dinsdag 16 juli 2019

Wat was er voor we ons zelfbewustzijn hadden ontwikkeld? Over het "besef" van het eigen lichaam

Zelfbewustzijn ontstaat bij kinderen zo ongeveer in de tweede helft van het tweede levensjaar. Als het er is, dan zijn kinderen in staat om de spiegeltest te doorstaan. Om zichzelf in de spiegel te herkennen. Zie het bericht Het ontstaan van zelfbewustzijn bij kinderen en de vroegste herinnering.

Met daarin ook de aanwijzingen dat de ontwikkeling van dat zelfbewustzijn een sociaal proces is. Als het kind maar voldoende wordt betrokken in sociale interactie, dan leert het gaandeweg om te kijken naar zichzelf met de blik van anderen. Die voorwaarde van "voldoende sociale interactie" komt ermee overeen dat zelfbewustzijn alleen voorkomt bij bepaalde groepsdieren (chimpansees, olifanten, dolfijnen en mensen).

Maar wat is er dan precies bij kinderen jonger dan twee en een half jaar dat het mogelijk maakt om die stap naar zelfbewustzijn te maken? Omdat dat de periode is van de childhood amnesia, waar we dus geen expliciete herinnering aan hebben, kunnen we ons daar moeilijk een beeld van vormen. Hoe is het om (nog) geen zelfbewustzijn te hebben? Er is iets niet, maar wat is er dan wel?

Een intrigerende vraag, ook al omdat hij ook gaat over onze relatie tot alle andere dieren die zelfbewustzijn ontberen. Wat gebeurt er precies als je met je kat of met je hond communiceert? Wat "denkt" dat beest als jij denkt dat hij jou "begrijpt"?

Vragen waarop we misschien nooit een antwoord krijgen.

Maar we weten wel iets. Dat realiseerde ik me toen ik Other Minds. The Octopus and the Evolution of Intelligent Life van Peter Godfrey-Smith las.

Want daarin vertelt Godfrey-Smith wat de evolutionaire ontwikkeling van organismen die zichzelf kunnen voortbewegen, dieren dus, met zich mee heeft gebracht. Als je je zelf kunt voortbewegen, kruipen, lopen, zwemmen, springen, vliegen, dan maakt het voor je overleving en voortplanting wat uit waar je op welk moment bent. (Terzijde: denk ook even terug aan het bericht Ontstond de hang naar vertrouwdheid op het moment in de evolutie dat levende wezens zich gingen voortbewegen?)

Je moet gevaren vermijden en op tijd voedsel en voortplantingsmogelijkheden vinden, met als restrictie dat voortbeweging energie kost. Dus moet je je omgeving kunnen leren kennen en daarvoor is waarneming nodig. Kijken, horen, voelen, ruiken.

Daardoor ben je in staat om veranderingen in je omgeving waar te nemen. Maar om daar goed op te kunnen reageren, moet je ook in staat zijn om die veranderingen te onderscheiden van de veranderingen die jijzelf teweegbrengt. Je moet dus een besef hebben van wat jijzelf doet en dus van je eigen lichaam. Godfrey-Smith geeft het voorbeeld van de regenworm (p. 83):
An earthworm withdraws when something touches it - the touch might be a threat. But every time the worm crawls forward, it causes part of its body to be touched in just the same way. If it withdrew at every touch, it could never move at all. The worm succeeds in moving forward by canceling the effects of those self-produced touches.
Dieren kunnen dus niet zonder een "besef" van hun eigen lichaam en lichaamsbewegingen. Waardoor ze ook in staat zijn om te "beseffen" dat een object hetzelfde object blijft ook als de positie van waaruit jij het waarneemt, verandert. Dat lijkt een heel eenvoudige vaardigheid, maar probeer je eens voor te stellen hoe die in de evolutie is ontstaan.

Dus: wat was er voor we zelfbewustzijn ontwikkelden? Een "besef" van ons eigen lichaam. En daarmee het vermogen tot waarneming. (Besef steeds tussen aanhalingstekens, omdat we niet goed weten wat dat eigenlijk inhoudt.)

