woensdag 22 november 2017

Verhoogt opgroeien in collectivistische cultuur het vermogen om gedachten te lezen?

Hoe goed ben je in het herkennen van iemands gedachten? In het aan de gelaatsuitdrukking aflezen waar iemand aan denkt en hoe iemand zich voelt?

Uit de studie How accurately can other people infer your thoughts—And does culture matter? valt op te maken dat het ervan afhangt in wat voor cultuur je bent opgegroeid, een individualistische of een collectivistische.

Het onderzoek werd uitgevoerd in Engeland. Achtentwintig studenten (de targets), waarvan 14 uit Engeland en 14 afkomstig uit het Middellandse Zeegebied (Griekenland en Cyprus) en studerend in Engeland, kregen steeds een van de vier woorden te zien in het plaatje hiernaast.

Daarbij werd hen gevraagd om terug te denken aan een ervaring waarin ze de met het woord aangeduide emotie hadden gevoeld. Zonder dat te weten, werden ze gefilmd.

32 andere studenten, 16 uit Engeland en 16 uit het Middellandse Zeegebied (10 Grieks-Cyprioten, 3 Grieken, 1 Turk, 1 Spanjaard en 1 Italiaan)  werd gevraagd om de filmpjes te bekijken en in te schatten naar welk woord werd gekeken.

Uit allerlei onderzoek is bekend dat Engeland behoort tot de meer individualistische culturen en de landen rond de Middellandse Zee tot de meer collectivistische culturen. Zie de berichten op dit blog over cross-culturele verschillen.

Wat bleek? De studenten die waren opgegroeid in de landen rond de Middellandse Zee waren beter in het aflezen van gedachten en emoties dan de Engelse studenten. Dat wil zeggen, ze waren beter in het herkennen van het verschil tussen de negatieve emoties (shame, guilt) en de positieve (pride, excitement). (Slechts weinigen konden schaamte en schuld van elkaar onderscheiden en trots en opwinding.)

Zou het kunnen zijn dat je door het opgroeien in een collectivistische cultuur beter wordt in het herkennen van positieve dan wel negatieve emoties? Beter in het "mentaliseren"?

Dat zou goed kunnen. Want de onderzoekers hadden de deelnemers ook een bekende vragenlijst voorgelegd om individualisme - collectivisme te meten. Om een idee te krijgen van wat die vragenlijst inhoudt, hier vind je een kort testje waarmee je je eigen score kunt vaststellen.

Voorbeelden van uitspraken die staan voor individualisme zijn "I often do "my own thing""en "When I succeed, it is usually because of my abilities". En voorbeelden van collectivisme zijn "It is important to maintain harmony within my group" en "I feel good when I cooperate with others".

En toen bleek uit de analyses dat de studenten uit de landen rondom de Middellandse Zee niet alleen hoger scoorden op collectivisme, maar dat bovendien die verschillen de beste verklaring waren voor de verschillen in het "mentaliseren".

En daarmee werd een andere verklaring minder waarschijnlijk, namelijk de verklaring dat studenten die in het buitenland gaan studeren of dat al doen, een specifieke selectie uitmaken die op een of andere manier te maken heeft met dat vermogen om andermans gedachten te lezen.

Rest nog te bedenken wat ervoor zorgt dat collectivisme meer samen gaat met dat vermogen. Waarschijnlijk leer je door het opgroeien in een collectivistische cultuur meer dat het belangrijk is om aandacht voor anderen te hebben en je meer in anderen te verdiepen. En waarschijnlijk heb je in de loop van dat opgroeien ook meer gelegenheid om je in de vaardigheid van dat lezen van gedachten van anderen te oefenen.

maandag 20 november 2017

Toename van aanhang van populistische rechtse partijen hangt samen met toename van ervaren sociale daling

Waardoor is het succes van populistisch rechts-extremistische partijen in de laatste decennia zo toegenomen? We hebben gezien dat de toegenomen bestaansonzekerheid, onder meer als gevolg van gemaakte politieke keuzes, een belangrijke rol moet hebben gespeeld. Zie Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd? voor een overzicht van onderzoek.

Er lijkt nu een stroom van onderzoek op gang te komen die met deze verklaring overeenkomt. Zo is er nu het onderzoek The politics of social status: economic and cultural roots of the populist right dat erop wijst dat de toename van mensen die zichzelf een lage sociale status toekennen (de zogenaamde subjectieve sociale status) een bijdrage heeft geleverd aan de toegenomen aanhang van populistisch rechtse partijen.

