donderdag 8 april 2021

Hoe de "liberale geloofsovertuiging" (Polanyi) met de werkelijkheid geconfronteerd werd - toen en nu. Waardoor we nu gespannen afwachten of er een Rutte IV komt

Thomas Piketty beschrijft in zijn Capital and Ideology wat Karl Polanyi The Great Transformation noemt als de overgang van de ternary (drieledige) naar de ownership societies. In de drieledige maatschappijen was de bevolking verdeeld in de geestelijkheid, de adelstand en het gewone volk, het overgrote deel dat het werk verrichtte. We zagen hoe Polanyi beschrijft hoe in die drieledige Engelse maatschappij tot eind achttiende eeuw min of meer gehandeld wordt naar de morele gemeenschapsintuïtie van het iedereen telt mee. Op lokaal niveau, in de dorpen en in de parochies en de kerkelijke gemeentes, diende er voor gezorgd te worden dat niemand van honger hoefde om te komen. Hoewel dat gebeurde, overheerste voor het overige de grote ongelijkheid van de statushiërarchie.  Zie het vorige bericht.

Maar tegen het eind van de achttiende eeuw bleek die sociale en dus morele inbedding van het economisch leven moeilijker te handhaven. De opkomst van de industrie en de schaalvergroting van de handel creëerden niet alleen meer welvaart, maar ook een overheveling van het armoedeprobleem naar het bovenlokale niveau. (Bedenk dat de Industriële Revolutie aanvankelijk niet alleen rijkdom, maar ook pauperisme voortbracht.) Dat was een nieuwe uitdaging. Daarvoor gesteld, was het eerste antwoord daarop dat van het laissez faire

Volgens de Malthusiaanse gedachte zou het helpen van de armen alleen maar leiden tot het verstoren van het evenwicht tussen de omvang van de bevolking en de beschikbare middelen om die te voeden. Analoog aan evenwichten in de natuur tussen roofdieren en prooidieren zou ook in de mensenmaatschappij altijd een evenwicht tot stand moeten komen. En zou het dus juist onverstandig zijn om de moreel geïnspireerde zorg voor de armen op het lokale niveau over te hevelen naar het nationale niveau. Dat zou het tot stand komen van dat evenwicht alleen maar vertragen. 

En zo ontstond het moreel luchtledige economisch denken, waarin niet de moraal, maar de markt de maat der dingen is. Met daaraan gekoppeld het (één-)evenwichtsdenken dat in het vak economie sindsdien gedomineerd heeft. Van de morele gemeenschapsintuïties werd alleen de intuïtie van de vrijheid van overheersing nog van belang geacht. En die werd belichaamd in dat nieuwe sociale mechanisme van de markt, waar immers alle transacties, met veel goede wil, kunnen worden beschouwd als vrijwillig gesloten. Voor de rest kon de moraal terzijde worden geschoven, evenals de complicatie dat de markt zou kunnen worden verstoord door machtsverhoudingen. 

Polanyi karakteriseert dit denken als de "liberale geloofsovertuiging" (hoofdstuk 12), als "a veritable faith in man's secular salvation through a self-regulating market" (p. 135), als "a crusading passion" en "a militant creed" (p. 137) en als een utopie (p. 141). En hij kijkt er in 1944 met verbazing en ongeloof op terug. 

Want hij kan er dan al op wijzen hoe die utopie met de werkelijkheid geconfronteerd werd. Na de uitbraak van twee wereldoorlogen en de crisis van 1929 en depressie van de jaren 30 en de New Deal in de Verenigde Staten. En na de Tweede Wereldoorlog kon hij nog getuige zijn (hij overleed in 1964) van de opbouw van de verzorgingsstaten, waarin juist ook de morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee, van wij-met-zijn-allen en van rechtvaardigheid vorm kregen. Nog maar weer eens: van de gemeenschap georganiseerd in de staat.

En dan besef je hoe opmerkelijk het is dat die "liberale geloofsovertuiging", die utopie, zo overduidelijk met de maatschappelijke en politieke werkelijkheid geconfronteerd werd, terwijl tegelijkertijd de implicaties daarvan voor het vak economie nauwelijks werden getrokken. Want het vak economie ging gewoon door met dat één-evenwichtsdenken, met de markt als maat der dingen. Met het tot op de dag van vandaag negeren van andere morele gemeenschapsintuïties dan die van vrijheid van overheersing. (Met Kenneth Boulding als opvallende uitzondering, die dan ook weinig aandacht kreeg en nagenoeg werd vergeten.) 

Waardoor na die opbouw van verzorgingsstaten in de jaren 70 en 80 die liberale geloofsovertuiging keihard kon terugkeren, nu als het neoliberalisme van Thatcher en Reagan. En de opeenvolgende Nederlandse kabinetten, tot en met Rutte I, II en III. Met steeds de zogenaamde topeconomen die de weg wezen (Friedman, Buchanan en anderen). De overheid diende in dienst te staan van de markt en kon dus in het nagenoeg moreel luchtledige opereren. En weer een confrontatie met de werkelijkheid, nu met die van de Grote Financiële Crisis van 2008-2010, de eurocrisis, de klimaatcrisis en de coronapandemie.

