Net zo als wij nu, leefde Thomas Hobbes (1588 - 1697) in woelige tijden. In Engeland woedden de Burgeroorlogen, conflicten tussen het Parlement en de Koning over de verdeling van de macht, resulterend in de executie van Karel I in 1649, conflicten tussen de Parlementarians onderling en de oorlog met Schotland.
Hobbes was van eenvoudige komaf, maar kon met behulp van een gefortuneerde oom in Oxford studeren. Daarna werd hij door William Cavendish, de Graaf van Devonshire, aangenomen als de leermeester van diens zoon, wat hem in staat stelde om enkele periodes in Parijs door te brengen. Vandaar uit reisde hij naar Florence om daar Galileo Galilei te bezoeken, die hij bewonderde. Hij hield daar zijn "deductieve methode" aan over, het verklaren van verschijnselen uit hun eenvoudigste principes. Ook in Parijs schreef hij zijn hoofdwerk, Leviathan or the Matter, Forme, & Power of a Common-Wealth Ecclesiasticall and Civill, dat in 1651 in Londen verscheen. Ik heb de Pelican Classics - uitgave uit 1979 in mijn boekenlast staan, met een introductie van C.B. Macpherson. Ik baseer me daarnaast ook op Hobbes. Morals and Politics van D.D. Raphael.
Het probleem dat Hobbes wilde oplossen is hoe we een vreedzame en geordende maatschappij tot stand kunnen brengen en in stand kunnen houden en hoe we wanorde en burgeroorlog kunnen vermijden. Hij had er dus een besef van dat mensen zowel een sociaal superieure als een sociaal inferieure toestand tot stand kunnen brengen en zag het als de opdracht van de civil philosophy, hedendaags gezegd: de sociale wetenschap, om uit te zoeken hoe zoveel mogelijk die superieure toestand kan worden bereikt.
Hoe dan te werk te gaan? Door "de methode van Galileo" toe te passen, de methode van ontbinding en samenstelling. MacPherson (p. 27):
In short, the resolutive stage of the Galilean method, as applied to political science, consisted in resolving political society into the motion of its parts - individual human beings - and resolving their motions in turn into imagined or hypothetical simple forces which, compounded, could be shown to explain them.
These imagined or hypothetical forces had to be ones which would be self-evident to any reasonable inquirer who would take the trouble to look into himself.
Om een idee te geven van hoe Hobbes dat laatste zelf verwoordde, citeer ik hem uit de Inleiding tot Leviathan (p.82-3):
... whosoever looketh into himself, and considereth what he doth, he does think, opine, feare, &c, and upon what grounds; he shall thereby read and know, what are the thoughts, and Passions of all other men, upon the like occasions. I say the similitude of Passions, which are the same in all men, desire, fear, hope, &c; not the similitude of the objects of the Passions, which are the things desired, feared, hoped &c: for these the constitution individuall, and particular education do so vary, and they are so easy to be kept from our knowledge, that the characters of mans heart, blotted and confounded as they are, with dissembling, lying, counterfeiting, and erroneous docrtines, are legible onely to him that searcheth hearts. And though by mens actions wee do discover their designe sometimes; yet to do it without comparing them with our own and distinguishing all circumstances, by which the case may come to be altered, is to decypher without a key, and be for the most part deceived, by too much trust, or by too much diffidence; as he that reads, is himself a good or evil man.
Kortom, we kunnen door bij ons zelf te rade te gaan en door het gedrag van anderen waar te nemen en door rekening te houden met de bijzondere en wisselende omstandigheden waarin anderen en wijzelf handelen, een behoorlijk goed idee ontwikkelen van de menselijke sociale natuur. Mensen kunnen inzicht hebben in hoe ze in elkaar zitten, niet alleen in hun individuele, bijzondere eigenschappen, in hoe elk van hen uniek is, maar vooral ook in de algemene principes van hun gedrag, in hoe ze met anderen overeenkomen.
Natuurlijk zijn die inzichten door wetenschappelijk onderzoek corrigeerbaar, maar ook als dat nog niet gebeurd is, zijn ze waarheidsgetrouw genoeg om er de aard en oorzaken van maatschappelijke verschijnselen mee te analyseren. Voor Thomas Hobbes: om er mee te analyseren hoe mensen een sociaal inferieure toestand tot stand kunnen brengen en hoe ze een sociaal superieure toestand dichterbij kunnen brengen.