Allereerst: dat die aanhang is toegenomen, blijkt uit het plaatje hieronder.


Je ziet vanaf 1980 het gemiddelde percentage kiezers die een populistisch rechtse partij stemden in Europese democratische landen. En je ziet dus de toename van minder dan 2 procent in 1980 naar 12 procent in 2016.

Wat is hier gebeurd? De onderzoekers vermoedden dat een deel van de verklaring erin gelegen is dat mensen met meer "statusangst" meer geneigd zijn op populistisch rechts te stemmen en in lijn daarmee vijandiger staan tegenover immigranten en tegenover de heersende politici die in hun ogen beter voor zichzelf zorgen dan voor de gewone man. Die statusangst meten ze af aan die subjectieve sociale status, waarbij ze verwachten dat de angst voor sociale daling het grootst is bij de groep die zich net even boven de bodem bevindt.

Om dat te onderzoeken analyseerden ze de gegevens van het International Social Survey Program (ISSP). Die gegevens zijn beschikbaar over de jaren 1987, 1992, 1999, 2004, 2009 en 2014 voor het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Verenigde Staten, Australië, Polen, Zweden, Noorwegen, Slovenië, Tsjechië en Hongarije. Die subjectieve sociale status werd vastgesteld met de vraag "In onze maatschappij staan sommige groepen bovenaan en andere onderaan. Als u aan uzelf denkt, waar zou u zich plaatsen op een schaal van 1 tot 10?"

In het plaatje hieronder zie je, voor een van die landen (Denemarken), het verband afgebeeld tussen die subjectieve sociale status (horizontale as) en de kans om op een populistisch rechtse partij te stemmen (verticale as). Je ziet een grotere kans bij een lagere sociale status, met inderdaad de (kleine) kromming, die erop wijst dat die kans het grootst is even boven de allerlaagste sociale status. (Gecontroleerd werd voor beroep, opleiding, inkomen en werkend/werkloos.)


Er is dus inderdaad een verband tussen subjectieve sociale status (als proxy voor statusangst) en het sympathiseren met populistisch rechts.

Klopt het dan dat tussen 1987 en 2014 ook inderdaad de toename van mensen met een lage subjectieve sociale status verantwoordelijk kan worden gehouden voor het toegenomen succes van populistisch rechtse partijen?

Ja, daar zijn aanwijzingen voor. Want de onderzoekers laten zien dat in bijna alle twaalf landen de subjectieve sociale status van mannen zonder een hogere opleiding is afgenomen. Onder de lager- en middelbaar opgeleiden is er dus een proces geweest van ervaren sociale daling. Zie het plaatje hieronder.

De zwarte staafjes staan voor 1990 of daaromtrent en de grijze voor 2014. Hongarije (HU) is de uitzondering op het patroon.

zondag 19 november 2017

Zondagochtendmuziek - Classical music (and impromptu ballet) in the subway

Studenten van het Koninklijk Conservatorium Den Haag met violiste Isobel Warmelink speelden vrijdag in het lunchpauzeconcert in TivoliVredenburg het Derde Brandenburgs Concert van Bach, samen met het daarop geïnspireerde Dumbarton Oaks van Stravinsly.

Muziek waar je eigenlijk niet stil bij kunt zetten. Kijk hier naar een uitvoering in de New Yorkse subway. Blijf kijken tot het eind!



vrijdag 17 november 2017

Meer over waarom je met financiële prikkels ("incentives") op moet passen

Kate Raworth gaat in hoofdstuk 3 (Nurture Human Nature. From rational economic man to social adaptable humans) van haar boek Doughnut Economics in op aanwijzingen die we hebben dat het economische mensbeeld van "nutsmaximalisering" grote gebreken vertoont.

Daar gaat het bijvoorbeeld over het beroemd geworden onderzoek van Gneezy en Rustichini over de effecten van het invoeren van een boete op het te laat afhalen door ouders van hun kinderen bij de kinderopvang.

De bedoeling daarvan was dat ouders daardoor minder te laat zouden komen. Maar het omgekeerde gebeurde: door de "prijs" op te laat komen, gingen ze het te laat komen beschouwen als een "dienst" die je kon aanschaffen. In plaats van zoals eerst een morele verplichting te voelen om op tijd te zijn.

Boodschap: pas op met (economische) prikkels. Zie nog eens: Waarom het niet eenvoudig is om mensen met prikkels te beïnvloeden.