Wel heel toevallig dat ik net vanochtend de mooie studie The Development of Body Self-Awareness onder ogen kreeg. Uit 2007, maar niet eerder opgemerkt. De onderzoekers, onder wie Chris Moore en Daniel J. Povinelli, gingen na of kinderen rondom de anderhalf jaar in staat waren om een speelgoedwinkelkarretje voort te bewegen terwijl daar een matje aan was bevestigd waarop je zou staan als je probeerde om het voort te duwen. Kinderen die er niet in slaagden om het karretje voort te duwen, omdat ze zelf op het matje stonden, hadden kennelijk nog niet een besef van hun eigen lichaam. Als ze er wel in slaagden, gingen ze naast het matje lopen.

Het bleek toen dat er een verband was tussen het succes bij de spiegeltest en bij het oplossen van het matjesprobleem. Kinderen die duidelijk voor de spiegeltest slaagden en waarbij dus het zelfbewustzijn was ontwikkeld, hadden snel door dat ze niet op het matje moesten lopen.

Maar dat het verband niet sterk was, wijst erop dat het "besef" van het eigen lichaam en het zelfbewustzijn niet aan elkaar gelijk zijn. Er waren kinderen die nog niet de spiegeltest doorstonden, dus nog niet zelfbewustzijn hadden, die met wat trial and error er wel in slaagden om het karretje voort te duwen. Dus wel een "besef" hadden van hun eigen lichaam. In de woorden van de onderzoekers:
But what counts as having an objective sense of self? On the one hand, representing self from an objective point of view entails understanding that the self is a unique object. The mirror self-recognition task reveals young children’s awareness of the self as a particular entity—the self is a person who can be differentiated from other people based on visual appearance. On the other hand, representing the self objectively entails recognizing that the self is also an object like other objects—it has physical properties that play a causal role in the world of objects. The shopping cart task assesses this aspect of the self.
Om een besef te krijgen van wat het betekent om geen zelfbewustzijn te hebben, kun je dus proberen om je te verplaatsen in dat kind dat zich niet zelf herkende in de spiegel, maar wel in staat was om te "beseffen" dat je niet een karretje kunt voortduwen als jezelf op het matje staat dat daaraan vastzit.

zondag 14 juli 2019

Zondagochtendmuziek - G. F. Händel, Lascia Chio pianga. Soprano; Julia Lezhneva

Net zo als naar Bach, kun je eigenlijk altijd, elk moment van de dag, naar Händel luisteren. Ook nog eens tijdgenoten, in hetzelfde jaar (1685) geboren.

Hier de wonderschone aria Lascia Chio pianga, die eigenlijk nooit verveelt. Gezongen door Julia Lezhneva, die op dit blog al eens eerder langskwam. Toen zong ze in het Amsterdamse Concertgebouw.

Nu in het Noorse Trondheim, in de open lucht. In de commentaren op YouTube lees je twee opmerkingen over de man achter haar. Volgens de eerste heeft hij net de zin van het leven ontdekt. En volgens de tweede vraagt hij zich af waar hij ook al weer de auto geparkeerd heeft. Ik ga voor de eerste.

vrijdag 12 juli 2019

Statuscompetitie en de eercultuur (culture of honor)

Net zo als het patroon van het gemeenschapsgedrag (zie Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag?), is ook het statuscompetitiepatroon een complex geheel, met verschillende verschijningsvormen. Zie
De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchieSekse-ongelijkheid als verschijningsvorm van statuscompetitie en De oorlog tegen de kwetsbaren en de armen als verschijningsvorm van de statuscompetitie.

Een verschijningsvorm die op dit blog nog maar zijdelings aan de orde kwam (zie 
Mannen, mannelijkheid en statuscompetitie - en weer over Donald Trump) is die van de eercultuur (culture of honor). Daaronder wordt een cultuur verstaan waarin het van het allergrootste belang wordt geacht om je reputatie (je status) en die van je familie en van je gemeenschap te verdedigen tegen bedreigingen en beledigingen.

Dat brengt met zich mee dat je altijd bedacht moet zijn op zulke bedreigingen en beledigingen en ook bij de geringste aanwijzing in die richting moet laten merken dat je daarvan niet gediend bent. En dat laat je merken door altijd met zoveel agressie te reageren dat je een reputatie opbouwt dat er met jou niet valt te spotten.

Dat grote belang van die reputatie hangt er natuurlijk mee samen dat je een wereldbeeld hebt waarin er altijd gevaar dreigt en waarin je nooit zomaar op de goedwillendheid van anderen kunt vertrouwen. Denk aan de twee wereldbeelden van het rechts-extremisme. Wat er meteen op wijst dat rechts-extremisme een politieke verschijningsvorm is van statuscompetitie en eercultuur.