Hobbes begint zijn analyse met het inzicht dat mensen zoals alle organismen uit zijn op zelfbehoud, op de instandhouding van hun leven. Dat brengt met zich mee dat ze toestanden zoeken die ze als aangenaam ervaren (pleasure) en onaangename toestanden (pain) vermijden. Maar ook proberen ze er voor te zorgen dat ze in de toekomst meer aangename toestanden zullen ervaren en minder onaangename toestanden. Raphael verwoordt dat zo (p.30 -31):
According to Hobbes, man's desire for continued preservation leads him to desire not only pleasure now but a store of pleasure for the future, since that means a store of continued life in the future.
Anders gezegd, mensen zijn uit op een gevoel van bestaanszekerheid, een geruststellend vertrouwen dat zich in de toekomst niet allerlei rampen en bedreigingen zullen voordoen.
How can one lay up a store of future pleasure? By acquiring power. Power is the means to satisfy our desires. Therefore every man naturally desires power and more power, 'a perpetual and restless desire of power after power, that ceaseth only in death' (Leviathan, Chapter 11).
Voor dat geruststellend vertrouwen is nodig dat je het gevoel hebt dat je voldoende controle hebt over de zaken die voor jou overleving belangrijk zijn. Dus dat je voldoende macht hebt, zowel over de fysieke zaken, zoals de middelen voor onderdak en voedselzekerheid, als over sociale omstandigheden, dus over wat anderen doen of nalaten wat voor jou van belang is. Macht over de natuur en macht over anderen.
En doordat iedereen naar macht, en meer macht, streeft, en doordat alles wat aangenaam is schaars is, gaat het niet alleen om macht, maar vooral ook om machtiger zijn dan anderen. McPherson (p.34-37):
What is to be noticed here is that a man's natural power is defined not as his faculties of body and mind, but as the eminence of his faculties compared with those of other men, and that his acquired powers are those he has acquired by means of that eminence. A man's power consists of the amount by which his faculties, riches, reputation, and friends exceed those of other men.
Nu is niet iedereen in gelijke mate uit op het verwerven van meer macht. Sommigen zijn eerder tevreden en gerustgesteld dan anderen. Maar zolang er mensen zijn voor wie het streven naar macht onbegrensd is, en die zijn er altijd, moet iedereen zich daar tegen verdedigen en zal er zich onvermijdelijk een machtsstrijd van allen tegen allen ontwikkelen.
It is only if some men's desires are without limit that the other men are necessarily moved to resist having some of their powers transferred (and the only way they can resist is to get into the struggle for power). (...)
Everyone, those with moderate as well as those with immoderate desires, is necessarily pulled into a constant competitive struggle for power over others, or at least to resist his powers being commanded by others. Man's need for power has now become a necessarily harmful thing.
Daarmee zijn we dus aanbeland bij die sociaal inferieure toestand, van wanorde en burgeroorlog, die mensen met elkaar tot stand kunnen brengen. Mensen zitten zo in elkaar dat ze streven naar lijfsbehoud en naar het uitzicht op lijfsbehoud in de toekomst. Daar hebben ze macht voor nodig en doordat ze elkaar in de weg kunnen zitten, meer macht dan anderen. Als bovendien dat machtsstreven ongeremd is, niet noodzakelijkerwijs bij iedereen, dan is een voortdurende onderlinge machtsstrijd het onvermijdelijke gevolg.
McPherson wijst er in zijn Inleiding op (p. 37) dat Hobbes al deze inzichten ontleent aan zijn observaties van zijn eigen gedrag en dat van de mensen om hem heen en van de maatschappij waarin hij leefde. De maatschappij die McPherson als de bourgeois market society kenschetst. Hij doet dat in de eerste 11 hoofdstukken van Leviathan. Hij beoefent daar wat we tegenwoordig sociale wetenschap noemen, met het middel dat hem ter beschikking stond; zo goed mogelijk observeren. Pas later (in hoofdstuk 13) introduceert hij de "denkbeeldige natuurtoestand" waarmee hij vaak wordt vereenzelvigd, de toestand waarin het leven solitary, poore, nasty, brutish, and short is. Voor zijn conclusie dat mensen die sociaal inferieure toestand tot stand kunnen brengen, heeft hij die natuurtoestand niet nodig.
En hij bleef beoefenaar van sociale wetenschap toen hij vervolgens wilde uitzoeken hoe mensen uit die sociaal inferieure toestand kunnen ontsnappen. Daarover meer in het vervolg.




