Posts tonen met het label statuscompetitie-evenwicht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label statuscompetitie-evenwicht. Alle posts tonen

vrijdag 27 juni 2025

Sociaalwetenschappelijk gezien is het politieke landschap gemakkelijk te begrijpen: het ieder-voor-zich leidt tot een sociaal inferieure toestand

Sociaalwetenschappelijk gezien is de aard van het politieke landschap door de tijden heen altijd de uitkomst van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur die een weg moet zien te vinden in de evolutionair gezien nieuwe sociale omgeving van de democratische nationale staat. Als vooral het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee geactiveerd is, dan is een politieke positie waarin de overheid de verantwoordelijkheid draagt voor dat iedereen-telt-mee de uitkomst. Als daarentegen het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich actief is, dan komt daar een positie uit tevoorschijn waarin de overheid zoveel mogelijk moet terugtreden en ruimte moet maken voor de markt. De eerste positie noemen we links en de tweede noemen we rechts.

Zolang de menselijke sociale natuur niet verandert, en dat is voorlopig niet het geval, en zolang de  democratische overheid bestaat, zullen we met dat politieke landschap te maken hebben. Dat maakt dat door allerlei oorzaken perioden waarin de politiek meer de kant opgaat van het gemeenschapspatroon, dus van politiek links, afgewisseld zullen worden met perioden waarin het statuscompetitiepatroon, dus politiek rechts, domineert. Dat zou een onophoudelijk heen-en-weer kunnen inhouden, maar sociaalwetenschappelijk gezien verwacht je een collectief leerproces waarin wij met zijn allen met vallen en opstaan ontdekken dat de gemeenschapstoestand van het iedereen-telt-mee naar menselijk welzijn superieur is aan de statuscompetitietoestand van het ieder-voor-zich. 

Anders gezegd, sociaalwetenschappelijk gezien is hoop op een beter toekomst gerechtvaardigd. Obama was een eloquent vertolker van dat inzicht: "Hope is that thing inside us that insists, despite all the evidence to the contrary, that something better awaits us if we have the courage to reach for it and to work for it and to fight for it." (in zijn toespraak na zijn overwinning in de voorverkiezing in Iowa, 3 januari 2008). 

Maar nu naar de actualiteit van het politieke landschap. We hebben tientallen jaren achter ons waarin het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich de politiek domineerde. De overheid trad terug en de markt moest het werk doen. De politici en de kiezers geloofden deels dat de markt zou zorgen voor meer welvaart voor iedereen en deels dat zijzelf er beter uit zouden komen. Een gevolg was dat door deregulering de economische instabiliteit toenam, culminerend in de kredietcrisis van 2008-2010. En een gevolg was dat de inkomens- en vermogensongelijkheid toenamen en dat het bestaan voor grote delen van de bevolking onzekerder werd. Het vertrouwen in de politiek nam af en het rechts-extremisme stak de kop op. 

Er ontwikkelde zich een sociaal inferieure toestand. De extreme variant daarvan zien we in de Verenigde Staten, waar een foute leider aan de macht is gekomen, die niet alleen de democratie wil afschaffen, maar ook alle overheidsvoorzieningen die ten dienste staan van het iedereen-telt-mee. Iedereen moet zichzelf maar zien te redden en als dat niet lukt, jammer dan. De exorbitant rijken, het Grote Geld, is aan de macht en sluit zich af van de noden van het gewone volk. Er is alleen nog maar het ieder-voor-zich. De  Republikeinse volksvertegenwoordigster Joni Ernst reageerde op de inschatting dat door de voorgenomen Republikeinse "One Big Beautiful Bill Act" mensen zouden overlijden met "Dood gaan we allemaal". Een andere Republikein, Mitch McConnell, reageerde op de kritiek op de voorgenomen afbraak van het Medicaidprogramma, waar miljoenen kwetsbare Amerikanen van afhankelijk zijn, met  "Daar komen ze wel weer overheen". Illustraties van de wereldvreemdheid waar het ieder-voor-zich aan de top toe leidt. 

Mildere varianten zien we in het Verenigd Koninkrijk en in Duitsland, waar weliswaar de sociaaldemocraten (mede) de regering vormen, maar waar de overheid nog steeds als ondergeschikt wordt gezien aan de markt.

En dan is er ons eigen land. Waar de dominantie van het ieder-voor-zich uitliep op een extreemrechtse regering die uit elkaar is gevallen, waarna we afstevenen op nieuwe verkiezingen. Waar de geringschatting van het belang van de overheid voor het menselijk welzijn "de Nederlandse polycrisis" tot stand heeft gebracht. Tekort aan rechters, te lange wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg, tekort aan huisartsen, de acht jaar kortere levensverwachting van mensen in een lagere sociaaleconomische positie, ernstige personeelstekorten en verouderde computersystemen bij de Belastingdienst, achterstallig onderhoud aan de infrastructuur, sterk opgelopen woningtekort, sterk achterblijvende wetgeving op het gebied van natuur, biodiversiteit en klimaatverandering, de stikstof- en mestcrisis, tekorten in de jeugdzorg, tekortschieten in het verschaffen van een sociaal minimum, de Toeslagenaffaire, de zelf veroorzaakte crisis in de asielopvang, jarenlange onwil om te erkennen dat gaswinning aardbevingen veroorzaakt. 

Een indrukwekkende, en nog onvolledige, lijst van aanwijzingen dat we in een sociaal inferieure toestand zijn terechtgekomen. 

Dit alles kwam weer bij mij op toen ik het bericht in ESB las dat een derde van het huidige woningtekort is veroorzaakt doordat na de kredietcrisis van 2008-2010  de woningbouw instortte: Een derde huidig woningtekort te herleiden naar kredietcrisis. Terwijl er op die financiële crisis juist gereageerd had moeten worden met het aanjagen van de (overheids-)investeringen, kozen de politici er voor om juist te gaan bezuinigen. Denk aan de bezuinigingszeepbel. De overheid moest juist een kopje kleiner gemaakt worden. Nog meer markt, nog minder overheid.

En ik moest denken aan de huidige problemen met die andere collectieve voorziening, het stroomnet. Dat moet opgetuigd worden om in de sterk toegenomen vraag naar en aanbod van elektriciteit te kunnen voorzien. Daar wordt nu hard aan gewerkt, maar het is te laat. Al in 2015 waarschuwde de Algemene Rekenkamer dat het stroomnet zou vastlopen. Maar het beleid stond stil, want ja, de markt diende het werk te doen. In 2022 verzuchtte oud-topambtenaar Bernhard ter Haar dat veel eerder begonnen had moeten worden met de uitbreiding van het stroomnet. Zie De pijn van tien jaar gebrekkige investeringen door de kabinetten-Rutte.

Waarom gebeurde dat niet? 

Weinig mensen kunnen die vraag zo goed beantwoorden als Bernard Ter Haar. Hij draaide tot zijn pensionering, eerder dit jaar, decennialang mee in de bovenste laag van de ambtenarij. Vooral in de afgelopen tien jaar zag hij het bij de rijksoverheid misgaan. Bij veel ministeries verdwenen ambtenaren met kennis van zaken. De overheid die overbleef, moest klein zijn, en efficiënt.

Met die nieuwe missie verslapte de interesse in het aanpakken van grote maatschappelijke problemen. Ter Haar weet nog dat hij in 2010 – hij was in die tijd directeur-generaal Milieu op het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) – leiding gaf aan een nieuw programma om voortaan duurzaam in te kopen, van de kantoormeubels en de printers tot de pennen. „We waren eruit, het was afgestemd, zelfs het bedrijfsleven hadden we meegekregen. Toen kwam het kabinet-Rutte I en dat heeft daar een dikke streep doorheen gezet. Het is helemaal gecanceld. Dit probleem bestaat niet, zei dat kabinet. Nu wordt het weer opnieuw opgetuigd. Dan heb je dus een achterstand van tien jaar.”

Tussen 2011 en nu viel de omvang van de overheidsinvesteringen terug met een kwart – van 4,3 naar 3,1 procent van het bbp. Het gebruikelijke refrein van de kabinetten-Rutte – Rutte trad aan als premier in 2010 – was dat investeren in de eerste jaren helemaal geen mogelijkheid was, omdat er geen geld was. In plaats daarvan werd onder Rutte I en II fors bezuinigd. Zo had het niet gehoeven, zegt econoom Jasper Lukkezen, die doceert aan de Universiteit Utrecht: „We hebben bezuinigd zonder goed naar de toekomst te kijken.”

Die geringschatting van de rol van de overheid, zo kenmerkend voor het ieder-voor-zich in de politiek, leidt onvermijdelijk tot een sociaal inferieure toestand.

dinsdag 21 november 2023

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op GroenLinks-PvdA. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

Op 16 maart 2021 riep ik op om bij de Tweede Kamerverkiezingen de daaropvolgende dag op een linkse partij te stemmen. Ik deed dat met het bericht dat ik hier vrijwel ongewijzigd kan overnemen. Om toen een linkse stem uit te brengen, moest je nog kiezen tussen de PvdA en GroenLinks (of een kleinere linkse partij). Morgen kun je gelukkig op een verenigd GroenLinks-PvdA stemmen, een belangrijke en hoognodige stap op weg naar een grote linkse partij.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen te weer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. 

De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. Dat betekende dat vrijwel alle nationale staten grondwetten invoerden, een in de mensheidsgeschiedenis cruciaal proces dat Wim Voermans beschrijft in zijn nieuwe boek The Story of Constitutions: Discovering the We in Us. En er werden na de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust de internationale mensenrechtenverdragen gesloten. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar november 2023 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen, met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal "economische hervormingen", die het ieder-voor-zich van het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechts-extremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Er was de coronapandemie. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat"

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en doet het nog steeds goed in de peilingen. En extreemrechts profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers. Geert Wilders ruikt zijn laatste kans.