Die eercultuur heeft sociaalwetenschappelijk al de nodige aandacht gekregen. Zo is er onderzoek gedaan waarin staten van de Verenigde Staten waarin die eercultuur meer lijkt voor te komen, vooral de zuidelijke staten, werden vergeleken met de andere staten.

Ryan P. Brown schreef daarover het boek Honor Bound. How a Cultural Ideal Has Shaped the American Psyche, waarin je onder meer kunt lezen dat in eercultuurstaten meer doodslag (argument-based homicide) voorkomt en meer verkrachtingen en huiselijk geweld (beide alleen onder de witte bevolkingen). Ook liggen de uitgaven en de voorzieningen voor geestelijke gezondheidszorg lager in de eercultuurstaten, wat er op wijst dat je in een eercultuur minder makkelijk toegeeft dat je het moeilijk hebt.

Maar er is ook onderzoek waarin geprobeerd is om het aanhangen van de ideeën van de eercultuur als een individueel kenmerk vast te stellen. Zo ontwikkelde diezelfde Ryan P. Brown samen met anderen in 2012 de Honor Ideology for Manhood Scale (HIM), een lijst van 16 stellingen waarvan je kunt aangeven in hoeverre je het er mee eens of oneens bent:
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who calls him an insulting name.
  • A real man doesn’t let other people push him around.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who slanders his family.
  • A real man can always take care of himself.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who openly flirts with his wife.
  • A real man never lets himself be a “door mat” to other people.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who trespasses on his personal property.
  • A real man can “pull himself up by his bootstraps” when the going gets tough.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who mistreats his children.
  • A real man will never back down from a fight.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who steals from him.
  • A real man never leaves a score unsettled.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who vandalizes his home.
  • A real man doesn’t take any crap from anybody.
  • A man has the right to act with physical aggression toward another man who insults his mother.
  • A real man is seen as tough in the eyes of his peers.
Het blijkt dan dat degenen die hoger scoorden op deze schaal, dus meer aanhanger waren van de eercultuur, militanter zouden reageren op een mogelijk terroristische daad en meer voorstander waren van extreme ondervragingstechnieken.

Dat bleek ook het geval te zijn als gecontroleerd werd voor Right-Wing Authoritarianism (RWA) en voor de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO). Wat erop wijst dat het aanhangen van de eercultuur nog weer net een ander aspect van statuscompetitie afdekt. Zie voor RWA en SDO het bericht: Over het verband tussen narcisme en rechts-extremisme.

En nu is er ook de studie Honor to the core: Measuring implicit honor ideology endorsement, met Ryan P. Brown als laatste auteur, waarin een impliciete meting van eercultuur wordt gebruikt en getest. 

Dat gebeurt met de Affect Misattribution Procedure (AMP), waarin je woorden krijgt gepresenteerd die gekoppeld zijn aan eercultuur (zoals "eer") en neutrale woorden, waarna je moet aangeven hoe aangenaam je een pictogram (een Chinees teken) vindt. Hoe meer je dan dat pictogram aangenaam vindt als je vlak daarvoor naar een eergerelateerd wordt hebt gekeken, hoe meer je een aanhanger blijkt te zijn van de ideeën van de eercultuur.

dinsdag 9 juli 2019

Hebben de uitvoerders van de verzorgingsstaat nog wel voldoende inzicht in belang van bestaans- en rechtszekerheid?

Op het niveau van nationale staten kun je het gemeenschapsevenwicht dichterbij brengen door mensen in de vorm van de regelingen van de verzorgingsstaat bestaans- en rechtszekerheid te verschaffen. Zie het bericht Het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht op het niveau van nationale staten.

Daarom was de na-oorlogse ontwikkeling van de verzorgingsstaat zo'n belangrijke stap in de geschiedenis.

Maar mensen kunnen het belang ervan uit het oog verliezen. In ons land is dat al een poos aan de gang. In de politiek ontstond het idee dat de verzorgingsstaat niet te handhaven zou zijn en dat het allemaal wat minder moest.

De uitwerking van die gedachte vergrootte de bestaans- en rechtsonzekerheid onder grote delen van de bevolking, met als gevolg een toename van maatschappelijke tegenstellingen en van politiek rechts-extremisme. Dus van een beweging in de richting van het statuscompetitie-evenwicht.

