Posts tonen met het label contacthypothese. Alle posts tonen
Posts tonen met het label contacthypothese. Alle posts tonen

donderdag 12 februari 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -31 - Homans' contouren in 1951

Toen ik aan deze reeks berichten begon, verwachtte ik dat ik in het voorbijgaan ook even aandacht zou moeten besteden aan het werk van George C. Homans (1910 - 1989). Maar dat begon met bericht 25 en ik merk dat ik er nog niet mee klaar ben. Als ik er nu op terugkijk en me erin verdiep, komt het me als belangrijker voor dan ik destijds dacht. Het is niet alleen zo dat hij de mens terugbracht in de sociologie, maar ook dringt het nu pas tot me door dat je bij hem al de ingrediënten van de sociologie als een verbetervak kunt aanwijzen. Je kunt dat wel een late ontdekking noemen. (Hier het vorige bericht.)

Hoe kan dat, vroeg ik me af. Hoe komt het dat ik dat vroeger, tijdens mijn studie en de eerste jaren van mijn aanstelling aan de universiteit, niet gezien heb? 

Dat kan er aan hebben gelegen dat ik al snel concludeerde dat Homans' poging, in zijn Social Behavior uit 1971, om de mens terug te brengen, maar dan in de vorm van de Skinneriaanse operante conditionering, niet de goede weg was. Dat de menselijke interactie alleen maar zou bestaan uit de uitwisseling van beloningen, zoals ook in de ruiltheorie waarvan Homans als grondlegger wordt beschouwd, leek me onwaarschijnlijk. 

Ik moet wel bekennen dat ik daar toen, erop terugkijkend, niet diep over nadacht. Want wat later behoorde ik wel tot degenen die de rationele keuzetheorie omarmden. Die kwam uit het vak economie en daarin ging het niet over beloningen en bestraffingen, maar over nut. Maar net zo als in de Skinneriaanse gedragstheorie wat belonend en wat bestraffend was, buiten de theorie werd gehouden, gebeurde dat in de rationele keuzetheorie met wat wel of niet nut opleverde. In beide gevallen ging het om een wel heel "kale" theorie over de menselijke natuur. (Later natuurlijk meer over mijn jaren met de rationele keuzetheorie.)

Hoe dan ook, ik nam te snel afscheid van Homans en kwam, zoals gezegd, wat zijn The Human Group uit 1951 betreft, niet heel veel verder dan dat ik het een aantal keren had opengeslagen. Achteraf gezien was dat onverstandig.

Want wat was Homans daar eigenlijk aan het doen? In plaats van eerst een denksprong te maken naar een theorie over menselijk groepsleven, zoals de theorie dat dat leven altijd het karakter heeft van een sociaal systeem, ging hij na welke lessen er zijn te trekken als je dat groepsleven gewoon observeert. Dat wil zeggen, hij bestudeerde de observaties die eerder door anderen in vijf studies naar kleine groepen waren verricht. Studies waarin niet een vooropgezette theorie de waarnemingen had gestuurd. Waarin de onderzoekers alleen gewapend met hun eigen alledaagse inzichten in het menselijke sociale gedrag waren gaan kijken wat er zich afspeelde en daar verslag van hadden gedaan. 

Net zo als, bedenk ik nu, Frans de Waal het groepsleven van een andere primaat, de chimpansees, observeerde en zich daarbij uitdrukkelijk niet liet leiden door het Skinneriaanse gebod dat je de chimpansee als een black box diende te beschouwen.. Ik citeer uit Frans de Waal overleden - Zijn eerste boek, Chimpanseepolitie, uit 1982, was baanbrekend:

Frans de Waal begon zijn wetenschappelijke carrière aan de Universiteit Utrecht met zijn beroemd geworden onderzoek naar de chimpanseegroep van Burgers Dierenpark in Arnhem. Hij schreef daarover dat prachtige boek Chimpanseepolitiek. Macht en seks bij mensapen, dat in 1982 verscheen. 

Dat was een baanbrekend onderzoek, omdat hij, tegen de wetenschappelijke consensus van die tijd in, chimpansees nauwgezet en langdurig observeerde en hun gedrag interpreteerde als dat van een soort die heel dicht bij de mens staat. Het was een tijd waarin het behaviorisme nog invloedrijk was en waarin het niet werd gewaardeerd als je gedrag beschreef in termen van motieven en doelen. Want dat was niet objectief.

Er is dus enige overeenkomst tussen hoe Frans de Waal rond 1980 keek naar het groepsgedrag van chimpansees en hoe Homans in 1951 keek, weliswaar indirect, naar het groepsgedrag van mensen. Zonder een andere vooringenomenheid dan de eigen alledaagse inzichten. Homans had niet de last van het gesocialiseerd zijn in een sociologie-opleiding en ging dus vrijuit zijn gang. Frans de Waal was beïnvloed door de ethologen, die hij karakteriseerde als "geduldige waarnemers" (p.28).

Laat ik nog even nagaan wat dat opleverde. Zoals gezegd, het ging om twee studies naar groepen van werknemers van een onderneming, een groep van straatjongeren, een groep mensen die op het eiland Tikopia leefden van tuinbouw en visvangst en een groep inwoners van een dorp in New England, dat Hilltown wordt genoemd. Volledigheidshalve: er werd niet alleen geobserveerd, er werden ook interviews afgenomen.

In die twee groepen van werknemers, de Bank Wiring Observation Room en de Electrical Equipment Company, ging het om het gedrag van mensen die deel uitmaken van een bestaande, formeel vastgelegde, hiërarchie. Mensen bekleedden een positie in een hiërarchie van bevoegdheden en verschillen in beloning en autonomie. Homans nam waar dat mensen gemakkelijk vriendschappen ontwikkelen als ze langer met elkaar omgaan (denk aan de contacthypothese), maar dat dat niet gebeurt bij verschillen in status. Sterker, dan ontstaan fricties en tegenstellingen. En hij nam waar dat mensen superioriteitsgevoelens ontleenden aan hun hogere status en dat degenen met lagere status met ondermijnende acties daartegen verzet aantekenden. Waardoor een vicious spiral van attack and counterattack in gang werd gezet (p.140-144). Ook creëerde de hiërarchie gevestigde privileges die bij een dreigende sociale daling met acties werden verdedigd (p. 407-414). 

Anders gezegd, een formeel vastgelegde statushiërarchie activeert het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. Maar mensen ervaren dat als in strijd met het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee, waarmee ze natuurlijk ook bekend zijn. Homans (p. 127):

...the feeling that no man should act as if he had authority over someone else is an article in the democratic creed - and note that the creed is realized to some degree in American society and would not survive unless it were.

Een aan de tekentafel ontwikkelde hiërarchie kan dus in theorie economisch efficiënt zijn, maar loopt in de praktijk aan tegen wat mensen kunnen willen, de menselijke sociale natuur. Dat is het inzicht dat leidt tot de bekende pleidooien voor minder hiërarchie in organisaties en voor de coöperatie als organisatievorm. Pleidooien dus voor een betere maatschappij.

In Homans' analyse van de Norton Street Gang, gaat het om een groep van dertien straatjongeren die werd bestudeerd door William Foot White, die daar in 1943 in Street Corner Society verslag van deed. Dat boek kreeg aanvankelijk weinig aandacht, maar werd na een herdruk in 1955 een bestseller, waar iedere eerstejaarsstudent sociologie op zijn minst van had gehoord. We zien enerzijds dat er in die groep een statushiërarchie is ontstaan, met een van hen, Doc, als leider aan de top. Doc stond in het middelpunt van de aandacht, zowel van communicaties naar boven als naar beneden. Hij was de leider omdat hij het best in staat was te voldoen aan de in de groep heersende normen (p.178-179):

The Nortons, like all groups, evaluated a man's behavior by certain norms. He was expected to be strong en skillful at games and athletic sports, partcularly those in which the group was interested; he should be openhanded and ready to meet his obligations; he should be able to "dish it out and take it"; he should be no sucker, and so on. (...) The more closely a man in his activities conformed to these standards, the more popular he was and the higher his social rank.

Maar anderzijds zien we dat die statushiërarchie in toom wordt gehouden. Doc waakt er voor om al te bazig over te komen, omdat hij weet dat de anderen dat niet zullen accepteren. Doordat ze al lang met elkaar optrekken, zorgt de onderlinge vertrouwdheid er voor dat het gemeenschapspatroon ook gemakkelijk geactiveerd wordt. Een statushiërarchie kan van bovenaf opgelegd zijn, zoals in een bedrijf, of spontaan ontstaan, maar in beide gevallen zien we dat de leden van de groep er verzet tegen aan tekenen en daarnaar handelen. 

In de hoofdstukken over Tikopia, de naam van het eiland in Polynesië en van de ongeveer 1200 mensen die er wonen, baseert Homans zich op de beroemd geworden studie van Raymond Firth uit 1936, We, The Tikopia. A sociological study of kinship in primitive Polynesia. De Tikopia leefden verspreid over dorpen en in huishoudens van meerdere generaties. Hier gaat de analyse natuurlijk vooral over verwantschapsrelaties, die zich uitstrekken tot ver buiten het kerngezin van twee ouders en hun kinderen, ja, tot vrijwel het gehele eiland. 

De kern daarvan ligt erin dat de kinderen die het huishouden verlaten, niet zich niet alleen in de buurt vestigen, maar ook relaties van samenwerken en delen in stand houden. Met elkaar en met de ouders. Daardoor worden de relaties van "vrijheid en vriendelijkheid" die binnen het huishouden bestaan opgetild naar de relaties tussen huishoudens. Door de combinatie van de onderlinge vertrouwdheid die in stand blijft en de mogelijkheden en noodzaak van onderlinge hulpverlening, het samenwerken en delen, wordt dus heel gemakkelijk het gemeenschapspatroon geactiveerd. Homans gaat in op het grote verschil met het westerse, sociaal geïsoleerde kerngezin en op de sociale problemen die daarmee samenhangen, dus van eenzaamheid en sociale vluchtigheid (p.276-280).