Maar Raworth noemt ook ander onderzoek dat ik nog niet kende. Zo is er de studie Prosocial behavior and incentives: Evidence from field experiments in rural Mexico and Tanzania. De onderzoekers vroegen bewoners van verschillende dorpen in Tanzania of ze dachten dat hun buurman bereid zou zijn om te helpen bij het onderhoud en verzorgen van de beplanting rondom de dorpsschool (gras maaien, bomen planten). (Ze vroegen naar de buurman om sociaal wenselijke antwoorden te voorkomen.)

Het bleek toen dat de ingeschatte hulpbereidheid het hoogst was (97%) in het geval van een in het vooruitzicht  gestelde hoge individuele beloning (een evenredig deel van een dagloon). Maar als een beloning helemaal niet werd genoemd, was de ingeschatte hulpbereidheid hoger (82%) dan wanneer een lage beloning (1/5 van dat dagloondeel) in het vooruitzicht werd gesteld (64%).

Het eerste is in overeenstemming met de economische theorie; als je maar genoeg geld biedt, dan willen mensen zich wel ergens voor inspannen. Maar het tweede is dat niet. En dat wijst erop dat de kracht van een, meer of minder normatief aangestuurde, bereidheid tot pro-sociaal gedrag groter kan zijn dan die van een financiële prikkel.

Daarnaast werd mensen ook gevraagd om daadwerkelijk mee te helpen. Ook weer onder verschillende condities, waaronder een hoge of een lage individuele beloning en geen beloning.

Op de dag dat het werk moest gebeuren, kwam iedereen opdagen. De verschillen in beloningen hadden dus geen enkel effect. Een econoom zou dat vreemd vinden, want die zou verwachten dat mensen meer zouden komen opdagen als er geld zou zijn te verdienen.

Maar interessant was vooral ook dat na afloop degenen zonder beloning (of met een collectieve beloning in de vorm van een donatie aan de school) veel tevredener waren met wat ze gedaan hadden dan degenen die een individuele beloning hadden gekregen. Van de laatste groep voelde meer dan de helft zich ongelukkig, tegenover 4% van degenen zonder beloning en 6% van degenen met de donatie voor de school.

Ook waren degenen zonder beloning veel meer bereid om in de toekomst vaker mee te helpen.

Dat komt ermee overeen dat pro-sociaal gedrag bijdraagt tot geluksgevoelens. Zie Door pro-sociaal gedrag gelukkiger - nieuwe aanwijzingen.

Voor een econoom is dat niet zo goed te snappen.

maandag 13 november 2017

Dani Rodrik: Antwoord op populisme: nieuwe gezichten, niet besmet met het neoliberale marktfundamentalisme

Er is eigenlijk geen twijfel meer over mogelijk: de opkomst van populisme en rechts-extremisme is de uitkomst van de neoliberale politieke keuzes die in de afgelopen decennia zijn gemaakt. Die hebben op grote schaal de bestaansonzekerheid onder het gros van de bevolking aangewakkerd.

En we kennen de negatieve effecten daarvan op de gezondheid, het cognitieve functioneren, de bereidheid tot pro-sociaal gedrag en, last but not least, op politieke opvattingen. Toename van bestaansonzekerheid vergroot het anti-immigrantensentiment en de steun voor rechts-extremistische partijen. Bekijk de powerpoint in het bericht Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd?

Dat de oorzaken van deze rampzalige ontwikkeling in de politiek gelegen zijn, heeft het grote voordeel dat die politieke keuzes ook anders gemaakt kunnen worden. Als je een verkeerde weg bent ingeslagen, is het gelukkig meestal mogelijk om op je schreden terug te keren.

Dat is precies wat Dani Rodrik vandaag bepleit in How to Combat Populist Demagogues. De mainstream (neoliberale) politici hebben hun geloofwaardigheid verloren. Dat betekent dat nieuwe gezichten nodig zijn die niet besmet zijn met het marktfundamentalisme van hun voorgangers. Wat dat inhoudt?
a willingness to attack many of the establishment’s sacred cows – particularly the free rein given to financial institutions, the bias toward austerity policies, the jaundiced view of government’s role in the economy, the unhindered movement of capital around the world, and the fetishization of international trade.
Daar hoef je eigenlijk geen woord aan toe te voegen.

zondag 12 november 2017

Zondagochtendmuziek - Handel: Da tempeste (Julia Lezhneva, Helsinki Baroque Orchestra)

Dat moet een feestje geweest zijn, gisteren in het Amsterdamse Concertgebouw. Concerto Kölln trad op met baroksopraan Julia Lezhneva. Ik luisterde zo nu en dan naar de rechtstreekse uitzending op Radio 4. En ik werd daar heel vrolijk van. Hier kun je de hele uitzending beluisteren.