Nu blijkt dat niet alleen de politici, maar ook de ambtenaren van de uitvoeringsinstanties van de verzorgingsstaat, dat belang van bestaans- en rechtszekerheid niet meer zo goed voor ogen hebben.

Actueel speelt er de toeslagen-affaire. Er komt aan het licht dat de Belastingdienst bij honderden, en misschien duizenden, ouders de toeslag voor de kinderopvang onrechtmatig heeft stopgezet. "Toevallig" allemaal ouders met een tweede nationaliteit.

Lees wat Pieter Klein hier gisteren over schreef: Een ongekende heksenjacht. En hoe hij wijst op hoe de rechtszekerheid hier in het geding is:
Dát was de heksenjacht. Tegen honderden goedwillende ouders. Bijna allemaal met een tweede nationaliteit. Op basis van gefabriceerd nep-bewijs en flut-onderzoek. Relevante informatie werd stelselmatig achtergehouden voor rechters en voor de Tweede Kamer. Pas na een reeks onthullingen begon staatssecretaris Snel in juni in te zien dat het in deze zaak grondig mis is, dat de kern van onze rechtsstaat in het geding is, en dat hijzelf ook te lang leed aan 'tunnelvisie'. En dat het niet een enkele ambtenaar was die z’n boekje te buiten ging, maar dat het gewoon staand beleid van de top van de Belastingdienst was om tegen de wet te handelen. En dat sommige ambtenaren intern al in 2015 waarschuwden.
Het is nogal verontrustend dat we er niet meer vanuit kunnen gaan dat ambtenaren doordrongen zijn van het belang van rechtmatigheid en rechtszekerheid.

Eerder hadden we de affaire dat de Belastingdienst en het UWV bij beslag op loon of uitkering in geval van schulden niet de wettelijk voorgeschreven beslagvrije voet bleken te hanteren. Waardoor mensen onder het grondwettelijk voorgeschreven bestaansminimum terecht kwamen. Zie Is in Nederland het recht op het absolute bestaansminimum wel gegarandeerd? Nee dus.

Dat speelt al vanaf 2015. En ook daar moest de Nationale Ombudsman aan te pas komen. Nu is er vandaag, eindelijk, het bericht dat het UWV er voor zorg zal dragen dat het recht op dat bestaansminimum gerespecteerd wordt. Zie op de website van de Nationale Ombudsman: UWV stapt af van laagste beslagvrije voet bij meerdere beslagleggers.

maandag 8 juli 2019

Empirische ondersteuning voor de Moral Politics Theory van George Lakoff - Over de moraliteit van de zorgzaamheid en de moraliteit van-de-strenge-vader

George Lakoff onderscheidt in zijn Moral Politics Theory (MPT) twee morele intuïtie-pakketten, de moraliteit van de zorgzaamheid en de moraliteit-van-de-strenge-vader, die sterk overeenkomen met mijn onderscheid tussen de gemeenschapsintuïties en de statuscompetitie-intuïties. Ik stond daarbij stil in het bericht George Lakoff over morele intuïties in de politiek en over Trump. En over de Dual-Mode theorie.

Bij Lakoff gaat het om intuïties met betrekking tot de verhoudingen binnen het gezin en de opvoeding van kinderen. Volg de link in de vorige alinea voor hoe hij zelf die twee verschillende intuïtie-pakketten omschrijft. En lees daar ook hoe hij die twee ziet als onderling tegenstrijdig (mutually inhibitive): om naar de wereld te kunnen kijken vanuit de intuïties van de zorgzaamheid is het nodig om de intuïties-van-de-strenge-vader te onderdrukken. En andersom. Net zo als de gemeenschapsintuïties en de statuscompetitie-intuïties elkaar niet verdragen.

Lakoff denkt dat die twee moraliteiten weliswaar in de schoot van het gezin en de persoonlijke relaties ontstaan, maar dat ze ook hun uitwerking hebben op hoe mensen over de gewenst inrichting van de maatschappij en dus over de politiek denken. De moraliteit van de zorgzaamheid zou meer in de richting van politiek links (progressive) sturen en de moraliteit-van-de-strenge-vader meer in de richting van politiek rechts (conservative).

In de nieuwe studie Measuring Moral Politics: How Strict and Nurturant Family Values Explain Individual Differences in Conservatism, Liberalism, and the Political Middle krijgen de ideeën van Lakoff empirische ondersteuning. Een ondersteuning die dus ook relevant is voor de eerste stelling van de Dual Mode-theorie.