Gegeven de dominantie van het gemeenschapspatroon, is er niettemin een statushiërarchie aanwezig. Het gaat om een patriarchale samenleving, waarin mannen meer te zeggen hebben dan vrouwen. Maar als een vrouw zich slecht behandeld voelt, kan ze terug naar haar familie. Er zijn vier clanhoofden, de chiefs, die organisatorische en religieuze functies vervullen. Maar hun machtsuitoefening wordt sterk ingeperkt door de algemene verwachting dat ze zich verantwoordelijk gedrag en zich niet verrijken. 

Dan is er tenslotte de groep van inwoners van het dorp Hilltown, waar een aanvankelijke gemeenschapstoestand door economische ontwikkelingen, zoals schaalvergroting en functiescheiding, overging in een toestand van sociale onzekerheid en vluchtigheid, met toename van eenzaamheid en activering van het statuscompetitiepatroon. Daar had ik het al over in het vorige bericht.  

Samengevat, Homans gaf in 1951 al een fraai overzicht van de verschillende manieren waarop groepen mensen kunnen omgaan met de innerlijke tegenstrijdigheid van de twee sociale gedragspatronen waarmee ze zijn toegerust. Onder verschillende omstandigheden leidt dat tot verschillende uitkomsten. Met als overkoepelend inzicht dat steeds geprobeerd wordt om het statuscompetitiepatroon zoveel mogelijk in toom te houden. Soms lukt dat beter en soms gaat het de verkeerde kant op. 

Daarmee schilderde hij wat mij betreft al de contouren van dat sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving waar het in deze reeks berichten over gaat. Hier het vervolg.

vrijdag 8 september 2023

Nieuwe aanwijzingen voor het belang van vertrouwdheid - Door meer contact tussen groepen minder vooroordelen, ook bij zich bedreigd of gediscrimineerd voelen

Onze hedendaagse sociale wereld bestaat niet alleen uit de vertrouwde relaties van familie en vrienden, waarin we ons veilig voelen. Daarbuiten is er ook de wereld van de vluchtige relaties en zelfs van de anonieme, onpersoonlijke relaties. De wereld van anderen die we vluchtig kennen of waar we geen persoonlijke ervaringen mee hebben. Tegenover die wereld hebben we niet zomaar en altijd een gevoel van sociale veiligheid. We kunnen er negatieve vooroordelen over ontwikkelen, die invloed hebben op ons wereldbeeld en ons handelen. Terwijl binnen die vertrouwde kring ons gemeenschapspatroon gemakkelijk geactiveerd wordt, is de kans groot dat dat daarbuiten gebeurt met ons statuscompetitiepatroon.

Een al langer bestaand sociaalwetenschappelijk inzicht behelst dat negatieve vooroordelen tegenover mensen of groepen buiten de eigen vertrouwde kring in kracht afnemen als er meer contact is met die mensen of groepen. Deze gedachte staat bekend als de contacthypothese en werd in 1954 geïntroduceerd door Gordon Allport in zijn boek The Nature of Prejudice

Dat is eigenlijk een voor de hand liggende gedachte. Door meer contact met andere mensen raak je meer met hen vertrouwd en van vertrouwdheid weten we dat die een belangrijke aanwijzing is voor veiligheid. Hier het laatste bericht op dit blog over vertrouwdheid: Nog meer over het belang van vertrouwdheid voor het begrijpen van menselijk gedrag

Toch is daar door sociale wetenschappers vaak met scepsis tegenaan gekeken. Het werd naïef gevonden om te denken dat mensen elkaar wel aardiger zullen gaan vinden als ze meer contact met elkaar hebben. Maar er komen steeds meer aanwijzingen dat dat inzicht van die contacthypothese serieuze aandacht verdient. Zie bijvoorbeeld Meer contact vergroot het draagvlak voor asielzoekers - Twee nieuwe aanwijzingen voor de contacthypothese en de Dual Mode-theorie.

Daar is nu de nieuwe studie Intergroup contact is reliably associated with reduced prejudice, even in the face of group threat and discrimination bijgekomen. De onderzoekers voerden een meta-analyse uit op 34 studies met in totaal 63945 personen verdeeld over 67 steekproeven. En verdeeld over verschillende westerse en niet-westerse landen. In alle studies waren er metingen gedaan van de mate van contact tussen groepen en van houdingen tegenover de andere groep (vertrouwen, vooroordelen, sociale afstand, positieve of negatieve gevoelens). Bovendien was er informatie beschikbaar over zich bedreigd of gediscrimineerd voelen door de andere groep.

Wat leverde dat op? In de eerste plaats dat door meer contact mensen een positievere houding ontwikkelen tegenover de andere groep. Een bevestiging dus van de contacthypothese en van het inzicht van het belang van vertrouwdheid. 

Maar wat ook bleek is dat aanvankelijke bestaande gevoelens van bedreigd en gediscrimineerd worden dat positieve effect van meer contact niet in de weg stonden. Uiteraard is je houding tegenover groepen die jou bedreigen of discrimineren negatief. Je voelt je onveilig. Maar als het contact toeneemt, dan neemt ook dan de vertrouwdheid toe, voel je je minder onveilig en wordt je houding positiever. Ook bij aanvankelijk negatieve gevoelens, zorgt contact ervoor dat die gevoelens positiever worden. Door meer contact, meer vertrouwdheid en meer gemeenschapsgedrag. 

Een heel fundamenteel inzicht. En van groot maatschappelijk belang.

 

dinsdag 8 augustus 2023

Leidt verbondenheid met de eigen groep tot vijandigheid tegen andere groepen? Nee, dat hoeft helemaal niet - Nieuwe aanwijzingen

In Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen lees je een paragraaf met als titel Kan er teveel gemeenschap zijn? Ik citeer hem even in zijn geheel. En ik ga daarna in op een nieuwe studie die uitvoerig stilstaat bij alle onderzoek dat licht werpt op de vraag of meer verbondenheid met de eigen groep (parochiaal altruïsme) leidt tot of gepaard gaat met meer vijandigheid tegenover andere groepen.

Kan er teveel gemeenschap zijn?

Het hier geschetste kader van “meer gemeenschap is beter” als richtlijn voor de sociologie zal naar verwachting bij vakgenoten niet meteen op unanieme instemming kunnen rekenen. Dat kan liggen aan een zekere terughoudendheid bij degenen die nu eenmaal gesocialiseerd zijn in het vak zoals het nu is en dat zich op onderzoek concentreert. Maar er zijn ook inhoudelijke tegenwerpingen, die te maken hebben met de wenselijkheid van “meer gemeenschap”.

Een tegenwerping komt bijvoorbeeld naar voren in een discussie over het zogenaamde brede welvaartsbegrip, dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek is uitgewerkt in de Monitor Brede Welvaart. Het gaat daarin naast de economische ook om de ecologische en sociaal-maatschappelijke aspecten van welvaart. En wat dat laatste betreft, specifiek om “sociale samenhang”, waarvan de overeenkomst met “gemeenschap” in het oog springt.

En van die sociale samenhang wordt wel gezegd dat die er ook teveel kan zijn, zoals door Carabain en Putters (2019). Meer er van is volgens hen niet per se beter. Want als je bij sociale samenhang denkt aan de contacten die mensen hebben, dan zou de frequentie van contacten die mensen "binnen hun eigen groep" hebben wel eens ten koste kunnen gaan van de contacten en de verbondenheid met mensen buiten die groep. En dat zou dan de sociale samenhang in de maatschappij als geheel kunnen schaden. De vraag is of dat ook zou gelden voor “meer gemeenschap”.

Dit is een bekend sociologisch talking point. In navolging van een veel geciteerd artikel van Mark Granovetter (1973) wordt dan onderscheiden tussen sterke en zwakke bindingen en wordt gewezen op het belang van die zwakke bindingen. Bij Granovetter ging het erom dat die zwakke bindingen (kennissen, mensen die je vaag of via-via kent) juist erg behulpzaam kunnen zijn bij het vinden van een baan. Meer algemeen: het zijn bronnen van informatie over verder af gelegen zaken. Waar de mensen dichtbij, je sterke bindingen, weinig over te vertellen hebben.

Het hebben van veel sterke bindingen zou daardoor ook wel eens niet goed kunnen zijn. In de woorden van Carabain en Putters:

Het uitgangspunt van de indicator ‘frequentie van sociale contacten’ van dashboard ‘hier en nu’ is: hoe meer contacten, hoe beter dit is voor de brede welvaart. Deze indicator richt zich op contacten binnen groepen. Sterke binding binnen groepen hoeft echter niet altijd positief te zijn voor de samenleving in haar geheel. Integendeel, want zwakkere verbondenheid binnen groepen kan zelfs het bruggen slaan naar andere groepen bevorderen.

Dit bezwaar tegen verbondenheid binnen groepen hoor je zo vaak dat je het wel de gebruikelijke opvatting mag noemen. Maar klopt het wel? Er is al dat onderzoek naar het belang van sociale contacten voor mensen en over de negatieve gezondheidseffecten van de stress van eenzaamheid en statuscompetitie. Zou het dan echt zo zijn dat mensen toch ook te veel hechte contacten kunnen hebben? Dat het maar beter is om niet heel goede vriendschappen te hebben, omdat je daardoor minder betrokken kunt zijn bij anderen? Is het maar beter om met zoveel mogelijk mensen een zwakke binding te hebben? Is een sociaal vluchtige maatschappij eigenlijk beter?

