donderdag 19 september 2019

Waarom stagneren de lonen? Er is nog veel verborgen werkloosheid

Hoe komt het dat in veel landen de werkloosheid sinds de jaren na de Grote Financiële Crisis flink gedaald is en dat toch de lonen niet of nauwelijks zijn gestegen? (En dat daarmee samenhangend de inflatie maar niet echt wil toenemen?) Je zou immers verwachten dat dalende werkloosheid leidt tot een grotere krapte op de arbeidsmarkt, die maakt dat werkgevers hogere lonen moeten aanbieden om werknemers aan te kunnen trekken.

Dat de lonen toch stagneren, zou eraan kunnen liggen dat die werkloosheid minder gedaald is dan uit het meestal gehanteerde werkloosheidscijfer (wel of geen betaald werk hebben) naar voren komt. Want dat cijfer houdt geen rekening met de verborgen werkloosheid, die eruit bestaat dat er mensen zijn die in deeltijd werken en graag meer uren zouden willen werken. Dat kunnen werkende armen zijn die graag uit hun armoede zouden willen ontsnappen. In de Engelstalige literatuur wordt die verborgen werkloosheid aangeduid met underemployment.

Vandaag vraagt Norbert Häring daar aandacht voor: Wie unfreiwillige Teilzeitarbeit die Reservearmee der Arbeitslosen ersetzt.

Daarin verwijst hij naar het NBER-paper Underemployment in the US and Europe, dat al een jaar geleden verscheen, maar nu als artikel uitkomt in de Industrial and Labor Relations Review. David N.F. Bell en David G. Blanchflower laten daarin voor de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en veel van 25 andere Europese landen zien dat weliswaar de werkloosheid is teruggekeerd op het niveau van voor de crisis, maar dat zulks niet geldt voor de verborgen werkloosheid.

En bovendien blijkt dat een verklaring te zijn voor die achterblijvende loongroei. Want als je met die verborgen werkloosheid rekening houdt, dan is die achterblijvende loongroei precies wat je zou verwachten.

Het valt anders gezegd nogal mee, of eigenlijk tegen, met die krapte op de arbeidsmarkt. De echte werkloosheid, dat wil zeggen de niet-gerealiseerde vraag naar uren arbeid, is veel hoger dan uit het eenvoudige werkloosheidscijfer blijkt. Vooral in landen waarvan gezegd wordt dat "het nu beter gaat", zoals in Italië, Spanje, Portugal en Ierland, is dat het geval. Zo veel beter gaat het dus helemaal niet.

We kennen dus nog in hoge mate het verschijnsel van het industriële reserveleger, zoals Karl Marx dat beschreef in zijn Das Kapital (1867).

Of we kennen het weer, want het na-oorlogse sociaaleconomische beleid was tot in de jaren 70 immers nog gericht op de doelstelling van de volledige werkgelegenheid. Een beleid waarmee dat vernederende en inhumane reserveleger voorgoed tot de geschiedenis zou gaan behoren. Zie nog eens het bericht van begin vorig jaar: De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie.

Update. Ook voor Nederland geldt dat de verborgen werkloosheid een verklaring vormt voor de achterblijvende loongroei. Zie De Nederlandse loon-Phillips-curve opnieuw bekeken.

woensdag 18 september 2019

Waarom het niet klopt dat we nu kunnen investeren doordat we in het verleden zo goed hebben bezuinigd

Dit is een vervolg op het bericht van gisteren: Hoe zit het in Nederland met de bezuinigingszeepbel? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.
Vanaf volgend jaar gaat het kabinet extra investeren door miljarden euro's te gaan lenen: Hoekstra: investeringsfonds om Nederland klaar te maken voor een toekomst met minder groei

Dat is mooi. Er wordt wel gezegd dat de regering door in de afgelopen jaren zoveel te bezuinigen nu de ruimte heeft om geld te lenen. Anders gezegd, doordat we zo "rijk zijn", dus een groot begrotingsoverschot hebben, kunnen we nu geld lenen om te investeren.