We wachten dus met spanning af of er een Rutte IV komt.

dinsdag 6 april 2021

Thomas Piketty over The Great Transformation van Karl Polanyi - "a magisterial work"

Na de waterscheiding van eind achttiende eeuw ging het moreel luchtledige economisch denken domineren. Dus de overtuiging dat de markt de kans moest krijgen om zonder overheidsbemoeienis het altijd  "goede" evenwicht te vinden (laissez faire). Met de welbewuste keuze om de sociale, en dus morele, inbedding van alle economische processen vaarwel te zeggen en als achterhaald en ouderwets af te doen. Zie hier het vorige bericht: Over Polanyi's waterscheiding van eind 18e eeuw en wat daaraan voorafging - En over hoe het moreel luchtledige kapitalisme doorbrak.

De moraal mag in de sfeer van de persoonlijke verhoudingen zijn werk blijven doen, in het nieuwe domein van de onpersoonlijke, economische verhoudingen draait alles om concurrentie. Met als wenselijk resultaat een tot dan ongekende materiële welvaartstoename. Waarbij "materieel" slaat op dat deel van welvaart dat "niet-sociaal" is, dus niet voortkomt uit het tegemoetkomen aan sociale behoeften. Denk aan Sociale welvaart

Die morele luchtledigheid hield onder meer in dat niet langer iedereen hoefde mee te tellen. "Iedereen" kon zonder morele scrupules worden onderscheiden in bezitters (van grond en andere kapitaalgoederen) en arbeiders. En omdat arbeid een goed moest zijn als alle andere, zoals dat hoort op een ongereguleerde arbeidsmarkt, hoorden arbeiders hun arbeid te verkopen tegen elke prijs dan ook die op die markt tot stand kwam. Als die prijs zo laag was dat honger werd geleden, dan was dat nu eenmaal zo. Polanyi (The Great Transformation, p.115-6):

Since the emerging society was no other than the market system, human society was now in danger of being shifted to foundations utterly foreign to the moral world of which the body politic hitherto had formed part.

De markt werd de maat der dingen. Met als enige morele rechtvaardiging de (fictieve) claim dat op de markt immers iedereen vrij was in zijn doen en laten. Een claim die zo weinig voorstelde dat je wel van morele luchtledigheid mag spreken.

Dat bracht met zich mee dat de welvaartstoename, die er wel degelijk was, zeer ongelijk werd verdeeld. De negentiende eeuw was er een van toenemende ongelijkheid. Want ja, morele intuïties van iedereen telt mee en van rechtvaardigheid, die hoorden immers geen rol meer te spelen. 

Polanyi schreef zijn The Great Transformation tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het boek verscheen in 1944. Hij was toen al vanuit Engeland naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Hij kan dan terugkijken op wat er in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw gebeurd is met die marktmaatschappij. En hij zag de twintigste-eeuwse aanzetten tot wat na de Tweede Wereldoorlog de verzorgingsstaten zouden worden (zoals algemeen kiesrecht, leerplicht, ongevallenwet, kinderwetten). 

Ik vroeg me af of het werk van Polanyi ook ter sprake komt in Piketty's Capital and Ideology  Een boek van meer dan duizend pagina's, dat je dus eigenlijk nooit "uit" hebt. Dus ik sloeg het er op na.

En jawel, Piketty besteedt zeker aandacht aan The Great Transformation. Zoals op p. 417, waar hij het boek (a magisterial work) aanhaalt om stil te staan bij die aanzetten tot en de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaten:

those decisions ( de besluiten om de invloed van privébezit terug te dringen, zoals progressieve belastingheffing) stemmed from profound and lasting changes in social perception sof the system of private property and its legitimacy and ability to bring prosperity and offer protection against crisis and war. This challenge to capitalism had been in gestation since the middle of the nineteenth century before crystallizing as majority opinion in the wake of two world wars, the Bolshevik Revolution, and the Great Depression of the 1930s. After such shocks, it was no longer possible to fall back on the ideology that had been dominant until 1914, which relied on the quasi-sacralization of private property and the unquestioned belief in the benefits of generalized competition, whether among individuals of among states. The contending political forces therefore set out in search of new avenues, including various forms of social democracy and socialism in Europe and the New Deal in the United States. 

En dan verwacht je een passage over de lessen daarvan voor nu, die inderdaad volgt:

The lessons that can be drawn from this history are obviously relevant to what is happening today, especially since a neo-proprietarian ideology began to gain influence in the final decades of the twentieth century.

Want ja, met dat neoliberalisme van Thatcher, Reagan en Pinochet en van de opzet van de eurozone  zetten we enkele stappen terug naar de negentiende eeuw. Waar we dus nu, als de tekenen niet bedriegen, weer afscheid van nemen. Zie Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

Verderop in Capital and Ideology komt Polanyi nog twee (eigenlijk drie) keer aan de orde. Daarover meer in het volgende bericht.

zondag 4 april 2021

Zondagochtendmuziek - Bach by Marcelle Meyer - Complete Inventions & Sinfonias, Partitas, Tocc...

