Posts tonen met het label zinvol leven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zinvol leven. Alle posts tonen

zondag 20 maart 2022

Zinvol werk door terugkeer naar beleidsdoel van volledige werkgelegenheid?

Column verschenen in Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, vol. 38, issue 1, april2022.

 

Zinvol werk door terugkeer naar beleidsdoel van volledige werkgelegenheid?

 Henk de Vos

 

Na de Tweede Wereldoorlog waren overheden doordrongen van het belang van een beleid gericht op het bereiken van volledige werkgelegenheid. Die zou, naast het bevorderen van bestaanszekerheid het voordeel hebben van een machtsevenwicht op de arbeidsmarkt. Werkzoekenden zouden eisen kunnen stellen aan een aangeboden baan, net zoals werkgevers eisen konden stellen aan een werkzoekende. Niet alleen aan de hoogte van het loon, maar ook aan de kwaliteit van het werk en de arbeidsomstandigheden.

Daarmee zou de beoordeling van de kwaliteit van banen grotendeels aan het functioneren van de arbeidsmarkt kunnen worden overgelaten. Werknemers hebben dan immers de macht om het ontstaan van rotbanen, bullshit jobs en arbeidsuitbuiting te verhinderen. Of dat laatste ook echt realiteit werd, is achteraf moeilijk te beoordelen. Er was toen zeker nog veel kortcyclisch werk. Wel was de werkloosheid opvallend laag (CBS, 2009).

Maar dat veranderde in de jaren 70 en 80, toen de centrale banken op stijgende olieprijzen reageerden met renteverhogingen, die de werkloosheid sterk deden toenemen. Dat werd toen als onvermijdelijk gezien, maar daar is tegenwoordig discussie over (George, 2021). Hoe dan ook, in 1983 riep FNV-voorzitter Wim Kok uit dat de doelstelling van de volledige werkgelegenheid verder weg leek dan ooit (Kok, 1983). 

En inderdaad, de collectieve verantwoordelijkheid voor volledige werkgelegenheid moest plaatsmaken voor de individuele verantwoordelijkheid van werknemers voor employability (Mitchell en Muysken 2008). Verantwoordelijkheid dus voor de ontwikkeling van de vaardigheden die bij werknemers gevraagd zijn, maar ook voor het zo ver naar beneden bijstellen van wensen dat ook slecht werk geaccepteerd moest worden. Werkloosheid moest worden bestreden door de arbeidsmarkt zijn werk te laten doen. Neoliberaal beleid, waardoor  de werkloosheid (tot zeer recent) hoog bleef in vergelijking met de jaren 50 en 60 (CBS, 2009).

Maar ook kwamen er de problemen van de stijging van het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid. Die erop wezen dat er iets gedaan moest worden aan de arbeidsomstandigheden. Vanaf 1983 werd de Arbeidsomstandighedenwet ingevoerd. Daarin ging het niet alleen over veiligheidszorg en gezondheidszorg, maar ook over welzijn. In zekere zin creëerde het afscheid van de overheidsverantwoordelijkheid voor volledige werkgelegenheid de nieuwe overheidsverantwoordelijkheid voor arbeidsomstandigheden.

Met daarbij de vraag of die verschuiving wel zo goed heeft uitgepakt. Want daartegenover stond de grotere macht van werkgevers. Datzelfde neoliberale beleid moedigde immers de concurrentie tussen bedrijven aan. Arbeidskosten moesten gedrukt worden. Stagnatie van de lonen, versoepeling van het ontslagrecht en flexibilisering van de arbeid. Ondernemersrisico’s werden werknemersrisico’s. Daarbovenop kwam de versobering van de sociale zekerheid om mensen maar te dwingen ook slechte en slecht betaalde banen te aanvaarden. 

Mede door al deze ontwikkelingen loopt de kwaliteit van de arbeid sterk achter bij wat mensen als zinvol werk zouden ervaren. Als werk zinvol zou zijn, dan zou het bijdragen aan een zinvol leven. En een zinvol leven is een leven dat mensen ervaren als doelgericht en zinvol, waarin ze betrokken zijn bij en geïnteresseerd in hun dagelijkse bezigheden, waarin ze zich competent voelen, waarin ze waardevolle en ondersteunende relaties hebben en waarin ze door anderen gerespecteerd worden. Onderzoek wijst uit dat het leiden van een zinvol leven positieve gezondheidseffecten heeft die uitgaan boven die van het “alleen maar” gelukkig zijn (Fredrickson, Grewen, Coffey et al, 2013). 

Het leiden van een zinvol leven komt dus tegemoet aan heel fundamentele behoeften. Dat werk daar maar weinig aan bijdraagt, blijkt eruit dat burn-out, werkstress en psychische aandoeningen als gevolg van werkomstandigheden veel voorkomen en samenhangen met het ontbreken van precies die werkomstandigheden die werk zinvol hadden kunnen maken: weinig autonomie (door teveel hiërarchie), hoge werkdruk, weinig  baanzekerheid en weinig ondersteunende relaties (Ten Have, Van Dorsselaer en De Graaf, 2015).

Dat alles doet vermoeden dat het ook vanuit het oogpunt van het belang van zinvol werk goed is om als overheid de doelstelling van volledige werkgelegenheid in ere te herstellen. 