En in de Verenigde Staten wijzen de beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Ook in ons land is het de hoogste tijd voor de wij-maatschappij. 

Dus voor een stem op GroenLinks-PvdA.

donderdag 12 januari 2023

De naargeestigheid van het statuscompetitieve, rechts-extremistische wereldbeeld - toen en nu

In het statuscompetitieve wereldbeeld is de wereld onveilig en vergeven van vijanden. In dat wereldbeeld ben jij of jouw groep of jouw volk pas veilig als jij of jullie onbedreigd aan de top staan van de statushiërarchie. Als alle macht bij "ons" geconcentreerd is en alle "anderen", de "vijanden" machteloos zijn geworden. Of, nog liever, als alle vijanden zouden zijn vernietigd. 

Zolang die vernietiging niet voltooid is, en dat is meestal zo, staat alles in het teken van de strijd, van het je macht laten gelden en het intimideren en vernederen van wat jij als vijanden ziet. Daarbij kun je nooit verslappen, want elk teken daarvan zou de vijand hoop kunnen geven en kunnen aanmoedigen. Alles moet erop gericht zijn om dat te voorkomen.

Als dat wereldbeeld de kans heeft gekregen om zich te verspreiden en door te zetten, dan is er een toestand ontstaan waarin iedereen zich onveilig voelt. De onderdrukten, doordat ze voortdurend geïntimideerd en vernederd worden. Maar ook de onderdrukkers, omdat ze altijd en overal vijanden zien. 

Van een "samenleving" kun je eigenlijk niet meer spreken. De sociaalwetenschappelijke term is: statushiërarchie. In Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen analyseer ik die toestand als een "statuscompetitie-evenwicht". Als je niet beter zou weten, dan zou je niet op het idee komen dat ook het gemeenschapspatroon tot de menselijke sociale natuur behoort.

Dat alles in het teken van de strijd staat, moet heel letterlijk worden genomen. Remmingen, in de zin van wat moreel juist is of van wat waarheid is, ontbreken. Integendeel, in het narcistische, statuscompetitieve wereldbeeld wordt het "zich bevrijd hebben" van de moraal en van de wetenschap gevierd. Het streven naar de ultieme veiligheid van het onderdrukt of zelfs geëlimineerd hebben van de vijanden, mag niets in de weg worden gelegd.

Zeker, het is een naargeestig wereldbeeld en het is een naargeestig beeld als de maatschappij er zo uitziet of die kant lijkt op te drijven. Maar het is precies die naargeestigheid die zich aan je opdringt als je naar vroegere of hedendaagse manifestaties er van kijkt. 

In het nog niet zo verre verleden was er de huiveringwekkende naargeestigheid van nazi-Duitsland en de Holocaust. Waarin het "Jodendom" als vijand was uitgekozen en moest worden geëlimineerd. Waarin werkelijk alles instrumenteel was aan dat einddoel. Met een moreel vacuüm, dat met verering van de Leider, propaganda, wereldvreemde fantasieën en leugens werd opgevuld. 

Tegenwoordig herkennen we een variant van diezelfde naargeestigheid in het statuscompetitieve wereldbeeld van het populistische rechts-extremisme. Waarin "het eigen volk" aan de macht behoort te zijn en waarin dus degenen die het iedereen-telt-mee van de democratie verdedigen de vijanden zijn. Waarin mensenrechtenverdragen behoren te worden opgezegd, want niet iedereen heeft dezelfde rechten. Waarin vluchtelingen en asielzoekers horen te worden geweerd. Waarin "wij", de machtigen en de rijken en de overheersers, ons niet laten dwingen om mee te betalen aan de collectieve voorzieningen en de sociale zekerheid. Waarin de armen en kwetsbaren hun plaats behoren te kennen.

En waarin we "onze" overtuigingen in een culture war aan iedereen moeten kunnen opleggen. Waarin we niet gehinderd mogen worden door morele beperkingen. Dus zelfverrijking en corruptie. 

Noch door de beperkingen van wetenschap en waarheid. Dus de beeldvorming, de samenzweringstheorieën, de desinformatie en de leugens en de klimaatontkenning.

De rechts-extremistische flank van het Nederlandse politieke landschap. De nasty Party van de Conservatieven in Groot-Brittannië. De Republikeinen in de Verenigde Staten. De Bolsonaristas in Brazilië. De AfD en de Reichsbürger in Duitsland. Orbán en zijn aanhangers in Hongarije. En Poetin en de kring om hem heen in Rusland. Een naargeestig tableau.

donderdag 14 juli 2022

De strijd om de democratie houdt nooit op (2) - Over waarom de alleenheerschappij nooit "een alternatief" is voor de democratie

De strijd om de democratie kan bestudeerd worden als een maatschappelijke en politieke uitingsvorm van de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur, zoals vervat in de drie stellingen van de Dual Mode-theorie. (Hier het vorige bericht.

De democratische rechtsstaat is een duidelijke poging om de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee vorm te geven in de instituties van de nationale staat (algemeen kiesrecht, rechtszekerheid, streven naar bestaanszekerheid voor iedereen). Die poging wordt bedreigd door het amorele, statuscompetitieve streven naar overheersing en onderdrukking, naar machtsuitoefening, dat eveneens deel uitmaakt van de menselijke sociale natuur (Stelling 1). 

De strijd tussen die twee, tussen gemeenschap en statuscompetitie, is een ideeënstrijd, ideeën in de zin van wereldbeelden of vooronderstellingen), wordt aangestuurd door de mate van sociale veiligheid die mensen ervaren. En die sociale veiligheid komt meer tot stand, hoe meer mensen zich laten leiden door de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. Hoe meer dat laatste het geval is, hoe minder mensen bevreesd hoeven te zijn voor onderdrukking en overheersing. Want ze kunnen er dan op vertrouwen dat iedereen meetelt, dus ook zijzelf. Andersom, hoe meer mensen de statuscompetitie om zich heen waarnemen, hoe groter de sociale onveiligheid die ze ervaren en hoe meer ze zelf ook overgaan, of over moeten gaan, tot deelname aan de statuscompetitie. Dat laatste oftewel in de vorm van (pogingen tot) overheersing en onderdrukking van anderen (hoge status) oftewel in de vorm van het berusten in het zelf overheerst en onderdrukt worden (lage status). Sociale veiligheid of onveiligheid is dus cruciaal en die verschaffen mensen elkaar door hun gemeenschapsgedrag (sociale veiligheid) of hun statuscompetitiegedrag (sociale onveiligheid). (Stelling 2).

Het grote belang van die strijd om de democratie is er in gelegen dat de democratie staat voor het "gemeenschapsevenwicht", een sociale en maatschappelijke toestand die moreel en naar menselijk welzijn valt te prefereren boven het "statuscompetitie-evenwicht". (Stelling 3.) Die twee "evenwichten" zijn theoretische constructies, in de zin dat we ons van beide een voorstelling kunnen maken, die in de maatschappelijke werkelijkheid meer of minder benaderd kunnen worden. De strijd om de democratie gaat erom het gemeenschapsevenwicht zo goed mogelijk te benaderen. Dat blijft een strijd zolang het statuscompetitiepatroon onderdeel is van de menselijke sociale natuur en dat zal voorlopig nog wel het geval zijn.

Welke inzichten komen naar boven als we met deze drie stellingen in ons hoofd nadenken over de strijd om de democratie? Op die vraag probeer ik in dit en volgende berichten een antwoord te geven.

Een eerste inzicht is dat het niet gaat om een strijd tussen alternatieve staatsvormen die hetzelfde doel proberen te bereiken. Je komt dat idee wel eens tegen, zoals in betogen dat de autocratie of de dictatuur het voordeel zou hebben dat er sneller, efficiënter en succesvoller gereageerd zou kunnen worden op nieuwe uitdagingen. Moeizame en tijdrovende overleggen en compromissen kunnen immers worden vermeden. 

Iets van dat idee klonk door in de woorden van de Amerikaanse president Biden, toen hij verklaarde dat de landen van de G7 zouden bewijzen dat 

a lot of autocracies that are counting on them being able to move more rapidly and successfully in an ever-complicated world than democracies can

het bij het verkeerde eind hebben. Zie het bericht Bij de democratie en de autocratie gaat het niet om alternatieve wegen om hetzelfde doel te bereiken

Dat veronderstelde dat er aan de alleenheerschappij aantrekkelijk zou kunnen zijn dat er sneller en beter beleid tot stand komt. En dat de democratie zich daartegenover zou moeten bewijzen.

Maar een alleenheerschappij is er nooit op uit om het voor de bevolking beste beleid te voeren. Als de alleenheerser dat zou willen, dan zou hij meteen de democratie invoeren, want dan zou hij immers de overtuiging hebben dat iedereen behoort mee te tellen. 

Zolang de alleenheerser dat niet doet, staat hij aan de top van de statushiërarchie en is het zijn enige motivatie om die positie te verdedigen en te blijven bekleden. Om het genot van het kunnen overheersen en onderdrukken, van het uitoefenen van macht over anderen. Daar is alles mee gezegd. Er is geen verder weg gelegen doel en al helemaal geen doel dat met het welzijn van anderen te maken heeft. Zo zit nu eenmaal dat statuscompetitiepatroon dat hem doet handelen, in elkaar. 

Vandaar dat die alleenheersers, of zij die alleenheerschappij nastreven, nooit in hun nederlaag kunnen berusten. Vandaar het gedrag van Hitler. Van Donald Trump. Van Boris Johnson. En het gedrag dat we van Vladimir Poetin kunnen verwachten als zijn nederlaag in zicht komt.

maandag 26 april 2021

Neoliberalisme is via toenemende ongelijkheid een bedreiging voor de democratie - In de VS. In het UK. En in Nederland?

