zondag 23 september 2018

Zondagochtendmuziek - Murray Perahia Bach Partita No.4 in D major, BWV828

Afgelopen week veel geluisterd naar de uitvoeringen door Murray Perahia van Bachs Partita's. Adembenemend mooi.

En ik kwam dit interview met hem tegen door Frederieke Berntsen in Trouw van twee jaar geleden: Murray Perahia's leven zit in de muziek. Dit citaat over theorie en emotie trof me:
Natuurlijk, muziek gaat uiteindelijk alleen maar over emotie. Als je muziek bekijkt als een opeenvolging van intervallen, klinkt dat niet alsof je het over iets emotioneels hebt, maar dat is het wel. Wat voor spanning zit er in een frase: hoor je verdediging, hoor je een nederlaag, is het komedie, is het tragedie? Om die emoties uit te drukken doorloopt de componist intervallen. Die vormen de lijm van een stuk. Iets heeft geen betekenis zonder emotie.
Eind november komt Perahia naar het Concertgebouw met de Academy of St Martin in the Fields. Met een Beethovenprogramma. Of ik daar heen ga? Hm, ik schrok even van de prijzen.

Hier speelt hij een van die Partita's.

vrijdag 21 september 2018

Nieuwe aanwijzingen voor de flexibele menselijke sociale natuur - gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit

Op zijn eenvoudigst gezegd, bestaat de Dual Mode-theorie uit de volgende twee stellingen:

Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee gedragspatronen die mensen gemakkelijk aanleren en vaak onbewust en ongepland uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.

Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen. (Speltheoretisch gezien gaat het om frequentie-afhankelijke strategieën.)
Lees de berichten achter het label Dual Mode-theorie voor meer toelichting.
Aan de bestaande aanwijzingen die pleiten voor de tweede stelling kan nu het nieuwe onderzoek
Hunter-Gatherers Maintain Assortativity in Cooperation despite High Levels of Residential Change and Mixing worden toegevoegd.

Het onderzoek werd uitgevoerd onder de Hadza in Tanzania, een van de laatste nog bestaande jagers-verzamelaarsvolken. Hadza zijn heel mobiel en leven in groepen die veel wisselen van samenstelling.
Zie over de Hadza ook het bericht Een samenleving zonder emotionele verwaarlozing van kinderen. Kan dat? De Hadza.
Het onderzoek besloeg vier verschillende jaren (2010, 2013, 2014 en 2016). Aan de deelnemers aan het onderzoek werd per groep een publiek goed-dilemma voorgelegd.

Dit dilemma hield in dat ieder lid van de op dat moment bestaande groep, het kamp, 0 - 4  honey sticks aan het collectief kon afstaan, waarna de onderzoekers het totaal aantal "geïnvesteerde" honey sticks verdrievoudigden en over alle leden van de groep verdeelden. Hoe meer sticks je investeerde in het collectief, hoe meer de groep als geheel daar baat bij had. Maar voor ieder lid bestond de verleiding niet of weinig te investeren en tegelijk toch mee te delen in de investeringen van anderen.

In dat dilemma is de grootte van de investering van een individu in het collectief een maat voor zijn/haar samenwerkingsgeneigdheid, dus voor gedrag dat overeenkomt met het gemeenschapspatroon. Ook wel pro-sociaal gedrag genoemd.

Omdat de onderzoekers in totaal 137 individuen over meer dan twee jaar volgden, konden ze nagaan of de mate van gemeenschapsgedrag meer een stabiel persoonskenmerk was of integendeel afhankelijk was van de mate van gemeenschapsgedrag van de groep waartoe ze op dat moment behoorden.

En dat laatste bleek in sterke mate het geval. Voor ieder individu gold dat hij/zij meer gemeenschapsgedrag vertoonde in een groep waar dat gedrag meer voorkwam en minder in een groep waar het minder voorkwam.

En dat is dus precies een aanwijzing voor die flexibele menselijke sociale natuur waar het in die Dual Mode-theorie over gaat. Mensen zijn tot samenwerking en tot gemeenschapsgedrag bereid, maar worden daarbij wel beïnvloed door de aard van hun sociale omgeving. Door hoeveel anderen tot datzelfde gedrag bereid zijn. Gemeenschapsgedrag lokt gemeenschapsgedrag uit.

woensdag 19 september 2018

Door anderen te helpen voel je je beter - Want het verhoogt je gevoel van competentie

Mensen zijn zo fundamenteel sociaal dat het iets doen voor anderen voldoening verschaft. Zie het bericht Door helpen gelukkiger - Alle onderzoek op een rij. Pro-sociaal gedrag was in het verleden zo belangrijk voor overleving, omdat het samenwerken en delen mogelijk maakte, dat er een selectieproces moet hebben plaatsgevonden op de eigenschap om je er beter door te voelen iemand anders bij te staan.

De nieuwe studie Daily Ups and Downs. An Event-Sampling Study of the Mediated Moderation of Prosocial Engagement on Well-Being vertelt iets meer over de aard van dat verband tussen pro-sociaal gedrag en voldoening.

De onderzoekers vroegen de deelnemers aan het onderzoek (383 volwassenen) om een app op hun telefoon te downloaden, die hen gedurende twee weken vier maal per dag vroeg om een kort vragenlijstje te beantwoorden over of ze in de afgelopen uren iets voor iemand anders hadden gedaan en over hoe gelukkig en hoe vitaal ze zich voelden. (Vitaliteit slaat op het zogenaamde eudaimonisch welzijn.) Ook werd hen gevraagd hoe competent, hoe autonoom en hoe verbonden met anderen ze zich voelden (de drie doelen van de zelfbeschikkingstheorie).

Het bleek toen inderdaad dat mensen zich beter (gelukkiger en vitaler) gingen voelen nadat ze in de afgelopen uren meer iets voor een ander of anderen hadden gedaan. En het bleek dat dit er vooral aan lag dat het gevoel van competentie, het gevoel controle te hebben over je lot, werd verhoogd, vooral in die gevallen waarin mensen zich daarvoor weinig competent voelden.

Het is natuurlijk maar een onderzoekje. Maar het geeft toch te denken dat mensen zich door anderen te helpen competenter gaan voelen en niet, zoals je op het eerste gezicht zou verwachten, meer verbonden met anderen.

Ik kwam op de gedachte dat de evolutie kennelijk zo "slim" is geweest om ons gevoel van controle te hebben over ons leven mede afhankelijk te maken van hoeveel we voor anderen doen. Dat kun je wel fundamenteel sociaal noemen.

maandag 17 september 2018

Persoonlijkheid en empathie in de politiek - Meer empathie, sympathie en compassie bij politiek links dan bij politiek rechts

In onze tegenwoordige maatschappij, waarin we naast de kleine kring van vertrouwde anderen ook het veelomvattende sociale domein kennen van onpersoonlijke, anonieme contacten en zelfs van vreemden waarover we alleen indirect informatie hebben, is er veel ruimte voor de ontwikkeling van een breed scala aan persoonlijkheidsverschillen. Die verschillen blijken in kaart te kunnen worden gebracht met de dimensies van de zogenaamde Big Five:
  • Openheid versus geslotenheid (open staan voor nieuwe ervaringen tegenover conservatief en traditioneel)
  • Nauwkeurigheid/zorgvuldigheid versus slordigheid
  • Extraversie/sociabiliteit versus introversie/terughoudendheid
  • Vriendelijkheid versus egoïstisch/koud/wantrouwend
  • Emotionele stabiliteit versus snel ongerust en angstig zijn
We zagen eerder dat er in een eenvoudiger en kleinschaliger samenleving eerder een Big Two bestaat: persoonlijkheidsverschillen zijn gereduceerd tot verschillen in pro-socialiteit (hoe hulpvaardig je bent) en in ijver (hoeveel je je inspant voor het collectief). Die twee samengenomen overlappen nogal met de vierde dimensie van de Big Five: of je vriendelijk bent tegenover anderen of daarentegen egoïstisch, koud en wantrouwend. In termen die op dit blog vaak terugkomen: of je meer gemeenschapsgedrag vertoont of daarentegen meer statuscompetitiegedrag.

Een sociaalwetenschappelijk onderzoeksthema is hoe persoonlijkheidsverschillen in de tegenwoordige maatschappij uitwerken op politiek-ideologische houdingen. 

Zo weten we uit onderzoek dat het onderscheid tussen politiek links (liberal) en politiek rechts (conservative) sterk samenvalt met dat onderscheid tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag. Mensen die centrum-links stemmen, scoren hoger op vriendelijkheid dan mensen die centrum-rechts stemmen en wat waarden betreft, staan ze meer voor gelijkheid en zorg voor zwakkeren.

Uit de nieuwe studie Are Liberals and Conservatives Equally Motivated to Feel Empathy Toward Others? blijkt nu dat dit onderscheid overeenkomt met het verschil in de mate van empathie die mensen voelen voor anderen. Het onderzoek werd uitgevoerd in de Verenigde Staten, Israël en Duitsland en laat zien dat mensen die zichzelf meer politiek links positioneren meer gemotiveerd zijn om empathie, sympathie en compassie met anderen te voelen dan mensen die zichzelf meer politiek rechts positioneren. 

Ook ging links zijn gepaard met een grotere bereidheid om hulp te verlenen dan rechts zijn. Wat weer geheel verklaard werd door dat verschil in empathie, sympathie en compassie.

Kortom: persoonlijkheidsverschillen hebben hele reële uitwerkingen op politieke houdingen.

zondag 16 september 2018

Zondagochtendmuziek - Le trompettiste Roy Hargrove au festival Jazz en Tête

Gedurende onze rondreis door het noordoosten van de Verenigde Staten (vandaar de inactiviteit op dit blog de afgelopen weken) belandden we in New York in de jazzclub Blue Note, waar het Roy Hargrove Quintet optrad. Geweldig om mee te maken. En om op de plek te zijn waar zo vele jazzlegendes hebben opgetreden.

Dit is een optreden van het kwintet vorig jaar op het Festival Jazz en Tête in Clermond-Ferrand.

woensdag 12 september 2018

Meisjes meer gericht op gelijkheid dan jongens - En over de evolutionaire achtergrond daarvan

Van de twee sociale gedragspatronen waar mensen, afhankelijk van de aard van hun sociale omgeving, gemakkelijk toe over gaan, statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag, is het patroon van het statuscompetitiegedrag evolutionair gezien het oudste. Reptielen kenden en kennen eigenlijk alleen het statuscompetitiepatroon.