Dat lijkt onwaarschijnlijk. Sterker, het is niet zo. Want het hebben van hechte contacten met je eigen groep gaat helemaal niet gepaard met meer afstand tot andere groepen. Marilynn Brewer, alom erkend onderzoekster op het gebied van intergroepsrelaties, wees daar in 2007 al op (Brewer, 2007). Mensen hebben wel de neiging om hun eigen groep positief te beoordelen, maar dat hangt niet samen met negatieve oordelen over andere groepen. Gehechtheid aan de eigen groep staat niet gelijk aan afstand of vijandigheid tegenover andere groepen. Eerder hebben mensen de neiging om het gevoel van sociale veiligheid dat de eigen groep hen biedt, uit te breiden tot de wereld daar omheen. Dit wordt bevestigd door onderzoek dat laat zien dat de frequentie van contacten met vertrouwde anderen (vrienden, familie, buren) juist samengaat met het zogenaamde gegeneraliseerde vertrouwen, het vertrouwen in “andere mensen”. Hoe meer vertrouwen in je eigen kleine kring, hoe meer vertrouwen in mensen in het algemeen (Glanville, Anderson, Paxton e.a., 2013). Ook McFarland, Brown en Webb (2013) laten zien dat het zich meer identificeren met mensen uit de eigen gemeenschap juist positief samenhangt met de mate van identificatie met alle mensen op de wereld. Ook het onderzoek van Mosleh, Stewart, Plotkin e.a. (2020) wijst erop dat pro-sociaal gedrag juist samengaat met universalisme in plaats van met parochialisme (bevoordeling van de eigen groep).

Die afstand of vijandigheid tegenover andere groepen is er uitsluitend als daar redenen voor zijn, echte of vermeende redenen. Dus als er aanleidingen zijn om een andere groep als een bedreiging te zien. Maar die bedreigingen hebben dan ook een oorzaak: ze zijn er ook in werkelijkheid of ze worden kunstmatig aangewakkerd. Marilynn Brewer (2007) over dat laatste:

When groups are political entities, however, these processes may be exacerbated by group leaders’ deliberate manipulations to mobilize collective action to secure or maintain political power. Social category differentiation provides the fault lines in any social system that can be exploited for political purposes.

En dat komt natuurlijk bekend voor, in deze tijd van opkomend rechts-extremisme. Politici kunnen er belang bij hebben om mensen tegen elkaar op te zetten. En door meer bestaansonzekerheid kunnen maatschappelijke tegenstellingen worden aangewakkerd (De Vos, 2017a).  Maar het is dus niet zo dat meer sociale samenhang binnen de eigen groep gepaard gaat met grotere afstand tot andere groepen.

Anders gezegd, dat gemeenschapsevenwicht is gewoon nastrevenswaardig: hoe meer gemeenschapsgedrag, hoe beter.

Een andere tegenwerping tegen “meer gemeenschap” lijkt te maken te hebben met negatieve associaties van sociale druk, conformisme en geslotenheid die het woord gemeenschap wel eens op wil roepen. Ook in de sociologie komen we die associaties tegen. Er wordt dan gesproken over “lichte gemeenschappen”, omdat gemeenschappen zonder dat bijvoeglijk naamwoord “zwaar” zouden zijn. In de betekenis van naar binnen controlerend en naar buiten zich afsluitend (Duyvendak en Hurenkamp, 2005).

Maar dat is precies tegengesteld aan de sociaalwetenschappelijke betekenis waarin het woord hier gebruikt wordt. Want het is immers een toestand van sociale veiligheid die gemeenschapsgedrag uitlokt en we weten dat mensen juist meer tot exploratie geneigd zijn en meer open staan voor informatie van buitenaf als ze zich veilig voelen. Het is de sociale onveiligheid die geslotenheid en oogkleppen creëert. In het onderzoek naar gehechtheid gaat het om de aanwezigheid van de veilige basis (secure base) die juist aanzet tot exploratie en openheid voor nieuwe ervaringen (Mikulincer en Shaver, 2003).  Daarmee komt overeen dat mensen die meer gericht zijn op gemeenschapsgedrag (intrinsieke aspiraties hebben) meer waarde hechten aan zelfontplooiing dan mensen die meer gericht zijn op statuscompetitiegedrag (extrinsieke aspiraties hebben) (Kasser en Ryan, 1996). 

Oké, nu die nieuwe studie: Parochial altruism: What it is and why it varies. Daarin laten de auteurs met een uitgebreid overzicht van onderzoek zien dat de veel aangehangen stelling dat altruïsme (of gemeenschapsgedrag) altijd parochiaal is, dus altijd beperkt blijft tot de eigen groep en gepaard gaat met afstand of vijandigheid tegen andere groepen, niet klopt. Dat wil zeggen, het onderzoek wijst uit dat zowel het ene als het andere voorkomt. Er is een grote variatie van onderzoeksresultaten.

Wat zijn de omstandigheden die die variatie verklaren? Waardoor is er soms wel die vijandigheid tegen andere groepen en soms niet? In de paragraaf hierboven noemde ik al dat dat ervan afhangt of er redenen zijn voor die vijandigheid, namelijk of die andere groepen een bedreiging vormen. Of als gevoelens van bedreiging worden aangewakkerd door rechts-extremistische politici die daar belang bij hebben. 

Die gedachte vind je terug in de drie verklaringen die de auteurs op basis van onderzoek naar voren halen.
  • De eigen groep concurreert met andere groepen om schaarse bronnen. Andere groepen vormen dus een bedreiging.
  • Er zijn normen ("culturele instituties") die de vijandigheid ontmoedigen, om schadelijke conflicten te vermijden of om te kunnen profiteren van samenwerking met andere groepen. Normen die dus dienen om te voorkomen dat andere groepen als een bedreiging worden gezien.
  • Er zijn negatieve contacten met die andere groepen, waardoor er een gevoel van bedreiging wordt aangewakkerd. Of er zijn juist positieve contacten en dan is er dus geen bedreiging en dus geen vijandigheid. (Denk aan de contacthypothese.
Daarmee wordt het algemene beeld bevestigd, namelijk dat het gemeenschapsgedrag dat mensen bij het opgroeien in kleine kring aanleren zich gemakkelijk uitbreidt naar grotere kringen, naar "mensen in het algemeen". Denk ook terug aan Meer omgang met vrienden, familie en buren vergroot het algemene vertrouwen in anderen. Vijandigheid jegens anderen groepen en tegen "vreemden" is er alleen als daar aanleiding toe is, als mensen zich terecht bedreigd voelen of als hen wordt voorgehouden dat ze bedreigd worden. Mensen zijn in beginsel goed van vertrouwen.

maandag 19 september 2022

Meer contact vergroot het draagvlak voor asielzoekers - Twee nieuwe aanwijzingen voor de contacthypothese en de Dual Mode-theorie

Zes op tien Nederlanders (60 procent) vinden het 'onze morele plicht' om asielzoekers fatsoenlijk op te vangen. En 61 procent onderschrijft de uitgangspunten van het Nederlandse asielbeleid, zoals die vastliggen in internationale verdragen en Europees recht. Dit blijkt uit onderzoek van I&O Research, gebaseerd op een representatieve steekproef van 2684 Nederlanders. Het werd uitgevoerd in opdracht van de NOS, die daar gisteren over berichtte.

Er is de laatste tijd veel te doen over die opvang van asielzoekers. Denk aan die honderden asielzoekers die bij het COA in Ter Apel buiten moesten slapen vanwege een tekort aan slaapplekken. Volgens de VN Vluchtelingenorganisatie UNHCR lag dat er vooral aan dat de Nederlandse regering al jarenlang een kortetermijnbeleid voert. Als er even wat minder asielzoekers komen, worden opvangplekken snel gesloten. 

De indruk bestaat dat de regering terughoudend is in het opvolgen van de eisen van die internationale verdragen en het Europees recht. Misschien omdat vooral regeringspartij VVD beducht is voor stemmenverlies aan rechts-extremistische partijen die die verdragen en het geldende recht opzij willen zetten en een asielstop willen invoeren. 

Hoe dan ook, het blijkt dus dat een ruime meerderheid, die je overigens nog wel ruimer zou willen hebben, een fatsoenlijke opvang een morele plicht vindt en de uitgangspunten van het asielbeleid onderschrijft. Voor die meerderheid geldt dat de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee zich ook uitstrekt tot mensen die vluchten voor oorlog, geweld of vervolging.

Er werd in het onderzoek ook gevraagd naar het draagvlak voor een asielzoekerscentrum (azc) in de eigen buurt. Daar kwam een interessant verschil uit tussen mensen zonder en met een azc in de buurt (binnen 500 meter). 55 procent van de ondervraagden zonder een azc in de buurt zou vestiging van een azc acceptabel vinden. Dat percentage stijgt tot 73 procent voor degenen met wel een azc in de buurt. Hen werd gevraagd of ze vestiging van een azc in de buurt acceptabel hadden gevonden als hen dat destijds was gevraagd.

Het lijkt plausibel om aan te nemen dat dat hogere percentage eruit voortkomt dat die laatste groep ervaringen heeft opgedaan met met de aanwezigheid van asielzoekers in hun buurt. En contacten met hen heeft gehad.

Als dat zo is, dan zou dat geheel overeenkomen met de sociaalwetenschappelijke contacthypothese. Zie hier voor mijn laatste bericht over die contacthypothese: Door meer contact en dus vertrouwdheid bewegen we naar het gemeenschapsevenwicht. Volgens die hypothese nemen door een toename van onderling contact negatieve vooroordelen tussen mensen af en gaan ze positiever over elkaar oordelen. Door die toename van contact raken mensen meer met elkaar vertrouwd. Wat weer het gevoel van veiligheid bevordert dat maakt dat gemeenschapsgedrag waarschijnlijk wordt. Geheel volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie

Dit onderzoek van I&O Research voegt dus een aanwijzing toe aan al die aanwijzingen die er al bestaan voor die contacthypothese. En daarmee voor de Dual Mode-theorie.