Wat overigens niet betekent dat een krappe arbeidsmarkt, zoals we die sinds vorig jaar kennen, niet ook andere oorzaken kan hebben. Mocht die krapte doorzetten, dan zou je verwachten dat zinvol werk daardoor ook weer meer “aan de voordeur” tot stand komt. Een eerste aanwijzing in die richting is dat werkgevers zich meer lijken in te spannen voor een goede balans tussen werk en privé (Winkel, 2021).

Literatuur

CBS (2009). Werkloosheid jaren dertig hoogste ooit. https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2009/12/werkloosheid-jaren-dertig-hoogste-ooit

Fredrickson, B.L., Grewen, K.M., Coffey, K.A. et al (2013). A functional genomic perspective on human well-being. PNAS 110: 13684-13689

Goerge, P. (2021). What caused the stagflation of the 1970s? Answer: Monetarism. Real-World Economics Review Blog. https://rwer.wordpress.com/2021/08/14/weekend-read-what-caused-the-stagflation-of-the-1970s-answer-monetarism/?utm_source=pocket_mylist

Have, M. ten, Dorsselaer, S. van en Graaf, R. de (2015). The association between type and number of adverse working conditions and mental health during a time of economic crisis (2010–2012). Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 50: 899-907

Kok, W. (1983). Volledige werkgelegenheid: uitdaging voor de jaren tachtig. S&D, juli/augustus

Mitchell, W. en Muysken, J. (2008). Full Employment Abandoned. Shifting Sands and Policy Failures. Cheltenham: Edward Elgar

Winkel, R. (2021). Waar blijft het ‘grote verloop’ op de Nederlandse arbeidsmarkt? ESB 23 september 2021

dinsdag 7 juli 2020

Psychische aandoeningen en de mismatch tussen aanleg en omgeving - 14

Al met al zijn we in deze fase van de mensheidsgeschiedenis "terechtgekomen in een maatschappij waarin het niet gegarandeerd is dat anderen zich altijd om je bekommeren. Waarin je buiten dat kleine eilandje van het gezin waarin je opgroeit, een plaats moet zien te verwerven. Moet leren om te gaan met de uitdagingen van eenzaamheid en statuscompetitie. Dus met de uitdagingen van sociale onveiligheid." Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Gecombineerd met onze neiging tot psychologische starheid, het steeds maar blijven proberen om de negatieve gedachten en gevoelens die we door die sociale onveiligheid hebben, te vermijden en te bestrijden, leidt dat ertoe dat psychische aandoeningen zo veel voorkomen. Gegeven onze evolutionaire geschiedenis zijn we er niet goed op ingesteld om met de gevaren van eenzaamheid en statuscompetitie om te gaan. Ons taalvermogen brengt met zich mee dat we dat gevoel van onveiligheid concretiseren in een verhaal over onszelf waarin we ons vergelijken met anderen, waarin we aandacht tekortkomen, waarin we negatief over onszelf denken en waarin we tekort schieten. Als we geheel opgaan in dat verhaal, dat verhaal worden, zijn we terechtgekomen in een toestand van psychologische starheid.

Er is de individuele weg van het zoeken naar een oplossing. Zoals de Acceptance and Commitment Therapy van Steven C. Hayes, die je helpt bij het ontwikkelen van psychologische flexibiliteit. Die je leert te beseffen dat je niet samenvalt met het verhaal dat je over jezelf hebt opgebouwd. Dat verhaal, dat ingewikkelde netwerk van automatische gedachten, valt slecht te controleren en te veranderen. maar door het te accepteren als dat wat het is, niet meer dan een stroom van gedachten, kun je er wel afstand van nemen. Waardoor er ruimte komt voor een meer zelfgekozen, en zinvol, leven.

Maar zolang we die uitdagingen van eenzaamheid en statuscompetitie laten bestaan, komt ook de optelsom van al die individuele oplossingen, hoe wenselijk ook, toch uiteindelijk neer op "dweilen met de kraan open". 

Daarom dient zich natuurlijk ook de collectieve weg aan, die van het met zijn allen terugdringen van die uitdagingen. Maatschappijverandering dus. Waardoor als het goed is, niet alleen minder mensen lijden aan een psychische aandoening, maar zelfs daarbovenop meer mensen de kans krijgen om een zinvol leven te leiden en om te floreren en te gedijen.

Dat zou, om de gedachten te bepalen, een maatschappij zijn die meer overeenkomt met de kenmerken van het gemeenschapsevenwicht. Want in die toestand, die ook als hij niet volledig realiseerbaar is, wel altijd dichterbij gebracht kan worden, verschaffen mensen elkaar de sociale veiligheid die ze nodig hebben. 

Denk in dat verband aan de reeks berichten over hoe de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak zou kunnen worden. Met een overzicht van aanwijzingen voor de positieve effecten van bewegingen in de richting van dat gemeenschapsevenwicht en weg van het statuscompetitie-evenwicht. Zie hier het eerste bericht van die reeks en volg steeds de link naar het volgende bericht.

donderdag 21 maart 2019

Een gevoel van zelf-continuïteit geeft zin aan het leven, maar dat gaat niet zonder verbondenheid met anderen en nostalgie helpt daarbij

Gedurende de zo ongeveer 98 procent van de tijd dat de mensheid bestaat, brachten mensen hun leven door in een groep van vertrouwde anderen. Ik verwees daar eerder naar met de term Paleo Sociale Omgeving. Zo'n groep van vertrouwde anderen is ook precies de sociale omgeving waar een groepsdier op is ingesteld en waarin hij gedijt.

