volledige werkgelegenheid. Veel fysiek kapitaal ligt ongebruikt en er wordt niet geïnvesteerd. Hoewel er geld genoeg is. Alleen: niet bij de mensen die het graag zouden uitgeven, maar bij de kapitaalverschaffers die liever veilige staatsobligaties kopen dan dat ze het productief investeren. Logisch, wie wil geld steken in producten die niet zullen worden verkocht?
Die tekortschietende vraag veroorzaakt dus economische stagnatie, deflatie of een te lage inflatie. Maar dat is helemaal niet nodig. In de huidige omstandigheden is stagnatie een beleidskeuze. En een foute keuze. Want waarom zouden we die ongebruikte productiecapaciteit ongebruikt moeten laten? Daarvoor is geen zinnig economisch argument.
Beleid dat de stagnatie doorbreekt, kan globaal worden aangeduid met het trefwoord helikoptergeld. Zie voor een mooie analyse The Simple Analytics of Helicopter Money: Why It Works – Always van Willem Buiter van Citygroup (zoon van Harm Buiter, oud-burgemeester van Groningen, en bekend van zijn slecht afgelopen affaire met Heleen Mees, maar dat geheel terzijde). Je kunt de vraag aanwakkeren, door bij iedereen die bezig is schulden af te lossen geld op de bankrekening over te maken.
De Centrale Bank kan dat geld bijdrukken of de overheid kan het op de kapitaalmarkt lenen, op het ogenblik tegen een rente van bijna nul procent. Maar een variant van helikoptergeld is dat je als overheid dat gedrukte of geleende geld gebruikt voor investeringen in infrastructuur of andere publieke goederen. Als je er maar voor zorgt dat er meer geld onder de mensen komt. Afhankelijk van hoe dringend zulke investeringen zijn, is die variant beter dan gewoon het geld op bankrekeningen overmaken.
Hoe dan ook, omdat ons geld fiat geld is, kan een tekortschietende vraag als gevolg van te weinig geld in omloop (liquiditeit) nooit een reden zijn om stagnatie te laten voortbestaan en passief te gaan zitten wachten op betere tijden. In geen geval zou een obsessie met begrotingsevenwicht, zoals die nu in Europa heerst, in de weg behoren te staan.
Dit alles overdacht ik toen ik bezig was Debt. The First 5,000 Years van David Graeber te herlezen. Zie ook Neo-liberalisme en burgermansmoraal - Notitie n.a.v. David Graeber. Graeber heeft in dat boek met veel succes een vergeten theorie over het ontstaan van geld en van de markt, het Chartalisme, opnieuw onder de aandacht gebracht. Volgens die theorie was de uitvinding van geld niet een spontane oplossing voor het probleem van de inefficiëntie van ruilhandel, maar een middel van staten om economische activiteit te bevorderen en belastingen te heffen. Volgens die theorie was er dus niet eerst een markt in de vorm van ruilhandel en kwam toen het geld. Integendeel, eerst was er de staat (vorstendommen) en toen kwam het geld.
Hoe ging dat in zijn werk en waarom is dat ook nu nog interessant? Graeber maakt aannemelijk dat vorstendommen zich de controle over goud- en zilvermijnen toe-eigenden, om met de munten een probleem op te lossen dat ontstond als ze oorlog wilden of moesten voeren. Want hoe breng je een leger soldaten op de been en hoe voorzie je die van voedsel, kleding, onderdak en materieel? Je kunt ze laten plunderen, maar dat is niet goed voor je relatie met het volk.
Daarom is het beter om je soldaten met die munten te betalen. Daar hebben ze op zich niets aan, behalve als je tegelijk belasting oplegt aan je onderdanen, te betalen met precies die munten. Want dat geeft de hele bevolking een prikkel om die soldaten van alles te voorzien wat ze nodig hebben, uiteraard in ruil voor munten. In de woorden van Graeber (p. 49-50):
Overgeheveld naar het heden: We hebben nu wel een markt, maar een markt die stagneert. En er is een duidelijke parallel: net zo als de vorst toen de markt in het leven riep door geld te verdelen, kunnen we nu de stagnatie opheffen door datzelfde te doen. Door "de economie te stimuleren".
Alleen hoeven we dat nu natuurlijk niet te doen door oorlog te gaan voeren. (Zoals we wel deden toen we de Tweede Wereldoorlog ingingen en daarmee een einde maakten aan de Grote Depressie van de jaren 30 van de vorige eeuw.) Er zijn gelukkig vreedzamere en productievere manieren.
En heel langzaam, veel te langzaam, lijkt dat tot de Europese politici door te dringen. De overheid was lang geleden niet alleen essentieel om het geld en de markt in het leven te roepen, hij is nu ook essentieel om de markt in een recessie aan de praat te houden.
Tekortschietend in de zin van niet tegemoetkomend aan de bestaande productiecapaciteit. Er zijn veel mensen die zouden willen werken of meer uren zouden willen werken. Denk maar even aan het drama van de hoge (jeugd-)werkloosheid in landen als Griekenland, Italië en Spanje. Maar ook in andere Europese landen is er bepaald geen volledige werkgelegenheid. Veel fysiek kapitaal ligt ongebruikt en er wordt niet geïnvesteerd. Hoewel er geld genoeg is. Alleen: niet bij de mensen die het graag zouden uitgeven, maar bij de kapitaalverschaffers die liever veilige staatsobligaties kopen dan dat ze het productief investeren. Logisch, wie wil geld steken in producten die niet zullen worden verkocht?
Die tekortschietende vraag veroorzaakt dus economische stagnatie, deflatie of een te lage inflatie. Maar dat is helemaal niet nodig. In de huidige omstandigheden is stagnatie een beleidskeuze. En een foute keuze. Want waarom zouden we die ongebruikte productiecapaciteit ongebruikt moeten laten? Daarvoor is geen zinnig economisch argument.
Beleid dat de stagnatie doorbreekt, kan globaal worden aangeduid met het trefwoord helikoptergeld. Zie voor een mooie analyse The Simple Analytics of Helicopter Money: Why It Works – Always van Willem Buiter van Citygroup (zoon van Harm Buiter, oud-burgemeester van Groningen, en bekend van zijn slecht afgelopen affaire met Heleen Mees, maar dat geheel terzijde). Je kunt de vraag aanwakkeren, door bij iedereen die bezig is schulden af te lossen geld op de bankrekening over te maken.
