Posts tonen met het label Michael Tomasello. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Michael Tomasello. Alle posts tonen

vrijdag 2 december 2022

Over typisch menselijke communicatie als het vermogen dat cultuur mogelijk maakt - En over communicatie tussen mensen en hun huisdieren

Volgens de cultural minds hypothesis zijn wij bij uitstek culturele wezens, dat wil zeggen dat wij zijn geselecteerd op vermogens die gespecialiseerd zijn in het verwerven, doorgeven en organiseren van cultuur. Waarbij cultuur staat voor mentale voorstellingen (kennis, overtuigingen, wensen) en hun publieke uitingen (taaluitingen, gedrag, artefacten). 

Maar daartegenover staat de social minds hypothesis, die vermoedt dat wij zijn geselecteerd op speciale communicatieve vermogens als aanpassingen aan de noodzaak tot samenwerken en delen in omstandigheden van onderlinge afhankelijkheid. In dat vermoeden is cultuur een uitkomst, een resultaat, van die selectie.

Thom Scott-Phillips geeft in Biological adaptations for cultural transmission? de aanwijzingen voor dat tweede vermoeden. Wij zijn niet op cultuur(overdracht) op zich geselecteerd, maar op communicatieve vermogens die cultuur mogelijk maakten. Niet de cultuur is fundamenteel, maar een speciaal communicatief vermogen dat nodig was en is om samen te werken en te delen. 

Scott-Phillips laat de tekorten zien in het denken volgens die cultural minds hypotheisis, maar ik concentreer me nu even op de uitleg van en de aanwijzingen voor de social minds hypothesis.

Typisch voor menselijke communicatie is dat er een overduidelijke bedoeling is om informatie aan iemand of aan anderen over te dragen. Niet alleen de informatie wordt dus gecommuniceerd, maar ook dat die overdracht bedoeld is. De toegesprokene beseft niet alleen dat er overdracht van informatie is, maar ook dat de spreker die overdracht bedoelde. En dat hij gemotiveerd is om iets goed over te brengen, zodanig dat de ander het ontvangt en begrijpt.

In overtly intentional communication—sometimes called ‘ostensive’ communication—communicators actively reveal their informative intentions to their intended audience [69]. This aligns the interests of communicator and audience. Even if they are otherwise in conflict, such as in a heated argument, individuals engaged in overtly intentional communication share the high-level goal of identification of the communicator's informative intention. This opens up, or ‘unleashes’, the domain of human communication [52], and hence allows humans to communicate about any available topic, to make salient what would otherwise be opaque, to express abstract ideas, to help others learn and more broadly to facilitate the flow of ideas and practices on a grand scale ([7075]; inter alia).
 
Er is veel voor te zeggen dat deze vorm van communicatie typisch menselijk is. 
 
Scott-Phillips verwijst in dit verband naar wat Michael Tomasello gedeelde intentionaliteit noemt. Tomasello kwamen we eerder tegen, zoals in het bericht Menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag is aanpassing aan onderlinge afhankelijkheid. Ik pakte even zijn boek The Origins of Human Communication erbij. Daarin lees je (p. 72):

...human beings cooperate with one another in species-unique ways involving processes of shared intentionality.
... shared intentionality refers to behavioral phenomena that are both intentional and irreducebly social, in the sense that the agent of the intentions and actions is the plural subject 'we'. 

Waarna hij het voorbeeld aanhaalt van samen een stukje wandelen, dat verschilt van naast iemand anders in dezelfde richting lopen. 

The difference can be clearly seen if one person simply veers off in another direction unannounced. If we just happen to be walking in parallel, this deviation means nothing; but if we are walking together, my veering off is some kind of breach and you may rebuke me for it (since we have made a joint commitment to take a walk together and so certain social norms now apply).

Dat is op kleine schaal hetzelfde fenomeen als bijvoorbeeld de afspraak die "wij" samen gemaakt hebben dat stukjes papier geld zijn. Of de afspraak dat een persoon als ieder ander door de procedure van verkiezingen president is geworden.

En daarmee hebben we al de stap gemaakt van typisch menselijke communicatie via samenwerking naar het domein van de cultuur.

Meer daarover in een volgend bericht. 
 
Nog even over dat typisch menselijke. Het klopt dat je in communicatie bij dieren als regel niet die gedeelde intentionaliteit ziet. Maar als onze kat duidelijk mijn aandacht trekt, mij aankijkt en naar het keukenkastje kijkt waar zijn brokjes staan, dan lijkt het er sterk op dat hij niet alleen informatie over brengt ("Ik heb honger"), maar ook dat hij bedoelt om mij dat duidelijk te maken.

Dat zou er aan kunnen liggen dat hij als huisdier er in gesocialiseerd is dat hij voor zijn voedsel afhankelijk is van "zijn mensen". Misschien is er bij huisdieren, bij katten en waarschijnlijk nog meer bij honden, toch ook iets van die gedeelde intentionaliteit. Ik zou benieuwd zijn naar onderzoek daarover.

dinsdag 19 april 2022

De ambivalentie tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, die we kennen van de maatschappij van de volwassenen, die valt al waar te nemen in de kleuterschool.

Het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon zijn "toestanden van voorbereid zijn" die klaar liggen om uitgevoerd te worden en de uitvoering van het ene dan wel het andere patroon is ervan afhankelijk hoe veilig of onveilig we de situatie beoordelen waarin we ons bevinden. Veiligheid triggert het gemeenschapspatroon en onveiligheid het statuscompetitiepatroon. Beoordelingen worden beïnvloed door ervaringen uit het verleden. Als je veel onveilige situaties hebt meegemaakt, dan beoordeel je dezelfde situatie eerder als onveilig dan iemand zou doen die vaker veilige situaties heeft ervaren. (Ook kunnen persoonlijkheidsverschillen van invloed zijn die je van je ouders hebt meegekregen.) Zie over toestanden van voorbereid zijn o.a. dit eerdere bericht.

Als dat alles zo is, dan zou je dat klaarliggen van die twee gedragspatronen al in het gedrag van jonge kinderen moeten kunnen waarnemen. Nieuwe aanwijzingen dat dat inderdaad zo is, komen uit de nieuwe studie How fairness and dominance guide young children’s bargaining decisions van Sebastian Grueneisen en Michael Tomasello. Van de al bestaande aanwijzingen geven de onderzoekers in hun inleiding een kort overzicht dat ik ter informatie even overneem. Daarin kom je het voorbereid zijn op statuscompetitiegedrag en op gemeenschapsgedrag tegen als sensitivities for dominance and fairness.

Sensitivities for both dominance and fairness develop early. Already in infancy, children track dominance relations among agents (Gazes et al., 2015; Mascaro & Csibra, 2012; Thomsen et al., 2011). Preschoolers are sensitive to a whole range of dominance cues and, for instance, view individuals who control resources and deny permission to others as being “in charge” (Gülgöz & Gelman, 2017). Six- to 8-year-olds also make sophisticated predictions about who will prevail in conflicts by integrating multiple variables such as strength, size, or their alliances (Pietraszewski & Shaw, 2015). Social dominance—typically defined in terms of resource control and individuals’ abilities to achieve their goals in conflict situations (Hawley, 1999, 2002)—has also been shown to affect children's own social decisions. Toddlers prefer individuals who prevail in conflict via means other than physical force (Thomas et al., 2018), preschoolers preferentially endorse testimony from socially dominant individuals (Bernard et al., 2016), and children aged 3 to 8 take recipients’ relative dominance into account when allocating resources (Charafeddine et al., 2016).