Onderdeel daarvan is de ontwikkeling en validering van de twee schalen om die twee intuïtie-pakketten te meten en om te controleren of ze inderdaad elkaar uitsluiten. Uit de twee lijstjes van uitspraken kun je aflezen hoezeer ze overeenkomen met de gemeenschapsintuïties en de statuscompetitie-intuïties.

Hier zijn de uitspraken van de moraliteit van de zorgzaamheid, waarbij de (R) betekent dat die uitspraak omgekeerd gecodeerd wordt:
  • Children must learn to see the world through other people’s eyes
  • Parenting means nurturing the child’s true nature.
  • Knowing how to care for others is not a central thing for a child to learn. (R)
  • Children will grow up to be happy adults if parents encourage them to follow their curiosity.
  • In order to truly nurture children one needs to be empathic.
  • Learning to understand others and accepting them for who they are is not important for children to learn. (R)
  • Children shouldn’t feel obligated to care about the well-being of people they do not know. (R)
  • Siblings should receive parental support in accordance to their individual needs
  • I’d rather see my child play cooperatively than play competitively.
  • Tending to the needs of others is not a sign of responsibility in children. (R)
  • Children should learn to understand others needs and attend to them.
  • Parents should empower children as much as possible so that they may follow their dreams.
  • It’s not important for parents to explain to their children why they set certain rules and limits. (R)
  • It’s not critical for children to learn to take the perspective of others into account. (R)
En hier de uitspraken van de moraliteit-van-de-strenge-vader:
  • Children must be disciplined through strict rules at home. 
  • Bad behavior in children must be punished sufficiently.
  • I will not have my child talk back to me.
  • Sometimes it’s okay to let bad behavior in children go unpunished. (R)
  • Children need to be disciplined in order to build character.
  • Obedience must be instilled in children.
  • When grownups talk children ought to be quiet.
  • It’s fine for children to have secrets and hide things from their parents. (R)
  • “Tough love” is required to raise a child right.
  • Children must always be on time.
  • When in doubt, parents should err on the side of lenience rather than strictness. (R)
  • Parents shouldn’t handicap their children by making their lives too easy.
  • While other people must not be one’s concern, within a family, everyone should look after each other. 
  • Children must be taught that people get what they deserve.
  • At times it’s okay for children to disobey their parents. (R) 
Merk op dat het in beide moraliteiten zowel gaat om hoe het in het gezin er aan toe behoort te gaan (zorgzaamheid versus hiërarchie) als om het voorbereiden van kinderen op de maatschappij (onderlinge zorgzaamheid versus ieder-voor-zich).

zondag 7 juli 2019

Zondagochtendmuziek - John Coltrane, Stan Getz, Oscar Peterson, - Hackensack

De tenorsaxofonist Stan Getz (1927 - 1991) trad in 1961 met zijn kwartet op in de Village Gate in New York. Daar werden opnamen van gemaakt, maar die bleven tot voor kort ergens liggen. Getz ontdekte de bossa nova en had daarmee, en samen met Astrud Gilberto, groot commercieel succes. Even geen ruimte meer voor bop en hardbop.

Maar die opnamen zijn nu alsnog uitgebracht: Getz at the Gate. In de Volkskrant maakte Gijsbert Kamer er melding van: Na 60 jaar is dit prachtige stukje jazzhistorie van saxofonist Stan Getz eindelijk uitgebracht. Inderdaad een geweldige toevoeging aan de geschiedenis van de jazz.

Gijsbert Kamer merkt op dat je kunt horen hoe Getz door John Coltrane was beïnvloed. Maar dat Coltrane ook hoog opgaf van het spel van Getz. Hij moet gezegd hebben dat "we allemaal wel zouden willen klinken als Stan Getz als we dat konden".

Er zijn opnamen van hen samen. Zoals deze uit 1960, met Oscar Peterson, Paul Chambers en Jimmy Cobb.

dinsdag 2 juli 2019

De belichaming van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 13

Update. Zie nu ook het bericht Empirische ondersteuning voor de Moral Politics Theory van George Lakoff - Over de moraliteit van de zorgzaamheid en de moraliteit van-de-strenge-vader voor meer ondersteuning voor de eerste stelling van de Dual mode-theorie.
In deel 1 van deze reeks berichten ging het erover dat het voor een maatschappelijk belangrijker vak sociologie nodig is dat het vak zich baseert op empirisch gefundeerde inzichten in wat mensen op sociaal vlak kunnen en willen. Op inzichten dus in de aard van de menselijke sociale natuur. (Zie hier het vorige bericht in deze reeks.)