De tegenwoordige sociale omgeving waarin mensen hun leven doorbrengen, wijkt daar sterk vanaf. De groep van vertrouwde anderen is ingekrompen, tot het kringetje van gezin, familie en wat vrienden.

Dat betekent dat er buiten die vertrouwde groep een heel nieuw sociaal domein is bijgekomen: al onze contacten met anderen die we niet zo goed kennen, helemaal (nog) niet kennen of die we nooit beter zullen leren kennen. Ik noem dat het domein van de sociale vluchtigheid. Volg de link voor een onderzoek naar hoe mensen met uitdagingen van sociale vluchtigheid omgaan.

Als je je een keer realiseert hoe nieuw die sociale vluchtigheid voor de mens als groepsdier is, krijg je er gemakkelijker aandacht voor hoeveel van onze huidige individuele en maatschappelijke problemen eruit lijken voort te komen of ermee samenhangen.

Ik stond daar bij stil in het college dat ik dinsdag gaf aan Groningse sociologiestudenten, waarvan je de dia's hier kunt bekijken: Van nature sociaal. Maar blijft dat zo? Daar tref je ook het onderstaande plaatje aan, waarin het verschil tussen "TOEN" en "NU" wordt afgebeeld.

Stel je voor dat jij dat sterretje bent. Dat dus TOEN werd omgeven door die groep van vertrouwde anderen. Waarvan Nu alleen nog maar dat kleine kringetje is overgebleven, in een zee van sociale vluchtigheid. Die uit anderen bestaat, die natuurlijk ook elk zo'n klein kringetje om zich heen hebben.

Ga naar de presentatie voor een overzicht van allerlei individuele en maatschappelijke problemen die met sociale vluchtigheid samen hangen.

Een probleem dat daar niet aan de orde komt, is dat van de zogenaamde zelf-continuïteit. Dat hangt ermee samen dat sociale vluchtigheid ons er altijd toe aanzet om onszelf zo gunstig mogelijk te presenteren tegenover anderen. We willen immers voorkomen dat anderen op ons zouden neerkijken, ons niet voor vol of zelfs als loser zouden zien. Dat is de statuscompetitie die zonder sociale vertrouwdheid al gauw de kop opsteekt.

Doordat we ons dus voortdurend beter of anders voordoen dan we echt zijn, kan het gebeuren dat we ons in onze meer reflexieve ogenblikken gaan afvragen wie we nu eigenlijk echt zijn. Wat is ons authentieke zelf? Achter al die mini-toneelstukjes die we opvoeren?

Dat is een vraag die we onvermijdelijk in ons eentje moeten beantwoorden. Want al die anderen kennen ons alleen van wat wij hen hebben voorgespiegeld.

En dat betekent dat met die vraag naar het authentieke zelf de vraag naar zelf-continuïteit naar voren komt. Want de zoektocht naar het authentieke zelf is niets anders dan de zoektocht naar zelf-continuïteit: naar datgene wat er in je leven tot dan toe gemeenschappelijk was aan al die rollen die je hebt gespeeld.

In dat verband is er nu de interessante studie How nostalgia infuses life with meaning: From social connectedness to self‐continuity. Waaruit aanwijzingen naar voren komen dat een versterking van het gevoel van zelf-continuïteit de verbindende schakel vormt tussen het nostalgisch terugkijken naar gebeurtenissen in het verleden en het gevoel van zinvolheid van je leven.

En wat blijkt? Die nostalgie blijkt je ertoe aan te zetten je meer verbonden te voelen met anderen. Waarschijnlijk doordat je terugdenkt aan episodes waarin die verbondenheid groot was. En het is precies dat gevoel van verbondenheid dat maakt dat je meer zelf-continuïteit ervaart.

Dat lijkt te bevestigen dat we die zelf-continuïteit inderdaad ontlenen aan die kleine kringetjes van vertrouwde anderen waar we in ons leven toe hebben behoord. Voor zelf-continuïteit is verbondenheid nodig. Met alleen maar sociale vluchtigheid lukt het niet.

En maakt het wat uit? Jazeker, want dat gevoel van zelf-continuïteit die verschaft ons dat o zo fundamentele gevoel dat ons leven zin heeft.

dinsdag 9 oktober 2018

Hoe krijg je voor elkaar dat jongeren een zinvol leven leiden? Kijk naar IJsland

Je komt soms de opvatting tegen dat het leven geen zin heeft. Maar dan wordt meestal gedoeld op een zin die een externe bron heeft, zoals een God, en die een hiernamaals in het vooruitzicht stelt.

Natuurlijk kan het leven zin hebben. Dat is de zin die je er zelf aan geeft. Of die je er samen aan geeft, want wij zijn nu eenmaal een sociale diersoort.

En we hebben er enig idee van wat het betekent om een zinvol leven te leiden. Het houdt onder meer in dat je betrokken bent bij je dagelijkse bezigheden en daarin geïnteresseerd bent, dat je ondersteunende en waardevolle relaties hebt, dat je actief bijdraagt aan het welzijn van anderen, dat je kundig en capabel bent in de bezigheden die je belangrijk vindt en dat je optimistisch kunt zijn over de toekomst.

