zondag 9 december 2018

Zondagochtendmuziek - Pletterij Muziek - Instant Composers Pool Orchestra - 17 mei 2018

Onderhoudend, ontregelend en o zo muzikaal: gisteravond in Club Nine in het Utrechtse TivoliVredenburg speelde het Instant Composers Pool Orchestra.

Vooral stukken van oprichter Misha Mengelberg, maar ook van Thelonious Monk, Herby Nichols, Guus Janssen en Thomas Heberer.

Een uniek stel muzikanten bij elkaar. Voor niet-ingewijden: lees hier meer over de geschiedenis van het orkest en over de musici.

Dit is een opname van een optreden eerder dit jaar. Twee uur plezier.

donderdag 6 december 2018

Narcisten hebben niet zoveel met democratie - Over narcistische leiders en narcistische kiezers

We zitten middenin de derde stap van de mensheidsgeschiedenis, waarin het erom zal spannen of de democratie, de verzorgingsstaat, de gelijkberechtiging en de mensenrechten zich zullen weten te handhaven. Zie hier het laatste bericht van de reeks over die drie stappen.

De democratie is een vorm van staatsinrichting die waarborgen in zich bergt om te grote machtsongelijkheid tegen te gaan. Waarborgen die je kunt samenvatten in de scheiding der machten (trias politica): de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. Die er onder meer voor zorgt dat de bekleders van de uitvoerende macht (de regering of de president) bij verkiezingen naar huis kunnen worden gestuurd.

Eigenlijk kun je die scheiding der machten, weliswaar anachronistisch, zien als een toepassing van de leer van de tegengestelde machten van John Kenneth Galbraith. (Anachronistisch omdat de trias politica teruggaat tot de Franse Verlichtingsfilosoof en -socioloog Montesquieu.) Machten in een democratische staatsvorm hebben altijd een tegenmacht nodig of, anders gezegd, niet alle macht mag in één instantie of één persoon geconcentreerd zijn.

Of dit belangrijke inzicht zich zal weten te handhaven, hangt ervan of het tegen allerlei bedreigingen opgewassen is. Een van die bedreigingen bestaat eruit dat grote nationale of internationale machtsongelijkheid tussen private partijen ertoe kan leiden dat de democratie wordt "opgekocht" door het Grote Geld. Door beïnvloeding van de verkiezingen of meer rechtstreeks door omkoping en corruptie. Welnu, dat zien we dagelijks in het nieuws.

Een andere bedreiging is dat er ook in een democratie een persoon aan de macht kan komen die qua persoonlijkheid niet goed bij machte is om binnen de beperkingen van die scheiding der machten te functioneren. We hebben het dan over de narcistische persoonlijkheid. Zie hier voor de DSM IV beschrijving van de narcistische persoonlijkheidsstoornis.

In de recente geschiedenis is de opkomst van het Hitler-bewind in het Duitsland van de jaren 30 van de vorige eeuw wel het meest in het oog springende voorbeeld van die bedreiging. Zie het bericht Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken: de persoon voor Sebastian Haffners beschrijving van Hitlers narcisme, door Haffner bindingsangst genoemd. Met daarin dit Haffner-citaat:
... een totaal gebrek aan vermogen tot zelfkritiek. Hitler was zijn hele leven lang buitengewoon met zichzelf ingenomen en daardoor altijd tot zelfoverschatting geneigd. Stalin en Mao hebben de cultus rond hun persoonlijkheid gebruikt als een politiek instrument, zonder zichzelf een rad voor de ogen te laten draaien. Hitler was niet alleen het onderwerp van de Hitlercultus, hij was er ook de vroegste, hardnekkigste en vurigste aanhanger van.
Dit extreme narcisme maakte het voor hem ondenkbaar dat hij de beperkingen van de democratische staatsinrichting zou kunnen accepteren. Vandaar dat hij toen hij eenmaal aan de macht was, de grondwet afschafte en een persoonlijke statushiërarchie creëerde met hemzelf als Führer aan de de top.

Maar nu, in 2018, maken we in de Verenigde Staten (en in sommige andere landen) een episode in de geschiedenis van de democratie mee die daar enigszins op lijkt. De narcist Donald (I'm a Stable Genius) Trump heeft immers ook duidelijk grote moeite met de democratische beperkingen die aan zijn positie en aan zijn gedrag zijn gesteld. (Zie ook het bericht Trump en Hitler.) Of hij daarmee wegkomt, of dat hij het hoofd moet buigen voor het ingrijpen van de rechterlijke macht (Speciaal Aanklager Robert Mueller) en de wetgevende macht (het nieuwe Huis van Afgevaardigden in januari), dat zal de komende dagen, weken of maanden duidelijk worden. De tijden zijn spannender dan je zou willen. Update. Correctie: De Speciaal Aanklager Robert Mueller is natuurlijk niet onderdeel van de rechterlijke macht, maar van wat wij het Openbaar Ministerie noemen.

Het zou kunnen zijn dat je die onverenigbaarheid van narcisme en democratie niet alleen aantreft bij narcisten die aan de macht zijn gekomen, maar ook bij narcistische kiezers. Zou de steun voor de democratie bij narcisten geringer zijn? Je zou dat kunnen denken omdat narcisten het niet goed zouden kunnen verdragen om zich bij een meerderheidsbesluit neer te leggen als ze zelf tot de verliezende minderheid behoren.

De nieuwe studie My way or the highway: High narcissism and low self‐esteem predict decreased support for democracy verschaft aanwijzingen in die richting. Bij twee groepen respondenten, een in de Verenigde Staten en een in Polen, bleek dat narcisme samenhing met minder steun voor de democratie. Bovendien bleek een deel van dat verband verklaard te kunnen worden met de mate van vertrouwen in andere mensen (interpersoneel vertrouwen). Narcisten hebben minder vertrouwen in anderen en dat geringere vertrouwen in andere mensen gaat weer samen met minder steun voor de democratie.

Kortom, of de democratie uiteindelijk zal weten te overwinnen hangt er mede vanaf of we het narcisme als persoonlijkheidstrek met zijn allen voldoende weten te onderdrukken.

dinsdag 4 december 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 11 - Ongelijkheid is ook altijd machtsongelijkheid en macht heeft tegenmacht nodig

We zijn bij de derde stap van de mensheidsgeschiedenis aangekomen. De stap richting de democratie, de gelijkberechtiging, de verzorgingsstaat en de mensenrechten. Maar of de mensheid in staat zal zijn om die stap te voltooien is bepaald nog niet zeker. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Het allesoverheersende probleem waar we mee geconfronteerd worden is dat van de sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw sterk toegenomen ongelijkheid.

Er zijn al talloze rapporten en artikelen en boeken verschenen die die toename documenteren. Ik verwijs nu maar even naar het eerder op dit blog verschenen bericht Was de explosie van CEO-beloningen een kwestie van normverandering?

Daarin zie je voor de Verenigde Staten een grafiek van hoe de beloningen van de ondernemingsbestuurders (CEO's) zich ontwikkelden in vergelijking met de van de gewone werknemers. Je ziet de plotselinge en sterke stijging van die ratio eind jaren tachtig, waarna er fluctuaties optreden die samenhangen met het barsten van de internetzeepbel (1997 - 2000) en de Grote Financiële Crisis van 2008 - 2010). Die er op wijzen dat de economie met de toename van de ongelijkheid instabieler werd. De grafiek eindigt in 2011, toen de CEO's bijna 300 maal meer verdienden dan de gewone werknemer, vergeleken met 20 maal zoveel in de jaren 60 en 70.

In datzelfde bericht zie je ook een veelzeggend plaatje dat iets zegt over de oorzaken van die sterke toename van de ongelijkheid. De grafiek namelijk die laat zien hoe de marginale belastingtarieven van de hoogste inkomens zich ontwikkelden tussen 1916 en 2011. Je ziet dat het tarief voor de inkomstenbelasting in de jaren 50, 60 en 70 nog op 90 procent lagen, maar daarna stapsgewijs en snel halveerden. In ieder geval een deel van die toegenomen ongelijkheid is dus een gevolg geweest van bewust beleid. Het neoliberale beleid dat meer ongelijkheid juist goed zou zijn voor iedereen.

Grote ongelijkheid bergt grote gevaren in zich, doordat er processen optreden die maken dat die ontwikkeling onomkeerbaar wordt. Ik heb ze opgesomd in het bericht Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten.

Een van die gevaren is dat ongelijkheid altijd ook machtsongelijkheid is. En machtsongelijkheid vormt uiteraard een bedreiging voor de democratie en de gelijkberechtiging. De verleiding van machtigen om hun macht uit te oefenen ter behartiging van hun eigen belangen is over het algemeen onweerstaanbaar.

Vandaar dat John Kenneth Galbraith in de jaren 50 van de vorige eeuw zijn, nu nagenoeg vergeten, maar wel heel actuele, theorie van de tegengestelde machten (countervailing powers) ontwikkelde. Je kunt zijn betoog lezen alsof het nu geschreven is.

Als je naar "reëel bestaande" markten kijkt, in tegenstelling tot de markten met volledige concurrentie uit sommige leerboeken, dan zie je dat daar machtsconcentraties kunnen optreden. Die kunnen soms als vanzelf een tegengestelde macht oproepen, maar dat is niet gegarandeerd. Als dat niet zo is, dan ligt daar een taak voor de overheid. Meer daarover in het volgende bericht, maar nu alvast Galbraith zelf aan het woord (geciteerd uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism):
Aangezien het verschijnsel der tegengestelde (vind ik beter dan het "contrasterende" van de vertaler) machtsposities van groot praktisch belang is, ook al vond het lange tijd in de economische en politieke theorie geen erkenning, zouden we, in overeenstemming met onze sterk pragmatische benadering, van de overheid verwachten dat zo'n machtspositie voorwerp zou zijn van een groot stuk wetgeving en overheidsbeleid. (...)
In feite is in de moderne tijd het steunen van tegengestelde machtsposities misschien wel de voornaamste binnenlandse taak in vredestijd geworden van de federale regering.
Dat komt nogal actueel over, nu de Verenigde Staten worstelen met een groot monopolieprobleem:
The Monopolization of America

En dan hebben we het nog niet eens over de macht van de grote internationale ondernemingen: Break up Facebook (and while we're at it, Google, Apple and Amazon).

zondag 2 december 2018

Zondagochtendmuziek - Neil Young - The Losing End (Official Audio)

Van Anton Bruckner (1824 - 1896) vorige week naar Neil Young (1945 - ) nu, dat is voor een gewone muziekliefhebber niet zo'n grote stap. Muziek gaat over emoties en geeft uitdrukking aan emoties die je in taal maar beperkt vorm kunt geven. En bij zowel Bruckner als bij Neil Young gaat het over zulke emoties.

Ik heb de muzikale carrière en biografie van Neil Young niet altijd even goed gevolgd. Was onder de indruk toen ik net de wikipedia-pagina doorlas. Maar zo nu en dan kwam hij voorbij en dan was ik eigenlijk altijd ontroerd.

