Toen ik aan deze reeks berichten begon, verwachtte ik dat ik in het voorbijgaan ook even aandacht zou moeten besteden aan het werk van George C. Homans (1910 - 1989). Maar dat begon met bericht 25 en ik merk dat ik er nog niet mee klaar ben. Als ik er nu op terugkijk en me erin verdiep, komt het me als belangrijker voor dan ik destijds dacht. Het is niet alleen zo dat hij de mens terugbracht in de sociologie, maar ook dringt het nu pas tot me door dat je bij hem al de ingrediënten van de sociologie als een verbetervak kunt aanwijzen. Je kunt dat wel een late ontdekking noemen. (Hier het vorige bericht.)
Hoe kan dat, vroeg ik me af. Hoe komt het dat ik dat vroeger, tijdens mijn studie en de eerste jaren van mijn aanstelling aan de universiteit, niet gezien heb?
Dat kan er aan hebben gelegen dat ik al snel concludeerde dat Homans' poging, in zijn Social Behavior uit 1971, om de mens terug te brengen, maar dan in de vorm van de Skinneriaanse operante conditionering, niet de goede weg was. Dat de menselijke interactie alleen maar zou bestaan uit de uitwisseling van beloningen, zoals ook in de ruiltheorie waarvan Homans als grondlegger wordt beschouwd, leek me onwaarschijnlijk.
Ik moet wel bekennen dat ik daar toen, erop terugkijkend, niet diep over nadacht. Want wat later behoorde ik wel tot degenen die de rationele keuzetheorie omarmden. Die kwam uit het vak economie en daarin ging het niet over beloningen en bestraffingen, maar over nut. Maar net zo als in de Skinneriaanse gedragstheorie wat belonend en wat bestraffend was, buiten de theorie werd gehouden, gebeurde dat in de rationele keuzetheorie met wat wel of niet nut opleverde. In beide gevallen ging het om een wel heel "kale" theorie over de menselijke natuur. (Later natuurlijk meer over mijn jaren met de rationele keuzetheorie.)
Hoe dan ook, ik nam te snel afscheid van Homans en kwam, zoals gezegd, wat zijn The Human Group uit 1951 betreft, niet heel veel verder dan dat ik het een aantal keren had opengeslagen. Achteraf gezien was dat onverstandig.
Want wat was Homans daar eigenlijk aan het doen? In plaats van eerst een denksprong te maken naar een theorie over menselijk groepsleven, zoals de theorie dat dat leven altijd het karakter heeft van een sociaal systeem, ging hij na welke lessen er zijn te trekken als je dat groepsleven gewoon observeert. Dat wil zeggen, hij bestudeerde de observaties die eerder door anderen in vijf studies naar kleine groepen waren verricht. Studies waarin niet een vooropgezette theorie de waarnemingen had gestuurd. Waarin de onderzoekers alleen gewapend met hun eigen alledaagse inzichten in het menselijke sociale gedrag waren gaan kijken wat er zich afspeelde en daar verslag van hadden gedaan.
Net zo als, bedenk ik nu, Frans de Waal het groepsleven van een andere primaat, de chimpansees, observeerde en zich daarbij uitdrukkelijk niet liet leiden door het Skinneriaanse gebod dat je de chimpansee als een black box diende te beschouwen.. Ik citeer uit Frans de Waal overleden - Zijn eerste boek, Chimpanseepolitie, uit 1982, was baanbrekend:
Frans de Waal begon zijn wetenschappelijke carrière aan de Universiteit Utrecht met zijn beroemd geworden onderzoek naar de chimpanseegroep van Burgers Dierenpark in Arnhem. Hij schreef daarover dat prachtige boek Chimpanseepolitiek. Macht en seks bij mensapen, dat in 1982 verscheen.
