Hoe zou de sociologie als een wetenschappelijk vak er uit moeten zien? Hier het vorige bericht. Dat vroeg ik me eind jaren 70 af toen ik aan mijn proefschrift werkte waar ik in 1981 op zou promoveren. Ik had een periode achter me waarin ik me in de wetenschapsfilosofie had verdiept. Daar had ik van geleerd dat het in de wetenschap draait om groei van kennis over hoe de werkelijkheid in elkaar zit en dat die wordt bereikt elke keer als blijkt dat een nieuwe theorie in staat is om
- te verklaren in welke gevallen een bestaande theorie klopt
- te verklaren waarom hij in andere gevallen niet klopt
- voor die andere gevallen nieuwe en correcte voorspellingen te genereren
- nieuwe en correcte voorspellingen te genereren over een deel van de werkelijkheid waar de bestaande theorie niets over te zeggen had.
Anders gezegd, een nieuwe theorie is beter dan een bestaande theorie als hij ons een dieper inzicht verschaft en we daarmee de bestaande theorie kunnen herkennen als een benadering van de nieuwe theorie.
Ik legde dat uit in mijn proefschrift (p.45-53) en baseerde me op het werk van Karl R. Popper (1902 - 1994), in het bijzonder op The Aim of Science, dat opgenomen werd in zijn Objective Knowledge. An Evolutionary Approach (1973). Popper behandelt daar als voorbeeld van diepte de verhouding tussen de nieuwe theorie van Newton en de bestaande theorieën van Galileo en Kepler.
Ik vond dat spannende lectuur omdat Popper duidelijk maakte dat groei van kennis er niet alleen uit bestaat dat bestaande inzichten een groter bereik ("informatiegehalte") hebben dan eerst werd gedacht, maar bovenal uit het corrigeren van die bestaande inzichten door een nieuw inzicht. Waarin ligt besloten dat onze kennis van de werkelijkheid altijd gebrekkig en dus corrigeerbaar is. Waar weer uit volgt dat we altijd moeten blijven proberen om tot nieuwe en diepere inzichten te komen en zo de waarheid steeds dichter te benaderen, overigens zonder ooit te kunnen weten of we die bereikt hebben.
Dat die onvermijdelijke onvolkomenheid van onze inzichten samenhangt met de omstandigheid dat ze altijd in taal zijn vervat, drong overigens pas veel later tot mij door. Zie Taal en waarneming en Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar?
Dat wetenschap op zoek is naar diepere theorieën en dat al onze kennis over de werkelijkheid corrigeerbaar is, lijkt nu niet zo controversieel. Maar er bestonden andere opvattingen. De logisch positivisten van de Wiener Kreis waren van mening dat wetenschap begint met uitspraken waarvan de waarheid door waarneming kan worden vastgesteld en van daaruit "opklimt" naar theorieën. Dat opklimmen zou een proces zijn van "inductie", maar de vraag wat dat proces dan zou moeten inhouden werd nooit opgelost. Ik herinner me dat ik toen ik in 1970 aan mijn doctoraalscriptie werkte, vergeefs probeerde te achterhalen waaruit de "inductieve logica" zou kunnen bestaan. Ik haalde A Treatise on Induction and Probability van G.H. von Wright uit de bibliotheek en liep er in vast. Uiteindelijk besloot ik dat ik Popper gelijk moest geven waar hij zelfbewust schreef: "I think that I have solved a major philosophical problem: the problem of induction." (Objective Knowledge, p. 1). Onze algemene inzichten of theorieën zijn nimmer door waarnemingen te rechtvaardigen. We kunnen ze wel corrigeren door middel van nieuwe, diepere inzichten, waardoor we de waarheid steeds iets dichter benaderen.
Interessant is dat je bij de voorlopers van dat logisch positivisme ook August Comte tegenkomt (volg de link in de vorige alinea). Dezelfde Comte die dus via zijn invloed op Durkheim van het vak sociologie een positivistische wetenschap maakte, die uitdroeg dat er een domein van "sociale feiten" zou bestaan.
En er was de toen veelbesproken Tractatus Logico-Philosophicus, waarin Ludwig Wittgenstein declameerde dat de wereld bestaat uit feiten (Sachverhalten) die in taal kunnen worden weergegeven. Veelbesproken, deels doordat W.F. Hermans er een groot aanhanger van was (Wittgenstein in de mode en Kazemier niet). Mijn indruk is dat zowel Wittgenstein als W.F. Hermans nu goeddeels zijn vergeten.
Terug naar de sociologie. Eind jaren 70 dacht ik na over de vraag wat dat streven naar diepere theorieën voor de sociologie zou moeten inhouden. Dat leidde tot Hoofdstuk 5 (Verklarende sociologie: de compositieve methode) van mijn proefschrift. Daarin gaat het er over dat in de sociologie een diepere theorie niet een nieuwe theorie hoeft te zijn, zoals in de natuurwetenschappen, maar juist ook kan bestaan uit al een bekend, psychologisch of alledaags, inzicht in het menselijk gedrag.
Als we die twee mankementen van de sociologie achter ons laten, dan opent zich voor ons de taak om te laten zien hoe sociale en maatschappelijke verschijnselen voortkomen uit, gegenereerd worden door, het sociale proces van mensen die reageren op omstandigheden, die onderling samenwerken, met elkaar concurreren en/of elkaar beïnvloeden. De verklaring, de winst aan diepte, bestaat er dan uit dat je kunt laten zien dat die sociale en maatschappelijke verschijnselen het resultaat zijn van het "mensenwerk" waarvan de aard, de principes van de menselijke sociale natuur, ons al bekend waren. We stellen dan als het ware die macroverschijnselen samen uit de elementaire en al bekende elementen. Vandaar die compositieve methode. Denk als voorbeeld aan de verklaring die ik gaf voor de grote verkiezingswinst van de PVV in 2023, of algemener voor de opkomst van extreemrechts partijen, in Waardoor werd de PVV zo groot?
Het idee van een sociaalwetenschappelijk vak dat zo te werk gaat, ligt zo voor de hand dat het al veel eerder moet hebben bestaan. Dat klopt. Het bestond al in de zeventiende eeuw, toen Thomas Hobbes in 1651 zijn Leviathan schreef. Daarover meer in het volgende bericht.