Children are similarly attuned to fairness. In third-party contexts, even infants seem surprised when confronted with unequal resource divisions (Geraci & Surian, 2011; Schmidt & Sommerville, 2011) and when distributing resources, preschoolers not only prefer equality but even discard resources rather than create unfairness (Shaw & Olson, 2012). When dividing resources between themselves and others, children as young as three tend to share fairly if they produced the resource collaboratively (Hamann et al., 2011; Warneken et al., 2011), presumably because joint collaboration encourages them to see themselves and their partner as equally deserving (Engelmann & Tomasello, 2019). In non-collaborative settings, preschoolers are particularly attuned to being treated unfairly themselves and even forego resources in order not to get less than others (Blake et al., 2015). While these studies demonstrate that dominance and fairness are strong motivators for children from early on, less is known about how they might interact in shaping children's facility to reach agreements in bargaining situations.

In hun eigen onderzoek lieten Grueneisen en Tomasello kinderen van vijf jaar paarsgewijs "onderhandelen" over de verdeling van een aantal knikkers. Die verdeling kon gelijk of ongelijk uitvallen afhankelijk van de keuzes die ze maakten. Ik bespreek nu alleen de eerste van de drie studies waarover ze in het artikel rapporteren. 

Daaruit bleek dat de paren in de meerderheid van de gevallen (64 procent) een gelijke verdeling tot stand brachten. Ze werden er het dus over eens om te handelen volgens het gemeenschapspatroon.

Maar dat gebeurde dus vaak ook niet. Dat werd er voor een deel door verklaard dat een van de twee meer geneigd was tot domineren, dus tot het statuscompetitiepatroon. Die geneigdheid was van te voren vastgesteld door een in onderzoek vaker gebruikt testje (wel of niet als eerste van twee een stuk speelgoed pakken) en door beoordelingen door de leidster van de kleuterschool (in Leipzig, Duitsland) waar het onderzoek werd uitgevoerd. In die paren waarin de meer dominante van de twee van een ongelijke verdeling profiteerde, werd de gelijke verdeling slechts in 46 procent van de gevallen bereikt.

De onderzoekers analyseerden ook de onderhandelingen van de kinderen. In die gevallen waarin er redenen werden gegeven voor een verdelingen en waarin "gelijkheid" of "eerlijkheid" werden genoemd, werd de gelijke verdeling vaker bereikt dan wanneer die niet werden genoemd of waarin geen redenen werden gegeven. Een "beroep" op het gemeenschapspatroon vond dus weerklank.

De ambivalentie tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, die we kennen van de maatschappij van de volwassenen, die valt dus al waar te nemen in de kleuterschool.

woensdag 19 augustus 2020

Waardoor is pro-sociaal gedrag aanstekelijk? - Doordat het de sociale veiligheid verschaft die weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt

Hoe komt het dat het pro-sociale gedrag van anderen de kans vergroot dat we ook onszelf meer pro-sociaal gaan gedragen? Wat verklaart dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is? Die aanstekelijkheid was op dit blog al eerder aanleiding om het woord gemeenschapsgedrag te prefereren boven pro-sociaal gedrag, omdat daar al dat sociale beïnvloedingsproces in besloten ligt. Het gaat om gedrag "als in een gemeenschap", dus om gedrag dat je oftewel met zijn allen doet of helemaal niet. Maar omdat het woord gemeenschapsgedrag vooralsnog alleen op dit blog is ingeburgerd, hou ik het nu maar even bij pro-sociaal gedrag.

Dat pro-sociaal gedrag aanstekelijk is, zagen we in eerdere berichten langskomen: Wie goed doet, doet dubbel goed. Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk, Ook pro-sociaal gedrag in de media lokt pro-sociaal gedrag uit en Dreumesen schieten meer te hulp als iemand het goede voorbeeld heeft gegeven. En zie ook Nieuwe aanwijzingen voor de flexibele menselijke sociale natuur - gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit en de berichten over het verschijnsel van crowding-in.

En er is nu de nieuwe studie Prosocial modeling: A meta-analytic review and synthesis, waarin uit een meta-analyse van 88 studies met in totaal 25.354 proefpersonen blijkt dat er alles samengenomen een gematigd positief effect is van het waarnemen van pro-sociaal gedrag op het eigen pro-sociale gedrag. Het gaat dan om zaken als het doneren van geld, het geven van fooi, het oprapen van iets voor iemand die dat per ongeluk heeft laten vallen, iemand te hulp schieten en het kiezen voor samenwerken in plaats van profiteren.

Maar nu terug naar de vraag wat daarvoor de verklaring zou kunnen zijn. In die nieuwe studie worden drie gangbare verklaringen genoemd: imitatie van het gedrag, de neiging tot conformeren en de neiging om het doel van het gedrag over te nemen (goal contagion). En het zou kunnen zijn dat het een zogenaamd onderzoekerseffect is, dat wil zeggen de neiging van proefpersonen om te voldoen aan wat ze denken dat de onderzoeker van hen wil. De auteurs concluderen dat die verklaring van goal contagion het beste uit de bus komt. Mensen zouden dus als ze zien dat een persoon iemand anders helpt, daardoor zelf ook besluiten dat het goed is om anderen te helpen.

Dat is interessant. Want het zou aardig passen in het vermoeden dat bij mij steeds meer is komen bovendrijven, namelijk dat pro-sociaal gedrag een reactie is op signalen die erop wijzen dat je je bevindt in een veilige sociale omgeving. Of op signalen die je eraan herinneren dat je sociale omgeving eigenlijk best wel veilig is. Een veiligheid die eruit bestaat dat mensen bereid zijn om anderen te helpen en om bij te springen als dat nodig is.

Dat vermoeden gaat terug op de gedachte dat alle dieren, en dus ook mensen, voor de uitdaging staan om zich zoveel mogelijk te bevinden in een veilige omgeving, een omgeving die gunstig is voor overleving en reproductie. Eerder in de mensheidsgeschiedenis was die veiligheid er in de groep van jagers-verzamelaars waarin samengewerkt en gedeeld werd. In die groep was pro-sociaal gedrag niet alleen veilig om uit te voeren, omdat je er op kon rekenen dat anderen er geen misbruik van maakten, maar ook omdat je eigen overleving en reproductie er baat bij had. Je deelde mee in de opbrengsten van het samenwerken. Sociale onveiligheid bestond uit het niet deel uitmaken van zo’n groep en in je eentje moeten zien te overleven.

In de huidige samenleving is die veilige omgeving er meestal wel in het gezin waarin een kind opgroeit. (Meestal, want we kennen helaas ook het probleem van kindermishandeling.) Daardoor leren kinderen al snel om op de zorgzaamheid die ze ervaren te reageren met hulpvaardigheid. Denk weer even aan die dreumesen die te hulp schieten. En aan al die studies van Michael Tomasello en medewerkers waaruit blijkt dat kinderen al heel jong anderen helpen als ze daartoe in staat zijn. Dat is hun natuurlijke reactie op de zorgzame omgeving die ze in het gezin aantreffen.