Dat was een baanbrekend onderzoek, omdat hij, tegen de wetenschappelijke consensus van die tijd in, chimpansees nauwgezet en langdurig observeerde en hun gedrag interpreteerde als dat van een soort die heel dicht bij de mens staat. Het was een tijd waarin het behaviorisme nog invloedrijk was en waarin het niet werd gewaardeerd als je gedrag beschreef in termen van motieven en doelen. Want dat was niet objectief.
Er is dus enige overeenkomst tussen hoe Frans de Waal rond 1980 keek naar het groepsgedrag van chimpansees en hoe Homans in 1951 keek, weliswaar indirect, naar het groepsgedrag van mensen. Zonder een andere vooringenomenheid dan de eigen alledaagse inzichten. Homans had niet de last van het gesocialiseerd zijn in een sociologie-opleiding en ging dus vrijuit zijn gang. Frans de Waal was beïnvloed door de ethologen, die hij karakteriseerde als "geduldige waarnemers" (p.28).
Laat ik nog even nagaan wat dat opleverde. Zoals gezegd, het ging om twee studies naar groepen van werknemers van een onderneming, een groep van straatjongeren, een groep mensen die op het eiland Tikopia leefden van tuinbouw en visvangst en een groep inwoners van een dorp in New England, dat Hilltown wordt genoemd. Volledigheidshalve: er werd niet alleen geobserveerd, er werden ook interviews afgenomen.
In die twee groepen van werknemers, de Bank Wiring Observation Room en de Electrical Equipment Company, ging het om het gedrag van mensen die deel uitmaken van een bestaande, formeel vastgelegde, hiërarchie. Mensen bekleedden een positie in een hiërarchie van bevoegdheden en verschillen in beloning en autonomie. Homans nam waar dat mensen gemakkelijk vriendschappen ontwikkelen als ze langer met elkaar omgaan (denk aan de contacthypothese), maar dat dat niet gebeurt bij verschillen in status. Sterker, dan ontstaan fricties en tegenstellingen. En hij nam waar dat mensen superioriteitsgevoelens ontleenden aan hun hogere status en dat degenen met lagere status met ondermijnende acties daartegen verzet aantekenden. Waardoor een vicious spiral van attack and counterattack in gang werd gezet (p.140-144). Ook creëerde de hiërarchie gevestigde privileges die bij een dreigende sociale daling met acties werden verdedigd (p. 407-414).
Anders gezegd, een formeel vastgelegde statushiërarchie activeert het statuscompetitiepatroon van het ieder-voor-zich. Maar mensen ervaren dat als in strijd met het gemeenschapspatroon van het iedereen-telt-mee, waarmee ze natuurlijk ook bekend zijn. Homans (p. 127):
...the feeling that no man should act as if he had authority over someone else is an article in the democratic creed - and note that the creed is realized to some degree in American society and would not survive unless it were.
Een aan de tekentafel ontwikkelde hiërarchie kan dus in theorie economisch efficiënt zijn, maar loopt in de praktijk aan tegen wat mensen kunnen willen, de menselijke sociale natuur. Dat is het inzicht dat leidt tot de bekende pleidooien voor minder hiërarchie in organisaties en voor de coöperatie als organisatievorm. Pleidooien dus voor een betere maatschappij.
In Homans' analyse van de Norton Street Gang, gaat het om een groep van dertien straatjongeren die werd bestudeerd door William Foot White, die daar in 1943 in Street Corner Society verslag van deed. Dat boek kreeg aanvankelijk weinig aandacht, maar werd na een herdruk in 1955 een bestseller, waar iedere eerstejaarsstudent sociologie op zijn minst van had gehoord. We zien enerzijds dat er in die groep een statushiërarchie is ontstaan, met een van hen, Doc, als leider aan de top. Doc stond in het middelpunt van de aandacht, zowel van communicaties naar boven als naar beneden. Hij was de leider omdat hij het best in staat was te voldoen aan de in de groep heersende normen (p.178-179):
The Nortons, like all groups, evaluated a man's behavior by certain norms. He was expected to be strong en skillful at games and athletic sports, partcularly those in which the group was interested; he should be openhanded and ready to meet his obligations; he should be able to "dish it out and take it"; he should be no sucker, and so on. (...) The more closely a man in his activities conformed to these standards, the more popular he was and the higher his social rank.