Met de komst van zoogdieren ging broedzorg en zorg voor nakomelingen deel uitmaken van het sociale gedragsrepertoire. Dat hield noodzakelijkerwijs in dat als de situatie daarom vroeg de neiging tot statuscompetitie moest worden uitgeschakeld. Of, zoals Henry en Wang het in 1998 uitdrukten, het ancient self preservatiev behavior moest plaatsmaken voor het nieuwe zoogdierpatroon van het species preservative behavior, dat parental care, nursing, social interaction, pair bonding and mutual defense omvatte. Hier de link naar het betreffende artikel: Effects of early stress on adult affiliative behavior, dat ik kort geleden weer eens onder ogen kreeg. Terzijde: broedzorg bij vogels is een ander verhaal.

Een en ander houdt in dat ons vermogen tot pro-sociaal gedrag, ook tegenover niet-verwanten, zich in de loop van de verdere menselijke evolutie heeft uitgebreid tot de bredere kring van vertrouwde anderen en zelfs vreemden. Je kunt je voorstellen dat verwantschapsherkenning niet altijd perfect was en dat het pro-sociale gedrag ten opzichte van niet-verwanten evolutionair versterkt kan worden. Denk aan wederkerigheidsaltruïsme of zelfs groepsaltruïsme.

Dat wijst erop dat de oorsprong van ons pro-sociale (gemeenschaps-)gedrag ligt in de broedzorg, de zorg voor het nageslacht. En dat doet weer vermoeden dat de selectie op dat nieuwe gemeenschapsgedrag voor vrouwen sterker is geweest dan voor mannen. Mannen kennen ook de neiging tot zorg, maar het effect van het daarin tekort schieten op de overleving van de kinderen is vaak geringer.

Dat zou dus betekenen dat mannen nog meer dat oude statuscompetitiegedrag vertonen en dat je bij vrouwen meer dan bij mannen het gemeenschapsgedrag aantreft. Het bestaan van gender stereotypes komt daarmee overeen. Mannen zijn volgens die typering meer competitief en gericht op hiërarchie en vrouwen meer op gelijkheid en goede onderlinge verhoudingen.

In de nieuwe studie Gender Differences in Egalitarian Behavior and Attitudes in Early Childhood vind je referenties naar onderzoekingen die in deze richting wijzen.

Terwijl de studie zelf laat zien dat deze verschillen al kunnen worden aangetroffen bij twee- tot vijf jaar jonge kinderen. In twee onderzoeken, uitgevoerd in de Verenigde Staten en in Frans-Canada, waren meisjes meer egalitair in hun verdelingen (van stickers) over anderen dan jongens.

vrijdag 17 augustus 2018

Narcisten kijken neer op anderen, behalve als die ook narcist zijn

Narcisten weten van zichzelf dat ze narcistisch zijn. En zien dat niet als een probleem.

En omdat ze narcisten zijn, voelen ze zich hoog verheven boven anderen. En kijken dus op anderen neer.

Maar kijken ze ook neer op andere narcisten?

Nee, dat blijkt niet zo te zijn. Althans, de studie Narcissists Stand United. Grandiose and Vulnerable Narcissists Agree That Others’ Narcissism Is Less Repulsive verschaft aanwijzingen in die richting.

De onderzoekers laten dat zien voor een onderzoeksgroep van studenten. Degenen die hoger scoorden op narcisme oordeelden positiever over een fictieve persoon die zich meer narcistisch gedroeg. Het waren in het bijzonder de grandioze narcisten (arrogant, opschepperig, hoogmoedig) die neerkeken op niet-narcistisch gedrag, maar integendeel juist waardering hadden voor narcistisch gedrag.

Dit in tegenstelling tot de niet-narcisten, die niet-narcistisch gedrag hoger waardeerden en narcistisch gedrag afkeurden.

Dat al die narcistische, en dus autoritaire, leiders die we tegenwoordig zo veel in het nieuws tegenkomen (Trump, Erdogan, Orbán, Kim Jong-un, Putin), elkaar kennelijk weten te waarderen, is daar dus geheel mee in overeenstemming.
Hoort Vladimir Putin wel thuis in dat rijtje narcisten, vroeg ik me af. Is hij niet meer een leider die de verheerlijking van zijn persoon strategisch gebruikt? Moeilijk te zeggen, maar aanwijzingen voor narcisme vind je hier: Vladimir Putin, Narcissist? How the psychology of narcissism might offer insight on the Russian leader. En hier: The Danger That Lurks Inside Vladimir Putin's Brain. Contempt is key to Putin's troubling psychological profile.

zondag 12 augustus 2018

Zondagochtendmuziek - Beethoven - Piano Sonata No.29, Op.106 "Hammerklavier" - Wilhelm Kempff ...

Ik ben al een poos op Spotify de uitvoering door Wilhelm Kempff (1895 - 1991) van de Pianosonate's van Beethoven aan het beluisteren. En ontdek nu pas dat Kempff nog in de 19-e eeuw geboren is en flink oud is geworden.

Zijn uitvoeringen van Beetoven staan erom bekend dat hij een gematigd tempo kiest. Niet dat overdreven langzame of snelle, dat al gauw pedant overkomt. Dat verklaart misschien waarom het beluisteren zoveel voldoening geeft. Hij moet eens voor Jean Sibelius het langzame deel van deze "Hammerklavier" sonate hebben voorgespeeld, waarna Sibelius moet hebben uitgeroepen: "You did not play that as a pianist but rather as a human being."

Hier dus die "Hammerklavier" sonate, opgenomen in 1964.

donderdag 9 augustus 2018

Statusvertoon en vriendschap verdragen elkaar slecht - Maar dat hebben we slecht door als we vriendschap zoeken

Mensen brengen al heel lang niet meer hun hele leven door in de groep van vertrouwde anderen, zoals dat het geval was in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars. Naast het gemeenschapsdomein van familie en vrienden, kennen we ook het domein van de statuscompetitie en statushiërarchie. Bovendien is dat gemeenschapsdomein vaak maar klein en precair, vandaar dat eenzaamheid een maatschappelijk probleem is.

Anders gezegd, we leven in een maatschappij met een grote mate van sociale vluchtigheid, waarin we ons nogal eens eenzaam voelen en waarin we best wel meer vrienden zouden willen.

Maar hoe maak je nieuwe vrienden?

Evolutionair gezien zijn we er niet op geselecteerd om gemakkelijk nieuwe vrienden te maken, want die uitdaging kwam in die Paleo Sociale Omgeving eigenlijk niet voor. Vrienden had je en het ging erom die te houden, niet om nieuwe vrienden te maken.

Je moet het nu dus zelf maar zien uit te vinden. En omdat je zowel gemeenschap als statuscompetitie om je heen ziet, kan het zijn dat je die twee door elkaar haalt. En dan op het idee komt om door statusvertoon te proberen om vrienden te maken.

Dat die vergissing veel gemaakt wordt, blijkt uit de nieuwe studie The Status Signals Paradox.

De onderzoekers lieten in vijf deelstudies mensen kiezen tussen het wel of niet met statusvertoon te proberen om nieuwe vrienden te maken. Het ging er dan bijvoorbeeld om of je met een dure of een middenklasse auto zou arriveren of dat je een duur merkhorloge of een gewoon horloge zou dragen of een duur merk T-shirt aan zou trekken of een gewoon Walmart T-shirt.

Steeds bleek dat significant meer mensen kozen voor het statusvertoon. Ze verwachten dus daarmee succesvoller te zijn in het maken van vrienden. Anderen zouden hen aantrekkelijker vinden als mogelijke nieuwe vriend.

Maar of dat laatste zo was, werd ook vastgesteld door mensen te vragen naar wie ze als mogelijke vriend aantrekkelijker zouden vinden. En daaruit bleek dat degenen met statusvertoon juist minder positief werden beoordeeld. Er bestaat dus inderdaad een Status Signalen Paradox.

Kennelijk is het zo dat als we op zoek zijn naar vriendschap, maar die dus nog niet hebben gevonden, we dat statuscompetitiepatroon dat ook in ons zit, niet gemakkelijk buiten werking kunnen stellen.

Misschien dat we bang zijn om toch in een statusstrijd terecht te komen en dan willen we maar liever goed voor de dag komen.

Maar die angst maakt de kans op vriendschap dus juist kleiner.

dinsdag 7 augustus 2018

Over sociale zeepbellen en dat je die soms aan kleine dingen kunt herkennen - Zoals aan een passage uit Zomergasten

De aanleiding tot dit bericht is een passage uit Zomergasten van afgelopen zondag. Maar dat blijkt pas aan het eind. Even doorlezen dus.
Het publieke domein is een zo recent verschijnsel in de mensheidsgeschiedenis dat je er niet op kunt vertrouwen dat wij er goed op zijn ingesteld om het te doorgronden en er goed geïnformeerde keuzes in te maken.

Verreweg het grootste deel van het mensheidsbestaan, ruwweg 98 procent, brachten mensen hun leven door in een groep waarin op basis van persoonlijke relaties gedeeld werd en werd samengewerkt. Iedereen werd als onderdeel van de dagelijkse gang van zaken ruimschoots geïnformeerd over wat er in de groep (en in de fysieke omgeving) aan de hand was.

Vergeleken daarmee is het bestaan van het hedendaagse, publieke domein er de oorzaak van dat we altijd een fundamenteel informatietekort hebben. In het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen? omschreef ik dat als volgt:
We leven in een maatschappij met een omvangrijk publiek domein. Dat is het sociale domein dat bestaat uit alle mensen, relaties, omstandigheden en gebeurtenissen waar we geen directe, op persoonlijke ervaringen berustende kennis van hebben. In vergelijking met het persoonlijke domein, dat van de familie en vrienden waarmee we een persoonlijke geschiedenis delen, is onze relatie met het publieke domein er een van een fundamenteel informatietekort. Vrijwel alles wat we weten of menen te weten, hebben we van horen zeggen. Sommigen van ons doen hun best om dat informatietekort te verminderen. Ze lezen kranten, ze raadplegen boeken en internet en ze volgen het (sociaalwetenschappelijk) onderzoek. Maar verreweg de meesten maken zich afhankelijk van wat ze zoal horen en onder ogen krijgen bij hun dagelijkse bezigheden die op andere zaken gericht zijn.
Omdat dat publieke domein ons op allerlei manieren wel raakt en omdat ons welzijn sterk afhankelijk is van wat er zich daar afspeelt, voelen we wel de noodzaak om ons er oordelen over te vormen. Al was maar omdat de politiek er onderdeel van is en we dus van tijd tot tijd onze stem kunnen uitbrengen.

