woensdag 12 augustus 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 46 - Het is dus niet zo vreemd dat ik in die anomietheorie geïnteresseerd raakte

We treffen dus bij Durkheim het betoog aan dat mensen uitgerust zijn met een rechtvaardigheidsgevoel als ze in de marktmaatschappij terecht zijn gekomen. Hier het vorige bericht. Als in markttransacties geen gelijkwaardigheid bestaat, als de een gedwongen is voorwaarden te accepteren die door de ander zijn opgelegd, dan ervaren mensen dat als onrechtvaardig en dus onwenselijk. Een afwijking van het gelijkwaardigheidsbeginsel wordt afgekeurd (p.382-3 van mijn editie van The Division of Labor in Society):

... public conscience generally has a somewhat lively sentiment of this deviation. It finds unjust every exchange where the price of the object bears no relation to the trouble it cost and the service it renders.

Maar dan komt natuurlijk meteen de vraag op waar die afwijkingen dan vandaan komen. Als iedereen die gelijkwaardigheid zo wenselijk vindt, waardoor zijn dan niet alle transacties gelijkwaardig? Anders gezegd, hoe kan er dan toch anomie bestaan?

Het antwoord daarop vinden we in deze ene zin op p.383:

To be sure, we sometimes desire more for our product than it is worth; our ambitions are limitless and, consequently, are moderated only because they are restrained by those of others.

Onze ambities zijn grenzeloos. 

Wat hebben we? Durkheims theorie over de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur, waarin mensen enerzijds streven naar gelijkwaardige sociale verhoudingen, maar anderzijds grenzeloze ambities hebben. Waarin die ambities van de een onvermijdelijk botsen met de ambities van de ander. Een menselijke sociale natuur die twee maatschappelijke toestanden mogelijk maakt, een van gelijkwaardige verhoudingen en een van botsende ambities en dus van competitie. Waarbij die toestand van gelijkwaardigheid superieur is aan de toestand van competitie, die immers de toestand is van anomie.

Ik denk dat ik dat destijds, in de jaren 70, toen ik me voor die anomietheorie begon te interesseren en er colleges over gaf, nog niet zo helder voor ogen had. Ik was toen niet in staat om het zo te formuleren als in de vorige alinea. Daar moesten kennelijk nog vele decennia over heen gaan om zo ver te komen. Denk aan Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen uit 2020. Maar ik moet er een vaag vermoeden van hebben gehad dat hier iets belangrijks gebeurde, waar ik me in moest gaan verdiepen.

Twee jaar later, in het hoofdstuk van Le Suicide (1896) over de
anomische zelfmoord, werkte Durkheim die anomietheorie verder uit. Dat boek staat geheel in het teken van de leer van de sociale feiten: statistische verbanden tussen onafhankelijke variabelen als kerkgenootschap (protestants, katholiek) of de toestand van de economie en het zelfmoordcijfer als de afhankelijke variabele. Maar het gaat natuurlijk over mensen en sociale processen als Durkheim probeert om die verbanden te verklaren. 

In dat hoofdstuk over anomische zelfmoord komen we opnieuw het idee van die grenzeloze ambities tegen (p.247 van mijn editie van Suicide. A Study in Sociology uit 1966). Mensen hebben in vergelijking met dieren het vermogen tot een

... more awakened reflection (that) suggests better conditions, seemingly desirable ends craving fulfillment. Such appetites, however, admittedly sooner or later reach a limit which they cannot pass. But how to determine the quantity of well-being, comfort or luxury legitimately to be craved by a human being? Nothing appears in man's organic nor in his psychological constitution which sets a limit to such tendencies. (...)

It is not human nature which can assign the variable limits necessary to our needs. They are thus unlimited so far as they depend on the individual alone. Irrespective of any external regulatory force, our capacity for feeling is in itself an insatiable and bottomless abyss.

Een onverzadigbare en bodemloze afgrond, die mensen tot zelfmoord kan drijven als die zich voor hen opent. Wanneer is dat het geval? In tijden van crisis, van (p.246):

disturbances of the collective order. Every disturbance of equilibrium, even though it achieves greater comfort and a heightening of general vitality, is an impulse to voluntary death. Whenever serious readjustments take place in the social order, whether or not due to a sudden growth or to an unexpected catastrophe, men are more inclined to self-destruction.

Dat laatste slaat op de statistieken die Durkheim aanhaalt die laten zien dat het zelfmoordcijfer zowel in tijden van economische rampspoed als economische voorspoed toenemen. 

Want in zulke tijden verzwakt die externe regulerende kracht. Die bestaat eruit dat de maatschappij, het collectief, ons vertelt wat moreel juist en rechtvaardig is om na te streven (p.249):

Men would never consent to restrict their desires if they felt justified in passing the assigned limit. But (...) they cannot assign themselves this law of justice. So they must receive it from an authority which they respect, to which they yield spontaneously. Either directly and as a whole, or through the agency of one of its organs, society alone can play this moderating role; for it is the only moral power superior to the individual, the authority of which he accepts.  

Een maatschappij verkeert kort gezegd in een sociaal superieure toestand als die externe regulerende kracht sterk genoeg is. Als de sociale verhoudingen overeenkomen met "het morele bewustzijn" van de maatschappij. Dan worden de verhoudingen tussen wat iemand inbrengt en wat hem dat oplevert als rechtvaardig geaccepteerd. 

According to accepted ideas, for example, a certain way of living is considered the upper limit to which a workman may aspire in his efforts to improve his existence, and there is another limit below which he is not willingly permitted to fall unless he has serieoulsy beneamed himself. Both differ for city and country workers, for the domestic servant and the day-laborer, for the business clerk and the offical, etc. Likewise the man of wealth is reproved if he lives the life of a poor man, but also if he seeks the refinements of luxury overmuch.

Eigenlijk treffen we hier dus een sociologie aan die een verbetervak wil zijn. Uitgerekend bij Durkheim die we tot de grondleggers rekenen van de leer van de sociale feiten en van de variabelensociologie. Er is een sociaal superieure toestand van sociale rechtvaardigheid en een inferieure toestand van anomie. Dezelfde Durkheim die zich ook afvraagt hoe we die sociaal superieure toestand dichterbij kunnen brengen. Dat doet hij in het laatste hoofdstuk, met de titel Practical Consequences. In het vervolg meer daarover.

Maar het is dus niet zo vreemd dat ik, ergens in het midden van de jaren 70, in die anomietheorie geïnteresseerd raakte.

woensdag 29 juli 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 45 - O ja, dat is waar ook. Het andere gezicht van Durkheim

Van de twee gezichten van de klassieke socioloog Emile Durkheim, dat van de leer van de "sociale feiten" en dat van het morele criterium van de rechtvaardige maatschappij, is in de invloed die van hem op de ontwikkeling van het vak is uitgegaan, het tweede volledig ondergesneeuwd door het eerste. Hier het vorige bericht. Die leer van de sociale feiten verschafte de grondslag voor de top-down variabelensociologie, waarin de waardevrijheid van het doen van onderzoek werd verward met de waardevrijheid van het vak. Voor een vak dus dat de eigen wetenschappelijkheid zo opvat dat het beoordelen van maatschappelijke toestanden naar een uit de menselijke sociale natuur voortkomend moreel kader is uitgesloten.

