donderdag 22 oktober 2020

Over complicaties van het morele primaat van vrijwilligheid van het neoliberale vulgair-economisch denken

Dat je overal hoort dat de overheid terug is, moet wel betekenen dat hij weggeweest is. En dat was inderdaad het geval in de periode waarin de neoliberale economische politiek het denken van de politici overheerste. Zoals in het vorige bericht viel te lezen, hield die politiek in dat de markt bij uitstek de bron van welvaart is en dat daarom de overheid zoveel mogelijk zou moeten terugtreden. 

Hoewel de onderbouwing daarvoor uit het vak economie kwam, was en is dat vak diverser dan je uit die neoliberale politiek zou opmaken. Dat verleidt tot de gedachte die onderbouwing vulgair-economisch te noemen, naar analogie met vulgair Marxisme. Een beknopte, maar helaas alleen voor ingewijden goed te volgen, beschrijving van de naoorlogse ontwikkelingen in het vak economie geeft Oliver J. Blanchard in Neoclassical synthesis. Maar ook zonder al ins en outs daarvan te beheersen, kun je wel de "vulgair-economische" ideeën aanwijzen die zo'n grote invloed hebben gehad op de economische politiek in de periode van het neoliberalisme.

Ik noemde in het vorige bericht al de gedachte dat de markt, dat wil zeggen de markt met volledige concurrentie, het grote voordeel heeft dat hij de optelsom is van alle vrijwillige transacties. Immers, alles wat mensen vrijwillig doen, moet wel hun welvaart vergroten. Of eventueel een verlies aan welvaart beperken. Dus moeten we mensen zo veel mogelijk de ruimte geven om te handelen naar wat henzelf goeddunkt en die ruimte noemen we de markt.

Daar komt bij dat die perfecte markt, wederom, de markt met volledige concurrentie, altijd tot één evenwichtstoestand leidt, die bovendien "goed" is, in de zin van Pareto-optimaal. Een toestand is Pareto-optimaal als er vanuit die toestand niet een verbetering voor iemand of sommigen mogelijk is zonder dat er iemand anders op achteruitgaat. Anders gezegd, alle mogelijke welvaartsverbeteringen door vrijwillige transacties hebben plaatsgevonden. 

De welvaartseconomen Kenneth Arrow en Gérard Debreu bewezen wiskundig en onafhankelijk van elkaar dat die perfecte markt inderdaad één evenwichtstoestand heeft en dat die toestand Pareto-optimaal is. Waarbij meteen dient te worden opgemerkt dat de condities waaronder die perfecte markt bestaat, streng zijn. Er bestaan geen externaliteiten, geen transactiekosten, iedereen is volledig geïnformeerd en producenten zijn prijsnemers. Zie de wikipediapagina over de welvaartseconomie. In feite was dat bewijst niet meer dan de afleiding van een onrealistische toestand uit onrealistische prémissen.

Maar ook zonder dat alles te weten, werd dat idee van de markt als bron van welvaart bij uitstek omarmd door politici. Niet alleen door politici ter rechterzijde, maar ook ter linkerzijde. Denk aan Dat hadden we nooit moeten doen. Het prestige van een vak economie dat zijn inzichten meer wiskundig dan empirisch onderbouwde, was zo groot dat de vulgaire variant ervan (het neoliberalisme) de economische politiek ging bepalen. Eigenlijk ging het om het prestige van de wiskunde, dat door de economen werd gekaapt.

Dat zulks kon gebeuren had er ongetwijfeld ook mee te maken dat er die morele rechtvaardiging voor leek te bestaan dat de transacties op de markt vrijwillig zouden zijn. De tegenwerping van het fictieve karakter daarvan werd geneutraliseerd door de stelling dat je in de economische politiek dat ideaal van de vrije markt zoveel mogelijk moest zien te benaderen. Vandaar de pleidooien voor privatisering, deregulering, anti-kartelwetgeving en uitbesteding. En voor zo weinig mogelijk overheidsinmenging, inclusief de afwijzing, in de vorm van het huishoudboekjesdenken, van de macro-economische functie van de overheidsbegroting. 

Maar nu terug naar die morele rechtvaardiging. Want dat primaat van vrijwilligheid heeft nogal wat haken en ogen. Er zijn tenminste twee complicaties, die van de consumentensoevereiniteit en die van het vetorecht.