Hier kun je uren mee vooruit: Marcelle Meyer (1897 - 1958) speelt Bach. Opgenomen in Parijs kort na de Tweede Wereldoorlog. 

Marcelle Meyer werd geboren in Lille en ontwikkelde zich
in de Franse muziektraditie (Satie, Milhaud, Poulenc, Honneger). Hiernaast zie je haar afgebeeld op een schilderij uit 1922, omringd door leden van Les Six en jean Cocteau. Maar ze speelde dus ook Bach en het lijkt wel met een Franse zwierigheid. Prachtig.









Bach dus, maar even geen Passie.

vrijdag 2 april 2021

Over Polanyi's waterscheiding van eind 18e eeuw en wat daaraan voorafging - En over hoe het moreel luchtledige kapitalisme doorbrak

Er was, zo betoogde Karl Polanyi, aan het eind van de achttiende eeuw een waterscheiding in het denken over hoe de maatschappij vorm dient te worden gegeven. Zie hier het vorige bericht.

Even tussendoor: het werk van Polanyi staat terecht weer volop in de belangstelling. Arie van der Hek verwijst ernaar in zijn Lessen uit de moderne monetaire theorie. Het lijkt niet toevallig dat hij daarin ook uitvoerig ingaat op het werk van Stephanie Kelton over de functie van de overheidsbegroting.

In de tijd voorafgaand aan die waterscheiding overheerste de opvatting dat in die vormgeving morele noties voorop dienden te staan. Anders gezegd, mensen zijn toegerust met de morele gemeenschapsintuïties van iedereen telt mee, van persoonlijke autonomie en van rechtvaardigheid en beschouwen die intuïties als richtinggevend niet alleen voor hun persoonlijke verhoudingen, zoals ze altijd gedaan hadden, maar ook voor het nieuwe onpersoonlijke domein van "de maatschappij". Niet alleen het persoonlijke sociale leven dient een moreel project te zijn, ook de onderlinge onpersoonlijke verhoudingen op de grotere schaal van de maatschappij waarin mensen leven, hoort moreel gewaardeerd en gereguleerd te worden.

Maar wat betekende dat concreet? "Maatschappijen" ontstonden na de Landbouwrevolutie in de vorm van vorstendommen, die konden ontaarden in despotieën. Als dat laatste niet het geval was, dan overheerste de opvatting dat de heerser zich als "een goede vorst" diende te gedragen. Wat betekende dat hij rekening diende te houden met de belangen van zijn onderdanen. Hij mocht genieten van de privileges van zijn positie, maar daar werden grenzen aan gesteld. Grenzen die eruit voortkwamen dat despotie en alleenheerschappij, dus een onbegrensde statushiërarchie, dienden te worden vermeden. 

Natuurlijk weten we dat die morele begrenzing kon samengaan met grote ongelijkheid, met rijkdom van de "vrije burgers" en armoede van "het gewone volk". Maar dat armoedeprobleem werd lang vooral op het lokale niveau, dus binnen de sfeer van de persoonlijke verhoudingen, min of meer opgelost. Daar heerste de morele notie dat armoede en tegenslag er niet toe mochten leiden dat iemand van honger zou omkomen. Vandaar dat op dorpsniveau de institutie kon bestaan van periodieke roulatie van landbouwgronden, zodat niemand veroordeeld werd om zijn hele leven op de slechtste gronden te ploeteren. En vandaar de rol van de parochie of kerkelijke gemeente in de zorg voor degenen die met tegenslag te kampen hadden.

Toen langzamerhand "de maatschappij" zich begon te ontwikkelen, ging dat gepaard met schaalvergroting van de economische verhoudingen en dus met toenemende geografische mobiliteit. En dus met wetgeving op nationaal niveau. Polanyi beschrijft dat voor Engeland. Er kwamen de Poor Laws en de Act of Settlement, die voorschreven dat degenen die tot armoede vervielen (de paupers) voor hulp en ondersteuning dienden terug te keren naar hun gemeente van herkomst. Waarmee de morele verplichting van het iedereen telt mee tot het lokale niveau van de persoonlijke verhoudingen werd ingeperkt.

Maar gaandeweg bleek dat niet goed te werken. De wisselvalligheden van de zich ontwikkelende markteconomie maakten dat de kans op armoede geografisch en in de tijd ongelijk was verdeeld. Dus konden sommige gemeenten getroffen worden door grote armoede, zo groot dat de beschikbare middelen voor ondersteuning tekortschoten, terwijl andere gemeenten nergens last van hadden. De schaal van de gemeente bleek te klein om het armoedeprobleem te lijf te gaan.

Daarmee kwam het probleem van het waarborgen van het iedereen telt mee, dus van het verschaffen van bestaanszekerheid voor allen, voor het eerst op het nationale niveau te liggen. De vraag of het bereik van de morele gemeenschapsintuïties zich wel of niet moest uitstrekken tot de nationale staat, tot de maatschappij, werd urgent. Wat moest daarop het antwoord zijn?