Bericht voor degenen die dit blog via email abonnement volgen (Follow by email): als ik het goed begrijp wordt deze mogelijkheid in juli opgeheven. Ik kan daar helaas niets aan veranderen. Probeer een andere manier te vinden om dit blog te blijven volgen.

Het neoliberalisme als politiek-ideologische toespitsing van het moreel luchtledige vak economie, waar we de afgelopen decennia zo onder geleden hebben, heeft geen problemen met grote ongelijkheid. Sterker, de ongelijkheid die er is, is altijd een uitkomst van de werking van de markt en is dus altijd precies de juiste verdeling. Iedereen krijgt wat hij "verdient". En de rijken verdienen hun rijkdom omdat ze zo goed tegemoetkomen aan 'de wensen van de markt". Bovendien is er de neoliberale mythe dat die rijkdom uiteindelijk iedereen ten goede zou komen (trickle-down).

Tot dat oordeel kom je doordat je de morele noties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid niet kent of als niet van toepassing hebt verklaard. Ze gelden niet en horen niet te gelden, want ze zouden de juiste werking van de markt belemmeren. En die juiste werking is noodzakelijk want de markt wordt geacht de enige bron van welvaart te zijn.

Maar de geschiedenis, juist ook de recente, heeft ons gewezen op de vele negatieve gevolgen van grote ongelijkheid, die bovendien een zichzelf versterkend proces in werking stellen. Waardoor toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces dreigt te worden (linkt naar een bericht uit 2014).

Een en ander wijst erop dat de markt niet neutraal is tussen gemeenschap en statuscompetitie. Als je de morele gemeenschapsintuïties buitenspel zet, dus het gemeenschapsevenwicht welbewust verlaat, dan blijf je niet ergens halverwege hangen, maar schiet je meteen door naar het statuscompetitie-evenwicht. (Ga voor die evenwichten even weer naar Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.)

Dat houdt onder meer ook in dat grote ongelijkheid een bedreiging is voor de democratie. Want de democratie is immers de hedendaagse vormgeving van onze morele gemeenschapsintuïties op het niveau van de nationale staat. En het houdt in dat de democratie zich in de loop van de vorige eeuw in veel landen doorzette, terwijl het moreel luchtledige vak economie, dat die neutraliteit van de markt als vanzelfsprekend aannam, aan de zijlijn toekeek. Het vak economie kan niet goed uit de voeten met de democratie, anders dan dat het daar altijd alleen maar zou draaien om ieders eigenbelang. 

Al met al komt dit er op neer dat het neoliberalisme, via die tolerantie voor, ja, zelfs omarming van, toenemende ongelijkheid, een bedreiging vormt voor de democratie. Simon Wren-Lewis boog zich daarover vorige week in Why neoliberalism’s evolution into a populist plutocracy was inevitable. Boeiend. Lezen! Conclusie:

To summarise, neoliberalism in the US and UK was bound to lead to plutocratic populism, because it promoted growing inequality at the top, drastically reduced the power of trade unions, deregulated the media, and adopted culture war politics. These create the conditions in which populists acting in the interests of private money can take over the main party of the right.

Zou het zo zijn dat een soortgelijk proces zich onder onze ogen ook in Nederland voltrekt? 

dinsdag 16 maart 2021

Het is tijd voor wij-met-zijn-allen, dus voor een stem op een linkse partij. Een historische en sociaalwetenschappelijke blik op de verkiezingen

De Tweede Kamerverkiezingen zijn begonnen. Vandaag en woensdag kan er nog gestemd worden. Zeventigjarigen en ouder konden al per post stemmen. Dat gold ook voor mij, maar ik ben niet kwetsbaar en zal woensdag in persoon mijn stem uitbrengen. Dat zal op een linkse partij zijn en hieronder leg ik uit waarom.

Laten we eens naar deze verkiezingen kijken met een historische blik. Dus met een blik die je op dit blog vaker bent tegengekomen. Zoals in de reeks berichten over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. En met een sociaalwetenschappelijke blik van een vak sociologie dat ertoe doet, dus een vak toegerust met een realistisch normatief kader. 

Wat die historische blik betreft, bevinden we ons nu in een tijdvak van de mensheidsgeschiedenis waarin zich de strijd afspeelt om onze oeroude morele gemeenschapsintuïties vorm te geven in de instituties van de democratie en de mensenrechten. De morele intuïties dus van iedereen telt mee, zorg voor elkaar, samenwerking en rechtvaardigheid. Het vorm geven aan die intuïties slaagt beter als mensen zich veilig voelen en tegelijk voelen mensen zich veiliger hoe meer die vormgeving succesvol is.

De tegenstand in die strijd komt van de evenzeer oeroude menselijke neiging tot statuscompetitie. Die neiging wordt aangejaagd als mensen zich onveilig voelen. In een onveilige wereld heb je van anderen niets goeds te verwachten en moet je dus voor jezelf opkomen en jezelf verdedigen. Met een hoge status, dus als je rijk en machtig bent, ben je bevreesd dat minder gelukkigen hun blik laten vallen op jouw rijkdommen en stel je dus alles in het werk om hen daarvan te weerhouden door onderdrukking en overheersing. Behoor je tot die minder gelukkigen, dan stel je je daartegen teweer en als dat uitzichtloos lijkt, berust je in je lot, gedraag je je onderdanig en probeer je er nog het beste van te maken. Er heerst de ongelijkheid van de statushiërarchie en iedereen voelt zich onveilig.

In de mensheidsgeschiedenis was die strijd tussen deze twee, dus tussen gemeenschap en statuscompetitie, voor verreweg het grootste deel van de tijd beslist in het voordeel van gemeenschap. Dat was in het jagers-verzamelaarstijdperk, toen we voor onze overleving en reproductie afhankelijk waren van samenwerken en delen. Gemeenschap was noodzakelijk en moest dus gepaard gaan met onderdrukking van de neiging tot statuscompetitie. 

Na de overgang naar landbouw, zo'n acht- tot tienduizend jaar geleden, werd dat laatste bemoeilijkt door de introductie van eigendom. Opties dienden zich aan om ook zonder mee te doen met het samenwerken en delen toch te overleven, ja, zelfs rijkdommen te verwerven. Dus brak de statuscompetitie door. Met ongelijkheid tussen arm en rijk, machthebbers en machtelozen, mannen en vrouwen. De morele gemeenschapsintuïties konden zich nog maar beperkt doen gelden. Ze werden teruggedrongen tot pockets van onderlinge afhankelijkheid en persoonlijke, langdurige relaties, zoals in die gevallen van zelforganisatie die door Elinor Ostrom bestudeerd werden. En in de zogenaamde standenmaatschappijen kon de ongelijkheid getemperd worden als de relaties langdurig waren. Hogere standen konden dan een morele verplichting voelen om hun ondergeschikten bij te staan. Ik moet daarbij steeds denken aan die boer waar Chris van Esterik over vertelt.

Pas recent in de geschiedenis, zeg de laatste twee eeuwen, krijgen de morele gemeenschapsintuïties weer meer kansen. Met de Industriële Revolutie nam de macht van de arbeid toe en werd de onderlinge afhankelijkheid grootschaliger. Waardoor nationale staten belangrijker werden, ja, zelfs internationale samenwerking. Met als gevolg de emancipatie van eerst de burgerij, toen de arbeid en tenslotte de vrouwen. Slavernij en apartheid werden afgeschaft. Er kwam stapsgewijs algemeen kiesrecht en dus democratie. En er kwamen de internationale mensenrechtenverdragen. 

Sociaalwetenschappelijk gezien is daarmee de historische strijd geschilderd tussen de twee "evenwichtstoestanden" waar een groep of maatschappij in terecht kan komen. Evenwichten in de zin dat als een van die twee toestanden eenmaal bestaat, er maar moeilijk weer van binnen uit aan ontsnapt kan worden. En er zijn dus de vele sociaalwetenschappelijk aanwijzingen dat het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en in moreel opzicht te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht. Wat in de politieke praktijk betekent dat elke beweging in de richting van meer gemeenschap toegejuicht behoort te worden. Dus meer gelijkheid en meer bestaanszekerheid voor iedereen. Meer nadruk op sociale hervormingen en minder op economische hervormingen. Een grotere rol voor wij-met-zijn-allen, dus voor de overheid, en een kleinere rol voor ieder-voor-zich, dus voor de ongereguleerde markt. Denk aan Een sociologie die ertoe doet. Een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Oké, nu terug naar 2021 en de verkiezingen. Minder ver terug in de geschiedenis hebben we tientallen jaren neoliberaal beleid achter de rug. Dus van beleid van minder wij-met-zijn-allen en meer van ieder-voor-zich. In politieke termen: minder overheid en meer gedereguleerde markt. Afbraak van de verzorgingsstaat, toename van bestaansonzekerheid voor velen. met een toename van inkomens-, maar vooral van vermogensongelijkheid. Voedselbanken werden normaal. Een dak boven je hoofd werd aan de markt overgelaten, dus meer daklozen. Arbeidsmarkt gedereguleerd, dus meer onzekerheid. Doelstelling van volledige werkgelegenheid ingeruild voor versobering van uitkeringen. Tegenprestatie in de bijstand. Werkloos? Dan heb je je looneisen nog niet genoeg naar beneden bijgesteld. Stagnatie van de lonen. Armoede, niet allen bij uitkeringstrekkers, maar ook bij werkenden. Publieke voorzieningen gedecentraliseerd en uitgekleed. Gemeentebudgetten afgeknepen. Getreuzeld met de hoognodige maatregelen om de klimaatverandering af te wenden.