Maar in dat vorige bericht zagen we dat Durkheim ook een ander gezicht kan aannemen. De mens is een sociaal wezen. Mensen hebben het nodig om onderdeel te zijn van een groter geheel. In de marktmaatschappij is dat een geheel van relaties en transacties tussen mensen die aan elkaar gelijkwaardig zijn. Waarin dus de onderlinge verhoudingen als rechtvaardig worden gevoeld. Aan de morele eis van gelijkwaardigheid is niet voldaan als de ene partij over zoveel meer middelen beschikt dat hij de ander voor hem ongunstige voorwaarden kan opleggen. Er heerst dan een toestand van anomie, die inferieur is aan een toestand van gelijkwaardigheid.

Ik moet eerlijk zeggen dat dat andere gezicht van Durkheim ook bij mijzelf wat was weggezakt. Voor het schrijven van het vorige bericht pakte ik mijn stukgelezen exemplaar van The Division of Labor in Society weer eens uit de boekenkast. En ik kwam bij de betreffende passages terecht (zie de citaten in het vorige bericht) en ik zag dat ik die in een ver verleden allemaal van potloodonderstrepingen had voorzien. Ik dacht; O ja, dat is waar ook, dat was óók Durkheim. En ik bedacht me dat ik in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen juist ook naar die Durkheim had moeten verwijzen.

Stel je even voor dat het omgekeerd was geweest, dat dit tweede gezicht van Durkheim serieuzer was genomen dan het eerste en wat dat had betekend voor de verdere ontwikkeling van het vak. 

Sociologie was dan een vak geweest dat tegenwicht had geboden tegen de grote maatschappelijke invloed van een vak economie waarin gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid als onbelangrijk of zelfs als economisch schadelijk worden behandeld. Waarin maatschappelijke ongelijkheid juist gunstig zou zijn voor economische groei. Waarin machtigen hun voorwaarden kunnen opleggen aan machtelozen. Waarin een uitzendsector kan bestaan met uitbuiting als verdienmodel. Waarin de machtsverhoudingen met zich meebrengen dat de groei van de lonen structureel achterblijft bij de groei van de productiviteit. Waarin de machtsverhoudingen ertoe leiden dat de democratie, de institutionele vormgeving van gelijkwaardigheid, wordt bedreigd.

Maar zo ging het dus niet. Ik zou willen dat er ooit eens een wetenschapshistoricus uitzoekt hoe dat vak sociologie zich zo curieus heeft kunnen ontwikkelen. 

In het volgende bericht gaat het weer over hoe het met die anomietheorie verder ging.  

dinsdag 28 juli 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 44 - Durkheim en de oorsprong van de anomietheorie

De oorsprong van die anomietheorie waarmee ik het vorige bericht afsloot ligt al in het werk van Emile Durkheim. In zijn functionalistische systeemdenken bedreigde de ontwikkeling van de marktmaatschappij, in zijn woorden: de groei van de arbeidsverdeling, de solidariteit die voor de instandhouding van het sociale systeem noodzakelijk is. Maar er vindt een terugkoppeling plaats: de arbeidsverdeling zorgt zelf wel weer voor het zich ontwikkelen van een nieuwe vorm van solidariteit. Berustte de vroegere  "mechanische solidariteit" erop dat mensen in hun levensomstandigheden sterk met elkaar overeenkwamen en daardoor gemakkelijk vriendschappelijke verhoudingen tot stand brachten, zouden die verhoudingen in de nieuwe marktmaatschappij juist ontstaan doordat mensen van elkaar verschillen en daardoor elkaar aanvullen. In dat sociale systeem van de arbeidsverdeling draagt iedereen zijn eigen steentje bij aan het geheel en voelen mensen zich daardoor met elkaar verbonden. Er ontwikkelt zich een "organische solidariteit". Denk terug aan Het top down van het structureel-functionalisme.

Dat had Durkheim natuurlijk fraai bedacht, maar hij keek genoeg om zich heen om waar te nemen dat de maatschappelijke werkelijkheid er anders uitzag. Hij moet zich hebben afgevraagd hoe hij daarmee om moest gaan. Zijn oplossing (voor het zelf gecreëerde probleem van het systeemdenken) was dat hij "abnormale vormen" van arbeidsverdeling invoerde en daar in 1893 Deel 3 van zijn The Division of Labor in Society aan wijdde. In het eerste hoofdstuk van dat deel gaat het over de "anomische arbeidsverdeling". En precies daar ontmoeten we de oorsprong van die anomietheorie. En algemener van het sociologische onderzoeksterrein van het afwijkende gedrag.

Durkheim maakt eigenlijk pas daar, na veel omhaal van woorden, duidelijk wat hij verstaat onder een normale, en dus ook een abnormale, arbeidsverdeling (p.372 van mijn editie, cursivering van mij):

For, normally, the role of each special function does not require that the indivual close himself in, but that he keeps himself in constant relations with neighboring functions, take conscience of their needs, of the changes which they undergo, etc. The division of labor presumes that the worker, far from being hemmed in by his task, does not lose sight of his collaborators, that he acts upon them, and reacts to them. He is, then, not a machine who repeats his movements without knowing their meaning, but he knows that they tend, in some way, towards an end that he conceives more or less disntinctly. He feels that he is serving something.

Hij voelt dat zijn inspanningen in dienst staan van iets wat groter is dan hijzelf. En daarmee voelt hij zich onderdeel van een groter geheel. Natuurlijk merken we dan allereerst op dat Durkheim hier ad hoc het domein van de "sociale feiten" verlaat en een veronderstelling over de menselijke sociale natuur invoert. En we merken op dat die veronderstelling cruciaal en interessant is. Hij opent het venster waardoor we zicht krijgen op wat een abnormale, anomische toestand van de arbeidsverdeling is.

Want een toestand waarin mensen zich onderdeel voelen van het grotere geheel is een toestand waarin de onderlinge verhoudingen die uit de arbeidsverdeling voortkomen, als rechtvaardig worden ervaren. Die verhoudingen komen tot stand door middel van ruiltransacties en de uitkomsten van die transacties zijn rechtvaardig als voor iedere verkoper de opbrengsten van de ruil overeenkomen met de inspanningen die zijn verricht (de arbeid) en met de waarde die het geruilde product heeft voor de verkoper. (Durkheim gebruikt hier dezelfde arbeidswaardeleer als die van Karl Marx.) Een ruiltransactie is dus onrechtvaardig als (p.383-4):

... the price of the object bears no relation to the trouble it cost and the services it renders.

This definition set forth, we shall say that a contract is fully consented to only if the services exchanged have an equivalent social value. Under these conditions each receives in effect the thing he desires and delivers what he gives in return so that each has a value for the other.

Eenvoudiger gezegd, wil de marktmaatschappij als rechtvaardig worden beoordeeld, dan horen alle transacties plaats te vinden tussen aan elkaar gelijkwaardige partijen. Dat is het morele criterium ("the moral conditions of exchange") waar de marktmaatschappij aan behoort te voldoen. En daaraan is niet voldaan:

If one class of society is obliged, in order to live, to take any price for its services, while another can abstain from such action thanks to resources at its disposal which, however, are not necessarily due to any social superiority, the second has an unjust advantage over the first at law. In other words, there cannot be rich and poor at birth without there being unjust contracts. This was still more the case when social status itself was hereditary and law sanctioned all sorts of inequalities.

Laten we er even bij stil staan dat we hier, bij Durkheim in 1893, wel degelijk een theorie tegenkomen die het mogelijk maakt een sociaal inferieure toestand (een toestand van anomie, dus van ongelijkheid en daardoor onderdrukking van de een door de ander) te onderscheiden van een sociaal superieure toestand (een van rechtvaardige verhoudingen). Bij dezelfde Durkheim dus die als de grondlegger wordt beschouwd van dat top-down systeemdenken waarin er geen menselijke sociale natuur zou bestaan waaraan een maatschappelijke toestand kan worden beoordeeld. Een sociologie die nooit problemen zag ontstaan.