Polanyi beschrijft hoe het eerste antwoord daarop bestond uit de landelijke wetgeving van de Speenhamland Law. In de Pelikan Inn in Speenhamland in 1795 besloten de "justices of Berkshire", "in a time of great distress", dat er landelijk een recht op bestaanszekerheid (a right to live) diende te bestaan, dat eruit bestond dat elk loon onder het bestaansminimum met een toelage tot dat minimum moest worden aangevuld (The Great Transformation, p. 76).  Een wel heel vroege poging, zou je kunnen zeggen, tot een "gemeenschap georganiseerd in de staat". 

Die echter in 1834 al weer werd afgeschaft. Er bleken onvoorzien effecten te zijn. Werkgevers verlaagden de lonen omdat die immers toch van hogerhand werden aangevuld. En arbeiders hoefden zich minder in te spannen omdat ze toch van dat minimum verzekerd waren. 

Of en in hoeverre die effecten ook echt optraden, weten we niet. Volgens het net verschenen When Did Growth Begin? New Estimates of Productivity Growth in England from 1250 to 1870 steeg de arbeidsproductiviteit precies in deze periode zeer sterk, met 18 procent per tien jaar, tegenover 4 procent vanaf 1600. 

Hoe dan ook, er kwam een eind aan die vroege poging tot het iedereen telt mee op het niveau van de nationale staat. Polanyi (p. 80) daarover:

The Speenhamland episode revealed to the people of the leading country of the century the true nature of the social adventure on which they were embarking. Neither the rulers nor the ruled ever forgot the lessons of that fool's paradise; if the reform Bill of 1832 and the Poor Law Amendment of 1834 were commonly regarded as the starting point of modern capitalism, it was because they put an end to the rule of the benevolent landlord and his allowance system. The attempt to create a capitalist order without a labor market had failed disastrously. (...)

Under Speenhamland society was rent by two opposing influences, the one emanating from paternalism and protecting labor from the dangers of the market system; the other organizing the elements of production, including land, under a market system, and thus divesting the common people of their former status, compelling them to gain a living by offering their labor for sale, while at the same time depriving their labor of its market value. A new class of employers was being created, but no corresponding class of employees could constitute itself. A new gigantic wave of enclosures was mobilizing the land and producing a rural proletariat, while the "maladministration of the Poor Law" precluded them from gaining a living by their labor. No wonder that the contemporaries were appalled at the seeming contradiction of an almost miraculous increase in production accompanied by a near starvation of the masses.

Het kapitalisme als de vormgeving van het moreel luchtledige economisch denken, waarin niet langer iedereen behoorde mee te tellen en waarin de honger zijn disciplinerende werking moest doen, was definitief doorgebroken. Waarmee tegelijk de strijd daartegen begon, die tot vandaag de dag voortduurt.

donderdag 1 april 2021

Over de gevaren van de overtuigingskracht van de narcistische leider. En dus over Donald Trump en Dr. Deborah Birx

De narcistische leider paart overtuigingskracht aan incompetentie. Zie De combinatie van incompetentie en overtuigingskracht van de narcistische leider - En over Hitler en Trump

Die incompetentie is er welhaast per definitie. Van een leider verwachten we dat hij leidt met het oog op de belangen van degenen waarover hij de leiding heeft. Maar een narcist is niet in staat om met belangen van anderen rekening te houden, anders dan om hen te manipuleren ten bate van zijn eigen gewin. Komt een narcist aan de leiding, dan zal vroeg of laat, vaak vroeg, blijken dat hij (meestal een hij) incompetent is.

Maar tegelijk kan een narcist dus een grote overtuigingskracht hebben. Hij is altijd zo overtuigd van zijn eigen gelijk dat in zijn openbare optreden altijd elke twijfel en onzekerheid afwezig zijn. Zijn toehoorders kunnen zich maar moeilijk voorstellen dat iemand zo zeker van zijn zaak kan zijn terwijl tegelijk die zekerheid nergens op gebaseerd is. Een fantast en zwetser is vaak gemakkelijk te doorzien. Maar een narcist weet anderen een rad voor ogen te draaien. Niet als een prestatie, maar juist omdat het zijn natuurlijke gedrag is.

Dat maakt dat we ons vaak afvragen hoe een narcistische leider in staat is geweest om anderen in zijn wanen mee te krijgen. Om zich te omringen met aanhangers, volgelingen en meelopers. Die in hun leider blijven geloven, of althans niet tegen hem in opstand komen of hem ontmaskeren, ook als zijn gebleken incompetentie daar alle aanleiding toe geeft. We kennen dat patroon uit en te na van de volgelingen van Hitler, die tot het bittere einde hun idool bleven volgen. Die niet in staat waren om hem tegen te spreken en hem met de voor hem bittere waarheid te confronteren. Zie Het volstrekte onvermogen van de narcistische leider om de nederlaag onder ogen te zien - En over Hitler en Trump.