Dat informatietekort zorgt er dan voor dat er gemakkelijk sociale zeepbellen ontstaan. In het bericht
Sociale zeepbellen in economie en politiek kom je daarover deze alinea tegen:
Sociale zeepbellen ontstaan als mensen slecht geïnformeerd zijn over zaken waar ze over moeten beslissen en zich dan vooral laten leiden door wat anderen doen. Het begin van een zeepbel kan heel nietig en onbeduidend zijn. Van al die slecht geïnformeerden zijn er sommigen die een bepaalde overtuiging hebben en daar, onterecht, zo zeker van zijn, dat ze die uitdragen. Anderen raken daarvan onder de indruk en nemen die overtuiging over, waardoor nog weer anderen er ook mee in aanraking komen. Dat versterkt de eersten in hun overtuiging waardoor ze die nog meer uitdragen. Het zo in stand gezette groeiproces dijt snel uit en zo ontstaat een zeepbel, een wijdverbreide overtuiging die weinig met de werkelijkheid te maken hoeft te hebben.
Het bestaan van sociale zeepbellen is dus inherent aan het soort maatschappij waarin wij leven, want dan informatietekort zal er altijd zijn. Media zouden op de wereld moeten zijn om dat tekort zo klein mogelijk te houden, maar dat is helaas niet altijd het geval. Wat misschien ook weer een gevolg is van een sociale zeepbel, de gedachte namelijk dat je de media wel aan de markt, en dus aan het Grote Geld, kunt overlaten.

Hoewel sociale zeepbellen dus veel voorkomen, worden ze niet altijd opgemerkt. Dat kan eraan liggen dat sommigen zich in een van de bestaande zeepbellen bevinden en van andere geen weet hebben. En misschien merk je ze eerder op als je ouder bent geworden, want dat maakt de kans groter dat je al enkele aan je voorbij hebt zien gaan.

Nu is het natuurlijk niet zo dat alle zeepbellen gelijkwaardig zijn. Sommige hebben meer contact met de werkelijkheid dan andere. Zo meen ik dat de zeepbel die in de politiek van na de Tweede Wereldoorlog heerste en inhield dat je als overheid moet streven naar bestaanszekerheid voor je burgers en dat je de ongelijkheid binnen de perken moet houden, meer contact had met de werkelijkheid dan de neo-liberale zeepbel die na de jaren 70 opkwam en waar we nu nog steeds onder lijden. De ene zeepbel kan een achteruitgang zijn vergeleken met een andere. Denk aan het bericht Zullen we weer terug kunnen keren op het pad van de vooruitgang?

Dit alles bedacht ik me toen ik ik terugdacht aan een passage in het programma Zomergasten waarin Louis van Gaal gast was. Het was maar een stukje van misschien een halve minuut, dat me aan het denken zette. Van Gaal vertelde over het tragische overlijden van zijn eerste vrouw, bij wie alvleesklierkanker werd vastgesteld. De artsen, zo vertelde hij, als ik me goed herinner tot twee keer toe, deden, "omdat ik Louis van Gaal ben", extra hun best. Meer dus dan ze bij iemand anders gedaan hadden.

En dat bleef dus bij mij hangen. Want ik verwachtte eigenlijk van hemzelf of van gastvrouw Janine Abbring iets te horen in de trant van: eigenlijk hoort dat natuurlijk niet. Want laten we wel wezen, je mag nog zo beroemd zijn of nog zoveel geld hebben, maar het hoort niet dat artsen zich daardoor meer voor jou inspannen dan voor iemand anders. 

Maar dat hoorde ik dus niet. 

En ik dacht bij mezelf: ook aan kleine dingen, die in een gesprek voorbijkomen en waarop niet wordt gereageerd, kun je een sociale zeepbel herkennen. In dit geval dus de zeepbel dat ongelijkheid in het publieke domein helemaal niet zo verkeerd is en dat ongelijke behandeling er nu eenmaal bij hoort. (Dat Van Gaal die extra inspanningen voor zijn vrouw accepteerde, valt natuurlijk goed te begrijpen.)

Ik kan dat natuurlijk niet hard maken, maar ik stel me voor dat zo'n passage in een televisieprogramma van veertig of vijftig jaar geleden anders was verlopen. Iemand had het belangrijk gevonden om toch even te wijzen op het ongepaste van ongelijke behandeling.

maandag 6 augustus 2018

Hoe de Britse Conservatieven door bezuinigingen de bestaansonzekerheid en daarmee de steun voor Brexit vergrootten

Doordat regeringen met bezuinigingen meenden te moeten reageren op de Grote Financiële Crisis, vergrootten ze de bestaansonzekerheid van grote delen van hun bevolkingen.

Sociaalwetenschappelijk waren de gevolgen daarvan te voorspellen: maatschappelijke tegenstellingen werden aangewakkerd. Zie Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd? en volg de link in dat bericht naar de powerpoint.

Daarin zie je hoe de politiek, trouwens ook al voorafgaand aan de Grote Financiële Crisis, de bestaansonzekerheid vergrootte en hoe daarmee de tegenstelling tussen de sterkeren en de zwakkeren en tussen eigen volk en vreemden werd aangewakkerd. Anders gezegd, hoe het rechts-extremisme in de kaart werd gespeeld.

De nieuwe studie Did Austerity Cause Brexit? laat nu zien dat het bezuinigingsbeleid van de Britse Conservatieve regering in dezelfde lijn heeft bijgedragen aan de steun voor Brexit.

Het blijkt dat de steun voor Brexit, die voor een groot deel voortkwam uit de tegenstand tegen het vrije verkeer van personen in de Europese Unie, zoals tot uiting komend in het stemmen op UKIP en het stemmen voor Leave bij het referendum in 2016, groter was bij personen en in gebieden die zwaarder werden getroffen door de bezuinigingen op de verzorgingsstaat en de sociale zekerheid.

Terzijde: denk ook even aan de mogelijke link tussen dat bezuinigingsbeleid en de sterke toename van (het gebruik van) voedselbanken in Groot-Brittannië en aan dit bericht in The Guardian van een paar dagen geleden: Revealed: ministers' plan to research effect of policies on food bank use.

De resultaten van het onderzoek maken het waarschijnlijk dat zonder die bezuinigingen de Britten bij het referendum in meerderheid voor Remain hadden gestemd.

vrijdag 3 augustus 2018

Zullen we weer terug kunnen keren op het pad van de vooruitgang?

De menselijke geschiedenis is er niet een van alleen maar vooruitgang. Neem nu die twee heel verstandige inzichten die na de Tweede Wereldoorlog om zich heen grepen: het belang van bestaanszekerheid en het belang van het tegengaan van te grote ongelijkheid. Inzichten die werden omgezet in wetgeving en internationale verdragen. Denk aan de sociale zekerheid van de verzorgingsstaat, aan de herverdeling door middel van sterk progressieve belastingheffing en aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948).

Dat waren ontwikkelingen die vooruitgang genoemd kunnen worden, omdat ze uitingen waren van het overheersen van de menselijke gemeenschapsintuïties over de daaraan tegengestelde intuïties van de statuscompetitie en de statushiërarchie.

Maar nu, in 2018, kun je niet anders dan concluderen dat er zo ongeveer sinds 1970 stappen zijn teruggezet. Het neo-liberale marktdenken greep om zich heen. Toenemende ongelijkheid zou geen probleem zijn. De verzorgingsstaat moest worden afgebroken, om mensen meer voor zichzelf te laten zorgen. Bestaansonzekerheid was juist goed, want zorgde immers voor de nodige prikkels om zich in te spannen.

En we zien de negatieve gevolgen om ons heen. Toenemende ongelijkheid lijkt een zichzelf versterkend proces. Bestaansonzekerheid neemt toe. De extreem rijken en de grote ondernemingen gebruiken hun middelen om de democratie en de media te beïnvloeden in een hun welgevallige richting. Het door de toegenomen bestaansonzekerheid gegroeide maatschappelijk ongenoegen wordt met succes omgebogen in vijandigheid ten opzichte van vreemdelingen, immigranten, vluchtelingen en uitkeringstrekkers.

Rechts-extremisme en populisme ("de anderen" zijn de boosdoeners) grijpen om zich heen. Narcisten aan de macht maken gebruik van de hen geboden kansen om de vrije pers en de democratische procedures van de scheiding der machten om zeep te helpen..

Van dag tot dag denk je: zullen de krachten van de democratie en de gelijke rechten, dus van de gemeenschapsintuïties, sterk genoeg zijn om de ontwikkelingen te keren? Zodat we weer terug kunnen keren op het pad van de vooruitgang?

donderdag 2 augustus 2018

De Donkere Kern van de menselijke sociale natuur - Over statuscompetitie en persoonlijkheid

De menselijke sociale natuur is ambivalent. We zijn in staat tot gemeenschapsgedrag, pro-sociaal gedrag, dat ons in staat stelt om te delen en samen te werken. Maar we zijn ook in staat tot statuscompetitiegedrag, gedrag dat gericht is op het individuele belang, waarbij anderen automatisch gezien worden als concurrenten (in de strijd om status).

Die ambivalentie is in het verleden evolutionair succesvol geweest, omdat hij gepaard ging met flexibiliteit: het vermogen om je eigen gedrag aan te passen aan dat wat je in je sociale omgeving ziet gebeuren. Als daar het gemeenschapsgedrag overheerst, dan is het het beste om daar aan mee te doen, op straffe van uitsluiting als je dat niet doet. Maar overheerst het statuscompetitiegedrag, dan is het maar beter om daar ook voor te kiezen, op straffe van uitgebuit worden als je dat niet doet. Denk aan de Dual Mode-theorie.

Hoewel mensen dus over die flexibiliteit beschikken, leren we uit het persoonlijkheidsonderzoek dat sommigen van ons sterk neigen tot het statuscompetitiegedrag. Zo zijn ze bijvoorbeeld maar heel slecht in staat tot empathie, tot het meevoelen met het leed van anderen. Dat maakt dat ze sterk egoïstisch zijn ingesteld en dat de empathie waartoe ze nog wel in staat zijn, alleen in strategische zin wordt gebruikt.

We hebben gezien dat die statuscompetitieve persoonlijkheid in (tenminste) drie verschijningsvormen valt aan te treffen; narcisme, psychopathie en Machiavellianisme. Volg de link voor de omschrijvingen en de verschillen.

Maar hoewel er dus verschillen bestaan tussen die drie vormen, is er ook niet een gemeenschappelijke kern en hoe moeten we die karakteriseren?

De nieuwe studie The dark core of personality geeft antwoord op die vraag. Zie ook het artikel The Dark Core of Personality. What's your dark core score? dat Scientific American eraan wijdt.

De onderzoekers hebben verschillende theoretische vermoedens over waaruit die 'Donkere Kern' zou kunnen bestaan. Een daarvan is gebaseerd op de life history theory, die inhoudt dat het opgroeien in een instabiele sociale omgeving aanzet tot een "snelle levensloopstrategie": het opportunistisch en strategisch exploiteren van anderen. Die strategie, en het statuscompetitie-karakter ervan, kwamen we eerder tegen in het bericht Mannen zijn opportunistischer en wraakzuchtiger als ze in een omgeving met meer geweld zijn opgegroeid.

