Durkheim was in 1896 nog niet in staat om zich een democratische overheid voor te stellen die maatregelen zou kunnen nemen om de "collective sadness" als gevolg van het verlies van sociale banden onder de bevolking te verminderen. En al helemaal niet dat mensen zich in een democratie met elkaar verbonden zouden kunnen voelen. Hij nam de bestaande toestand, die van de "bezittersmaatschappij", als een gegeven aan en ging op zoek naar waar zich spontaan, zoals dat hoort in een sociaal systeem, voor mensen nieuwe mogelijkheden zouden aandienen voor het zich voegen in een sociaal verband. Wat leverde die zoektocht op? Hier het vorige bericht.
Zou de overheid, de political society, zo een sociaal verband kunnen zijn? Nee dus, want die is te onpersoonlijk en staat te ver van de mensen af (Le Suicide, p.374):
Especially today, in our great modern States, it (the political society) is too far removed from the individual to effect him uninteruptedly and with sufficient force.
De kerken dan misschien? De religious society? Nee, ook niet. Want die verwijst ons naar een bovenmenselijke autoriteit, die geen kritiek duldt en die dus strijdig is met de in de mensheidsgeschiedenis steeds toegenomen drang naar vrijheid van gedachten (p.375):
Religion, therefore, modifies the inclination to suicide only to the extent that it prevents men from thinking freely. This seizure of possession of human intelligence is difficult at present and will become more and more so. It offends our dearest sentiments. (...) the history of the human mind is the very history of the progress of free thought.
Uiteraard merken we op dat Durkheim hier even tussendoor een menselijke sociale natuur invoert met een sterke afkeer (our dearest sentiments) van overheerst worden, die we herkennen als onderdeel van het gemeenschapspatroon. Hij had er dus een notie van dat de menselijke behoefte aan het deel uitmaken van een sociaal verband juist dezelfde behoefte is aan vrijheid van overheersing, dus gevrijwaard zijn van statuscompetitie. Anders gezegd, aan het deel uitmaken van een gemeenschap waarin mensen zichzelf kunnen zijn.
Kan de familie dan voorzien in de behoefte aan een sociaal verband? Ook niet, want het familieverband valt uit elkaar doordat kinderen tegenwoordig uitzwermen (p.377-8):
As soon as the children's first growth is over, they very often leave to complete their education away from home; moreover, it is almost the rule that as they are adult they establish themselves away from their parents and the hearth is deserted. For most of the time, at present, the family may be said to be reduced to the married couple alone (...)
Once, when each local environment was more or less closed to others by usages, traditions, the scarcity of communications, each generation remained perforce in its place of origin or at least could not move far from it. But these barriers vanish, as these small environments are levelled and blended with one another, the individuals inevitably disperse in accordance with their ambitions and to further their interests into the wider spaces now open to them. No scheme can therefore offset this inevitable swamring of the bees and restore the indivisibility which was once the family's strength.
Durkheim zal hier vast aan zichzelf gedacht hebben. Hij trok als jongeman uit het stadje Épinal in Lotharingen, waar zijn vader, grootvader en overgrootvader rabbijn geweest waren, naar de wereldstad Parijs om aan de École Normale Supérieure te studeren. En trok later verder naar Bordeaux, waar hij de eerste hoogleraar sociologie werd. Maar algemener nam hij natuurlijk al de toename van geografische mobiliteit waar, die in de negentiende eeuw met de industrialisering en de verstedelijking begon. De ontwikkeling die zich tot vandaag de dag voortzet en die veel te weinig aandacht van sociologen heeft gehad. Denk aan Over sociale vluchtigheid, sociaal isolement van gezinnen en de toegenomen afstand tot familie - En over sociologie.
Wat zal dan wel de oplossing zijn? Welk sociaal verband dient zich dan wel aan?
Het antwoord komt van de Durkheim die drie jaar eerder zijn boek over de arbeidsverdeling uitbracht. Door de arbeidsverdeling ontstonden beroepen en dus beroepsgroepen. Hij meende dat die beroepsgroepen, beroepsbeoefenaars verenigd in een organisatorisch verband, de enige overgebleven mogelijkheid was om te voorzien in de behoefte aan een sociaal verband. Daarover meer in het volgende bericht.


