Though I am an economist, and the tools of analysis used in this book are drawn from economic theory, the conclusions of the study are as relevant to the sociologist and the political scientist as they are to the economist.
Hier is, in 1965, de econoom Mancur Olson (1932 - 1998) aan het woord, op p.3 van zijn The Logic of Collective Action, zijn proefschrift aan de Universiteit van Harvard, dat in 1971 werd herdrukt. Die herdruk moet ik ergens in de jaren 70 hebben aangeschaft. Dat het niet meer in mijn boekenkast staat, wijst erop dat ik ooit gedacht heb het niet meer nodig te zullen hebben. Gelukkig is het hier te lezen.
Op mijn lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving markeert dit boek het begin van een belangrijke etappe, die veel tijd in beslag nam, achteraf gezien te veel. Hier het vorige bericht.
Ik voelde ongemak bij het vak sociologie dat ik gestudeerd had en dat ik na 1971 aan de Groningse universiteit doceerde. Zonder dat ik dat ongemak zo goed kon verwoorden als ik het nu kan. Erop terugkijkend was ik op zoek naar een theoretisch kader waarin de maatschappij als mensenwerk kon worden geanalyseerd. Waarin dus het vak die drie mankementen achter zich zou hebben gelaten. Methodologisch gezegd: waarin de compositieve methode als vanzelfsprekend en gangbaar zou zijn gehanteerd. Mensenwerk, dat dus ook zou kunnen worden beoordeeld op de kwaliteit ervan.
Welnu, die maatschappij als mensenwerk, die kwam ik tegen bij Mancur Olson. Niet dus bij een socioloog, maar bij een econoom. De econoom die zicht had op het belang van zijn werk voor het vak sociologie.
Olsons betoog was eenvoudig en goed te begrijpen. Als mensen een gemeenschappelijk belang hebben, volgt daar niet uit dat ze zich inspannen om dat belang te verwezenlijken. Als het namelijk om een zogenaamd publiek goed gaat, dan profiteren de anderen van ieders inspanning mee. Een flinke loonsverhoging in een bedrijfstak is zo een publiek goed voor de werknemers. Als de vakbond zo'n loonsverhoging uit de onderhandelingen weet te slepen, dan profiteren ook de niet-leden daarvan mee. Dat maakt het voor alle werknemers de beste optie om niet lid te worden en wel mee te profiteren. Maar dan is er dus geen vakbond en geen flinke loonsverhoging. Het wel degelijk bestaan van vakbonden betekent dat er oplossingen voor dit probleem zijn gevonden, zoals verplicht lidmaatschap of het bieden van speciale voordelen aan leden.
Daar valt veel meer over te zeggen, en dat doet Olson, maar dit lijkt me al voldoende om in te zien dat hij naar de maatschappij kijkt als mensenwerk. Mensen willen een goed leven en zien in dat voor het bereiken daarvan inspanningen zijn vereist. Ze komen in allerlei situaties terecht waarin die inspanningen lonen. En er kunnen sociale situaties zijn, zoals die van een publiek goed, waarin dat niet het geval is. Als iedereen dan individueel besluit om zich niet in te spannen, dan ontstaat een sociaal inferieure toestand, die verbeterd zou kunnen worden als iedereen zich wel zou inspannen. Maar voor het bereiken van die sociaal superieure toestand moet collectief iets geregeld worden. Degenen die zich wel inspannen moeten beloond worden of degenen die zich niet inspannen gesanctioneerd. Er moet overlegd worden, er moeten afspraken gemaakt worden en er moet op naleving daarvan gecontroleerd worden.
Wat hebben we? Mensenwerk! Niet een sociaal systeem dat zichzelf via terugkoppeling in stand houdt. Met posities en rolverwachtingen waaraan mensen voldoen. Of met "afwijkend gedrag", als ze dat niet doen. Niet een studieobject waar we in variabelentaal over dienen te theoretiseren, maar waar we sociale processen waarnemen en analyseren.
Niet verwonderlijk dus dat ik dat boek van voor tot achteren intensief bestudeerde. En dat ik er mee aan de haal ging. En dat ik me in de speltheorie ging verdiepen. Want Olson had het over het publieke goed-dilemma uit de speltheorie, die in 1944 was begonnen met Theory of Games and Economic Behavior van John von Neumann en Oskar Morgenstern.
En niet verwonderlijk dat ik geïnteresseerd raakte in de rationele keuzetheorie of nutstheorie. Want die werd in de speltheorie gebruikt, waar het ging over de principes van strategisch gedrag. Maar die me ook leidde naar de micro-economie, waarin het ging om nutsmaximaliserend gedrag van consumenten en producenten.
En zo werd ik als socioloog onderdeel van wat "economisch imperialisme" ging heten, de invloed die ervan de economische wetenschap uitging op de andere sociale wetenschappen, in het bijzonder op de sociologie. De theoretische leegte van het vak sociologie moest eens worden opgevuld en en dat gebeurde met de economische theorie van het menselijk gedrag. Zoals in The Economic Approach to Human Behavior van Gary Becker uit 1976. De Gary Becker die in Chicago hoogleraar was in economie en sociologie en die in 1992 de Nobelprijs voor economie kreeg uitgereikt.
Over dat alles meer in het vervolg. Ik had een theorie over mensenwerk gevonden, maar wat leverde dat op?