Datzelfde patroon maakten we, in real time, mee met de entourage van Donald Trump. Nu Trump, gelukkig, op democratische wijze ten val is gekomen, leren we van alles over het gedrag van leden van die entourage. Een van die leden was Dr. Debora L. Birx, een tot voor kort alom gerespecteerd arts en diplomaat, die voor Trump de aanpak van de coronapandemie coördineerde. Althans, dat probeerde te doen, daarbij gehinderd door Trumps ontkenning van de gevaren van het virus en de adviseurs die hem daarin ondersteunden. 

Birx en andere "Trump-veteranen" komen nu naar buiten met onthullingen over hoe disfunctioneel en ongeïnformeerd en incompetent het beleid van de Trump-regering was. Honderdduizenden doden hadden kunnen worden voorkomen. Ik geef even toe aan de verleiding om die zin te herhalen. Honderdduizenden doden hadden kunnen worden voorkomen.

Hoe kon dat gebeuren? Natuurlijk had Trump zich omgeven door naïevelingen die in hem geloofden. Waarvan sommigen zelfs geloofden dat hij door God was gezonden. (Amerika is een bizar land; velen geloofden ook dat Obama door God was gezonden.) En vooral ook door opportunisten, die Trump als instrument zagen voor hun eigen zelfverrijking. 

Maar daarnaast waren er ook degen die beter wisten, van goede wil waren en probeerden er nog het beste van te maken. Daartoe behoorde Dr. Debora L. Birx. Die dus nu een boekje open doet over wat zich in het Witte Huis onder Trump afspeelde.

Maar velen vragen zich nu af waarom diezelfde Deborah Birx niet al veel eerder naar buiten trad. En waarom ze nu ruim een jaar geleden, dus nog voor die honderdduizenden onnodige sterfgevallen, zelfs een lofrede op Trump afstak: Deborah Birx praised Trump as attentive to scientific literature and details. Nope.

“He’s been so attentive to the scientific literature and the details and the data,” Birx said. “I think his ability to analyze and integrate data that comes out of his long history in business has really been a real benefit during these discussions about medical issues.”

Dat wekte toen al verbazing en zelfs spotlust. Want iedereen wist beter. 

Het vertelt iets over de gevaren van die overtuigingskracht van de narcist. Het zal niet zo geweest zijn dat Birx hier meende wat ze zei. Maar misschien hoopte ze door de narcistische leider opzichtig te vleien, meer invloed op hem te kunnen uitoefenen. Of kon ze gewoon geen weerstand bieden aan de verwachtingen van de narcist om altijd te worden geprezen. 

Maar dat is dus wat een narcist teweeg kan brengen. Waardoor hij een entourage creëert die hem nooit met de waarheid confronteert. Met vreselijke gevolgen. Zoals honderdduizenden onnodige doden.

zondag 28 maart 2021

Zondagochtendmuziek - Louis Couperin (1626-1661) - Pièces de Clavecin [Bob van Asperen] [Disco 1]

Louis Couperin (1626 - 1661) was een neef van de beroemdere Francois Couperin, die in de zondagochtendmuziek al een paar keer langskwam. Bob van Asperen is bezig alle klavecimbelmuziek van Louis Couperin op te nemen. De vierde CD daarvan is net uitgebracht. Joost Galema interviewde hem daarover: Op zoek naar de droom van Louis Couperin

Hij ervaart diens klavecimbelstukken als diep emotionele muziek, „binnen de stijl van de barok. Maar wat die stijl precies behelst, daarnaar kan een musicus een leven lang zoeken, zonder een definitief antwoord te vinden. En hoe meer ik erop studeer, hoe ongrijpbaarder het soms wordt. Dan dringt bij mij het besef door dat we niet meer dan een tip van deze sluier hebben opgelicht. (...) De tijden veranderen, wordt er vaak beweerd, maar sommige dingen misschien niet. Bovendien, de tijd, dat zijn wij. Is er veel veranderd aan het gevoelsleven van de mens in de loop der eeuwen? Ik geloof het niet. Al was het maar, omdat honderden jaren oude muziek, zoals die van Couperin, ons nu nog steeds kan ontroeren.”

Hier luister je naar een van de drie eerder uitgebrachte CD's: Couperin: Preludes de Mr Couperin. Ik heb als eenvoudige muziekliefhebber tijd nodig gehad om het klavecimbel te kunnen waarderen. Maar als je die tijd neemt, dan gaat er zogezegd een wereld voor je open. Het is niet zo dat ik er hevig door ontroerd wordt, maar dit is zowel rustgevend als voldoende intrigerend om niet te gaan vervelen.

Luister voor de aardigheid ook even naar deze uitvoering van een Passacaglia van Louis Couperin door Andres Segovia (1893 - 1987) op gitaar. 

woensdag 24 maart 2021

Was het presidentschap van Barack Obama het begin van de omwenteling naar het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon?

Barack Obama blikt in Een beloofd land (Hollands Diep, 2020) terug op zijn eerste termijn als 44ste president van de Verenigde Staten. Boeiend om te lezen, omdat je uit de eerste hand de gebeurtenissen beschreven krijgt die je je nog herinnert van de nieuwsberichten destijds. En je leert welke overwegingen er door zijn hoofd gingen en welke adviezen hij tot zich nam. Het is niet een heel diepgravend, maar wel een eerlijk verslag.