Toevallig kwam er vandaag ook deze studie voorbij Exposure to Past Immigration Waves and Attitudes toward Newcomers, Die laat zien dat Duitsers die in gebieden wonen die in de jaren negentig een instroom meemaakten van immigranten uit de vroegere Sovjet-Unie, immigranten met een Duitse achtergrond, in 2016 positiever stonden tegenover de vluchtelingen uit het Midden-Oosten, in het bijzonder uit Syrië.  Dat is dus nog weer een aanwijzing erbij.

In beide gevallen gaat het overigens niet om een toename van persoonlijke vertrouwdheid, dat wil zeggen de vertrouwdheid met dezelfde personen. Een toename van vertrouwdheid met vertegenwoordigers van een bepaalde categorie (vluchtelingen, immigranten, asielzoekers) blijkt zich dus uit te kunnen breiden naar andere vertegenwoordigers van die categorie. Het sociale veiligheidsgevoel blijkt zich gemakkelijk te generaliseren.

vrijdag 10 mei 2019

Door meer contact en dus vertrouwdheid bewegen we naar het gemeenschapsevenwicht - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 7

Update. Zie nu ook deel 8 van deze reeks: Wat is eigenlijk een sociaal probleem? De socioloog kan het je niet vertellen.
Als het vak sociologie zich zou baseren op het inzicht van de ambivalente menselijke sociale natuur  en op het inzicht dat van de twee sociale evenwichten die daaruit voortkomen het gemeenschapsevenwicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht, dan zou dat kunnen helpen om het vak maatschappelijk belangrijker te maken. Zie hier het vorige deel van deze reeks berichten.

Het theoretische construct van het gemeenschapsevenwicht zou dan richtinggevend werken voor onderzoeksvragen en voor beleidsadvisering. Het gaat dan om onderzoek naar de voorwaarden waaronder dat gemeenschapsevenwicht meer aanwezig is en over beleid om die voorwaarden dichterbij te brengen. Denk wat dat laatste betreft maar even aan de gedachte van het omwegbeleid.

Allerlei bestaand sociologisch onderzoek gaat natuurlijk al over die voorwaarden. Het zou vreemd zijn als dat niet zo was. Alleen, het is verspreid over allerlei theoretische aanzetten.

Een boeiende vraag is nu in hoeverre een en ander geïntegreerd kan worden in het kader van die drie stellingen van de Dual Mode-theorie, de theorie dus die zich rekenschap geeft van die ambivalente sociale natuur.

Ik moest in dat verband denken aan het onderzoek in het kader van de sociale contact-hypothese. Zie daarover de eerdere berichten Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt en Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact - Nieuwe aanwijzingen.

De aanduiding sociale contact-hypothese wijst er al op dat het hier niet gaat om een in een algemener theoretisch kader ingebedde aanzet. Maar dat kader is er dus wel. Want we weten dat de kans op gemeenschapsgedrag (of pro-sociaal gedrag) en dus op een beweging in de richting van het gemeenschapsevenwicht groter is als mensen meer met elkaar vertrouwd zijn. Onderlinge vertrouwdheid schept een gevoel van veiligheid, een toestand waarin statuscompetitie niet aan de orde is. Zie Draait alles om vertrouwdheid?

En die sociale contact-hypothese past daar precies in. Want hoe meer contact er tussen mensen is geweest, hoe meer ze met elkaar vertrouwd zijn. En dus hoe meer ze elkaar vertrouwen en hoe meer ze onderling, elkaar versterkend, gemeenschapsgedrag zullen vertonen.

Het is natuurlijk niet toevallig dat die sociale contact-hypothese in de sociologie, en breder de sociale wetenschap, is opgekomen. De oorsprong ervan ligt in het werk van Gordon Allport in de jaren vijftig van de vorige eeuw, waarin het ging om hoe mensen in de smeltkroes van een immigrantenmaatschappij kunnen leren om samen te leven. Want in de hedendaagse samenlevingen is die onderlinge vertrouwdheid altijd maar beperkt aanwezig.

In dat verband is er nu de pas verschenen studie Humans adapt to social diversity over time. De onderzoekers analyseerden datasets die beschikbaar waren voor meer dan 100 landen over een periode van 20 jaar.

Ze komen tot de conclusie dat een toename van (religieuze) diversiteit aanvankelijk leidt tot een verlaging van de kwaliteit van leven (een index waarin geluk, tevredenheid met het leven en de zelf-gerapporteerde gezondheid zijn gecombineerd), maar dat dit effect na verloop van tijd verdwijnt.

En dat verdwijnen kan er aan worden toegeschreven dat het sociale contact tussen groepen toeneemt en daarmee het onderlinge vertrouwen. Samengevat in het onderstaande plaatje:


Een toename van diversiteit heeft dus aanvankelijk tot gevolg dat het gemeenschapsevenwicht verder weg komt te liggen, maar als je op de langere termijn kijkt, dan zie je dat het door meer contact en daardoor meer onderling vertrouwen weer dichterbij komt.

En wat beleidsadvisering betreft, wijst dit dus op het belang van sociale contacten en daarmee op het bevorderen van de voorwaarden waaronder die contacten tot stand komen.

zaterdag 15 december 2018

De Onderwijsraad heeft gelijk dat leerlingen meer met klasgenoten met andere achtergronden in aanraking zouden moeten komen

De Onderwijsraad waarschuwt voor Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel. Want daardoor draagt het onderwijs bij aan de toch al toenemende sociale segmentering. Een citaat:
mensen uit verschillende sociale lagen in de samenleving bewegen zich steeds meer in gescheiden groepen en treffen elkaar niet meer vanzelfsprekend. Ook in het onderwijs zien we deze sociale segmentering. Dit begint al bij de voorschoolse voorzieningen. Deze voorzieningen zijn gefragmenteerd en georganiseerd rond verschillende doelstellingen en verschillende doelgroepen, waardoor kinderen met een risico op achterstanden vaak gescheiden blijven van andere kinderen. In het basis- en voortgezet onderwijs gaan kinderen en jongeren uit diverse sociale groepen vaak naar verschillende scholen. Dit komt deels doordat kinderen en jongeren met eenzelfde sociale achtergrond in dezelfde wijk wonen en ook in die wijk naar school gaan. Daar komt bij dat scholen soms expliciet inspelen op de keuzevrijheid en wensen van (groepen) ouders. Zo profileren scholen zich als cultuurschool, technasium, bieden Cambridge English of nieuwe vakken, categoraal onderwijs of onderwijs op religieuze of pedagogische didactische grondslag. Dit gevarieerde aanbod leidt soms tot segmentering met ongewenste gevolgen. 
Ook de scheiding tussen sectoren, schoolsoorten, leerwegen en opleidingen in het onderwijsstelsel heeft tot gevolg dat verschillende groepen leerlingen elkaar niet meer vanzelfsprekend treffen. Cijfers van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) laten zien dat bijna driekwart van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs is ingeschreven aan een brede scholengemeenschap waar alle schoolsoorten zijn vertegenwoordigd (zie onderstaand figuur). Maar ze laten ook zien dat het overgrote deel van die scholengemeenschappen de verschillende schoolsoorten aanbiedt op aparte locaties. Slechts 18% van de leerlingen op brede scholengemeenschappen zit op een locatie met alle schoolsoorten bij elkaar. 
Als jongeren met verschillende sociale achtergronden elkaar op school niet meer ontmoeten, komen ze minder in aanraking met leerlingen of studenten die andere inzichten en waarden hebben. Terwijl de school een plek zou moeten zijn waar jongeren kunnen oefenen in het omgaan met conflicten, het voeren van een dialoog, afwijkende meningen en gedragingen tolereren, respect opbrengen voor andersdenkenden en tot consensus komen. Scholen zijn bij uitstek de plaats waar jongeren moeten leren omgaan met verschillen. Wanneer daartoe minder gelegenheid is, kan het onderwijs jongeren maar beperkt voorbereiden op een pluriforme en democratische samenleving en maar beperkt bijdragen aan sociale samenhang in de samenleving.
Kunnen scholen inderdaad bijdragen aan sociale cohesie door leerlingen met verschillende achtergronden met elkaar in contact te brengen?

De toevallig net verschenen studie Familiarity Does Not Breed Contempt:Generosity, Discrimination and Diversity in Delhi Schools geeft inderdaad sterke aanwijzingen in die richting.

De onderzoeker, Gautam Rao (Harvard University, Cambridge) maakte gebruik van een dataset van 2300 leerlingen verspreid over 17 scholen in Delhi, India. Er was een beleidswijziging die inhield dat elitescholen verplicht werden om gratis plaatsen aan te bieden aan arme leerlingen. Maar doordat sommige scholen hiervan werden vrijgesteld en andere scholen een jaar later aan deze nieuwe verplichting mochten voldoen, kon door een vergelijking tussen die twee groepen scholen (wel of geen arme leerlingen) nagegaan worden wat de effecten waren van de verandering.

Rao keek in het bijzonder naar de effecten van contact met arme klasgenoten op het gedrag van de rijke leerlingen. En zijn resultaten zijn nogal opvallend.

Zo bleek dat de rijke leerlingen met arme klasgenoten zich meer pro-sociaal gedroegen dan de rijke leerlingen zonder arme klasgenoten, gemeten aan hun bereidheid om vrijwilligerswerk en liefdadigheidswerk te doen. Ook waren ze rechtvaardiger in een afgenomen Dictator-spel, waarin je gevraagd wordt om iets te verdelen over jezelf en "een andere persoon", waarbij het niet uitmaakte of die andere persoon arm of rijk was.

Bovendien bleek dat het hebben van arme klasgenoten ertoe leidde dat rijke leerlingen minder arme leerlingen discrimineerden.

Gingen rijke leerlingen minder presteren door de aanwezigheid van arme klasgenoten? Een vaak gehoord mogelijk bezwaar van rijke ouders. Op een samengestelde index van prestaties op de vakken Engels, Hindi en wiskunde bleek dat niet het geval.