De Centrale Bank kan dat geld bijdrukken of de overheid kan het op de kapitaalmarkt lenen, op het ogenblik tegen een rente van bijna nul procent. Maar een variant van helikoptergeld is dat je als overheid dat gedrukte of geleende geld gebruikt voor investeringen in infrastructuur of andere publieke goederen. Als je er maar voor zorgt dat er meer geld onder de mensen komt. Afhankelijk van hoe dringend zulke investeringen zijn, is die variant beter dan gewoon het geld op bankrekeningen overmaken.
Hoe dan ook, omdat ons geld fiat geld is, kan een tekortschietende vraag als gevolg van te weinig geld in omloop (liquiditeit) nooit een reden zijn om stagnatie te laten voortbestaan en passief te gaan zitten wachten op betere tijden. In geen geval zou een obsessie met begrotingsevenwicht, zoals die nu in Europa heerst, in de weg behoren te staan.
Dit alles overdacht ik toen ik bezig was Debt. The First 5,000 Years van David Graeber te herlezen. Zie ook Neo-liberalisme en burgermansmoraal - Notitie n.a.v. David Graeber. Graeber heeft in dat boek met veel succes een vergeten theorie over het ontstaan van geld en van de markt, het Chartalisme, opnieuw onder de aandacht gebracht. Volgens die theorie was de uitvinding van geld niet een spontane oplossing voor het probleem van de inefficiëntie van ruilhandel, maar een middel van staten om economische activiteit te bevorderen en belastingen te heffen. Volgens die theorie was er dus niet eerst een markt in de vorm van ruilhandel en kwam toen het geld. Integendeel, eerst was er de staat (vorstendommen) en toen kwam het geld.
Hoe ging dat in zijn werk en waarom is dat ook nu nog interessant? Graeber maakt aannemelijk dat vorstendommen zich de controle over goud- en zilvermijnen toe-eigenden, om met de munten een probleem op te lossen dat ontstond als ze oorlog wilden of moesten voeren. Want hoe breng je een leger soldaten op de been en hoe voorzie je die van voedsel, kleding, onderdak en materieel? Je kunt ze laten plunderen, maar dat is niet goed voor je relatie met het volk.
Daarom is het beter om je soldaten met die munten te betalen. Daar hebben ze op zich niets aan, behalve als je tegelijk belasting oplegt aan je onderdanen, te betalen met precies die munten. Want dat geeft de hele bevolking een prikkel om die soldaten van alles te voorzien wat ze nodig hebben, uiteraard in ruil voor munten. In de woorden van Graeber (p. 49-50):
if one simply hands out coins to the soldiers and then demands that every family in the kingdom was obliged to pay one of those coins back to you, one would, in one blow, turn one's entire national economy into a vast machine for the provisioning of soldiers, since now every family, in order to get their hands on the coins, must find some way to contribute to the general effort to provide soldiers with things they want. Markets are brought into existence as a side effect.Dit is een wat gestileerd verhaal van hoe het in werkelijkheid zal zijn gegaan. Maar de portee is duidelijk: hoewel er nog geen helikopters waren, was er al wel helikoptergeld. En met de munten die iedereen meer wist te verwerven dan er nodig waren om de belastingen te betalen, ontstond, zonder dat het zo bedoeld was, een markt voor goederen en diensten. Eerst was er het geld, toen kwam de markt. Omdat met dat geld de vraag naar goederen en diensten werd gestimuleerd.
Overgeheveld naar het heden: We hebben nu wel een markt, maar een markt die stagneert. En er is een duidelijke parallel: net zo als de vorst toen de markt in het leven riep door geld te verdelen, kunnen we nu de stagnatie opheffen door datzelfde te doen. Door "de economie te stimuleren".
Alleen hoeven we dat nu natuurlijk niet te doen door oorlog te gaan voeren. (Zoals we wel deden toen we de Tweede Wereldoorlog ingingen en daarmee een einde maakten aan de Grote Depressie van de jaren 30 van de vorige eeuw.) Er zijn gelukkig vreedzamere en productievere manieren.
En heel langzaam, veel te langzaam, lijkt dat tot de Europese politici door te dringen. De overheid was lang geleden niet alleen essentieel om het geld en de markt in het leven te roepen, hij is nu ook essentieel om de markt in een recessie aan de praat te houden.
donderdag 17 oktober 2013
Mensen hebben liever een gestage geringere inkomenstoename dan een per saldo grotere, maar met ups en downs. En over wat dat voor het beleid betekent
Uit grafieken als deze blijkt dat meer geld niet gelukkig maakt:

Terwijl het gemiddelde inkomen (in deze grafiek in de Verenigde Staten) sterk is gestegen, is in dezelfde tijd het percentage mensen dat aangeeft zeer gelukkig te zijn gelijk gebleven. Daar zijn wel mogelijke verklaringen voor, zoals gewenning, waardoor je met meer geld eerst wel wat gelukkiger bent, maar later niet meer, en sociale vergelijking, waardoor je niet gelukkiger wordt als niet alleen jijzelf, maar iedereen meer is gaan verdienen.
Maar er is nu een nieuwe mogelijke verklaring bij gekomen. In de studie Money, Well-Being, and Loss Aversion: Does an Income Loss Have a Greater Effect on Well-Being Than an Equivalent Income Gain (betaalpoort) laten onderzoekers zien dat mensen minder tevreden worden van een inkomenstoename dan dat ze ontevreden worden van een inkomensdaling van dezelfde grootte. Dat vonden ze door in twee grote databestanden, een in Duitsland en een in Engeland, het verband te analyseren tussen veranderingen in het inkomen van mensen van jaar tot jaar en hun tevredenheid, ook van jaar tot jaar. En dan blijkt inderdaad dat wij een afkeer hebben van achteruitgang, loss aversion. Een verschijnsel dat eerder experimenteel is aangetoond door Tversky en Kahneman (pdf).
Zo verbazend is het dus op zichzelf niet. Maar het biedt wel een mogelijke nieuwe verklaring voor dat gegeven dat ons geluk niet toeneemt in een periode waarin het gemiddelde inkomen wel sterk is gestegen. Zoals in de grafiek hierboven. Want een toename van het gemiddelde inkomen door de jaren heen kan tot stand komen doordat er ook wel eens een jaar met een daling is geweest. En ook als het gemiddelde inkomen wel is toegenomen, zijn er ook altijd mensen bij wie het inkomen juist is gedaald, bijvoorbeeld door werkloosheid. En die dalingen blijken dus behoorlijk veel zwaarder uit te werken op de gemiddelde tevredenheid dan de toenames.