Sommige passages blijven mij bij. Zoals de beschrijvingen van de indrukken die andere politieke leiders op hem maakten. Ik denk in het bijzonder aan Putin en Sarkozy. Misschien daar over een andere keer meer. 

Een passage die me bij bleef gaat over zijn overwegingen met betrekking tot zijn buitenlandse politiek (hoofdstuk 19 van Deel V, onder de titel De wereld zoals hij is). Daar valt veel over te zeggen, maar wat mij trof was zijn motivering om een andere buitenlandse politiek te voeren dan die van zijn voorganger, George W. Bush. En een andere dan die van zijn opvolger, Donald Trump, bedenk je daar nu bij.

Ik was vastbesloten verandering te brengen in de denkrichting die niet alleen de regering-Bush in zijn greep had gehouden, maar ook een groot deel van Washington als geheel. De obsessie bestond eruit dat men achter elke boom een vijand zag, er een perverse trots in schiep op eigen houtje te handelen en militair ingrijpen zag als een bijna vanzelfsprekend middel om problemen op het gebied van buitenlands beleid op te lossen. In onze omgang met andere landen waren we onvermurwbaar en kortzichtig geworden en we waren niet bereid het moeilijke, langzame traject te volgen dat bij het smeden van coalities en het bereiken van eensgezindheid noodzakelijk was. We sloten ons af van andere gezichtspunten. Ik was ervan overtuigd dat de veiligheid van Amerika gebaat was bij het versterken van onze bondgenootschappen en internationale instituties. Ik zag militair ingrijpen als een instrument dat ik als laatste, en niet als eerste zou inzetten. (p. 548)

Bedenk dat Bush, opgehitst door de "crazies" Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz, de Amerikanen de Irakoorlog in loog. Met precies die obsessie van een vijandige wereld, waarin je niemand kunt vertrouwen en je vooral altijd je eigen kracht moet tonen. En bedenk dat na Obama een stel andere "crazies" aan de macht kwamen, met dezelfde obsessie. We herkennen natuurlijk die obsessie als het wereldbeeld van de statuscompetitie en het rechtsextremisme. 

Obama wilde daar een eind aan maken. Dan verwacht je dus een verwijzing naar het wereldbeeld van het gemeenschapspatroon, dat van onderling vertrouwen en samenwerking. En dat klopt:

Het begon met een verandering van toon. Vanaf het moment waarop mijn regering aan de macht was, zorgden we ervoor dat er in elke verklaring van het Witte Huis over buitenlands beleid werd benadrukt hoe belangrijk internationale samenwerking was. We wilden andere landen, of ze nu groot of klein waren, betrekken bij de oplossing van de problemen op basis van 'wederzijds belang en respect'. (p. 548)

Met een paar alinea's verder deze passage, waarin de gemeenschapsintuïtie van het iedereen-telt-mee terecht als "een universeel menselijk verlangen" wordt gekenschetst:

Gekend worden. Gehoord worden. Weten dat je unieke identiteit erkend wordt en als waardevol wordt beschouwd. Dat was een universeel menselijk verlangen, overwoog ik, dat net zo goed opging voor landen en volken als voor mensen. Dat ik die elementaire waarheid beter begreep dan sommige van mijn voorgangers kwam misschien doordat ik een flink deel van mijn jeugd in het buitenland had doorgebracht en familieleden had in oorden die lange tijd als 'achtergesteld' en 'onontwikkeld' waren beschouwd. Of misschien kwam het doordat ik als Afro-Amerikaan had meegemaakt wat het betekende om in mijn eigen land niet als volwaardig gezien te worden. (p. 549)

We hebben ondertussen geleerd, en leren nog elke dag, hoe belangrijk het is om leiders te hebben die dat universele menselijke verlangen van het gekend en gehoord worden als morele leidraad omarmen. In plaats van rechtsextremistische populisten, die vijandschap en statuscompetitie aanwakkeren.

Obama's presidentschap zal misschien in de toekomst herkend worden als het begin van de omwenteling van de nationale en internationale neoliberale statuscompetitiepolitiek naar de politiek van het gekend en gehoord worden, van het iedereen-telt-mee van het gemeenschapspatroon. Met het Trump-bewind als gelukkig korte, maar hevig verontrustende, onderbreking. Lees nog eens Wat is hier aan de hand? Is dit echt het begin van een historische omslag van statuscompetitief overheidsbeleid naar gemeenschapsbeleid?

maandag 22 maart 2021

Na de morele luchtledigheid waarin we de economie zich hebben laten ontwikkelen, moeten we terug naar de maatschappij als moreel project - En over Polanyi's waterscheiding rond 1780

Polanyi ziet in de ontwikkeling van het economisch denken een waterscheiding tussen de achttiende en de negentiende eeuw. Dat zagen we in het vorige bericht

Die waterscheiding dateert hij ergens rond 1780. Daarvoor heerste er nog, als een vanzelfsprekendheid, de gedachte van de maatschappij als een moreel project, waaraan het streven naar materieel welzijn, het domein van de economie en de markt, ondergeschikt dient te zijn. Er zijn morele normen waaraan het nieuwe, maar zich snel uitbreidende, marktsysteem behoort te voldoen. Polanyi ziet Adam Smith (1723 - 1790) als de voorlopig laatste vertegenwoordiger van dit denken.