Om alle mogelijke twijfel weg te nemen (p.387-8):

The task of the most advanced societies is, then, a work of justice. That they, in fact, feel the necessity of orienting themselves in this direction is what we have already shown and what every-day experience proves to us. Just as the ideal of lower societies was to create or maintain as intense a common life as possible, in which the individual was absorbed, so our ideal is to make social relations always more equitable, so as to assure the free development of all our socially useful forces. (...)

Just as ancient people needed, above all, a common faith to live by, so we need justice ...

De oorsprong van de anomietheorie ligt dus bij de Durkheim die in 1893 inzag dat mensen, als ze in een marktmaatschappij leven, rechtvaardige verhoudingen nodig hebben. Vier jaar later, in Le Suicide, werkte hij dat inzicht verder uit. Daarover en over de latere ontwikkelingen in die anomietheorie meer in het vervolg.

Maar het valt dus goed te begrijpen dat die anomietheorie tijdens mijn studie en later in de 70 toen ik er colleges over gaf, mijn belangstelling wekte. Ik denk dat ik er iets in aantrof van mijn verwachting dat het in de sociologie zou moeten gaan om "mens en menselijkheid". Hier het vervolg.

maandag 20 juli 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 43 - De sociologie van het afwijkend gedrag

Waarmee zou ik mij gaan bezighouden nadat ik halverwege de jaren 70 afscheid had genomen van de wetenschapsfilosofie? Hier het vorige bericht. 

Het terrein van de "algemene en theoretische sociologie" was gefragmenteerd. In het Groningse studieprogramma kwam dat tot uiting in het algemeen verplichte tweedejaarsvak Referentiekaders, waarin, naar mijn beste herinnering, naast het structureel-functionalisme, de ruiltheorie, de conflicttheorie en het symbolisch interactionisme werden behandeld. Dat symbolisch interactionisme leek me wel interessant, want dat ging over mensen, en dus werd ik de docent die voor dat college verantwoordelijk was. (Vraag me niet waar die pretentieuze titel Referentiekaders vandaan kwam.) 

Maar er was in het studieprogramma ook een aanzienlijke "vrije ruimte", vakken waarvan studenten een aantal moesten kiezen. Die ruimte was er doordat de studieduur toen nog vijf jaar bedroeg. Dat had het grote voordeel dat het programma veel minder dan na de studieduurverkorting in 1982 was "dichtgetimmerd".  Studenten werden uitgedaagd om eigen interesses te ontwikkelen. Maar dat gold natuurlijk ook voor de docenten, die vakken konden aanbieden. Ik herinner me dat ik zogenaamde leescolleges aanbood, waarin we werk van Max Weber, Georg Simmel en George Herbert Mead lazen en bespraken.

En ik herinner me dat ik een aantal jaren het vak "afwijkend gedrag" gaf.

Afwijkend gedrag? Ja, dat zat zo. In dat functionalistische top-down denken, dat zo bepalend was voor (en nog steeds van invloed is op) de identiteit van het vak, stond de instandhouding van het sociale systeem voorop en was menselijk handelen daarvan een afgeleide. Voor die instandhouding was nodig dat allerlei sociale posities, met bijbehorende rolverwachtingen, werden ingenomen. Mensen werden geacht zich naar die verwachtingen te gedragen. Dat kon ook, want mensen zouden immers aan de evolutie zijn ontstegen, zouden met een Blank Slate, als een tabula rasa, de samenleving binnenkomen om vervolgens te internaliseren wat die samenleving eiste en verwachtte. Dat top-down denken was een onvermijdelijk gevolg van de keuze voor een eigen domein, dat van de "sociale feiten".

Hoewel dit soort denken breed werd omarmd, als socioloog werd je geacht het met de nodige eerbied te aanvaarden, was het natuurlijk flagrant in strijd met wat iedereen kon waarnemen. Mensen worden nu eenmaal niet als een tabula rasa geboren en volgen niet willoos wat de samenleving van hen verwacht.

Zelfs de top-down denkers moesten dat wel onder ogen zien. Precies daardoor ontstond het onderzoeksterrein van het afwijkende gedrag, het gedrag dat afweek van wat de samenleving verwachtte. Hoe kon dat bestaan? Konden er verklaringen worden gevonden die zoveel mogelijk van dat top-down denken in stand hield?

Zo ontstond er een nieuw onderzoeksterrein, met eigen leerboeken en tijdschriften. Ik zocht even op "deviant behavior sociology" en kwam terecht bij de veertiende editie uit 2011 van het Amerikaanse leerboek Sociology of Deviant Behavior  van Marshall B. Clinard en Robert F. Meier. Ik vermoedde dat de eerste editie wel ergens rond 1960 zou zijn uitgebracht en dat blijkt te kloppen: hij is van 1957. Toen ik er wat doorheen scrolde, viel me op hoe moeizaam en omslachtig de auteurs proberen om sterk uiteenlopende onderwerpen, criminaliteit, drugsgebruik, alcoholisme, suïcide, fysieke handicaps, homoseksualiteit en psychische aandoeningen onder één theoretisch kader te behandelen. 

Afwijkend gedrag wordt gedefinieerd als gedrag dat afwijkt van de heersende normen, maar dat en hoe het bestaan van die normen samenhangt met de noodzaak van instandhouding van het sociale systeem, blijft gemakshalve buiten beschouwing. Opgemerkt wordt dat de normen in een gedifferentieerde en gestratificeerde maatschappij als de onze tussen groepen kunnen verschillen en dat afwijkende gedrag dus een relatief begrip is. Maar het top-down denken blijft gehandhaafd, in de zin dat ook het afwijkende gedrag aangeleerd gedrag is (p.24):

Deviants are members of society who come to adopt roles identified with deviance. Just as people learn conventional norms and social roles, they also learn deviant roles and patterns of behavior.

Niettemin erkennen de auteurs dat de mens een biologisch organisme is, dat mensen in aanleg kunnen verschillen en dat die verschillen relevant zijn voor de kans op vormen van afwijkend gedrag, zoals verslaving en criminaliteit (p. 61-4). Maar de stap naar een theorie over de menselijke sociale natuur ontbreekt, hoewel in de paragraaf over psychische aandoeningen melding wordt gemaakt van inherente basisbehoeften, in het bijzonder de behoefte aan veiligheid (p.64):

Psychiatric explanations of deviance commonly emphasize that every person at birth feels certain inherent, basic needs, in particular the need for emotional security. Furthermore, deprivations of these universal needs during early childhood lead individuals to form abnormal personality patterns. 

En in het hoofdstuk over homoseksualiteit wordt het onderzoek naar een biologische basis behandeld en gaat het over de vraag naar de maatschappelijke acceptatie dan wel afwijzing (homofobie). 