En wat volgt daaruit? Dat wij met zijn allen tevredener worden als onze inkomens gestaag en gering toenemen, zonder tussentijdse dalingen, dan wanneer de toename per saldo groter is, maar met ups en downs. Het gaat dus niet om de totale inkomenstoename over een bepaalde periode, maar veel meer om een stabiele toename, dus zonder fluctuaties. Kennelijk speelt hier zoiets als onze subjectief ervaren bestaanszekerheid, die we erg belangrijk vinden. Van een fluctuerend, maar uiteindelijk hoger inkomen, worden we onzeker en daar houden we niet van. Dan maar liever wat minder, maar dan stabiel.
Belangrijk om te weten. Een sterk motief voor politici en beleidsmakers om te streven naar een stabiele welvaartstoename, die niet per se maximaal hoeft te zijn. En een sterk motief voor sociale zekerheid en collectieve sociale voorzieningen. Kortom, voor een anticyclisch (Keynesiaans) macro-economisch beleid gericht op volledige werkgelegenheid, samen met een behoorlijke verzorgingsstaat.
En als de democratie goed werkt, en de voorkeuren van burgers in beleid vertaald worden, dan zouden we die ook moeten hebben.
Terwijl het gemiddelde inkomen (in deze grafiek in de Verenigde Staten) sterk is gestegen, is in dezelfde tijd het percentage mensen dat aangeeft zeer gelukkig te zijn gelijk gebleven. Daar zijn wel mogelijke verklaringen voor, zoals gewenning, waardoor je met meer geld eerst wel wat gelukkiger bent, maar later niet meer, en sociale vergelijking, waardoor je niet gelukkiger wordt als niet alleen jijzelf, maar iedereen meer is gaan verdienen.
Maar er is nu een nieuwe mogelijke verklaring bij gekomen. In de studie Money, Well-Being, and Loss Aversion: Does an Income Loss Have a Greater Effect on Well-Being Than an Equivalent Income Gain (betaalpoort) laten onderzoekers zien dat mensen minder tevreden worden van een inkomenstoename dan dat ze ontevreden worden van een inkomensdaling van dezelfde grootte. Dat vonden ze door in twee grote databestanden, een in Duitsland en een in Engeland, het verband te analyseren tussen veranderingen in het inkomen van mensen van jaar tot jaar en hun tevredenheid, ook van jaar tot jaar. En dan blijkt inderdaad dat wij een afkeer hebben van achteruitgang, loss aversion. Een verschijnsel dat eerder experimenteel is aangetoond door Tversky en Kahneman (pdf).
Zo verbazend is het dus op zichzelf niet. Maar het biedt wel een mogelijke nieuwe verklaring voor dat gegeven dat ons geluk niet toeneemt in een periode waarin het gemiddelde inkomen wel sterk is gestegen. Zoals in de grafiek hierboven. Want een toename van het gemiddelde inkomen door de jaren heen kan tot stand komen doordat er ook wel eens een jaar met een daling is geweest. En ook als het gemiddelde inkomen wel is toegenomen, zijn er ook altijd mensen bij wie het inkomen juist is gedaald, bijvoorbeeld door werkloosheid. En die dalingen blijken dus behoorlijk veel zwaarder uit te werken op de gemiddelde tevredenheid dan de toenames.
En wat volgt daaruit? Dat wij met zijn allen tevredener worden als onze inkomens gestaag en gering toenemen, zonder tussentijdse dalingen, dan wanneer de toename per saldo groter is, maar met ups en downs. Het gaat dus niet om de totale inkomenstoename over een bepaalde periode, maar veel meer om een stabiele toename, dus zonder fluctuaties. Kennelijk speelt hier zoiets als onze subjectief ervaren bestaanszekerheid, die we erg belangrijk vinden. Van een fluctuerend, maar uiteindelijk hoger inkomen, worden we onzeker en daar houden we niet van. Dan maar liever wat minder, maar dan stabiel.
Belangrijk om te weten. Een sterk motief voor politici en beleidsmakers om te streven naar een stabiele welvaartstoename, die niet per se maximaal hoeft te zijn. En een sterk motief voor sociale zekerheid en collectieve sociale voorzieningen. Kortom, voor een anticyclisch (Keynesiaans) macro-economisch beleid gericht op volledige werkgelegenheid, samen met een behoorlijke verzorgingsstaat.
En als de democratie goed werkt, en de voorkeuren van burgers in beleid vertaald worden, dan zouden we die ook moeten hebben.
donderdag 2 mei 2013
Klopt het dat je nooit genoeg geld kunt hebben?
Maakt geld onbegrensd gelukkig? In de zin dat je er nooit genoeg van kunt hebben? Of klopt het bekende inzicht dat geld niet gelukkig maakt? Die vragen komen zo nu en dan weer op naar aanleiding van nieuw onderzoek. Zie eerder Geld maakt niet gelukkig. Of toch wel? Of toch niet?
Nu is er weer een studie van Stevenson en Wolfers (zie link hieronder) die suggereert dat je van geld nooit genoeg kunt hebben en dat het dus wel degelijk zo is dat geld gelukkig maakt en gelukkig blijft maken, hoeveel je er ook al van hebt. Maar ook hier gaat het weer om een grafiek waarin tevredenheid met het leven (verticale as) wordt afgezet tegen het logaritme van het inkomen (horizontale as). Als de curves (per land) dan vrijwel recht lopen, wat inderdaad zo is, dan zegt dat niet dat elke €1000 extra evenveel extra tevredenheid oplevert. Als op de horizontale as gewoon het inkomen zou staan, dan zouden de curves wel degelijk afbuigen. Hoe meer geld je al hebt, hoe minder tevredenheid extra geld je oplevert. Anders gezegd, geld is wat economen een "normaal goed" noemen, dus met afnemend grensnut. (Weer met dank aan Peter van der Meer.)
Waarom dan toch steeds weer die heisa over dat geld toch wel degelijk gelukkig maakt? Omdat de discussie dan meestal gaat over de vraag of er ergens een knik in die curves zit waarbij extra geld helemaal geen extra tevredenheid oplevert. Die knik zou er volgens de Easterlin-paradox moeten zijn. Dat die er niet is, vinden sommigen heel belangrijk. Volgens Peter van der Meer, in een email, omdat ze "hardleers zijn, of dogmatisch of neo-liberaal. Die denken nog steeds dat de rijken nog niet rijk genoeg zijn".