Die theoretische vermoedens worden vervolgens in vier studies empirisch getoetst. Daaruit komt uiteindelijk naar voren dat er inderdaad een Donkere Kern valt aan te wijzen, die bestaat uit:
een fundamentele neiging tot het najagen van het eigen belang, met daaraan gekoppeld
het negeren of accepteren of zelfs kwaadaardig nastreven van negatieve effecten voor anderen en
het aanhangen van overtuigingen die dienen om zulk gedrag te rechtvaardigen.
De aard van die rechtvaardiging kan verschillen. Zo bestaat hij bij de narcist uit de overtuiging dat hijzelf boven iedereen verheven is. En bij de psychopaat uit de overtuiging dat iedereen slecht is, wat betekent dat hij dat zelf ook mag zijn.

De behoefte om het eigen egoïsme te rechtvaardigen, wijst erop dat er zelfs in deze Donkere Kern nog iets bestaat van dat gemeenschapsgedrag. Want als die notie geheel zou ontbreken, dan was er immers ook geen rechtvaardiging nodig.

In dat Scientific American - artikel vind je het lijstje van 9 uitspraken waarmee de Donkere Kern bondig kan worden vastgesteld. Hoe meer iemand het met deze uitspraken eens is, hoe meer hij of zij tot de Donkere Kern van de menselijke persoonlijkheid kan worden gerekend:

The Dark Core Scale

1. It is hard to get ahead without cutting corners here and there.

2. I like to use clever manipulation to get my way.

3. People who get mistreated have usually done something to bring it on themselves.

4. I know that I am special because everyone keeps telling me so.

5. I honestly feel I'm just more deserving than others.

6. I'll say anything to get what I want.

7. Hurting people would be exciting.

8. I try to make sure others know about my successes.

9. It is sometimes worth a little suffering on my part to see others receive the punishment they deserve. 

zondag 29 juli 2018

Zondagochtendmuziek - Beethoven - Symphony No. 5 in C minor, Op. 67 (Daniel Barenboim, West-Eastern Divan Orchestra...

Update2. De kritiek binnen Israël op het besluit dat van het land een apartheidsstaat maakt, neemt toe. Zie nu ook Israels Drusen. Blutsbrüder zweiter Klasse in Der Spiegel.
Update1. Zie nu ook dit bericht in Haaretz over de open brief van Amoz Oz, David Grossman en andere Israëlische schrijvers, kunstenaars en intellectuelen aan de Israëlische premier Netanyahu: 'Abolish This Sin': Amoz Oz, David Grossman and Hundreds of Israeli Intellectuals Slam Nation-state Law.
Pianist en dirigent Daniel Barenboim was, samen met Edward Said, oprichter van het West-Eastern Divan Orchestra, dat bestaat uit jonge Palestijnse, Arabische en Israëlische muzikale talenten. Vorige week keerde hij zich in een betoog in The Guardian tegen het besluit van het Israëlische parlement, de Knesseth, om van Israël een Joodse staat te maken: This racist new law makes me ashamed to be Israeli.

Het besluit dus dat afscheid neemt van de Israëlische Onafhankelijkheidsverklaring uit 1948, waarin het principe van rechtsgelijkheid van al zijn burgers werd vastgelegd. Waarmee Israël nu, in 2018, een apartheidsstaat is geworden.

Een tragische ontwikkeling, helaas onderdeel van een ontwikkeling in veel landen, die ingaat tegen de grote na-oorlogse trend van democratie en mensenrechten. Barenboim over Israël:
Does occupation and domination over another people fit the declaration of independence? Is there any sense in independence for one at the expense of the fundamental rights of the other? Can the Jewish people, whose history is a record of continued suffering and relentless persecution, allow themselves to be indifferent to the rights and suffering of a neighbouring people? Can the state of Israel allow itself the unrealistic dream of an ideological end to the conflict instead of pursuing a pragmatic, humanitarian one based on social justice? (...)
we have a law that confirms the Arab population as second-class citizens. It follows that this is a very clear form of apartheid. I don’t think the Jewish people lived for 20 centuries, mostly through persecution and enduring endless cruelties, in order to become the oppressors, inflicting cruelty on others. This new law does exactly that. Therefore, I am ashamed of being an Israeli today.
Hier dirigeert hij zijn West-Eastern Divan Orchestra in de Vijfde Symfonie van Beethoven. Bekijk ook eens de prachtige documentaire Multiple Identities - Encounters with Daniel Barenboim uit 2002.

zaterdag 28 juli 2018

Meedoen aan de statuscompetitie in de wetenschap vergroot de kans op dubieuze onderzoekspraktijken

In de wetenschap horen integriteit en waarheidsvinding voorop te staan. Maar hoe organiseer je universiteiten en andere onderzoeksorganisaties zo dat zulke zaken ook worden bevorderd?

In ieder geval lijkt het verstandig om ervoor te zorgen dat de statuscompetitie tussen onderzoekers binnen de perken blijft. Want daarmee zou je de kans vergroten dat onderzoekers door oneigenlijke doelen worden gemotiveerd. Status, dus, en door anderen erkend en bewonderd willen worden en anderen willen aftroeven en willen verslaan.

Wat universiteiten in werkelijkheid hebben gedaan is het tegenovergestelde. Door de prestatie-eisen op te voeren hebben ze een publicatiedruk laten ontstaan, die uitdrukkelijk uitnodigt tot statuscompetitie.

En daarmee tot onderzoekspraktijken die moeilijk zijn te rijmen met integriteit en waarheidsvinding. Denk even terug aan de affaire-Stapel en het naar aanleiding daarvan uitgebrachte rapport van de Commissie-Levelt: Bevordert publicatiedruk onderzoekscultuur van sloppyness en fraude? De affaire-Stapel.

Maar is het wel zo dat statuscompetitie de kans op dubieuze onderzoekpraktijken vergroot? Ja, de nieuwe studie Dark Pathways to Achievement in Science. Researchers’ Achievement Goals Predict Engagement in Questionable Research Practices verschaft aanwijzingen in die richting.

Junior psychologie-onderzoekers die lid waren van de Deutsche Gesellschaft für Psychologie en die aan een universiteit werkzaam waren, kregen de vraag voorgelegd of ze zich wel eens aan of meer van negen dubieuze onderzoekpraktijken hadden bezondigd, zoals het presenteren van een onverwacht resultaat als van te voren voorspeld, en of ze zich wel eens aan fraude hadden schuldig gemaakt (het vervalsen van data). Dat zulke praktijken in de sterk competitieve Duitse universitaire cultuur inderdaad niet zeldzaam zijn, bleek eruit dat 85,71 procent van de ondervraagden melding maakte van tenminste een dubieuze onderzoekspraktijk.

De onderzoekers was ook gevraagd of ze zich in hun werk meer lieten leiden door het streven zoveel mogelijk hun eigen kennis en competenties te vergroten of meer door het streven op anderen zo competent mogelijk over te komen. Het eerste streven kun je zien als een intrinsiek motief en het tweede als een statuscompetitiemotief.

Het bleek toen dat dubieuze onderzoekpraktijken significant meer werden gemeld door degenen die meer werden geleid door het statuscompetitiemotief en minder door degenen die meer werden geleid door het intrinsieke motief van het vergroten van eigen kennis en competenties.

Er was ook een Donkere Drie-vragenlijst afgenomen, om narcisme, psychopathie en Machiavellianisme te meten. Opvallend was dat degenen die hoger scoorden op narcisme meer het statuscompetitiemotief aanhingen.

dinsdag 24 juli 2018

De kleine overheid is dodelijk - Hoe de bezuinigingspolitiek in Spanje de mortaliteit opdreef

Of het kapitalisme zich als een economisch stelsel kan blijven handhaven, zal er waarschijnlijk van afhangen of de politiek, en dus wij met zijn allen, wel voldoende inzicht hebben in het belang van de verzorgingsstaat. Inzicht dus in het belang van zaken als sociale bescherming, toegankelijke gezondheidszorg, inkomensbeleid en macro-economisch werkgelegenheidsbeleid. Kapitalisme zonder een uitgebreide verzorgingsstaat lijkt niet levensvatbaar.

Dit valt te baseren op de ervaringen die landen hebben opgedaan met de wijze waarop ze reageerden op de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. In Europa en met name in de eurozonelanden bestond die reactie eruit dat overheden gingen bezuinigen. De groeiende tekorten op de overheidsbegrotingen en de groeiende staatsschulden moesten zo snel mogelijk worden teruggedrongen.

Dat werd als de beste, ja, zelfs als de enige, oplossing gezien voor de gerezen problemen.Ook al omdat hij goed spoorde met de neoliberale ideologie van de kleine overheid, die zo'n grote invloed had op de regels van de euro.

Vrijwel alle economen waarschuwden en pleitten juist voor een expansief beleid. Want als de private sector bezig is om zijn schulden terug te dringen, valt de economie stil, groeit de werkloosheid en dalen de overheidsinkomsten. Maar de politici luisterden vooral naar elkaar en zo ontstond een sociale zeepbel, die ik vanaf 2011 de bezuinigingszeepbel noemde.

Het enige voordeel, maar dan ook echt het enige, van die ontwikkeling is dat we nu kunnen leren wat de rampzalige gevolgen zijn voor de bevolking van een overheidsbeleid dat erop gericht is om snel de overheidsuitgaven terug te dringen. Van een beleid dus dat ontspruit aan de neo-liberale ideologie van de kleine overheid.

In vorige berichten maakte ik al melding van studies die die gevolgen laten zien, waarin het ging om Griekenland, Groot-Brittannië en de Amerikaanse staat Kansas:
Daar is nu de nieuwe studie Austerity Policies and Mortality in Spain After the Financial Crisis of 2008, waarin het gaat over Spanje.

De onderzoekers vergeleken de ontwikkeling van de mortaliteit (het aantal sterfgevallen per jaar per 100.000 inwoners) in Spanje tussen 2010, toen de bezuinigingen begonnen, en 2015 met de trend daaraan voorafgaand en met de ontwikkeling in de Verenigde Staten, waar Obama met verhoging van uitgaven juist de economie stimuleerde (niet genoeg, maar daar gaat het nu niet om). 

Dat levert het volgende plaatje op:


Links laat de rode lijn de waargenomen ontwikkeling van de mortaliteit in Spanje tussen 2000 en 2015 zien. De zwarte lijn is de trend, met de twee onderbroken lijnen als de onzekerheidsmarges. Wat natuurlijk meteen opvalt is de abrupte en sterke toename vanaf 2010, toen de bezuinigingen begonnen. Rechts zie je de ontwikkeling in de Verenigde Staten. Ook daar is er met ingang van 2010 een verandering, maar die komt pas in 2015 boven de onzekerheidsmarge van de trend uit.

In getallen uitgedrukt, waren er in de periode 2010 - 2015 in Spanje 505.559 meer sterfgevallen dan je op grond van de trend van de voorafgaande tien jaar had mogen verwachten. De onderzoekers vermelden dat het aantal extra doden vergelijkbaar is met het aantal slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog, die van 1936 tot 1939 werd uitgevochten. Dit zou toch eigenlijk voorpaginanieuws moeten zijn, verzuchtte ik toen ik dat las.