Julia Lezhneva is wel een fenomeen. Geboren op het eiland Sachalin in het Russisiche verre oosten, waar eind negentiende eeuw Tsjechov rondreisde om zich te informeren over de barre leefomstandigheden in de strafkampen. Waar René Féret die prachtige film over maakte: Anton Tchékhov 1890.

Maar terug naar Julia Lezhneva. Hier zingt ze de prachtige aria Da tempeste uit Giulio Cesare van Händel. Blijf na afloop luisteren en kijken, want er komt nog veel meer.



vrijdag 10 november 2017

Mensen gedragen zich pro-socialer als je hen er even aan herinnert wat moreel juist is

Mensen zijn morele wezens, maar geen morele robots. We zijn in staat om rekening te houden met anderen, dus tot pro-sociaal of gemeenschapsgedrag, maar we kunnen ook egoïstisch zijn of zelfs vijandig (statuscompetitiegedrag).

Vaak is het voor de hand liggend en vanzelfsprekend om rekening te houden met anderen. Je komt dan niet eens op het idee om egoïstisch te zijn. Maar vaak is er ook onduidelijkheid; je kunt het ene, maar ook het andere doen.

Hoe krijg je mensen er in zulke situaties toe om voor het morele gedrag te kiezen? Verschillende mogelijkheden zijn bekend en hun effecten zijn ook sociaalwetenschappelijk onderzocht. Zo kun je een kleine beloning in het vooruitzicht stellen. Of juist een boete voor het egoïstische gedrag. Maar zulke "prikkels" hebben hun bezwaren. Zie Waarom het niet eenvoudig is om mensen met prikkels te beïnvloeden en Over waarom je goede burgers niet kunt vervangen door goede prikkels - Sam Bowles.

Nieuw onderzoek wijst nu uit dat je ook kunt volstaan met mensen er even aan te herinneren wat het juiste morele gedrag is. Dus met het geven van een duwtje in de goede richting (een nudge). Zie  What’s the right thing to do? Increasing pro-sociality with simplemoral nudges.

De onderzoekers lieten mensen keuzes maken tussen pro-sociale en egoïstische opties in het Dictator-spel en in het gevangenendilemma. Het bleek toen dat degenen die van te voren de vraag kregen voorgelegd wat volgens hen (of volgens anderen) de moreel juiste keuze zou zijn, meer voor het pro-sociale gedrag gingen.

Dat effect bleef bestaan in een volgende keuzesituatie, waarin ze er niet nog eens die vraag kregen voorgelegd. En hetzelfde effect werd gevonden in een vervolgonderzoekje waarin mensen konden kiezen hoeveel ze aan een goed doel wilden geven.

We zouden met zijn allen, en als maatschappij, beter af zijn als we ons vaker pro-sociaal gedroegen. Maar misschien beseffen we niet genoeg dat mensen vaak een duwtje in de goede richting nodig hebben. We zijn weliswaar morele wezens, maar geen morele robots.

woensdag 8 november 2017

Pro-sociaal gedrag ten opzichte van vreemden is evolutionair gezien een uitbreiding van ouderlijke zorg

Update. Zie nu ook Why it can make sense to believe in the kindness of strangers.
De meest voor de hand liggende verklaring voor de opvallend grote mate waarin wij mensen tot altruïstisch of pro-sociaal gedrag bereid zijn, ook ten opzichte van vreemden, lijkt te zijn dat dit gedrag een uitbreiding is van de zorg voor nakomelingen (broedzorg) die wij gemeen hebben met andere zoogdieren.

Dat vermogen en de neiging tot broedzorg vereisen dat we getriggered kunnen worden door signalen van hulpbehoeftigheid en kwetsbaarheid van anderen (empathie) en daarop kunnen reageren met het bieden van zorg en steun. Dat zoogdieren bestaan, betekent dat er in het verleden op zulke vermogens en neigingen succesvol is geselecteerd.

Uiteraard is die broedzorg allereerst gericht op nageslacht en dus is verwantschapsherkenning ook onderdeel van het "broedzorgpakket" van emoties en vermogens. Maar verwantschapsherkenning is niet perfect. Of anders gezegd, we zijn niet op perfecte verwantschapsherkenning geselecteerd.