In India zijn de verschillen tussen arm en rijk aanzienlijk groter dan in ons land. Maar dat is eigenlijk geen reden om te denken dat de resultaten in ons land geheel anders zouden uitvallen.

De Onderwijsraad heeft dus wel een punt met het advies om het onderwijs meer zo in te richten dat leerlingen van verschillende groepen meer met elkaar in contact komen. Dat zou inderdaad bevorderlijk zijn voor de sociale cohesie.

Geheel in overeenstemming overigens met de bekende contacthypothese.

vrijdag 16 november 2018

Vooroordelen wegnemen via internet, kan dat?

Voor- en tegenstanders van Zwarte Piet zijn met elkaar in gesprek gegaan. Kick Out Zwarte Piet-voorman Jerry Afriyie en "Blokkeer-Friezen" troffen elkaar in de woonkamer van activiste en vlogster Joyce Beukema in Leeuwarden. Zie het bericht in de Leeuwarder Courant: Blokkeerders in gesprek met Kick Out Zwarte Piet. Een citaat:
,,We zijn een gesegregeerd land”, zei Afriyie. ,,Iedereen zit achter zijn eigen muren, in zijn eigen bubbel. Gelukkig zijn er mensen die proberen om over die muren heen te klimmen. Iets zei me dat ik hier vanavond moest zijn. Ik ben heel blij dat ik het gedaan heb.”
Volgens de sociaalwetenschappelijke contacthypothese is de kans groot dat de beide partijen meer begrip voor elkaar hebben gekregen en dat de wederzijdse vooroordelen wat zijn verzacht. Zie hier de berichten op dit blog achter het label contacthypothese. 

Het ging hier om een face-to-face contact. Jeryy Afriye nam de moeite om er voor naar Leeuwarden te reizen.

Vaak zal het niet zo gemakkelijk zijn om tegenstanders face-to-face bij elkaar te krijgen. Zou het ook via internet kunnen? Kunnen vooroordelen ook via online contacten worden verminderd?

Ja, dat blijkt het geval te zijn. Australische onderzoekers ontwikkelden een online programma, E-contact, waarmee leden van verschillende groepen elkaar leren kennen en met elkaar samenwerken. Zo brachten ze katholieken en protestanten in Noord-Ierland, moslim en katholieke leerlingen van gesegregeerde scholen in Australië, homoseksuelen en heteroseksuelen en mensen met en zonder schizofrenie online met elkaar in contact.

Met als resultaat dat mensen meer begrip voor elkaar kregen en dat vooroordelen werden verminderd. Hier doen de onderzoekers daar verslag van: How research is helping to reduce prejudice between people online. Een uitgebreider overzicht vind je hier: Improving Intergroup Relations in the Internet Age: A Critical Review. 

Als het internet aan zichzelf wordt overgelaten, is er het levensgrote gevaar dat iedereen zich in zijn eigen zeepbel opsluit. En dat het kuddegedrag juist wordt versterkt.

Maar je blijkt het internet dus ook te kunnen inzetten om mensen juist dichter bij elkaar te brengen.

woensdag 13 juni 2018

Alleen bij hogere werkloosheid voelden Witte Amerikanen zich in gemengde buurten meer bedreigd en stemden ze meer op Trump

Komt het populistisch rechts-extremistisch stemmen meer voort uit het zich (cultureel) bedreigd voelen door minderheden en vreemdelingen of meer uit gevoelens van economische bestaansonzekerheid?

Er zijn aanwijzingen dat dit niet een kwestie is van of-of, maar meer van en-en. Zie het bericht
Populisme verklaard door 'economie" of door "cultuur"? Niet of-of, maar en-en.

Het nieuwe onderzoek The Racial and Economic Context of Trump Support. Evidence for Threat, Identity, and Contact Effects in the 2016 Presidential Election geeft nu een aardig inzicht in de samenhang tussen de twee.

Daaruit komt namelijk naar voren dat Witte, non-Hispanic, Amerikanen bij de verkiezingen van 2016 meer op Trump stemden als ze in een meer etnisch gemengde buurt woonden, een buurt dus met grotere minderheden van Zwarten, Latino's en Aziaten. En dat lag eraan dat ze zichzelf meer een Witte identiteit toekenden.

Je kunt dat zo opvatten dat ze zich meer in hun identiteit bedreigd voelden en dus met een grotere kans op Trump stemden.
Maar dit was minder het geval als ze meer contact hadden met leden van die minderheden. Hoe meer van zulke contacten, hoe geringer de kans op een Trump-stem. Denk aan de contacthypothese.
Maar, en daar gaat het nu om, de onderzoekers keken ook naar de "contextuele variabele" van hoeveel buurtbewoners werkloos waren.

En toen bleek dat het verband tussen die etnische diversiteit en het stemmen op Trump alleen bestond in buurten met een hogere werkloosheid. Bij lage werkloosheid maakte die etnische diversiteit geen verschil meer.

En daarmee zie je de samenhang tussen de twee wel heel duidelijk naar boven komen. Die hogere werkloosheid in de buurt maakt dat mensen zich economisch onzekerder voelen. Zoekend naar een oorzaak voor die grotere onzekerheid valt hun oog in de meer diverse buurten op de aanwezigheid van de minderheden. Waardoor ook hun eigen Witte identiteit voor hen belangrijker werd.

En waardoor ze dus meer ontvankelijk werden voor de racistische retoriek van Presidentskandidaat Donald Trump.

Merk op hoe in deze samenhang de rol van economische bestaansonzekerheid cruciaal is. 

donderdag 12 april 2018

Juist meer pro-sociaal gedrag in en door een meer etnisch diverse omgeving

Update. Lees nu ook Strangers are more likely to come to your help in a racially diverse neighborhood.
Mensen zijn in staat tot pro-sociaal gedrag (gemeenschapsgedrag), maar ook tot egoïstisch of zelfs vijandig gedrag (statuscompetitiegedrag).

Bij de, vaak onbewuste, "keuze" tussen deze twee gedragingen laten mensen zich vaak leiden door welk gedrag ze in hun omgeving zien. Als anderen zich overwegend pro-sociaal gedragen, dan is de omgeving veilig en zijn anderen te vertrouwen en dat maakt de kans op pro-sociaal gedrag groter.

Maar als er aanwijzingen zijn dat anderen vooral uit zijn op hun eigen belang, dan is het uit het oogpunt van zelfbescherming maar beter om dat ook te doen, om te voorkomen dat anderen alleen maar van jou profiteren. Zie de berichten op dit blog over de Dual Mode-theorie, zoals Is de mens van nature goed? Ja. Maar hij is ook van nature slecht. Hij is dus van nature flexibel.

In de ingewikkelde en onoverzichtelijke samenleving waarin wij ons bevinden, is het vaak niet zo duidelijk hoe anderen zich gedragen. Soms krijgen we veel signalen van goedgezindheid van anderen, maar soms ook signalen van juist vijandigheid of egoïsme. Voor de verklaring van verschillen in pro-sociaal gedrag, interpersoneel (tussen mensen) en intrapersoneel (tussen tijdstippen bij dezelfde persoon), kan het dus van belang zijn om te letten op welke signalen er voorafgaand aan dat gedrag overheersten.

De nieuwe studie People in more racially diverse neighborhoods are more prosocial kijkt naar signalen die samenhangen met de mate van etnische diversiteit die mensen om zich heen ervaren. De achterliggende gedachte is dat mensen die meer met etnische diversiteit in aanraking komen, minder negatieve vooroordelen hebben tegenover leden van andere groepen ("buitenstaanders"). (Denk aan de contacthypothese.) Waardoor ze een meer inclusief wereldbeeld hebben kunnen ontwikkelen, dat inhoudt dat anderen zijn te vertrouwen, los van de vraag tot welke etniciteit ze behoren. En als de wereld veilig is en anderen zijn te vertrouwen, dan zul je je eerder pro-sociaal gedragen.

Daartegenover: als je weinig contact hebt gehad met buitenstaanders, dan is de kans op negatieve vooroordelen en wantrouwen groter. Je neemt eerder bedreigingen waar en bent dus meer op je hoede. Met een kleinere kans op pro-sociaal gedrag.

De onderzoekers vergeleken in vier deelstudies mensen die meer of minder ervaringen hadden opgedaan met etnische diversiteit. Door in buurten of postcodegebieden of landen te wonen met een verschillende mate van etnische diversiteit. En toen bleek dat etnische diversiteit samen gaat met meer pro-sociaal gedrag. En in een vijfde studie vergeleken ze proefpersonen die zich voorstelden in een etnisch diverse wijk te wonen met proefpersonen die zich voorstelden in een etnisch homogene wijk te wonen. Het bleek toen dat de eersten zich ook voorstelden dat ze zich meer pro-sociaal zouden gedragen en dat dit ermee samenhing dat ze zich meer identificeerden met de gehele mensheid.

Het is een interessant resultaat, dat een beetje optimistisch stemt.

maandag 15 januari 2018

Door persoonlijke contacten minder vooroordelen geldt niet met een rechts wereldbeeld

In deze tijd van toenemend rechts-extremisme, anti-immigrantensentiment en het aan hun lot overlaten van vluchtelingen in erbarmelijke omstandigheden staat het sociaalwetenschappelijke thema van de sociale contacthypothese weer opnieuw in de belangstelling. Volgens die hypothese is de kans op acceptatie van een andere dan de eigen groep groter naarmate er meer gelegenheid is geweest voor persoonlijk, sociaal contact met leden van die groep.

We hebben al gezien dat er veel aanwijzingen zijn dat die hypothese klopt. Zie voor overzichten van onderzoek het bericht Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt. Ook hebben we gezien dat een of twee positieve ervaringen met iemand van een outgroup al de empathie met die groep doet toenemen.