Tenslotte: in een apart hoofdstuk behandelen de auteurs de bestaande vijf sociologische theorieën over afwijkend gedrag; de anomietheorie, de conflicttheorieën, de etiketteringstheorie, de controletheorie en de leer- of socialiseringstheorie. Ik vond destijds die anomietheorie belangrijk en interessant en daarom kom ik daar in het volgende bericht op terug.

woensdag 8 juli 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 42 - Joop Ellemers en de variabelensociologie

Kortom, hier het vorige bericht, het vak sociologie zoals dat in de loop van de vorige eeuw academische erkenning kreeg, ontbeerde de ingrediënten om een verbetervak te worden. De maatschappij moest niet als mensenwerk gezien worden, maar als een nog onbekend domein van "sociale feiten" waartussen door middel van onderzoek verbanden dienden te worden opgespoord. Door nu maar steeds veel onderzoek te doen, zouden gaandeweg de geheimen van dat nog onbekende domein worden ontrafeld. Zo ontwikkelde zich de wat ik variabelensociologie noemde.Zie De theoretische onbestemdheid van de variabelensociologie en De variabelensociologie stuurt ook de probleemkeuze

Sociologische theorieën konden uitsluitend bestaan uit voorspelde samenhangen tussen variabelen. En sociologische inzichten uitsluitend uit gevonden statistische verbanden tussen die variabelen. Dat er zich achter die verbanden sociale processen, en dus mensenwerk, afspeelden, dat diende te worden genegeerd. Sociologie werd een vak met een zelfgekozen handicap, die toepassing en beleidsadvisering uitsloot.

Daar moest wel een reactie op komen. En die kwam er, in de vorm van de voorstanders van de compositieve methode en van het methodologisch individualisme. Maar dat ging niet gepaard met een herbezinning en heroriëntatie van het vak als geheel. De meeste sociologen bleven zo goed en zo kwaad als het ging roeien met de riemen van die variabelensociologie. Ze waren daar nu eenmaal in gesocialiseerd en bleven de leer van de "sociale feiten" aan de nieuwe generaties doorgeven. Misschien niet altijd om heel serieus te nemen, maar dan toch op zijn minst als een retoriek waarmee de identiteit van het vak werd vereenzelvigd. 

Toch was er in een enkel geval een serieuze reflectie. Ik moet

denken aan een interessant, maar weinig opgemerkt, artikel van Joop (J.E.) Ellemers (1930 - 2015) uit 1976: Veel kunnen verklaren of iets kunnen veranderen:krachtige versus manipuleerbare variabelen, dat ik aanhaalde in De twee talen van de sociologie

Interessant, omdat Joop (ik heb hem als collega en medebestuurder van de Groningse sociologie-subfaculteit goed gekend en gewaardeerd, maar zal in het vervolg toch de achternaam gebruiken) daar wees op de problemen van die variabelensociologie. Ik begin met een citaat waarin hij dat soort sociologie fraai karakteriseert (p. 283):

Door het soort theorieën die zij in het algemeen trachten te ontwikkelen, (...) zijn sociologen zeer geïnteres­seerd in het opsporen van zo sterk mogelijke ver­banden tussen variabelen. Dit ligt natuurlijk zeer voor de hand. Men wil nu verklaren waarom iets zo is en dit zo goed mogelijk doen. Nu blijkt dat verre­weg de meeste sociale verschijnselen, of het nu deel­name aan voortgezet onderwijs, participatie aan be­paalde vormen van cultuur, gezinsgrootte, danwel sociale problemen als criminaliteit, armoede of slechte huisvesting zijn, veelal in sterke mate be­paald worden door een beperkt aantal variabelen. Deze variabelen zijn: inkomen, opleidingsniveau, beroep, sociaal milieu, waarde-oriëntaties, gods­dienst, leeftijd, geslacht, woonplaats (stad-platteland).

Dat is in een notendop de sociologie in de tijd dat ik studeerde. Als je onderzoek deed, dan werd je geacht die rij onafhankelijke variabelen standaard mee te nemen, er op hopend dat er statistisch significante verbanden met je afhankelijke variabele uit tevoorschijn zouden komen. Ik herinner me dat iemand betreurde dat de onafhankelijke variabele religie "steeds minder deed." Het was inderdaad een "theoretisch onbestemd" soort sociologie.

Het probleem is nu dat je met het soort inzichten dat zulk onderzoek oplevert, weinig hebt als het om toepassing en beleidsadvisering gaat. Want aan zulke basisvariabelen (dus "oorzaken") valt weinig te veranderen, te "manipuleren". Ze zijn wel "krachtig", in de zin dat ze veel verklaren (nou ja, veel), maar je hebt er weinig aan als je een sociologie wilt die zich leent voor toepassing, die iets wil veranderen of zelfs verbeteren, kortom een sociologie die "er toe doet".

Ellemers is vervolgens heel duidelijk over de oplossing voor dit probleem (p. 284-5): kies een ander theoretisch kader of een ander analyseniveau. En welk kader of analyseniveau is dat? Jawel, dat van het menselijk gedrag, dat van wat mensen kunnen en willen. In voorbeelden die hij geeft, gaat het dan ineens over "in­dividuele belangen en kosten en baten" en over een innovatie die ander gedrag mogelijk maakt.

Kortom, verlaat de variabelensociologie en breng de mens terug. Je zou verwachten dat Ellemers dan ook die conclusie met zoveel woorden zou trekken. Dat hij zou pleitten voor de compositieve methode, voor het methodologisch individualisme, voor het zo voor de hand liggende inzicht dat de maatschappij mensenwerk is. Maar die stap was te groot.

En dat staat eigenlijk wel voor de onduidelijke toestand waarin de sociologie nog steeds verkeert. Het vak heeft nooit als vak afscheid genomen van de uitgangspunten van die variabelensociologie. Het heeft er, ondanks Homans in 1964, nooit onomwonden en openlijk voor gekozen om de mens terug te brengen. Als die al terugkwam, dan was het door de achterdeur. Hier het vervolg.

(Afbeelding overgenomen van https://jagdaf.nl/wp-content/uploads/2020/01/jgdf.132.pdf)

dinsdag 23 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 41 - Persoonlijke standpunten (Van Doorn) of meningen (Schuyt)

Hoewel Van Doorn dus heel kritisch was op de concentratie van het vak sociologie op het doen van onderzoek, met verwaarlozing van toepassing en beleidsadvisering, vroeg hij zich niet af waar die opvallende concentratie op onderzoek vandaan kwam. Hier het vorige bericht. Er was in zijn ogen verder niets mis met het vak. Sociologen zouden zich naast het doen van al dat onderzoek ook eens meer moeten gaan interesseren voor toepassing en beleidsadvisering. Waarom ze dat niet deden, en waardoor sociologie geen verbetervak was, zoals bijvoorbeeld het vak economie dat wel was, die vraag kwam niet bij hem op. 

Daardoor ontging het hem dat die concentratie, ja, fixatie, op onderzoek voortkwam uit het vak zoals het was. Als alles wat sociologen kunnen weten over de menselijke samenleving uitsluitend tot stand kan komen door wetenschappelijk onderzoek en als de menselijke sociale natuur als een tabula rasa dient te worden beschouwd, dan rest er weinig anders dan dat nog onbekende terrein van de maatschappij maar zoveel mogelijk te onderzoeken en te hopen dat zulks op den duur inzichten op zal leveren waar je in de praktijk en in het beleid wat mee kunt. Het alledaagse inzicht dat de menselijke samenleving door mensenwerk tot stand komt en dus als alle mensenwerk kan worden bestudeerd en verbeterd, moet immers als onwetenschappelijk worden genegeerd. 