Maar dat is een verkeerde redenering. Door al die bezuinigingen zijn we juist armer geworden, als je kijkt naar de economie in plaats van naar de overheidsbegroting. 

In 2015 schatte Bas Jacobs de schade van het bezuinigingsbeleid op 20 tot 30 miljard per jaar. Investeringen die nu nodig zijn, zijn voor een groot deel nodig om die schade te herstellen. Denk aan de infrastructuur, het woningtekort, de jeugdzorg, de zorg voor ouderen, de tekorten bij de gemeenten, de energietransitie, de landbouw. 

Maar denk ook aan al het leed en de toename van bestaansonzekerheid die die bezuinigingen de afgelopen jaren hebben teweeggebracht. Die schade kan helemaal niet meer worden hersteld.

dinsdag 17 september 2019

Hoe zit het in Nederland met de bezuinigingszeepbel? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.

Update. Vanaf volgend jaar gaat het kabinet extra investeren door miljarden euro's te gaan lenen: Hoekstra: investeringsfonds om Nederland klaar te maken voor een toekomst met minder groei. Dat is mooi. Er wordt wel gezegd dat de regering door in de afgelopen jaren zoveel te bezuinigen nu de ruimte heeft om geld te lenen. Anders gezegd, doordat we zo "rijk zijn", dus een groot begrotingsoverschot hebben, kunnen we nu investeren.
Maar dat is een verkeerde redenering. Door al die bezuinigingen zijn we juist armer geworden, als je kijkt naar de economie in plaats van naar de overheidsbegroting. In 2015 schatte Bas Jacobs de schade van het bezuinigingsbeleid op 20 tot 30 miljard per jaar. Investeringen die nu nodig zijn, zijn voor een groot deel nodig om die schade te herstellen. Denk aan de infrastructuur, het woningtekort, de jeugdzorg, de zorg voor ouderen, de tekorten bij de gemeenten, de energietransitie, de landbouw. En denk aan al het leed en de toename van bestaansonzekerheid die die bezuinigingen de afgelopen jaren hebben teweeggebracht. Die schade kan helemaal niet worden hersteld.
Sinds 2011, het jaar dat ik dit blog begon, staan er berichten op dit blog over de bezuinigingszeepbel. Die term sloeg op het sociale verschijnsel dat politici en beleidsmakers in veel landen na de Grote Financiële Crisis van 2009 - 2010 een obsessie ontwikkelden met begrotingstekorten van de overheid en gingen uitdragen dat overheden zo veel en zo snel mogelijk moesten bezuinigen als antwoord op de door Crisis ontstane problemen.

Ik noem dat een sociaal verschijnsel, omdat die opvatting niet spoorde met wat de economiehandboeken voorschreven. Er was geen rechtvaardiging voor die consensus te vinden in de mainstream van het vak economie. Denk aan wat Nobelprijswinnaar Paul Krugman allemaal heeft geschreven over de economische ongeletterdheid van de voorstanders van bezuinigen. Een mooi overzicht daarvan lees je in zijn What Have We Learned From The Crisis?

En denk in ons land aan de pogingen van econoom en VVD-lid wijlen Johan Witteveen (ex-minister van Financiën en ex-voorzitter van het IMF) om Mark Rutte en andere VVD-voormannen er van te overtuigen dat hun verhaal over het overheidstekort niet klopte. Het meest dodelijke daarvan, voor die VVD-voormannen, was wel dat ze volgens Witteveen wisten dat het verhaal niet klopte, maar er toch naar handelden. Zie, uit 2012: Johan Witteveen: "Ik heb gezegd: het verhaal over het tekort is niet juist en dat weten jullie".

En denk in ons land aan alle pogingen van Bas Jacobs om de voorstanders van bezuinigen als remedie tegen de gevolgen van de crisis op andere, en betere, gedachten te brengen. Uit 2016: Bas Jacobs: De vraag moet zo krachtig worden gestimuleerd dat overbesteding en inflatie ontstaat.