Gisteren de nieuwe live- cd Songs for Judy beluisterd. 23 korte nummers, opnames van een solo akoestische tour in 1976, het ene nog mooier dan het andere. Hier The Losing end.

vrijdag 30 november 2018

Mensen die vinden dat hen meer toekomt dan anderen zijn meer bezig met statuscompetitie

Je hebt mensen die vinden dat hen meer toekomt dan anderen en dat ze meer rechten hebben dan anderen. In de Engelstalige sociaalwetenschappelijke literatuur wordt dat sense of entitlement genoemd. In vragenlijsten wordt het gemeten met deze 9 uitspraken, waarvan je moet aangeven in hoeverre je het er mee eens of oneens bent:
1. I honestly feel I’m just more deserving than others.
2. Great things should come to me.
3. If I were on the Titanic, I would deserve to be on the first lifeboat!
4. I demand the best because I’m worth it.
5. I do not necessarily deserve special treatment (omgekeerd gecodeerd)
6. I deserve more things in my life.
7. People like me deserve an extra break now and then.
8. Things should go my way.
9. I feel entitled to more of everything
Mensen die hoog scoren op de sense of entitlement (SoT) hebben een hoge dunk van zichzelf. Er is inderdaad een samenhang met narcisme, eruit blijkend dat de schaal voor narcisme een entitlement sub-schaal kent. Maar bij de SoT gaat het om een eigenschap die meer voorkomt in de algemene bevolking, terwijl je bij die narcisme sub-schaal meer aan pathologie moet denken. Laten we zeggen dat SoT een mildere vorm van narcisme is.

Je zou denken dat mensen die vinden dat hen meer toekomt dan anderen sterk bezig zijn met statuscompetitie. Dus met het zich vergelijken met anderen en het gemotiveerd worden door het streven naar prestige en naar het domineren over anderen. Als jij meer rechten hebt dan anderen, dan verwacht je dat die anderen jou prestige toekennen ("hij zal die voorrechten wel niet zomaar hebben") en dat ze zich bij die rechtsongelijkheid neerleggen en zich door jou laten overheersen.

De resultaten van de nieuwe studie A Status-Seeking Account of Psychological Entitlement wijzen inderdaad in die richting. Mensen met een hogere SoT zijn meer gemotiveerd door het zoeken naar prestige ("Ik wil dat anderen mij respecteren en bewonderen.") en dominantie ("Ik hou ervan om anderen te controleren", "Ik ben bereid om agressieve tactieken te gebruiken om mijn zin te krijgen.") en zijn ze meer jaloers op anderen met hogere status.

Bereiken ze ook wat ze nastreven? Maar ten dele. Anderen zien hen wel als dominant, maar kennen hen juist minder prestige toe.

Dat komt ermee overeen dat we mensen die een hoge dunk van zichzelf hebben meestal niet aardig vinden. En met eerder onderzoek dat ze meer conflicten hebben met anderen en dat hun status en populariteit in langdurige relaties erop achteruitgaan.

woensdag 28 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 10 - Stagnerende loongroei, nu en in de negentiende eeuw

De periode waar we ons nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, in bevinden, is natuurlijk in velerlei opzichten uniek. Maar hij is tegelijkertijd ook "slechts"  een onderdeel van de derde stap in de mensheidsgeschiedenis, de stap die begon met de Industriële Revolutie en die ons, als alles goed gaat, en dat is niet zeker, democratie, de verzorgingsstaat, gelijkberechtiging en mensenrechten oplevert. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Gedurende die stap maken we soms vooruitgang en soms niet en is er soms zelfs achteruitgang. Dat inzicht komt bij je op als je vandaag de berichten leest over het Global Wage report 2018/19 van de Internationa Labour Organization (ILO). 

Volgens de berekeningen van het ILO zet de wereldwijde (136 landen) stagnatie van de lonen zich door. Terwijl de lonen in 2016 nog met 2,4 procent groeiden, namen ze in 2017 met slechts 1,8 procent toe. In de rijke (G20-)landen is de stagnatie zelfs groter: 0,9 procent in 2016 en 0,4 procent in 2017.

En dat is een opvallende ontwikkeling, aldus het ILO:
“It’s puzzling that in high-income economies we see slow wage growth alongside a recovery in GDP growth and falling unemployment. And early indications suggest that slow wage growth continues in 2018,” said ILO Director-General Guy Ryder. “Such stagnating wages are an obstacle to economic growth and rising living standards. Countries should explore, with their social partners, ways to achieve socially and economically sustainable wage growth.”
Die stagnerende lonen steken schril af bij de productiviteitsgroei en bij de inkomens- en vermogensgroei aan de top. We zien dus een doorgaande ontwikkeling van ongelijkheid, een trend die voorafgaand aan de Grote Financiële Crisis van 2008 begon. Kijk nog even naar Zelfverrijking in de financiële sector en financiële crises.

Het FD legt de vinger op de zere plek:
De ILO geeft daarmee nieuwe voeding aan een al langer lopende discussie over het arbeidsaandeel in de economie. Al vele jaren wordt vastgesteld dat in een groot aantal rijke landen het loonaandeel in de economie relatief slinkt. Het gevoel ontstaat dat werknemers veel te weinig de vruchten plukken van de groei. Dat wordt ook als verklaring gezien van het opkomend populisme.
Ja, als de economische ontwikkelingen zo weinig tegemoetkomen aan de behoefte aan bestaanszekerheid en hoop bij grote delen van de bevolking en tegelijk zo goed uitpakken voor degenen aan de top, dan is dat een voedingsbodem voor rechts-extremisme. En dus een gevaar voor de democratie en de waarden die daarmee samenhangen.

Doordat ik weer eens Piketty's Capital in the Twenty-First Century had opengeslagen, viel me de overeenkomst op tussen deze hedendaagse ontwikkeling met die van een groot deel van de negentiende eeuw.

Want Piketty beschrijft daar in de Inleiding tot zijn magnum opus de ontwikkeling van het industriële kapitalisme in de negentiende eeuw, zo omstreeks en voorafgaand aan 1867, het jaar dat Karl Marx het eerste deel van Das Kapital de wereld instuurde.

Het meest opvallend, zo schrijft hij, is de ellende van het industriële proletariaat (p. 7-8).
In fact, all the historical data at our disposal indicate that it was not until the second half - or even the final third - of the nineteenth century that a significant rise in the purchasing power of wages occurred. From the first to the sixth decade of the nineteenth century, workers' wages stagnated at very low levels - close or even inferior to the levels of the eighteenth and previous centuries. This long phase of wage stagnation, which we observe in Britain as well as France, stands out all the more because economic growth was accelerating in this period. (...)
In any case, capital prospered in the 1840s and industrial profits grew, while labor incomes stagnated. This was obvious to everyone, even though in those days aggregate national statistics did not yet exist. It was in this context that the first communist and socialist movements developed. (...) The bankruptcy of the existing economic and political system seemed obvious. People therefore wondered about its long-term evolution: what could one say about it?
En dat was precies de vraag die Marx zich stelde. Vandaar dus Das Kapital, maar eerder, in 1848, samen met Friedrich Engels het Communistisch Manifest.

En de overeenkomst met 2018 is wel zo opvallend dat dit jaar een herdruk van dat Communistisch Manifest werd uitgebracht, met een fraaie inleiding van Yanis Varoufakis: De actualiteit van een pamflet uit 1848 (het Communistisch Manifest).

dinsdag 27 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 9 - Democratie bedreigd door het Grote Geld; Piketty en Galbraith

We zijn in dit relaas van de mensheidsgeschiedenis aangekomen op een punt dat we met de democratie, de verzorgingsstaat, de gelijkberechtiging en de mensenrechten zich een collectief project zien ontwikkelen dat eruit bestaat de oeroude morele gemeenschapsintuïties in nationale en internationale instituties vorm te geven. Dat project is nog maar kort aan de gang, zeg één of anderhalve eeuw. En nu, in 2018, weten we nog niet goed of het zal slagen.

Omdat we er nog middenin zitten, is het bovendien moeilijk om een goed overzicht te krijgen en te houden van alle ontwikkelingen die zich afspelen en die de uitkomst kunnen beïnvloeden. Aan het eind van het vorige bericht in deze reeks was ik tot de tussentijdse conclusie gekomen dat het goed zou zijn om stil te staan bij het werk van Thomas Piketty (2014) en bij dat van John Kenneth Galbraith (1956).

Bij Piketty's Capital in the Twenty-First Century, omdat daar, in Hoofdstuk 12 (Global Inequality of Wealth in the Twenty-First Century), de extreme concentratie van vermogens en vermogensgroei sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zo goed naar voren komt. Er kwamen meer miljardairs en het aandeel van de miljardairs in het wereldwijde inkomen stegen. De inkomens van de rest bleven daar sterk bij achter.

Ee een flink deel van dat geconcentreerde kapitaal, tenminste 10 procent van het wereld Bruto Nationaal Inkomen, maar waarschijnlijk meer, bevindt zich in belastingparadijzen. Dit is, zo merkt Piketty op, een extreem hoog bedrag, meer dan tweemaal zoveel als de vermogenspositie van de groep rijkste landen (Japan, Europa, Verenigde Staten).

Een wel heel sterke aanwijzing dat er zoiets als het Grote Geld bestaat en dat degenen die dat Grote Geld vergaard en gecumuleerd hebben, er goed in slagen om het aan de belastingheffing te onttrekken. En dus een sterke aanwijzing dat de democratie in gevaar is.

Vandaar dat Piketty tot de conclusie komt dat er een wereldwijde progressieve belastingheffing op kapitaal nodig is om deze zichzelf versterkende kapitaalsaccumulatie een halt toe te roepen. Dat lijkt, zoals hij ook zelf opmerkt, voorlopig een utopisch ideaal. Maar misschien onvermijdelijk in een geglobaliseerde wereld met vrij verkeer van kapitaal.

In dat verband is het voor de hand liggend om het betoog van John Kenneth Galbraith uit de jaren 50 van de vorige eeuw terug in de herinnering te roepen. Dat inhield dat er op markten machtsposities kunnen ontstaan en dat die machtsposities voorafgaand aan de Crash van 1929 in de Verenigde Staten aanzienlijk waren. Uit de Nederlandse vertaling van American Capitalism (mijn Aula-pocket uit 1965):
Hier was een macht die invloed had op de prijzen die de gewone man betaalde, op het loon dat hij ontving; een macht die het formidabelste obstakel naar omvang en ervaring betekende dat een nieuwe onderneming in de weg stond. Wat zou zo'n macht wel niet kunnen aanrichten als de omvangrijke hulpbronnen ervan gebruikt zouden worden voor politieke corruptie en het beïnvloeden van de openbare mening?
Dat bracht Galbraith ertoe om zijn theorie van de tegengestelde machten (countervailing powers) te ontwikkelen. Die dus inhield dat er op markten machten kunnen ontstaan, waar een tegengestelde macht tegenover moet staan om economische schade te voorkomen. Die tegenmacht ontstaat soms vanzelf, maar vaak is daar een helpende hand van de overheid bij nodig. Die dus ook inhield dat je markten niet zomaar aan zichzelf kunt overlaten.