De natuurlijkheid van die reactie blijkt eruit dat in een toestand van ervaren veiligheid de nervus vagus (de zwerfzenuw) gematigd geactiveerd is, wat precies de lichamelijke toestand is (rest and digest) waarin je gemakkelijk anderen te hulp schiet. Terwijl in een toestand van onveiligheid oftewel die zwerfzenuw bovenmatig wordt geactiveerd, waardoor je in het statuscompetitiepatroon schiet (fight or flight), of sterk verlaagd geactiveerd (immobilisation), waardoor je te maken kunt krijgen met een depressie of angststoornis. Zie De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren. En denk aan de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges.

Maar in de huidige maatschappij is het gezin maar een klein eilandje in een grote zee van sociale vluchtigheid en daarmee kans op statuscompetitie. Bij het ouder worden is er buiten dat eigen gezin dus de onzekerheid over het gedrag van anderen en dus de mogelijkheid van de sociale onveiligheid van de statuscompetitie. En dat is precies de omgeving waarin we niet alleen "nieuwe" sociale veiligheid zoeken (dus vrienden willen maken), maar ook het pro-sociale gedrag dat we tegenkomen beschouwen als signalen voor het bestaan van sociale veiligheid. "O ja, mensen zijn eigenlijk heel goedaardig en behulpzaam." Dat besef vergroot ons veiligheidsgevoel, waardoor we ook zelf gemakkelijker te hulp schieten.

En dat komt dus wel wat overeen met die goal contagion-verklaring van die auteurs van die nieuwe studie. Maar het verschaft ook een onderliggende mechanisme: pro-sociaal gedrag draagt bij aan sociale veiligheid, die op zijn beurt weer meer pro-sociaal gedrag uitlokt.

dinsdag 30 april 2019

De hang naar eerlijkheid berust op wederzijds respect en is verbonden met de noodzaak tot samenwerking

Jan Engelmann en Michael Tomasello vragen zich in het pas verschenen Children’s Sense of Fairness as Equal Respect af hoe en wanneer kinderen leren om eerlijk te zijn en eerlijkheid van anderen te verwachten.

Uit onderzoek is al bekend dat kinderen op vierjarige leeftijd een afkeer van ongelijkheid hebben ontwikkeld in die gevallen waarin zulks in hun nadeel is. En dat rond hun achtste levensjaar die afkeer zich heeft uitgebreid tot de gevallen waarin de ongelijkheid in hun voordeel is. Maar wat is er dan met jongere kinderen aan de hand. Hebben die nog geen besef van eerlijkheid (fairness)? En waarop berust die hang naar eerlijkheid eigenlijk?

In dat onderzoek bij vier- en achtjarige kinderen ging het erom welke verdelingen over zichzelf en een ander eerlijk werden gevonden. En uit recenter onderzoek blijkt dat ook driejarige kinderen al een hang naar eerlijkheid  hebben, maar alleen in die gevallen waarin ze samenwerken. In die context van samenwerking vinden ze zowel het minder krijgen dan de ander als het meer krijgen dan de ander onprettig.

En dat komt precies overeen met wat je vanuit een evolutionair gezichtspunt zou verwachten. Want onze morele intuïties vinden hun oorsprong in de lange periode waarin onze verre voorouders door samenwerking en (eerlijk) delen wisten te overleven en zich zelfs over de aardbol wisten te verspreiden. Die intuïtie van wat eerlijk is, veronderstelt dus een context van samenwerking.

Dat komt overeen met wat ander recent onderzoek laat zien, namelijk dat driejarigen niet zozeer gedreven worden door gelijkheid, maar door zoiets als wederzijds respect. Zo protesteren ze tegen een ongelijke verdeling niet omdat die ongelijk is, maar met een moreel oordeel, met een verwijzing naar een morele regel: omdat "het niet zo hoort". En ze gaan akkoord met een ongelijke verdeling ten gunste van iemand die zich meer heeft ingespannen. En met een ongelijke verdeling als de een meer behoeftig (armer) is dan de ander.

Bevestiging dus van het vermoeden dat onze morele gemeenschapsintuïties hun oorsprong vinden in de uitdagingen die voortkomen uit de noodzaak van samenwerking en delen om te overleven. Waardoor het niet verwondert dat je de werking van die intuïties bij jonge kinderen precies ziet in een context van samenwerking.

En het wijst erop dat het dus wel belangrijk is dat kinderen in hun vroege jeugd voldoende kansen krijgen om ervaringen op te doen in zulke samenwerkingscontexten.

Engelmann en Tomasello omschrijven dat wederzijdse respect als bestaande uit drie aspecten van het samenwerkingsproces:
  1. het besef van onderlinge afhankelijkheid
  2. het besef van gelijkwaardigheid, ook inhoudende dat je elkaars plaats kunt innemen
  3. het besef dat samenwerking bepaalde eisen stelt, die onpartijdig zijn.
Ik vind het een diepzinnig resultaat. Ons gevoel van wat eerlijk is, gaat niet over gelijkheid van resultaat, van wat ieder krijgt, maar over wederzijds respect. In de woorden van de auteurs:
The evidence thus suggests that children are not primarily preoccupied with the material ‘stuff’ in distributive contexts; they are concerned instead with the social meaning of the act of distribution, that is, whether they and others are being treated with equal respect. Any account that focuses only on the material stuff, no matter how nuanced, cannot capture this dimension of social meaning. Accounts that invoke a preference for equal distributions as the basic psychological mechanism, insofar as they focus mainly on the material stuff, are therefore descriptive only, not explanatory. The question is what underlies children’s aversion to inequity, and our claim is that the foundation of their aversion is not equality of resources per se, but rather equality of respect.
Misschien hebben we hier precies de essentie te pakken waarin de gemeenschap verschilt van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Ooit konden onze verre voorouders ontsnappen aan dat statuscompetitiepatroon doordat ze ervaring opdeden met samenwerking en delen. Waardoor ze "ontdekten" dat daarvoor wederzijds respect nodig was, het besef van onderlinge afhankelijkheid, van gelijkwaardigheid en van onpartijdigheid.

En de geschiedenis daarna, en de actualiteit, leren dat die ontdekking steeds opnieuw moet worden gedaan. En moet worden bevochten.

vrijdag 19 april 2019

Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? En over wat de Dual Mode-theorie te bieden heeft - deel 4

Update. Zie nu ook deel 5 van deze reeks: Het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht op het niveau van nationale staten.
Volgens de Dual Mode-theorie zijn er in het sociale leven twee evenwichten mogelijk: het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht, en verschaft het gemeenschapsevenwicht van die twee het hoogste welzijn. Zie hier het vorige bericht in deze reeks over hoe het maatschappelijk belang van het vak sociologie kan worden vergroot.

Cruciaal in het tot stand komen van het ene dan wel het andere evenwicht is dat mensen zich in hun eigen gedrag sterk laten leiden door welk gedrag ze in hun omgeving het meeste waarnemen. Afhankelijk van de omvang van de groep, is die waarneming meer of minder direct.