Maar is het bestaan van die knik nou wel zo belangrijk? Belangrijker lijkt mij dat geld steeds minder gelukkig maakt naar mate mensen er meer van hebben. Dat is voldoende om bijvoorbeeld een stelsel van progressieve belastingheffing te rechtvaardigen.
Laten we er voor het overige bij bedenken dat er achter dat verband tussen geld en geluk grote verschillen tussen mensen kunnen bestaan. Een gemiddelde is maar een gemiddelde. Zo weten we bijvoorbeeld dat mensen die minder emotioneel stabiel zijn (neurotischer zijn) voor hun geluk meer afhankelijk zijn van hoeveel geld ze hebben. En wat kunnen mensen zoal doen met dat vele geld? Sommigen hebben het nodig om hun rijkdom te etaleren en zijn dus bezig met de statuscompetitie. Dat maakt niet erg gelukkig, dat wil zeggen, dat ze steeds meer geld nodig hebben om zich iets gelukkiger te voelen. Maar anderen geven juist veel van dat hoge inkomen dat ze hebben weg aan goede doelen en voelen zich daardoor gelukkiger.
Update. Zie nu hoe The Economist dit oppakt: ze laten de grafiek hierboven zien en vatten die als volgt samen:
You Can Never Have Too Much Money, New Research Shows | Brookings Institution:
'via Blog this'
Nu is er weer een studie van Stevenson en Wolfers (zie link hieronder) die suggereert dat je van geld nooit genoeg kunt hebben en dat het dus wel degelijk zo is dat geld gelukkig maakt en gelukkig blijft maken, hoeveel je er ook al van hebt. Maar ook hier gaat het weer om een grafiek waarin tevredenheid met het leven (verticale as) wordt afgezet tegen het logaritme van het inkomen (horizontale as). Als de curves (per land) dan vrijwel recht lopen, wat inderdaad zo is, dan zegt dat niet dat elke €1000 extra evenveel extra tevredenheid oplevert. Als op de horizontale as gewoon het inkomen zou staan, dan zouden de curves wel degelijk afbuigen. Hoe meer geld je al hebt, hoe minder tevredenheid extra geld je oplevert. Anders gezegd, geld is wat economen een "normaal goed" noemen, dus met afnemend grensnut. (Weer met dank aan Peter van der Meer.)
Waarom dan toch steeds weer die heisa over dat geld toch wel degelijk gelukkig maakt? Omdat de discussie dan meestal gaat over de vraag of er ergens een knik in die curves zit waarbij extra geld helemaal geen extra tevredenheid oplevert. Die knik zou er volgens de Easterlin-paradox moeten zijn. Dat die er niet is, vinden sommigen heel belangrijk. Volgens Peter van der Meer, in een email, omdat ze "hardleers zijn, of dogmatisch of neo-liberaal. Die denken nog steeds dat de rijken nog niet rijk genoeg zijn".
Maar is het bestaan van die knik nou wel zo belangrijk? Belangrijker lijkt mij dat geld steeds minder gelukkig maakt naar mate mensen er meer van hebben. Dat is voldoende om bijvoorbeeld een stelsel van progressieve belastingheffing te rechtvaardigen.
Laten we er voor het overige bij bedenken dat er achter dat verband tussen geld en geluk grote verschillen tussen mensen kunnen bestaan. Een gemiddelde is maar een gemiddelde. Zo weten we bijvoorbeeld dat mensen die minder emotioneel stabiel zijn (neurotischer zijn) voor hun geluk meer afhankelijk zijn van hoeveel geld ze hebben. En wat kunnen mensen zoal doen met dat vele geld? Sommigen hebben het nodig om hun rijkdom te etaleren en zijn dus bezig met de statuscompetitie. Dat maakt niet erg gelukkig, dat wil zeggen, dat ze steeds meer geld nodig hebben om zich iets gelukkiger te voelen. Maar anderen geven juist veel van dat hoge inkomen dat ze hebben weg aan goede doelen en voelen zich daardoor gelukkiger.
Update. Zie nu hoe The Economist dit oppakt: ze laten de grafiek hierboven zien en vatten die als volgt samen:
the relationship between income and happiness hardly changes as incomes rise. Moving from rich to richer seems to raise happiness just as much as moving from poor to less poor. One never really grows tired of earning more.Maar het gaat dus niet om de relatie tussen "inkomen" en geluk, maar om de relatie tussen de logaritme van het inkomen en geluk. En de rest klopt dus niet. Eigenaardig.
You Can Never Have Too Much Money, New Research Shows | Brookings Institution:
'via Blog this'
woensdag 27 februari 2013
Door meer geld hebben we meer te kiezen. Daardoor maakt geld niet gelukkig - Chris Dillow
Meer geld maakt niet gelukkig. Dat wil zeggen, een inkomensstijging maakt maar heel weinig gelukkiger. Hoe kan dat? Chris Dillow (van Stumbling and Mumbling) heeft altijd intelligente blogberichten. Vandaag besteedt hij aandacht aan de mogelijkheid dat een stijging van inkomen ook altijd gepaard gaat met een toename van keuzemogelijkheden. Zie de link onderaan.
Dat houdt in dat we bij elke keuze die we maken, nadat ons inkomen is vergroot, meer opties in ogenschouw nemen die we niet hebben gekozen en die we misschien wel ten onrechte niet hebben gekozen. Economisch gezegd, we hebben meer redenen om stil te staan bij de opportuniteitskosten van onze keuze. En dat zou wel eens ons geluksgevoel in de weg kunnen zitten.
Chris noemt vijf bevindingen van het geluksonderzoek die met deze mogelijke verklaring overeen komen. Bijzonder interessant vind ik de laatste (mijn vertaling):
Stumbling and Mumbling: Happiness vs options:
'via Blog this'
Dat houdt in dat we bij elke keuze die we maken, nadat ons inkomen is vergroot, meer opties in ogenschouw nemen die we niet hebben gekozen en die we misschien wel ten onrechte niet hebben gekozen. Economisch gezegd, we hebben meer redenen om stil te staan bij de opportuniteitskosten van onze keuze. En dat zou wel eens ons geluksgevoel in de weg kunnen zitten.
