Mijn afscheid van de rationele keuzetheorie verliep in stappen. De eerste stap bestond er uit dat ik tot het, eigenlijk heel voor de hand liggende, inzicht kwam dat je de essenties van het sociale leven niet in kaart krijgt als je theoretisch postuleert dat mensen niets anders doen dan hun nut maximaliseren. Je reduceert dan het sociale gedrag en sociale processen tot een kaal staketsel, met als voordeel dat je er wiskunde op kunt loslaten (wat aantrekkelijk is als je van wiskunde houdt), maar met als nadeel dat waar het eigenlijk om gaat buiten zicht blijft. Hier het vorige bericht.
Wat er buiten zicht blijft? Dat is natuurlijk de menselijke sociale natuur. Waar Willem Banning, geïnspireerd door Erich Fromm, op doelde toen hij betoogde dat het in de sociologie moest gaan om mens en menselijkheid. En ik moet daaraan hebben teruggedacht toen ik besloot dat je grip krijgt op die sociale natuur door uit te zoeken door welke sociale doelen mensen zich laten leiden. Erich Fromm onderscheidde vijf "fundamentele levensbehoeften" en deed dat op grond van zijn levenservaring en zijn ervaringen als psychiater. Maar er waren sinds de jaren vijftig belangrijke ontwikkelingen in de biologie geweest, die ik had bijgehouden en die een onderbouwing leken te verschaffen. Een onderbouwing voor wat ik een theorie over sociale doelen noemde.
En daarover ging het in dat conferentiepaper van 1998 waar ik het in het vorige bericht over had, maar ook in het artikel Sociale wetenschappen in ontwikkeling. Waarom sociologen zich moeten openstellen voor de biologie, dat ik een jaar later samen met Rudi Wielers schreef.
Wat hield die theorie van sociale doelen eigenlijk in? Die hield in de eerste plaats in dat we de stap zetten om de menselijke sociale natuur echt serieus te nemen. Dus om met een biologische blik, dus evolutietheoretisch, te kijken. Dat kon ook, want er hadden zich in de biologie ontwikkelingen voorgedaan die zicht boden op de onderliggende principes van sociaal gedrag, dat wil zeggen gedrag ten opzichte van soortgenoten. Het voert nu te ver om daar nu een uiteenzetting van te geven. Lees vooral dat paper en/of dat artikel. Rudi en ik komen tot drie biologische principes waarop een theorie over sociale doelen (of emoties) kan worden gebaseerd: statuscompetitie, verwantschapsaltruïsme en wederkerigheidsaltruïsme.
Statuscompetitie slaat erop dat soortgenoten concurrenten zijn in de strijd om schaarse bronnen en om verspreiding van genen in volgende generaties. Dat gegeven heeft ertoe geleid dat in het verleden is geselecteerd op de vermogens om die concurrentie zo goed mogelijk het hoofd te bieden. Bij zoogdieren en dus ook mensen houdt dat het streven in, het doel, om in de groep een zo hoog mogelijke status te verwerven.
Verwantschapsaltruïsme houdt in dat er ook anderen kunnen zijn waarmee we onze specifieke combinatie van genen gemeen hebben en die de motivatie, het doel, om te zorgen opwekken. Want door bij te dragen aan de overleving van verwanten, vergroten we de kans op verspreiding van onze genen in volgende generaties. Complementair daaraan zal er een selectie hebben plaatsgevonden op de motivatie, het doel, om de kans te vergroten dat je die zorg ontvangt en dan hebben we het over de geneigdheid om je te hechten.
En het principe van wederkerigheidsaltruïsme slaat op het vermogen en de motivatie om met anderen steun uit te wisselen, dus om anderen bij te staan die jou hebben bijgestaan. Daarbij ging ik er van uit dat de menselijke groepsvorming, die uitgaat boven verwantschapsgroepen, gebaseerd is op dit wederkerigheidsaltruïsme. Doordat het behoren tot zo'n groep de kans op overleving en voortplanting vergroot, zal er dus een selectie hebben plaatsgevonden op de motivatie, de doel, om "ergens bij te horen" (belonging). Of anders gezegd, het doel om eenzaamheid te vermijden.
Kortom, volgens deze, biologisch onderbouwde, theorie van sociale doelen streven mensen naar status, naar zorg voor en hechting aan verwanten en naar ergens bij horen.
Maar kun je dan met deze sociale doelen gewoon verder met die rationele keuzetheorie? Daar had ik duidelijk nog niet goed over nagedacht. Want die rationele keuzetheorie gaat over optimaliseren zoals een consument geacht wordt te doen: besteed je middelen (je budget) over verschillende opties (goederen) tot het moment dat het marginale nut van elke optie gelijk is. Je hebt dan je nut gemaximaliseerd. De vraag is of er ook een budget bestaat dat je op deze wijze optimaal besteedt over verschillende sociale doelen. Het probleem hoe die sociale doelen zich tot elkaar verhouden, doemde op en vroeg om een oplossing.
En als het over de speltheorie gaat, dan wordt alle gedrag geacht strategisch te zijn. Anders gezegd, je bent alleen geïnteresseerd in de opbrengsten van interacties, niet in de personen die erbij zijn betrokken. Personen zijn inwisselbaar. Maar als je het sociale leven zoals wij dat kennen serieus neemt, dan komt de vraag op of er inderdaad alleen maar strategisch gedrag bestaat. Daarop moest een antwoord komen.
Maar bovendien kwam de vraag op of ik met die drie biologische principes wel goed had nagedacht over het onderscheid tussen ultimate en proximate verklaringen. Bij die drie principes gaat het over ultimate verklaringen, dat wil zeggen verklaringen voor het bestaan van een bepaald gedragspatroon. Maar het verklaren van het op een bepaald moment in een bepaalde situatie optreden van dat gedrag, van wat het gedrag uitlokt, een proximate verklaring, is iets anders.
Er was dus werk aan de winkel. Die theorie van sociale doelen was niet meer dan een tussenstap op weg naar het afscheid van die rationele keuzetheorie. In volgende berichten dus meer daarover.
En waar ik natuurlijk nog uitgebreid op terugkom, is wat dit alles betekende voor de studenten. En dus voor mijn onderwijs en voor het onderwijs van de Groningse sociologie-opleiding.