Daardoor zijn "vergissingen" mogelijk: we voelen empathie met een vreemde die in nood verkeert en schieten te hulp. Zulke "vergissingen" zie je bij veel diersoorten en zelfs tussen verschillende soorten. Zie het bericht over huisdieren en vriendschappen tussen soorten. Maar het maken van die "vergissingen" kan ook positief uitwerken op je eigen overleving en dan kan er juist op worden geselecteerd.

Dat is het geval bij soorten die doen aan cooperative breeding (coöperatieve broedzorg). Zie hier mijn eerdere berichten daarover. In zulke gevallen wordt de zorg voor nageslacht gedeeld met anderen. Wij mensen zijn van oorsprong cooperative breeders. In de Paleo Sociale Omgeving schoten andere groepsleden, ook niet-verwanten, te hulp bij het grootbrengen van de kinderen. Zie bijvoorbeeld Een samenleving zonder emotionele verwaarlozing van kinderen. Kan dat? De Hadza.

Als eenmaal die coöperatieve zorg noodzakelijk is voor overleving en voortplanting, dan zal er op de emoties en vermogens daartoe sterker worden geselecteerd. Dus ook op die uitbreiding daarvan tot niet-verwanten en wellicht zelfs tot vreemden die kwetsbaar zijn en hulp nodig hebben.

De gedachte dat het helpen van vreemden ook inderdaad voortbouwt op die zorg voor nageslacht, dus op de ouderlijke zorg, wordt ondersteund door de nieuwe studie Amygdala–midbrain connectivity indicates a role for the mammalian parental care system in human altruism.

We weten dat de amygdala en bepaalde subcorticale hersengebieden actief zijn bij ouderlijke zorg. De onderzoekers vergeleken de activiteit van deze gebieden bij personen die een ondubbelzinnig altruïstische daad hadden verricht (een nier hadden afgestaan aan een vreemde) met een controlegroep. Het bleek toen dat de grotere mate van sympathie die de altruïsten voelden voor een kwetsbaar iemand correspondeerde met een grotere activiteit van de amygdala, die subcorticale hersengebieden en de verbindingen daartussen.

De onderzoekers zien dat als een ondersteuning van de gedachte dat menselijk pro-sociaal gedrag ten opzichte van vreemden een uitbreiding is van ouderlijke zorg.

dinsdag 7 november 2017

Ook met Trump aan de macht zijn Amerikanen overwegend centrum-links

Het domein van de publieke besluitvorming, dat van de democratie en de politiek, is in de mensheidsgeschiedenis zo nieuw dat je niet kunt verwachten dat mensen er gemakkelijk hun weg in vinden en weloverwogen tot oordelen komen.

We zijn weliswaar gewend om die oordelen te rangschikken op het continuüm van links (ruwweg: meer overheid) naar rechts (ruwweg: minder overheid), maar de meeste kiezers zijn helemaal niet zo vertrouwd met die tweedeling.

In zijn opiniestuk in de New York Times van vorige week (America Is Not a ‘Center-Right Nation’) herinnert Eric Levitz aan het onderzoek van de politicoloog Philip E. Converse uit 1964, waaruit bleek dat slechts 17 procent van de Amerikaanse kiezers het verschil tussen links (liberal) en rechts (conservative) goed kon uitleggen. De grote meerderheid bracht niet zijn stem uit op grond van een duidelijke politieke ideologie. Dat klassiek geworden onderzoek werd beschreven in het essay The nature of belief systems in mass publics.

Sindsdien zijn Amerikanen niet ideologischer gaan denken over de politiek, ondanks dat het politieke speelveld sterk is gepolariseerd. Levitz verwijst naar het boek Neither Liberal nor Conservative. Ideological Innocence in the American Public van Donald R. Kinder en Nathan P. Kalmoe.

Voor de meeste mensen geldt dat ze weinig tijd hebben om zich in politieke denkbeelden en discussies te verdiepen en daar ook weinig in geïnteresseerd zijn. Veel kiezers vinden weliswaar van zichzelf dat ze "links" of 'rechts" zijn, maar wat die etiketten precies inhouden, dat hebben ze niet altijd zo duidelijk voor ogen.