Dat rampzalige bezuinigingsbeleid verlengde de economische recessie, met hoge en langdurige werkloosheid als gevolg. En we kennen de negatieve gezondheidseffecten van werkloosheid: Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders.

Maar daarnaast waren er ook de brute bezuinigingen op de gezondheidszorg, die heel rechtstreeks in verband staan met die mortaliteit. De onderzoekers melden dat tussen 2011 en 2015 het aantal artsen met 3000 afnam, het aantal verplegers met 5000 en het aantal andere posities in de gezondheidszorg met 40.000. En de wachttijden voor operaties, die voorheen vergelijkbaar waren met die in Zweden, namen sterk toe.

Kortom: de kleine overheid is dodelijk.

vrijdag 20 juli 2018

De uitspraken van minister Blok sociaalwetenschappelijk bekeken - Politici zouden beter op de hoogte moeten zijn van het sociaalwetenschappelijk onderzoek

Onze minister van Buitenlandse Zaken, Stef Blok, is van mening dat een multi-etnische of multiculturele samenleving niet vreedzaam kan zijn en dat dit eraan ligt dat de menselijke sociale natuur voor zo een samenleving ongeschikt is. Dat valt af te lezen aan de combinatie van de volgende twee uitspraken die uit zijn mond zijn opgetekend:
Noem mij een voorbeeld, van een multi-etnische of multiculturele samenleving, waar de oorspronkelijke bevolking nog woont (...) en waar een vreedzaam samenlevingsverband is. Ik ken het niet.
Waarschijnlijk zit ergens diep in onze genen dat we een overzichtelijke groep willen hebben om mee te jagen of om een dorpje te onderhouden. En dat we niet goed in staat zijn om een binding aan te gaan met ons onbekende mensen.
Even afgezien van de politieke lading ervan, wat valt er sociaalwetenschappelijk gezien over te zeggen? Dat is ook van belang omdat het idee dat we hier tegenkomen in wijdere kringen bestaat.

De lijn van sociaalwetenschappelijk onderzoek die meer inzicht kan verschaffen, kan met trefwoorden als sociale identiteit, in-group bias, intergroepsrelaties en etnocentrisme worden aangeduid. Die lijn begon al aan het begin van de twintigste eeuw met het werk van de Amerikaanse socioloog William Graham Sumner, wiens klassieker Folkways (1906) je op Project Gutenberg zomaar voor niks kunt lezen.

Volgens Sumner hebben mensen een neiging om zichzelf als lid van een groep te zien, hun in-group, waarbinnen mensen elkaar vertrouwen en loyaal aan elkaar zijn. Dat gaat ermee samen dat mensen een voorkeur hebben om met leden van hun eigen groep om te gaan en allerlei eigenschappen van hun eigen groep hoger waarderen dan die van andere groepen (in-group favoritism).

Vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw zijn deze ideeën theoretisch verder uitgewerkt, in wisselwerking met empirisch onderzoek. Baanbrekend was het werk van de Engelse onderzoeker Henri Tajfel, die o.a. liet zien dat mensen ook bij een onderscheid tussen in-group en out-group op grond van een onbenullig criterium (zoals voorkeur voor de ene dan wel de andere kunstenaar) geneigd zijn om de leden van "hun eigen groep" voor te trekken. Dat leidde tot veel onderzoek, onder het trefwoord minimal group paradigm.

Een vooraanstaand onderzoekster in deze lijn van onderzoek is Marilynn Brewer. (Zie ook het bericht Kunnen wij wereldburgers zijn? Een beetje uit 2013.) Toen zij in 2007 de Award for Distinguished Scientific Contributions uitgereikt kreeg, gaf ze in een lezing, die verscheen onder de titel The Importance of Being We: Human Nature and Intergroup Relations, een fraai overzicht van het tot dan verrichtte onderzoek.

Wat komt daaruit naar voren over de veronderstelde menselijke hang naar een eigen in-group en negatieve houding tegenover andere groepen? Dit citaat geeft uitsluitsel:
Despite widespread belief that in-group positivity and out-group derogation are reciprocally related, empirical research demonstrates little consistent relation between the two. Indeed, results from both laboratory experiments and field studies indicate that variations in in-group positivity and social identification do not systematically correlate with degree of bias or negativity toward out-groups (Brewer, 1979; Hinkle & Brown, 1990; Kosterman & Feshbach, 1989; Struch & Schwartz, 1989). For example, in a study of the reciprocal attitudes among 30 ethnic groups in East Africa, Brewer and Campbell (1976) found that almost all of the groups exhibited systematic differential positive evaluation of the in-group over all out-groups on dimensions such as trustworthiness, obedience, friendliness, and honesty. However, the correlation between degree of positive in-group regard and social distance toward out-groups was essentially .00 across the 30 groups.
Kort gezegd, er bestaat wel een neiging om positief te oordelen over de eigen groep, qua zaken als betrouwbaarheid, vriendelijkheid en eerlijkheid, maar dit gaat niet systematisch samen met een negatief oordeel over andere groepen. Het is dus ook niet zo dat hoe positiever mensen zijn over de eigen groep, hoe negatiever en vijandiger tegenover andere groepen. Ook uit het minimal group paradigm-onderzoek blijkt dat hoewel mensen ertoe neigen de eigen groep te bevoordelen, ze ervoor terugdeinzen om andere groepen expliciet te benadelen. Gehechtheid aan de eigen groep staat niet gelijk aan vijandigheid tegenover andere groepen. Brewer:
The point is simply that in-group attachment may be a necessary but not sufficient cause of intergroup hostility and that it is possible to have in-group loyalty and attachment in the absence of conflict with out-groups.
Voor alle duidelijkheid: het is dus goed mogelijk dat gehechtheid aan en loyaliteit met de eigen groep bestaat zonder vijandigheid tegenover andere groepen.

Terug naar minister Stef Blok: sociaalwetenschappelijk gezien klopt het dus niet dat de hang naar dat overzichtelijke eigen groepje of naar dat dorp een multi-etnische of multiculturele samenleving onmogelijk maakt. Beide kunnen goed samengaan.

Hoe zit dat dan met de wel bestaande conflicten tussen groepen en met de groepsgerichte vijandelijkheid? Denk nog even aan Wat is er eigenlijk aan de hand in Europa? Over rampzalig economisch beleid en rechtsextremisme.

Welnu, vijandigheid tegen over een andere groep ontstaat alleen dan als er aanwijzingen zijn dat die groep een bedreiging vormt. Brewer:
To justify out-group hate and intergroup conflict, the very existence of the out-group, or its goals and values, must be seen as a threat to the maintenance and the social identity of the in-group. Thus, understanding the relationship between in-group identification and out-group hostility requires understanding how the interests of the in-group and those of the out-group come to be perceived as in conflict.
En die bedreiging en dat belangenconflict kunnen reëel zijn, maar ze kunnen ook kunstmatig worden aangewakkerd. Brewer staat daar bij stil in een paragraaf met de titel Power politics. Politici kunnen er belang bij hebben om bedreigingen door andere, externe of interne, groepen voor te spiegelen en zo groepsgerichte vijandigheid aan te wakkeren:
When groups are political entities, however, these processes may be exacerbated by group leaders’ deliberate manipulations to mobilize collective action to secure or maintain political power. Social category differentiation provides the fault lines in any social system that can be exploited for political purposes.
En het valt te verwachten dat ze daarmee meer succes hebben als burgers toch al op zoek zijn naar verklaringen voor een toegenomen bestaansonzekerheid. Zie Door economische bestaansonzekerheid meer succes van rechts-extremistische partijen - Nieuwe aanwijzingen.

Marilynn Brewer hield dit betoog in 2007. Zal ze toen vermoed hebben dat het in 2018 zo bijzonder actueel zou zijn?

En je zou natuurlijk graag willen dat politici beter op de hoogte waren van het sociaalwetenschappelijk onderzoek.

zondag 8 juli 2018

Zondagochtendmuziek - John Coltrane - Untitled Original 11383 (Visualizer)

Er is een verloren gewaand album van John Coltrane ontdekt en uitgebracht: Both Directions at Once: the Lost Album. De opname werd gemaakt in 1963 in de Van Gelder Studios in New Jersey. De tape moet zijn vernietigd, maar er is een mono-opname boven water gekomen die meeliep. Coltrane speelt met Jimmy Garrison op bas, Elvin Jones op drums en McCoy Tyner op de piano.

Sonny Rollins (in The Guardian) noemt de ontdekking gelijkwaardig aan het vinden van een nieuwe kamer in de Grote Pyramide (van Giza). Te denken ware ook aan het aan het licht komen van een onbekende passie van Bach.

Kijk en luister ook even naar The Vinyl Geek over de ontdekking.

Nu al op YouTube, met een visualizer:

woensdag 4 juli 2018

Een publieke taak moet je met publiek geld financieren - Over de publieke omroep en over de sociale werkvoorziening

De publieke omroep moet bezuinigen. Want de reclame-inkomsten lopen terug en voor de optie om de publieke bijdrage te verhogen is kennelijk (nog?) geen politieke meerderheid.

Nu dreigt er bezuinigd te gaan worden op programma's waarvoor de publieke omroep eigenlijk is bedoeld: programma's die achtergrondinformatie verschaffen, informatie die kijkers helpt bij het begrijpen van de maatschappij waarin ze leven. Programma's als Tegenlicht, Zembla en Andere Tijden. Misschien omdat ze duur zijn in vergelijking met programma's waarin Bekende Nederlanders figureren. Want ja, BN'ers zijn goedkoop. Die moeten immers vaak in beeld, omdat hun inkomen van hun naamsbekendheid afhangt.

Dat de publieke omroep zich deels moet bedruipen uit reclame-inkomsten, is eigenlijk vreemd. Want de afhankelijkheid van die inkomsten, en dus van kijkcijfers, kan gemakkelijk ten koste gaan van die taak van het bieden van achtergrondinformatie. Dat zulke programma's over het algemeen minder worden bekeken dan het celebrities-amusement, hoeft natuurlijk niet te betekenen dat de maatschappelijke waarde ervan geringer is.

Het vreemde ligt erin dat je als overheid enerzijds die taak van een publieke omroep serieus neemt, want er is wetgeving en er zijn uitgaven, maar dat je anderzijds de goede uitvoering van de publieke taak tegenwerkt door te eisen dat een deel van de inkomsten uit reclame moet worden verkregen.

Diezelfde tegenstrijdigheid hebben we gezien bij, iets heel anders, de sociale werkvoorziening. Er kwamen sociale werkplaatsen op grond van het inzicht dat de markt niet uit zichzelf werkgelegenheid creëert voor iedereen. Voor sommigen is beschut werk noodzakelijk, dat commercieel niet of niet voldoende tot stand komt. Sociale werkvoorziening dus als publieke taak.

