dinsdag 14 mei 2024

Naast en onafhankelijk van economische achtergesteldheid maakt ook de persoonlijkheidstrek van het neuroticisme vatbaar voor rechts-extremisme

Politiek rechts-extremisme berust op een wereldbeeld van onveiligheid en daarmee van vijandigheid. De wereld is onveilig en dat komt doordat er vijanden zijn die het op ons voorzien hebben en die dus moeten worden bestreden. En die als het mogelijk is dienen te worden verwijderd ("gedeporteerd") of zelfs te worden vernietigd. De aard van die vijanden kan variëren (Joden, Roma, immigranten, asielzoekers, moslims, lhbtqia+-ers, de linkse elite), de constante is dat er vijanden zijn. 

Daarmee is politiek rechts-extremisme een uitingsvorm van het menselijke statuscompetitiepatroon. Het wereldbeeld van strijd en ieder-voor-zich is erin geactiveerd. Er zijn vijanden die tegelijk aan ons inferieur zijn en ons bedreigen. Alles in de politiek draait erom die bedreiging het hoofd te bieden. Al het andere is daaraan ondergeschikt.De bij de democratie passende opdracht van het zoeken naar het beste beleid voor iedereen is gereduceerd tot de opdracht van het uitschakelen van vijanden.

Dat het rechts-extremisme in allerlei landen weer de kop opsteekt, in ons land in de vorm van de verkiezingsoverwinning van Wilders' eenmanspartij de PVV, ligt eraan dat de heersende neoliberale politiek de doelstelling van het verschaffen van bestaanszekerheid voor iedereen overboord gooide. Daardoor namen onveiligheidsgevoelens toe en dus de ontvankelijkheid voor de rechts-extremistische boodschap. Als mensen zich bedreigd en onveilig voelen, dan zoeken ze daar voor een oorzaak en een oplossing. In antwoord daarop wijst de rechts-extremistische politicus een vijand aan en een oplossing: bestrijd en verwijder de vijand.

Er is het nodige sociaalwetenschappelijk onderzoek dat dit zicht op het politieke rechts-extremisme ondersteunt. Veel daarvan kwam aan de orde in het bericht Waardoor werd de PVV zo groot? 

Er is nu dit nieuwe onderzoek dat in dezelfde richting wijst: Fear and Deprivation in Trump’s America: A Regional Analysis of Voting Behavior in the 2016 and 2020 U.S. Presidential Elections. De onderzoekers laten zien dat de rechts-extremist Donald Trump bij de verkiezingen van 2016 en 2010 in het bijzonder goed scoorde in economisch achtergestelde regio's (counties), maar daarnaast ook in regio's met een hoge mate van onveiligheidsgevoelens, dat wil zeggen met een hoge gemiddelde score op de persoonlijkheidsdimensie neuroticisme.

Mensen met een hoge mate van neuroticisme zien de wereld als bedreigend en zijn vatbaar voor een angststoornis of een depressie. Ze reageren sterk op negatieve gebeurtenissen, ervaren vaker negatieve gebeurtenissen, interpreteren ambigue gebeurtenissen als bedreigender, raken door negatieve ervaringen meer van de kaart en vinden het moeilijker om met negatieve gevoelens om te gaan. 

Dat zo'n behoorlijk stabiele persoonlijkheidstrek als neuroticisme, onafhankelijk van die economische achtergesteldheid, vatbaar maakt voor rechts-extremisme is opmerkelijk. Het bevestigt dat politiek rechts-extremisme een antwoord is op onveiligheidsgevoelens, of die nu een economische oorzaak hebben of dat ze een oorzaak hebben in iemands persoonlijkheid. 

De rechts-extremistische politicus vaart wel bij onveiligheidsgevoelens. Die zijn vanwege dat neuroticisme altijd in zekere mate in de bevolking aanwezig. Maar dat heeft geen gevolgen voor het stemgedrag van neurotici zolang de politiek zich laat leiden door de morele gemeenschapsintuïtie van iedereen-telt-mee. Zodra die leidraad wordt verlaten, ontstaat er de ruimte voor het rechts-extremistische wereldbeeld van onveiligheid en daarmee van vijandigheid. En dan wordt neuroticisme een politieke factor.

woensdag 1 mei 2024

Laten we vandaag, op de Dag van de Arbeid, even stilstaan bij de allereerste gedocumenteerde staking, zo'n drieduizend jaar geleden

In het Egyptisch Museum in Turijn bevindt zich het Strike papyrus, de eerste documentatie in de mensheidsgeschiedenis van een staking. Het document is geschreven in het hiëratisch schrift, een lopend schrift dat werd gebruikt naast hiërogliefen. Het schrift werd met pen en inkt geschreven en was daardoor gemakkelijker en sneller in het gebruik dan de veel tijdrovendere hiërogliefen, die vooral voor inscripties werden gebruikt (wikipedia). Je ziet hier het deel waarin de staking wordt beschreven.