Chris noemt vijf bevindingen van het geluksonderzoek die met deze mogelijke verklaring overeen komen. Bijzonder interessant vind ik de laatste (mijn vertaling):
Geluk komt van "flow" - het jezelf verliezen in een activiteit. Een reden hiervoor is dat als we ons in iets onderdompelen, we het besef kwijtraken van de andere dingen die we zouden kunnen doen, terwijl we als we minder intensief iets doen (bijvoorbeeld televisiekijken) we ons juist heel goed van de opportuniteitskosten bewust zijn.En: de mogelijkheden om flow te ervaren, zijn misschien maar weinig afhankelijk van hoeveel geld je hebt.
Stumbling and Mumbling: Happiness vs options:
'via Blog this'
dinsdag 12 februari 2013
Geld maakt niet gelukkig. Of toch wel? Of toch niet?
Maakt geld toch wel gelukkig? De nieuwe studie Rising Income and the Subjective Well-Being of Nations (pdf) van Ed Diener, Louis Tay en Shigehiro Oishi lijkt daarop te wijzen. Vorig jaar was er ook de studie The New Stylized Facts About Income and Subjective Well-Being (betaalpoort) van Daniel W. Sacks, Betsey Stevenson en Justin Wolfers. Er zijn al reacties uitgelokt, zoals deze van Mathijs Bouman, waarin het "linkse idee" van de economie van het genoeg naar de prullenmand wordt verwezen.
Maar wat zeggen deze nieuwe onderzoeken nu precies? Het lijkt mij om twee vragen te gaan:
Maar wat zeggen deze nieuwe onderzoeken nu precies? Het lijkt mij om twee vragen te gaan:
- Is het zo dat meer geld steeds wat minder geluk/tevredenheid/welbevinden oplevert? Anders gezegd: is geld een "normaal" goed, dus een goed met afnemend marginaal nut?
- Is het welzijnseffect van meer inkomen afhankelijk van wat er met het inkomen van anderen gebeurt? Als iedereen meer gaat verdienen, dan zou het positieve effect van jouw inkomenstoename geringer zijn dan wanneer alleen jouw inkomen zou toenemen. Anders gezegd: het gaat om het relatieve inkomen.
But of course, the logarithmic relationship implies that each percent increase in income raises measured well-being by a similar amount, and hence each extra dollar raises well-being by less than the previous. That is, going from $1000 to $2000 raises satisfaction by twice as much as going from $2000 to $3000 and by the same amount as going from $10,000 to $20,000.En het is nog maar de vraag of deze studies aantonen dat het relatieve inkomen er niet toe doet. Dus dat mensen alleen maar in hun eigen inkomen geïnteresseerd zouden zijn en zich niet zouden vergelijken met anderen. Zo vinden Diener, Tai en Oishi inderdaad dat rijke mensen in een rijk land zich beter af voelen dan iemand die net zo rijk is, maar in een arm land woont. Als het relatieve inkomen er toe zou doen, dan zou die rijke in het arme land zich juist beter moeten voelen, zo redeneren de onderzoekers. Maar ze geven zelf als mogelijke verklaring dat die rijke persoon in dat rijke land profiteert van de welvaart in dat land, waardoor er goede wegen zijn, goede scholen, goede ziekenhuizen etc. Allemaal zaken die in de meeste arme landen ontbreken. Dat betekent dat het mogelijke effect van relatief inkomen in de analyses niet geïsoleerd is. Of in de woorden van Peter van der Meer:
Het effect van relatief inkomen wordt niet getoetst. Er wordt alleen gesuggereerd dat relatief inkomen er niet toe doet. Probleem bij het toetsen van relatief inkomen is het creëren van vergelijkingsgroepen. Daar waar dat gedaan is, is het effect van relatief inkomen altijd veel sterker dan dat van absoluut inkomen.Kortom, dat we de oude wijsheid dat geld niet gelukkig maakt helemaal overboord kunnen gooien, daarvoor lijkt het nog te vroeg.
vrijdag 7 december 2012
Als je emotioneel minder stabiel bent, is geld belangrijker voor je
Het is bekend dat mensen met een hoger inkomen iets gelukkiger of tevredener met hun leven zijn dan mensen met een lager inkomen. Ook weten we dat een inkomenstoename (tijdelijk) iets gelukkiger en tevredener maakt. Maar dan vergelijken we gemiddeldes en daar kan veel achter schuil gaan. De aandacht voor wat daar achter schuil gaat neemt in het sociaalwetenschappelijk onderzoek toe. Ik werd daarop geattendeerd door het lezen van het boek Mijn brein is niet jouw brein van Richard J. Davidson en Sharon Begley, dat handelt over de grote verschillen tussen mensen in emotionele stijl. Verschillen die je niet opmerkt als je alleen maar gemiddeldes vergelijkt.
Evenzo blijken verschillen in persoonlijkheid schuil te gaan achter de gevonden samenhangen tussen inkomen en geluk of levenstevredenheid. Uit dit pas verschenen onderzoek blijkt dat van de bekende vijf persoonlijkheidsdimensies het vooral de mate van neuroticisme is die er voor zorgt dat, gemiddeld genomen, mensen met een hoger inkomen tevredener zijn met hun leven en dat een toename van inkomen tevredener maakt. Als je neurotisch bent, ben je minder emotioneel stabiel, laat je je meer beïnvloeden door negatieve gebeurtenissen en ben je meer bezig je met anderen te vergelijken. Door deze beide eigenschappen of een van de twee, dat weten we nog niet, is kennelijk de tevredenheid van neurotici meer afhankelijk van hoeveel geld ze verdienen.
Als we dus zeggen dat geld gelukkiger maakt, dan blijkt dat in het bijzonder te gelden voor degenen onder ons die meer emotioneel onstabiel zijn. Die meer last ondervinden van negatieve gebeurtenissen en die meer de neiging hebben om zich met anderen te vergelijken.
Daar zou je uit kunnen afleiden dat het bevorderen van emotionele stabiliteit (ja, zo onveranderbaar is persoonlijkheid niet) een bijdrage zou kunnen zijn tot een minder eenzijdig-materialistische maatschappij. Anders gezegd, als we (gemiddeld genomen) emotioneel stabieler waren, dan waren we (gemiddeld genomen) minder materialistisch. Dat vond ik wel iets om over na te denken.