In een kleine groep kunnen mensen elkaars gedrag direct waarnemen. In dat geval is de kans groot dat een van de twee evenwichten snel tot stand komt. Ik denk even aan Michael Tomasello, die in een interview naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe boek Becoming Human. A Theory of Ontogeny opmerkt:
When people are in a small group of people they know – family, friends, small communities – they're incredibly cooperative compared to other apes. When people tell me how uncooperative humans are, I say, "You have the wrong baseline. You should hang around chimpanzees sometime!"
Anders gezegd: in kleine groepen van familie, van vrienden en in kleine gemeenschappen (het woord is veelbetekenend) gedragen mensen zich niet alleen gemakkelijk gemeenschapsgericht, maar nemen ze dat ook gemakkelijk van elkaar waar. Waardoor het gemeenschapsevenwicht snel tot stand komt en stabiel is, dus inderdaad een evenwicht is.

Maar ik moet er ook aan denken dat het vandaag de Landelijke Dag tegen het Pesten is. En bij dat pesten gaat het vaak over een heel andere groep, die van de schoolklas. Dat is ook een kleine groep, maar hij is kunstmatig samengesteld. Met leerlingen van dezelfde leeftijd, die elkaar bij de aanvang van het schooljaar vaak nog niet goed kennen.

We hebben dan te maken met een toestand van sociale vluchtigheid, die gemakkelijk statuscompetitie uitlokt. Leerlingen weten nog niet wat ze aan elkaar hebben en willen vermijden om als zwak en als loser te worden gezien. Dat leidt tot stoerdoenerij en tot jezelf verheffen ten koste van de ander.

En voor je het doorhebt, ontstaat er een schoolklas met een statushiërarchie, met de meest populaire(n) aan de top en een rangordening naar status van de rest. Iedereen zit dan in de statuscompetitiemodus. Met pestgedrag van boven naar beneden en ondergeschiktheid en berusting van beneden naar boven.

Daarbij "helpt" dat ieders gedrag meestal heel goed waarneembaar is. Meestal direct, maar vaak ook via geroddel. Er kan dus snel een statuscompetitie-evenwicht ontstaan, waaruit maar moeilijk valt te ontsnappen. Denk even aan het onderzoek waar het over ging in het bericht Meer statushiërarchie in de schoolklas leidt tot meer strijd om populariteit en daarmee tot meer agressie en pesterij.

En sta er ook even bij stil dat het ontstaan van dat "pestevenwicht" kan worden tegengegaan door de schoolklas minder kunstmatig samen te stellen. Want het blijkt dat een natuurlijker samenstelling, dus leeftijdsgemengd, gunstiger is voor het uitlokken van gemeenschapsgedrag. Dat vervolgens ook gemakkelijk waarneembaar en dus snel tot een gemeenschapsevenwicht kan leiden.

Dat zou op de Landelijke Dag tegen het pesten wel wat meer aandacht mogen krijgen: dat in leeftijdsgemengde klassen pesten de helft minder voorkomt dan in leeftijdshomogene klassen. Zie het bericht van nu al weer meer dan twee jaar geleden: Pesten moet je niet door leraren laten oplossen. Doe aan leeftijdsmenging.

En het vak sociologie zou dus maatschappelijk belangrijker kunnen worden door meer oog te ontwikkelen voor de voorwaarden waaronder het ene dan wel het andere evenwicht tot stand komt.

donderdag 26 april 2018

Dreumesen schieten meer te hulp als iemand het goede voorbeeld heeft gegeven

We weten al dat je met pro-sociaal gedrag aan anderen het goede voorbeeld geeft. Pro-sociaal gedrag van de een lokt pro-sociaal gedrag van anderen uit. Zie het laatste bericht daarover: Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk - Nieuwe aanwijzingen.

Het zou kunnen zijn dat het een natuurlijke neiging van mensen is om pro-sociaal gedrag van anderen te imiteren. Een neiging dus om dat pro-sociale gedrag van anderen op te merken en als aanwijzing te zien dat het in de betreffende omstandigheden het juiste gedrag is.

Een aanwijzing in die richting zou zijn dat die neiging al bij heel jonge kinderen valt waar te nemen. Het onderzoek Modeling Prosocial Behavior Increases Helping in 16-Month-Olds verschaft zo een aanwijzing.

Dreumesen van 16 maanden konden iemand helpen die hulp kon gebruiken, in een geval waarin ze vlak daarvoor iemand hadden zien helpen en in een geval waarin iemand wel aanwezig was, maar niet had geholpen. In beide gevallen ging het om het aanreiken van een of meer van 6 voorwerpjes die iemand nodig had om een taak uit te voeren, die daar niet makkelijk zelf bij kon. In het geval dat ze iemand hadden zien helpen, reikten de dreumesen gemiddeld 3,9 voorwerpjes aan en in het andere geval 1,6, een significant verschil.

In het geval dat de persoon die ze konden helpen die hulp niet echt nodig had, omdat de voorwerpjes binnen handbereik lagen, werd minder geholpen, maar wel meer als de dreumesen iemand anders hadden zien helpen. Dat de behoefte aan hulp een rol speelde, geeft aan dat ze niet alleen maar gedrag imiteerden, maar dat het ook echt ging om pro-sociaal gedrag. Zowel het inzicht van de behoefte aan hulp als het goede voorbeeld speelden dus een rol.

Er is natuurlijk al wel meer onderzoek gedaan naar dit zogenaamde observational learning, maar dan ging het vooral om oudere kinderen en om het leren van nieuwe vaardigheden en om agressief gedrag. Denk aan de sociale leertheorie van Albert Bandura.

Ook is er al veel onderzoek naar spontaan helpen door dreumesen, zoals door Warneken en Tomassello (The roots of human altruism).

Dit nieuwe onderzoek is het eerste dat laat zien dat dreumesen zich bij hun pro-sociale gedrag al iets aantrekken van een goed voorbeeld. Het wijst erop dat we bij het grootbrengen van onze kinderen niet teveel alleen maar moeten vertrouwen op de expliciete instructie ("opvoeden"), maar er vooral ook rekening mee moeten houden dat kinderen zich laten leiden door wat anderen daadwerkelijk doen. Dus door wat ze in hun sociale omgeving waarnemen. Denk aan de mythe van de opvoedbaarheid.

vrijdag 2 februari 2018

De neurochemische grondslag voor de menselijke persoonlijkheidsstijl die samenwerking en delen mogelijk maakte

De cruciale veranderingen in het sociale gedrag van onze verre voorouders, vergeleken met de Laatste Gemeenschappelijke Voorouder die we met de chimpansees en de bonobo's delen, bestonden eruit dat we in egalitaire groepen groepen van vertrouwde anderen samenwerkten en deelden. Onderdeel van dat sociale arrangement was dat we collectief de pogingen van enkelingen om een statushiërarchie te vestigen, met de daarbij behorende monopolisering van de voortplanting, onderdrukten.

