Durkheim leefde in een tijd waarin de Industriële Revolutie zich al goeddeels had voltrokken. Net als andere West-Europese en Noord-Amerikaanse landen was Frankrijk al veranderd van een landbouwsamenleving in een land met een beroepsbevolking die ruwweg in drie gelijke delen verdeeld was over landbouw, industrie en diensten. Die ontwikkeling ging rond 1900 gepaard met snelle en ingrijpende veranderingen. Thomas Piketty vat dat op p. 138 van zijn Capital and Ideology (2020) samen als:
Between 1880 en 1914 the world was in perpetual flux. The automobile, the electric light, the trans-Atlantic steamship, the telegraph and radio - all were invented in the space of a few decades. The economic and social consequences of those inventions were surely as important as those of Facebook, Amazon and Uber.
Voor de mensen die toen leefden gingen de ontwikkelingen zo snel en waren ze zo ingrijpend dat Piketty een vergelijking met onze huidige tijd op zijn plaats vindt.
Durkheim scheert de social consequences van die ontwikkeling over de ene kam van de toename van de arbeidsverdeling en vraagt zich af hoe mensen toch nog de sociale verbanden vinden die ze zo nodig hebben. In 1893 in La Division du Travail Social komt hij nog met het idee dat die arbeidsverdeling zelf die sociale verbanden zal verschaffen. Mensen ervaren weliswaar niet meer de de onderlinge nabijheid en gelijkheid van vroeger, maar wel dat ze in verschillende beroepen en functies elkaar aanvullen, waardoor een "organische solidariteit" ontstaat. Maar drie jaar later, in Le Suicide, lijkt dat idee al weer vergeten en verwacht hij dat er nieuwe sociale verbanden zullen ontstaan tussen mensen die hetzelfde beroep uitoefenen. Hier het vorige bericht.
Want op het niveau van de beroepsgroep hebben mensen gemeenschappelijke belangen (arbeidsduur, gezondheid, loonhoogte, sociale verzekering) en de overheid staat daar te ver vanaf om passende regelingen te treffen. Daarom valt aan beroepsgroepen de taak toe (Suicide, p.380):
... presiding over companies of insurance, benevolent aid and pensions, the need of which are felt by so many good minds but which we rightly hesitate to place in the hands of the State, already so powerful and awkward; theirs should likewise be to preside over the disputes constantly arising between the branches of the same occupation, to fix conditions - but in different ways according to the different sorts of enterprise - with which contracts must agree in order to be valid, in the name of the common interest to prevent the strong from unduly exploiting the weak, etc.As labor is divided, law and morality assume a different form in each special function, though still resting on the same general principles. Besides the rights and duties common to all men, there are others depending on qualities peculiar to each ossupation (...)
Onze morele gemeenschapsintuïties (de general principles, de rights and duties commmon to all men) moeten in de maatschappij een bestendige vorm vinden en ik, Durkheim in 1896, denk dat de beroepsgroep daarvoor de eerste kandidaat is. En ik vraag me meteen af dat wel realistisch is (p.380-1):
When their present state is considered, of course, it is somewaht hard to conceive of their ever being elevated to the dignity of moral powers. (...) But when once they have so many things in common, when the relations between themselves and the group to which they belong are thus close and continuous, sentiments of solidarity as yet almost unknown will spring up, and the present cold moral temperature of this occupational environment, still so external to its members, would necessarily rise. (...) Thus the social fabric, the meshes of which are so dangerously relaxed, would tighten and be strenghened throughout its entire extent.
Wat valt op of zou ons moeten opvallen? Durkheims geringschatting, ja bagatellisering, van de mogelijkheid dat wij onze morele gemeenschapsintuïties vorm zouden kunnen geven in de democratische overheid. In zijn ogen was de staat zo machtig, maar tegelijk zo gebrekkig of knullig (in de oorspronkelijke Franse editie: si puissantes et si malhabiles), dat wij als sociologen er weinig van mogen verwachten. De collectieve regelingen die uit die gemeenschapsintuïties voortvloeien, moeten op een lager niveau vorm krijgen. Niet alleen is daar de nodige gedetailleerde informatie gemakkelijker beschikbaar, maar ook is er daar de grotere betrokkenheid van de deelnemers dan wanneer we die taken bij de nationale overheid zouden onderbrengen,.
Durkheim kan gelijk hebben gehad dat de Franse landelijke overheid in zijn tijd wel erg machtig was, maar tegelijkertijd gebrekkig en knullig. Maar hoe dan ook valt het op dat hij in het geheel niet zag aankomen hoe die democratische overheid zich in de loop van de twintigste eeuw zou ontwikkelen. Ik noemde in het vorige bericht al de uitbreiding van het algemeen kiesrecht, de regulering van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en de progressieve belastingheffing.
Het is wel belangrijk om daar nog eens bij stil te staan. Want niet alleen zag hij de verzorgingsstaat, de gemeenschap georganiseerd in de staat, niet aankomen, er ging van zijn werk ook geen enkele stimulerende invloed uit op die ontwikkeling. En daarmee samenhangend, geen enkele stimulerende rol van het vak sociologie. Die ontwikkeling vond plaats in de politiek, geheel op kracht van in de politiek, en dus onder het kiezersvolk, levende idealen, die voortkwamen uit de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. De maatschappij bleek mensenwerk te zijn.
Het vak sociologie stond daarbij als toeschouwer aan de kant. (Evenals trouwens het vak economie.) Het vak ontbeerde een theoretisch apparaat waarmee het de gunstige effecten van die ontwikkeling voor het menselijk welzijn uit de doeken had kunnen doen en de ontwikkeling had kunnen aanmoedigen.
Terugdenkend aan mijn studietijd realiseer ik me hoe afstandelijk de sociologie stond tegenover de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaat. Terwijl het in de politiek wel degelijk ging over mens en menselijkheid, stond het vak sociologie aan de zijlijn.