Er leek dus het verschijnsel van de sociale zeepbel ten grondslag te liggen aan die merkwaardige consensus onder politici, in Nederland, in Duitsland, in Groot-Brittannië en in de Eurogroep van ministers van Financiën van de eurozone, dat juist nu de overheidstekorten zo snel mogelijk moesten worden teruggedrongen. Bij gebrek aan economische geletterdheid kregen degenen die het eerst en het hardst riepen bijval van anderen, waardoor nog weer anderen zich daarbij aansloten, want als zoveel mensen iets roepen, dan zal dat wel kloppen. Zie nog eens mijn eerste bericht over de bezuinigingszeepbel.

Waarmee overigens niet gezegd is dat die sociale zeepbel zo maar uit het niets kon ontstaan en groeien. Er lagen ook wel degelijk belangen (het Grote Geld) en ideologische overtuigingen (de ideologie van de kleine overheid) aan ten grondslag.

Maar als het goed is, loopt een sociale zeepbel op den duur leeg, doordat hij niet is opgewassen tegen de feiten en de feitelijke ontwikkelingen. Dat is met de bezuinigingszeepbel nu al een poos aan de gang. Zo is in Duitsland, nota bene het land van het huishoudboekje van die schwäbische Hausfraude discussie opgelaaid over de zinvolheid van het in de Grondwet vastgelegde (!) beleid van de Schuldenbremse of de schwarze Null.

En in Nederland? Vandaag is het Prinsjesdag. We zullen zien.

zondag 15 september 2019

Zondagochtendmuziek - Miles Davis with John Coltrane- March 21, 1960 Olympia Theatre, Paris

Gisteravond in de bioscoop de documentaire Miles Davis - Birth of the Cool gezien.

Sociaalwetenschappelijk gezien zet die natuurlijk aan het denken over wat het met iemand doet als hij een celebrity wordt. Hoe moeilijk is het om met de uitdagingen daarvan om te gaan en om desondanks een goed leven te leiden. En om goede muziek te maken en te blijven maken.

Je kunt daar natuurlijk verschillend over oordelen, maar mij lijkt dat Miles Davis zijn beste muziek maakte in de tijd van zijn Miles Davis Quintet, met John Coltrane, tenorsax, Wynton Kelly, piano, Paul Chambers, bas en Jimmy Cobb, drums.

Dit is uit 1960 in het Olympia in Parijs. Het is wel te snappen dat je in de problemen komt als je het hierna nog beter wilt doen.

donderdag 12 september 2019

Hoe te verklaren dat de Tinbergen-norm voor een rechtvaardige inkomensverdeling zo maar werd losgelaten?

Het is vijftig jaar geleden dat Jan Tinbergen (1903 - 1994), samen met Ragnar Frisch, de eerste Nobelprijs voor Economie ontving. Naar aanleiding daarvan wordt, terecht, her en der stilgestaan bij de invloed die zijn werk heeft gehad en nog heeft.

In ESB gaan Roelof Bos en Gelijn Werner in op de normatieve kant van zijn werk, op de normen en vuistregels waar overheden zich op zouden behoren te oriënteren om het welzijn van mensen te bevorderen: Normatieve kant van Tinbergen heeft flinke stempel op beleid gedrukt.

Een van de normen waar het om gaat is die van een rechtvaardige, en dus behoorlijk egalitaire,  inkomensverdeling. Er ging in de politiek een tijd lang een concretisering van die norm rond die inhield dat de verhouding tussen het inkomen van de laagstbetaalde en hoogstbetaalde niet zou behoren uit te gaan boven de 1:5. Maar die schijnt niet van Tinbergen zelf afkomstig te zijn.