En daarmee hing weer samen dat we, als jagers-verzamelaars, min of meer monogaam werden en dat vaders (en andere groepsleden) meehielpen bij het grootbrengen van de kinderen, die langer zorg nodig hadden (cooperative breeding). Hetgeen weer gepaard ging met de ontwikkeling van empathie, pro-sociaal gedrag en van taal.

De nieuwe studie A neurochemical hypothesis for the origin of hominids geeft inzicht in de veranderingen in de hersenstructuur en de neurochemie die dat sociale gedrag mogelijk maakten. Als een eenvoudig socioloog begrijp ik daar niet alles van, maar wel net genoeg om het uiterst fascinerend te vinden.

Want de auteurs maken het aannemelijk dat die onderliggende anatomische en neurochemische veranderingen een op een dopamine-gedomineerd striatum gebaseerde persoonlijkheidsstijl in het leven riep.

En dat is een persoonlijkheid waarbij het gedrag sterk door externe factoren wordt gemotiveerd. Dat zijn aan de ene kant de sociale factoren die behoren tot het leven in een groep, waarin, zoals gezegd, samengewerkt en gedeeld wordt. Wil zo'n groep functioneren, dan moeten de groepsleden sterk op elkaar en op elkaars gedrag en op elkaars bedoelingen betrokken zijn. Er moet dus veel aandacht zijn voor wat anderen doen en een grote bereidheid om zich daar wat van aan te trekken.

Dat lijkt de grondslag te zijn voor de specifiek menselijke gedeelde intentionaliteit. Zie in dat verband het bericht Menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag is aanpassing aan onderlinge afhankelijkheid, met een verwijzing naar het onderzoek van Michael Tomasello. En bedenk dat verlegenheid als persoonlijkheidstrek (in tegenstelling tot stoutmoedigheid) daarmee belangrijk werd. Zie Het menselijke temperament: verlegenheid, eveneens met een verwijzing naar onderzoek van Tomasello.

Maar aan de andere kant moet die motivatie om door externe factoren te worden gemotiveerd, ook zijn uitwerking hebben gehad op onze houding ten opzichte van de fysieke omgeving. Een houding die onze voorouders ertoe aanzette om die omgeving te verkennen en beter te leren kennen, ook los van de directe behoefte van honger hebben en eten gaan zoeken. Onze neiging dus tot kennisverwerving en exploratie van de wereld. Die de grondslag legde voor de ontwikkeling van cultuur en wetenschap.

Dat is fascinerend. Ons pro-sociale gedrag en onze geneigdheid tot kennisverwerving en wetenschap zijn kennelijk onderdeel van een en hetzelfde pakket van aanpassingen dat voor onze overleving cruciaal was..

En fascinerend is dat het onderzoek van Tim Kasser naar wat mensen in het leven nastreven hiermee
geheel overeenkomt. Want volgens dat onderzoek kun je mensen indelen naar of ze meer gemeenschapsaspiraties hebben of meer statuscompetitie-aspiraties. De gemeenschapsmensen streven naar naar zaken als goede relaties met anderen, iets goeds doen voor de maatschappij en anderen bijstaan, terwijl de statuscompetitiemensen erop uit zijn om veel geld te verdienen en om een hoge status te hebben. 

En wat blijkt? Het zijn de gemeenschapsmensen, en niet de statuscompetitiemensen, die het belangrijk vinden om zichzelf te ontplooien, dus om hun kennis te vergroten en zichzelf te ontwikkelen. 

Die statuscompetitiemensen worden meer gemotiveerd door de interne en individuele drijfveren van geld, status en roem, voor de verwerkelijking waarvan je juist wat minder met anderen rekening moet houden. Zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven? voor de negatieve gezondheidseffecten daarvan.

donderdag 29 december 2016

Zijn wij van nature goed? Ja, maar...

Zijn wij van nature goed?

Ja, volgens nieuw onderzoek is dat zo.

Daarover zo meteen meer. Eerst: wat betekent het eigenlijk om "van nature" iets te zijn of "van nature" iets te kunnen?

Ik dacht daar over na toen ik bij hoofdstuk 2 (The testimony of the senses) van David Eagleman's boek Incognito. The Secret Lives of the Brain) was aangekomen. Hersenonderzoeker Eagleman legt daarin uit hoe wij leren zien.

Dat gebeurt niet alsof wij met een leeg schoolbord in onze hersenen geboren worden waarop dan vervolgens alle binnenkomende prikkels worden geprojecteerd en opgeslagen. Dat zou betekenen dat er pas hersenactiviteit ontstaat als er van buiten prikkels arriveren.

Nee, er is in die hersenen al van alles aan de gang en die activiteit wordt veranderd en bijgesteld (gemoduleerd) door wat er binnenkomt.

Waarnemen is dus nooit alleen maar registreren. Het is het bijstellen van wat er al aan activiteit is. Eagleman (p. 45):
internally generated activity is modulated by sensory input. In this view, the difference between being awake and being asleep is merely that the data coming in from the eye anchors the perception. Asleep vision (dreaming) is perception that is not tied down to anything in the real world; waking perception is something like dreaming with a little more commitment to what's in front of you.
Hetgeen verklaart dat wij "hallucinaties" krijgen bij zintuiglijke deprivatie, zoals in een donkere en geluidsdichte kamer. We blijven dan waarnemen, maar zonder input van de buitenwereld.

We worden dus al waarnemend geboren, maar dat speelt zich dan nog af binnen het gesloten systeem van onze hersenen. Op grond daarvan gaan we de externe wereld waarnemen, doordat de interne "beelden" worden bijgesteld aan de hand van wat er binnenkomt.

Vergelijk dat met het programma voor lopen dat in ons zenuwstelsel bij de geboorte klaarligt. Leren lopen betekent dat dat programma wordt bijgesteld zodra een volwassene je onder je armpjes pakt en je met je voetjes op de vloer zet. Je hebt dan al van nature de neiging om een soort pasjes te maken. Wat je dan voelt, zijn de prikkels waarmee je loopprogramma wordt bijgesteld en verfijnd.

Nu terug naar de vraag of wij van nature goed zijn. Zijn wij net zoals op waarnemen en lopen ook voorbereid op een sociaal leven waarin mensen elkaar goedgezind zijn?

Je zou zulks kunnen verwachten omdat kinderen gedurende verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis geboren werden in (jagers-verzamelaars)groepen waarin delen en samenwerken vanzelfsprekend waren. In de huidige samenleving is er daarnaast ook vrijwel altijd statuscompetitie en statushiërarchie, maar die toestand bestaat nog maar zo'n acht- tot tienduizend jaar.

Een aardig inzicht in onze natuurlijke goedheid geeft de studie The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture van Robert Hepach, Amrisha Vaish en Michael Tomasello. (Zie ook de eerdere studie Young children are intrinsically motivated to see others helped.)

De onderzoekers lieten kinderen van twee en een half jaar een spelletje doen waarbij ze konden slagen of niet. De positieve emotie bij het slagen werd, volgens een bekende procedure, afgelezen aan de lichaamshouding en de gelaatsuitdrukking (glimlachen). Het bleek toen dat de kinderen net zo positief reageerden als ze zelf slaagden als wanneer ze een ander hadden geholpen met te slagen.