Het is ook in die trant dat Van Doorn in 1964 probeerde om aan te geven hoe die oriëntatie op toepassing en beleid er uit zou moeten zien. Daarin gaat het niet over mensen, hun gedrag en de mogelijkheden om dat gedrag te beïnvloeden en te veranderen. Het gaat er over (p.110) "dat het functioneren van iedere samenleving en van ieder sociaal systeem, groot en klein, slechts mogelijk is indien bepaalde centrale processen tenminste enigermate geregeld plaats vinden." En het gaat over (p.150-155): richtpunten die gevonden dienen te worden "in de cultuur en inrichting van onze democratische maatschappij", over "institutionele componenten", waarin "de maatschappelijke orde als geheel vorm krijgt en veranderingen verwerkt", over "onderling min of meer samenhangende organisatievormen, die er borg voor staan dat de belangenbehartiging - zo men wil: de vervulling van de specifieke maatschappelijke functies - zo goed mogelijk kan plaats vinden", over "het raamwerk der institutionele normen" waarin ook de socioloog zijn normen vindt, over de "betrokkenheid op de centrale strijdvragen binnen de sector van zijn werkzaamheid", waardoor hij (de socioloog) "de gelegenheid (krijgt) een standpunt te kiezen en te verdedigen, waardoor zijn intellectuele bijdragen tot waarlijk professionele bijdragen kunnen uitgroeien en als zodanig begrepen kunnen worden."

De structuur van de instituties en organisaties dwingt de socioloog zich bezig te houden met de instanties, die de maatschappelijke beslissingen uiteindelijk nemen. Hij moet, gegeven deze realiteit, zich analytisch zo dicht mogelijk wagen in de buurt van de krachtencentra in onze samenleving. Het is één ding via onderzoek aan te tonen, dat arbeiders in bedrijven een eigen groepsgedrag vertonen, los van de gestelde organisatie; het is al iets méér te ontdekken dat dit gedrag een verzet inhoudt tegen alle organisatie; maar uiteindelijk zal de hoofdtaak van deze socioloog moeten bestaan in het helpen opsporen van de meest adequate organisatie van het moderne bedrijf.

Voor de sociologie-opleiding zou dit moeten betekenen dat "niet zozeer de 'scientist' als wel de 'professional'" als model dient. 

Terwijl de eerstgenoemde de maatschappij uitsluitend als studieobject ziet, heeft de tweede de maatschappij als 'cliënt'. Hij gebruikt zijn wetenschappelijke inzichten om maatschappelijke vraagstukken op te lossen, niet slechts om deze te verklaren. Hij beweegt zich niet uitsluitend in de kring der vakgenoten, zoals de wetenschapsbeoefenaar, maar in de diverse maatschappelijke milieus. Zijn problemen en zorgen zijn die van de maatschappelijke sector waar hij werkt, niet van de wetenschappelijke sector die hem leerde werken.

Wat hebben we? We hebben een vak sociologie dat de maatschappij uitsluitend op het macro-niveau bestudeert, als een systeem van bepaalde centrale processen, institutionele componenten, organisatievormen, maatschappelijke functies en institutionele normen. Een systeem is er op ingericht om op "problemen" met terugkoppeling te reageren en zo zichzelf in stand te houden. Als de maatschappij de cliënt is, dan zijn er maatschappelijke sectoren die met problemen te kampen hebben en ze aan de socioloog als professional voorleggen. Die maakt vervolgens die problemen tot de zijne, want "zijn problemen en zorgen zijn die van de maatschappelijke sector waar hij werkt". Dat moet wel betekenen dat hij de overstap maakt van de wetenschap van het systeem naar het systeem zelf.

Dat roept meteen twee vragen op. Waar komen de problemen vandaan? En wat heeft de socioloog-professional te bieden?

Het antwoord op die eerste vraag kennen we al. Het vak sociologie heeft niet een theoretisch kader waarmee het als vak maatschappelijke problemen kan aanwijzen. Het theoretische kader dat er wel is, is dat van het systeemdenken en daarin zijn er eigenlijk geen problemen, want verstoringen van het evenwicht worden door terugkoppeling opgelost. Er is alleen de werking van het systeem en nu citeer ik mezelf:

waarin mensen geacht worden zo flexibel te zijn dat ze zich aanpassen aan wat het systeem vraagt. En waarin wordt genegeerd dat er een menselijke sociale natuur zou kunnen bestaan, met vaardigheden en behoeften, waaraan de uitkomsten van de werking van het sociale systeem kunnen worden beoordeeld. 

Problemen kunnen niet uit het vak zelf tevoorschijn komen, ze worden door de maatschappij aangeleverd. We zagen al dat dit er wel toe moest leiden dat de socioloog weliswaar sociale problemen bestudeert, maar dat die pas kunnen optreden als ze door de mensen zelf als zodanig worden ervaren en opgemerkt.

En wat de socioloog-professional dan te bieden heeft is nog niet eens zo duidelijk. Hij zou eigenlijk vanuit dat systeemdenken standaard kunnen adviseren om gewoon de werking van het systeem, de terugkoppelingen, af te wachten. Maar dat is zo'n zwaktebod dat je je goed kunt voorstellen dat sociologen zich dan maar liever niet aan advisering wagen en zich tot het doen van onderzoek beperken. En een theoretisch kader over de voorwaarden waaronder het systeem zijn werk doet, zoals waar de economen op kunnen terugvallen als het gaat over de werking van het marktmechanisme, staat hen niet ter beschikking. Hoe kan hij "de hoofdtaak" van "het helpen opsporen van de meest adequate organisatie van het moderne bedrijf" uitvoeren als er een sociologisch normatief kader ontbreekt over wat adequaat is?.

Wat dan wel te doen? Wat er lijkt over te blijven is dat je inderdaad de overstap maakt naar het systeem zelf, deel gaat uitmaken van een maatschappelijke sector, daar net als anderen "de gelegenheid (krijgt) een standpunt te kiezen en te verdedigen", en erop hoopt dat jouw standpunt om een of andere reden hoger wordt aangeslagen dan dat van anderen. Maar dat die reden er mee te maken heeft dat jouw standpunt een wetenschappelijk normatief onderbouwd advies is, dat is dan uit het zicht verdwenen.

Je zou denken dat als je hier bent aangekomen, je je zou gaan afvragen of je met dat macrosociologische systeemdenken wel op de goede weg bent. Moet je eigenlijk niet helemaal opnieuw beginnen?. De mens terugbrengen, de maatschappij zien als mensenwerk en als iets wat bestudeerd en beoordeeld moet worden aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen?

Toch hebben de meeste sociologen, laten we zeggen, het vak als geheel, die stap nooit gezet. Ik moet nu denken aan die andere invloedrijke Nederlandse socioloog, C.J. M. (Cees) Schuyt, die zich zo intensief bezighield met de opbouw van de verzorgingsstaat en de latere bijstellingen, versobering en afbraak ervan. Maar zoals ik in Een sociologie die er toe doet liet zien, ontberen zijn beschouwingen (in Steunberen van de samenleving);

een specifiek sociologisch normatief kader. Je komt er wel normatieve stellingnames in tegen, maar die worden als persoonlijke oordelen binnengehaald. Zoals wanneer het gaat om het beginsel van menselijke waardigheid en zelfrespect (p. 51), dat zonder twijfel tot de intuïties van het gemeenschapspatroon kan worden gerekend. Daardoor kom je, als het echt om beoordelingen gaat, vaak de frase “naar mijn mening”  tegen (p. 44, 45, 48, 52, 56, 87). Wat natuurlijk te verwachten is als het vak zelf niet een normatief kader te bieden heeft.