Hoe dan ook, de norm van een rechtvaardige of redelijke inkomensverdeling is in (het denken over) de sociaaleconomische politiek enige tijd gemeengoed geweest. Maar dat is veranderd. Bos en Werner:
Sinds de jaren zeventig is de inkomensverdeling steeds sterker uiteen gaan lopen. Veranderingen in de structuur van de wereldeconomie, zoals globalisering en technologische ontwikkelingen, alsook de opkomst van het neoklassieke denken bij politici in de jaren tachtig en negentig, leidden ertoe dat de doelstelling van een gelijkmatige inkomensverdeling naar de achtergrond verdween.
Niet alleen dus als gevolg van structurele ontwikkelingen in de economie, maar ook door veranderingen in het denken van politici.  Het neoklassieke denken won aan invloed en kreeg vorm in wat we nu vrijuit de neoliberale politieke ideologie noemen. In die ideologie is gelijkheid niet een na te streven toestand.

De markt moet immers zijn werk doen en de inkomensverdeling is een resultante daarvan. Dat zette de bekende golf van privatisering, deregulering en terugtredende overheid in. Onderdeel van die golf was ook dat de hoogste tarieven in de inkomstenbelasting fors werden verlaagd. Tinbergen werd vergeten of zelfs doelbewust aan de kant geschoven.

Nu, in 2019, vragen we ons af hoe dat zo gemakkelijk heeft kunnen gebeuren. Tot de jaren zeventig was een rechtvaardige inkomensverdeling als sociaal-economisch beleidsdoel onomstreden. En daarna was het alsof hij nooit had bestaan. Hoe kan dat?

Dat zou ermee te maken kunnen hebben dat die norm voor een rechtvaardige inkomensverdeling nooit goed onderbouwd is. Niet door Tinbergen en niet door het vak economie.

Dat komt ook naar voren uit hoe Bos en Werner erover schrijven. Want daarin gaat het over twee mogelijke onderbouwingen voor die norm: "een persoonlijk waardestelsel" en "een economische analyse". Naast die economische analyse, die wijst op economische nadelen van te grote ongelijkheid, zou er dus alleen maar dat persoonlijke, en dus "willekeurige", waardestelsel zijn.

Ja, als dan dat neoklassieke denken ineens aan invloed wint, en die economische nadelen terzijde schuift, dan is er alleen nog het persoonlijke waardestelsel dat groeiende ongelijkheid zou kunnen tegenhouden. En dat is natuurlijk een zwak tegenwicht, want tegenover de waarden van de ene persoon staan die van de andere.

Maar er is natuurlijk naast die economische analyse ook een sociaalwetenschappelijke. Of die had er kunnen zijn, als de sociologie een maatschappelijk belangrijker was geweest.

Een vak met de empirisch onderbouwde beleidsdoelstelling om bewegingen in de richting van het gemeenschapsevenwicht tot stand te brengen en om bewegingen in de richting van het statuscompetitie-evenwicht te vermijden.  Zie het bericht Een maatschappelijk belangrijker vak sociologie had kunnen optreden als verdediger van de verzorgingsstaat (deel 10 van de reeks Hoe kan de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak worden?).

Een vak dus dat er met kracht van empirische argumenten op had kunnen wijzen dat een toename van ongelijkheid krachten in werking zet die de samenleving stuurt in de richting van het statuscompetitie-evenwicht, het evenwicht dat naar menselijk welzijn inferieur is aan het gemeenschapsevenwicht. Zie Vermindering van ongelijkheid brengt ons dichter bij het gemeenschapsevenwicht  (deel 11 van diezelfde reeks).

De les is dus dat er naast een vak economie een vak nodig is dat een sociaalwetenschappelijk gefundeerde beleidsdoelstelling kan verschaffen. Zodat er naast een economische analyse meer bestaat dan "een persoonlijk waardestelsel".

dinsdag 10 september 2019

Door elkaar heen praten als verschijningsvorm van de statuscompetitie

Charlotte Bouwman twitterde op 4 augustus:
Ik praat heel vaak door mensen heen. Onbewust. Waarom? Geen idee. Denk een mix van enthousiasme, angst voor stilte, snel denken en geen geduld. Wie heeft dit ook? Iemand tips?
Net zoals veel van degenen die hierop reageerden, herkende ik dat. Dat wil zeggen, ik herkende het verschijnsel van door elkaar heen pratende mensen.
Zelf praat ik niet graag door anderen heen. Het voelt niet goed om iemand te onderbreken. En natuurlijk ook niet om zelf te worden onderbroken. Ik ben geloof ik wel een goede toehoorder.
Wat je Charlotte moet toegeven is dat ze het als een probleem ziet. Ze zou het liever niet doen. Maar kennelijk heeft ze het vaak al gedaan voor ze het zich realiseert. En ze zou het liever minder doen.