Maar toen sloeg de ideologie van de kleine overheid toe en het blinde geloof in de weldaden van de marktwerking. En dus moesten de sociale werkplaatsen zich meer bekostigen door middel van eigen inkomsten. De bijdragen vanuit het Rijk werden gekort. Sociale werkplaatsen moesten op de markt concurreren. Want ze waren te duur.

Met als bekend gevolg dat de werkplaatsen hun beste werknemers, die misschien anders werk hadden kunnen vinden op de reguliere arbeidsmarkt, probeerden te behouden. Vandaar dat de lonen in de sociale werkvoorziening gingen toenemen. Waardoor de sociale werkplaatsen nog duurder werden. En de wachtlijsten voor de sociale werkvoorziening ontstonden en groeiden. Want de werkplaatsen begonnen in te zien dat het "bedrijfseconomisch" gezien niet verstandig was om datgene te doen waarvoor ze bedoeld waren: werk bieden aan de zwaksten op de arbeidsmarkt.

En zo werd de sociale werkvoorziening om zeep geholpen. Sociale werkplaatsen? Nee hoor, veel te duur. Een publieke taak die door de politiek niet serieus werd genomen.

Zal de publieke omroep net zo door de politiek om zeep worden geholpen?

dinsdag 3 juli 2018

De innige relatie tussen Trump en zijn aanhang, die als hij verstoord gaat worden, voor beiden catastrofaal gaat uitpakken

In een tijd waarin narcisme over de hele linie lijkt te zijn toegenomen, zullen er ook meer politici op het toneel verschijnen met narcistische trekken. Die ontwikkeling kan ertoe leiden dat we een soort symbiose zien ontstaan tussen de narcistische leider en zijn aanhang, die zich sterk tot dat narcisme voelt aangetrokken.

Op hoe die symbiose eruitziet in het geval van Donald Trump en zijn kiezers, krijgen we enig inzicht dankzij de studie Group-Based Dominance and Authoritarian Aggression Predict Support for Donald Trump in the 2016 U.S. Presidential Election.

Over dat narcisme van Trump kunnen we kort zijn: een onrealistisch hoge eigendunk, een hoge mate van agressie tegenover tegenstanders, onvermogen om de democratische beperkingen te accepteren die aan het ambt van president gesteld zijn en vijandigheid tegenover wetenschap en deskundigheid. Een narcist kan niemand dulden die een inbreuk zou kunnen maken op zijn eigenwaan.

Uit dat onderzoek komt een beeld naar voren van Trumps aanhang dat perfect bij die narcistische trekken aansluit.

Want daaruit blijkt dat de Trump-kiezers in vergelijking met kiezers op andere kandidaten hoger scoren op de Sociale Dominantie Oriëntatie en het rechts-autoritaire wereldbeeld (RWA). (Zie het bericht Over het verband tussen narcisme en rechts-extremisme voor meer over die SDO en RWA.)

Dit geldt in het bijzonder voor de twee facetten "autoritaire agressie" en "groepsgebaseerde overheersing". Een voorbeeld van een uitspraak die staat voor autoritaire agressie is:
What our country really needs is a strong, determined President which will crush the evil and set us on our right way again
 En uitspraken die staan voor groepsgebaseerde overheersing, zijn:
In getting what your group wants, it is sometimes necessary to use force against other groups
Some groups of people are simply inferior to other groups
Some groups of people must be kept in their place
Daaruit lijkt inderdaad het beeld naar voren te komen van een symbiose van de narcistische leider die de collectief narcistische wensbeelden van zijn aanhang verpersoonlijkt.

Beide hebben elkaar nodig. Een innige relatie, die als hij verstoord gaat worden, voor beide catastrofaal gaat uitpakken.

zondag 1 juli 2018

Zondagochtendmuziek - Dvořák: Piano Quintet No. 2 in A major, Op. 81 - Harriet Krijgh & Friend...

Vandaag is de laatste dag van het Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht, sinds vorig jaar samengesteld door Harriët Krijgh. Ik was woensdagavond bij het openingsconcert. Met mooie uitvoeringen van Beethovens Geistertrio en van Brahms Tweede Strijksextet, met Simone Lamsma op eerste viool.

Dit is een opname van vorig jaar, van het prachtige Tweede Pianokwintet van Antonín Dvořák.

donderdag 28 juni 2018

Wat deden de eerste landbouwers? Ze bouwden een dorpshuis

Met de overgang van jagen-verzamelen naar de landbouw kwam er een nieuw probleem de mensheidsgeschiedenis binnen. Want de landbouw bracht eigendom met zich mee en daarmee dus ook ongelijkheid. Voor het overleven was het niet langer noodzakelijk om in de groep samen te werken en te delen. Families konden zichzelf redden en sommige beter dan andere.

Het probleem dat daarmee ontstond was het uiteenvallen van de sociale verbanden, van de sociale cohesie. Dat was om twee redenen een probleem. De eerste is dat conflicten uit de hand konden lopen en zelfs tot oorlogen konden leiden. Met veel schade en risico's voor iedereen.

Maar er was daarnaast natuurlijk ook nog de menselijke behoefte aan verbondenheid, aan de vertrouwdheid van de gemeenschap. Want met de landbouwsamenlevingen begon eigenlijk al wat we tegenwoordig "individualisering" noemen en daarmee het risico op eenzaamheid.

De eerste landbouwers probeerden dus uit te vinden hoe ze die sociale cohesie in stand konden houden, tegen de nieuwe centrifugale krachten in. In dat verband kennen we al de belangrijke rol van "fictieve verwantschap" en van religie. Maar we hebben nu aanwijzingen dat ze, zodra ze zich gingen vestigen, het belang inzagen van het gezamenlijk bouwen en onderhouden van een dorpshuis.

Een dorpshuis? Jazeker. Opgravingen in het zuiden van Jordanië hebben de resten van een gemeenschappelijke ruimte blootgelegd die wel bedoeld moet zijn geweest als een plek voor gezamenlijke activiteiten en ontmoetingen van de bewoners van het omliggende dorp. Je ziet een foto van de resten van het vloeroppervlak van het bouwwerk, dat de onderzoekers Building 37 noemden.

Een citaat uit het artikel (Constructing community in the Neolithic of southern Jordan: Quotidian practice in communal architecture):
Although Building 37 was likely used for occasional dramatic celebrations, the ease of access to the structure and evidence for heavy use suggests it was a space for routine and regular practices, interactions, and communication. The large open-floor plan, while probably insufficient to house the entire Beidha community at one time, still would have facilitated easy flow of movement and communication between individuals and small groups. These small-scale, regular and repetitive interactions operated through quotidian practices conducted within Building 37 would have fostered the production and reproduction of social norms to generate highly durable modes of community cohesion.
En daarmee beschrijven ze toch eigenlijk de functie van een dorps- of buurthuis.

Die eerste landbouwers en dorpsbewoners hadden dus al een goed inzicht in het belang van een gemeenschappelijke ontmoetingsplek. In de loop van de latere geschiedenis is dat inzicht vaak weggezakt of zelfs expliciet als "ouderwets" weggezet. 


En denk aan de berichten op dit blog over ontmoetingsplekken.

dinsdag 26 juni 2018

Een inkomensverbetering bij arme gezinnen is af te lezen aan hogere cognitieve vermogens van de kinderen op latere leeftijd

We weten al dat opgroeien in armoede is af te lezen aan langzamere hersenontwikkeling in eerste levensjaren. Ook weten we dat het opgroeien in armoede gepaard gaat met meer chronische stress en dat de gevolgen ervan nog op 17- en 24-jarige leeftijd kunnen worden vastgesteld aan onder meer een slechter werkgeheugen.

Arm opgroeien in een voor het overige welvarende maatschappij zet kinderen dus wat hun cognitieve vermogens betreft op achterstand. Want we weten ook dat er in de verklaring van verschillen in cognitieve vermogens naar sociaal-economische status naast een genetische weg ook een weg via de opgroei-omgeving een rol speelt.

Als het arm opgroeien voor de cognitieve vermogens van kinderen inderdaad slecht uitwerkt, dan zou het zo moeten zijn dat een inkomensverbetering gevolgen heeft voor de cognitieve ontwikkeling van kinderen in de periode daarna.

Precies dat vinden de onderzoekers in de studie Income Gains Predict Cognitive Functioning Longitudinally Throughout Later Childhood in Poor Children. Ze analyseerden de longitudinale data van het Amerikaanse NICHD Early Child Care Research Network. Bij arm opgroeiende kinderen zijn inkomensverbeteringen terug te zien in hogere scores op verbale en wiskundige vermogens op latere leeftijden. Net zo zijn inkomensverslechteringen terug te zien in lagere scores op hogere leeftijden.

Mogelijke verklaringen liggen erin dat het extra inkomen zo wordt besteed dat de huiselijke omgeving voor kinderen stimulerender is en dat het extra inkomen zorgt voor minder stress bij de ouders en bij de kinderen zelf.

maandag 25 juni 2018

Alleen als je al een rechts-autoritair wereldbeeld hebt, zet een meer etnisch diverse buurt je ertoe aan om rechtsextremistisch te stemmen

Er zijn veel aanwijzingen dat het stemmen op populistische, rechtsextremistische partijen vooral bevorderd wordt door de toename van economische bestaansonzekerheid.

Maar je komt ook veel de opvatting tegen dat mensen zich door de toename van etnische diversiteit, door immigranten en vluchtelingen, cultureel bedreigd gaan voelen en daardoor met een grotere kans rechtsextremistisch gaan stemmen.

Er is nu nieuw onderzoek dat laat zien dat dat laatste uitsluitend geldt voor degenen die al behept zijn met een rechts-autoritair wereldbeeld.

In de studie Ethnic diversity and support for populist parties: The “right” road through political cynicism and lack of trust ondervroegen de onderzoekers een voor de Nederlandse bevolking representatieve steekproef van 628 personen wonend in 531 verschillende buurten. Daaruit kwam naar voren dat alleen degenen die al een rechts-autoritair wereldbeeld hebben, door het wonen in een meer etnisch diverse buurt ertoe werden aangezet om  met een grotere kans op de PVV te stemmen.

Bij dat rechts-autoritaire wereldbeeld gaat het om (ik citeer uit een eerder bericht) het onderschrijven en aanhangen van traditionele normen en waarden, het je zelf daaraan onderwerpen en het opleggen ervan aan anderen, als het moet met geweld. Zie The Authoritarians van Bob Altemeyer. Je RWA-score is hoger als je het meer eens bent met uitspraken als:
  • Our country desperately needs a mighty leader who will do what has to be done to destroy the radical new ways and sinfulness that are ruining us.
  • The only way our country can get through the crisis ahead is to get back to our traditional values, put some tough leaders in power, and silence the troublemakers spreading bad ideas.
  • It is always better to trust the judgement of the proper authorities in government and religion than to listen to the noisy rabble-rousers in our society who are trying to create doubt in people's minds.
Hier kun je je eigen RWA-score te weten komen.