Die staking vond plaats in 1155 voor Christus, dus zo'n drieduizend jaar geleden, gedurende het bewind van Ramses III. Er werd gekort op de rantsoenen van de arbeiders die werkten aan de bouw van de tombe van de farao. In reactie daarop gingen ze in staking, verzamelden zich achtereenvolgens in de necropolis van Thebes, de tempel van Thutmose III en in die van Ramses II. Hoewel hun eisen, uitbetaling van de niet geleverde graanrantsoenen, werden ingewilligd, gingen ze na enkele dagen weer in staking vanwege de slechte werkomstandigheden en eisten ze dat ze hun klachten direct mochten voorleggen aan de Farao.

Laten we vandaag, op de Dag van de Arbeid, even stilstaan bij die allereerste gedocumenteerde staking.

Meer onderzoek over het belang van de door kinderen ervaren sociale veiligheid in het gezin voor de kans op gemeenschapsgedrag

Hoe komt het dat we in vrijwel alle hedendaagse menselijke samenlevingen een mix waarnemen van gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag? 

Dat ligt er natuurlijk aan dat beide gedragspatronen nu eenmaal deel uitmaken van de menselijke sociale natuur. Die twee patronen liggen klaar om geactiveerd te worden. In een sociaal veilige omgeving, dat wil zeggen een omgeving waarin gemeenschapsgedrag veel voorkomt, wordt het gemeenschapspatroon geactiveerd. En in een sociaal onveilige omgeving, dus waarin veel statuscompetitiegedrag voorkomt, is het statuscompetitiepatroon een passend antwoord, waardoor dat geactiveerd wordt. Anders gezegd, beide patronen versterken zichzelf. Zie voor meer uitleg Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Die mix van de twee gedragspatronen is er doordat beide sociale omgevingen, de veilige en de onveilige, in onze huidige samenlevingen voorkomen. En omdat we weten dat een sociaal veilige samenleving, waarin dus overwegend gemeenschapsgedrag geactiveerd wordt, beter uitpakt voor menselijk welzijn en gezondheid, is het dus een belangrijke opdracht om die sociale veiligheid te bevorderen. 

Een van de wegen waarlangs we dat kunnen doen, bestaat eruit dat we er zo goed mogelijk voor zorgen dat kinderen opgroeien in een sociaal veilige omgeving. En in onze samenleving bestaat die omgeving voor het grootste deel uit die van het gezin. (Een andere weg bestaat eruit er voor te zorgen dat gezinnen minder sociaal geïsoleerd zijn en dus meer contacten onderhouden met familie, grootouders, vrienden en buren.) 

Nu is er al veel sociaalwetenschappelijk onderzoek dat wijst op het belang van een sociaal veilige opgroei-omgeving voor de ontwikkeling van kinderen en hun welzijn later in het leven. Denk alleen maar aan de grote rol die vroege sociale onveiligheid speelt in de kans om een of meer psychische aandoeningen te ontwikkelen. Maar ik probeer bij te houden wat daar zoal voor nieuw onderzoek bijkomt.

Zo is er nu de nieuwe studie Developmental antecedents of adherence to masculinity norms: A 9-year longitudinal study of urban Chinese families, waarin de onderzoekers een groep kinderen in het Chinese Nanjing volgden vanaf de geboorte tot ze tien jaar waren. Ze waren er in geïnteresseerd of het onderschrijven van mannelijkheidsnormen op tienjarige leeftijd beïnvloed werd door het onderschrijven van de traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen door de ouders en/of door de kwaliteit van de zorg die de kinderen ontvingen.

Het aanhangen van die mannelijkheidsnormen werd vastgesteld door de kinderen te vragen in hoeverre ze het eens waren met uitspraken als 

  • I do not let it show to my friends when my feelings are hurt,
  • It is necessary for me to fight others in order to gain respect,
  • I usually figure out things on my own rather than rely on others for help
  • I cannot respect a friend who backs down from a fight. 
  •  Even when something is bothering me, it’s important to act like nothing is wrong around my friends.
  • If I tell my friends my worries, I will look weak

Daaruit valt meteen op te maken hoe groot de overlap is tussen die mannelijkheidsnormen en het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Vrouwen kennen ook de neiging tot statuscompetitie, maar zijn er over het algemeen minder vatbaar voor dan mannen. Zie over het verband tussen mannelijkheid en statuscompetitie ook Mannen, mannelijkheid en statuscompetitie en Statuscompetitie en de eercultuur. We kunnen dus dat aanhangen van mannelijkheidsnormen probleemloos gelijkstellen aan het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon.

Het blijkt nu dat het meer of minder onderschrijven van de traditionele rolverdeling door de ouders geen enkel verband had met de verschillen in het geactiveerd zijn van dat statuscompetitiepatroon van hun kind. Er zijn dus uit dit onderzoek(je) geen aanwijzingen dat kinderen dat "mannelijkheidsgedrag" van hun ouders overnemen of dat ze met hun ouders een genetische aanleg voor dat gedrag delen.