Hoe komt het dat we vaak door elkaar heen praten? De eerste reactie op de tweet van Charlotte wijst op een mogelijk antwoord:
Een 'gewoon' groepsgesprek is vaak niets meer dan een wedstrijd om aandacht. Je kan voorstellen de spreekstok in te voeren, zoals bij de Indianen. Of een gespreksleider wil ook weleens helpen.
Een reactie verderop gaat in dezelfde richting:
Het is vaak ook onzekerheid volgens mij: het (onbewuste) idee dat je je moet laten gelden.
Het zou kortom kunnen zijn dat het door elkaar heen praten een verschijningsvorm is van onze neiging tot statuscompetitie. We zijn bang niet genoeg aan bod te komen. Dat anderen ons niet zien staan. Degene die het woord voert, heeft daarmee de aandacht, want anderen luisteren. Die aandacht heb jij dan dus niet.

O jee, dat zou zo kunnen worden opgevat dat jij minder voorstelt. Dat er in de groep het begin van een statushiërarchie bezig is te ontstaan, waarin jij misschien wel ergens onderaan belandt. Hoe voorkom je dat? Door je te laten gelden. Door tenminste dezelfde status te claimen als degene die op dat moment het woord voert. En het enige middel om dat te doen is om hem of haar te onderbreken.

Of om dat te proberen. Want als hij of zij zich niet laat onderbreken, dan zijn we bezig met door elkaar heen praten. Wat we dus zo vaak doen.

Als deze "analyse" iets voorstelt, dan zijn er twee situaties waarin we niet of minder door elkaar heen praten, die van de gevestigde, stabiele statushiërarchie en die van het ontbreken van statuscompetitie.

Als de statushiërarchie gevestigd is, dan is vooral degene aan het woord met de hoogste status en de anderen luisteren. Als ze al iets zeggen, dan is dat onderdanige bijval. In het geval dat er nog twee gegadigden zijn voor de top, dan zie je steevast, althans naar mijn ervaring met het universitaire leven, dat als de een het woord gevoerd heeft, de ander daar meteen op volgt.

Maar in een gesprek tussen goede vrienden kan de statuscompetitie ook geheel ontbreken. Er is dan niet meer de strijd om aandacht, want iedereen weet zich geaccepteerd. Die veiligheid maakt het mogelijk om in elkaar geïnteresseerd te zijn. Er kunnen zelfs stiltes vallen.

Waarmee verklaard is dat Charlotte Bouwman liever minder door mensen heen zou willen praten. Ze zou veel liever vaker gesprekken voeren met goede vrienden en vriendinnen, waarin onderlinge acceptatie vanzelfsprekend is. Waarin je in elkaar geïnteresseerd bent.

zondag 8 september 2019

Zondagochtendmuziek - Bach - Cantate Mein Herze schwimmt im Blut BWV 199 - Julia Doyle, Bernardini | Nederlandse Bachvereniging...

Bachs cantate Mein Herz schwimmt im Blut (BWV 1999) is gecomponeerd op een tekst waar je niet heel vrolijk van wordt. Neem de eerste zeven regels:
Mein Herze schwimmt im Blut,
weil mich der Sünden Brut
in Gottes heilgen Augen
zum Ungeheuer macht;
und mein Gewissen fühlet Pein,
weil mir die Sünden
nicht als Höllenhenker sein.
En zo gaat het nog een poosje door. Ik ben slecht en bega grote zonden.