Zulke inzichten zijn aanwezig en liggen voor het oprapen. Ik vatte ze samen in de drie stellingen van de Dual Mode-theorie. De eerste twee vind je in deel 1 en de derde in deel 2.

Volgens de eerste stelling is de menselijke sociale natuur innerlijk tegenstrijdig: er zijn twee gedragspatronen die mensen gemakkelijk aanleren en uitvoeren, gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag, en elk van die twee is slechts uitvoerbaar als de andere wordt onderdrukt.

Ik verwees al naar de evolutionaire achtergrond van dat inzicht en de overlapping met de empirisch onderbouwde life history theory. En ik noemde de aanwijzingen die voortvloeien uit het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar sociale gedragspatronen (relational models).

Maar er is meer te melden over de empirische onderbouwing van die eerste stelling (en indirect over de tweede). Ik realiseerde me dat toen ik de aankondiging zag van de Nederlandse vertaling van
The Polyvagal Theory. Neurophysiological Foundations of Emotions, Attachment, Communication, and Self-Regulation van Stephen W. Porges (De polyvagaaltheorie. De neurofysiologische basis van emoties, gehechtheid, communicatie en zelfregulatie).

Die polyvagaaltheorie kwam op dit blog al eens indirect aan de orde, namelijk in het bericht De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren. Maar dat dateert al weer van 2014 en was mij even ontschoten.

Hoe dan ook, ik sloeg er nog eens het hoofdstuk Neurobiology and the Evolution of Mammalian Social Behavior op na, dat Porges samen met C. Sue Carter schreef voor het boek Evolution, Early Experience and Human Development. Daarin vind je een beknopte omschrijving van de empirisch onderbouwde inzichten van die polyvagaaltheorie. Een uitgebreide samenvatting geeft Porges in The polyvagal perspective.

Waar het mij nu om gaat, kan ultrakort worden samengevat in het volgende plaatje:


Je ziet drie neurale circuits en bijbehorende gedragspatronen afgebeeld (I, II en III), die hiërarchisch zijn georganiseerd. 

Circuit I is fylogenetisch het oudste, dus in de evolutie het vroegst ontstaan, en wordt aangestuurd door het onderste (beneden het middenrif) gedeelte van het parasympathische zenuwstelsel (de nervus vagus of zwerfzenuw). 
De zwerfzenuw ontspringt uit de hersenen en vertakt zich naar het hoofd (o.a. strottenhoofd en stembanden) en naar de ingewanden van de borst- en buikholte. Het is de belangrijkste parasympathische zenuw van het autonome zenuwstelsel (ANS).
Het bijbehorende gedragspatroon is dat van de immobilisering, het bevriezen, als reactie op dreigend gevaar.

Circuit II is dat van de sympathische vechten-of-vluchten reactie op gevaar en komt overeen met het statuscompetitiepatroon. Het is fylogenetisch recenter en kan pas in werking komen als circuit I wordt onderdrukt.

Circuit III is dat van het nieuwste, parasympathisch hogere (boven het middenrif), patroon, dat rust en herstel mogelijk maakt en daardoor ook communicatie en pro-sociaal gedrag. Het komt overeen met gemeenschapsgedrag en kan ook weer pas in werking komen als circuit II, de statuscompetitie, wordt onderdrukt.

Het gemeenschapspatroon en het statuscompetitiepatroon komen dus overeen met twee van de drie neurale circuits. De vraag die nu even blijft staan is of er goede redenen zijn om apart ruimte te maken voor circuit 1.