Persoonlijke standpunten (Van Doorn) of meningen (Schuyt), dat is waarop het macrosociologische systeemdenken dat meer wil doen dan alleen maar onderzoek, uiteindelijk op terugvalt. Hier het vervolg.

donderdag 18 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 40 - De sociologische vijver bleef rimpelloos

Van Doorn zag het in 1964 dus als een probleem dat het vak sociologie en dus ook de sociologie-opleidingen zo uitsluitend op het doen van onderzoek geconcentreerd waren. Hier het vorige bericht. En hij pleitte voor een bredere beroepsopvatting, waarin net als in andere academische vakken vanzelfsprekend aandacht uit gaat naar toepassing en advisering. Niet alleen naar het bestuderen van maatschappelijke problemen, maar ook naar het oplossen ervan. Uit het volgende langere citaat mag blijken dat hij dat een belangrijke en urgente kwestie vond (p.147):

Natuurlijk is onderzoek en zelfs diepgaand onderzoek vaak noodzakelijk, wil de socioloog tot bruikbare resultaten komen. Maar dat geldt ook voor andere intellectuele beroepen, waarvan de beoefenaars niettemin primair gericht zijn op het oplossen van problemen en eerst ten dienste hiervan het diepgaand onderzoeken van problemen als beroepstaak zien. Ook de arts, de advocaat, de rechter, de ingenieur en wie niet zouden vaak langer tijd voor studie en diagnose beschikbaar willen hebben. Maar als vervullers van maatschappelijke functies worden zij terecht geacht hun deel te dragen van de last, die de maatschappelijke arbeidsverdeling van allen vraagt. Wáár die last ondraaglijk wordt, moet ieder voor zichzelf vaststellen.

De beroepsrol van de sociaal onderzoeker pur sang is om die reden sociaal gezien slechts in een deel van de geboden posities adequaat. De sociologische gemeenschap kan en moet aandringen op meer fundamenteel onderzoek en op meer ruimte voor wetenschappelijke research ten behoeve van beleidsmaatregelen. Maar zij schiet tezelfdertijd tekort, indien zij deze beroepsrol zou presenteren als norm of ideaal van sociologische werkzaamheid.

Doet zij dit toch, dan verspeelt zij bovendien een belangrijk deel van haar maatschappelijke kansen. Indien de psycholoog, de econoom, de medicus of de technicus hun beroepsinterpretatie zouden beperken tot die van wetenschappelijk onderzoeker, zouden hun maatschappelijke functies tot een fractie van de huidige ineenschrompelen. Het is niet in te zien, waarom uitgerekend de socioloog met die fractie genoegen zou nemen.

Dit praktische en toch niet alleen praktische argument klemt te meer, omdat, naar men aanneemt, in de toekomst een relatief steeds kleiner deel van de afgestudeerde sociologen in onderzoek werkzaam zullen kunnen zijn. Alleen al de wassende stroom van jonge sociologen werpt de vraag op, waarheen zij moeten worden geleid en hoe zij op dit perspectief kunnen worden voorbereid. Het is een dubbele vraag: hoe is de maatschappelijke functie van de socioloog-niet onderzoeker, en hoe ziet een adequate opleiding er dan uit?

Belangrijk en urgent. Ik herinner me dat ik dit destijds las en het er natuurlijk mee eens was. Ik was immers geïnspireerd geraakt door Willem Bannings betoog dat in het vak sociologie de verantwoordelijkheid voor mens en menselijkheid voorop zou moeten staan. Dat het een verbetervak zou moeten zijn, net zo als andere vakken. Van Doorns pleidooi wees ook in de richting van een verbetervak. Er leek iets fundamenteels te mankeren aan dat vak waarin ik was terechtgekomen.

Zoals gezegd, Van Doorn werd en wordt beschouwd als een van de grondleggers van de naoorlogse Nederlandse sociologie. Dit pleidooi voor een bredere beroepsopvatting dan alleen die van onderzoeker is ongetwijfeld door vrijwel iedereen in het vak opgemerkt. Je zou verwachten dat het tot reuring en bezinning had geleid. Tot levendige discussies over de vraag of het vak wel op de goede weg was. 

Maar ik herinner me niets daarvan. Het bleef stil en de sociologische vijver bleef rimpelloos. Er veranderde zo weinig dat Arie Glebbeek en ik in 2000 konden pleitten voor een bredere sociologische beroepsopvatting met vrijwel hetzelfde citaat van Van Doorn uit 1964 als hierboven, dat aan actualiteit nog niets had verloren. En ons pleidooi, Heeft de sociologie een toekomst? Over de hardnekkige onvolledigheid van de sociologische beroepsopvatting, bracht weliswaar enige reuring teweeg, maar geen merkbare verandering (anders dan in de Groningse sociologie-opleiding, waarover later natuurlijk meer).

Hoe kon dat? Daarop terugkijkend denk ik dat het eraan lag dat het Van Doorn ontbrak aan inzicht in de mankementen van het vak zoals het bestond. Hij omarmde het vak zoals het was en vond alleen dat er een oriëntatie op toepassing en beleid aan moest worden toegevoegd. Ik meldde al dat hij invloedrijk was, maar niet in vernieuwende zin. Hij zag niet onder ogen dat die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en de fictie van het eigen domein onvermijdelijk de toeschouwersrol en de waardevrijheid van het vak met zich meebrachten. 

Dat wordt duidelijk als je je verdiept in hoe hij in 1964 die oriëntatie op toepassing en advisering vorm wilde geven. Daarover in het volgende bericht. 

dinsdag 16 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -39 - Over Jacques van Doorn en de sociologie als onderzoeksvak

Er was dus interne kritiek op het vak sociologie dat ik van 1965 tot 1971 studeerde, de kritiek namelijk van George C. Homans en James S. Coleman. En er was eerder al, in 1952, de kritiek van buiten het vak, door de econoom Friedrich Hayek. Hier het vorige bericht. In die kritiek stond kort gezegd voorop dat de mens moest worden teruggebracht in het vak. En daarmee samenhangend dat de maatschappij niet als een eigenstandig sociaal systeem diende te worden bestudeerd, maar als de voortdurend veranderende uitkomst van mensenwerk. 

Maar als je er nu op terugkijkt, moet je wel constateren dat die kritiek niet zo veel effect heeft gehad. Ik noemde al dat ik Hayek niet in mijn studie was tegengekomen. En de kritiek van Homans en Coleman leidde weliswaar tot het omarmen, ook door mijzelf, van de rationele keuzetheorie als "mensbeeld", maar de invloed daarvan op de rest van het vak bleef zeer beperkt. In de International Sociological Association kwam er als een van de tientallen een Research Committee on Rational Choice. En dat moet al lang weer zijn opgeheven, want ik kom het in het huidige overzicht niet tegen. Later, zoals gezegd, meer over die rationele keuzetheorie.

Er was nog een andere kritiek die eveneens weinig effect heeft gehad, namelijk die van de Nederlandse socioloog Jacques van Doorn (1925 - 2008). Van Doorn wordt beschouwd als een van de grondleggers van de naoorlogse Nederlandse sociologie. Hij was inderdaad invloedrijk, maar niet in vernieuwende zin. We kwamen hem al tegen in aflevering 19 van deze reeks: Het vak dat ik studeerde, was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Daarin ging het over zijn betoog uit 1955 dat de integratie van mensen in hun buurt zonder problemen kon worden vervangen door de zogenaamde functionele integratie, de contacten met collega's. De maatschappij, het sociale systeem, veranderde, stelde andere eisen aan mensen en mensen zouden zich aan sociale vluchtigheid moeten en kunnen aanpassen. De menselijke sociale natuur had op zichzelf zo weinig te betekenen, dat je hem kon opvatten als een afgeleide van de steeds veranderende maatschappelijk sociale en economische "structuren". 