Maar in het vervolg is er een verlossing, want omdat ik toch ootmoedig en vol berouw ben en mijn zonden en schuld beken, mag ik rekenen op Gods genade:
Wie freudig ist mein Herz,
da Gott versöhnet ist
und mir auf/nach Reu und Leid
nicht mehr die Seligkeit
noch auch sein Herz verschliesst.
De cantate illustreert, tekstueel en muzikaal, hoe het christelijk geloof, dat immers de morele gemeenschapsintuïties van samenwerken en delen aanbeveelt, probeert het probleem op te lossen van het bestaan van die andere kant van de menselijke sociale natuur, de geneigdheid tot de wandaden van de statuscompetitie (egoïsme, zelfverheffing, verraad). Die andere kant is er nu eenmaal, dat valt niet te ontkennen, maar als we ons van dat kwaad bewust zijn en berouw tonen dan is verzoening en verlossing mogelijk.

John Elliott Gardiner schrijft over deze cantate in zijn Bach. Muziek als een wenk van de hemel (p.550):
Wat Bach ons hier voorzet is niet zozeer een preek als wel een uitbeelding van de complexe psychologische en emotionele ontwikkeling van een individu in gewetensnood.
Waarna Gardiner prachtig analyseert hoe Bach die tekst en de achterliggende ideeën en emoties muzikaal vormgeeft.

Gisteren kreeg deze sopraancantate een prachtige uitvoering in de Utrechtse Domkerk door Tanja Obalski en Concerto da Fusignano onder leiding van Sascha Mommertz. (Want de zaterdagmiddagconcerten in de Domkerk zijn weer begonnen!)

En hier is de uitvoering door de Nederlandse Bachvereniging in de Waalse kerk in Amsterdam, met sopraan Julia Doyle. Die is eigenlijk niet te overtreffen.

vrijdag 6 september 2019

Het presidentschap van Donald Trump is voor het grote publiek een dagelijkse leerschool in het gedrag van een narcist

Het presidentschap van Donald Trump heeft een voordeel. Een vergeleken met de vele nadelen, onbeduidend voordeel, maar wel de moeite waard om even naar voren te halen. Het bestaat eruit dat iedereen die het nieuws een beetje gevolgd heeft, nu beter geïnformeerd is over het gedrag van narcisten.

Sommigen van ons hadden die informatie al doordat ze ervaringen hebben opgedaan, slechte en soms zelfs traumatische ervaringen, met narcisten in hun persoonlijke netwerk. Maar Trump heeft het voor elkaar gekregen dat de publieke kennis over narcisme sterk is toegenomen. Lees ter illustratie de berichten op dit blog waarin dat narcisme van Trump aan de orde kwam, zoals:
Daar kunnen we nu een wel heel frappante eigenschap van narcisten aan toevoegen, hun onvermogen namelijk om hun ongelijk toe te geven. Ook als het om een onbeduidende vergissing lijkt te gaan, die ieder ander met gemak zou erkennen.

Wat is het geval? Trump twitterde op 1 september dat de orkaan Dorian niet alleen langs de staten aan de westkust zou trekken, maar "zeer waarschijnlijk" ook Alabama zou treffen. 

Dat was een vergissing. Er waren geen berichten die in die richting wezen. Het is niet onmogelijk dat Trump niet zo goed op de hoogte is van de geografie van de Verenigde Staten of die kennis toen even niet tot zijn beschikking had. Hoe dan ook, hij had die fout kunnen toegeven en dan was er verder weinig aan de hand geweest. Anders dan dat hij de inwoners van Alabama even schrik had bezorgd.

Maar nee, de narcist Trump kon zichzelf niet zo ver brengen dat hij zijn ongelijk toegaf. Hij houdt vol dat hij het bij het rechte eind had. Dat ging zover dat hij vanuit het Oval Office aan het Amerikaanse volk een kaart presenteerde van het voorspelde traject van Dorian, waarop met een sharpie pen (een permanente marker, als ik het goed heb) een uitbreiding naar Alabama was ingetekend. Lees het bericht van Chris Cillizza van gisteren: Donald Trump's Alabama obsession reveals a very deep flaw.