Uit het onderzoek bleek dat alleen degenen met een hogere RWA-score door het wonen in een meer etnisch diverse buurt cynischer zijn over de politiek en minder vertrouwen hebben in politici en dat ze dus meer op de PVV stemmen.

Voor degenen met een lagere RWA-score maakte de etnische diversiteit van de buurt waar ze wonen dus geen enkel verschil.

Van het bestrijden van populistisch rechtsextremisme door het tegenhouden van immigranten en vluchtelingen ("massa-immigratie") zal dus maar een beperkt effect uitgaan, namelijk alleen op degenen die toch al meer rechts-autoritair in het leven staan.

Een goede reden om je als politieke partij, en natuurlijk vooral als sociaal-democratie, te richten op het tegengaan van bestaansonzekerheid als belangrijke oorzaak van de toegenomen aanhang van populistisch rechtsextremisme.

zondag 24 juni 2018

Zondagochtendmuziek - Quai Des Brumes Indifférence

Live uit de Ferrara Jazz Club in 2016: Federico Benedetti - klarinet, Tolga During - gitaar en  Roberto Bartoli - bas. Lees hieronder verder.



Hoe kom ik daar nu bij terecht?

In het Texelse Oosterend liep ik de winkel binnen van viool- en stoelenbouwer Stefan During en zijn vrouw, de keramiste Nesrin During. Volg de link naar hun website en lees de interessante biografieën. Hun beide zoons zijn musici. Tolga During (hierboven) speelt gitaar en woont in Italië. En kijk eens op de website van Sjahin During.

Door in een opwelling die winkel in Oosterend binnen te stappen, ging er een wereld van muziek voor me open. Lees ook eens dit artikel uit De Groene Amsterdammer uit 2008: INTERVIEW MET STEFAN DURING. De goeie kant boven.

vrijdag 22 juni 2018

De oorlog tegen de kwetsbaren en de armen als verschijningsvorm van de statuscompetitie

De menselijke sociale natuur is innerlijk tegenstrijdig. Het kan de kant op gaan van gemeenschap, van het samenwerken en delen met anderen. Maar het kan ook de kant op gaan van statuscompetitie en statushiërarchie, van anderen zien als tegenstrevers in de strijd om status en de voordelen daarvan.

Die innerlijke tegenstrijdigheid zien we natuurlijk terug in hoe mensen omgaan met het publieke domein van maatschappelijke verhoudingen en nationale en internationale politiek. De kant van de gemeenschap zien we terug in de principes van de democratie en de verzorgingsstaat en op het internationale vlak van de mensenrechten en de vluchtelingenverdragen.

Maar daarnaast zien we dus ook de verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie. Ik maakte een begin met een inventarisatie daarvan in het bericht De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie.

Bij twee van de vormen die ik daar opsomde, het vijfde en zesde bullet, gaat het om de houding ten opzichte van kwetsbaren en armen. Overheerst het statuscompetitiepatroon, dan past geen mededogen met degenen die het moeilijk hebben. Zij zullen hun precaire positie wel aan zichzelf te wijten hebben en moeten dus leren van hun verkeerde gedrag. Als ze daartoe niet in staat zijn, dan is dat uitsluitend hun eigen probleem.

Als je probeert het nieuws te volgen, tegenwoordig geen aangename bezigheid, dan zie je die houding her en der, en het lijkt steeds meer, de kop opsteken. Een kleine selectie, in willekeurige volgorde:

Dat in de Verenigde Staten in het kielzog van Donald Trump de Republikeinen aan de macht zijn, heeft als een nog te weinig opgemerkt gevolg dat geprobeerd wordt om de Amerikaanse verzorgingsstaat te ontmantelen. Kwetsbaren en armen horen aan hun lot te worden overgelaten. Lees de berichten Behind Trump’s Plan to Overhaul the Government: Scaling Back the Safety Net en
G.O.P. Wants Hungry Kids to Fund Tax Cuts, die gisteren in de New York Times verschenen. En lees nog eens Paul Krugmans Trump’s War on the Poor van april vorig jaar.

En denk aan de tot nu toe niet geslaagde pogingen om Obamacare om zeep te helpen. In het Republikeinse denken zou het ongrondwettelijk zijn om burgers te verplichten zich te verzekeren tegen ziektekosten. Een verplichting waarzonder een collectieve gezondheidszorg niet kan bestaan. Republikeinen zijn van mening dat je ziek worden zelf in de hand hebt en dat je er dus niet op mag rekenen dat de overheid voorziet in een collectieve ziektekostenverzekering. Lees Justice Dept. Says Crucial Provisions of Obamacare Are Unconstitutional

Maar laten we ook naar Europa kijken. Ook in Nederland (tegenprestatie in de bijstand) en in Duitsland (Hartz-IV) is de afbraak van de verzorgingsstaat in gang gezet. Lees nog eens De neoliberale overheid neemt je je waardigheid af. In Duitsland is intussen over Hartz-IV discussie ontstaan (Was an Hartz IV wirklich abgeschafft gehört). Maar in Nederland lijken de tegenprestatie,  en de voedselbanken, nu algemeen aanvaard te zijn. (Net zo als het algemeen aanvaard is dat we een euro in stand houden die tot voor kort bizar gevonden werkloosheidscijfers in Griekenland, Italië en Spanje met zich mee heeft gebracht.)

En dan is er natuurlijk, in de Verenigde Staten en in Europa, die andere verschijningsvorm van de statuscompetitie, de vijandige houding tegenover vluchtelingen en immigranten. In het Amerika van Trump is er nu het schandaal van de gescheiden gezinnen aan de grens. Anne Applebaum daarover: In Trump’s world, morality is for losers. Met een kop waarin wel heel bondig de tegenstelling tussen gemeenschap (morality) en statuscompetitie (losers) naar voren komt.

En aan de randen van Europa is er al langer dat andere schandaal, dat van de bootvluchtelingen die vanuit Afrika proberen de Middellandse Zee over te steken. Sinds 2014 zijn daarbij naar schatting 15.000 migranten verdronken. Dat we dat als Europeanen hebben laten gebeuren, dat wijst er wel heel duidelijk op dat in die innerlijk tegenstrijdige sociale natuur van ons het statuscompetitiepatroon het roer kan overnemen.

zondag 17 juni 2018

Zondagochtendmuziek - J.S. Bach Violin Sonatas and Partitas BWV 1001-1006 Menuhin 1973-1975

Ik hoorde bij Klara een mooie nieuwe uitvoering van de vioolsonates en partita's van Bach. Niet onthouden van wie. Maar hier is er wel een heel fraaie, door Yehudi Menuhin, uit 1973-1975. Menuhin nam ze drie keer op. Dit is de laatste en volgens een van de reacties de meest filosofische.

woensdag 13 juni 2018

Alleen bij hogere werkloosheid voelden Witte Amerikanen zich in gemengde buurten meer bedreigd en stemden ze meer op Trump

Komt het populistisch rechts-extremistisch stemmen meer voort uit het zich (cultureel) bedreigd voelen door minderheden en vreemdelingen of meer uit gevoelens van economische bestaansonzekerheid?

Er zijn aanwijzingen dat dit niet een kwestie is van of-of, maar meer van en-en. Zie het bericht
Populisme verklaard door 'economie" of door "cultuur"? Niet of-of, maar en-en.

Het nieuwe onderzoek The Racial and Economic Context of Trump Support. Evidence for Threat, Identity, and Contact Effects in the 2016 Presidential Election geeft nu een aardig inzicht in de samenhang tussen de twee.

Daaruit komt namelijk naar voren dat Witte, non-Hispanic, Amerikanen bij de verkiezingen van 2016 meer op Trump stemden als ze in een meer etnisch gemengde buurt woonden, een buurt dus met grotere minderheden van Zwarten, Latino's en Aziaten. En dat lag eraan dat ze zichzelf meer een Witte identiteit toekenden.

Je kunt dat zo opvatten dat ze zich meer in hun identiteit bedreigd voelden en dus met een grotere kans op Trump stemden.
Maar dit was minder het geval als ze meer contact hadden met leden van die minderheden. Hoe meer van zulke contacten, hoe geringer de kans op een Trump-stem. Denk aan de contacthypothese.
Maar, en daar gaat het nu om, de onderzoekers keken ook naar de "contextuele variabele" van hoeveel buurtbewoners werkloos waren.

En toen bleek dat het verband tussen die etnische diversiteit en het stemmen op Trump alleen bestond in buurten met een hogere werkloosheid. Bij lage werkloosheid maakte die etnische diversiteit geen verschil meer.

En daarmee zie je de samenhang tussen de twee wel heel duidelijk naar boven komen. Die hogere werkloosheid in de buurt maakt dat mensen zich economisch onzekerder voelen. Zoekend naar een oorzaak voor die grotere onzekerheid valt hun oog in de meer diverse buurten op de aanwezigheid van de minderheden. Waardoor ook hun eigen Witte identiteit voor hen belangrijker werd.

En waardoor ze dus meer ontvankelijk werden voor de racistische retoriek van Presidentskandidaat Donald Trump.

Merk op hoe in deze samenhang de rol van economische bestaansonzekerheid cruciaal is. 

zondag 10 juni 2018

Zondagochtendmuziek - Ry Cooder - The Prodigal Son (Live in studio)

Dit is ook Amerika. Na zes jaar weer een CD van Ry Cooder (1947): The Prodigal Son. Pieter Wijnstekers is er in Heaven juichend over:
een nieuw hoogtepunt in zijn indrukwekkende oeuvre, een plaat die weer eens op alle fronten overtuigt en Ry Cooder opnieuw positioneert als een van de grootste schatbewaarders in de Amerikaanse rootsscene.

donderdag 7 juni 2018

Geen verdringing - Juist meer informele langdurige zorg in landen met uitgebreidere overheidsvoorzieningen voor langdurige zorg

In de discussies over de verzorgingsstaat en de participatiesamenleving kom je vaak de gedachte tegen dat een uitgebreide en ruimhartige verzorgingsstaat mensen ertoe brengt om zelf minder actief te zijn in de onderlinge hulpverlening. Want: als de overheid het al doet, dan kunnen wij achterover leunen.

In de literatuur staat die gedachte bekend als het crowding out - effect: de formele zorg zou de informele zorg verdringen.

Maar er zijn aanwijzingen voor precies het tegenovergestelde, voor crowding in: het verschijnsel dat formele zorg en informele zorg samen op gaan. Hoe meer formele zorg, hoe meer informele zorg. Zie de berichten op dit blog achter het label crowding-in.