Ook weten we dat het leiden van een zinvol leven goed is voor je gezondheid, wat eruit blijkt dat je een kleinere kans hebt op ontstekingen (in vergelijking met wanneer je "alleen maar" gelukkig bent). Zie Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.

Als je dat weet, dan zou je bovenal willen dat kinderen in staat worden gesteld om een zinvol leven te leiden. En kom je meteen op de gedachte dat zulks maar heel beperkt het geval is.

Want onze kinderen groeien in een sterk onnatuurlijke sociale omgeving op. Ze brengen hun tijd vooral door met alleen de eigen ouders en daarnaast en in een gescheiden circuit met overwegend leeftijdsgenoten. Dat ligt eraan dat gezinnen historisch gezien opvallend sociaal geïsoleerd leven en dat in de scholen de leeftijdshomogene groepering domineert. Scroll maar eens door de berichten op dit blog achter het label sociaal isolement van gezinnen en het label leeftijdssegregatie.

Een en ander heeft de inmiddels bekende negatieve effecten: eenzaamheid en de stress van de statuscompetitie en het pesten wat daarbij hoort. Waar bij komt dat de leerstof op school bepaald niet altijd interesse en betrokkenheid opwekt. Geen gunstige opgroei-omgeving voor het leiden van een zinvol leven. Wat ertoe leidt dat er voor kinderen niet alleen het positieve, maar ook het negatieve ontwikkelingstraject bestaat.

Maar dat moet toch anders kunnen? Jazeker. Een voorbeeld van hoe het anders kan is hoe het opgroeien in IJsland sinds de jaren 90 van de vorige eeuw collectief, door de landelijke overheid, door de scholen en door de ouders, vorm wordt gegeven. The Atlantic besteedde er begin van dit jaar aandacht aan: How Iceland Got Teens to Say No to Drugs. (Het stond al langer op mijn lijstje, maar vandaag is het dan zover.)

Dat beleid hield onder meer in dat er middelen beschikbaar kwamen voor allerlei buitenschoolse georganiseerde activiteiten: sport, muziek, kunst, dans en wat niet al. Waardoor jongeren het gevoel kunnen hebben ergens bij te horen en de gelegenheid krijgen om dingen te doen die ze interessant vinden, om hun kundigheden te ontwikkelen en om ook iets voor anderen te doen. Om een zinvol leven te leiden.

Onderzoek liet de positieve gevolgen zien. Alcohol- en drugsgebruik verminderden sterk. Het percentage jongeren dat vier maal per week of vaker georganiseerd sport beoefent steeg van 24 naar 42. (Dat het IJslands voetbalelftal het zo goed deed op de WK van dit jaar, is wel daarmee in verband gebracht.)

Deze vorm van preventief jeugdbeleid zou natuurlijk overal gevoerd moeten worden. Denk aan
Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid.

En het is inderdaad zo dat er wereldwijd belangstelling is voor "het IJslandse Model". Volg de link naar dat Atlantic-artikel voor meer daarover.

dinsdag 1 augustus 2017

Hoe komt het dat we ons in vertrouwde contacten beter voelen dan in vluchtige contacten?

Dat wij groepsdieren zijn, wil zeggen dat we er als gevolg van onze evolutionaire geschiedenis op zijn ingesteld om op te groeien en ons te bewegen in een groep van vertrouwde anderen.

In zo'n groep werken we samen en delen we de beschikbare middelen. En hebben we een gezamenlijke geschiedenis, die eraan bijdraagt dat we de onderlinge relaties als vanzelfsprekend accepteren. Daardoor is de onderlinge (status-)competitie afwezig of neemt hij onschuldige vormen aan, zoals die van spel en wat we tegenwoordig sport noemen. Wat de ruimte creëert om jezelf te kunnen zijn, want je hoeft je niet beter voor te doen dan je bent. Er zijn redenen om te denken dat het leven in zo'n groep van vertrouwde anderen het zinvolle leven is. Zie Gedachten over de positieve gezondheidseffecten van een zinvol leven.

Maar in onze huidige maatschappij is zo'n groep van vertrouwde anderen (familie, vrienden) er nog maar beperkt. Niet alleen is hij voor de meesten van ons nog maar klein van omvang (vandaar de problemen van het sociale isolement van gezinnen en van eenzaamheid), maar ook hebben we daarnaast contacten met anderen met wie we niet of veel minder vertrouwd zijn. Dat zijn de vluchtige contacten of "zwakke bindingen" of "kennissen".

We weten al dat je veel van die vluchtige contacten kunt hebben, terwijl je toch eenzaam bent. Wat eenzaamheid betreft, kunnen we dus het gemis aan die vertrouwde contacten niet compenseren door vluchtige contacten.

Maar het is ingewikkeld, want toch blijken die vluchtige contacten iets toe te voegen aan ons geluksgevoel. Mij lijkt dat je dat moet opvatten als een aanwijzing dat voor de meesten van ons die kring van vertrouwde anderen te klein is. We zoeken naar meer en vinden dat een beetje door die contacten aan de rand van onze groep.