Dat leidde natuurlijk tot grote hilariteit en ging de wereld rond. Sommigen gingen zich afvragen wie die pen gehanteerd had en ik zag een bericht voorbijkomen dat Trump dat persoonlijk zou hebben gedaan.

En nu was er vandaag het bericht dat een adviseur van het Witte Huis, Rear Admiral (zoiets als schout-bij-nacht) Peter Brown, heeft moeten komen opdraven om te verklaren dat in zijn briefings aan de president ook de mogelijkheid aan de orde zou zijn gekomen dat het zuidoosten van Alabama misschien getroffen zou kunnen worden. 

Je zou denken dat een president van de Verenigde Staten belangrijker zaken aan zijn hoofd behoort te hebben.

Maar, nee, voor een narcist is niets belangrijker dan het overeind houden van zijn zelfbeeld van onfeilbaarheid.

Update. Zie ook de Washington Post van gisteren: ‘What I said was accurate!’: Trump stays fixated on his Alabama error as hurricane pounds the Carolinas, met daarin deze passage:
Tim O’Brien, a Trump biographer and executive editor of Bloomberg Opinion, said the Alabama claims underscore the president’s belief that admitting error is a sign of weakness.
“He’s doubling down on the worst sides of his troubled personality — to never admit an error and to continue obsessing about it, and emphasizing it, when it doesn’t serve him well to do so,” he said. “He doesn’t move along because he is incapable of moving along.”

woensdag 4 september 2019

Over de giftige driehoek van (1) de narcistische tiran, (2) zijn volgelingen en (3) de maatschappelijke voedingsbodem voor de verbintenis van die twee

De democratie, de hedendaagse politieke en maatschappelijke vormgeving van onze oeroude gemeenschapsintuïties, is in gevaar als de ongelijkheid tussen mensen te groot wordt. De exorbitant rijke bovenlaag, het Grote Geld, gaat dan de kern van de democratie, dat elke stem even zwaar telt, zien als een bedreiging van zijn verworvenheden. Dus moet die democratie 'gestuurd" worden in een voor het Grote Geld gunstige richting, door sponsoring (omkoping) van politici en door beïnvloeding, rechtstreeks door lobbying en via de publieke opinie door opkopen van de media.

We hebben dat proces heel uitgesproken zien gebeuren in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië. En na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie heeft het voorkomen dat zich in Rusland een democratie kon vestigen.

Een nationale staat waarin de democratie om zeep is geholpen, wordt dan het strijdtoneel van de onbelemmerde statuscompetitie, uitmondend in een puur door rijkdom en macht bepaalde statushiërarchie.

En omdat dat strijdtoneel de ideale omstandigheden creëert voor het aan de macht komen van de naar grootsheid en adoratie hunkerende narcist, is de kans groot dat de statushiërarchie overgaat in een tirannie. Zoals we dat kennen van het aan de macht komen van Adolf Hitler in het Duitsland van de jaren dertig van de vorige eeuw.

Maar ook nu, in 2019, zien we bedreigingen van de democratie die elementen in zich dragen van die overgang naar statushiërarchie en tirannie. Te denken valt aan de Verenigde Staten (Trump), Brazilië (Bolsonaro), Turkije (Erdogan), Rusland (Putin), Hongarije (Orbán), Polen (Kaczynski) en misschien zelfs aan Groot-Brittannië (Johnson).

Dat proces van statushiërarchie naar narcistisch leiderschap naar tirannie is indringend geanalyseerd door Elizabeth Mika in Tyranny as a Triumph of Narcissism, dat verscheen in het boek The Dangerous Case of Donald Trump, waar ik eerder aandacht aan besteedde.

Die analyse verloopt langs de lijnen van de "giftige driehoek" (toxic triangle) van destructief leiderschap, die bestaat uit (1) de narcistische tiran en (2) zijn volgelingen en (3) de maatschappelijke omstandigheden die de voedingsbodem vormen voor de verbintenis van die twee (ongelijkheid en bestaansonzekerheid).