Wel was er een duidelijk verband tussen wat ik maar even de kwaliteit van de zorg noemde. Daarbij ging het om de sensitiviteit waarmee de moeder met het kind omging. Die werd door observatie vastgesteld op twee momenten, toen het kind 14 maanden en 24 maanden oud was, en werd onderscheiden in drie dimensies. Ik neem voor het gemak maar even de omschrijving van de onderzoekers over:

follow-the-lead practices, intrusiveness, and positive regard (NICHD Early Child Care Research Network, 1999, 2003). 

The follow-the-lead dimension in parenting indicates the degree to which the mother follows the child’s social gestures, expressions, and signals and responds appropriately; a high score in follow-the-lead indicates the mother is child-centered and is attuned to the child’s needs and interests consistently and promptly.

Intrusiveness in parenting assesses the level at which the mother imposes her agenda on the child without accommodating the child’s different needs for the pace of interaction and level of activity; high scores in intrusiveness indicate the mother frequently interrupts the child’s behaviors and leads the interactions. 

The positive regard scale rates the mother’s level of positive and warm interactions with the child; high scores in positive regard indicate that the mother shows a range of positive and warm facial and verbal expressions.

En daaruit is gemakkelijk op te maken dat die moederlijke sensitiviteit een goede benadering is van de sociale veiligheid waarmee het kind in het gezin opgroeit. Hoe beter de moeder reageert op de behoeften en interesses van het kind, hoe minder ze het kind de eigen agenda oplegt en hoe meer positiviteit en warmte ze het kind geeft, hoe groter de sociale veiligheid die haar kind ervaart.

De sociale veiligheid in het gezin is dus ook volgens dit onderzoek(je) een voorspeller van het op latere leeftijd geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon dan wel het gemeenschapspatroon. Hoe geringer die sociale veiligheid, hoe groter de kans op activering van het statuscompetitiepatroon. En andersom, hoe meer ervaren sociale veiligheid, hoe groter de kans op activering van het gemeenschapspatroon.

Waarbij ware te bedenken dat het effect van die sociale (on)veiligheid groter zal zijn hoe meer het gezin sociaal geïsoleerd is. Want als er meer contacten zijn met familie, grootouders (!), vrienden en buren, dan kunnen die een extra bron vormen van sociale veiligheid, die kan compenseren voor een gebrek eraan in het gezin. Er is dan meer een benadering van de coöperatieve zorg voor kinderen, die zo belangrijk was voor het evolutionaire succes van onze vroegste voorouders.

dinsdag 23 april 2024

Zodra er leven was, was er geheugen - Over mensen, dieren, planten en bacteriën

 Eerder, in 2022, in delen verschenen op dit blog.
 
Wat het betekent om niet zelfbewustzijn en taal te hebben - maar wel geheugen. Neem nu planten.

Zolang leven bestaat, zijn organismen geselecteerd op het goed gebruik maken van de omgeving waarin ze zich bevinden, als het om planten gaat, en om het zich in een gunstige omgeving te bevinden, als het om dieren gaat. Dat betekent dat ze geselecteerd zijn op het goed kunnen waarnemen van de omgeving en op het in staat zijn te leren van die opgedane "ervaringen". Daar is weer voor nodig dat ze een geheugen hebben, waarin die ervaringen worden opgeslagen.

Om inzicht te krijgen in wat het betekent om, als mensen, naast dat geheugen ook taal en zelfbewustzijn te hebben, lijkt het goed om eerst zo goed mogelijk te begrijpen wat de afwezigheid daarvan betekent. 

Al weer een tijd geleden las ik Plantenrevolutie. Hoe planten onze toekomst bepalen van Stefano Mancuso. Ik pakte het er nu weer even bij en sloeg het eerste hoofdstuk, met de titel Geheugen zonder brein. Het eerste van de twee delen van dat hoofdstuk is getiteld "Dieren of planten: de ervaring leert" en dat begint met:

Ik heb me altijd al beziggehouden met de intelligentie van planten, dus het was onvermijdelijk dat ik ook hun geheugen zou bestuderen. Dat klinkt misschien vreemd. Maar als je erover nadenkt, kun je je makkelijk voorstellen dat intelligentie niet het product is van het werk van slechts één orgaan, maar dat ze inherent is aan leven, ongeacht of er wel of geen brein is. Vanuit dit gezichtspunt zij planten het duidelijkste bewijs dat hersenen 'toeval' zijn, een eigenschap die slechts in een gering aantal levende wezens, namelijk de dieren, is geëvolueerd, terwijl in het overgrote deel van de levende wezens, namelijk de plantaardige organismen, intelligentie zich heeft ontwikkeld zonder een gespecialiseerd orgaan. Ik kan me echter geen enkel type intelligentie voorstellen dat geen eigen vorm van geheugen heeft, hoe merkwaardig die vorm misschien ook is.