Of de overheid moet zelf die tegenmacht vormen, door een herverdelingsbeleid met progressieve belastingheffing op inkomen en vermogen. En in een geglobaliseerde economie moet dat dus ook een geglobaliseerde belastingheffing zijn.

En zolang die er niet is, ja, dan gaat dat proces van kapitaalsaccumulatie aan de top en stagnatie bij de rest gewoon door. Dat is dus niet alleen economisch schadelijk, maar tegelijk sterk bedreigend voor de democratie.

Denk aan Galbraith: wat zou zo'n macht wel niet kunnen aanrichten?

zondag 25 november 2018

Zondagochtendmuziek - Bruckner Symphony No 7 Celibidache Münchner Philharmoniker Live Tokyo 18...

Het voordeel van een eenvoudig muziekliefhebber te zijn, is dat je je smaak gemakkelijk kunt blijven ontwikkelen. Want er is altijd muziek waar je nog te weinig ervaring mee hebt, die je misschien op het eerste oor te weinig heeft geboeid, maar die je dan opeens opnieuw kunt ontdekken.

Zo was ik tot nu toe niet zo geboeid door de symfonieën van Anton Bruckner (1824 - 1896). die wat wereldvreemde, vrome, Oostenrijkse organist en componist, die zijn hele leven de aardse liefde zocht die maar niet op zijn pad kwam. Hij moet onophoudelijk en tot op hoge leeftijd verliefd zijn geweest op jonge dames. Hopeloos verliefd, want onbeholpen, "als van een tiener".

In dat niet zo geboeid raken speelt een rol dat ik lang geleden al weer in het oude Vredenburg een uitvoering bijwoonde van ik meen zijn Achtste Symfonie door het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van de Poolse dirigent Stanislaw Skrowaczewski, die werd aangeprezen als groot Bruckner-dirigent. Ik vond het rommelige muziek, kon er geen lijn in ontdekken en begon me te vervelen, ja, zelfs te ergeren. Dat zal niet aan de uitvoering hebben gelegen. Dus ik dacht, Bruckner is niets voor mij.

Maar toch heb ik wel wat Bruckner-cd's in de kast staan. Zoals de uitvoering van de Zevende Symfonie, die het meest gespeeld wordt, door het Radio-Symphonie-Orchester Berlin onder leiding van Ricardo Chailly. En gisteren, in een opwelling, zette ik die op. Ik was niet teveel bezig met wat ik gedaan had en met wat ik nog zou doen en luisterde met aandacht. En eigenlijk al vanaf de eerste maten was ik geboeid. Hoe dat kon, ik vroeg het me maar niet af. Ik werd meegenomen en liet dat gebeuren.

Daarna ging ik op YouTube op zoek naar video's van uitvoeringen. En die zijn er volop. Ik noem Abbado, Karajan, Eschenbach, Haitink, Thielemann, Jochum.

Maar ik bleef hangen bij deze uitvoering, door de Münchner Philharmoniker onder leiding van, jawel, de legendarische Sergiu Celibidache. Hij kwam in de zondagochtendmuziek eerder voorbij met de Negende van Dvořák.

En ook nu weer: een extreem langzaam tempo. Neem er dus de tijd voor. En laat je meenemen door die merkwaardige combinatie van totale ontspanning en opperste concentratie waarmee Celibidache op de bok zit en alles, uit het hoofd, in goede banen leidt.

vrijdag 23 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 8 - Democratie bedreigd door het gevaar van de Grote Ondernemingen en dus van het Grote Geld

Wat valt er zoal te zeggen over de eerste van de twee grote uitdagingen waar we op dit punt in de mensheidsgeschiedenis voor staan? De uitdaging dus van de onderlinge verhoudingen: zullen we het met de Industriële Revolutie in het leven geroepen kapitalisme zo kunnen vormgeven dat het blijft voldoen aan onze behoeften aan democratie, gelijkberechtiging en mensenrechten? Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Nu, in 2018, bestaat die uitdaging er allereerst uit dat de democratie zich wellicht niet weet te handhaven tegenover de bedreigingen die uitgaan van de marktmacht van de grote internationale ondernemingen en de daarmee gepaard gaande grote inkomens- en vermogensongelijkheid.

Die marktmacht en die ongelijkheid konden sterk groeien sinds zo ongeveer in de jaren 80 van de vorige eeuw het neoliberalisme de politiek ging domineren, de rol van de overheid en van de vakbeweging werd teruggedrongen en de verzorgingsstaat werd afgebouwd. Dat laatste, na 2008, vooral ook door het  neoliberale, maar economisch onzinnige, geloof dat je als overheid in een recessie moet bezuinigen.

Die gegroeide marktmacht en de eruit voortkomende concentratie van kapitaal aan de top bedreigt langs twee wegen de democratie: enerzijds de weg van de beïnvloeding van de politiek door de aan voorwaarden gebonden financiering van politieke partijen en politici (minder omfloerst gezegd: door corruptie) en anderzijds door ontwijking van de belastingen en witwaspraktijken door de grote, internationale ondernemingen.
Er is, bedenk ik nu, nog een derde bedreiging. Die gaat ervan uit dat de concentratie van kapitaal aan de top leidt tot financialisering van de economie, d.w.z. tot nog meer concentratie en tot een afname van investeringen in de reële economie. Waardoor de winsten toenemen en de lonen stagneren of zelfs in koopkracht dalen. Daardoor leeft een toenemend deel van de bevolking in bestaansonzekerheid en zonder veel hoop op een betere toekomst. Ideale omstandigheden voor rechts-extreme politici, die het ongenoegen weten om te buigen in de richting van vijandigheid tegenover de zwakkeren (uitkeringstrekkers), de vreemdelingen en de vluchtelingen.
Die eerste weg, die van de illegale of zelfs gelegaliseerde corruptie, treedt wereldwijd op, maar het is toch bovenal de Amerikaanse politiek die ervan doortrokken is. En je kunt inderdaad zeggen dat daar de corruptie gelegaliseerd is, namelijk sinds het Citizens United besluit van het Hooggerechtshof in 2010 dat grote ondernemingen onbeperkte hoeveelheden geld mogen besteden aan het aanprijzen van politieke partijen en hun kandidaten. Omdat die sommen geld niet direct besteed worden aan de verkiezingscampagnes, zouden ze niet kunnen leiden tot corruptie of tot de schijn van corruptie. Zacht gezegd een opvallende redenering, die slecht verbloemt waar het echt om gaat.

In het volgende bericht meer over de tweede weg, die van belastingontwijking en witwaspraktijken. En in dat verband over Thomas Piketty's Capital in the Twenty-First Century (2014).

Maar ook over American Capitalism van John Kenneth Galbraith, van lang geleden (1956), maar hoe actueel in 2018. De eerste Nederlandse vertaling, Kapitalisme en welvaart, verscheen in 1965 als aula-pocket en staat nog steeds in mijn boekenkast. In 1993 is het terecht opnieuw, met een nieuwe introductie, uitgegeven, en daarvan is in 2008 een Nederlandse vertaling verschenen.

dinsdag 20 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 7- En over Edy Korthals Altes

De derde stap in de mensheidsgeschiedenis begon met de Industriële Revolutie en die is nog maar zo kort geleden op de schaal van die gehele geschiedenis dat we er nog middenin zitten en dus nog niet weten waar hij op zal uitlopen. Zie ook het vorige bericht in deze reeks.

In dat vorige bericht sloot ik af met de constatering dat verschillende elementen van die Industriële Revolutie, maar vooral de toename van de vraag naar arbeid en in het bijzonder ook geschoolde arbeid, de aanzet gaven tot democratisering van de nationale staten. De ontwikkelingen brachten een stedelijk proletariaat voort, dat zich gemakkelijker als een maatschappelijke kracht liet organiseren dan de agrarische bevolking. Waardoor belangenbehartigende organisaties ontstonden, zoals vakbonden en socialistische en sociaal-democratische politieke partijen.

Dat streven naar democratisering en gelijkberechtiging kon zo snel de kop opsteken en brede aanhang verwerven doordat de kiemen ervan nog steeds in de menselijke sociale natuur aanwezig waren. De morele jagers-verzamelaarsintuïties die gericht waren op samenwerken en delen, zochten, nu de kansen daartoe zich aandienden, een verwerkelijking in de instituties van het algemeen kiesrecht (begin vorige eeuw) en van de verzorgingsstaat (tweede helft vorige eeuw).

Een en ander ging gepaard met een geweldige wetenschappelijke en technische vooruitgang, verbetering van de gezondheidszorg, intensivering van de landbouw en winning van fossiele energiebronnen.

Nu, in 2018, zijn we op een punt aanbeland, waar twee grote uitdagingen zich aandienen die we het hoofd zullen moeten bieden om zicht te houden op een toekomst van de mensheid:
  • de uitdaging van de onderlinge verhoudingen. Zullen we het met de Industriële Revolutie in het leven geroepen kapitalisme zo kunnen vormgeven dat het blijft voldoen aan onze behoeften aan democratie, gelijkberechtiging en mensenrechten?
  • de uitdaging van onze verhouding tot de aarde. Zullen we met zijn allen (democratie!) in staat zijn om het kapitalisme en onze manier van leven zo om te buigen dat we die kenmerken van Moeder Aarde in stand houden die ons tot nu toe ten dienste hebben gestaan? Anders gezegd: zullen we een circulaire economie tot stand weten te brengen? En zullen we over kunnen gaan op een duurzame landbouw?
Het zich aandienen van deze twee uitdagingen is eigenlijk niet meer te missen. Er zijn er die nog de ogen ervoor willen sluiten, maar dat gaat hen steeds moeilijker af.

In dat verband is het natuurlijk niet toevallig hoe sterk deze twee uitdagingen overeenkomen met de twee eisen waaraan volgens Kate Raworth het vak economie zou moeten voldoen. Enerzijds de eis dat de economie (als een doughnut) naar binnen toe begrensd is door de aard van de menselijke basisbehoeften en naar buiten toe door de eindigheid van de aarde en haar natuurlijke hulpbronnen.

En als je die uitdagingen in je hoofd hebt, dan lees je natuurlijk ook met grote interesse en instemming dat mooie interview dat Fokke Obbema in de Volkskrant had met de 94-jarige oud-diplomaat Edy Korthals Altes: 'De nieuwe mens stemt mij hoopvol'. Ik citeer even zijn antwoord op de vraag wat de zin van ons leven is:
Dat is een grote vraag die vooral gaat woelen naarmate we ouder worden. Omdat hij verband houdt met: waar ben ik mee bezig geweest? Was dat wel meer dan het najagen van ijdelheden? Ik zou nuchter willen beginnen: de zin is wakker worden en ons bewust worden van de fundamentele relatie met de oergrond van ons bestaan en ons richten op de grondwet in ons leven. Dat is voor mij de liefde voor de mens en de natuur.
De liefde voor de mens: de eerste uitdaging, die van de onderlinge verhoudingen. De liefde voor de natuur: de tweede uitdaging, die van onze verhouding tot de aarde.