Ter verdere toelichting een citaat van Carter en Porges (p. 142-143):
The newest circuit is the branch of the parasympathetic nervous system that coordinates activity in the face and head, permitting social communication. This newer circuit is used first in response to challenges to the organism. If th enewest circuit fails to provide safety, older survival-oriented circuits are recruited sequentially, with the defensive fight-or-flight response preceding the use of an immobilization response. It is important to note that social behavior, social communication, and visceral homeostasis, as promoted by the newest circuit, are largely incompatible with neurophysiological states and behaviors that are regulated by circuits that support the defense strategies of both "flight and fight" and immoblization. Inhibition of systems that are in general defesive or protective is necessary to initiate social engagement and to allow positive social behaviors. Conversely, positive social behaviors may be inhibited during prolonged periods of adversity. However, systems that support sociality, because they are intertwined with restorative physiological states, also may be protective against the destructive effects of chronic fear or stress.
Met in de laatste zin meteen een verklaring voor de positieve gezondheidseffecten van gemeenschapsgedrag!
Ik zie net dat de polyvagaaltheorie toch ook al wel in een sociologietijdschrift aan de orde is gekomen. Zie On the Elementary Neural Forms of Micro-Interactional Rituals: Integrating Autonomic Nervous System Functioning Into Interaction Ritual Theory uit 2016.

zondag 30 juni 2019

Zondagochtendmuziek - Una Furtiva Lagrima - Enrico Caruso 1904

In de trattoria in Polignano a Mare (Puglia, Italië), waar we twee weken terug terechtkwamen,  stond de tophit uit begin jaren zestig Nel blu dipinto di blu, beter bekend als Volare, van Domenico Modugno prominent op de speellijst.

Polignano is de geboorteplaats van Modugno en de inwoners zijn daar trots op. Modugno werd met Volare derde op het Eurovisiesongfestval in Hilversum in 1958, dat werd gewonnen door onze Corry Brokken met Heel de wereld. Maar Volare werd in de Verenigde Staten een doorslaand succes en kreeg als enige niet-Engelstalige lied ooit twee Grammy Awards.

Italianen hebben iets met de menselijke stem. En nog meer met de mannelijke stem, speciaal de tenor. Denk aan al die Italiaanse opera's, zoals van Monteverdi, Vivaldi, Verdi, Puccini, Donizetti en Bellini, die, wat oneerbiedig gezegd, vooral een omlijsting zijn van prachtige aria's.

De allergrootste van die Italiaanse tenoren was natuurlijk Enrico Caruso (1873 - 1921), geboren in Napels. Dat was uit de tijd van de eerste plaatopnamen. (Maar luister hier ook eens naar Tito Scipa.)

Hier zingt hij de larmoyante aria Una Furtiva Lagrima uit de opera L'elisir d'amore van Gaetano Donizetti, een opname in 1904 gemaakt in Carnegie Hall, New York.

vrijdag 28 juni 2019

Was de politieke bezuinigingszeepbel een gevolg van de invloed van het Grote Geld?

Hoe kon het gebeuren dat er na de Grote Financiële Crisis van 2009 - 2010 in de politiek een obsessie ontstond met overheidsschulden? Met een consensus dat overheden zo snel mogelijk en zo veel mogelijk moesten bezuinigen?

Terwijl de crisis juist te maken had met de exorbitante schuldophoping in de private sector? En terwijl de economiehandboeken adviseerden om in zulke tijden juist de tekorten te laten oplopen en de economie te stimuleren? Kortom, hoe kon de politieke bezuinigingszeepbel ontstaan? (Mijn eerste bericht over die bezuinigingszeepbel dateert van 2011.)

Een aanleiding om nog eens bij die vraag stil te staan vormen de laatste twee columns van Coen Teulings in het Financieel Dagblad: Staatsschuld kost niet, staatsschuld rendeert juist en
Nieuwe‘Studiegroep Begrotingsruimte’ voor volgend kabinet kan niet op zelfde voet doorgaan.

Niet omdat Teulings daar nieuwe argumenten naar voren brengt tegen die obsessie met begrotingstekorten. Maar integendeel juist omdat die argumenten al lang bekend zijn. Het klopt niet om de overheidsbegroting gelijk te stellen aan een huishoudboekje. De overheid bestiert niet een huishouden, maar een hele economie, waardoor een heel andere kijk op "schulden" nodig is. Lees Teulings en lees ook nog eens De overheidsbegroting is nog steeds geen huishoudboekje - Over onkunde in de politiek en de media.

Een tweede aanleiding vormt de column van Paul Krugman van vorige week: Notes on Excessive Wealth Disorder. How not to repeat the mistakes of 2011.

Want daarin stelt hij precies die vraag naar hoe die politieke zeepbel kon ontstaan. En maakt hij, althans voor de Verenigde Staten, aannemelijk dat de invloed van het Grote Geld (Excessive Wealth Disorder) op de politieke agendavorming een grote rol heeft gespeeld.