(...) zonder geheugen is het onmogelijk om te leren en leren is een van de vereisten voor intelligentie. We kunnen ons geen intelligent wezen voorstellen dat de doeltreffendheid van zijn reactie niet verbetert wanneer hij herhaaldelijk te maken heeft met hetzelfde soort problemen. (...)

Deze gouden regel gaat ook op voor planten: wanneer bekende problemen zich in de loop van hun leven herhalen, reageren zij altijd op de efficiëntste manier. Dit zou niet mogelijk zijn zonder het vermogen om de informatie de relevant is om die specifieke obstakels te overwinnen, ergens op te slaan. Oftewel: dit zou niet mogelijk zijn zonder geheugen.

Mancuso geeft dan het voorbeeld van de olijfboom. ( Hij is Italiaan en hoogleraar aan de universiteit van Florence.) 

Als die wordt blootgesteld aan stress, zoals droogte, een hoog zoutgehalte in de bodem of iets dergelijks, zal hij in reactie hierop zijn eigen anatomie en metabolisme zodanig aanpassen dat hij kan overleven. Tot nu toe ie hier niets vreemds aan de hand. Maar als diezelfde boom na verloop van tijd opnieuw wordt blootgesteld aan dezelfde prikkel, misschien zelfs met een hogere intensiteit, zien we dat er iets verrassend gebeurt: de plant reageert beter op de stress. Hij heeft dus een les geleerd! Ergens heeft hij sporen opgeslagen van de oplossingen die hij de eerste keer heeft gebruikt, en heeft die snel opgehaald toen ze nodig waren om zo efficiënt en nauwkeurig mogelijk te reageren. Kortom, hij heeft van de beste reacties geleerd, ze in zijn geheugen opgeslagen en daarmee zijn overlevingskansen vergroot.

Geheugen moet er dus al heel snel in de evolutie zijn geweest. Wat is daar later allemaal bijgekomen? En hoe?

Leven is geheugen en dus intelligentie. Niet om het in stand te houden, maar om het voortdurend weder op te bouwen

Geheugen moet er dus al heel snel in de evolutie zijn geweest.  Dat is niet verwonderlijk, want leven en vooral in leven blijven veronderstelt dat je van ervaringen kunt leren. Leren om omgevingsgevaren af te wenden en om te profiteren van de mogelijkheden die de omgeving biedt. 

Die "intelligentie" was er zodra het leven ontstond. Wij denken bij intelligentie al snel aan die van onszelf, dus aan een organisme met een centraal zenuwstelsel. Maar intelligentie is er zodra er gedrag is en gedrag zonder tenminste enige mate van intelligentie verdient de naam gedrag niet.

Geheugen staat dus in dienst van het leven. Niet zozeer om dat leven "in stand te houden", maar om het voortdurend "weder op te bouwen". Dat laatste ontleen ik aan Vanuit de plant gezien. Pleidooi voor een plantaardige planeet van Arjen Mulder, dat ik nu bijna uit heb. Een mooie aanvulling op Plantenrevolutie. Hoe planten onze toekomst bepalen van Stefano Mancuso. Daar kom ik zo op terug, maar eerst even over Arjen Mulder.

Tussen haakjes: het zal te maken hebben met de dreigingen van de klimaatverandering dat er weer zo veel aandacht is voor het plantenleven. Weer, want die aandacht was er al wel in de negentiende eeuw, met het botanische werk van Charles Darwin (1809 - 1882). Darwin was met On the Origin of Species (1859) en The Descent of Man (1871) niet alleen de grondlegger van de evolutietheorie, hij was ook en vooral een groot botanicus. Daarover is er het prachtige boek Botanische revolutie. De plantenleer van Charles Darwin van Norbert Peeters. Tussen nog weer andere haakjes: mijn interesse in planten zal er ook mee te maken hebben dat ik samen met Nicoline een moestuin heb. De voorgezaaide kapucijners staan sinds eergisteren in de volle grond. Morgen volgen de tuinbonen.

Het mooie van Arjen Mulder is dat hij op allerlei zaken wijst die je eigenlijk zou moeten weten, maar waar je meestal niet bij stilstaat. Zoals dat inzicht dat leven zichzelf niet "in stand houdt", maar zichzelf voortdurend opnieuw opbouwt. Op p. 133-135 lees je:

Alle bouwstenen van levende lichamen, alle organen en cellen en moleculen hebben de neiging na enige tijd spontaan uit elkaar te vallen. Biochemische krachten zijn niet zo sterk (...) Lichamen houden niet zichzelf in stand, dat kan niet, leven is vergankelijk. Wat ze wel doen, is zichzelf continu wederopbouwen, tegen elk onvermijdelijk verval in. Een lichaam onderhoudt zichzelf, vervangt wat kapotgaat en maakt nieuw wat verdwijnt. Leven is instabiel en is daardoor in staat ook de elementen instabiel te houden, bereid het leven te dragen. Levende organismen onderscheiden zich van dode dingen doordat ze - letterlijk - onophoudelijk zichzelf voortbrengen. Productieproces en product vallen samen.