Korthals Altes denkt dat er "een nieuwe mens" nodig is om die uitdagingen het hoofd te bieden. Als antwoord op de vraag wat hij toekomstige generaties toewenst:
Mensen, besef wat mens-zijn is. (stilte) Want dat is een ongelofelijk wonder en een enorm voorrecht. Dus kom in beweging. Maak er ernst mee. Richt je niet op miljonair worden, maar zet je in voor een nieuwe, rechtvaardige samenleving en een nieuw denken over vrede en veiligheid. Met hart en ziel. De krachten die we zelf in het leven hebben geroepen, zoals ongelijkheid en klimaatverandering, dwingen ons die nieuwe mens te verwezenlijken. Als we dat niet inzien, loopt het vast.
Die nieuwe mens, natuurlijk, die moet er komen. Maar hij is eigenlijk al heel oud, de mens namelijk, die de morele intuïties ontwikkelde om samenwerken en delen mogelijk te maken.

Die moet zich alleen nog wel even instellen op de twee uitdagingen waar we nu tegen aanlopen.

zondag 18 november 2018

Zondagochtendmuziek - Fr. Couperin - Pieces de violes avec la basse chifree (1728)

Misschien ben je pas ontvankelijk voor deze muziek als je eerst tot rust bent gekomen. Maar het zou ook kunnen zijn dat het luisteren ernaar je tot rust brengt.

Francois Couperin (1668 - 1733) kennen we vooral van zijn werk voor klavecimbel: L'Art de toucher le clavecin. Dat door Alexandre Tharaud zo mooi op piano werd gespeeld. En waar Bach en Brahms door werden beïnvloed.

Maar zijn werk voor viola da gamba en continuo mag er ook zijn. Hier gespeeld door Mikko Perkola en Aapo Häkkinen.

Muziek die niet goed bij deze tijd past. Heel goed om er dan toch naar te luisteren.

vrijdag 16 november 2018

Vooroordelen wegnemen via internet, kan dat?

Voor- en tegenstanders van Zwarte Piet zijn met elkaar in gesprek gegaan. Kick Out Zwarte Piet-voorman Jerry Afriyie en "Blokkeer-Friezen" troffen elkaar in de woonkamer van activiste en vlogster Joyce Beukema in Leeuwarden. Zie het bericht in de Leeuwarder Courant: Blokkeerders in gesprek met Kick Out Zwarte Piet. Een citaat:
,,We zijn een gesegregeerd land”, zei Afriyie. ,,Iedereen zit achter zijn eigen muren, in zijn eigen bubbel. Gelukkig zijn er mensen die proberen om over die muren heen te klimmen. Iets zei me dat ik hier vanavond moest zijn. Ik ben heel blij dat ik het gedaan heb.”
Volgens de sociaalwetenschappelijke contacthypothese is de kans groot dat de beide partijen meer begrip voor elkaar hebben gekregen en dat de wederzijdse vooroordelen wat zijn verzacht. Zie hier de berichten op dit blog achter het label contacthypothese. 

Het ging hier om een face-to-face contact. Jeryy Afriye nam de moeite om er voor naar Leeuwarden te reizen.

Vaak zal het niet zo gemakkelijk zijn om tegenstanders face-to-face bij elkaar te krijgen. Zou het ook via internet kunnen? Kunnen vooroordelen ook via online contacten worden verminderd?

Ja, dat blijkt het geval te zijn. Australische onderzoekers ontwikkelden een online programma, E-contact, waarmee leden van verschillende groepen elkaar leren kennen en met elkaar samenwerken. Zo brachten ze katholieken en protestanten in Noord-Ierland, moslim en katholieke leerlingen van gesegregeerde scholen in Australië, homoseksuelen en heteroseksuelen en mensen met en zonder schizofrenie online met elkaar in contact.

Met als resultaat dat mensen meer begrip voor elkaar kregen en dat vooroordelen werden verminderd. Hier doen de onderzoekers daar verslag van: How research is helping to reduce prejudice between people online. Een uitgebreider overzicht vind je hier: Improving Intergroup Relations in the Internet Age: A Critical Review. 

Als het internet aan zichzelf wordt overgelaten, is er het levensgrote gevaar dat iedereen zich in zijn eigen zeepbel opsluit. En dat het kuddegedrag juist wordt versterkt.

Maar je blijkt het internet dus ook te kunnen inzetten om mensen juist dichter bij elkaar te brengen.

woensdag 14 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 6

De derde stap van de mensheidsgeschiedenis begon met de opkomst van de industrie en daarmee van het proletariaat, de stedelijke arbeidersklasse. Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Door het proces van de enclosures, de privatisering van de gemeenschappelijke landbouwgronden, al vroeg begonnen in Engeland, maar zich in de negentiende eeuw uitbreidend over het vasteland, transformeerde de subsistence economy in een op winst gerichte economie, die in handen was van grootgrondbezitters. Onteigende kleine boeren en overbodig geworden boerenknechten trokken naar de steden, waar de nieuwe fabrieken voor een nieuwe vraag naar arbeid zorgden.

Er is een uitbundige historische literatuur waarin dit proces wordt beschreven en gedocumenteerd. In mijn boekenkast staan:
Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time
Robert L. Heilbroner, De ontwikkeling van de economische samenleving
J.L. Hammond en Barbara Hammond, The Village Labourer 1760 - 1832. A Study of the Government of England Before the Reform Bill
Brian Inglis, Poverty and the Industrial Revolution
Een klassieker, helaas niet in mijn boekenkast, is
E.P Thompson, The Making of the Englsih Working Class
Maar hier gaat het nu om de vraag wat er gebeurde met die morele gemeenschapsintuïties die in de landbouwsamenlevingen op het dorpsniveau tot uitdrukking waren gekomen in de collectieve zorg dat iedereen in staat was om het hoofd boven water te houden. Door de onderlinge afhankelijkheid en vertrouwdheid waren de voorwaarden daar nog behoorlijk aanwezig om de morele intuïties van samenwerken en delen in de onderlinge verhoudingen te vertalen.

De trek naar de steden vond vaak plaats via de sociale netwerken die in het platteland hun oorsprong hadden. Die naar de stad meegenomen sociale verbanden maakten het mogelijk om elkaar bij te staan in geval van nood. Je kon bij ziekte of ongeval of overlijden van een naaste op wat hulp en bijstand van kennissen rekenen.

Die onderlinge hulpverlening werd gaandeweg breder georganiseerd, in Engeland in de vorm van de friendly societies, in Amerika van de fraternal societies (in mijn boekenkast: David T. Beito, From Mutual Aid to the Welfare State. Fraternal Societies and Social Services, 1890 - 1967) en in Nederland van de "bussen", de onderlinge fondsen, voorlopers van de ziekenfondsen en uitvaartverzekeringen.

We zien dus, aan het begin van de derde stap van de mensheidsgeschiedenis, dat die morele intuïties van samenwerken en delen nog een concretisering vinden in de zelf-organisatie van de onderlinge hulpverlening. Die zelf-organisatie was niet volledig dekkend, want er was daarnaast ook nog de liefdadigheid en er waren de Armenwetten.

En gaandeweg het proces van industrialisering zien we dat wat aanvankelijk nog door zelf-organisatie geregeld wordt, overgaat naar oftewel de markt (commerciële verzekeringen) oftewel naar de overheid (sociale zekerheid, gezondheidszorg).

Die uitbreiding van zowel de markt als de overheid moet de voorwaarden hebben gecreëerd voor het proces naar democratisering van de overheid, dus voor de introductie van het algemene, passieve en actieve, kiesrecht.

En natuurlijk kon dat democratische idee dat iedereen moest mee kunnen beslissen, zo om zich heen grijpen doordat er nog steeds die morele gemeenschapsintuïties bestonden. De democratie was een poging om, na de ellendige ongelijkheden in de landbouwsamenlevingen, weer wat van de gelijkheid van de jagers-verzamelaarssamenlevingen terug te veroveren, maar nu op het grootschalige niveau van de nationale staat.

En nu, in 2018, weten we dat dat terugveroveren van de democratie en de gelijkheid nog steeds een opgave is. In het volgende bericht meer daarover.

maandag 12 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 5

De eerste stap van de mensheidsgeschiedenis was het begin: het ontstaan van de moderne mens in en door de aanpassing aan het uitdijende savannelandschap in Oostelijk Afrika, waarschijnlijk zo'n 300.000 jaar geleden. Die aanpassing hield in, zoals we zagen, dat mensen zich door jagen en verzamelen en een sociaal patroon van samenwerken en delen een bestaan verschaften.

Die aanpassing was zo succesvol dat er zo ongeveer 8.000 tot 10.000 jaar geleden een moment kwam dat op verschillende locaties de bevolkingsdichtheid zo hoog werd dat mensen landbouw begonnen te beoefenen en zich vestigden. Dit noemen we de Agrarische Revolutie. De gevolgen van deze tweede stap waren immens. In termen van de Dual Mode-theorie uitgedrukt: omstandigheden dienden zich aan waaronder het statuscompetitiepatroon in de maatschappelijke verhoudingen ging overheersen boven het gemeenschapspatroon. De oeroude neiging tot het vormen van statushiërarchieën kon weer de overhand nemen. Er kwamen vorstendommen en keizerrijken, er heerste ongelijkheid tussen arm en rijk en tussen mannen en vrouwen en onderdrukking en slavernij.

Door allerlei oorzaken, teveel om hier op te sommen, begon een paar honderd jaar geleden een ontwikkeling die leidde tot wat we de Industriële Revolutie zijn gaan noemen. Volgens Rosenberg en Birdzell, Jr. (How the West Grew Rich. The Economic Transformation of the Industrial World) begon die ontwikkeling in het Westen in de Middeleeuwen, breidde in de eeuwen daarna de handel zich uit en begon zo ongeveer in de periode 1750 - 1850 de ontwikkeling van de industrie. En tegen het eind van de negentiende eeuw waren zo ongeveer de institutionele voorwaarden, zoals nieuwe eigendomsverhoudingen, aanwezig die grote ondernemingen mogelijk maakten.

Het kapitalisme brak door. De derde stap in de mensheidsgeschiedenis werd gezet. En dat is nog zo kort geleden dat je kunt zeggen dat we nu, in 2018, ons nog midden in die derde stap bevinden. Zodat we dus ook nog niet weten hoe die geschiedenis verder zal gaan.

Een van de vele gevolgen was dat de vraag naar arbeid, en vooral ook naar geschoolde arbeid, toenam. Die vraag concentreerde zich in de industriële gebieden, dus in de steden. Dat proces van verstedelijking ging gepaard met intensivering en schaalvergroting van de landbouw. Was in Nederland in 1807 nog 40 procent van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw en visserij, dat aandeel was in 1989 gedaald tot 1 à 2 procent (CBS, Statistiek in tijdreeksen). Het grootste deel van de daling kan overigens worden toegeschreven aan de periode na de Tweede Wereldoorlog.