Daarna overheerst in het denken over economie en maatschappij de gedachte dat het marktsysteem zelf de morele maat der dingen is. Je  moet de markt zijn werk laten doen, laissez faire, want die zorgt voor de best mogelijke uitkomst. We zijn dan al aangeland bij het werk van Thomas Malthus (An Essay on the Principle of Population, 1798) en David Ricardo (On the Principles of Political Economy and Taxation, 1817).

Het sleutelmoment in de overgang van het morele primaat naar het primaat van de markt was volgens Polanyi het verschijnen, in 1786, van A Dissertation on the Poor Laws van Joseph Townsend. Daarin komen we voor het eerst de gedachte tegen van een snellere bevolkingsgroei dan door de bestaande natuurlijke hulpbronnen kan worden gerechtvaardigd, de gedachte dus van (absolute) schaarste, en dat armoede en hongersnood noodzakelijk zijn om tot een nieuw "evenwicht" te komen. En daarmee de afwijzing van het verschaffen van hulp aan de armen, dus van de Poor Laws. Bovendien was armoede nodig, omdat er anders niemand is om het smerige en verachtelijke werk te verrichten. In de woorden van Brian Inglis (Poverty and the Industrial Revolution, 1972):

'There never was greater distress among the poor,' Townsend asserted; 'there never was more money collected for their relief'; surely there must be something wrong that this could have come about? Not that the existence of poverty disturbed him. On the contrary, it was a law of nature that there must be poor, 'so that there may always be some to fulfill the most servile, the most sordid, and the most ignoble offices in the community'. And it was as well for society that this should be the case: 'the stock of human happiness is thereby much increased, while the more delicate are not only relieved from drudgery, and freed from those occasional employments which would make them miserable, but are left at liberty, without interruption, to pursue those callings which are suited to their various dispositions, and most useful to the state.' But there was no point, Townsend went on, in having any more poor than were absolutely necessary for that function. (p. 95-6)

En Polanyi zelf haalt Townsend aan waar die honger als een noodzakelijkheid aanprijst (p. 113-4):

Hunger will tame the fiercest animals, it will teach decency and civility, obedience and subjection, to the most perverse. In general it is only hunger which can spur and goad them [the poor] on to labor; yet our laws have said they shall never hunger."

Je kunt hen wel wettelijk tot werk verplichten, maar dat gaat gepaard met "much trouble, violence and noise", roept verzet op en komt de kwaliteit van de arbeid niet ten goede.

hunger is not only peaceable, silent, unremitting pressure, but, as the most natural motive to industry and labor, it calls forth the most powerful exertions (...) The slave must be compelled to work but the free man should be left to his own judgment, and discretion; should be protected in the full enjoyment of his own, be it much or little; and punished when he invades his neighbor's property.

Dat idee van het door niets te doen een "evenwicht" tot stand te brengen, rechtvaardigde Townsend met te verwijzen naar hoe in de natuur evenwichten tot stand komen tussen roof- en prooidieren. Er is een evenwicht als alleen de sterksten en slimsten over zijn gebleven. Naar analogie daarmee zou er een evenwicht moeten bestaan tussen de altijd schaarse natuurlijke hulpbronnen en de omvang van de bevolking, waarbij de zwakkeren eerder het loodje leggen. En zo hoort het ook te zijn. Tim Rogan daarover (p. 89):

 Poverty was a problem created and sustained by the poor laws: by allowing hunger and scarcity to do their grim work, the abolition of the poor laws would limit the population to a level the country could support, lifting the living standards of the laboring poor. This - for Polanyi - was the inauguration of the social philosophy of laissez faire.

En zo ontstond er een nieuwe maatschappij. Er is een overheid, maar alleen om eigendom te beschermen. Verder is iedereen "vrij". Polanyi (p. 114):

From this novel point of view, a free society could be regarded as consisting of two races: property owners and laborers. The number of the latter was limited by the amount of food; and as long as property was safe, hunger would drive them to work. No magistrates were necessary, for hunger was a better disciplinarian than the magistrate.

Dat was de waterscheiding. "Since the emerging society was no other than the market system, human society was now in danger of being shifted to foundations utterly foreign to the moral world of which the body politic hitherto had formed part." (p. 115-6)

Waarmee dus het denken over maatschappij en politiek een aanvang nam waarin dus niet onze morele gemeenschapsintuïties, van het iedereen telt mee, van het elkaar bijstaan, van de persoonlijke autonomie en van rechtvaardigheid, de leidraad vormen voor hoe we met zijn allen samenleven. Maar integendeel waarin iedereen vrij is om naar eigen inzicht te handelen, met als restricties de bescherming van eigendom en de dreiging van het van honger omkomen. 