Mika loopt die drie lijnen langs, gedetailleerd en met boeiende verwijzingen naar deels oudere en ten onrechte vergeten literatuur (Erich Fromm!), op een manier die je, als het je net zo vergaat als mij, bij tijd en wijle de adem beneemt.

Misschien komt dat laatste doordat ik, geboren midden in de Tweede Wereldoorlog, met een vader die betrokken was bij het verzet tegen de Duitse bezetter, lang heb vermoed dat zo'n betoog nooit meer actueel zou kunnen worden.

Na de verschrikkingen van het Hitler-bewind zouden we toch voorgoed de democratie vestigen en de tirannie achter ons laten? We waren toch het pad van de vooruitgang voorgoed ingeslagen?

dinsdag 3 september 2019

De Sociale Dominantie Oriëntatie en dus de geneigdheid tot statuscompetitie blijkt behoorlijk overerfbaar te zijn

We zagen dat de behoefte die mensen hebben aan een sterke man als leider, beter verklaard wordt door de mate waarin ze de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO) aanhangen dan door de mate waarin ze voldoen aan het type van de autoritaire persoonlijkheid. Zie het bericht De behoefte aan een sterke man en het wereldbeeld van vijandigheid tussen groepen.

Dat is een belangrijk inzicht, omdat de mate waarin mensen die SDO aanhangen, dus de wereld zien als een strijdtoneel tussen groepen waarin de eigen groep superieur is en dus andere groepen behoort te overheersen, behoorlijk wordt beïnvloed door de mate van onveiligheid en bestaansonzekerheid die mensen in hun omgeving waarnemen. Vandaar dat een toename van bestaansonzekerheid gepaard gaat met een toename van rechts-extremisme.

En het wijst erop dat die SDO en het hebben van rechts-extremistische politieke opvattingen, waartoe ook die behoefte aan een sterke man gerekend kan worden, meer onderhevig is aan maatschappelijke omgevingsinvloeden dan dat ze beschouwd kunnen worden als een stabiele persoonlijkheidstrek.

In termen van de Dual Mode-theorie: de mate waarin bij iemand het statuscompetitiepatroon overheerst, is minder een kwestie van persoonlijkheid dan een kwestie van de maatschappelijke omgeving (meer of minder bestaansonzekerheid biedend) waarin die persoon verkeert.

Maar daar staat tegenover dat de nieuwe studie Correlations between social dominance orientationand political attitudes reflect commongenetic underpinnings uitwijst dat het toch ook weer niet het een of het ander is. Ook al zijn er die omgevingsinvloeden, daarnaast zijn er ook wel degelijk tussen personen behoorlijk stabiele verschillen in de kans dat ze wel of niet hoog scoren op die SDO.

Op basis van een toevalssteekproef van bijna 2000 (een-eiige en twee-eiige) tweelingen komen de onderzoekers namelijk tot de conclusie dat de verschillen in het overheersingsfacet en in het anti-gelijkheidsfacet van de SDO voor 36 procent en voor 24 procent overerfbaar zijn. Wat erop wijst dat SDO toch een behoorlijk stabiel persoonlijkheidskenmerk is.

Zoals vaak in de sociale wetenschappen, geldt zowel dat mensen behoorlijk stabiel van elkaar verschillen als dat ze beïnvloedbaar zijn door hun (sociale) omgeving. Het is niet het een of het ander.

Weer even in termen van de Dual Mode-theorie: mensen zijn enerzijds in hun "keuze" voor statuscompetitiegedrag dan wel gemeenschapsgedrag beïnvloedbaar door wat ze anderen in hun sociale omgeving zien doen, maar verschillen anderzijds in de mate waarin ze van nature tot het ene dan wel het andere gedrag geneigd zijn.

Nog anders gezegd: de een moet veel meer statuscompetitie (en dus onveiligheid) in zijn omgeving waarnemen om zelf ook voor statuscompetitie te "kiezen" dan de ander.