Hoewel ook bij het grote publiek het huishoudboekjesdenken aanhang heeft, staan daar toch de sociale zekerheid en de gezondheidszorg en de werkloosheidsbestrijding hoger op de agenda. En daartegenover liggen de prioriteiten van de allerrijksten juist bij het terugdringen van het overheidstekort (bezuinigen!) en bij het uitkleden van de sociale zekerheid (de entitlements).

Het blijft tragisch. Terwijl het uitbreken van de Grote Financiële Crisis een gevolg was van de sterk toegenomen ongelijkheid en de groei van het Grote Geld, was het datzelfde Grote Geld dat maatregelen wist tegen te houden die de gevolgen ervan voor de Gewone Man hadden verzacht.

donderdag 27 juni 2019

Heeft de sociologische theorie een blinde vlek voor kwaadaardigheid? - Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden? - deel 12

Update. Zie nu ook deel 13 van deze reeks berichten: De belichaming van de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur.
Er zijn goede redenen om te vermoeden dat de menselijke sociale natuur ambivalent is tussen enerzijds het gemeenschapspatroon en anderzijds het statuscompetitiepatroon. Zie Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan. Zoals in eerdere berichten van deze reeks uiteengezet (zie hier het vorige bericht), zou die ambivalentie wel eens een belangrijk ingrediënt kunnen zijn voor een maatschappelijk belangrijker vak sociologie.

Ik wees er al op dat je die ambivalente sociale natuur niet zult aantreffen in de inleidingen tot het vak sociologie, noch in de sociologie tijdschriften. En dat zulks er mee te maken heeft dat de sociologie zich altijd verre heeft gehouden van de evolutietheorie en dus van de gedachte dat er een menselijke sociale natuur bestaat waar je je in je vak iets van zou moeten aantrekken. Het vak heeft nog altijd te lijden van het Social Science Standard Model. zoals dat in 1994 zo fraai werd gekenschetst door Steven Pinker in zijn The Language Instinct

Dat ontbreken van een, empirisch gefundeerde, karakterisering van de menselijke sociale natuur maakt dat het vak sociologie er moeite mee heeft om expliciet uit te gaan van veronderstellingen over wat mensen willen en kunnen. Met als gevolg dat het vak tekort schiet in het formuleren van een te prefereren toestand (het gemeenschapsevenwicht). Boven die andere toestand, die van het statuscompetitie-evenwicht.

Ik bedacht me dat een en ander ook inhoudt dat de sociologische theorie daardoor een blinde vlek heeft voor de kwaadaardige kant van de menselijke natuur, zoals die tot uiting komt in het statuscompetitiegedrag. Zie nog eens De sociale verschijningsvormen van de statuscompetitie en de statushiërarchie om van die kwaadaardigheid een indruk te krijgen.

Want neem nu de differential association theory, die Edwin H. Sutherland voor en na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde (zie hier een fraai overzichtsartikel) en die in de sociologie nog steeds een belangrijke rol speelt.

Daarin gaat het over de verklaring van criminaliteit, dus over een categorie gedrag die niet door de sociologie zelf, maar door de wetgeving van een land wordt onderscheiden. Er is niet een sociologische theorie waarin een rol is weggelegd voor kwaadaardigheid.

Ik denk ook even aan dat lijvige boek Foundations of Social Theory van James S. Coleman. Als je dat van begin tot eind bestudeert, wat ik ooit gedaan heb, dan kom je nergens een analyse tegen van de kwaadaardige kanten van het menselijk gedrag.

Let wel, er zijn wel degelijk sociologen, of sociaal-psychologen, die zich met kwaadaardig gedrag hebben beziggehouden. Je denkt al gauw aan Philip Zimbardo van het Stanford Prison Experiment. (Lees Rutger Bregman daarover.) Maar ook aan Roy F. Baumeister (Evil: Inside Human Violence and Cruelty) en Ervin Staub (The Roots of Evil: The Origins of Genocide and Other Group Violence).

Maar het gaat erom dat de sociologische theorie zich niet uitlaat over een menselijke sociale natuur waar ook kwaadaardigheid deel van uitmaakt. Voor kwaadaardigheid heeft het vak een blinde vlek.

En dat gaat ten koste van de maatschappelijke belangrijkheid van het vak.