Maar anderzijds zien we dat die statushiërarchie in toom wordt gehouden. Doc waakt er voor om al te bazig over te komen, omdat hij weet dat de anderen dat niet zullen accepteren. Doordat ze al lang met elkaar optrekken, zorgt de onderlinge vertrouwdheid er voor dat het gemeenschapspatroon ook gemakkelijk geactiveerd wordt. Een statushiërarchie kan van bovenaf opgelegd zijn, zoals in een bedrijf, of spontaan ontstaan, maar in beide gevallen zien we dat de leden van de groep er verzet tegen aan tekenen en daarnaar handelen.
In de hoofdstukken over Tikopia, de naam van het eiland in Polynesië en van de ongeveer 1200 mensen die er wonen, baseert Homans zich op de beroemd geworden studie van Raymond Firth uit 1936, We, The Tikopia. A sociological study of kinship in primitive Polynesia. De Tikopia leefden verspreid over dorpen en in huishoudens van meerdere generaties. Hier gaat de analyse natuurlijk vooral over verwantschapsrelaties, die zich uitstrekken tot ver buiten het kerngezin van twee ouders en hun kinderen, ja, tot vrijwel het gehele eiland.
De kern daarvan ligt erin dat de kinderen die het huishouden verlaten, niet zich niet alleen in de buurt vestigen, maar ook relaties van samenwerken en delen in stand houden. Met elkaar en met de ouders. Daardoor worden de relaties van "vrijheid en vriendelijkheid" die binnen het huishouden bestaan opgetild naar de relaties tussen huishoudens. Door de combinatie van de onderlinge vertrouwdheid die in stand blijft en de mogelijkheden en noodzaak van onderlinge hulpverlening, het samenwerken en delen, wordt dus heel gemakkelijk het gemeenschapspatroon geactiveerd. Homans gaat in op het grote verschil met het westerse, sociaal geïsoleerde kerngezin en op de sociale problemen die daarmee samenhangen, dus van eenzaamheid en sociale vluchtigheid (p.276-280).
Gegeven de dominantie van het gemeenschapspatroon, is er niettemin een statushiërarchie aanwezig. Het gaat om een patriarchale samenleving, waarin mannen meer te zeggen hebben dan vrouwen. Maar als een vrouw zich slecht behandeld voelt, kan ze terug naar haar familie. Er zijn vier clanhoofden, de chiefs, die organisatorische en religieuze functies vervullen. Maar hun machtsuitoefening wordt sterk ingeperkt door de algemene verwachting dat ze zich verantwoordelijk gedrag en zich niet verrijken.
Dan is er tenslotte de groep van inwoners van het dorp Hilltown, waar een aanvankelijke gemeenschapstoestand door economische ontwikkelingen, zoals schaalvergroting en functiescheiding, overging in een toestand van sociale onzekerheid en vluchtigheid, met toename van eenzaamheid en activering van het statuscompetitiepatroon. Daar had ik het al over in het vorige bericht.
Samengevat, Homans gaf in 1951 al een fraai overzicht van de verschillende manieren waarop groepen mensen kunnen omgaan met de innerlijke tegenstrijdigheid van de twee sociale gedragspatronen waarmee ze zijn toegerust. Onder verschillende omstandigheden leidt dat tot verschillende uitkomsten. Met als overkoepelend inzicht dat steeds geprobeerd wordt om het statuscompetitiepatroon zoveel mogelijk in toom te houden. Soms lukt dat beter en soms gaat het de verkeerde kant op.
Daarmee schilderde hij wat mij betreft al de contouren van dat sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving waar het in deze reeks berichten over gaat.