Dit voor alle leven kenmerkende voortdurende herstelproces heet autopoiesis, zelfmaking. De term is in 1984 bedacht door de Chilenen Humberto Matuarana en Francesco Varela, die verduidelijkten:

Autopoiesis is het mechanisme dat levende wezens tot autonome systemen maakt.

Autonoom wil zeggen: op eigen kracht levend. (...)

Ooit meende men dat de drager van de erfelijke code een molecuul moest zijn dat miljoenen jaren meegaat en ongewijzigd van generatie op generatie wordt doorgegeven. Het idee dat dit molecuul zou kunnen breken en weer aan elkaar worden geplakt, al dan niet op dezelfde plek, deed men af als onzin, eerder horror dan humor. En toch is dat wat er de hele tijd gebeurt. Zelfs moleculen die aan alle kanten zijn ingepakt en afgeschermd, zoals het DNA in zijn chromosoom, blijken niet bestand tegen de man met de zeis. De basenparen en fosfaatgroepen in de dubbele helix laten spontaan los en moeten telkens opnieuw aan elkaar worden gekoppeld, wil de keten niet bezwijken. En dat is nog maar een molecuul. Kun je nagaan hoe groot de verwoestingen en reconstructiewerken een niveau hoger moeten zijn, in de cel als geheel, of de organen, of de lichamen. (...) En dan gaan plantencellen nog lang mee, weken tot maanden. Cellen in de darmwand van een mens sterven al na een etmaal en drijven dan weg richting de uitgang.

Het geheugen was de eerste grote, ja, grootste, stap in de evolutie - en het mechanisme ervan is nog steeds een mysterie

Zodra het eerste leven ontstond, was er meteen het probleem van de instandhouding ervan. Of beter gezegd, het handhaven van de voorwaarden waaronder leven zichzelf voortdurend opnieuw opbouwt. De eerste eencelligen grensden zich met een membraan van de buitenwereld af, maar waren voor hun voortdurende heropbouw van die buitenwereld afhankelijk. 

Dat betekende dat die aangrenzende buitenwereld gunstig of ongunstig kon zijn. Gunstig in de zin van de energie verschaffend die voor dat leven nodig was. En ongunstig in de zin van voor dat leven bedreigend. Daarmee lag de aanvangsvoorwaarde klaar voor het zich in de loop van de evolutie ontwikkelen van intelligentie, van het vermogen om de omgeving te leren kennen, ervan te profiteren en om bedreigingen en gevaren het hoofd te bieden. Hoe meer ontwikkeld dat vermogen, hoe groter de kans op "gedrag" dat bijdraagt aan overleving en vermenigvuldiging.

Een cruciaal element van intelligentie is het kunnen leren van wat er in het verleden is voorgevallen, dus van "ervaringen". En daar is weer voor nodig dat je die ervaringen op kunt slaan. Dat je kunt onthouden. Een geheugen hebt. Een geheugen moet er dus al heel vroeg in de evolutie zijn geweest.

De bioloog Stefano Mancuso vertelt over de interesse van Jean-Baptiste de Lamarck (1744 - 1829), die van de theorie van de overerving van verworven eigenschappen (het Lamarckisme), in het gedrag van het kruidje-roer-mij-niet (Mimosa pudica). Het was Lamarck opgevallen dat dat plantje na herhaalde aanrakingen stopte met het sluiten van zijn blaadjes, terwijl er weinig redenen waren aan te nemen dat dat kwam door een te laag energieniveau ("vermoeidheid"). Samen met een collega schreef hij een artikel voor de Botanische Sociëteit over een onderzoek dat was uitgevoerd door René Desfontaines (1750 - 1833), dat eruit bestond dat met een flink aantal plantjes een koetsrit door de hobbelige straten van Parijs werd gemaakt. De student die het onderzoek uitvoerde, zag dat de plantjes bij de eerste trillingen van de koets hun blaadjes sloten. Maar ook zag hij dat ze na verloop van enige tijd hun blaadjes weer openden, terwijl de straten even hobbelig bleven. De student noteerde dat de plantjes begonnen te wennen (Mancuso, Plantenrevolutie, p. 21-2).

Dat wees dus op het bestaan van geheugen. Die eerste trillingen wezen op gevaar, op de mogelijkheid van beschadiging, maar toen zich die na verloop van tijd niet voordeed, "besloten" de plantjes dat deze nieuwe omstandigheden niet langer als gevaarlijk hoefden te worden "beoordeeld". 