Maar je zou verwachten dat we de voorkeur geven aan de omgang met die vertrouwde contacten. Omdat we daarin meer ons zelf kunnen zijn.

En precies dat komt uit het nieuwe onderzoek Hedonic Benefits of Close and Distant Interaction Partners: The Mediating Roles of Social Approval and Authenticity.

Het onderzoek werd uitgevoerd met behulp van de Experience Sampling Method, die inhield dat een groep van 178 studenten gedurende twee weken vier maal per dag op toevallige tijdstippen een mail ontvingen met een kort vragenlijstje over de laatste interactie die ze daar voor gehad hadden en over hoe goed of slecht ze zich voelden. Dat laatste gebeurde met behulp van de Positive and Negative Affect Schedule .Zo ontstond een bestand van bijna 7000 korte verslagen van sociale interacties. (Natuurlijk had je liever een bredere groep gehad dan alleen studenten.)

De onderzoekers konden vervolgens laten zien dat de studenten zich beter hadden gevoeld in contacten met vertrouwde anderen dan in vluchtige contacten.

En waardoor voelden ze zich beter? Doordat ze meer het gevoel hadden te worden geaccepteerd (meer gerespecteerd worden, aardiger gevonden worden) en meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn (trouw aan zichzelf, niet beïnvloed, trouw aan eigen principes en waarden).

Ook een klein en beperkt onderzoekje kan dus zomaar uitwijzen dat wij nog steeds die sociale diersoort zijn die zich graag omgeven voelt door vertrouwde anderen.

maandag 25 januari 2016

Ruim een miljoen Nederlanders depressief - Wat is het echte wondermiddel tegen depressie?

Het CBS meldt vandaag dat ruim 1 miljoen Nederlanders aangeven een depressie te hebben of een depressie te hebben gehad in het afgelopen jaar. Hier zie je de verdeling over de leeftijdsgroepen:
Wat je ziet is dat depressies zich in de adolescentiefase beginnen te melden en dat de aantallen in de middelbare leeftijdsgroepen hun top bereiken. Dit suggereert de oorzakelijke werking van de statuscompetitie van opleiding en beroepsloopbaan. Die ons afleidt van waar het in het menselijk bestaan echt om gaat: het leiden van een zinvol leven. Dat dat zo is beginnen de meesten van ons pas op latere leeftijd door te krijgen. Merk op dat depressie na de leeftijd van 16 jaar het minst voorkomt bij de 65 tot 74-jarigen.

En ja, we weten dat het leiden van een zinvol leven het beste middel is tegen depressie. Zie Wat is het èchte nieuwe wondermiddel tegen depressie?

Maar wat is dat dan, een zinvol leven? Zie daar voor: Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.

dinsdag 28 juli 2015

Over vakantie en hoe het komt het dat we de zin van het leven pas bij het ouder worden gaan inzien

In vakantietijd kun je de uitdagingen van het werk even achter je laten. Uitdagingen als: Presteer ik wel genoeg? Ben ik wel genoeg zichtbaar voor degenen waarvan ik afhankelijk ben? Weet ik me wel genoeg te onderscheiden van mijn collega’s? Laat ik niet teveel over me heenlopen?
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder. En kom meer te weten over de echte zin van het leven.

Over vakantie gesproken: dit blog is een poosje uit de lucht.

dinsdag 18 februari 2014

Bewoners van rijkere landen zijn tevredener met hun leven, maar ervaren hun leven als minder zinvol. En over religie

Shigehiro Oishi en Ed Diener gingen in de studie Residents of Poor Nations Have a Greater Sense of Meaning in Life Than Residents of Wealthy Nations (betaalpoort) niet alleen na of bewoners van rijkere landen tevredener zijn met hun leven, maar ook of ze meer hun leven als zinvol ervaren. Dat eerste bleek wel te kloppen, maar het tweede niet.

Sterker, het was juist omgekeerd: bewoners van armere landen ervaren hun leven als zinvoller. Preciezer gezegd, ze antwoorden de vraag "Voelt u dat uw leven een belangrijk doel of betekenis heeft?" meer bevestigend dan bewoners van rijkere landen. Als je naar de scatterplot in het artikel kijkt, dan zie je bijvoorbeeld dat bewoners van arme landen als Ethiopië en Sierra Leone veel meer vinden dat hun leven zinvol is dan bewoners van rijke landen als Frankrijk, Spanje, Japan en Hong Kong.

Waar kan dat aan liggen? De onderzoekers wijzen op eerder onderzoek dat uitwijst dat tevredenheid met het leven vooral bepaald wordt door de beschikking over de zaken die gemak verschaffen, zoals elektriciteit, telefoon, televisie en computers. Zaken die in armere landen minder aanwezig zijn.

Maar waar zou dan de ervaring van een zinvol leven van afhangen? De onderzoekers kijken vooral naar de rol van religie. En het blijkt te kloppen dat bewoners van armere landen religieuzer zijn en dat religie samengaat met het meer ervaren van een doel in het leven. Maar dan gaat het om de samenhang tussen gemiddeldes. Als je naar het wel of niet religieus zijn van individuen kijkt, dan blijkt dat de rijkdom van een land het leven minder zinvol maakt, onafhankelijk van religie. Dat wil zeggen dat het niet alleen het minder religieus zijn is dat maakt dat bewoners van rijkere landen minder een doel in het leven ervaren.