Daar is nu een nieuwe aanwijzing bijgekomen. In de studie How to understand informal caregiving patterns in Europe? The role of formal long-term care provisions and family care norms gaat Ellen Verbakel (Radboud Universiteit Nijmegen) voor 19 Europese landen na hoe de uitgebreidheid van de formele langdurige zorg samenhangt met hoe actief burgers zelf zijn in het verlenen van informele langdurige zorg.

Wat die formele zorg betreft, ging het om een index samengesteld uit het aantal bedden beschikbaar voor langdurige zorg per 1000 inwoners van 65 jaar en ouder, het aantal langdurige zorgverleners per 100 mensen van 65 jaar en ouder, de overheidsuitgaven ten behoeve van langdurige zorg als percentage van het BNP en het aandeel van de bevolking dat langdurige zorg ontvangt. Het ging om gegevens van de OECD.

Wat de informele zorg betreft ging het om gegevens verkregen door middel van de European Social Survey (ESS).

Het blijkt dan dat in landen met uitgebreidere overheidsvoorzieningen voor langdurige zorg juist ook meer informele langdurige zorg wordt gegeven. Met dien verstande dat ze binnen het geheel van die langdurige zorg minder actief zijn in de intensievere vormen van langdurige zorg.

Het achterliggende proces zou wel eens kunnen zijn dat landen verschillen in de mate waarin de bevolking van oordeel is dat zorgbehoeftigen de zorg krijgen die ze nodig hebben.

Een grotere zorgzaamheid houdt dan zowel in dat mensen zelf meer bereid zijn om zorg te verlenen als dat ze meer stemmen op politieke partijen die een ruimhartig overheidsbeleid voorstaan op het gebied van de (formele) zorg. En een gevolg van dat proces is dat de overheid meer het verlenen van de intensievere vormen van zorg op zich neemt, die de mogelijkheden van de informele hulpverleners al snel te boven gaan.

Verzorgingsstaat en onderlinge hulpverlening is dus niet een kwestie van of-of, maar van en-en.

dinsdag 5 juni 2018

Door meer ongelijkheid meer stress, angststoornissen en psychische problemen - Nieuw boek van Wilkinson en Pickett

Richard Wilkinson en Pickett zijn na hun in 2009 verschenen  The Spirit Level. Why more equal societies almost always do better doorgegaan met hun onderzoek naar de negatieve gevolgen van grote ongelijkheid. Zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (10): de gezondheidsschade van inkomensongelijkheid voor meer over dat boek.

Nu is er van hen een vervolgboek verschenen: The Inner Level. How More Equal Societies Reduce Stress, Restore Sanity and Improve Everyone’s Wellbeing.

The Guardian interviewt de beide onderzoekers. Zie Is rising inequality responsible for greater stress, anxiety and mental illness?

Gevolgd door een excerpt uit het boek dat ingaat op de gevolgen van het opgroeien in armoede voor de onderwijsprestaties van kinderen. Met een plaatje dat laat zien hoe in het Verenigd Koninkrijk het verschil in prestaties tussen kinderen uit de meest gedepriveerde en de minst gedepriveerde gezinnen na het zevende levensjaar sterk toeneemt.


maandag 4 juni 2018

Loont het om aardig te zijn? In een individualistische cultuur niet

Eerder zagen we dat het, althans in de Verenigde Staten, niet loont om aardig te zijn. Zie Aardige mensen verdienen minder. Uit dat bericht:
Aardig zijn (agreeableness) is een van de vijf dimensies van persoonlijkheid waar je mensen op kunt indelen. Aardig zijn betekent dat je gemakkelijk van vertrouwen bent, eerlijk, pro-sociaal, meegaand, bescheiden en zachtaardig. En het is bekend dat aardige mensen een groot belang hechten aan persoonlijke relaties en meer gemotiveerd zijn om relaties in stand te houden, waardoor ze ook door anderen aardiger gevonden worden. Onaardige mensen hoeven nog geen psychopaat te zijn, maar hebben wel vaker de neiging om zich egoïstisch en agressief op te stellen, vooral in conflictsituaties.
Je zou kunnen zeggen dat we er met zijn allen, als maatschappij, belang bij hebben dat er genoeg aardige mensen bestaan. Wat genoeg is, weten we niet. Maar een maatschappij met heel veel onaardige mensen moet een stuk minder aangenaam zijn om in op te groeien en in te leven dan een maatschappij met veel aardige mensen. En je kunt je voorstellen dat al dat onaardige gedrag ook hoge kosten met zich meebrengt, al was het maar doordat er meer middelen verspild worden aan onnodige conflicten.

Dat zou er voor pleiten om aardige mensen beter te belonen dan onaardige mensen.
Maar uit dat onderzoek in de Verenigde Staten blijkt dus dat zulks daar niet het geval is. Ook als je er rekening mee houdt dat aardige en onaardige mensen verschillende soorten beroepen uitoefenen, met verschillende beloningsniveau's, dan blijft staan dat aardige mensen minder verdienen dan onaardige. (De link naar het onderzoek in dat vorige bericht werkt helaas niet meer. Herstel volgt.)

Nu is er nieuw onderzoek, waarin de Verenigde Staten wordt vergeleken met Japan: Is being agreeable a key to success or failure in the labor market? En daaruit komt naar voren dat voor Japanse mannen geldt dat aardiger zijn juist wel een hoger inkomen oplevert.

Tevens wordt nog eens bevestigd dat het omgekeerde geldt voor de Verenigde Staten, waar aardige mannen minder verdienen.

De onderzoekers brengen het verschil in verband met de de meer individualistische cultuur in de Verenigde Staten en de meer collectivistische cultuur in Japan.

En dat wijst dus op een nadeel van teveel individualisering. De maatschappij wordt er competitiever door en ontmoedigt degenen met een aanleg om aardig te zijn.

zondag 3 juni 2018

Zondagochtendmuziek - Dmitri Shostakovich. Piano Sonata No 2 in B-minor, Op.61. Daria Kovaleva...

Vandaag ben ik 75 geworden. Geboren midden in de Tweede Wereldoorlog. Ik keek wat rond op de Wikepedia-site 1943 in music en zag dat op 6 juni van dat jaar Dimitri Shostakovich in Moskou zijn Pianosonata nr. 2 opus 61 in première bracht. Hij was toen net in Moskou aangekomen vanuit Samara, waar hij verbleef na evacuatie uit het belegerde Leningrad en waar hij deze sonate componeerde.

Het is een minder bekend werk van Shostakovich. Gerard McBurney schrijft erover:
Given the success of his other major piano pieces like the 24 Preludes op.34 and the 24 Preludes and Fugues op.87, it is curious that this Second Sonata has not been taken up by many pianists in our time. Partly this is because, although this music is difficult to play, it is almost entirely undemonstrative, lacking in the more obviously colourful and virtuosic elements that a performer knows will make an impression on an audience. Instead, for much of its three movements it is like a study in greys, internalised, meditative and almost inscrutable. Nonetheless one or two great 20th century players have taken it up, including Maria Yudina and Emil Gilels, and in their performances the piece emerges as impressively deep and thoughtful. This is aristocratic music that contains its meaning within itself and invites the listener to the inside of the musical argument rather than to the surface rhetoric or sound effects.
Verstilde en diepzinnige muziek. Hier uitgevoerd door Daria Kovaleva.

woensdag 30 mei 2018

Is hiërarchie nodig? Vergeet het. Meer hiërarchisch georganiseerde teams presteren slechter - minder goede coördinatie en meer conflicten

De oorspronkelijke menselijke samenlevingsvorm is die van de egalitaire jagers-verzamelaarssgroep, die voor overleving afhankelijk was van samenwerken en delen. Maar met de komst van de landbouwsamenlevingen keerde de evolutionair oudere samenlevingsvorm van de statushiërarchie terug in de mensheidsgeschiedenis, in de vorm van vorstendommen, keizerrijken en dynastieën.

Meer recent zijn daar de met een bepaald doel geconstrueerde, formele organisaties bijgekomen, de overheidsdiensten, de ondernemingen en de non-profit organisaties. Die zijn geconstrueerd en formeel, omdat ze in een juridisch kader zijn ingebed.

Sinds de komst (de uitvinding) van die formele organisaties staan we voor de uitdaging hoe ze het beste gestructureerd kunnen worden. Meer met de egalitaire groep als voorbeeld? Of meer naar het model van de statushiërarchie? Welke vorm werkt beter uit op de prestaties van de organisatie?

Als het gaat om teams binnen die organisaties, geeft de nieuwe studie Why and when hierarchy impacts team effectiveness: A meta-analytic integration daarop een antwoord. De onderzoekers gingen op zoek naar alle relevante onderzoek, waarna 54 studies overbleven, met 86 gevallen waarin een effect van de mate van hiërarchie op prestaties was vastgesteld. Daarvan waren 39 studies gepubliceerd, zeven keer ging het om een ongepubliceerde dissertatie en acht keer betrof het nieuwe, nog ongepubliceerde data. In totaal ging het om 13.914 teams die op hiërarchie en prestaties konden worden vergeleken.

In de theoretische literatuur vind je aan de ene kant het vermoeden dat hiërarchie positief uitwerkt op de prestaties, omdat leiding van bovenaf zou zorgen voor de voor de taakuitoefening benodigde coördinatie.

Maar aan de andere kant is er ook de opvatting dat hiërarchie zorgt voor meer conflicten, doordat teamleden door de ongelijke beloning en verdeling van voordelen onderling gaan concurreren om hogerop te komen. En die onderlinge concurrentie, statuscompetitie, zou afbreuk doen aan de prestaties van het team.

Uit de analyses komt nu naar voren dat er een, weliswaar klein, maar significant negatief verband bestaat tussen de mate van hiërarchie en de prestaties. Hetzelfde geldt voor het verband tussen hiërarchie en de mate van levensvatbaarheid van het team (gemeten aan tevredenheid en betrokkenheid van de teamleden). Meer hiërarchie werkt dus slecht uit voor de prestaties van een team en de tevredenheid en betrokkenheid van de teamleden.

Dat zou er op kunnen wijzen dat het effect van conflicten door hiërarchie dus kennelijk groter is dan het effect van die betere coördinatie door hiërarchie.

Maar het verrassende is dat dat laatste effect helemaal niet blijkt te bestaan, sterker, het is juist omgekeerd: in meer hiërarchische teams werden de taken juist minder goed gecoördineerd dan in de minder hiërarchische teams.

Dat teamleiders zo nodig zijn om het werk goed te coördineren en dat teamleiders zulke goed coördinatoren zijn (en dus beter behoren te worden beloond), dat lijkt dus helemaal niet te kloppen.

Kennelijk verloopt de coördinatie van werkzaamheden beter zonder leiding van bovenaf. Dus als het team meer overeenkomsten vertoont met die egalitaire jagers-verzamelaarsgroep.