Hoe kon dat? Dat was een interessante vraag, maar dat artikeltje van Lamarck en collega werd al gauw weer vergeten. Totdat Mancuso het opdiepte en in zijn laboratorium een proefopstelling maakte om het experiment te herhalen. Preciezer: om na te gaan of het kruidje-roer-mij-niet in staat was om een bekend geworden prikkel te onderscheiden van een nieuwe prikkel. De onderzoekers maakten een apparaat waarmee de plantjes konden worden onderworpen aan een val van ongeveer tien centimeter. De blaadjes sloten zich, maar stopten daarmee na ongeveer zeven, acht herhalingen. Elke volgende val werd "met vorstelijke onverschilligheid" (p. 24) genegeerd. 

Maar was dat alleen maar "vermoeidheid" of "hadden de planten werkelijk begrepen dat er niets te vrezen was"? Om dat na te gaan werden ze vervolgens in horizontale richting heen en weer geschud. Een nieuwe onbekende prikkel dus. Dat er geen vermoeidheid in het spel was, bleek er uit dat ze onmiddellijk hun blaadjes sloten. Er dreigde een nieuw gevaar. Ze waren in staat om een bekende, vertrouwd geworden prikkel te onderscheiden van een nieuwe.

Werden die "ervaringen" opgeslagen? Was er een geheugen? Jazeker, want nadat de plantjes veertig dagen met rust waren gelaten, reageerden ze nog steeds niet op de val, maar wel op de horizontale trilling. Ze hadden kennis over de werkelijkheid opgeslagen in hun geheugen. Die veertig dagen is volgens Mancuso "heel lang vergeleken met de standaardduur van het geheugen van veel insecten, en even lang als het geheugen van verschillende hogere diersoorten"(p.25).

Mancuso: "Hoe zo'n mechanisme functioneert in breinloze wezens als planten is nog steeds een mysterie." (p.25). 

Een mysterie waarmee de evolutie een aanvang nam. Op de basis waarvan veel later wij mensen op het toneel verschenen, toegerust met taal en zelfbewustzijn. Eigenlijk is die eerste stap, die van het mysterie van het geheugen, een veel grotere stap dan die van taal en zelfbewustzijn. Dat zijn maar recente toevoegingen, waarvan we het belang geneigd zijn te overschatten.

Draait alles in de evolutie om vertrouwdheid? Jazeker, niet alleen bij dieren, maar ook al bij planten
 
Nu we hebben vastgesteld dat het ontstaan van geheugen, het vermogen om ervaringen op te slaan en terug te roepen, de wellicht grootste en onvermijdelijk eerste stap in de evolutie van het leven moet zijn geweest, is het zaak om stil te staan bij het verband met het belang van vertrouwdheid.

Het belang van vertrouwdheid werd mij duidelijk als een afgeleide van het cruciale belang van veiligheid of onveiligheid van de omgeving waarin een organisme zich bevindt. Ik redeneerde dat levende wezens altijd veiligheid zoeken en onveiligheid uit de weg proberen te gaan en dat vertrouwdheid van de omgeving een aanwijzing is voor veiligheid. Als je je in een vertrouwde omgeving bevindt en je je dat realiseert, dan ben je nog in leven en is die omgeving kennelijk veilig. 

We zien dat hier het geheugen al in werking is. Doordat ervaringen kunnen worden bewaard, kan de vertrouwdheid met een omgeving (of met een soortgenoot) groeien en opgemerkt worden. 

Denk aan de eerdere berichten over vertrouwdheid als de proximate verklaring voor pro-sociaal gedrag (gemeenschapsgedrag) in verband met de ultimate verklaringen van wederkerigheidsaltruïsme en verwantschapsaltruïsme. Zie Draait alles om vertrouwdheid? en Berust wederkerigheid op vertrouwdheid of op berekening? en Over vertrouwdheid en het verschil tussen een ultimate en een proximate verklaring

De neiging tot gemeenschapsgedrag kan worden doorgegeven aan volgende generaties als er een genetische grondslag voor is en als dat gedrag ten goede komt aan anderen met diezelfde genetische grondslag. Dus aan verwanten of aan anderen waarmee gemeenschapsgedrag wordt uitgewisseld. Maar daarvoor is niet nodig dat die verwantschap of die uitwisseling perfect worden herkend, vertrouwdheid volstaat. Verwanten groeien meestal samen op en zijn dus elkaar vertrouwd. En uitwisselingspartners ('vrienden") zijn elkaar vertrouwd door die geschiedenis van uitwisseling. Vandaar die vraag: Draait alles om vertrouwdheid?

Daar op terugkijkend, moet ik mezelf op een punt corrigeren. Want ik nam aan dat die hang naar vertrouwdheid de evolutie binnenkwam op het moment dat organismen zich "uit zichzelf" gingen voortbewegen, op het moment dus dat wat wij dieren noemen ontstonden. In het bericht Ontstond de hang naar vertrouwdheid op het moment in de evolutie dat levende wezens zich gingen voortbewegen? stelde ik dat weliswaar als vraag, maar ik ging er gemakshalve maar vanuit dat het antwoord bevestigend was. 