Die toename van de vraag naar arbeid en van de concentratie ervan in de fabrieken en de stedelijke gebieden, was cruciaal, omdat de instandhouding van de grote ongelijkheid van de landbouwsamenleving erdoor werd bemoeilijkt. Er waren weliswaar de nieuwe rijken, de kapitalisten, maar die vonden een tegenwicht in de georganiseerde arbeid, de vakbeweging. En parallel daaraan was er op het niveau van de nationale staat de opkomst van het algemeen kiesrecht en dus van de democratie.

En de democratie, waarin iedereen meetelde, is niets minder dan een nieuwe sociale vorm waarin de morele intuïties van het samenwerken en delen een uitdrukking vonden. Daarover meer in het volgende bericht.

zondag 11 november 2018

Zondagochtendmuziek - JOHN COLTRANE Alabama

Vorige week, voorafgaand aan de Sunday Afternoon Jazz in TivoliVredenburg met Jesse van Ruller en Seamus Blake, bekeken we de indrukwekkende documentaire Chasing Trane over John Coltrane. Je kunt hem hier ook op YouTube bekijken, maar je moet dan wel registreren.

Hier speelt Coltrane Alabama, door hem geschreven naar aanleiding van de bomaanslag door de Ku Klux Clan op de 16th Street Baptist Church in Birmingham, Alabama, op 15 september 1963, waarbij vier meisjes omkwamen.

McCoy Tyner, piano, Jimmy Garrison, bas en Elvin Jones, drums.

vrijdag 9 november 2018

Vandaag 80 jaar geleden - Nu, in 2018, is het zaak om de geschiedenis te kennen en er de lessen uit te leren.

Vandaag 80 jaar geleden was er in Duitsland in de nacht van 9 op 10 november de Reichspogromnacht, de nacht van het door het nationaalsocialistische bewind georganiseerde en aangestuurde geweld tegen Joodse burgers. Een goed overzicht van de gebeurtenissen geeft de Wikipedia-pagina Novemberpogrome 1938

In Nederland wordt die nacht nog vaak met Kristallnacht aangeduid. Dat is de naam die de nazi's er zelf aangaven en die slaat op de ingegooide etalageruiten van Joodse winkels.Omdat er nogal wat meer gebeurde dan dat er ruiten werden ingegooid, is in Duitsland nu al jaren de naam Pogromnacht in gebruik. Terecht.

Het is goed om je weer eens in die gebeurtenissen te verdiepen. Zeker in de tijd waarin we nu leven, met het opkomende rechts-extremisme.

Wat er toen gebeurde? Ik citeer uit de Wikipedia-pagina:
Dabei wurden vom 7. bis 13. November 1938 etwa 400 Menschen ermordet oder in den Suizid getrieben. Über 1.400 Synagogen, Betstuben und sonstige Versammlungsräume sowie tausende Geschäfte, Wohnungen und jüdische Friedhöfe wurden zerstört.[1] Ab dem 10. November wurden ungefähr 30.000 Juden in Konzentrationslagern inhaftiert, wo Hunderte ermordet wurden oder an den Haftfolgen starben.
Die Pogrome markieren den Übergang von der Diskriminierung der deutschen Juden seit 1933 zur systematischen Verfolgung, die knapp drei Jahre später in den Holocaust mündete..[2]
Door je er in te verdiepen, hoe moeilijk dat ook is, kun je een beetje tot je laten doordringen hoe zulke wandaden kunnen plaatsvinden. En hoe ze onderdeel kunnen zijn van een maatschappelijk proces met vreselijke uitkomsten.

Ik moest denken aan Albert Speer, tot het eind een van de naaste medewerkers van Hitler, die omdat hij na de oorlog schuld bekende, slechts tot 20 jaar gevangenisstraf werd veroordeeld. Joachim Fest probeerde er in de gesprekken die hij met Speer voerde achter te komen hoe hij aan zulke vreselijke daden had kunnen meewerken. Hij vroeg bijvoorbeeld ook hoe hij in 1938 die Pogromnacht had ervaren. Zijn antwoord kwam er op neer dat hij het zich niet herinnerde:
Hij had een keer kunnen reconstrueren, zei hij, dat hij op de ochtend (...) na de Kristallnacht langs de synagoge in Fasanenstrasse moest zijn gekomen, in elk geval had die op zijn route gelegen. Maar met de beste wil van de wereld kon hij er verder niets over zeggen, verzekerde hij ons telkens weer.
Zie voor meer: Hoe kunnen gewone mensen tot zoiets komen? Het geval-Speer.

En ik sloeg ook nog dat indrukwekkende boek van Michael Wildt er op na: Volksgemeinschaft als Selbstermächtigung. Gewalt gegen Juden in der deutschen Provinz 1919 - 1939, dat veel te weinig aandacht heeft gekregen. Wildt beschrijft hoe dat idee van de Volksgemeinschaft, waar "buitenstaanders" van werden uitgesloten, stap voor stap ingang vond en hoe dat proces gepaard ging met over het land verspreide geweldsincidenten. Met slachtoffers, daders en: toeschouwers. Die soms ingrepen, maar al te vaak alleen maar toekeken.

En dus pakte ik zopas ook nog weer eens "Davon haben wir nichts gewusst!" Die deutschen und die Judenverfolgung 1933 - 1945 van Peter Longerich uit de kast. Ook te weinig aandacht gekregen.

Longerich wijdt een hoofdstuk aan de Novemberpogrom. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de grote meerderheid van de Duitse bevolking afwijzend stond tegenover de gebeurtenissen, was er al zoveel intimidatie dat er nauwelijks tegenacties en geen demonstraties plaats vonden. Longerich daarover (p. 123-124):
Die passive Hinnahme von Gewalt und Rechtlosigkeit durch die Bevölkerung wurde wiederum in der Propaganda als kollektive Zustimmung zu den Gewaltaktionen ausgegeben. Nun, da es dem Regime gelungen war, den Pogrom ohne massiven Widerstand der Bevölkerung durchzuführen, machte es in seiner öffentlichen Darstellung der Ereignisse die Bevölkerung zu Komplizen des gewalttätigen Anschlags auf die deutschen Juden.
Nu, in 2018, is het zaak om de geschiedenis te kennen en er de lessen uit te leren.

woensdag 7 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 4

De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis, de overgang naar de landbouwsamenlevingen, is op de tijdlijn van de gehele geschiedenis nog maar kort geleden. Zo kort geleden, 8-10.000 jaar, dat het nu, in 2018, misschien nog wel te vroeg is om te concluderen dat het een verstandige stap was. En niet, zoals in de woorden van Jared Diamond, de grootste vergissing die de mensheid ooit gemaakt heeft. Zie het vorige bericht in deze reeks.

De sociale gevolgen van de Agrarische Revolutie zijn ronduit dramatisch te nomen. De nog altijd in de menselijke natuur aanwezige drang tot statuscompetitie, als erfenis meegegeven door de gemeenschappelijke voorouder van chimpansee en mensachtigen, kon in de nieuwe economische verhoudingen niet meer goed worden beteugeld.

Er ontstonden plotsklaps aanspraken op eigendom: land, water, werktuigen, gebouwen, voorraden, ja, zelfs vrouwen en slaven. En er ontstonden dynastieën, die hun bezittingen wilden doorgeven aan volgende generaties. De institutie van het eerstegeboorterecht ontwikkelde zich, maar ook de jongere zonen moesten tevreden worden gesteld. Waardoor elke dynastie een prikkel had om land en bezittingen uit te breiden. En dus kwamen legers en oorlogen de mensheidsgeschiedenis binnen.

Zo kwamen er de eerste staten, met een sterke man aan het roer, met belastingheffing, een bureaucratie, een onderdrukkingsapparaat en een leger. Zorgvuldig doordachte en uitgewerkte statushiërarchieën, maar wel gemodelleerd naar het Alfamannetjes-model van de primaten. Wat jagers-verzamelaars niet kenden en niet wilden kennen, grote ongelijkheid, armoede en rijkdom naast elkaar, werd hét kenmerk van de landbouwsamenleving.

Anders gezegd, het statuscompetitiepatroon overheerste het gemeenschapspatroon.

Maar helemaal weggevaagd was dat laatste ook weer niet. Het had zich teruggetrokken op het onderste niveau van het maatschappelijk bouwwerk. Het niveau van, zeg maar, de werkers op het land, de boeren die zich dorpsgewijs organiseerden en er zo zorg voor droegen dat iedereen genoeg opbrengsten had om er zelf van te leven en om aan de eisen van de kasteelheer te voldoen.

Dit hield bijvoorbeeld in dat de individueel bewerkte gronden, naast de gemeenschappelijke weidegronden, periodiek werden herverdeeld, zodat de beste gronden rouleerden. Een aardige beschrijving van die dorpsgemeenschappen vind je in Functional and historical explanations for village social organization in northern Europe van Robert H. Layton.

En, niet te vergeten, denk ook aan al die vormen van zelf-organisatie van boeren en vissers, die werden bestudeerd door Elinor Ostrom. Die voor haar werk in 2009 de Nobelprijs voor economie kreeg toegekend. Zie in dat verband de berichten op dit blog achter het label Elinor Ostrom.

Dat gemeenschapspatroon van samenwerken en delen wist zich dus in die landbouwsamenlevingen in het verborgene te handhaven. In het verborgene, in die zin dat de geschiedschrijvers er maar weinig aandacht voor hadden en zich vooral concentreerden op de beschrijvingen van de vorstenhuizen.

Dat het zich toch wist te handhaven, en in de menselijke sociale natuur aanwezig bleef, zorgde er voor dat er in de mensheidsgeschiedenis ook nog een derde stap kon worden gezet. Daarover meer in het volgende bericht.

dinsdag 6 november 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 3

Voor het overgrote deel van de mensheidsgeschiedenis, 95 tot 98 procent, voerden mensen de uiterst succesvolle leefwijze van het jagen en verzamelen en het samenwerken en delen. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Die lange periode begon met de eerste stap in de mensheidsgeschiedenis: de aanpassing aan het savannelandschap, waarvoor dat samenwerken en delen een vereiste was. Gaandeweg bleek dat die manier van samenleven ook geschikt was om onder andere geografische en klimatologische omstandigheden een bestaan op te bouwen.

Zoals in het vorige bericht uiteengezet, was voor dat samenwerken en delen een behoorlijke mate van sociale harmonie noodzakelijk. Voor het toentertijd bestaan van die harmonieuze en vreedzame verhoudingen zijn velerlei aanwijzingen. Ik stond daar eerder, hier en hier en hier, bij stil.

Dat wil ook weer niet zeggen dat er geen conflicten en geweld voorkwamen. Want het handhaven van de harmonie was een collectieve opgave, omdat egoïsme en statuscompetitie, nog altijd in de menselijke sociale natuur aanwezig, moesten worden bestreden.