Allemaal economische hervormingen, die het statuscompetitie-evenwicht aanzienlijk dichterbij brachten. Minder mededogen met de zwakkeren en kwetsbaren. Anti-immigranten- en vluchtelingensentiment. Toenemend rechtsextremisme. Ontkenning van wetenschappelijke inzichten.

Nu lijken we tot inkeer te komen. Er was al de Grote Financiële Crisis van 2008-2010. Nu hebben we de coronapandemie, met het vooruitzicht dat terug naar normaal er niet inzit. De rampzalige gevolgen van de klimaatverandering dienen zich aan. We krijgen door dat er iets heel erg is misgegaan. De overheid moet terug.

We moeten weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Met het oog op ons aller welzijn. En omdat het in moreel opzicht de juiste weg is.

Het is de weg die we na de Tweede Wereldoorlog met overtuiging hadden ingeslagen. Toen we de lessen hadden geleerd van de economische crisis van de jaren dertig, van de New Deal in de Verenigde Staten, van de bezuinigingspolitiek in Duitsland die Hitler aan de macht bracht, van de daaropvolgende Holocaust.

Toen we, met John Maynard Keynes, inzagen dat een economie zonder een grote sturende rol van de overheid niet goed voor iedereen kan werken. De tijd dus van "de gemeenschap, georganiseerd in de staat"

Maar ook de tijd waarin de  tegenstand zich al begon te organiseren. Er zijn altijd de rijken en de machtigen die denken dat ze in de statushiërarchie van het ieder-voor-zich beter af zijn dan in het wij-met-zijn-allen. Die backlash wordt voor de Verenigde Staten fraai beschreven in hoofdstuk 13 (The Aristocracy Strikes Back) van The Price of Peace. Money, Democracy, and the Life of John Maynard Keynes van Zachary D. Carter. 

Dat is de tragiek van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie: hoewel gemeenschap naar welzijn en morele maatstaven beter is, zijn er altijd degenen die niet bestand zijn tegen de verlokkingen van status, macht en rijkdom in een ongelijke statushiërarchie. Als je het eenmaal (veel) beter hebt dan anderen, dan is het moeilijk om je voor te stellen dat er een toestand zou kunnen bestaan, het wij-met-zijn-allen, die voor iedereen beter is. Dat is precies de moeilijkheid die mensen aan de top immoreel doet handelen en waardoor ze het zo moeilijk hebben met de democratie, de institutionalisering van het wij-met-zijn-allen. Denk aan de Republikeinen in de Verenigde Staten, die verkiezingen alleen dan eerlijk vinden als die in hun voordeel worden beslist.

Die backlash was uiteindelijk succesvol met het rond 1980 aan de macht komen van Ronald Reagan (de overheid is niet de oplossing, maar het probleem) en Margaret Thatcher (er bestaat niet zoiets als de maatschappij). En met het begin van dat neoliberale tijdperk, waar we nu misschien het einde van meemaken. In het Nederlandse politieke speelveld is er een ruk naar links vergeleken met vier jaar geleden, maar dat geldt vooral voor linkse en middenpartijen. Maar uitgerekend de neoliberale VVD werd na de Grote Financiële Crisis, tegen alle logica in, de grootste partij en heerst nu in de peilingen. En extreemrechts (PVV en FvD) profiteert van de door de neoliberale politiek gecreëerde bestaansonzekerheid onder de kiezers.

En in de Verenigde Staten wijzen de eerste beleidsdaden van de Democratische regering-Biden wel heel duidelijk op een afrekening met het neoliberale tijdperk, dat culmineerde in het Trumpisme, en een terugkeer naar de ideeën van de Keynesiaanse New Deal. Jennifer Rubin schreef daarover gisteren in de Washington Post, met een verwijzing naar het nieuwe boek van Robert Putnam, met deze eerste twee alinea's:

America has the capacity to reorient itself in a way that emphasizes community, shared national purpose and inclusion. That’s according to political scientist Robert Putnam, who in his latest book, “The Upswing: How America Came Together a Century Ago and How We Can Do It Again," draws lessons from the a 125-year period of U.S. history spanning from the Gilded Age (characterized by polarization and self-centeredness) to the extended Progressive Era (characterized by diminished polarization and greater concern for the common good) to the post-1960s, which saw the rise again of polarization and self-centeredness.

Putnam dubs this “I-We-I” phenomenon. As he argued in a recent interview with Salon, “America may once again pivot toward a ‘we’ society — more equal, less polarized, more altruistic, less socially fragmented and more attentive to historic, structural inequalities.” In that case, President Biden is the right leader for a potential hinge moment. “Biden is proving to be just what the doctor ordered for a shaken country, focused explicitly on ‘we,’ not ‘I,’” Putnam said. "It’s not just his well-known empathy for people in pain, nor his equally well-known propensity to work across the aisle, but also his ability to adapt to changed political circumstances.”

Amerika is toch weer een voorbeeld. Het is tijd voor wij-met-zijn-allen. Dus voor een stem op een linkse partij. Update. Welke? Kijk maar. Het zou veel beter zijn als je niet hoefde te kiezen en er een grote linkse partij was.

donderdag 25 februari 2021

Het gemeenschapswereldbeeld en het statuscompetitiewereldbeeld in de politiek - Over Biden-stemmers en Trump-stemmers

Alle dieren, dus ook mensen, zijn er op geselecteerd om goed te kunnen onderscheiden tussen een veilige en een onveilige omgeving. Veilig in de zin van gunstig voor overleving en reproductie. En om adequaat te reageren. 

Voor de mens als groepsdier geldt dat sociale veiligheid belangrijk is. Als je deel uitmaakt van een groep van vertrouwde anderen, die elkaar accepteren, ondersteunen en bijstaan, dan verkeer je in een sociaal veilige omgeving. Een omgeving die gekenmerkt wordt door gemeenschapsgedrag over en weer.

Maar als de mensen om je heen niet vertrouwd zijn en dus misschien niet te vertrouwen, dan moet je op je hoede zijn. Want er dreigt statuscompetitie of die is er al. Iedereen streeft dan naar een ander soort "veiligheid", namelijk de veiligheid die ontstaat door zo hoog mogelijk in de statushiërarchie terecht te komen. Of als dat niet lukt, je te schikken in een onderdanige positie en je overheersers gerust te stellen dat je geen bedreiging voor hen bent. 

We zagen alle aanwijzingen dat die toestand van sociale veiligheid in alle opzichten te prefereren valt. Maar we leven in een maatschappij waarin ook de sociale onveiligheid van de statuscompetitie en de statushiërarchie ruim voorhanden is. 

Dat betekent dat je mensen kunt onderscheiden naar de mate waarin ze sociale veiligheid dan wel onveiligheid om hen heen waarnemen. Waarbij we moeten bedenken dat die waarnemingen meer of minder met de werkelijkheid kunnen overeenkomen. We leven in een ingewikkelde wereld, waarover we altijd maar beperkt zijn geïnformeerd.

Ook zagen we al dat mensen die meer neigen naar rechtsextremistische politieke opvattingen, meer sociale onveiligheid waarnemen. Ze hebben meer een beeld van de wereld als gevaarlijk en als een strijdtoneel. Blijkend uit hun hogere scores op zowel de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO) als het Right-Wing Authoritarianism (RWA). Zie De twee wereldbeelden van het rechts-extremisme: de wereld is gevaarlijk en/of de wereld is een amorele jungle. Die wereldbeelden maken dat rechtsextremisten "veiligheid" proberen te vinden in het overheersen van andere groepen die ze als bedreigend ervaren en in het steunen van autoritaire leiders die hen voorhouden dat alleen zij hen kunnen beschermen.

Die wereldbeelden van veiligheid en onveiligheid komen ook naar voren uit een opiniepeiling van The Economist onder Amerikaanse kiezers, waar Philip Bump in de Washington Post aandacht aan besteedt: A new poll result reveals sharp pessimism on America’s political right. De onderzoekers vroegen mensen welke van de twee volgende opties dichterbij bij hun eigen opvatting stond:

  • Our lives are threatened by terrorists, criminals, and illegal immigrants and our priority should be to protect ourselves.
  • It’s a big, beautiful world, mostly full of good people, and we must find a way to embrace each other and not allow ourselves to become isolated.
De eerste optie is duidelijk die van het rechtsextremistische wereldbeeld van gevaar en strijd. Als iedereen die optie zou kiezen, dan kun je wel zeggen dat we in het statuscompetitie-evenwicht zouden verkeren. De tweede optie daarentegen zou staan voor het gemeenschapsevenwicht als iedereen hem zou onderschrijven.

In het plaatje zie je hoe de antwoorden verdeeld waren over het Amerikaanse politieke landschap. De oranje balkjes staan voor de percentages die kozen voor optie 1 en de grijze balkjes voor de percentages voor optie 2. 

Over het geheel genomen koos 49 procent voor optie 2 en 34 procent voor optie 1. De rest koos voor "Weet niet". In de Verenigde Staten hangen duidelijk meer mensen het gemeenschapswereldbeeld aan dan het statuscompetitiewereldbeeld.

Maar kijk nu naar het grote verschil tussen de Biden-stemmers en de Trump-stemmers. Slechts 11 procent van de Biden-stemmers koos voor optie 1, tegen 66 procent van de Trump-stemmers. Dat is in lijn met, maar extremer, dan de verdelingen over de Republikeinen en de Democraten.

Zie PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme voor onderzoek uit 2014 dat liet zien dat in Nederland PVV-stemmers een statuscompetitief wereldbeeld hebben, blijkend uit hun hogere scores op de Sociale Dominantie Oriëntatie.

vrijdag 29 januari 2021

Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Hoe moeten we aankijken tegen het presidentschap van Joe Biden? Hoe moeten we beoordelen dat de Amerikaanse kiezers al na één termijn genoeg hadden van zijn voorganger? En wat vertellen ons de eerste beleidsdaden van de nieuwe president?