Daarmee bevond Van Doorn zich natuurlijk meteen in het centrum van die top-down benadering van het structureel-functionalistische systeemdenken. Ik ben geen groot kenner van zijn werk, maar mijn indruk is dat hij daar altijd gebleven is. Je treft bij hem geen kritiek aan op het mankement van die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting, noch op het mankement van de fictie van het eigen domein, noch op het mankement, dat van de zogenaamde waardevrijheid van het vak

Maar hij constateerde wel een consequentie van het bestaan van die mankementen, namelijk dat het vak en de opleiding zich concentreerden op het doen van onderzoek. Hij deed dat al vroeg, in 1964 in zijn Beeld en betekenis van de Nederlandse sociologie, dat ik in 1967 als tweedejaars aanschafte. Als ik het me goed herinner, speelde dat boek in ons studieprogramma geen enkele rol, maar ik was nieuwsgierig.

We hebben gezien waar die concentratie op onderzoek vandaan kwam. De sociologie moest de maatschappij benaderen als een nog onbekend terrein, met als voorbeeld de natuurwetenschapper. Alles wat je al meende te weten, je alledaagse kennis, diende te worden genegeerd. Dat de processen die zich daar afspelen door gedrag van mensen gegenereerd worden, vergeet het. Van de principes van dat gedrag zijn we nog onkundig, de menselijke natuur moet als een tabula rasa worden opgevat. Alle kennis die wetenschappelijk genoemd mag worden, rijst pas op uit het onderzoek dat we verrichten. En dat onderzoek is dat van de variabelensociologie, van de "sociale feiten". Als we nu maar veel onderzoek doen, dan zullen we gaandeweg dat ons nu nog onbekende domein beter leren kennen.

Dat sociologie ook als een verbetervak zou kunnen worden beoefend, als een vak dat in een democratie beleidsvoorstellen doet met het oog op verbetering van het mensenwerk, dat komt daarin helemaal niet aan de orde. Want daarvoor zou je het alledaagse inzicht moeten toelaten dat je met mensenwerk te maken hebt, en dat is nu juist niet de bedoeling. Je mag de opgelegde beperking tot het domein van de variabelentaal, van de "sociale feiten", niet opheffen.

Van Doorn merkte dus in 1967 die concentratie op onderzoek op. Hij zag in dat de sociologie-opleidingen onderzoekersopleidingen waren, maar dat slechts een klein deel van het toen toenemende aantal afgestudeerde sociologen in het onderzoek terechtkwamen (p. 144-5):

Hoewel de ongeëvenaarde uitgroei van het sociologisch wetenschappelijk onderwijs en onderzoek aan heel wat sociologen de gelegenheid geeft deze beroepsrol te adapteren blijft daarbuiten uiteraard de veel grotere categorie van andere sociologen, die hun weg in de maatschappij moeten zoeken. Voor hen is de confrontatie met actuele maatschappelijke vraagstukken onvermijdelijk. Het is om de oplossing van die problemen dat zij maatschappelijk gevraagd zijn.

Maar:

Getrouw aan de Nederlandse traditie - en aan die van de internationaal dominerende sociologie-opvatting - zien zij hun werkzaamheid als socioloog in de eerste plaats als sociaal onderzoeker. Niet advies en zeker niet beleid, maar onderzoek is hetgeen zijn hebben te offreren.

Hun opleidingen hebben dit beroepsbeeld helpen opbouwen en bevestigen. De geleidelijke verandering der studieprogramma's en de benoemingspolitiek wijzen in de richting van een onderzoekersopleiding.

Dat Van Doorn dit als een probleem zag, dat valt in hem te prijzen. Hij had, ik denk eigenlijk als enige, door dat er iets mis was met het vak. Maar wat deed hij met dat inzicht? En wat werd er in het vak mee gedaan? Daarover meer in het vervolg.

dinsdag 2 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -38 - Mankementen gepresenteerd als verworvenheden

Het vak sociologie dat in de loop van de vorige eeuw academische erkenning kreeg, door leerstoelen en studierichtingen, was onder een verkeerd gesternte geboren. Want het leed aan het mankement van een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting, aan het mankement van de fictie van het eigen domein en uit die twee voortvloeiend aan het mankement van de waardevrijheid

Dat had niet gehoeven. Want er had zich binnen de universiteiten ook een sociale wetenschap kunnen ontwikkelen zonder die mankementen, voortbouwend op denkers als Thomas Hobbes, die de meer voor de hand liggende weg volgden om de maatschappij als mensenwerk te onderzoeken en om te proberen dat mensenwerk te verbeteren.  Dat inzicht begon in de tweede helft van de vorige eeuw ook tot sommige sociologen door te dringen. Zoals tot George C. Homans, die het voordeel had dat hij niet als socioloog was opgeleid en die er in 1964 voor pleitte om de mens in de sociologie terug te brengen. En zoals tot James S. Coleman, die op zijn beurt het voordeel had dat hij voor hij aan de sociologie-opleiding begon, al een studie technische scheikunde achter de rug had.

Maar buiten het vak sociologie waren de eigenaardigheden ervan al eerder opgevallen.  Ik noemde in het vorige bericht de econoom F.A. Hayek, die in 1952 een aantal artikelen die al in de jaren veertig waren verschenen, bijeenbracht in The Counter-Revolution of Science. Studies on the Abuse of Reason. Daarin betoogde hij dat het ontstaan van dat vak sociologie een geval is van de scientistische fout, namelijk van het slaafs toepassen van de methoden van de natuurwetenschappen op de studie van het sociale domein, van de menselijke samenleving. 

Omdat we in de natuurwetenschappen het alledaagse en bekende verklaren uit het onbekende en niet direct waarneembare, zouden we dat in de studie van de maatschappij net zo moeten doen. We moeten onze alledaagse inzichten opzij zetten en de maatschappelijke verschijnselen benaderen als nog onbekend terrein. We zullen dan regelmatigheden tegenkomen ("sociale feiten"), die we door steeds meer onderzoek hopen te kunnen verklaren uit algemenere regelmatigheden (andere "sociale feiten"). Denk aan die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting die we bij Durkheim tegenkwamen:

... als we sociologen opleiden dan moeten we hen het besef aanleren dat ze hun studieobject op dezelfde manier moeten benaderen als de natuurkundestudenten dat doen met het terrein van de kwantummechanica. Laat alles varen wat je alledaagse ervaringen je hebben geleerd over hoe mensen samenleven. Vergeet het. Er zijn voor jou als socioloog vanaf nu alleen maar de inzichten, de "sociale feiten", die door sociologisch onderzoek tot stand zijn gekomen. Je gaat een nieuw rijk binnen, net zo nieuw als het rijk van de kwantummechanica. 

Hayek bespreekt in het tweede deel van zijn boek uitvoerig de bronnen van die scientistische fout, in het werk van Saint-Simon en Comte, waar hij ook ingaat op de verrassende overeenkomsten met het werk van Hegel. En eerder al komen we die fictie van het eigen domein tegen als The Collectivism of the Scientistic Approach (hoofdstuk 6) en The Historicism of the Scientistic Approach (hoofdstuk 7). 

In dat hoofdstuk 6 treffen we fraaie karakteriseringen van wat ik de variabelensociologie noemde. In het streven om net zo "objectief" te willen zijn als de natuurwetenschappen, behandelt de variabelensocioloog sociale verschijnselen (p.94-104):

not as something of which the human mind is a part and the principles of whose organization we can reconstruct from the familiar parts, but as if they were objects directly perceived by us as wholes. (...)