In die eerdere studie was al gebleken dat kinderen van twee jaar even positief reageerden als zij zelf iemand hadden geholpen dan wanneer een ander die persoon hielp. Een aanwijzing dat het er om ging dat iemand hulp kreeg. In plaats van dat jij je er op zou willen voorstaan dat jij had geholpen. In dat laatste geval zou het gaan om berekenend pro-sociaal gedrag.

Aanwijzingen dus dat wij van nature goed zijn. Dat we er op zijn voorbereid om anderen bij te staan en om het als plezierig te ervaren dat anderen worden geholpen.

En dat brengt je tot het inzicht dat het opgroeien en het opgevoed worden en het socialiseren in de maatschappij waarin wij leven, er in resulteert dat die natuurlijke goedheid wordt bijgesteld, veranderd en, ja, deels de kop ingedrukt.

Ik moest denken aan Picasso, die gezegd moet hebben dat elk kind als kunstenaar wordt geboren, waarna dat talent in de opvoeding en het onderwijs wordt verdrongen.

woensdag 9 december 2015

Mensen gedijen in samenwerkingsverbanden, maar die zijn er te weinig - over de onvermijdelijkheid van de maakbare samenleving

Steeds meer onderzoek bevestigt wat we eigenlijk al wisten (en wat Darwin al wist): mensen zijn emotioneel en cognitief zo toegerust dat ze gemakkelijk met anderen samenwerken en in zulke verbanden goed gedijen. Eric Michael Johnson staat stil bij het vele onderzoek van Michael Tomassello en medewerkers naar de geneigdheid en het vermogen tot samenwerking bij jonge kinderen. Zo jong, dat je moet aannemen dat ze tot samenwerking en eerlijk delen zijn gepredisponeerd. Zie Survival of the Fairest. Why Corporate Culture Is out of Tune with Human Nature.

Tomassello maakt aannemelijk dat mensenkinderen, in tegenstelling tot chimpansees, al heel jong in staat zijn tot gedeelde intentionaliteit, het besef dat jij en de ander beide een bedoeling hebben, samen met het besef dat je dat van elkaar weet. Ook lijkt het dat kinderen interacties met gedeelde intentionaliteit uitlokken en opzoeken, kennelijk omdat ze het leuk vinden. Daarmee lijkt het de grondslag te vormen voor unieke menselijke trekken als instructie, taal en cultuur. Zie Shared intentionality van Tomassello en Carpenter. Ik stond eerder stil bij het werk van Tomassello in het bericht Michael Tomassello, kinderen, chimpansees en klauwaapjes. (In januari verschijnt van Tomassello een nieuw boek met de veelzeggende titel A natural history of human morality.)

Alles goed en wel, de vraag dringt zich natuurlijk op of wij in onze samenleving voor mensen wel genoeg de mogelijkheid creëren om ons vermogen tot en onze hang naar samenwerking uit te leven. Dat is een dringende vraag, omdat wij complex in elkaar zitten. We zijn er niet alleen op toegerust om samen te werken, nee, het vermogen tot statuscompetitie behoort daarnaast ook tot wat we overgeërfd hebben gekregen. We werken graag samen, maar als de mogelijkheden daartoe te weinig aanwezig zijn, dan gaat dat niet lukken.

Daardoor staan we onvermijdelijk voor de uitdaging om onze maatschappij, onze manier van samenleven, zelf en met elkaar vorm te geven. Die maakbare maatschappij is niet een linkse illusie, maar een onvermijdelijkheid. Als we die uitdaging niet aannemen en niet de samenwerkingsverbanden creëren waarin mensen gedijen, dan maken we daarmee in feite een maatschappij waarin statuscompetitie, wantrouwen en vijandigheid de boventoon voeren. De maatschappij maken, dat doen we so wie so.

Eric Michael Johnson, met wie ik dit bericht begon, spitst die uitdaging toe op hoe wij onze ondernemingen hebben georganiseerd. Want in de corporate culture is hiërarchie vanzelfsprekend. Als je werknemer wordt, ga je een positie in een hiërarchie innemen. Je hebt een functieomschrijving, moet richtlijnen opvolgen die van boven komen en moet opdrachten geven aan onder jou gestelden. Uiteraard is in veel organisaties ook samenwerking nodig, maar veel van de managementliteratuur gaat niet voor niets over het probleem hoe je samenwerking tot stand brengt ondanks dat je organisatie een hiërarchie is.

En de overheersende indruk is dat in de meeste bedrijven die noodzakelijke samenwerking onvoldoende tot stand komt. Het zou wel eens kunnen dat bedrijven die als coöperatie zijn georganiseerd een hogere arbeidsproductiviteit kennen. Is daar eigenlijk onderzoek naar gedaan, vroeg ik me af. En ja, dat is zo. Zie bijvoorbeeld hier, hier, hier en hier. (Gevonden door "worker cooperatives productivity") te googelen.) Daaruit kun je opmaken dat het weliswaar lastig is om te onderzoeken, maar dat er nogal wat voor te zeggen valt dat coöperaties een hogere productiviteit kennen.

Naast natuurlijk andere voordelen van coöperaties. Zie Lessen uit de Mondragón coöperaties (Tegenlicht), Is een coöperatieve economie een alternatief voor het kapitalisme? Nogmaals de Mondragon coöperaties en Mondragon Coöperatie zorgt niet alleen voor werkzekerheid, maar ook voor zekerheid dat er geld is.

maandag 4 november 2013

Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan

De menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig. Aan de ene kant hebben we een aanleg tot gemeenschapsgedrag. Tot het aanleren van morele intuïties van elkaar bijstaan als dat nodig is, van gelijkheid en autonomie en van afkeer van (pogingen tot) overheersing en uitbuiting.

Maar aan de andere kant hebben we ook een drang om ons in een statuscompetitie met anderen te meten. En om ons in een bestaande statushiërarchie onderdanig te gedragen naar boven en overheersend en neerbuigend naar beneden. En om coalities te sluiten, altijd tijdelijke, als middel om hoger op te klimmen.

Die innerlijke tegenstrijdigheid is eigenlijk een vorm van sociale flexibiliteit. Het is verstandig om je gedrag aan te passen aan het gedrag van anderen. In een sociale gemeenschap kun je beter gemeenschapsgedrag vertonen, en aanleren als je er in opgroeit. Doe je dat niet, dan stuit je op de afkeer die anderen van jouw gedrag hebben. Die laten ze je merken. Het is dan beter om dat gemeenschapsgedrag in de vorm van morele intuïties aan te leren (te internaliseren).

Maar bestaat je sociale omgeving uit een toestand van statuscompetitie of uit een statushiërarchie dan kom je niet ver met gemeenschapsgedrag. Als je geen alternatieven hebt, dan rest je niets anders dan mee te doen. Afhankelijk van je fysieke en sociale (manipulatieve en strategische) vaardigheden zul je lager of hoger in de hiërarchie terecht komen.