Ik stond daar bij stil in het bericht In de Verenigde Staten maken we een beweging mee in de richting van het gemeenschapsevenwicht - en over de rol van de media van ruim een week geleden, een dag na de inauguratie van Biden. Met als teneur dat je deze presidentswisseling kunt zien als een beweging op het niveau van de nationale staat in de richting van het gemeenschapsevenwicht en weg van het statuscompetitie-evenwicht. Dus in de richting van een politiek waarin iedereen meetelt en de overheid een schild is voor de zwakkeren en weg van de neoliberale politiek van ieder voor zich en juist vernedering van de zwakkeren. Voor wie nog niet bekend is met die twee evenwichten, lees Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Het presidentschap van Bidens voorganger, waarvan we de naam maar liever zo weinig mogelijk nog tegenkomen, was duidelijk de culminatie van een periode van een politiek van statuscompetitie. Denk aan de exorbitante belastingverlaging voor de rijken, aan de negatieve bejegening van minderheden, aan het wegnemen van de bescherming van de zwakkeren en aan het inruilen van democratische verantwoordelijkheidslijnen door de persoonlijke loyaliteiten van een statushiërarchie. En denk aan het uittreden uit internationale samenwerkingsverbanden. Als er al een beleid te onderkennen was, dan was het dat van het vrij baan geven aan het iedereen-zoekt-het-zelf-maar-uit van de statuscompetitie. Rijken zijn rijk door verdienste en armen en zieken hebben het er zelf naar gemaakt. En de president bekleedt niet een functie, maar staat aan het hoofd van een statushiërarchie. Aan die positie kan door verkiezingen niet getornd worden, dus kan een ongunstige verkiezingsuitslag nimmer erkend worden.

Daarentegen kunnen we aan de eerste beleidsdaden van president Biden duidelijk een beweging richting het gemeenschapsevenwicht onderkennen. Hij neemt wel de coronapandemie serieus, terwijl Trump die aanvankelijk ontkende en verder op zijn beloop liep, met veel onnodige besmetting en sterfgevallen tot gevolg. Hij beëindigde de bouw van de muur aan de Mexicaanse grens, bedoeld om immigranten tegen te houden, en wil een nieuw en ruimer immigratiebeleid. Hij beëindigde het verbod op inreizen uit moslimlanden en trad weer toe tot het Klimaatakkoord van Parijs en de Wereldgezondheidsorganisatie. Hij schrapte de uitsluiting van transgenders uit het leger, breidde de voedselhulp uit en begon met het beëindigen van de private gevangenissen. Hij breidde de toegankelijkheid tot de collectieve ziektekostenverzekering (Obamacare) uit, daarmee een maatregel van zijn voorganger terugdraaiend. En hij kondigde aan de klimaatcrisis als hoogste prioriteit te gaan behandelen en een echt begin te maken met de verbetering van de sterk verouderde Amerikaanse infrastructuur. De Amerikaanse overheid is terug.

Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Dat staat natuurlijk nog te bezien. Maar ik ben niet de enige die zich dit afvraagt. In haar column gisteren in de New York Times noemt Michelle Goldberg de Biden-regering het eerste post-Reagan presidentschap. Met een verwijzing naar de theorie van de political time van de Amerikaanse politieke historicus Stephen Skowronek. Volgens Skowronek zijn er in het Amerikaanse presidentschap 40- tot 60-jarige cycli of regimes te onderkennen, die elk beginnen met een transformerende president die voor zijn opvolgers het speelveld van wat politiek mogelijk is omgrenst. 

Franklin Delano Roosevelt was zo'n figuur, de grondlegger van de principes van de New Deal, waar zowel de Democraten als de Republikeinen zich achter schaarden. Dat was de politieke tijd van de opbouw van de verzorgingsstaat, van de "gemeenschap georganiseerd in de staat". Aan die politieke tijd kwam met de verkiezingsoverwinning van de Republikein Ronald Reagan in 1981 een eind. Het nieuwe politieke speelveld werd afgebakend met het adagium van de overheid als probleem in plaats van als oplossing. De neoliberale periode van de kleine overheid en zoveel mogelijk marktwerking nam een aanvang. Zelfs de democratische presidenten Bill Clinton en Barack Obama gingen daarin mee, de een meer, de ander minder, met hun beduchtheid voor overheidsschulden, voor inflatie en voor alles wat riekte naar Big Government.

Een vrijwel parallelle ontwikkeling begon in 1982 in Nederland met het eerste kabinet-Lubbers. En wie weet, zien we na de verkiezingen op 17 maart, als ze doorgaan, in Nederland een kabinet geformeerd worden dat net als Joe Biden in Amerika voor de komende 40- tot 60 jaar een politiek speelveld creëert waarin de overheid terug is. Waarin weer de gemeenschap is georganiseerd in de staat.

Hoe zou het komen, als het zo is, dat er in de politiek zulke cycli of regimes zijn te onderkennen? Dat moet wel te maken hebben met het verschijnsel van de sociale zeepbelvorming. We hebben in het publieke domein van de politiek nu eenmaal te maken met een groot gebrek aan informatie. Ook als iedereen gemotiveerd is door de democratische waarde van het vinden van het beste beleid voor iedereen, wat geenszins gegarandeerd is, dan nog is er altijd te weinig informatie beschikbaar om te kunnen bepalen wat dat beste beleid is.

En zulke informatietekorten zijn de voedingsbodem voor sociale zeepbellen. De meningen verschillen, maar sommigen zijn meer overtuigd van zichzelf dan anderen. Door die overtuigingskracht, die inhoudelijk niet veel hoeft voor te stellen, vergroot zo iemand zijn aanhang, wat voor anderen weer een signaal vormt: zoveel mensen zullen het wel niet verkeerd hebben. Sociale beïnvloeding doet zijn werk. Zie, uit 2013, het bericht Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen?

In dat proces speelt natuurlijk mee dat elk politiek speelveld dat door sociale zeepbelvorming tot stand komt, na verloop van tijd met de maatschappelijke werkelijkheid geconfronteerd wordt. Het is vanuit een toestand van informatietekort ontstaan en door het in werking te stellen, door de omschreven politiek in beleid om te zetten, wordt natuurlijk die informatie ras aangevuld. Politici en kiezers ondervinden de echte gevolgen van het uitgevoerde beleid. Die ondervindingen stapelen zich op en, zo vermoedt Stephen Skowronek, na zo'n 40 tot 60 jaar komt die "politieke tijd" aan zijn eind en breekt er een nieuwe aan.

Wat je natuurlijk hoopt is dat we niet na elke cyclus weer van voren af aan beginnen. Als het goed is wordt er over een reeks van cycli het een en ander geleerd. Zodat de grote historische lijn er een is van een vallen-en-opstaan beweging richting het gemeenschapsevenwicht.

donderdag 21 januari 2021

In de Verenigde Staten maken we een beweging mee in de richting van het gemeenschapsevenwicht - en over de rol van de media

De strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie is fundamenteel aan de menselijke sociale natuur. Hij zit in ieder mens, zij het dat de een bij voorbaat meer geneigd is tot gemeenschapsgedrag en de ander meer tot statuscompetitiegedrag. 

Dat maakt dat je diezelfde strijd ook altijd kunt waarnemen als mensen met elkaar te maken hebben. Als dat laatste zo is, dan kunnen mensen door gemeenschapsgedrag elkaar de sociale veiligheid verschaffen die datzelfde gemeenschapsgedrag weer bevordert. Net zo kunnen ze door statuscompetitiegedrag voor elkaar de sociale onveiligheid creëren die datzelfde statuscompetitiegedrag oproept.

Dat maakt dat je op alle samenlevingsniveau's, van kleine groep tot wereldbevolking, bewegingen zult kunnen verwachten in de richting van oftewel het gemeenschapsevenwicht oftewel het statuscompetitie-evenwicht. Bewegingen die afhankelijk zijn van informatie die mensen krijgen over het gedrag van anderen. En dat informatieprobleem wordt serieuzer naar mate de groep groter is. Dan is de informatie overwegend slechts indirect beschikbaar, namelijk via de media die erover berichten.

Dit is natuurlijk in sociaalwetenschappelijke taal, en dus onvermijdelijk enigszins abstract, gesteld. Maar lees Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor meer uitleg en, niet te vergeten, empirische onderbouwing. Als je een keer met de blik van de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie kijkt naar mensen, groepen en samenlevingen, dan komen er welhaast dagelijks zaken voorbij die je er mee kunt analyseren, en vaak beter begrijpen.

Neem wat er zich dezer dagen afspeelt in de Verenigde Staten. Gisteren kwam er met de inauguratie van Joe Biden en Kamala Harris tot president en vice-president een einde aan het presidentschap van Donald Trump. Er valt wel heel veel voor te zeggen dat we hier een beweging meemaken in de richting van het gemeenschapsevenwicht. Een verheugende beweging, want we zagen immers dat het gemeenschapsevenwicht valt te prefereren boven het statuscompetitie-evenwicht.

Dat het presidentschap van Donald Trump, tot nagenoeg de laatste dag ondersteund door de Republikeinse partij, gepaard ging met in allerlei opzichten een beweging richting het statuscompetitie-evenwicht, valt gemakkelijk in te zien. Neem alleen maar zijn belangrijkste binnenlandse beleidsdaad, de sterke verlaging van de belastingen voor de allerrijkste Amerikanen. Precies passend in de statuscompetitievisie dat de rijken niet mag worden "afgepakt" wat ze "eerlijk" verdiend hebben en dat de armen aan hun lot dienen te worden overgelaten. Lees ook nog eens Paul Krugman over Trumps war on the poor.