En dat kon wel degelijk, in laatste instantie, met gebruik van geweld gepaard gaan. Het schijnt dat Richard Wrangham daar meer informatie over verschaft in zijn nieuwste , nog te verschijnen boek The Goodness Paradox: The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution.

Dat collectieve onderdrukken van egoïsme, statuscompetitie en de daaruit voortkomende conflicten, werd sterk bemoeilijkt met de introductie van de landbouw, zo ongeveer 8 - 10.000 jaar geleden.. Het was overigens niet zo dat mensen de landbouw "uitvonden", maar er na lang aarzelen tot overgingen omdat door de toegenomen lokale bevolkingsdichtheid de opbrengsten van het jagen en verzamelen verminderden.

Daar waar landbouw het gemakkelijkst te beoefenen was, zoals in het gebied van de Eufraat en de Tigris, begon het met vallen en opstaan en verspreidde het zich. Lees daarover vooral Guns, Germs, and Steel. The Fates of Human Societies van Jared Diamond. In het Nederlands vertaald als Zwaarden, paarden en ziektekiemen. de ongelijkheid in de wereld verklaard.

Dat gebeurde inderdaad met vallen en opstaan, want het was een uiterst hachelijke onderneming. Jared Diamond noemde het de grootste vergissing die de mensheid ooit heeft gemaakt. Want de landbouw bracht allerlei plagen met zich mee: mislukte oogsten en dus hongersnood, en epidemieën, door het houden van vee en huisdieren. We stonden daar bij stil in de berichten over het Oerboek van de mens. zoals hier en hier.

Maar daar kwam nog bij dat de landbouweconomie gepaard ging met grote ongelijkheid en daarmee tot grootschalige conflicten, zeg maar oorlogen. De nog steeds bestaande neigingen tot egoïsme en statuscompetitie konden niet langer collectief worden onderdrukt en kregen een sociale vorm in de statushiërarchieën van vorstendommen en keizerrijken. En in onderdrukking en slavernij.

Dat pas met de introductie van de landbouw, met de Agrarische Revolutie, het grootschalige geweld de mensheidsgeschiedenis binnenkwam, stuit nog wel eens op ongeloof. De aanwijzingen ervoor komen o.a. uit de bestudering en vergelijking van nog waargenomen jagers-verzamelaarssamenlevingen en tuinbouw- en kleinschalige landbouwsamenlevingen.

Een recente studie is Implications of the Neolithic Revolution for Male-Male Competition and Violent Conflict van Menelaos Apostolou. Hij laat met de gegevens van de Standard Cross-Cultural Sample van 186 pre-industriële samenlevingen zien dat gewelddadige conflicten (op de basis van statuscompetitie tussen mannen) talrijker zijn in landbouwsamenlevingen dan in jagers-verzamelaarssamenlevingen.

De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis bestaat er dus uit dat op landbouw werd overgestapt en dat daarmee een eind kwam aan de daarmee vergeleken harmonieuze en vreedzame sociale verhoudingen van de jagers-verzamelaarssamenlevingen.

zondag 4 november 2018

Zondagochtendmuziek - Roy Hargrove & The RH Factor @ Live at North Sea Jazz Festival 2009 full

Ach, gisteravond ineens het bericht dat Roy Hargrove is overleden. De New York Times staat er nu bij stil: Roy Hargrove, Trumpeter Who Gave Jazz a Jolt of Youth, Dies at 49.

Twee maanden geleden was ik nog bij een optreden in de Blue Note in New York. Na afloop zat hij met een flesje frisdrank aan de bar. Er leek niets aan de hand.

Nu blijkt dat hij al 13 jaar nierproblemen had en dialyses onderging. Hij overleed in het ziekenhuis aan hartfalen.

Uit dat New York Times In Memoriam:
Into his final days, dogged by failing health, Mr. Hargrove remained a fixture of the jam sessions at Smalls in Greenwich Village. When not on tour, he spent multiple nights each week in that low-ceilinged basement, his slight, nattily dressed frame emerging occasionally from a corner to blow a smoky, quietly arresting solo.
Hier een optreden met zijn band RH Factor op het North Sea Jazz Festival in 2009.

woensdag 31 oktober 2018

De mensheidsgeschiedenis in drie stappen - 2

De eerste stap van de mensheidsgeschiedenis begon met de "keuze" van onze vroegste voorouders om het inkrimpende tropisch regenwoud te verlaten en zich aan te passen aan het savannelandschap. Zie het vorige bericht.

Die aanpassing had nogal wat om het lijf. Er werd een compleet nieuwe sociale structuur gevormd, die van egalitaire groepen die samenwerkten en deelden. Tussen die groepen bestonden overwegend vriendschappelijke relaties. Door onderlinge uithuwelijking, maar ook doordat er nauwelijks aanleidingen waren voor conflicten.

Als er lokale "overbevolking" dreigde, en dus de natuurlijke hulpbronnen schaars dreigden te worden, dan kon men zich meer over de ruimte verspreiden. Groepen splitsten en een deel trok verder. Zo verspreidden mensen zich gaandeweg en stapje voor stapje, waarschijnlijk vanuit Oostelijk Afrika, over nagenoeg het gehele aardse landoppervlak.

Dat alleen al wijst er op dat we hier te maken hebben met een heel succesvolle leefwijze. Die "Paleo Sociale Omgeving" hield onder meer in:
  • het gezamenlijk zorgen voor en grootbrengen van de kinderen (cooperative breeding)
  • waardoor kinderen vroeger en dus onrijper konden worden geboren, want moeders draaiden niet alleen voor de zorg op
  • waardoor de hersenen en de hersenomvang na het geboren worden zich verder konden ontwikkelen
  • wat het mogelijk maakte om zich qua sociale intelligentie aan te passen aan de uitdagingen van het complexe groepsleven waarin moest worden samengewerkt en gedeeld. Zie ook Menselijke intelligentie is uitkomst van op hol geslagen selectie
  • die sociale intelligentie (empathie, gedeelde intentionaliteit, sociaal leren) ging gepaard met een grotere algemene intelligentie. Zie Social intelligence: from brain to culture
  • waardoor allerlei fysieke verschijnselen beter konden worden begrepen
  • wat o.a. er toe leidde dat vuur werd beheerst en dat voedsel kon worden bereid
  • bereiding van voedsel (koken) bevorderde het delen en dus de sociale samenhang, want als je kookt, kost het weinig meer moeite om dat voor een groep te doen
  • koken had daarnaast als voordeel dat er minder energie nodig was voor de vertering en dus voor het darmstelsel, waardoor er meer energie beschikbaar kwam voor de ontwikkeling en de activiteit van de hersenen
  • wat weer de toename van intelligentie bevorderde. Zie voor meer Catching Fire. How Cooking Made Us Human (2009) van Richard Wrangham
  • door die toegenomen intelligentie en doordat we ondertussen rechtop waren gaan lopen, konden we wapens (stokken, stenen, pijlen) gebruiken
  • die waren niet alleen geschikt voor de jacht, maar dienden ook ter bevordering van de gelijkheid
  • want de fysieke kracht, zoals die van de chimpansee alfa-mannetjes, werd minder doorslaggevend, als iedereen over een wapen kon beschikken. Zie De oorsprong van ons pro-sociale gedrag: grote hersenen en wapens
  • waardoor de seksuele dimorfie afnam en daarmee de gelijkheid tussen mannen en vrouwen toenam
  • door dit alles was er een sociale structuur waarin geselecteerd werd op de morele intuïties van het gemeenschapsgedrag, die nodig waren voor dat o zo belangrijke samenwerken en delen
  • en als die intuïties eens een keer tekortschoten, dan kon degene die de baas wilde spelen of die zich egoïstisch gedroeg door de groep op zijn nummer worden gezet. Zie dit bericht over het werk van Christopher Boehm.
Deze, nog onvolledige, opsomming maakt al wel duidelijk dat die eerste stap van de mensheidsgeschiedenis een ingewikkeld geheel van processen vormde, met allerlei positieve terugkoppelingen.

Het resultaat was dat een heel succesvolle leefwijze ontstond, die het dus mogelijk maakte om de aarde vrijwel geheel te "veroveren". 

Maar dat succes zorgde ook voor de noodzaak van de tweede stap. Uiteindelijk konden gevallen van lokale overbevolking niet meer worden opgelost door verdere verspreiding over de ruimte.

Waardoor moest worden overgestapt op intensievere onttrekking van hulpbronnen aan de aarde. Door landbouw. Daarom in het volgende bericht over de Agrarische Revolutie.

dinsdag 30 oktober 2018

De mensheidsgeschiedenis tot nu toe in drie stappen - 1

Het begin van de mensheidsgeschiedenis is nog niet zo gemakkelijk te bepalen. Volgens deze goed bijgehouden Wikipedia-pagina waren er rond 300.000 jaar geleden, of misschien nog vroeger, de eerste mensen, d.w.z. de eerste anatomisch moderne mensen (Homo sapiens). Laten we daar maar even vanuit gaan.

Die eerste stap moet naar alle waarschijnlijkheid gelokaliseerd worden in Oostelijk Afrika. Er zijn aanwijzingen dat onze vroege voorouders zich voor de uitdaging gesteld zagen van een zich door een periode van afkoeling terugtrekkend regenwoud. Daarvoor in de plaats kwam er een savannelandschap, waarin voedsel meer over de ruimte verdeeld was en waarin jagen op groot wild een vereiste was om re kunnen overleven.

Onze voorouders pasten zich aan die nieuwe uitdagingen aan door een sociaal arrangement dat ik eerder de Paleo Sociale Omgeving noemde. Die uitdagingen brachten met zich mee dat je in je eentje moeilijk kon overleven. Ook was het risicovol om je, zoals in het regenwoud, groepsgewijs te verplaatsen, omdat het dan kon gebeuren dat je als groep niet tijdig genoeg voldoende voedsel vond.

Het nieuwe sociale arrangement, de eerste menselijke sociale uitvinding, bestond uit samenwerken en delen. Gestileerd gezegd; aan het begin van de dag verspreiden we ons vanuit het basiskamp over de ruimte in kleine groepjes op zoek naar voedsel, aan het eind van de dag keren we terug en verdelen we het voedsel over iedereen, ook over degenen die niets gevonden hebben.

Voor dat samenwerken en delen was nodig dat afscheid moest worden genomen van het oudere sociale patroon, dat van de statushiërarchie (het Alfamannetjesmodel). In dat patroon was er het voortdurende conflict (statuscompetitie) tussen mannen om het monopolie over de voortplanting en dus over de vrouwtjes. Overwinnaars werden de baas in een statushiërarchie, tot ze door hun opvolger werden afgezet. Er was eenvoudig gezegd, ongelijkheid, zich uitend in een behoorlijk grote mate van seksuele dimorfie.

Daartegenover kon dat samenwerken en delen alleen goed slagen bij een grote mate van gelijkheid. Wilde iedereen gemotiveerd zijn om er aan deel te nemen, dan moest wel verzekerd zijn dat je aan het eind van de dag meedeelde ook als jezelf niets kon inbrengen. Dat betekende dat de groep min of meer moest kunnen garanderen dat egoïsme en de neiging tot statuscompetitie werden onderdrukt. Degenen die de baas wilden spelen en die meer wilden dan anderen moesten te horen, en te voelen, krijgen dat zulk gedrag niet werd geaccepteerd.