Evenzo blijken verschillen in persoonlijkheid schuil te gaan achter de gevonden samenhangen tussen inkomen en geluk of levenstevredenheid. Uit dit pas verschenen onderzoek blijkt dat van de bekende vijf persoonlijkheidsdimensies het vooral de mate van neuroticisme is die er voor zorgt dat, gemiddeld genomen, mensen met een hoger inkomen tevredener zijn met hun leven en dat een toename van inkomen tevredener maakt. Als je neurotisch bent, ben je minder emotioneel stabiel, laat je je meer beïnvloeden door negatieve gebeurtenissen en ben je meer bezig je met anderen te vergelijken. Door deze beide eigenschappen of een van de twee, dat weten we nog niet, is kennelijk de tevredenheid van neurotici meer afhankelijk van hoeveel geld ze verdienen.
Als we dus zeggen dat geld gelukkiger maakt, dan blijkt dat in het bijzonder te gelden voor degenen onder ons die meer emotioneel onstabiel zijn. Die meer last ondervinden van negatieve gebeurtenissen en die meer de neiging hebben om zich met anderen te vergelijken.
Daar zou je uit kunnen afleiden dat het bevorderen van emotionele stabiliteit (ja, zo onveranderbaar is persoonlijkheid niet) een bijdrage zou kunnen zijn tot een minder eenzijdig-materialistische maatschappij. Anders gezegd, als we (gemiddeld genomen) emotioneel stabieler waren, dan waren we (gemiddeld genomen) minder materialistisch. Dat vond ik wel iets om over na te denken.
maandag 25 juni 2012
Het wordt nu wel tijd om de financiële sector eens goed te begrijpen - Dirk Bezemer
We zitten midden in een economische crisis die is veroorzaakt door een extreme uitdijing van de financiële sector (en door een riskant experiment met een muntunie in Europa). De vorige grote crisis, die van de jaren dertig van de vorige eeuw, werd eveneens voorafgegaan door een uitdijing van de financiële sector. En daartussen in en daarvoor waren er allerlei kleinere crisissen die vaak ook hun oorsprong vonden in ontwikkelingen in de financiële sector. Wordt het niet hoog tijd dat we de aard en de rol van die sector in het economisch leven nu eens goed uitzoeken?
Die vraag wint sterk aan urgentie als je, zoals ik nu gedaan heb, dit paper van Dirk Bezemer gelezen hebt. Ik heb er eerder bij stilgestaan (zie hier). Ik heb het, zoals aangekondigd, bestudeerd en ben er van onder de indruk. Zonder te pretenderen dat ik alle details volledig begrijp, zou ik het wel heel veel mensen willen aanraden om het te lezen. In het kader daarvan hieronder een deel van de samenvatting en afsluitende opmerkingen.
De kern van zijn betoog, dat de financiële sector de economische groei kan bevorderen, maar ook economische crisissen kan veroorzaken, lijkt me niet (meer) controversieel. De oorzaak daar van ligt er in dat er enerzijds kredietverlening bestaat die de werkelijke economie, die van goederen en diensten, ondersteunt, maar anderzijds ook krediet dat de prijzen voor financiële producten en bezittingen (zoals onroerend goed) opblaast. (Toch blijft het verbazend dat in de standaard macro-economische modellen die tweede vorm wordt verwaarloosd. Maar dat is een ander verhaal.)
De eerste vorm van kredietverlening gaat hand in hand met de groei van de economie. De verhouding tussen schuld en bruto nationaal product (BBP) neemt er niet door toe. Maar de tweede vorm van krediet verhoogt de schuldenlast als proportie van het BBP. Als dat financiële transacties goedkoper maakt, kan dat ook de echte economie helpen. Maar, en ik citeer nu de samenvatting van het paper (vertaling en links van mij):
Die vraag wint sterk aan urgentie als je, zoals ik nu gedaan heb, dit paper van Dirk Bezemer gelezen hebt. Ik heb er eerder bij stilgestaan (zie hier). Ik heb het, zoals aangekondigd, bestudeerd en ben er van onder de indruk. Zonder te pretenderen dat ik alle details volledig begrijp, zou ik het wel heel veel mensen willen aanraden om het te lezen. In het kader daarvan hieronder een deel van de samenvatting en afsluitende opmerkingen.
De kern van zijn betoog, dat de financiële sector de economische groei kan bevorderen, maar ook economische crisissen kan veroorzaken, lijkt me niet (meer) controversieel. De oorzaak daar van ligt er in dat er enerzijds kredietverlening bestaat die de werkelijke economie, die van goederen en diensten, ondersteunt, maar anderzijds ook krediet dat de prijzen voor financiële producten en bezittingen (zoals onroerend goed) opblaast. (Toch blijft het verbazend dat in de standaard macro-economische modellen die tweede vorm wordt verwaarloosd. Maar dat is een ander verhaal.)
De eerste vorm van kredietverlening gaat hand in hand met de groei van de economie. De verhouding tussen schuld en bruto nationaal product (BBP) neemt er niet door toe. Maar de tweede vorm van krediet verhoogt de schuldenlast als proportie van het BBP. Als dat financiële transacties goedkoper maakt, kan dat ook de echte economie helpen. Maar, en ik citeer nu de samenvatting van het paper (vertaling en links van mij):
als het verder dan dat gaat, leidt het tot opgeblazen financiële markten, met een aantal slechte gevolgen voor de echte economie: stijgende kosten door hoge waarden van activa, toenemende ongelijkheid, en toenemende onzekerheid door financiële kwetsbaarheid. Doordat de waardestijging van activa en toename van consumptief krediet de investeringen en de groei van lonen gaan vervangen als aanjagers van groei, gaat de economie zich meer richten op vermogensaanwas dan op winst. Dit alles doordringende proces van financialisering heeft een sterke invloed op zowel de particuliere als de publieke sector, het verandert alles (huizen, ondernemingen, pensioenen, voedsel) in activa te verhandelen voor speculatieve doeleinden, het oefent een meedogenloze en onophoudelijke druk uit om te dereguleren en voorzover het wetgeving en controle niet gewoon uit de weg ruimt, nodigt het uit tot wijdverbreide fraude en corruptie en ondermijnt het het openbaar bestuur en de private normen. Helaas is het teveel uitdijen van dit financiële sector krediet, met al die bijbehorende gevolgen, ingebouwd in het systeem door de aard van het geld, van het bankieren en van het samengestelde interest. Dat is waardoor financiële deregulering tot booms en busts leidt. Buitensporige groei van dit tweede soort van kredietverlening aan de financiële en de vastgoedsector is de directe oorzaak van financiële crisissen; gebrek aan publieke regulering is de uiteindelijke oorzaak.(...)