Neem zijn zacht gezegd ongemakkelijke omgang met de democratie, blijkend uit zijn pogingen om zijn regering samen te stellen op basis van persoonlijke loyaliteiten in plaats van op deskundigheid en democratische verantwoording. Waardoor het bewind-Trump meer het karakter had van de statushiërarchie van de maffia dan van een democratische regering. En natuurlijk blijkend uit zijn weigering, tegen alle voldongen feiten in, om de uitslag van de verkiezingen te erkennen en mee te werken aan een vreedzame overdracht. Sterker, denk aan zijn poging om zijn achterban ertoe aan te zetten om het Capitool te bestormen en zo de bekrachtiging van de verkiezingsuitslag gewelddadig te beletten.

Of neem zijn buitenlandse "politiek", die er op gericht was om wat er tot stand was gekomen van een wereldgemeenschap van nationale staten, zoveel mogelijk af te breken. Door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) te verlaten en zich terug te trekken uit het Klimaatakkoord van Parijs. En door zijn oor zoveel mogelijk te luisteren te leggen bij Vladimir Poetin, de president van Rusland, die binnenlands een statushiërarchie van oligarchen heeft gevestigd en het ook niet meer tot zijn ambities lijkt te rekenen om een verantwoordelijke rol te spelen in de wereldgemeenschap.

En neem tenslotte zijn wel heel zacht gezegd ongemakkelijke omgang met de waarheid. Ik stond al eens bij dat opvallende gedrag: Liegen doen we allemaal. Maar Trump! Narcisme is nu eenmaal de meest extreme vorm van statuscompetitie, waarin ondergeschiktheid aan zoiets als waarheid geen rol kan spelen. Lees daarover nu ook Bas Blokker: De president die de waarheid irrelevant maakte:

In de 1.455 dagen van zijn presidentschap heeft Trump volgens de factcheckers van The Washington Post 30.529 onware of misleidende uitspraken gedaan, gemiddeld ruim 21 per dag.

Waarbij al dat liegen tot gevolg had dat nu een flink deel van de Amerikaanse bevolking, de Trump-aanhangers, in een parallel universum leven. Een gevaarlijke toestand. 

Bij dat alles, en veel meer, vergeleken zijn de eerste dagen, ja, uren, van het presidentschap van Joe Biden een verademing. Hij is meteen begonnen een serie typische Trump-maatregelen terug te draaien. Hij neemt wèl de verantwoordelijkheid om op federaal niveau de coronapandemie aan te pakken, de pandemie die Trump als een hoax bleef betitelen en die de staten maar moesten oplossen. Lees zijn inaugurele toespraak: Mijn hele ziel ligt hierin: ons volk en ons land herenigen, en stel vast dat hier een gemeenschapsvisie op de democratie onder woorden wordt gebracht.

Kortom, de nationale, ja, internationale, nachtmerrie is over. Blijft natuurlijk de grote vraag hoe dit heeft kunnen gebeuren. Daar zal en moet nog heel veel over worden nagedacht en onderzocht. Maar nu al is duidelijk dat de media een grote rol spelen als het op landelijk niveau gaat over de strijd tussen gemeenschap en statuscompetitie. Want die kunnen een dynamiek in gang zetten die oftewel een beweging in de richting van statuscompetitie oftewel in de richting van gemeenschap teweegbrengt. Wat de opkomst van Trump in de Verenigde Staten betreft, en die van extreemrecht in Nederland, hebben de media een grote verantwoordelijkheid. Voor de Verenigde Staten schreef Karen Attiah daar gisteren over in de Washington Post: The media had a role to play in the rise of Trump. It’s time to hold ourselves accountable. 

maandag 21 december 2020

De Toeslagenaffaire is waar de statuscompetitiecultuur van vernedering in is geculmineerd

Met de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaat ("De gemeenschap, georganiseerd in de staat ...") zetten we als samenleving grote stappen in de richting van het gemeenschapsevenwicht. De morele gemeenschapsintuïties werden geïnstitutionaliseerd in wetten omtrent sociale zekerheid, volkshuisvesting, onderwijs, inkomensverschillen en werkgelegenheid. 

Die ontwikkeling stagneerde zo rond 1975 met de opkomst van het vulgair-economische, neoliberale denken in de politiek. De morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee, zorg voor elkaar en rechtvaardigheid werden ingeruild voor het ene morele primaat van vrijwilligheid. Waarmee de markt naar voren werd geschoven als welhaast exclusieve bron van alles wat wenselijk is. 

Niet alleen moest marktwerking zoveel mogelijk worden bevorderd, ook moest de overheid worden teruggedrongen. De sociale zekerheid en sociale voorzieningen moesten versoberd, de inkomensverschillen moesten aan de markt worden overgelaten en werkloosheid moest geaccepteerd worden als middel om de lonen laag te houden en de winsten te laten stijgen. De markt moest zorgen voor voldoende woningen. En in het onderwijs moest het profijtbeginsel worden geïntroduceerd.

Dat alles met de gevolgen die we nu zo goed op ons netvlies hebben. Toegenomen ongelijkheid, stagnerende economische groei, aandeelhouderskapitalisme, economische instabiliteit, toegenomen bestaansonzekerheid. En daardoor politieke instabiliteit, in de vorm van de opkomst van rechtsextremistisch populisme.

Een ontwikkeling die ons overduidelijk heeft weggeleid van het gemeenschapsevenwicht en die dus het statuscompetitie-evenwicht dichterbij heeft gebracht. Denk aan dit bericht uit 2017: We maken een tijd mee waarin het statuscompetitiepatroon gaat overheersen in het publieke domein

Statuscompetitie heeft zoals we zagen een veelheid aan verschijningsvormen. Een daarvan is dat er door de toegenomen ongelijkheid een onderlaag ontstaat van kwetsbaren. De werkende armen, de uitkeringstrekkers, degenen die zijn aangewezen op steun, terwijl die steun van overheidswege is teruggebracht tot het hoogstnoodzakelijke of minder dan dat. Het bestaan van zo'n onderlaag is de bron van machtsongelijkheid. 

Want als je kwetsbaar bent, ben je afhankelijk van anderen, die macht over jou hebben. Die als onderdeel van dat statuscompetitiepatroon geen mededogen hebben, maar integendeel jouw precaire positie toeschrijven aan jouw eigen falen. Waardoor het juist verkeerd zou zijn om jou de helpende hand toe te steken, want daardoor zou je maar afhankelijk worden. Je moet je erbij neerleggen dat er op je wordt neergekeken. De voorwaarden zijn aanwezig voor een oorlog tegen de armen en de kwetsbaren en een cultuur van vernedering.

Als je onzeker werk hebt, met weinig bescherming, dan kan het zijn dat je je vernederende beoordelingen moet laten welgevallen. Als je tot armoede bent vervallen, kan het zijn dat je op de daklozenopvang en op de voedselbank raakt aangewezen. Het is natuurlijk mooi dat die er zijn, maar de afhankelijkheid ervan is vernederend en dus niet in overeenstemming met onze morele gemeenschapsintuïties. Net zo is het vernederend dat er een "tegenprestatie" van je verwacht kan worden als je op bijstand raakt aangewezen. En dat je er mee te maken kunt krijgen dat de Belastingdienst je onder het bestaansminimum duwt door bij loonbeslag (als je schulden hebt gemaakt) geen rekening te houden met de beslagvrije voet. Of dat de uitkeringsinstantie je hoge boetes oplegt als je duidelijk niet verwijtbaar tekort bent geschoten in het tijdig verstrekken van informatie.

En die hele ontwikkeling van een cultuur van vernedering is nu dus geculmineerd in de Toeslagenaffaire. Waar deze regering eigenlijk over zou behoren te vallen. Als overgang naar een periode waarin we weer de weg inslaan in de richting van het gemeenschapsevenwicht.

donderdag 29 oktober 2020

De echte uitdaging waar we voor staan is niet die van de economen, maar die van de sociologen en sociale wetenschappers

Dat economen graag uitgaan van de stelling van de consumentensoevereiniteit zal er mede aan liggen dat er een morele rechtvaardiging voor kan worden gegeven. De stelling houdt in dat mensen zelf het beste weten wat goed voor hen is en dat ze dus gevrijwaard behoren te worden van wat anderen hen zouden willen voorschrijven. Dat inzicht komt inderdaad overeen met de morele intuïtie van de vrijheid van overheersing. Volwassen mensen horen elkaar niet te overheersen en te betuttelen.

Maar zoals in het vorige bericht uiteengezet, kun je uit deze op zich moreel juiste stelling niet afleiden dat alle door die soevereine individuen in de sociale ruimte van de markt gesloten transacties ook tot de voor iedereen beste collectieve uitkomst leiden. Want wat voor mensen het beste is, hangt ervan af wat anderen doen. Als anderen gemeenschapsgedrag vertonen, dus met elkaar rekening houden en elkaar bijstaan, dan is het voor jou het beste om je ook zo te gedragen. Maar als bij anderen het statuscompetitiepatroon overheerst, dus als je elkaars tegenstander of zelf vijand bent, dan is het voor jou beter om op je hoede te zijn en mee te doen in de statusstrijd. In een omgeving van sociale veiligheid is het voor jou beste gedrag anders dan in een omgeving van sociale onveiligheid.

Daardoor is er niet zoals in het economische ideaalbeeld één optimale eindtoestand, die van het marktevenwicht, maar zijn er twee eindtoestanden mogelijk, die van het slechte (sub-optimale) statuscompetitie-evenwicht en die van het goede (optimale) gemeenschapsevenwicht. Zie het bericht Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen voor een overzicht van aanwijzingen in die richting. 