Precies daarin ligt de oorsprong van ons vermogen tot moreel gedrag, onze morele intuïties. Oftewel pro-sociaal gedrag of, beter, gemeenschapsgedrag. We werden geselecteerd op het vermogen om met anderen rekening te houden en niet alleen maar voor onszelf te zorgen. Vandaar dat we schuld- en schaamtegevoelens kennen.

Maar we zijn geen morele automaten. Onze sociale natuur is ambivalent, want die neiging tot statuscompetitie, die kennen we ook nog. Die periode van jagen en verzamelen en dus van de Paleo Sociale Omgeving duurde lang, in vergelijking met de duur van de mensheidsgeschiedenis verreweg de langste periode, maar niet zo lang dat egoïsme en statuscompetitie volledig werden weg geselecteerd.

Dat kwam wel heel duidelijk aan het licht na de overgang van jagen-verzamelen naar het beoefenen van de landbouw. De tweede stap in de mensheidsgeschiedenis. Daarover in het volgende bericht.

zondag 28 oktober 2018

Zondagochtendmuziek - "The War After The War" - Mary Gauthier

Vanmiddag met vriend Jan naar Mary Gauthier in het Utrechtse TivoliVredenburg.

Hier The War After The War van haar nieuwe CD Rifles & Rosary Beads, over en samen gemaakt met Amerikaanse oorlogsveteranen. Kijk hier naar de documentaire die over het maken van die CD is gemaakt.

zaterdag 27 oktober 2018

In een veilige sociale omgeving, waarin mensen elkaar vertrouwen, leven mensen langer

Mensen gedijen als ze zich veilig voelen. Dat gevoel van veiligheid heeft twee componenten: een economische en een sociale.

Bij die economische component gaat het om (het gevoel van) bestaansonzekerheid. Als  mensen onzeker zijn of ze ook in de toekomst rond zullen kunnen komen, dan heeft dat negatieve gezondheidseffecten en kun je dus niet zeggen dat ze gedijen. Aanwijzingen in die richting komen uit het onderzoek dat uitwijst dat mensen met een lagere sociaal-economische status, die meer zorgen hebben over de toekomst, ook een lagere levensverwachting hebben, nog los van andere risicofactoren. Ook blijkt dat het ervaren van bestaansonzekerheid samengaat met het meer ervaren van fysieke pijn. En we kennen de negatieve gezondheidseffecten van baanonzekerheid en van de duur die wordt doorgebracht in flexibele arbeidsrelaties.

Maar er is daarnaast en/of daarmee samenhangend ook een sociale component van dat gevoel van veiligheid. In het onderzoek daarnaar gaat het dan om de mate waarin je andere mensen vertrouwt, in het bijzonder om het vertrouwen in mensen in het algemeen, dat bekend staat als het gegeneraliseerde vertrouwen (generalized trust).

Als je meer vertrouwen hebt in "mensen in het algemeen", dan is dat een aanwijzing dat je je sociale omgeving (straat, dorp/stad, regio, land) als veilig en welwillend inschat. Onderzoek naar de gezondheidseffecten van dat gegeneraliseerde vertrouwen en gezondheid is er al wel, met wisselende resultaten.

Maar nu is er de nieuwe studie Trust and all-cause mortality: a multilevel study of US General Social Survey data (1978–2010), die ondubbelzinnig een positief verband laat zien. De onderzoekers analyseerden data van de voor de Amerikaanse bevolking representatieve steekproeven van de US General Social Survey (GSS) data (1978–2010), gecombineerd met de National Death Index (NDI) until 2014.

De mate van vertrouwen werd zoals gebruikelijk vastgesteld met de vraag
Generally speaking, would you say that most people can be trusted, or that you cannot be too careful in dealing with other people?
Het percentage dat zegt dat je de meeste mensen kunt vertrouwen, was in de jaren 80 van de vorige eeuw 43 procent en daalde tot 34 procent aan het begin van de huidige eeuw.

De onderzoekers hadden ook een maat meegenomen voor de gemiddelde mate van vertrouwen rondom elke deelnemer aan het onderzoek (het contextuele vertrouwen). Voor dat doel hadden ze de Verenigde Staten in negen regio's ingedeeld. Dat maakt het onderzoek interessant omdat bekend is dat er in het Zuiden van de Verenigde Staten meer een statuscompetitieve cultuur (culture of honor) heerst, met minder onderling vertrouwen. Dat laatste bleek er ook uit dat het gegeneraliseerde vertrouwen in de twee zuidelijke regio's 27 en 29 procent was, tegenover 49 procent in de noordwestelijke regio.

Uit de analyses komt dan naar voren dat beide maten van vertrouwen (de individuele en de contextuele) positief samenhangen met de kans dat iemand in 2004 nog leefde. Anders gezegd, hoe meer je mensen in het algemeen vertrouwt en hoe meer je in een regio woont waarin mensen elkaar vertrouwen, dus hoe veiliger je sociale omgeving, hoe langer je leeft. Een veilige sociale omgeving draagt bij aan je gezondheid. En een minder veilige sociale omgeving werkt door een verhoogde kans op sociale stress en angst(stoornissen) negatief uit op je gezondheid.
In de referenties van dit onderzoek kwam ik ook deze interessante studie tegen: Self-rated health, generalized trust, and the Affordable Care Act: A US panel study, 2006–2014. Die laat zien dat dat gegeneraliseerde vertrouwen ook afhangt van de bestaanszekerheid die de overheid verschaft. Het vertrouwen in andere mensen nam in de VS toe nadat de Affordable Care Act (Obamacare) was aangenomen.

dinsdag 23 oktober 2018

ADHD als label voor "nog niet geschikt als scholier"? - Kans op diagnose groter voor vroege leerlingen

Is de forse toename van ADHD-diagnoses een echte toename van een stoornis? Of de uitkomst van een een groter wordende kloof tussen wat kinderen aankunnen en wat wij van hen eisen?

Dat laatste is aannemelijk als je bedenkt dat wij onze kinderen laten opgroeien in de onnatuurlijke omgeving van de school. Daardoor brengen ze een groot deel van hun dagelijks leven door in een groep van leeftijdsgenoten en in een opgelegd regime van vakken, roosters, huiswerk en regels waar ze zich aan moeten houden.

Dat is inderdaad in allerlei opzichten een onnatuurlijk arrangement. Kinderen hebben het nodig om op te groeien in een leeftijdsheterogene sociale omgeving, waarin ze zich veilig voelen en waarin tegemoet wordt gekomen aan hun natuurlijke nieuwsgierigheid en leergierigheid. We weten dat leeftijdshomogene groepering uitlokt tot statuscompetitie en dus tot pesten. Zoals we trouwens ook weten dat het voor de meeste kinderen beter zou zijn als de scholen wat later in de ochtend zouden beginnen. (Daar is onderzoek naar, maar dat zou ik even weer moeten opzoeken.)

Maar we hebben nu eenmaal dat schoolregime, ooit bedacht ergens in de negentiende eeuw, en we houden er onnadenkend aan vast.

En het wordt steeds duidelijker hoe slecht dat regime bij kinderen past. Ze moeten zich er aan aanpassen, maar dat kost moeite en tijd en het gaat lang niet altijd goed.

En in die gevallen dat het niet goed gaat, denken we dat het aan het kind ligt, want ja, dat schoolregime, dat is er nu eenmaal, als een gegeven. Dus halen we er deskundigen bij die het kind testen, een diagnose stellen, zoals ADHD, en een advies geven. En vaak komt dat laatste neer op medicatie, want ja, er is een farmaceutische industrie die graag medicijnen ontwikkelt en verkoopt. Waarmee ADHD dus een stoornis is geworden, een ziekte.

Maar, om met Laura Batstra te spreken, ADHD is geen ziekte, maar problematisch ervaren gedrag. En of iets wel of niet problematisch is, hangt er dus vanaf welke eisen wij aan kinderen stellen. En op welke leeftijd wij die eisen stellen.

Dat laatste zou eruit kunnen blijken dat de vroege leerlingen in een groep, die dus op jongere leeftijd aan de eisen van de school moeten voldoen, een hogere kans hebben op een ADHD-diagnose dan late leerlingen uit diezelfde groep. Wat zegt het onderzoek daarover?

De auteurs van de studie Attention deficit hyperactivity disorder late birthdate effect common in both high and low prescribing international jurisdictions: systematic review zochten alle onderzoeken bij elkaar die daarover uitsluitsel kunnen geven.

Ze vonden 19 studies, verdeeld over 13 landen (Denemarken, Verenigde Staten, Canada, Finland, Duitsland, Nederland, IJsland, Israël, Noorwegen, Zweden, Taiwan en Australië), waarvan 17 inderdaad laten zien dat de kans op een ADHD-diagnose groter is bij vroege (late birthdate) leerlingen.

Het Nederlandse onderzoek is Birth month as predictor of ADHD medication use in Dutch school classes met Laura Batstra als mede-auteur. In de twee Deense onderzoeken werd een zwak of geen effect gevonden, wat er aan zou kunnen liggen dat het in Denemarken gebruik is om de schoolentree van vroege leerlingen wat uit te stellen.

Een sterke aanwijzing dus dat we bezig zijn met gedrag dat bij de leeftijd hoort, te medicaliseren doordat we het schoolregime belangrijker vinden dan wat kinderen aankunnen en nodig hebben.

zondag 21 oktober 2018

Zondagochtendmuziek - Willie Nelson - Vote 'Em Out (Texas - Rally for Beto)

Zal de democratie zich weten te handhaven? De mid-term verkiezingen op 6 november in de Verenigde Staten worden van cruciaal en wereldwijd belang. Als de Republikeinen en Trump hun macht behouden, dan ziet het er somber uit.

Daarom vandaag in de Zondagochtendmuziek: Willy Nelson's optreden tijdens een rally van de Texaanse Democratenkandidaat Beto O'Rourke: Stuur ze naar huis. Vote them Out.


vrijdag 19 oktober 2018

Gemeenschapsgerichtheid is goed voor je als het je lukt om het ook bij anderen uit te lokken

Jenny Crocker en Amy Canevello schreven een boeiend overzicht van hun onderzoek naar gemeenschapsgerichtheid en statuscompetitiegerichtheid: Consequences of Self-image and Compassionate Goals. Ik wijdde er deze vier berichten aan:
Wat valt eruit te leren? Bedenk dat het ging om een onderzoek waarin eerstejaarsstudenten, die in tweetallen een kamer deelden, 10 weken werden gevolgd, met bovendien vooraf en achteraf een vragenlijst.