Waar kan het nog meer aan liggen? Waar de onderzoekers iets over kunnen zeggen, zijn onderwijs, aantal kinderen en de mate van individualisme. En inderdaad: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe minder kinderen en hoe individualistischer, hoe minder het leven als zinvol ervaren wordt.

Wat hiervan te denken? We weten dat het gevoel een zinvol leven te leiden voor je gezondheidstoestand gunstiger is dan de tevredenheid met je leven. Zie nog eens het bericht Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter, dat in die richting lijkt te wijzen. Er is dus "iets" in die armere landen dat zorgt voor een meer zinvol leven en in dat opzicht gezondheidsbevorderend is. Uiteraard wordt dat teniet gedaan door een veelheid van gezondheidsverslechterende factoren: armoede op zich, slechtere hygiëne, woonomstandigheden, minder medische voorzieningen en wat niet al. En dat rijkere landen dat "iets" minder hebben, betekent dus dat de betere medische voorzieningen in die landen daar voor althans voor een deel compenseren.

Wat dat "iets" is, zou kunnen samenhangen met die geringere mate van individualisme. Mensen zijn er meer op elkaar aangewezen en dat geeft meer gevoelens van onderlinge betrokkenheid en voor anderen iets te kunnen betekenen.

En we weten dat zo een sociale omgeving gezondheidsbevorderend is. Zie nog eens Gezondheid en sociale omgeving (2): sociale steun ontvangen, waarnemen en geven. Daarmee komt overeen wat de onderzoekers ook vaststellen, namelijk dat het zelfmoordcijfer in rijkere landen hoger ligt dan in armere landen. En dat die samenhang deels verklaard wordt doordat bewoners van die rijkere landen minder een doel in het leven ervaren. Als je geen doel in het leven hebt, dan krijg je eerder zelfmoordgedachten. Dat "iets" is dus die sociale omgeving van grotere onderlinge betrokkenheid en gemeenschapsgevoel. En dat staat tegenover de grotere kans op eenzaamheid en statuscompetitie in de rijkere landen.

Tot slot nog even over de rol van religie. Die is kennelijk belangrijk. En dat zal er mee te maken hebben dat religie het gemakkelijker maakt om een doel in het leven te hebben. Dat doel wordt je als het ware van buiten of van boven af automatisch aangereikt. Als je niet religieus bent, dan moet je op eigen kracht je leven zin geven, zeker in een individualistische samenleving. De uitdaging is dan om zelf te bepalen wat het doel en de zin van het leven zouden kunnen zijn. En veel mensen kunnen die uitdaging heel goed aan.

Maar sommige gelovigen denken daar anders over. Neem de Amerikaanse republikeinse Senator  Mike Fair, die denkt dat jonge mensen niet tegelijk in evolutie kunnen geloven en een doel in het leven kunnen hebben. Als je niet in God gelooft, dan zou het leven zinloos zijn. Daarom vindt hij dat creationisme en intelligent design op scholen onderwezen moeten worden.

vrijdag 11 oktober 2013

Leidden jagers-verzamelaars het zinvolle leven? Ja, waarschijnlijk wel. Maar waarom hielden ze dan daarmee op?

Leidden jagers-verzamelaars in de Paleo Sociale Omgeving een zinvol leven? In de zin dat ze een hoog niveau van eudaimonisch welzijn hadden, samengaand met positieve gezondheidseffecten? Daar valt wel wat voor te zeggen (zie het vorige bericht).

Maar de gedachte weerspreekt de opvatting die je nog wel eens tegenkomt en die teruggaat tot Thomas Hobbes (1588-1679), dat onze voorouders in die tijd als barbaren leefden, zonder overheidsgezag, en dat daardoor het leven "solitary, poor, nasty, brutish, and short" was. Die bekende parafrase is uit hoofdstuk 13 van Leviathan, Hobbes' bekendste boek.

Toch zijn er voor de hand liggende aanwijzingen dat dat jagen en verzamelen nog zo gek niet was. Bedenk maar eens dat wij mensen de enige van de 10 tot 20 mensachtigen zijn die tot nu toe overleefd hebben. En dat wij met die leefwijze van jagen en verzamelen ons vanuit oostelijk Afrika over vrijwel de gehele aardbol verspreid hebben. Dat moet je dan toch wel een succesvolle leefwijze noemen. Met een manier van samenleven, gebaseerd op coördinatie en coöperatie (cooperative breeding!), die aanpassing aan sterk uiteenlopende en veranderende omstandigheden mogelijk maakte. En die niet te rijmen valt met het beeld van woestelingen die elkaar voortdurend het leven zuur maken. Zie ook Beyond War. The Human Potential For Peace van Douglas P. Fry, voor een zorgvuldige weerlegging van dat beeld.

Maar waarom zijn mensen dan met die leefwijze opgehouden? Er was toch, vanaf zo'n 8 tot 10 duizend jaar geleden, de Agrarische Revolutie? Met alles wat daaruit voortkwam, zo prachtig beschreven door Jared Diamond in Guns, Germs, and Steel. The Fates of Human Societies. De landbouw, dat was toch een uitvinding die het leven een heel stuk veraangenaamde?