... there is the rather vague idea that since "social phenomena" are to be the object of study, the obvious procedure is to start from the direct observation of these "social phenomena," where the existence in popular usage of such terms as society or economy is naively taken as evidence that there must be definite "objects" corresponding to them. (...)

The endeavor to grasp social phenomena as wholes finds its most characteristic expression in the desire to gain a distant and comprehensive view in the hope that thus regularities will reveal themselves which remain obscure at closer range. Whether it is the conception of an observer from a distant planet, (...) , or whether it is the survey of long stretches of time through which it is hoped that constant configurations or regularities will reveal themselves, it is always the same endeavor to get away from our inside knowledge of human affairs and to gain a view of the kind which, it is supposed, would be commanded by somebody who was not himself a man but stood to men in the same relation as that in which we stand to the external world.

En in hoofdstuk 7 gaat het in feite over wat ik de richting van de (marxistische) macrosociologie noemde. Zie De richting van de macrosociologie en de fout van de misplaatste concreetheid en Van Marx' visie op de menselijke sociale natuur naar zijn macrosociologie

En in de hoofdstukken 3 (The Subjective Character of the Data of the Social Sciences) en 4 (The Individualist and "Compositive" Method of the Social Sciences) maken we kennis met hoe een sociale wetenschap wel te werk zou moeten gaan. Door de maatschappij als mensenwerk te beschouwen en te bestuderen. Waardoor ook de opdracht in zicht kan komen om dat mensenwerk niet alleen te bestuderen, maar ook om daarmee inzichten te verwerven waarmee het kan worden verbeterd. 

Het treft mij als opvallend dat in de tijd dat het vak sociologie zo veelbelovend leek, en in de tijd dat ik dat vak ging studeren, er van buiten dat vak al zo'n fundamentele kritiek op was gegeven. Ik ben er vrij zeker van dat ik tijdens mijn studie, van 1965 tot 1971, noch in de colleges noch in de tentamenliteratuur de naam van Hayek ben tegengekomen. Het vak werd gepresenteerd als een gevestigd en succesvol vak. 

Natuurlijk kwamen die drie mankementen aan de orde, alleen:niet als problemen, maar integendeel als verworvenheden. Pas nadat ik aan de universiteit was aangesteld, begon die kritiek tot me door te dringen en ging ik Hayek lezen. Zodat ik het in 1981 in mijn proefschrift over de compositieve methode kon hebben. Hier het vervolg.

 

woensdag 20 mei 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -37 - Een fase die kennelijk noodzakelijk was

Halverwege de zeventiende eeuw bestudeerde Thomas Hobbes de maatschappij als een geval van menselijke groepsvorming. Hier het vorige bericht. Op een wijze dus die zo voor de hand lag dat hij niet speciaal hoefde te worden gerechtvaardigd. We hebben inzicht in hoe mensen in elkaar zitten, in tot welk gedrag ze tegenover elkaar in staat zijn. Daaruit kunnen we opmaken dat er een sociaal inferieure collectieve uitkomst van dat gedrag mogelijk is, waarin "wanorde en burgeroorlog" heersen. Maar diezelfde menselijke sociale natuur maakt het ook mogelijk de sociaal superieure toestand van vrede, samenwerking en welvaart tot stand te brengen. Hobbes analyseerde hoe die toestand kan worden bereikt. Hij bestudeerde de maatschappij als mensenwerk en stelde zich tot taak dat werk te verbeteren.

Dat had een veelbelovend begin kunnen zijn van de ontwikkeling van een succesvolle sociale wetenschap. Maar die ontwikkeling begon in de negentiende eeuw te haperen, toen er in Frankrijk dat vak sociologie ontstond en zich van daaruit in de universiteiten vestigde. Dat vak dat leed aan het mankement van een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en aan het mankement van de fictie van het eigen domein. Het vak waarin ik werd gesocialiseerd toen ik in 1965 mijn studie sociologie begon. En waarvan ik in 1981 afstand had genomen, toen ik in mijn proefschrift pleitte voor de "compositieve methode".

Daarin verwees ik ook (p. 163) naar het werk van Thomas Hobbes en de Schotse moraalfilosofen. Hobbes' aanpak was precies die van de compositieve methode, van het laten zien hoe een maatschappelijke toestand voortkomt uit, een samenstelling is van, het gedrag van mensen. Dat Hobbes die aanpak niet als een bijzondere methode zag en er geen naam aan gaf, wijst erop dat hij als als voor de hand liggend beschouwde om zo te werk te gaan. Dat was zo vanzelfsprekend dat je er geen aandacht aan hoefde te besteden. Denk ook terug aan George Homans, die in 1964 zijn pleidooi om de mens terug te brengen in de sociologie besloot met:

Finally, I must acknowledge freely that everything I have said seems to me obvious. But why cannot we take the obvious seriously?  

Er had een vak sociologie ingang gevonden dat de overtuiging uitdroeg dat het voor de hand liggende diende te worden genegeerd.

Waar kwam die term compositieve methode eigenlijk vandaan?  Het is opmerkelijk dat de bron er van niet in het vak sociologie ligt, ondanks George Homans. En  ondanks James Coleman. Bij beide kom je wel de term "methodologisch individualisme" tegen, bij Homans op p. 61 van The Nature of Social Science uit 1967 en bij Coleman op p. 5 van zijn Foundations of Social Theory uit 1990. Daarmee wordt er op gedoeld dat verklaringen voor maatschappelijke verschijnselen worden gezocht in het gedrag van individuen en dat zulks niet betekent dat de maatschappij uitsluitend uit individuen zou bestaan. En niet ook uit maatschappelijke entiteiten als verenigingen, instituties en structurele veranderingen. Vandaar: methodologisch, en niet: ontologisch. Zowel Homans als Coleman verwijzen naar Karl Poppers beschouwing in deel 2 van The Open Society and Its Enemies, waar hij op p. 91 John Stuart Mill aanhaalt:

Thus 'all phenomena of society are phenomena of human nature', as Mill said; and 'the Laws of the phenomena of society are, and can be, nothing but the laws of the actions and passions of human beings', that is to say, 'the laws of individual human nature. Men are not, when brought together, converted into another kind of substance ..' 

Die verwarring tussen het verklaren van het een uit het ander en de bewering dat het een bestaat en het ander niet (of wel), tussen "methodologie" en "ontologie", kom je niet tegen bij de bron van de term compositieve methode. Die bron was voor mij in 1981 F.A. von Hayek, die hem in 1952 introduceerde op p. 67 van zijn The Counter-Revolution of Science. Studies on the Abuse of Reason:

While the method of the natural sciences is in this sense, analytic, the method of the social sciences is better described as compositive or synthetic

Ik was destijds een bewonderaar van Hayek en las met instemming veel van zijn boeken, zelfs ook The Road to Serfdom. Maar hij was ook de organisator van de Mont Pelerin Society, waarin rechtse economen en filosofen zich verenigden en die een invloedrijke rol speelde in de opkomst van het vermaledijde neoliberalisme in de jaren zeventig, waar we nu nog steeds onder lijden. Ik kijk er nu op terug als een fase in mijn ontwikkeling die kennelijk noodzakelijk was. Daarover later meer.  

Een en ander neemt niet weg dat veel van Hayeks werk nog altijd interessant en belangrijk is. Van alle boeken van hem die in mijn kast hebben gestaan, is alleen nog The Counter-Revolution of Science over. En dat is boeiend genoeg om er in het volgende bericht op terug te komen. Hier het vervolg.