Daar had ik wat dieper over moeten nadenken. Want wat blijkt dus,  ook planten, althans zoals vastgesteld bij het kruidje-roer-mij-niet, hebben een geheugen en zijn dus in staat om een vertrouwde, en dus veilige, prikkel te onderscheiden van een nieuwe. Planten kunnen zich weliswaar niet verplaatsen, maar ze kunnen wel omgevingsveranderingen (prikkels) registreren en die registraties ("ervaringen") opslaan. Ze hebben dus, geheel bij afwezigheid van een zenuwstelsel, wel zoiets als een geheugen en dus het vermogen om vertrouwd te onderscheiden van nieuw.

Dus: draait alles in de evolutie om vertrouwdheid? Jazeker, niet alleen bij dieren, maar ook al bij planten.

Dat maakt de vraag naar dat "mysterie" van het mechanisme achter het geheugen des te dringender. 

Over epigenetische veranderingen als mechanisme van geheugen - en over de Hongerwinter

Hoe zit dat met het mysterie van het functioneren van het geheugen in breinloze wezens als planten? We kwamen al tot de conclusie dat geheugen of zoiets als wat wij geheugen noemen er al vanaf het begin van de evolutie moet zijn geweest. Omdat elk organisme voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn omgeving, van het gebruik maken van wat de omgeving te bieden heeft en van het zich wapenen tegen de gevaren die zich voordoen. Anders gezegd, het gaat om het kunnen onderscheiden tussen een veilige omgeving en een onveilige omgeving en daar is waarneming, opslag van ervaringen (geheugen) en gebruik maken daarvan (leren, intelligentie) voor nodig. 

Dat wijzelf en algemener: dieren met een centraal zenuwstelsel, geheugen hebben, vinden we niet gek. Maar planten? Hoe doen die dat dan? 

Dat is een belangrijke vraag omdat het geheugen van dieren ergens in de loop van de evolutie is ontstaan en dat zal,  zoals altijd in de evolutie, gebeurd zijn op de basis van wat er al was. En dat wat er al was, is misschien het mechanisme van dat geheugen van planten.

Stefano Mancuso schrijft daarover in Plantenrevolutie. Hoe planten onze toekomst bepalen op p. 25-6:

Talloze onderzoeken, met name op het gebied van de invloed van stress op het geheugen, lijken aan te tonen dat epigenetica van essentieel belang is bij het ontstaan van stressgerelateerde herinneringen. Epigenetica beschrijft de erfelijkheid van variaties die niet zijn toe te schrijven aan veranderingen in de DNA-sequentie. Het gaat dus om veranderingen - zoals die van de histonen, eiwitten met als voornaamste taak het organiseren an het DNA, of methylering, de verbinding van een methylgroep (CH3-groep) met een nucleobase van het DNA - waardoor de genexpressie wel verandert maar de gensequentie niet.

Zie over epigenetica de webpagina van erfelijkheid.nl. Daar lees je dat 

genen door bijvoorbeeld stress, roken of eetgewoontes aan of juist uit worden gezet. Op een gen ligt de informatie om een eiwit aan te maken. Al deze eiwitten hebben een taak in het lichaam. Als een gen actief is, kan eiwit kan zijn werk doen. Als het gen inactief wordt, wordt het eiwit niet meer gemaakt en kan het eiwit zijn taak niet meer uitvoeren. Gaat het bijvoorbeeld om een eiwit dat een rol speelt bij de ontwikkeling van de hersenen? Dan kan het inactief maken van dit eiwit er voor zorgen dat er iets mis gaat met de ontwikkeling van de hersenen.

Terwijl het DNA vastligt, kunnen ervaringen (stress, roken, eetgewoontes) er dus voor zorgen dat genen aan of uit worden gezet. Als voorbeeld worden de epigenetische veranderingen genoemd die optraden bij kinderen die tijdens de Hongerwinter van 1944-45 werden verwekt. Het Leids Universitair Medisch Centrum vertelt over het onderzoek dat werd gedaan naar die kinderen toen ze rond de zestig jaar waren. 

Doordat in de Hongerwinter maar een kwart van de hoeveelheid voedsel beschikbaar was van wat een mens nodig heeft, werden de groeigenen van de nog ongeboren kinderen anders afgesteld. Dit zorgde ervoor dat ze toch met een normaal lichaamsgewicht geboren werden. (Er zal zich een parent-offspring conflict hebben voorgedaan.) Maar die andere afstelling bleef na de geboorte en in hun latere leven bestaan (geheugen!), waardoor ze in een omgeving met meer dan genoeg voedsel een grotere kans op gezondheidsproblemen kregen (een hogere cholesterolspiegel in het bloed). Doordat die afstelling van genen voor een groot deel gebeurt in de eerste weken na de bevruchting, kan het dus gebeuren dat een epigenetische aanpassing aan de omgeving die op korte termijn gunstig is, denk aan dat normale geboortegewicht, dat op langere termijn niet is.