Daarmee stort het eendimensionale economische evenwichtsdenken van de consumentensoevereiniteit in elkaar. Ook als iedereen vrij is om te bepalen wat voor hem of haar het beste is, kan het gebeuren dat we toch met zijn allen in een inferieure toestand terechtkomen. Om de gedachten te bepalen: niet in een democratische verzorgingsstaat, waarin onze gemeenschapsintuïties georganiseerd zijn, maar in een failed state, een autoritaire dictatuur met overheersers en onderdrukten, als het resultaat van statuscompetitie die vrij baan krijgt..

Daarmee is de collectieve uitdaging waar we met zijn allen voor staan dus niet: hoe laten we iedereen vrij kiezen zodat er via het marktmechanisme voor iedereen als vanzelf het beste uitkomt? 

Maar: hoe zorgen we er voor dat we met zijn allen in het gemeenschapsevenwicht terechtkomen en het statuscompetitie-evenwicht vermijden?

Dat is zacht gezegd nogal een belangrijk verschil. Want we hebben nu, in 2020, een periode achter de rug waarin vrijwel iedereen dacht dat er alleen die eerste uitdaging bestond. De periode dus van het vulgair-economisch denken van het neoliberalisme. Hoe kunnen we zoveel mogelijk profiteren van wat de economen ons voorhouden: de weldadige werking van het marktmechanisme?

Maar de echte uitdaging is de tweede. Hoe komen we zoveel mogelijk in het goede evenwicht terecht en vermijden we zoveel mogelijk het slechte? Dat is de echte en dringende uitdaging waar we voor staan. Die sociologen, of algemener, sociale wetenschappers ons zouden moeten voorhouden. 

De echte uitdaging waar we voor staan is niet die van de economen, maar van de sociologen en sociale wetenschappers.

O ja, dan is er natuurlijk naast de complicatie van de consumentensoevereiniteit ook nog die van het vetorecht. Zie het vorige bericht. Heb geduld. Die komt nog aan de beurt. Zie hier het vervolgbericht.

dinsdag 27 oktober 2020

Het eendimensionale economische mensbeeld is niet alleen als mensbeeld onrealistisch, maar ook als venster op wat zich werkelijk in de markt en in de maatschappij afspeelt

Er zijn tenminste twee complicaties van dat primaat van vrijwilligheid dat dient als morele onderbouwing van het geloof in de vrije markt als bron van alle welvaart: de complicatie van de consumentensoevereiniteit en de complicatie van het vetorecht. Zie hier het vorige bericht

Volgens het economische leerstuk van de consumentensoevereiniteit zijn mensen zelf de beste beoordelaars van wat goed voor hen is. En is de markt vervolgens, als het geheel van alle vrijwillige transacties, bijna per definitie, de bron van alle welvaart. De markt is immers de sociale ruimte waarin alle vrijwillig gesloten transacties zich afspelen. De markt stelt iedereen in staat om zijn/haar eigenbelang zoals hij/zij dat zelf ziet, na te streven en als iedereen dat dan ook doet, dan is het collectieve resultaat het best denkbare. Economisch gezegd: de markt zorgt voor een eindtoestand die een Pareto-optimaal evenwicht is, in de zin dat er niemand meer is die er beter op kan worden zonder dat anderen er slechter op worden.

Een al bekende tegenwerping is dat er bepaalde goederen en diensten zijn die wel degelijk onze welvaart vergroten, maar die de markt niet goed kan verschaffen. Dat is het leerstuk van het marktfalen. Het gaat om zaken als publieke goederen (schone lucht, biodiversiteit), goederen met externaliteiten (goederen waarvan de productie milieuschade veroorzaakt, vaccinaties), goederen met een natuurlijk monopoliekarakter (waterleidingnet, electriciteitsnet, spoorwegennet, internet, postbezorging) en diensten waarvan de kwaliteit beter door de verschaffer ervan kan worden ingeschat dan door de klant (gezondheidszorg, geneesmiddelen, levensmiddelen). In zulke gevallen is er aanleiding voor overheidsoptreden. Zie Policy Analysis. Concepts and Practice van David L. Weimer en Aidan R. Vining voor een overzicht van argumenten en onderzoek. (Ik gebruikte dat boek ooit in mijn colleges.)

Maar het gaat mij nu om een andere, meer fundamentele tegenwerping, die ik in het vorige bericht al aankondigde. Dat is de tegenwerping dat dit economische marktdenken volledig is gebaseerd op het mensbeeld van de homo economicus, waarin de dualiteit van de menselijke sociale natuur genegeerd wordt. Dat duale mensbeeld, waarin mensen in hun sociale gedrag, afhankelijk van de aard van hun sociale omgeving, dus afhankelijk van wat anderen doen, oftewel gemeenschapsgedrag oftewel statuscompetitiegedrag vertonen, is veel realistischer dan die eendimensionale homo economicus

Het berust op het fundamentele empirische inzicht dat mensen zoals alle dieren erop geselecteerd zijn om snel hun sociale omgeving op veiligheid dan wel onveiligheid te beoordelen en hun eigen gedraag daaraan aan te passen. Bij genoeg signalen van gemeenschapsgedrag van anderen, en dus van veiligheid, wordt gemeenschapsgedrag uitgelokt. Maar bij voldoende signalen van statuscompetitiegedrag, en dus van onveiligheid, wordt ook het eigen statuscompetitiepatroon geactiveerd. De evolutie heeft onze sociale natuur flexibel gemaakt. Zie verschillende berichten op dit blog, zoals hier, hier, hier en hier.

Een in het oog springende implicatie daarvan is dat er in het menselijk sociale leven twee evenwichten mogelijk zijn, het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht. Waarbij alles erop wijst dat dat gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn en naar onze morele oordelen te prefereren valt boven het statuscompetitie-evenwicht.

Daarmee wordt het vulgaire economische marktdenken van het neoliberalisme natuurlijk volledig onderuitgehaald, zowel naar empirische inzichten als naar morele beoordeling. Want als je met dat duale mensbeeld naar de markt kijkt, dus naar de reële markt en niet naar het economische ideaalbeeld, dan zie je enerzijds gemeenschapsgedrag, maar anderzijds juist ook veel statuscompetitiegedrag.

Je ziet gemeenschapsgedrag in al die transacties die op onderling vertrouwen gebaseerd zijn. Transacties dus waarin niet alles van te voren contractueel hoeft te worden vastgelegd. Waarin de partijen op elkaars gemeenschapsgedrag vertrouwen. En als je daar goed over nadenkt, dan zie je dat zonder een zekere mate van onderling vertrouwen veel transacties nooit zouden kunnen plaats vinden. Zie ook Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie en zie Calculativeness, trust and the reciprocity complex: Is the market the domain of cynicism? van Rudi Wielers en mij.

En je ziet anderzijds dat de markt en het marktdenken statuscompetitiegedrag uitlokken. Denk aan het onderzoek waaruit bleek dat bankiers in hun positie als bankier oneerlijk zijn, wat wijst op een bankencultuur van bedrog. En denk aan de aanwijzingen dat de markt morele waarden erodeert, dat het studeren van het vak economie studenten minder pro-sociaal maakt en dat werkers in de publieke sector pro-socialer zijn dan die in het bedrijfsleven. O ja, en aan het onderzoek dat wijst op een haasje-over-effect bij de totstandkoming van de hoge beloningen van CEO's van grote ondernemingen, dat wijst op onderlinge statuscompetitie. 

Dat de markt dat statuscompetitiegedrag gemakkelijk uitlokt, heeft ook tot gevolg dat de economie zich nogal eens anders gedraagt dan de economen verwachten. Zo blijkt volgens onderzoekers van de Amerikaanse Centrale Bank statuscompetitie een grote rol te spelen in de groei van de grote ongelijkheid en van de financiële instabiliteit van de afgelopen veertig jaar.

Dat eendimensionale economische mensbeeld is dus niet alleen als mensbeeld onrealistisch, maar ook als venster op wat zich werkelijk in de markt en in de maatschappij afspeelt. Daar zien we niet dat ene optimale marktevenwicht, maar juist zowel bewegingen in de richting van het gemeenschapsevenwicht als bewegingen in de richting van het statuscompetitie-evenwicht.

Dat alles over over de complicatie van de consumentensoevereiniteit en het morele primaat van vrijwilligheid van het neoliberale vulgair-economisch denken. Waar dit meteen op wijst is dat het voeren van overheidsbeleid zacht gezegd gecompliceerder moet zijn dan dat je alles zoveel mogelijk aan de markt kunt overlaten.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over die andere complicatie van het neoliberale denken, die van het vetorecht. Wordt vervolgd.

vrijdag 16 oktober 2020

Na WO II was er nationaal en internationaal het perspectief op "het gemeenschapsevenwicht". Juist toen. Hoe zijn we dan terechtgekomen waar we nu zijn?

De grondleggers van de naoorlogse verzorgingsstaat, de leden van de Commissie-Van Rhijn, benoemden als rechtsgrond daarvan de algemeen gedeelde overtuiging dat de in de bevolking levende morele gemeenschapsintuïties vorm kregen in de instituties van die verzorgingsstaat. Vandaar de beroemde zin:

De gemeenschap, georganiseerd in den Staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde, dat alle leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen.

Die algemeen gedeelde overtuiging noemde ik in het vorige bericht de begintoestand. Er waren verschrikkingen aan voorafgegaan. De crisis van de jaren dertig, de tweede Wereldoorlog, de bezetting door de Duitsers, het misdadige Hitler-bewind en de Holocaust. Er moesten lessen geleerd worden en de lessen die zich opdrongen behelsden dat er voor de democratische overheid een fundamentele rol was weggelegd in het garanderen van bestaanszekerheid van zijn burgers. Dat was dus zowel de erkenning van het grote belang van bestaanszekerheid voor mensen, hun welzijn en hun gedrag, als van het bestaan van algemeen gedeelde morele intuïties op grond waarvan de organisatie van die bestaanszekerheid door de democratische overheid gerechtvaardigd kon worden.