Dat staat nog te bezien. Want we weten dat de eerste landbouwers gekenmerkt werden door een geringere lichaamslengte dan die van de jagers-verzamelaars, wat wijst op een slechtere gezondheidstoestand. Denk nog even aan dat Paleo dieet. En het is ook niet zo dat jagers-verzamelaars zo snel als mogelijk tot het bedrijven van landbouw overgingen toen ze kennismaakten met de uitvinding er van. Sterker, van de mogelijkheden van landbouw en veeteelt moeten ze al veel langer op de hoogte zijn geweest. Ze hadden in de loop van de honderdduizenden jaren van hun bestaan al zoveel kennis en inzicht van fauna en flora, dat ze best al veel eerder hadden kunnen gaan boeren.

Toevallig verscheen gisteren de studie 2000 Years of Parallel Societies in Stone Age Central Europe (betaalpoort), die daar aanwijzingen voor verschaft. De onderzoekers vonden dat landbouwers en jagers-verzamelaars in Midden-Europa nadat de landbouw was "gearriveerd", nog zo'n 2000 jaar min of meer als buren hadden samengeleefd. Dat jagen en verzamelen was zo aantrekkelijk dat je daar gewoon mee doorging, ook als anderen arriveerden die voor het boerenbestaan hadden gekozen.

Je kunt daaruit opmaken dat landbouw niet een uitvinding was, maar een leefwijze die noodzakelijk werd door de bevolkingstoename als gevolg van dat succes van het jagen en verzamelen. Dat mensen het paradijs verlieten, kwam niet door de zondeval, maar doordat dat paradijs niet iedereen meer kon voeden. Er zat niets anders op. 

donderdag 10 oktober 2013

Gedachten over de positieve gezondheidseffecten van een zinvol leven

Het leiden van een zinvol leven, eudaimonisch welzijn, is gunstig voor je gezondheid, omdat je immuunsysteem daar door beter functioneert. Je hebt een kleinere kans op ontstekingen en daarmee samenhangende gezondheidsproblemen.

Een zinvol leven houdt o.a. in dat je pro-sociaal bent (je bekommert je om het welzijn van anderen), dat je waardevolle relaties hebt met anderen, dat je doelgericht en betrokken bent bij je dagelijkse bezigheden, dat je dingen doet waarbij je talenten aan bod komen en dat je een optimistische kijk op het leven hebt. Zie nog eens het vorige bericht.

Ik zei al, dat is om over na te denken. Gedachten die je dan hebt, kunnen bijvoorbeeld zijn:
  • Is een zinvol leven niet zo ongeveer het leven dat wenselijk was en veel voorkwam in de Paleo Sociale Omgeving? De sociale omgeving dus waarin de mensheid verreweg het grootste deel van haar bestaan heeft doorgebracht. Die van jagers-verzamelaars die voor hun overleving en hun voortbestaan sterk op elkaar waren aangewezen, in een sociaal verband van persoonlijke relaties. Denk aan de Big Two van de persoonlijkheid in zo een manier van samenleven, zoals bij de Tsimane. Wat daar telt is dat je vrijgevig, bescheiden en vriendelijk bent. En dat je je inspant voor het gezamenlijke welzijn. Als je dat allemaal doet, dan vergroot je de kans op overleving van de groep en dus je eigen overleving. En je voorkomt dat anderen je laten weten dat je verkeerd bezig bent. En ook dat draagt bij aan je kans op overleving.
  • Daar komt waarschijnlijk bij dat die inspanningen voor het gezamenlijk welzijn een beroep deden op je natuurlijke talenten. Hoe zo dan? (1) Er was een diversiteit aan activiteiten nodig, die verschillende vaardigheden vereisten. Dus was het efficiënt om de taken zo te verdelen dat iedereen zo veel mogelijk die dingen deed die hij/zij het beste kon. Dus werden de beschikbare talenten zo goed mogelijk gebruikt. (2) Maar ook andersom: degenen met talenten die het meest nuttig waren, zullen, via individuele én groepsselectie, de hoogste overlevingskansen hebben gehad. Die talenten zullen dus in volgende generaties meer zijn voorgekomen. En zo ontwikkelde zich een fit tussen de benodigde taken en de beschikbare talenten. Iedereen moest en kon de dingen doen die het meest bij zijn/haar talenten aansloten en die hij/zij daardoor ook het liefste deed.
  • Tja, dat klinkt behoorlijk paradijselijk. Maar die verhalen over het oorspronkelijke paradijs moeten natuurlijk ook ergens vandaan zijn gekomen.
  • Maar onze huidige maatschappij en onze manier van samenleven wijken natuurlijk behoorlijk af van die Paleo Sociale Omgeving. Wij groeien veel meer op in een maatschappij waarin er naast dat zinvolle leven van het gemeenschapsgedrag ook een grote dosis statuscompetitie heerst. Zie o.a. dit bericht en dit bericht. Dat is een grote uitdaging, die we maar beperkt het hoofd kunnen bieden. Vandaar de vervreemding.
  • Dat blijkt uit al die aanwijzingen dat het meer blootstaan aan statuscompetitie stressverhogend is en onze gezondheid negatief beïnvloedt. Zie o.a. dit bericht. Én het blijkt er dus ook uit dat als je, tegen die stroom in van de om zich heen grijpende statuscompetitie, toch in staat bent om nog enigszins een zinvol leven te leiden, dat dat dan gunstig uitwerkt op je immuunsysteem en je gezondheid.
  • Dat is natuurlijk een reden voor optimisme. Het "loont nog" om pro-sociaal te zijn en om de dingen te doen die aan je talenten tegemoet komen, in plaats van de dingen waarmee je alleen maar status verwerft en waarmee je veel geld zou kunnen verdienen.
  • Maar toch: daar staat weer tegenover dat er in onze maatschappij grote gezondheidsverschillen bestaan naar sociaaleconomische status. De rijkaards leven flink langer dan de arme sloebers. En bij het rijk worden in onze maatschappij helpt het als je flink meedoet aan de statuscompetitie.
  • Kortom: het algehele beeld is complex.