Dat betekent dat de politici een grote verantwoordelijkheid hebben in het omlijnen en differentiéren van het politieke speelveld. In de woorden van Levitz:
One crucial implication of this finding is that political elites have enormous power to dictate ideological terms to their rank-and-file supporters. For a healthy chunk of conservative Republicans and liberal Democrats, the “liberal” and “conservative” position on most issues is whatever their party leaders say it is. Donald Trump’s success at redefining conservative voters’ consensus views on free trade, American policy toward Russia and the relevance of personal morality to effective political leadership offers a particularly vivid illustration of this phenomenon.
Ik denk daarbij natuurlijk ook aan de sociaal-democratische omarming van het neo-liberalisme en het daarmee uit het politieke speelveld nagenoeg laten verdwijnen van linkse standpunten.

Maar wat zie als je kiezers naar hun mening vraagt over allerlei politieke strijdpunten? Dan blijkt dat de meerderheid van de Amerikanen een door de overheid georganiseerde en gefinancierde gezondheidszorg wil (Obamacare), hogere belastingen voor de rijkeren, gratis onderwijs en betere sociale voorzieningen.

Als het om de issues gaat in plaats van om de ideologie, dan zijn de meeste Amerikanen links. Dat lijkt in deze tijd algemener op te gaan: de kiezers zijn linkser dan de politici.

donderdag 2 november 2017

Doughnut Economics. Over Kate Raworth, Herman Daly en de economie

Aan het lezen in Doughnut Economics. Seven Ways to Think Like a 21st-Century Economist van Kate Raworth.  Het boek krijgt terecht veel aandacht (zie hier haar optreden in Buitenhof) en de Nederlandse vertaling is in de maak.

Dat die aandacht er is, stemt tot grote tevredenheid. Want zo heel nieuw zijn de ideeën van Kate Raworth nu ook weer niet, terwijl ze wel van groot en actueel belang zijn. Zij is daar zichzelf terdege van bewust, want ze laat niet na om voorlopers naar voren te halen.

Een van die voorlopers is Herman E. Daly, die al in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw pleitte voor een manier van economisch denken waarin wel rekening wordt gehouden met de effecten op milieu en gemeenschap.

Raworth pleit voor een economie die als een donut naar binnen en naar buiten begrensd is.

Naar binnen door de basisbehoeften van mensen, waaronder de sociale behoeften, als uitgangspunt te nemen. Bedenk dat in het gangbare economische denken "behoeften"worden weggezet als "psychologisch". Economen willen over die behoeften niet nadenken en hebben het over (gebleken) voorkeuren.

En naar buiten door zich er rekenschap van te geven dat de aarde en dus de fysieke bronnen eindig zijn.

Ik bedacht me dat ik For the Common Good. Redirecting the Economy Toward Community, the Environment, and a Sustainable Future van Herman Daly en John B. Cobb, Jr. in de kast heb staan. Het verscheen voor het eerst in 1989, maar ik heb de editie van 1994.

Ik sloeg het even op. In hoofdstuk 1 (The Fallacy of Misplaced Concreteness in Economics and Other Disciplines) lees je hun kritiek op het vak economie. Met die fout van de misplaatste concreetheid (zie ook hier) doelen Daly en Cobb op concrete conclusies trekken uit (altijd onvermijdelijke) abstraheringen zonder zich er rekenschap van te geven dat die abstracties de werkelijkheid geweld aan doen.

Mijn oog viel op deze passage (p. 37), die eigenlijk heel precies en bondig verwoordt wat er schort aan het gangbare economische denken en waarvan het boek van Raworth een fraaie uitwerking is. Hier volgt hij (cursiveringen en alinea's van mij):
What is the set of abstractions that political economy has riveted on economic thought and at which it has come to a self-satisfied halt? One of the most important is the abstraction of a circular flow of national product and income regulated by a perfect competitive market. This is conceived as a mechanic analogy, with motive force provided by individualistic maximization of utility and profit, in abstraction from social community and biophysical interdependence.
 What is emphasized is the optimal allocation of resources that can be shown to result from the mechanical interplay of individual self-interests. What is neglected is the effect of one person's welfare on that of others through bonds of sympathy and human community, and the physical effects of of one person's production and consumption activities on others through bonds of biophysical community.
Mooi! En wat mooi dat Raworth er nu, na al die jaren, zo goed in slaagt om deze ideeën onder de aandacht te brengen.

En ik dacht natuurlijk ook even terug aan mijn eigen "lessen uit het verleden" ten behoeve van de toekomst, waarin het ook ging om die "bonds of sympathy and human community".

Zie Geld en ‘de rest’: Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid, dat in 2003 verscheen in de Sociologische Gids.

En zie in dat verband ook het bericht op dit blog Leert het verleden lessen? En over sociale zeepbellen van eerder dit jaar.