De financiële sector is ten opzichte van de echte economie een schuldeiser (geworden) en absorbeert een onophoudelijke stroom van geld in de vorm van rentebetalingen en financiële honoraria, die anders een effectieve vraag was geweest naar goederen en diensten, waardoor economische groei was bevorderd. Dat zou te rechtvaardigen zijn geweest als het groei op andere manieren zou bevorderen, maar niet als het alleen maar prijzen van activa opdrijft.
De financiële deregulering heeft het mogelijk gemaakt dat de niet-bancaire financiële sector van de Verenigde Staten nu ongeveer drie keer zo groot is als in de jaren 80 (nog groter met andere standaarden) en dus zijn de claims op de echte economie drie keer groter dan een kwart eeuw geleden. Vrijwel hetzelfde patroon deed zich voor in veel andere landen van de OECD. Dit is onhoudbaar, maar het huidige beleid is er eerder op gericht om de financiële sector te ondersteunen dan de echte economie te helpen. In plaats daarvan hebben we een beleid nodig dat de financiële sector terugdringt: we moeten fiscale prikkels en constructies om schulden te vergroten beteugelen, het in de boeken houden van leningen aanmoedigen of afdwingen, financiële producten voor huishoudens vereenvoudigen en publieke verzekering afschermen van casino-achtige handel. We moeten het schuldenniveau terugbrengen.
Met huishoudens, ondernemingen en overheden die hun schulden terugdringen is dit deels al aan de gang, op veel plaatsen onder druk van de bezuinigingspolitiek. Maar terwijl dat individueel gezien rationeel is, is dit soort schuldterugdringing het laatste wat we nodig hebben om de economie weer te laten groeien. Het kader dat in dit paper gepresenteerd is wijst op de noodzaak om de FIRE (Finance, Insurance and Real Estate) sector te reduceren, niet het krediet dat de echte economie ondersteunt. Die reductie vereist vooral regulering, niet alleen maar het terugbrengen van schulden over de hele linie.
Het is niet overdreven moeilijk om beleid te bedenken dat de weg vrijmaakt voor hernieuwde financiële houdbaarheid. "Primitieve" economieën als die van Sumerië, Babylonië, Israel en Rome deden het duizenden jaren geleden al. Toegegeven, onze situatie is nu complexer omdat de meeste schulden bij private partijen liggen, zodat het publiek herstructureren van schulden rekening moet houden met een reeks van (vaak machtige) schuldeisers in plaats van met alleen de staat (...). Maar zulke hervormingen worden nu tegengehouden door wetenschappelijke modellen en beleidsanalyses met een blinde vlek voor schulden en de gevolgen er van, door een machtige financiële lobby en door het taaie idee (als gevolg van beide) dat we voor onze economische overleving afhankelijk zijn van de financiële sector met zijn hele hebben en houwen. Dat is een vergissing. Sommige kredietstromen helpen de economie; maar andere kunnen hem tegenwerken en dat hebben ze gedaan. We moeten de sector hervormen om de eerste te versterken en de tweede in te tomen.
Toen Klassieke liberalen als John Stuart Mill over de vrije markt schreven, hadden ze niet een vrijheid-voor-iedereen markt op het oog, maar een economie die vrij was van de last van de belangen van "renteniers" (...). De paradox is dat deze vrijheid - vrij zijn van schuldenlasten en hoge prijzen van activa; de vrijheid voor ondernemingen en huishoudens om andere motieven dan het financiële, speculatieve motief belangrijker te vinden - een sterke en competente overheid nodig heeft, die de financiële sector reguleert en optuigt voor groei en welvaart. Voor hoog gefinancialiseerde economieën als de onze zijn de woorden van Goethe geschreven in 1802 meer dan ooit van toepassing: minder is meer, en geen vrijheid zonder wetten.Bij die "renteniers" ware te denken aan (en ik citeer Paul Krugman):
degenen die veel inkomen ontlenen aan activa, die in het verleden grote sommen geld hebben uitgeleend, vaak onverstandig, maar nu ten koste van anderen beschermd worden.
dinsdag 24 april 2012
Merijn Knibbe: Over geld, Lippizaner paarden en de markt
Merijn Knibbe schreef een lange reactie op mijn bericht over het ontstaan van geld, dat ik schreef naar aanleiding van het paper van Dirk Bezemer voor de INET-conferentie in Berlijn. Hij geeft interessante historische informatie. Het mooie is dat ook zijn betoog hier en daar raakt aan het OMOP-schema, dat ik hier kort uiteenzet, maar dat bij veel berichten van dit blog op de achtergrond aanwezig is. Klik onderaan mijn bericht de knop "reacties" aan en volg de link.
maandag 23 april 2012
Het eerste geld was krediet, niet ruilmiddel. Dirk Bezemer
Eerder noemde ik Dirk Bezemer als een van de weinige economen die er aan werken om de financiële sector, en het geld, ook echt op te nemen in een model van de economie. Op de INET-Conferentie in Berlijn heeft hij zijn onderzoek daarnaar uitgewerkt in het paper Finance and Growth: When Credit Helps and When It Hinders (hier te downloaden). Ik ben het nu aan het bestuderen, maar ontdek dat het me flink wat tijd kost om het goed te kunnen samenvatten en beoordelen. Het is wel uiterst boeiend en het lijkt me belangrijk voor een beter begrip van de financiële crisis en onze huidige problemen. Dat komt dus, als het me lukt, later. Nu alvast aandacht voor een interessante passage over de historische oorsprong van het geld (paragraaf 3 van het paper).