Op nationaal niveau leidde die algemeen gedeelde overtuiging tot de uitbouw van de verzorgingsstaat, van al die sociale voorzieningen en volksverzekeringen die mensen moesten "vrijwaren van gebrek", dus van de gevolgen van ziekte en ouderdom, werkloosheid en ongevallen. Ook mochten er niet langer financiële belemmeringen zijn voor de toegang tot voortgezet en hoger onderwijs. Ik ging als zoon uit een arbeidersgezin in 1965 studeren met een combinatie van studiebeurs en renteloos voorschot.

Parallel daaraan was er de internationaal gedeelde overtuiging dat mensenrechten universeel behoorden te worden vastgelegd en gehandhaafd. Op 10 december 1948 namen de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aan, die in veel daaropvolgende internationale afspraken en verdragen werd uitgewerkt. Om een idee te geven van de geest waaruit die verklaring voortkwam, citeer ik even het begin van de Preambule en Artikel 1:

Overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld; 
Overwegende, dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens; 
Overwegende, dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen worde om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tyrannie en onderdrukking; 
Overwegende, dat het van het grootste belang is om de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de naties te bevorderen; 
Overwegende, dat de volkeren van de Verenigde Naties in het Handvest hun vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de mens en in de gelijke rechten van mannen en vrouwen opnieuw hebben bevestigd, en besloten hebben om sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen;

Artikel 1 Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

Er was dus zowel nationaal als internationaal kort na de Tweede Wereldoorlog een begintoestand die zonder meer te duiden valt als het bestaan van de algemeen gedeelde overtuiging van het grote belang voor de mensheid van de morele gemeenschapsintuïties. In de verzorgingsstaat krijgen die intuïties vorm in het recht: "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". En internationaal gaat het over "inherente waardigheid", "gelijke en onvervreemdbare rechten", "vrij ... van vrees en gebrek", "vriendschappelijke betrekkingen tussen naties", "gelijke rechten van mannen en vrouwen" en "een geest van broederschap".

Je kunt wel zeggen dat hier voor het eerst in de mensheidsgeschiedenis een perspectief werd geopend op de mogelijkheid van het bereiken van wat ik het gemeenschapsevenwicht noemde. Niet alleen op de mogelijkheid, maar ook op het grote belang er van. Want de wereld had immers net een periode achter de rug van "terzijdestelling en minachting voor de rechten van de mens (die) geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan" en van "tyrannie en onderdrukking". 

Wat betekent dat er ook het urgente besef bestond dat het met de mensheid ook de heel andere kant op kan gaan, de kant van het statuscompetitie-evenwicht. De toestand die allerlei verschijningsvormen heeft, maar ook die van barbarij en onderdrukking.

Nu, in 2020, kun je niet anders dan met grote teleurstelling op de latere ontwikkelingen terugkijken. Want we zitten in een tijd waarin juist het statuscompetitiepatroon in het publieke domein gaat overheersen. Dus in het volgende bericht verder met de dringende vraag hoe we hier zijn terechtgekomen. Hier het volgende bericht.

dinsdag 6 oktober 2020

Over de eercultuur (statuscompetitie-evenwicht) en de cultuur van de menselijke waardigheid (gemeenschapsevenwicht) - En over de Republikeinen en de Democraten

Mensen hebben zich in hun evolutie zo ontwikkeld dat ze over een flexibele sociale natuur beschikken. Die flexibiliteit maakt dat ze adequaat kunnen reageren op verschillen in hun sociale omgeving. Als die sociale omgeving veilig is, als ze op de goedgezindheid van anderen kunnen vertrouwen, wordt hun gemeenschapspatroon getriggerd. Maar als de sociale omgeving vijandig is of zou kunnen zijn, dan komt hun statuscompetitiepatroon in werking.

Zoals we zagen, betekent dit dat er in elke menselijke samenleving twee sociale evenwichten mogelijk zijn, evenwichten in de zin van stabiele toestanden. In het gemeenschapsevenwicht verschaffen mensen elkaar de sociale veiligheid die het gemeenschapspatroon uitlokt. En daartegenover, in het statuscompetitie-evenwicht bestaat er de sociale onveiligheid die iedereen aanzet tot statuscompetitiegedrag. 

Ook zagen we dat het gemeenschapsevenwicht valt te prefereren boven het statuscompetitie-evenwicht. Maar dan gaat het om een globale beoordeling. Voor iedereen individueel hangt het geprefereerde gedrag af van de aard van de sociale omgeving. Als die sociaal veilig is, dus als het gemeenschapsgedrag overheerst, doet het individu graag met dat gedrag mee. Maar als het statuscompetitiegedrag overheerst, dan is het maar beter om je daar bij aan te passen. 

Als je het inzicht van het kunnen bestaan van die twee aan elkaar tegengestelde evenwichten al in het sociaalwetenschappelijk onderzoek tegenkomt, dan is het meestal zonder die evolutionaire achtergrond en in andere bewoordingen. Voor het idee van een sociaal evenwicht wordt dan de term cultuur gebruikt. Dit gebeurt in het onderzoek naar de eercultuur (culture of honor), waarin het gaat om het statuscompetitie-evenwicht. En waarin het gemeenschapsevenwicht wordt aangeduid als de cultuur van de menselijke waardigheid (culture of dignity). 

Neem de pas verschenen studie Implications of culture of honor theory and research for practitioners and prevention researchers. De onderzoekers beschrijven de eercultuur als een toestand waarin je gevoel van zelfwaardering afhankelijk is van hoe anderen over jou denken, in het bijzonder van het ontzag dat anderen voor jou hebben. Je zult er dus altijd op uit zijn om je reputatie, je eer, te verdedigen. Je moet altijd krachtig overkomen en nooit de indruk wekken dat je afhankelijk bent van anderen. Maar omdat dat voor anderen ook geldt, ontwikkelt zich dus een statuswedloop. Als anderen krachtig overkomen, moet jij daar weer over heen gaan. Zie ook het eerdere bericht Statuscompetitie en de eercultuur (culture of honor), met daarin de lijst van zestien stellingen waarmee onderzoekers vaststellen in hoeverre iemand die eercultuur aanhangt. Waaruit ook het verband met "mannelijkheid" (machismo) naar voren komt ("A real man can always take care of himself", "A real man will never back down from a fight", "A real man never leaves a score unsettled").

Dat die eercultuur inderdaad een clustering is van statuscompetitiegedrag blijkt er uit dat hij geografisch kan worden gelokaliseerd. In de Verenigde Staten bestaat hij in de zuidelijke staten en in de Mountain West (Arizona, Colorado, Idaho, Montana, Nevada, New Mexico, Utah en Wyoming). De oorsprong er van wordt ermee in verband gebracht dat de eerste Europese immigranten (Engelsen, Duitsers, Nederlanders) overwegend veehouders waren en zichzelf en hun vee moesten beschermen, ook al doordat centrale wetshandhaving en andere overheidsvoorzieningen nog nauwelijks bestonden. Er was een toestand van sociale onveiligheid. Die zichzelf reproduceert en versterkt doordat hij statuscompetitiegedrag aanwakkert.

In de overige staten en in Noord- en West-Europa tref je meer de clustering aan van de cultuur van de menselijke waardigheid. Zelfwaardering wordt daarin meer bepaald door het besef van een inherente menselijke waardigheid, die je dus hebt los van hoe anderen over je oordelen en die je dus ook niet door anderen kan worden ontnomen. Zoals dat dus wel het geval is met eer, reputatie en status. Omdat ieders waardigheid verzekerd is, bij wijze van onderlinge "afspraak", kan er daarover dus ook geen competitie ontstaan. Iedereen "mag er zijn", om het maar eigentijds uit te drukken. Als dat zo is, dan is er ook de steun voor overheidsvoorzieningen die voor iedereen beschikbaar zijn, dus voor de verzorgingsstaat. Dat bij elkaar genomen maakt dat er een toestand heerst van sociale veiligheid, die in een feedbackloop weer het gemeenschapsgedrag aanwakkert.

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar die eercultuur en de cultuur van de menselijke waardigheid wordt eigenlijk als vanzelfsprekend aangenomen wat ik hier en hier empirisch onderbouwde, namelijk dat de cultuur van de menselijke waardigheid valt te prefereren boven de eercultuur. Er zijn omstandigheden waaronder die eercultuur ontstaat en zich handhaaft, maar dat valt te betreuren en het zou beter zijn die omstandigheden weg te nemen. Zoals door de opbouw van een verzorgingsstaat. Zie Een maatschappelijk belangrijker vak sociologie had kunnen optreden als verdediger van de verzorgingsstaat

In het artikel dat ik hierboven noemde, gaan de onderzoekers specifiek in op drie negatieve elementen van de eercultuur: geweld tegen vrouwen, geweld in scholen en het meer voorkomen van psychische aandoeningen gecombineerd met terughoudendheid in het zoeken van hulp (en het daardoor meer voorkomen van suïcide).

In de actualiteit van de Amerikaanse politiek zien we zich een strijd afspelen tussen de aanhangers van de eercultuur, de Republikeinen, en de aanhangers van de cultuur van de menselijke waardigheid, de Democraten. Waarbij inderdaad de Republikeinen de verzorgingsstaat zoveel mogelijk willen afbreken en de Democraten die juist willen uitbreiden. Dat de eercultuur te prefereren valt, blijkt er uit dat de Amerikanen overwegend aanhangers zijn van de verzorgingsstaat. En blijkt er uit dat de Republikeinen inzien dat ze in de minderheid zijn en alleen door het opzij zetten van de democratie aan de macht kunnen blijven.