We zagen dat de studenten in de weken dat ze meer dan anders gemeenschapsgericht waren, zich meer verbonden voelden met anderen, zich minder eenzaam voelden en dat ze minder conflicten hadden met anderen. Ook zagen we dat degenen die over die 10 weken genomen gemiddeld meer gemeenschapsgericht waren geweest, ook meer sociale steun en onderling vertrouwen waren gaan ervaren. En hun angst- en depressiesymptomen waren afgenomen, terwijl die bij degenen die meer dan gemiddeld statuscompetitiegericht waren geweest juist waren toegenomen.

Wat er dus allemaal op wijst dat je maar beter gemeenschapsgericht kunt zijn in je omgang met anderen.

Maar is dat altijd het geval? Treden die, of andere, positieve effecten altijd op?


Maar daar valt ook meteen een kanttekening bij te maken. Want als jij gemeenschapsgericht bent, terwijl anderen om je heen dat niet zijn en integendeel juist statuscompetitiegericht, dan heb je waarschijnlijk geen prettig leven. Die anderen zien jou als een loser, als een naïeve zwakkeling, die gemakkelijk valt uit te buiten. 

Of gemeenschapsgerichtheid voor jou positieve of negatieve effecten heeft, lijkt er dus van af te hangen met wie je omgaat. 

Precies dat was de gedachte die we tegenkwamen in het bericht De neiging tot gemeenschapsgedrag is goed voor je (maar dat zou er van af kunnen hangen met wie je omgaat).  Een citaat daaruit:
Dat verwijst naar dat complexe zoek- en selectieproces dat zich in maatschappijen als de onze onophoudelijk afspeelt (...) En het zou kunnen dat juist die sociale homogeniteit, gemeenschapsmensen gaan om met gemeenschapsmensen (waardoor statuscompetitiemensen het maar zelf moeten uitzoeken), maakt dat die neiging tot gemeenschapsgedrag zulke aangename gevolgen heeft. Dat zou dan niet de uitkomst zijn van een individueel, maar van een sociaal proces. Het zou er dus van afhangen met wie je omgaat.
En precies dat sociale proces moet zich hebben afgespeeld bij die eerstejaarsstudenten uit dat onderzoek van Jenny Crocker en Amy Canevello.

Die tweetallen die een kamer deelden hadden nog geen gezamenlijke geschiedenis. Die groeide in die 10 weken die werden onderzocht. En wat bleek? De meer gemeenschapsgerichte studenten lokten datzelfde uit bij hun kamergenoten. De onderzoekers noemen dat proces contagion of goals. Anders gezegd: gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit.

Waardoor een relatie van wederzijdse sociale steun groeide, een gemeenschapsrelatie.

En die was natuurlijk belangrijk voor hen. Want je bent als eerstejaarsstudent in een nieuwe en nog onveilige omgeving en dan is een goede relatie met je kamergenoot een groot goed.

En precies die "omweg" van die goede relatie zou er de verklaring voor kunnen zijn dat bij de gemeenschapsgerichte studenten de angst- en depressiesymptomen gedurende die 10 weken afnamen. En dat ze zich meer verbonden voelden met anderen en minder eenzaam, dat zal alles te maken hebben gehad met die goede relatie met hun kamergenoot.

Misschien kan de conclusie zijn dat gemeenschapsgerichtheid goed voor je is als je in staat bent om het ook bij anderen uit te lokken. Dat zal lang niet in alle omstandigheden lukken. Het als eerstejaarsstudent een kamer met een medestudent delen lijkt een omstandigheid te zijn waarin het goed lukt.

donderdag 18 oktober 2018

Wie goed doet, goed ontmoet? Kun je gemeenschapsgerichtheid van de ander uitlokken door zelf gemeenschapsgericht te zijn?

Kun je door je eigen gemeenschapsgerichtheid een gemeenschapsrelatie met anderen tot stand brengen? Anders gezegd: als jij empathisch en hulpvaardig tegenover anderen bent, krijg je dan empathie en hulpvaardigheid terug? En breng je zo een goede relatie tot stand?

Aanwijzingen dat dat inderdaad kan, komen naar voren uit het onderzoek van Jenny Crocker en Amy Canevello: Consequences of Self-image and Compassionate Goals. Zie ook het vorige bericht: Wat betekent het voor je sociale ervaringen om meer gemeenschapsgericht dan wel meer statuscompetitiegericht te zijn?

Zoals gezegd, Crocker en Canevello volgden eerstejaarsstudenten gedurende 10 weken. Die studenten deelden allen met een medestudent een kamer. Daardoor kon geanalyseerd worden wat de invloed was van de gemeenschapsgerichtheid (dan wel statuscompetitiegerichtheid) van de een op de gemeenschapsgerichtheid (dan wel statuscompetitiegerichtheid) van de ander. En dus de invloed op de onderlinge relatie.

Die invloed zie je weergegeven in het volgende plaatje:


In woorden: als de ene student meer gemeenschapsgericht is (en minder statuscompetitiegericht), dan merkt zijn/haar kamergenoot dat doordat hij/zij meer steun ontvangt, waarna die kamergenoot meer steun teruggeeft, waardoor de student ook meer steun ontvangt.

Is nu ook zo dat de mate van gemeenschapsgerichtheid van de een de gemeenschapsgerichtheid van de ander uitlokt? En de mate van statuscompetitiegerichtheid van de een de statuscompetitiegerichtheid van de ander? Kun je gemeenschapsgerichtheid van de ander uitlokken door zelf gemeenschapsgericht te zijn? Zoals voorspeld door de Dual Mode-theorie?

Ja, dat blijk inderdaad het geval. Zie het volgende plaatje:


Over de 10 weken bekeken, zien we dat de mate van gemeenschapsgerichtheid leidt tot een grotere responsiviteit ten opzichte van de kamergenoot, die die kamergenoot ook als zodanig waarneemt, waardoor zijn/haar gemeenschapsgerichtheid toeneemt. En zie hoe de mate van statuscompetitiegerichtheid de responsiviteit doet afnemen.

Je kunt dus, in deze specifieke situatie waarin je elkaar leert kennen door een kamer met elkaar te delen, gemeenschapsgerichtheid (dan wel statuscompetitiegerichtheid) bij de ander uitlokken door jezelf gemeenschapsgericht (dan wel statuscompetitiegericht) op te stellen.

En dat is precies in overeenstemming met Stelling 2 van de Dual Mode-theorie.

woensdag 17 oktober 2018

Wat betekent het voor je sociale ervaringen om meer gemeenschapsgericht dan wel meer statuscompetitiegericht te zijn?

Als je eerstejaarsstudenten 10 weken lang volgt, wat leer je dan over wat het voor hen betekent om meer gemeenschapsgericht dan wel meer statuscompetitiegericht te zijn? Jenny Crocker en Amy Canevello deden daar onderzoek naar, waarvan ze in Consequences of Self-image and Compassionate Goals verslag deden. Zie ook het vorige bericht op dit blog: Wat ben je voor iemand als je meer gemeenschapsgericht bent dan wel meer statuscompetitiegericht?

Omdat de studenten elke week bevraagd werden, kon je dus nagaan wat fluctuaties in hun mate van gemeenschapsgerichtheid en statuscompetitiegerichtheid voor hen betekenden. Het bleek toen dat ze zich in de weken waarin ze meer dan anders gemeenschapsgericht waren, meer verbonden voelden met anderen en minder eenzaam en minder conflicten hadden met anderen. Het tegenovergestelde was het geval in de weken waarin ze meer statuscompetitiegericht waren.

Wat er dus op wijst dat het voor je sociale ervaringen wat uitmaakt. Het zou kunnen, maar inzicht in wat oorzaak en wat gevolg is ontbreekt, dat je je sociale ervaringen dus kunt beïnvloeden door zelf meer gericht te zijn op gemeenschap of meer gericht op statuscompetitie.

Opvallend was ook dat meer gemeenschapsgerichtheid gepaard ging met meer "emotionele helderheid" en meer statuscompetitiegerichtheid daarentegen met meer "emotionele verwarring". De onderzoekers interpreteren dat als een aanwijzing dat mensen liever gemeenschapsgericht zijn dan statuscompetitiegericht. In de zin dat je het eerste meer bij je voelt passen dan het tweede.

Verder bleek dat degenen die over de 10 weken genomen meer gemeenschapsgericht waren geweest, na die tijd meer sociale steun en meer onderling vertrouwen ervoeren dan aan het begin.

Ook was er bij hen een afname van angst- en depressiesymptomen, terwijl er bij degenen die over de hele periode meer statuscompetitiegericht waren, juist een toename van die symptomen was.

In het volgende bericht meer over de vraag naar oorzaak en gevolg.

dinsdag 16 oktober 2018

Wat ben je voor iemand als je meer gemeenschapsgericht bent dan wel meer statuscompetitiegericht?

Jenny Crocker en Amy Canevello (Consequences of Self-image and Compassionate Goals) vroegen eerstejaarsstudenten naar hun compassionate goals (gemeenschapsgerichtheid in omgang met anderen) en hun self-image goals (statuscompetitiegerichtheid in omgang met anderen). Zie ook het vorige bericht.

Ze deden dat gedurende een periode van 10 weken, waarin elke week een vragenlijst werd afgenomen, met een voormeting en een nameting. Door de scores over die 10 meetmomenten te middelen kon van elke student een maat voor gemeenschapsgerichtheid en voor statuscompetitiegerichtheid vastgesteld worden. Door beide maten in de statistische analyses mee te nemen, konden ze van elke maat afzonderlijk bepalen hoe hij met andere persoonskenmerken samenhing.

Daaruit kwam naar voren dat degenen die hoger scoorden op gemeenschapsgerichtheid ook zoals verwacht meer ecosysteem motivaties hadden. Ze zagen de wereld meer als een niet nul-som spel, inhoudende dat mensen er gezamenlijk op vooruit kunnen gaan. Ook hadden ze een spiritueel transcendenter wereldbeeld: het geloof dat alle leven onderling verbonden is en dat wij een persoonlijke en gezamenlijke verantwoordelijk dragen voor anderen en voor toekomstige generaties.

Daarentegen geloofden degenen die meer statuscompetitiegericht waren meer in een wereld als een nul-som spel: wat de een wint gaat altijd te koste van de ander. Ook hadden ze meer een onzekere of een vermijdende hechtingsstijl en waren ze meer bezig met hoe ze op anderen overkomen. (Zie voor meer over die hechtingsstijlen: Wat betekent onveilige gehechtheid voor je morele intuïties?) Ze hadden dus inderdaad meer een egosysteem motivatie.

Ook bleek, uit een aparte studie, dat degenen met meer gemeenschapsgerichtheid meer zichzelf zagen als iemand die positieve relaties kan initiëren en die, als autonoom individu, in onderlinge afhankelijkheid staat tot anderen. (Autonoom, doordat ze minder bezig waren met hoe ze op anderen overkomen.) Ook waren ze meer gericht op persoonlijke groei.  Alles dus meer dan degenen die meer statuscompetitiegericht waren.

In een volgend bericht meer over wat het voor eerstejaarsstudenten betekende om, in die periode van 10 weken, meer gemeenschapsgericht of meer statuscompetitiegericht te zijn.