Uit wat ik ooit geleerd heb, maakte ik op dat geld historisch gezien ontstaan is als ruilmiddel. En de functie er van was om de ruilhandel te vergemakkelijken. Onder een regime van ruilhandel moet iedereen die iets aan te bieden heeft, precies die iemand zoeken die daar behoefte aan heeft en bovendien iets anders zou willen afstaan dat precies aan de behoefte van de aanbieder tegemoet komt. In de trant van: ik zou wel een schaap kunnen missen, maar heb grote behoefte aan een kubieke meter hout. Om een transactie tot stand te brengen, moet ik iemand vinden die qua behoefte en middelen precies complementair aan mij is. Dat is een toestand waarin twee personen er allebei beter van zouden kunnen worden, maar er zijn, zoals economen zeggen, hoge transactiekosten, in dit geval vooral zoekkosten. Geld is een oplossing: ik kan mijn schaap verkopen aan iemand die er het geld voor over heeft (en geen hout in de aanbieding heeft) en daarna met dat geld houtaanbieders langs gaan tot ik mijn kubieke meter naast de deur heb liggen. Voorwaarde is dat alle betrokkenen het geld accepteren. Materieel kan het geld bestaan uit schelpen of klompjes zilver of wat dan ook dat niet al te uitbundig voorradig is.
Zo staat het ontstaan van geld in de economische handboeken beschreven. En kennelijk al bij Aristoteles. Dat geld ook een kredietfunctie kan hebben, is volgens deze visie van latere datum. Die nadruk op de functie van geld als ruilmiddel is volgens Dirk Bezemer te begrijpen als je kijkt naar de rol van geld in de huidige economische modellen. Die rol is er namelijk niet. Het gaat in die modellen om de transacties en het geld heeft als enige functie om die mogelijk te maken. Je kunt er dus volgens de aanhangers van die modellen geheel van abstraheren.
Een volgende keer over de vraag of dat laatste inderdaad zo is. Nu over het ontstaan van geld. Want volgens Dirk Bezemer zijn er volop aanwijzingen dat geld niet als ruilmiddel, maar juist als krediet, is ontstaan. Volgens die aanwijzingen hadden de eerste beschavingen allereerst geld als krediet, om zo de tijd te kunnen overbruggen tussen levering van verschillende goederen. En die functie werd noodzakelijk door de arbeidsverdeling, de specialisatie. Die eerste beschavingen waren sterk gecentraliseerd. Er was een centraal punt, de tempel, waar goederen werden bezorgd en afgehaald. De kleitabletten in die tempels, waarop werd aangegeven wie wanneer wat had afgeleverd, dienden als schuldbewijzen. En die schuldbewijzen gingen vervolgens als geld functioneren. Waarna munten ontstonden. Maar het schuldbewijs, dus het krediet, was er het eerst.
Ik wist dat niet. Het mooie er van is dat als dit zo is, het geld niet "spontaan" en decentraal ontstond als een soort sociale uitvinding door de verzamelde personen die er een belang bij hadden. Maar dat het voortkwam uit een systeem van een gecentraliseerde staat die kredietverlening "organiseerde". Anders gezegd, eerst was er een "overheid" en toen kwam het geld. Dat is boeiend als je bedenkt dat de huidige financiële crisissen het gevolg lijken te zijn van het doorgeslagen marktdenken, waarin de rol van de overheid maar het beste zo klein mogelijk is. Het is natuurlijk ook weer niet zo dat daarmee iets "bewezen" is. Maar intrigerend vind ik het wel.
Uit wat ik ooit geleerd heb, maakte ik op dat geld historisch gezien ontstaan is als ruilmiddel. En de functie er van was om de ruilhandel te vergemakkelijken. Onder een regime van ruilhandel moet iedereen die iets aan te bieden heeft, precies die iemand zoeken die daar behoefte aan heeft en bovendien iets anders zou willen afstaan dat precies aan de behoefte van de aanbieder tegemoet komt. In de trant van: ik zou wel een schaap kunnen missen, maar heb grote behoefte aan een kubieke meter hout. Om een transactie tot stand te brengen, moet ik iemand vinden die qua behoefte en middelen precies complementair aan mij is. Dat is een toestand waarin twee personen er allebei beter van zouden kunnen worden, maar er zijn, zoals economen zeggen, hoge transactiekosten, in dit geval vooral zoekkosten. Geld is een oplossing: ik kan mijn schaap verkopen aan iemand die er het geld voor over heeft (en geen hout in de aanbieding heeft) en daarna met dat geld houtaanbieders langs gaan tot ik mijn kubieke meter naast de deur heb liggen. Voorwaarde is dat alle betrokkenen het geld accepteren. Materieel kan het geld bestaan uit schelpen of klompjes zilver of wat dan ook dat niet al te uitbundig voorradig is.
Zo staat het ontstaan van geld in de economische handboeken beschreven. En kennelijk al bij Aristoteles. Dat geld ook een kredietfunctie kan hebben, is volgens deze visie van latere datum. Die nadruk op de functie van geld als ruilmiddel is volgens Dirk Bezemer te begrijpen als je kijkt naar de rol van geld in de huidige economische modellen. Die rol is er namelijk niet. Het gaat in die modellen om de transacties en het geld heeft als enige functie om die mogelijk te maken. Je kunt er dus volgens de aanhangers van die modellen geheel van abstraheren.
Een volgende keer over de vraag of dat laatste inderdaad zo is. Nu over het ontstaan van geld. Want volgens Dirk Bezemer zijn er volop aanwijzingen dat geld niet als ruilmiddel, maar juist als krediet, is ontstaan. Volgens die aanwijzingen hadden de eerste beschavingen allereerst geld als krediet, om zo de tijd te kunnen overbruggen tussen levering van verschillende goederen. En die functie werd noodzakelijk door de arbeidsverdeling, de specialisatie. Die eerste beschavingen waren sterk gecentraliseerd. Er was een centraal punt, de tempel, waar goederen werden bezorgd en afgehaald. De kleitabletten in die tempels, waarop werd aangegeven wie wanneer wat had afgeleverd, dienden als schuldbewijzen. En die schuldbewijzen gingen vervolgens als geld functioneren. Waarna munten ontstonden. Maar het schuldbewijs, dus het krediet, was er het eerst.
Ik wist dat niet. Het mooie er van is dat als dit zo is, het geld niet "spontaan" en decentraal ontstond als een soort sociale uitvinding door de verzamelde personen die er een belang bij hadden. Maar dat het voortkwam uit een systeem van een gecentraliseerde staat die kredietverlening "organiseerde". Anders gezegd, eerst was er een "overheid" en toen kwam het geld. Dat is boeiend als je bedenkt dat de huidige financiële crisissen het gevolg lijken te zijn van het doorgeslagen marktdenken, waarin de rol van de overheid maar het beste zo klein mogelijk is. Het is natuurlijk ook weer niet zo dat daarmee iets "bewezen" is. Maar intrigerend vind ik het wel.
Abonneren op:
Posts (Atom)