Het beeld dus van een marktmaatschappij dat niet zoveel afwijkt van het neoliberale vulgair-economische denken, waarin immers ook het primaat van de vrijwilligheid voorop staat. En waarin de markt de maat der dingen is. Waarin armoede, bestaansonzekerheid en voedselbanken getolereerd worden. Of zelfs, net als Townsends "honger", noodzakelijk geacht worden. Waarin werkloosheid een individueel probleem is, dat opgelost dient te worden door je eisen verder naar beneden bij te stellen. Waarin dus uitkeringen zo laag mogelijk dienen te zijn. Waar voor bovendien een tegenprestatie verlangd kan worden. En waarin anderzijds de rijken (de bezitters) vrij baan krijgen om belastingen te ontwijken en om zoveel mogelijk de overheid naar hun hand te zetten.

Er is in de tussentijd van alles gebeurd. Na de Tweede Wereldoorlog probeerden we een verzorgingsstaat op te bouwen, de "gemeenschap, georganiseerd in de staat", maar daarna zijn we weer op het pad teruggekeerd dat aan het eind van de achttiende eeuw werd ingeslagen.

Tot we ons nu, in 2021, realiseren dat het zonder overheid niet goed gaat. Dat wil zeggen, een overheid die zich realiseert dat het niet goed afloopt als je een heel maatschappelijk veld, de economie, zich in het moreel luchtledige laat ontwikkelen. 

Om met Polanyi te spreken, terug naar het denken van vóór de waterscheiding aan het eind van de achttiende eeuw, van de maatschappij als een moreel project. Uiteraard met verwerking van alle lessen die we daarna hebben geleerd. Meer in het volgende bericht.

zondag 21 maart 2021

World Poetry Day - Wislawa Szymborska, Een bijdrage tot de statistiek

Het is vandaag World Poetry Day

Poetry reaffirms our common humanity by revealing to us that individuals, everywhere in the world, share the same questions and feelings. Poetry is the mainstay of oral tradition and, over centuries, can communicate the innermost values of diverse cultures.

Omdat dit blog gaat over toegepaste sociale wetenschap en omdat de Poolse dichteres Wislawa Szymborska (1923 - 2012) een van mijn favoriete dichters is, het gedicht (in de vertaling van Thomas Rasch):

EEN BIJDRAGE TOT DE STATISTIEK

Op elke honderd mensen

zijn er tweeënvijftig 
die alles beter weten

onzeker van elke stap -
bijna de hele rest,

bereid om te helpen,
als het niet te lang duurt
- wel negenenveertig,

de goedheid zelve,
omdat ze niet anders kunnen
- vier, nou, misschien vijf,

in staat tot bewondering zonder afgunst
- achttien,

lever er in voortdurende angst,
voor iemand of iets
- zevenenzeventig,

hebben er talent om gelukkig te zijn
- ruim twintig, hoogstens,

zijn als individu ongevaarlijk,
maar slaan los in de massa
- in elk geval meer dan de helft,

zijn wreed,
als de omstandigheden hen dwingen,
- hoeveel kun je beter niet weten,
ook niet bij benadering,

willen er van het leven alleen dingen
- veertig,
hoewel ik me hier liever vergis,

duiken, een en al pijn, in elkaar,
zonder lantaarn in het donker
-drieëntachtig,
vroeg of laat,

verdienen er medelijden
- negenennegentig,

zijn sterfelijk
- honderd op de honderd,
Een getal dat vooralsnog niet verandert.


Uit: Wislawa Szymborska, Einde en begin. Verzamelde gedichten, Amsterdam, Meulenhoff, 2017 (eerste druk 1999)


Dit kwam bij Ionica Smeets binnen als een mokerslag. Kijk, dat is wat een goed gedicht kan doen. 

Ionica maakte er een variant op met cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek: 

Een bijdrage tot de statistiek

Op elke honderd mensen

zijn er zestig

die weinig vertrouwen hebben in de Tweede Kamer,

gaan wekelijks naar de kerk

– tien,

zijn lid van een sportvereniging,

al dan niet voor de gezelligheid

– vijfendertig,

werken als vrijwilliger,

(als het niet te lang duurt)

– wel negenenveertig,

hebben vertrouwen in andere mensen

– toch nog 62,

kochten het boek De meeste mensen deugen

- één, nou, misschien twee,

keken vorige week naar Opsporing verzocht

– zes,

hebben een angststoornis

– ruim tien,

hoewel ik me hier liever vergis,

voelen zich wel eens onveilig in hun eigen buurt

– zestien,

beschouwen zichzelf als zeer gelukkig

– ruim twintig, hoogstens,

zijn sterfelijk

– honderd op de honderd.

Een getal dat vooralsnog niet verandert.

Zondagochtendmuziek - Olga Pashchenko & Jed Wentz | Philidor, Boismortier & Couperin | Early Music Day...

Alleen vandaag, vanaf 11:00 uur te zien. De dag dat de lente begint en de geboortedag van Johann Sebastian Bach. Vier concerten uit het archief van het Utrechtse Oude Muziekfestival. Om 11, 15, 17 en 20 uur.