woensdag 9 oktober 2013

Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter

In het onderzoeksterrein van de positieve psychologie maken onderzoekers onderscheid tussen twee opvattingen over wat geluk is:
  1. de hedonische opvatting: geluk is gelijk aan de subjectieve ervaring van plezier en tevredenheid
  2. de eudaimonische opvatting: geluk is er bij het streven naar een zinvol leven en een nobel doel dat de bevrediging van egoïstische behoeften overstijgt
Dat onderscheid wordt nog duidelijker als je kijkt naar hoe die twee versies worden gemeten. Hedonisch geluk is meestal het antwoord op een vraag als "Hoe gelukkig zou u zeggen dat u bent de laatste tijd?" in de vorm van bijvoorbeeld een rapportcijfer tussen 0 en 10. Daartegenover meten onderzoekers de eudaimonische versie bijvoorbeeld met de volgende 8 uitspraken, waarvan je kunt aangeven hoezeer je het er mee oneens of eens bent (mijn vertaling uit het Engels):
  1. Ik leid een doelgericht en zinvol leven
  2. Mijn sociale relaties zijn ondersteunend en waardevol
  3. Ik ben betrokken bij en geïnteresseerd in mijn dagelijkse bezigheden
  4. Ik draag actief bij aan het geluk en welbevinden van anderen
  5. Ik ben kundig en capabel in de bezigheden die voor mij belangrijk zijn
  6. Ik ben een goed mens en leid een goed leven
  7. Ik ben optimistisch over mijn toekomst
  8. Mensen respecteren mij
Oké, maar dan zullen mensen die het zeer met deze uitspraken eens zijn, toch ook wel gelukkig zijn? Ja, dat is zo. De correlaties tussen de scores op deze twee maten is over het algemeen hoog. In het onderzoek dat aanleiding was tot dit blogbericht was hij 0,79. Maar dat is ook weer niet een perfecte samenhang. Maakt het dan wat uit of je meer gelukkig bent in de hedonische dan wel meer in de eudaimonische versie?

Ja en daar heeft de studie A functional genomic perspective on human well-being (pdf) meer over te melden. De onderzoekers vonden een intrigerend verschil in de samenhang van de beide versies van geluk met de werking van het immuunsysteem op het niveau van genenexpressie. Bij mensen met een hogere score op eudaimonisch geluk vonden ze o.a. een lagere expressie van pro-inflammatoire genen. Tegenover juist een hogere expressie bij mensen met een hoog hedonisch geluk. Anders gezegd, de kans op ontstekingen is lager als je eudaimonisch gelukkig bent dan wanneer je hedonisch gelukkig bent. Biologisch en voor je gezondheidstoestand maakt het dus verschil.

En dat is opmerkelijk, want het lijkt er op dat mensen subjectief gezien weinig tot geen verschil ervaren tussen hedonisch en eudaimonisch geluk. Je voelt je in beide gevallen oké, zoals er uit blijkt dat je in beide gevallen even weinig last hebt van depressieve symptomen. Maar op het biologische niveau is er wel degelijk een verschil en dat heeft (op den duur) gezondheidseffecten.

Het is natuurlijk ook weer niet zo dat het hedonische geluk slecht voor je is. Want de positieve gezondheidseffecten er van zijn bekend. Maar beter is dus het eudaimonische geluk.

Kortom: voel je je gelukkig? Oké. Prima. Maar is je leven ook wel doelgericht en zinvol? Heb je ook wel waardevolle sociale  relaties? Ben je dagelijks betrokken en geïnteresseerd? Draag je actief bij aan het welzijn van anderen? (Ben je pro-sociaal?) Doe je dingen waarin je kundig en capabel bent? Ben je een goed mens? Ben je optimistisch? Respecteren andere je? Als dat alles zo is, dan zou het kunnen dat je een ietsje minder (hedonisch) gelukkig bent, terwijl dat dan toch beter voor je is. De evolutie heeft ons kennelijk gestuurd in een richting waarin betrokkenheid bij anderen, ontplooiing van onze talenten en het leiden van een zinvol en goed leven bijdragen aan onze gezondheid en overleving. Dat is goed om even bij stil te staan. Update. Zie daarom nu ook het volgende bericht.

Aantekening voor mij zelf: Dit geeft ook een biologische onderbouwing van het onderzoek van Tim Kasser e.a. dat wijst op de positieve gezondheidseffecten van intrinsieke (in plaats van extrinsieke) aspiraties. Zie dit bericht.