Kortom, mensen hebben twee sociale gedragspatronen gemakkelijk tot hun beschikking. En ze zijn in staat om zich aan te passen aan de aard van hun sociale omgeving. Eerder noemde ik dit de Dual Mode-theorie. Zie bijvoorbeeld hier en hier. En ging ik in op de vraag hoe deze menselijke sociale natuur in de evolutie heeft kunnen ontstaan. Van belang daarin is de Paleo Sociale Omgeving geweest, waarin onze verre voorouders, die het statuscompetitiegedrag van de gemeenschappelijke voorouder van Homo sapiens en chimpansee geërfd hadden, zich collectief zo aanpasten dat ze door middel van gemeenschapsgedrag met veel succes wisten te overleven. En dat hield dus in dat dat "oude" statuscompetitiegedrag collectief werd onderdrukt.

Herbert Gintis en Carel van Schaik gaan nu op de evolutionaire wortels van deze twee gedragspatronen in en de daarmee samenhangende sociaalpolitieke systemen. Ze doen dat in de studie Zoon Politicon: The Evolutionary Roots of Human Sociopolitical Systems (pdf), dat deze maand verschijnt in het boek Cultural Evolution van Peter J. Richerson en Morton H. Christianson. Wat mij er vooral in trof was het mooie overzicht van de voorwaarden waaronder de gemeenschap en het gemeenschapsgedrag van die Paleo Sociale Omgeving in de mensheidsgeschiedenis kon ontstaan. Ik probeer dat heel kort samen te vatten. Met enkele toevoegingen van eigen hand.

Er is natuurlijk niet precies één oorzaak die alles in werking stelde, maar in ieder geval was het rechtop gaan lopen (bipedalism) als een eerste voorwaarde belangrijk. Dat opende een groot aantal nieuwe mogelijkheden.

Een mogelijkheid was het gebruik van dodelijke wapens, zoals stenen en stokken. Dat had als belangrijk gevolg dat alfa-mannetjes, wier heerschappij vooral op fysieke kracht berustte, kwetsbaarder werden. Ze konden door ieder ander van de groep met een goed gerichte klap worden uitgeschakeld. Waardoor het moeilijker werd om de bestaande hiërarchie in stand te houden. Dat droeg bij aan de ontwikkeling naar meer gelijkheid.

Maar die dodelijke wapens, die bovendien verbeterd konden worden omdat je immers vanwege dat rechtop lopen de handen vrij had, konden natuurlijk ook gebruikt worden voor de jacht en dan vooral de jacht op grotere prooidieren. En dat had ook grote sociale gevolgen. Want het risico van die jacht en de kans op succes konden door te gaan samenwerken beïnvloed worden. En die samenwerking had ook zin, want een gedood prooidier leverde genoeg voedsel op voor een grotere groep.

Dat voedsel moest dan wel eerlijk verdeeld worden. Net als al het voedsel dat gezocht en verzameld werd en op een centrale plaats werd bijeengebracht. Maar waarom zou je dat niet meteen opeten als je het had gevonden? Omdat mensen ondertussen door hadden gekregen hoe je een vuurtje maakte en hoe je dus voedsel kon koken. Gekookt voedsel had het voordeel van snellere vertering, waardoor een kleiner darmkanaal nodig was. Maar als je voedsel kookte kon je dat ook gemakkelijker in grotere hoeveelheden dan voor een of enkele personen doen. Ook daarvoor was natuurlijk eerlijk delen nodig.

Dat eerlijk delen werd vergemakkelijkt door de toegenomen gelijkheid. Die maakte het ook mogelijk dat kinderen coöperatief werden grootgebracht, dus minder exclusief door alleen de eigen moeder, zoals bij de chimpansees, waar de moeder het jong jarenlang bij zich heeft. De zorg werd met vader, grootouders, oudere kinderen en andere groepsleden gedeeld. Dat had het voordeel dat kinderen langer afhankelijk konden blijven. Waardoor ze ook vroeger konden worden geboren, wat een goede aanpassing was aan de sneller groeiende hersenomvang. Die weer een aanpassing was aan het complexer geworden sociale leven in een egalitaire groep. Door hersenen ook na de geboorte nog lang te laten doorgroeien, faciliteer je het sociale leerproces.

En precies dat laatste behelsde de ontwikkeling van de morele gemeenschapsintuïties. Op basis van het vermogen van de gedeelde intentionaliteit: het besef dat jij en de ander een bedoeling hebben en het besef dat beide dat van elkaar weten (Tomasello). Op grond daarvan is de typisch menselijke coördinatie en coöperatie mogelijk.

Dat alles laat onverlet dat het vermogen en de neiging tot statuscompetitie nog aanwezig zijn. Maar zolang dat gemeenschapsgedrag in de groep domineert, en daarmee de afkeer van onderdrukt worden en van bazig gedrag van anderen, zullen incidentele neigingen tot statuscompetitie collectief onderdrukt worden. Door sociale sancties, zoals ridiculisering en ostracisme (negéren), dus door sociale controle. Leiderschap, zo het er al is, is altijd gebaseerd op vaardigheden en gedrag die in dienst staan van de groep. Niet op de zucht naar status en eigen gewin.

Kortom, mensen zijn onder de passende omstandigheden heel goed in staat om een een op gelijkheid en onderlinge solidariteit gebaseerde groep tot stand te brengen en in stand te houden. Als die omstandigheden er niet zijn, ja, dan zien we snel een statushiërarchie ontstaan.

Overigens, als je hier welvaartstheoretisch naar kijkt, dan zie je een sociaal systeem met twee sociale evenwichten: het evenwicht van de gemeenschap en het evenwicht van de statushiërarchie. Met de veronderstelling dat het gemeenschapsevenwicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Volgens dit scenario begon het dus met het rechtop lopen. Zo eenvoudig zal het wel niet zijn gegaan, maar stel dat, waardoor gingen onze voorouders rechtop lopen?

Een plausibele verklaring daarvoor is dat er in Oostelijk Afrika in dat verre verleden een periode, of meer periodes, waren van toenemende droogte. Waardoor het regenwoud zich terugtrok en het landschap van de savanne zich uitbreidde. Meer grasland dus, met meer verspreid voedsel én meer roofdieren en grotere prooidieren. Maar om de voordelen daarvan te kunnen benutten, en beter tegen de nadelen er van gewapend te zijn, was het gunstiger om rechtop te gaan lopen. Die niche werd benut door een van de primaten die hun leefgebied, dat van het regenwoud, zagen inkrimpen. En dat waren onze voorouders. Dat had overigens natuurlijk net zo goed niet kunnen gebeuren.

dinsdag 27 november 2012

Menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag is aanpassing aan onderlinge afhankelijkheid

Michael Tomasello, over wie ik eerder schreef (zie hier en hier), heeft samen met co-auteurs een prachtig artikel (pdf) geschreven over de evolutionaire grondslagen van het menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag. De link is naar het manuscript; het artikel is nu verschenen in Current Anthropology.

De auteurs laten zien dat het unieke menselijke vermogen tot gedeelde aandacht, communicatie, samenwerking en pro-sociaal gedrag kon ontstaan als aanpassing aan de mogelijkheid om er in situaties van onderlinge afhankelijkheid gezamenlijk beter van te worden. Het speltheoretische model voor zulke situaties is dat van de Hertenjacht (Stag Hunt). In dat model kan iedereen individueel overleven door op hazen te jagen, maar je kunt ook met zijn allen op herten jagen. Dat vereist samenwerking en coördinatie en de bereidheid om de veel grotere opbrengst eerlijk te delen. Of de bereidheid dat eerlijke delen af te dwingen als dat nodig mocht zijn. De oplossing van die gezamenlijk hertenjacht is precair, want zodra het vertrouwen in elkaar afbrokkelt, heeft iedereen nog altijd dat individuele alternatief van de hazenjacht.