Hier zien we dus een mogelijk mechanisme van geheugen dat zijn werk doet via epigenetische veranderingen. Naar ik aanneem een mechanisme dat gemiddeld genomen in het evolutionaire verleden heeft bijgedragen aan overleving. Want tegenover die grotere kans op gezondheidsproblemen op latere leeftijd in een omgeving met meer dan genoeg voedsel, staat naar alle waarschijnlijkheid dat die Hongerwinterkinderen beter voorbereid waren op nieuwe hongerperiodes. Dat epigenetische geheugen "gaat ervan uit" dat wat nu gebeurt, later nog een keer kan gebeuren. (Ik ben zelf in juni 1943 geboren,  eerder dus dan de Hongerwinter, maar bovendien in Friesland, waar ook in 1944-45 genoeg voedsel beschikbaar was.)

Zien we dan datzelfde epigenetische geheugen bij planten?

Ook zonder een zenuwstelsel is leren en geheugen, en dus intelligentie, mogelijk
 
In de studie Experience teaches plants to learn faster and forget slower in environments where it matters onderzoeken Monica Gagliano, Michael Renton, Martial Depczynski en Stefano Mancuso het vraagstuk van het geheugen van planten 
 
Hoe kunnen planten de informatie uit hun omgeving opslaan en daarvan leren terwijl ze niet zoals wij een perifeer en centraal (hersenen, ruggenmerg) zenuwstelsel hebben? Die vraag is interessant omdat voor alles wat leeft geldt dat het in staat moet zijn tot leren en aanpassing en dus in die zin "intelligent" moet zijn. Hoe kun je intelligent zijn zonder een zenuwstelsel?
 
We zagen al dat er een epigenetisch mechanisme valt aan te wijzen, dat er voor zorgt dat opgedane ervaringen genen aan of uit kunnen zetten. Bij volwassenen die als nog ongeboren kind de Hongerwinter van 1944-45 hadden ervaren, vond een aanpassing plaats aan een omgeving met weinig voedsel, waardoor ze beter voorbereid waren op nieuwe periodes van honger. Alleen, die periodes deden zich niet voor, integendeel er was steeds meer dan genoeg voedsel. Daardoor ontwikkelden ze op latere leeftijd gezondheidsproblemen (door een hogere cholesterolspiegel). Dat epigenetische proces "ging ervan" uit dat wat eenmaal gebeurt (voedselschaarste), nog een keer kan gebeuren en dat het maar beter is om daarop voorbereid te zijn.
 
Uit die studie die ik hierboven noem, maak ik op dat zulke epigenetische veranderingen, die dus bij mensen zowel als planten kunnen optreden, zich voltrekken door middel van calcium signalering. Cellen communiceren met elkaar door calciumionen (Ca2+) en kunnen zo concentraties van eiwitten, waaronder calmoduline (CaM) beïnvloeden en zo de expressie van genen bepalen. In de woorden van de onderzoekers:

The Ca2+/CaM signalling system controls the expression of genes whether their transcription occurs in the neurons of a big-brained animal (Limback-Stokin et al. 2004) or in the root apex cells of a plant (Kim et al. 2009). This might be the starting point from which a minute, yet measurable Ca2+/CaM signal acting on voltage-gated ion channels (Halling et al. 2005) and their production of electrical waves (Yellen 1998), culminates in the formation of memories and expression of the most remarkable behaviours in animals [e.g. Aplysia (Esdin et al. 2010)] and plants alike.

Wat we vermoedden, dat ook zonder een zenuwstelsel, leren en geheugen, en dus intelligentie, mogelijk is, dat klopt. Er voltrekt zich in planten, maar ook in ons, een proces van calciumsignalering dat een intelligentie mogelijk maakt die analoog is aan onze "zenuwstelsel-intelligentie".

 Conclusie van de onderzoekers:

Because of the very fact that much of the advances in learning research come from humans and animals, the acquisition and use of information through the learning process is implicitly accepted to be contingent on neuronal processes (or artificial neural networks modelled on their biological counterparts, in the case of machines), a view that inevitably excludes non-neural organisms such as plants from the behavioral realm of learning, memory and decision-making (but see Trewavas 2003). What we have shown here, however, leads to one clear, albeit quite different, conclusion: the process of remembering may not require the conventional neural networks and pathways of animals; brains and neurons are just one possible, undeniably sophisticated, solution, but they may not be a necessary requirement for learning.

Voor leren en geheugen, en dus voor intelligentie, is niet een zenuwstelsel nodig. Dat je dat als een verrassend inzicht kunt ervaren, zal er aan liggen dat wij ons maar moeilijk kunnen losmaken van hoe wij met onze intelligentie in de wereld staan.

Als intelligentie zo onlosmakelijk is verbonden met alle leven, dan zou het dus ook moeten zijn aan te wijzen bij evolutionair oudere organismen, zoals bacteriën. Dan zouden die op zijn minst geheugen moeten hebben en dat is volgens de studie Memory in bacteria and phage van Josep Casadesús en  Richard D’Ari inderdaad het geval.