Het achterliggende mechanisme zal ermee te maken hebben dat
  • we er als sociale diersoort op zijn ingesteld om ons te bewegen in een groep van vertrouwde anderen, met wie we delen en samenwerken
  • we in ontmoetingen met vreemden aanvankelijk voorzichtig en achterdochtig zijn, zeker als er signalen zijn van vijandschap en bedreiging
  • positieve contacten met vreemden dat aanvankelijke wantrouwen verminderen
  • waardoor we hen zelfs kunnen toelaten tot onze kring van vertrouwdheid
  • en een positievere houding ontwikkelen tegenover de outgroup waartoe ze behoren.
Maar mensen kunnen natuurlijk verschillen in het gemak waarmee dit proces zich zal kunnen voltrekken. Sommigen zullen wantrouwender zijn dan anderen. Sommigen hebben (veel) meer positieve contacten nodig om hun vooroordelen te kunnen laten varen.

Uit de nieuwe studie Contact Reduces Immigration-Related Fears for Leftist but Not for Rightist Voters valt op te maken dat degenen die meer rechts georiënteerd zijn op het politieke links-rechts spectrum meer wantrouwend zijn en meer positieve contacten nodig hebben. Voor hen gaat de contacthypothese in mindere mate of zelfs geheel niet op.

In de twee landen waarin het onderzoek werd uitgevoerd, de Verenigde Staten en Duitsland, werd mensen gevraagd naar hun houding tegenover immigranten en naar hoeveel vrienden ze in het buitenland hadden en hoeveel vrienden die van een ander land afkomstig waren.

Het bleek toen dat die contacthypothese wel opging voor degenen die op een linkse politieke partij hadden gestemd (de Democraten in de V.S. en de SPD of Die Linken in Duitsland) en niet voor degenen die op een rechtse partij hadden gestemd (de Republikeinen in de V.S en de CDU, de FDP of de AfD in Duitsland).  In Duitsland was het effect van contacten zelfs averechts: het maakte de houding tegenover immigranten negatiever.

De onderzoekers gingen ook nog na waar het aan lag dat voor rechts de hypothese niet opging. Had het ermee te maken dat je op een rechtse partij stemde (denk aan de CDU van Merkel) of kwam het er speciaal uit voort dat je op een rechtse partij stemde die zich heel uitgesproken negatief uitlaat over immigranten (denk aan de AfD). 

Dat eerste bleek het geval. Er is kennelijk iets met dat politiek rechtse wereldbeeld aan de hand dat maakt dat het hebben van persoonlijke contacten niet zo gemakkelijk leidt tot minder negatieve vooroordelen.

donderdag 17 augustus 2017

Sociaalwetenschappelijk onderzoek dat helpt om het verschijnsel-Trump beter te begrijpen

De recente gebeurtenissen in de Verenigde Staten wijzen nog maar weer eens op de opvallende overeenkomsten tussen wat we nu meemaken en dat wat zich afspeelde in Duitsland in de jaren 30 van de vorige eeuw. Bij die overeenkomsten stond ik eerder stil in het bericht Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann).

Maar er is natuurlijk ook een belangrijk verschil. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden zich de sociale wetenschappen en die kunnen ons nu bijstaan in het begrijpen van wat er gaande is. Die ontwikkeling was trouwens voor een groot deel juist in gang gezet door de motivatie om de vreselijke gebeurtenissen te begrijpen die zich in nazi-Duitsland en in de Tweede Wereldoorlog hadden afgespeeld.

Wat hebben die sociale wetenschappen te bieden om nu het verschijnsel-Trump (dat ook de morele teloorgang en radicalisering van de Republikeinse partij omvat) en meer in het algemeen de opkomst van het rechts-extremisme te begrijpen en te verklaren?

Ik moet dan allereerst denken aan het onderzoek dat de toename van rechts-extremistische opvattingen in verband brengt met de toename van bestaansonzekerheid. Zie mijn laatste bericht daarover: Meer onderzoek naar verband tussen bestaansonzekerheid en rechts-extremisme en volg de links daarin naar vorige berichten.

Dat onderzoek was er in de jaren 30 van de vorige eeuw niet en is er nu wel. En het valt te hopen dat de eruit voortkomende inzichten snel tot de politiek en het beleid doordringen en benut gaan worden.

Maar er is meer. Zo is er dit mooie overzicht dat Thomas Pettigrew opstelde van onderzoek dat kan helpen bij het begrijpen van de Amerikanen die op Trump stemden: Social Psychological Perspectives on Trump Supporters.

Pettigrew, een wel heel gerenommeerd sociaal-psycholoog, ordent dat onderzoek in de vier thema's:
  • Authoritarianism and Social Dominance Orientation (SDO)
  • Prejudice
  • Intergroup contact
  • Relative Deprivation
Het onderzoek dat ik noemde naar de rol van bestaansonzekerheid valt onder het thema van de relatieve deprivatie.

Het eerste thema slaat op al dat onderzoek dat geprobeerd heeft om het persoonlijkheidssyndroom te karakteriseren van mensen die bij uitstek vatbaar zijn voor autoritaire en rechts-extremistische opvattingen. Dat onderzoek begon ooit, kort na de Tweede Wereldoorlog, met The Authoritarian Personality van Adorno en anderen (volg de link voor de uitgebreide Wikipedia-pagina).

Zie voor die Sociale Dominantie Oriëntatie mijn eerdere berichten daarover, zoals Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentimentPVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme en Over Sociale Dominantie en "In Rotterdam spreken we Nederlands".

Die twee andere thema's, vooroordeel en intergroepscontact, hangen nauw met elkaar samen. Ze slaan op het probleem dat we in onze huidige maatschappij in onderlinge afhankelijkheid staan tot vreemden en leden van andere groepen die we niet persoonlijk kennen. Dat informatietekort leidt ertoe dat zich gemakkelijk, meestal negatieve, vooroordelen ontwikkelen, die in het dagelijks leven en in de politiek vervelende gevolgen kunnen hebben. Onderzoek wijst erop dat vooroordelen kunnen worden verminderd door een toename van onderling contact (de sociale contact-hypothese) en daarmee van onderlinge vertrouwdheid. Zie bijvoorbeeld Meer empathie bij toenemende vertrouwdheid: nieuwe aanwijzing.

Een andere recent verschenen interessante sociaalwetenschappelijke bijdrage is The Appeal of the Primal Leader: Human Evolution and Donald J. Trump van Dan McAdams. Maar daarover een volgende keer.

maandag 19 september 2016

Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact - Nieuwe aanwijzingen

In verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis, de periode van de Paleo Sociale Omgeving, hebben mensen hun leven doorgebracht in een sociale kring van vertrouwden. Met de opkomst van de landbouwsamenlevingen, 8000 tot 10.000 jaar geleden, ontstond er een nieuwe sociale uitdaging: hoe om te gaan met vreemden en met leden van andere etnische groepen?

Omdat die uitdaging nieuw was, konden ontmoetingen met vreemden verschillende kanten opgaan: die van vriendelijke kennismaking en acceptatie tot wantrouwen en vijandigheid. Een in de sociale wetenschappen bekende hypothese, die teruggaat tot Gordon Allport (The Nature of Prejudice 1954), is dat de kans op acceptatie groter wordt naarmate er meer gelegenheid is geweest voor sociaal contact. Hoe meer contact, hoe meer vertrouwdheid en hoe meer acceptatie. Zie mijn eerdere bericht over de contacthypothese: Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.

Er zijn veel aanwijzingen dat die sociale contacthypothese klopt. Studies in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hebben herhaaldelijk aangetoond dat autochtonen (whites) die in een wijk wonen met een groter aandeel minderheden en immigranten positiever staan tegenover leden van andere groepen dan degenen die in een homogeen witte wijk wonen. En dat moet er aan liggen dat ze meer gelegenheid hebben om met die anderen contact te hebben en er enige vertrouwdheid mee te ontwikkelen.

Maar er is kritiek mogelijk op dat onderzoek. Want het zou kunnen zijn dat als je naar verhuisbewegingen zou kijken, dat dan blijkt dat degenen met een anti-immigrantensentiment zulke gemengde wijken al hebben verlaten (white flight) of al eerder hebben besloten om er niet te gaan wonen (white avoidance). Waardoor degenen die immigranten en minderheden gemakkelijker accepteren in gemengde wijken zijn oververtegenwoordigd.

Of dat zo is en in welke mate dat zo is, kan natuurlijk alleen blijken uit onderzoek dat naar een langere periode kijkt. Precies zulk onderzoek is nu uitgevoerd in Engeland en Wales: “White Flight” orPositive Contact? LocalDiversity and Attitudesto Immigration in Britain.

De onderzoekers analyseerden de gegevens van Understanding Society. The UK Household Longitudinal Study over een periode van 20 jaar. En ze vinden niet of nauwelijks aanwijzingen voor white flight: er is geen verschil tussen autochtone bewoners met anti- en pro-immigrantensentiment in de neiging om uit een gemengde wijk weg te trekken. Wel is er een klein verschil in de geneigdheid om naar een gemengde wijk toe te trekken.

Een en ander betekent dat de sociale contacthypothese overeind blijft: slechts een klein deel van de positievere houding van witte bewoners van gemengde wijken tegenover minderheden en immigranten kan verklaard worden door zelfselectie, dus door white flight en white avoidance.

Wat dus blijft staan is dat contact mensen bij elkaar brengt.

(De afbeelding toont de sociaal-psycholoog Gordon Allport, 1897-1967.)

vrijdag 26 augustus 2016

Wat is er eigenlijk aan de hand in Europa? Over rampzalig economisch beleid en rechtsextremisme

We maakten een rondreis door de Baltische staten. Ook daar was er weer alle aanleiding om bij de Europese geschiedenis stil te staan. Bij de gruwelen en verschrikkingen die zich in de twintigste eeuw in ons kleine werelddeel met zoveel nationaliteiten hebben afgespeeld. En ik dacht weer even aan Helmut Schmidt.