Ik heb het artikel nu eenmaal en vrij snel gelezen, maar het is een uitvoeriger bestudering waard. Het sluit naadloos aan bij deze eerdere berichten over onderlinge afhankelijkheid als voorwaarde voor zelf-organisatie:

Mensen zijn bereid tot sanctionering in zelf-organisatie
Elkaar bij de les houden in zelf-organisatie

Ik heb in het verleden over de evolutionaire grondslagen van pro-sociaal gedrag altijd sterk in de richting gedacht die nu zo voortreffelijk door Tomasello c.s. wordt uiteengezet. Spannend dus om te volgen. Zie voor mijn eigen zeer bescheiden pogingen, samen met Evelien Zeggelink, Donald Elsas en Rita Smaniotto, waarin we onderlinge afhankelijkheid nog als een Prisoner's Dilemma modelleerden :

The emergence of reciprocal altruism and group-living (1994)
Reciprocal altruism in human social evolution (1997)
Reciprocal altruism under conditions of partner selection (2001)

Update. Oei, daar geef ik in de laatste zin zo maar een verkeerd beeld van het eigen werk. Die onderlinge afhankelijkheid modelleerden we juist niet als een gevangenendilemma. Dat kon ook niet omdat we de spelers in het model hun interactiepartners zelf wilden laten kiezen. Dat was toen in simulaties van het evolutionaire ontstaan van pro-sociaal gedrag nog nooit gedaan. Eigenaardig dat ik dat dan verkeerd opschrijf.

donderdag 3 november 2011

Het menselijke temperament: verlegenheid

Onderzoek van Michael Tomasello en anderen wijst er op dat een voor sociaal gedrag belangrijk verschil tussen mensen en chimpansees er in gelegen is dat mensen een kalmer temperament hebben. Chimpansees zijn minder goed dan mensen in staat om hun neiging tot statuscompetitiegedrag te onderdrukken. Dat is een cruciaal verschil, omdat het menselijk vermogen tot onderdrukking van die neiging de mogelijkheid opent voor gezamenlijke activiteiten en coöperatieve communicatie.

Een aspect van dat temperament is de dimensie van verlegenheid-stoutmoedigheid. In een sociale omgeving waarin statuscompetitie overheerst, is het zaak om stoutmoedig te zijn en dus om dat soort gedrag snel aan te leren als je opgroeit. Andersom: in een sociale omgeving met veel gemeenschapsgedrag, kun je je veroorloven om verlegen en voorzichtig te zijn.

Tomassello en mede-onderzoekers hebben nu onderzocht of twee en een half-jarige (mensen-)kinderen op deze dimensie verschillen van chimpansees, orang-oetans en bonobo's. Ze deden dat door te kijken hoe ze reageerden op voor hen nieuwe objecten en onbekende personen. Het blijkt dan dat kinderen veel meer vermijdend en dus verlegen reageren dan chimpansees, orang-oetans en bonobo's. Het ging steeds om vrij jonge apen die aan mensen gewend waren.

Een mogelijke interpretatie daar van is dat kinderen in het geval van nieuwe ervaringen meer geneigd zijn om geruststelling te zoeken bij ouders en anderen uit hun nabije omgeving. Die meer afwachtende en observerende houding maakt hen meer ontvankelijk voor het leren van het gedrag van anderen en van de instructies door die anderen. Kortom: die verlegenheid is misschien een voorwaarde voor het menselijk vermogen om cultuur tot stand te brengen en door te geven. Zo verkeerd is het misschien niet om verlegen te zijn.

Opvallend was dat de kinderen nog het meest leken op de bonobo's. En het is bekend dat bonobo's veel minder aan statuscompetitie doen dan chimpansees en orang oetans. Waarschijnlijk lijken klauwaapjes nog meer op kinderen.

Update. Zie van Tomaselo ook dit leerzame hoofdstuk over menselijke cultuur in evolutionair perspectief. Het verschijnt dit jaar in M. Gelfand (Ed.). Advances in Culture and Psychology. Oxford University Press

donderdag 29 september 2011

Michael Tomasello, kinderen, chimpansees en klauwaapjes

De British Academy heeft de 2011 Wiley Prize voor psychologie toegekend aan Michael Tomasello. Dat is toe te juichen, want Tomasello heeft, samen met anderen, heel belangrijk onderzoek gedaan naar pro-sociaal gedrag bij kinderen en bij chimpansees. Ter gelegenheid van de toekenning zijn veel van zijn wetenschappelijke artikelen online gezet. Hij heeft in een reeks van studies laten zien dat kinderen al vanaf 14 tot 18 maanden oud spontaan anderen helpen. Het gaat dan om helpen in de zin van bijvoorbeeld iemand iets aanreiken die daar zelf moeilijk bij kan. Ze doen dit zonder er voor beloond te worden; sterker: beloning werkt averechts. Kinderen lijken van nature altruïstisch te zijn en leren pas op latere leeftijd te differentiëren tussen anderen die wel of niet geschikte partners zijn voor hun hulpbereidheid. Dit is een aardig artikel waarin veel van dit onderzoek wordt samengevat. Zie ook dit prachtige boek!

Omdat (jonge) chimpansees ook tot dit gedrag in staat zijn, lijkt het niet bij mensen vanuit het niets te zijn ontstaan. Het lijkt meer algemeen zoogdierengedrag, dat mogelijk is, in de zin van dat het evolutionair blijft bestaan, omdat pasgeborenen meteen een directe omgeving hebben waarin tenminste een andere, de eigen moeder, zorggedrag vertoont. Misschien is het dus wel veel meer aanwezig dan alleen bij mensen en chimpansees. Dat dat zo is, weten we al als het om apensoorten gaat die hun jongen coöperatief grootbrengen, zoals de klauwaapjes ("common marmosets"). Het interessante daarvan is weer dat dat altruïstische gedrag bij die aapjes op volwassen leeftijd in stand blijft. Die zorgende omgeving die er voor chimpansee-jongen alleen is zolang de moeder nog zorgt (heel lang, trouwens) en voor mensenkinderen buiten het eigen gezin historisch gezien steeds minder aanwezig is, drijft op dat altruïstische gedrag en maakt het mogelijk. Klauwaapjes vormen echte gemeenschapjes, waarin samen voor de jongen wordt gezorgd en samen aan externe bedreigingen het hoofd wordt geboden.

Dit is alles wel heel kort door de bocht geformuleerd, maar het wijst nog eens op het fundamentele belang van de sociale omgeving. Want mensen zijn natuurlijk niet alleen maar pro-sociaal. Of zoals Warneken en Tomassello het formuleren:
It is a common observation that human beings, as a species, are extraordinarily helpful, even to non-relatives (in addition to being downright mean on many occasions also).