Ik ben midden in de Tweede Wereldoorlog geboren en heb dus vooral herinneringen aan de tijd dat iedereen er van overtuigd was dat het van nu af aan beter zou worden. Europa had zijn lessen geleerd en zou vol overtuiging gaan werken aan een vreedzame en welvarende toekomst. Samenwerking in plaats van vijandschap, democratie in plaats van dictatuur, openheid en tolerantie in plaats van vooroordelen en discriminatie.

Lang heb ik het volgehouden om met die optimistische bril naar de ontwikkelingen in Europa te kijken. Maar dat lukt niet meer, zeker niet nadat ik doorkreeg, toen de financiële crisis ook Europa trof, dat we geregeerd worden door een neoliberale sekte. Die een obsessie heeft met concurrentie tussen landen, terwijl voor welvaart coördinatie en samenwerking veel belangrijker zijn. Zeker als landen een monetaire unie vormen. Als ik beter had opgelet, had ik het trouwens eerder kunnen doorhebben, want alles lijkt te zijn begonnen met Reagan en Thatcher in de jaren tachtig en met de toen al ingezette teloorgang van de Europese sociaal-democratie.

Dat rampzalige economische beleid, met die obsessie met overheidstekorten, heeft geleid tot massawerkloosheid, toenemende ongelijkheid, bestaansonzekerheid en armoede, op een schaal die je voor Europa niet voor mogelijk had gehouden.

En vrijwel zeker daarmee samenhangend, tot die opleving van rechts-extremisme en vreemdelingenhaat die we nu dagelijks in het nieuws tegenkomen. O, wat lijkt dit allemaal verontrustend veel op wat zich in de jaren 30 afspeelde.

Wat valt er sociaalwetenschappelijk over te zeggen? Enige kijk daarop geeft Daniel Little in het bericht Survey research on right-wing extremism in Europe. Het haalt teveel overhoop om nu kort te kunnen samenvatten, ook al omdat de zon op de ramen van mijn studeerkamer begint te schijnen.

Maar ik volgde even de link naar het rapport Intolerance, Prejudice  and Discrimination A European Report van de Friedrich Ebert-Stiftung. Dat rapport doet verslag van onderzoek naar de omvang van wat wordt genoemd groepsgerichte vijandelijkheid (vooroordelen en discriminatie) in acht Europese landen, waaronder Nederland. Het dateert uit 2011 en je kunt vrezen dat het daarna alleen maar erger is geworden.

Die groepsgerichte vijandelijkheid bestaat er uit dat iemand neerkijkt op (leden van) andere groepen, zich er boven verheven voelt. Anderen zijn minderwaardig en moeten hun plaats kennen. De onderzoekers noemen de kern er van een ideologie van statusongelijkheid. Als op een groep wordt neergekeken, dan ook op andere. In het onderzoek ging het om anti-immigrantensentiment, racisme, antisemitisme, anti-moslim, seksisme en homofobie.

Ik citeer een paar passages uit de samenvatting:
Group-focused enmity is widespread in Europe. It is weakest in the Netherlands, and strongest in Poland and Hungary. With respect to anti-immigrant attitudes, anti-Muslim attitudes and racism there are only minor differences between the countries, while differences in the extent of anti-Semitism, sexism and homophobia are much more marked.
About half of all European respondents believe there are too many immigrants in their country. Between 17 percent in the Netherlands and more than 70 percent in Poland believe that Jews seek to benefit from their forebears’ suffering during the Nazi era. About one third of respondents believe there is a natural hierarchy of ethnicity. Half or more condemn Islam as “a religion of intolerance”. A majority in Europe also subscribe to sexist attitudes rooted in traditional gender roles and demand that: “Women should take their role as wives and mothers more seriously.” With a figure of about one third, Dutch respondents are least likely to affirm sexist attitudes. The proportion opposing equal rights for homosexuals ranges between 17 percent in the Netherlands and 88 percent in Poland; they believe it is not good “to allow marriages between two men or two women”.
Three ideological orientations are especially associated with group-focused enmity: authoritarianism (an underlying attitude espousing law and order and discipline), Social Dominance Orientation (advocating social status hierarchies) and the rejection of diversity (a general rejection of cultural, ethnic and religious diversity within a country). (Zie in dit verband ook mijn bericht PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme.)
General political attitudes are relevant only to a certain degree. Respondents who describe themselves as tending to the right, who feel politically powerless and who wish for a strong leader and support the death penalty are on average more prejudiced. The intensity of political interest is of little relevance for the dissemination of prejudice.
Group-focused enmity need not remain restricted to attitudes. It can also have consequences for action. We investigated this in relation to immigrants. Respondents who denigrate weak groups are more likely to oppose integration of immigrants, to refuse them equal political participation, to discriminate against them and to use violence against them. (Denk ook even aan de gevaarlijke jonge mannen.)
Alongside an authoritarian mentality that supports hierarchies the most important explanatory factors for group-focused enmity are a subjective feeling that immigrants represent a threat and a general feeling of social disorientation. Low income and the feeling of being disadvantaged also play a role.
 En tenslotte over wat die groepsgerichte vijandelijkheid kan afzwakken of juist versterken:
The most important factors mitigating against group-focused enmity are trust in others, the ability to forge firm friendships, contact with immigrants, and above all a positive basic attitude towards diversity. Religiosity on the other hand does not mitigate against group-focused enmity, and holding general values that emphasize security and universalism plays only a small role in explaining tolerant attitudes.
Denk bij dat "contact with immigrants" ook even aan deze twee blogberichten: Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt en
Hoopvol: Een of twee positieve contacten zijn genoeg om gebrek aan empathie met outgroup weg te nemen.
Update. En zie nu ook het bericht Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact - Nieuwe aanwijzingen.

dinsdag 12 januari 2016

Hoopvol: Een of twee positieve contacten zijn genoeg om gebrek aan empathie met outgroup weg te nemen

Omdat wij met maar een klein deel van de sociale wereld om ons heen persoonlijk vertrouwd zijn, kunnen we over andere delen daarvan gemakkelijk allerlei negatieve vooroordelen ontwikkelen. We nemen dan soms snel "het zekere voor het onzekere". Tot nu toe blijkt het beste middel daartegen een toename van contacten tussen groepen te zijn. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.
Dit is een citaat uit het bericht Over het vermogen om je empathie uit te schakelen. En over verantwoordelijke politici. In dat bericht en in het bericht waar ik in het citaat naar link, gaat het erover dat mensen in staat zijn tot het ontwikkelen van ingroup-outgroup indelingen en dat bovendien de maatschappij waarin wij leven tot het denken in zulke indelingen uitnodigt. Een actueel inzicht, mag je wel zeggen.

Een in de sociale wetenschappen al langer bestaand inzicht is dat negatieve vooroordelen minder worden als er meer contact is tussen groepen. Dit is bekend geworden als de contacthypothese, een term die in 1954 geïntroduceerd werd door de sociaal-psycholoog Gordon Allport (1897 - 1967). Door meer contact is er meer vertrouwdheid en we weten dat vertrouwdheid belangrijk bijdraagt aan empathie.

Er is nu nieuw onderzoek dat meer vertelt over wat voor contact, en hoeveel contact, dat dan zou moeten zijn: How learning shapes the empathic brain. Het onderzoek werd in Zwitserland uitgevoerd, waar een grote minderheid immigranten uit de Balkan woont, wat door veel Zwitsers als problematisch wordt gezien.

Stel je voor dat je een Zwitser bent. In het onderzoek word je een aantal keren met een andere Zwitser of met een Balkan-immigrant gekoppeld, waarbij na elke ronde de personen wisselen. Degene waar mee je gekoppeld bent, kan tegen inlevering van 5 Frank voorkomen dat jij een milde, maar ook weer niet prettige, schok krijgt toegediend op de rug van je hand. Maakt het dan verschil wie die ander is die daarover beslist, een mede-Zwitser of een Balkan-immigrant?

De onderzoekers gingen dat na doordat ze van te voren gemeten hadden hoe empathisch de proefpersonen reageerden op het zien van die toch wat pijnlijke ervaring van die schok door mede-Zwitsers en door Balkan-immigranten. Dit deden ze door de activiteit van de betreffende hersengedeeltes af te lezen (de personen lagen in een hersenscanner.) Meer activiteit in die gedeeltes staat voor meer empathie. Aan het eind van het onderzoek werden die metingen herhaald.

Toen bleek dat het geholpen worden door een Balkan-immigrant (door die schok te voorkomen) de empathie met die persoon, maar ook met andere Balkan-immigranten sterk verhoogde. Anders gezegd, positieve ervaringen met een lid van de outgroup generaliseerden naar de andere leden van die groep.

Bovendien bleek dat die toename van empathie tot stand kwam via een positiever gevoel over de leden van de outgroup. Een vergelijkbare toename van empathie was er niet bij de mede-Zwitsers, waar de empathie aanvankelijk al hoger was.

Hoe vaak moest je dan geholpen zijn voor dat die toename van empathie intrad? Na een grondige analyse van de gegevens kwamen de onderzoekers tot de conclusie dat dit effect al optrad na een of twee keer geholpen te zijn. Leertheoretisch gezien: een of enkele positieve ervaringen met een tot dan negatieve stimulus was voldoende om je van je negatieve gevoelens te genezen.

Al met al levert het onderzoek sterke aanwijzingen op voor de geldigheid van de contacthypothese. Negatieve vooroordelen zijn te bestrijden door mensen met elkaar in contact te brengen en gelegenheden te creëren om iets voor elkaar te doen.

Dat geeft, in deze toch wat barre tijden, een beetje hoop.
(De afbeelding is afkomstig van Gordon Allport.)

maandag 23 maart 2015

Over het vermogen om je empathie uit te schakelen. En over verantwoordelijke politici

We weten dat mensen verschillen in hun geneigdheid tot empathie, tot het zich inleven in het lot van anderen. En omdat veel van ons pro-sociale gedrag berust op het vermogen tot empathie, is dat een belangrijk inzicht. Sommige mensen zijn nu eenmaal, als onderdeel van hun persoonlijkheid, empathischer, en daarmee pro-socialer, dan anderen. Iedereen kent dat. Sommige mensen staan altijd voor anderen klaar, terwijl anderen veel terughoudender opereren.

Maar onze neiging tot empathie heeft zich evolutionair ontwikkeld samen met andere sociale vermogens. Als we een gevoel van vertrouwdheid ervaren, zoals wanneer we met anderen een gezamenlijke geschiedenis hebben opgebouwd, dan wordt onze empathie gemakkelijker aangewakkerd dan wanneer we met vreemden en buitenstaanders te maken hebben.

Het blijkt dat we zelfs in staat zijn om onze empathie uit te schakelen, buiten werking te stellen. En dat vermogen staat los van onze geneigdheid tot empathie. Of je nu naar persoonlijkheid heel empathisch of juist weinig empathisch bent, je hebt tegelijkertijd en in dezelfde mate dat vermogen om je empathie uit te schakelen.

En het lijkt er op dat die rem op empathie een soort veiligheidsmechanisme is waarzonder empathie niet als persoonlijkheidstrek zou kunnen overleven.

Die rem werkt des te sterker als er aanwijzingen zijn dat anderen niet alleen vreemden zijn, maar ook nog een bedreiging zouden kunnen vormen. Als we bedreigd worden, dan moeten we ons misschien verdedigen en dan zouden we er alleen maar last van hebben als we ons teveel zouden inleven in wat dan de vijand blijkt te zijn. We weten dan, waarschijnlijk grotendeels onbewust, een kloof tussen "wij"en "zij" te genereren, die empathie buiten werking stelt.

Aan het onderzoek naar die empathie-kloof besteedde de New York Times vorige week aandacht in een lang en lezenswaardig artikel (The Brain's Empathy Gap). Waarin vooral het werk van de cognitieve neuro-onderzoeker Emile Bruneau naar voren wordt gehaald. Die reisde niet alleen de wereld over om real-life conflicten te onderzoeken, maar deed ook laboratoriumonderzoek. Zo verdiepte hij zich in het conflict tussen Israël en de Palestijnen en tussen de Katholieken en de Protestanten in Noord-Ierland. Maar ook in de discriminatie van de Roma in Hongarije en de Tamil in Sri Lanka. Allemaal gevallen waarin de empathie-kloof lijkt te zijn ontstaan als reactie op bedreiging of wel of niet reële aanwijzingen voor bedreiging.

En in laboratoriumonderzoek toonde hij aan dat mensen, hoe empathisch ze naar aanleg ook waren, zich minder inleefden in de lotgevallen van anderen die tot een andere groep behoorden of buitenstaanders waren. Terwijl die groepen willekeurig waren ingedeeld en door niet meer kenbaar waren dan door een eigen kleur en logo op het computerscherm. Van concrete aanwijzingen voor bedreigingen was zelfs helemaal geen sprake. Kennelijk zijn we er op ingesteld om het zekere voor het onzekere te nemen.

Een interessant overzicht van onderzoek geeft Bruneau samen met anderen in het artikel Us and Them. Intergroup Failures of Empathy. Daarin vind je ook verwijzingen naar succesvolle interventies om die empathie-kloof te dichten. Naar de succesvoorwaarden is nog weinig onderzoek, maar duidelijk is al wel dat een toename van onderling contact een belangrijk ingrediënt kan zijn. Op grond van het inzicht dat gevoelens van bedreigd worden vaak niet op realiteit berusten.

Omdat wij met maar een klein deel van de sociale wereld om ons heen persoonlijk vertrouwd zijn, kunnen we over andere delen daarvan gemakkelijk allerlei negatieve vooroordelen ontwikkelen. We nemen dan soms snel "het zekere voor het onzekere". Tot nu toe blijkt het beste middel daartegen een toename van contacten tussen groepen te zijn. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.

Maar het ligt natuurlijk voor de hand om er voor te zorgen dat er geen irreële beelden ontstaan over bedreigingen door andere groepen. Verantwoordelijke politici zullen zich dus hoeden voor ongefundeerde negatieve uitlatingen over bevolkingsgroepen of andere volken.

Dat lang niet alle politici zich verantwoordelijk gedragen, dat weten we helaas ook. Ik denk alleen maar even aan de negatieve stereotypering door politici (Merkel, Rutte) van de Grieken en de bijdrage daarvan aan het voort etteren van de eurocrisis.

maandag 28 oktober 2013

Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt

Hoe komen we van het bestaan van vooroordelen af? En daarmee van de vaak gewelddadige conflicten die uit vooroordelen voortkomen?

Een in de sociale wetenschappen bekend antwoord op die vragen is dat vooroordelen die verschillende groepen over elkaar hebben, verminderen als de leden van die groepen meer contacten over en weer hebben. Dit heet wel de contacthypothese en die werd door de sociaal psycholoog Gordon Allport in 1954 geïntroduceerd in zijn boek The Nature of Prejudice.

Ananthi Al Ramiah en Miles Hewstone geven nu in Intergroup Contact as a Tool for Reducing, Resolving, and Preventing Intergroup Conflict Evidence, Limitations, and Potential (betaalpoort) een mooi overzicht van al het onderzoek dat is gedaan om te checken of die hypothese klopt. Daarmee bouwen ze voort op de studie A meta-analytic test of intergroup contact theory van Pettigrew en Tropp uit 2006, die de data van ruim 500 studies bij elkaar veegden en analyseerden.

Al dat onderzoek heeft opgeleverd dat het inderdaad klopt dat door meer persoonlijk contact tussen leden van verschillende groepen met negatieve vooroordelen over elkaar, die vooroordelen verminderen. Waardoor naar verwachting ook de kans op gewelddadige conflicten of onderdrukking van minderheden vermindert.

Dit is zonder meer een van die onderzoeksgebieden waarmee de sociale wetenschappen hun grote maatschappelijke belang bewijzen. Wij leven dicht bij huis en wereldwijd in maatschappelijke verhoudingen met groepsgrenzen naar nationaliteit, etniciteit, religie, cultuur en sociaaleconomische status. Daardoor ontwikkelen we gemakkelijk vooroordelen, vooral negatieve, over leden van andere groepen. Die zijn vaak onschuldig. Maar als daar echte of vermeende belangenconflicten bij komen, die ideologisch aangewakkerd worden, dan ontstaan gevaarlijke toestanden.

Na de gruwelen van het Hitler-bewind, met de genocide op Joden, Roma, homo's en gehandicapten, en die van het Stalin-regime hebben we (ik ben van 1943) een poos gedacht dat zoiets voorgoed geschiedenis was, maar die optimistische tijd is al lang voorbij. In Europa hadden we Noord-Ierland en in de jaren 90 de moordpartijen in het voormalige Joegoslavië. En hebben we nu het door de economische crisis en het rampzalige bezuinigingsbeleid oplevende rechts-extremisme. Zie ook nog eens Verontrustend actueel. En buiten Europa hadden we de apartheid in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten en de verschrikkingen in China (Mao), in Cambodja (Pol Pot) en de moordpartijen in Congo, Rwanda, Darfur en Sudan. Het gaat ergens over.

Inzicht in de gunstige werking van persoonlijke contacten is dus van groot belang. Enkele zaken die me opvielen bij het lezen van dat artikel van Al Ramiah en Hewstone zijn:
  1. Er zijn aanwijzingen dat persoonlijke contacten met leden van een andere groep ook vooroordelen vermindert over leden van andere groepen waarmee geen persoonlijk contact bestaat. De werking er van is algemener. Kennelijk zijn mensen in staat om uit het niet kloppen van vooroordelen in het ene geval te concluderen dat ze dan misschien wel in het algemeen niet kloppen. Ze worden in het algemeen toleranter, ruimdenkender en realistischer.
  2. Waardoor vermindert dat contact de bestaande vooroordelen? Doordat de angst voor de anderen er door vermindert en doordat empathie toeneemt. Dat moet er mee te maken hebben dat mensen elkaar gewoon beter leren kennen. Er ontstaat iets van die onderlinge vertrouwdheid die in de eigen groep vanzelfsprekend is en die mensen nodig hebben om samen te kunnen leven. Denk aan die Paleo Sociale Omgeving, waarin de mensheid is geëvolueerd. Die sociale omgeving is nog altijd een model voor menselijk samenleven dat we niet straffeloos blijken te kunnen negeren.
  3. Meer persoonlijk contact vermindert niet alleen vooroordelen, maar vergroot ook het vertrouwen, de vergevingsgezindheid en de bereidheid tot verzoening. Dat zijn ook de eigenschappen die kenmerkend zijn voor de Paleo Sociale Omgeving.
  4. Is het alleen het persoonlijke contact dat deze gunstige effecten heeft? Nee, er zijn aanwijzingen dat ook virtueel contact helpt (internet). En ook parasociale contacten, dus het meer leren over andere groepen en culturen door het kijken naar televisieprogramma's. Ook hoef je het contact niet eens zelf te hebben. Als je vrienden hebt met zulke contacten, verminderen ook jouw vooroordelen.
We kunnen dus wel degelijk wat doen om vooroordelen terug te dringen en zo bij te dragen tot een vreedzamere wereld. Er is zonder meer een taak voor de media weggelegd. Alleen is het de vraag of we daar in de regelgeving (publieke omroep!) wel voldoende rekening mee houden.

En ik moest er ineens aan denken dat die vroegere militaire dienstplicht, naast alle nadelen, wel het voordeel had dat je maatjes werd met anderen van verschillende rangen en standen. Wat dat aangaat, hadden we die dienstplicht nu misschien wel goed kunnen gebruiken.