De stelling van de consumentensoevereiniteit houdt in dat mensen in die toestand van vrijwilligheid altijd kiezen wat voor hen het beste is en dat zij zelf het beste kunnen beoordelen wat goed voor hen is. En de markt zou er dan voor zorgen dat al die vrije keuzes tezamen, onafhankelijk van elkaar genomen,  dat ene, Pareto-optimale evenwicht creëren. Mooier kun je het niet hebben.

Maar daar is er de complicatie dat wat voor een persoon de beste keuze is, afhankelijk is van wat anderen kiezen. Dat prachtige ene optimale evenwicht is er alleen in de fantasiewereld van de homo economicus. Een realistischer zicht is dat de menselijke sociale natuur innerlijk tegenstrijdig is. We kunnen kiezen tussen gemeenschapsgedrag en statuscompetitiegedrag en wat de beste keuze is hangt er van af hoeveel anderen voor het ene dan wel het andere gedrag kiezen. Waardoor er niet een, maar twee evenwichten kunnen ontstaan. Het optimale evenwicht van het gemeenschapsgedrag en het sub-optimale evenwicht van het statuscompetitiegedrag.

Ook als je dus accepteert dat iedereen zelf het beste weet wat goed voor hem/haar is, dan volgt daar dus niet uit dat het collectieve resultaat van alle individuele keuzes ook het beste is. Daarover, en over die complicatie van het vetorecht, meer in volgende berichten.

dinsdag 20 oktober 2020

De overheid is terug en dus de moraal. En twee vragen bij de morele rechtvaardiging van de neoliberale politiek

Na de barbarij van de Holocaust, die liet zien waar het statuscompetitiepatroon op kan uitlopen, was er de breed gedeelde overtuiging dat het nationaal en internationaal de kant moest opgaan van het gemeenschapsevenwicht. Dat kreeg vorm in de opbouw van de verzorgingsstaat en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Zie het vorige bericht.

Die beweging in de richting van het gemeenschapsevenwicht hield in dat er een grote rol moest worden weggelegd voor wat mensen "met zijn allen" willen en kunnen. Dus voor overheden, die zich er op richten om de bestaanszekerheid van iedereen te garanderen, nationaal door sociale zekerheid en toegang tot het onderwijs, en internationaal door mensenrechtenverdragen  die moesten zorgen voor wereldwijde vrijheid van gebrek en onderdrukking.

Maar die beweging werd na enkele decennia een halt toegeroepen. Er ontwikkelde zich de wereldwijde backlash van het neoliberalisme. De overheid was niet de oplossing, maar juist het probleem. In plaats daarvan kwam "de markt" als oplossing van vrijwel alle problemen, als de voornaamste bron van welvaart. Het moest niet meer "met zijn allen", het kon integendeel worden uitbesteed aan het anonieme marktmechanisme. Het wij-met-zijn-allen denken werd vervangen door het marktdenken.

Terwijl dat "met zijn allen" appelleert aan de morele gemeenschapsintuïties, had dat amorele marktmechanisme het "voordeel" dat het voldoende was om op ieders eigenbelang te vertrouwen. Het menselijk vermogen tot moreel gedrag kon worden verwezen naar de persoonlijke levenssfeer van familie en vrienden, voor de collectieve welvaart werd hij niet van belang geacht. De markt, de beroemde onzichtbare hand, zorgt er wel voor dat al die individuele eigenbelangen uiteindelijk de meeste collectieve welvaart voortbrengen. De overheid moet niet meer doen dan zorgen voor de wetten om die markt goed te laten werken, zoals wetten die het recht op eigendom regelen.

Internationaal betekende dat zoveel mogelijk vrijhandel, globalisering dus. Hoewel die ook gunstige effecten had, maakte hij ruim baan voor de grote internationale ondernemingen, die machtiger werden dan staten en zo voor elkaar kregen dat ze niet of nauwelijks belastingen betalen.

Afijn, we weten ondertussen waar dat neoliberale regime op is uitgelopen. Extreme ongelijkheid, exorbitante rijkdom voor weinigen en stagnerende welvaart en bestaansonzekerheid voor velen. Daardoor tekortschietende vraag en tekortschietende investeringen. Overheden die stug volhardden in het huishoudboekjesdenken en dus hun tekorten terugdrongen in een tijd die juist vroeg om meer publieke investeringen. Door die vermogensophoping en overheden die weigerden te investeren ontwikkelde zich het monster van de financiële sector, dus van het aandeelhouderkapitalisme, een bron van economische instabiliteit.

En last but not least worden we ermee geconfronteerd dat dit economisch stelsel de natuurlijke hulpbronnen uitput, de biodiversiteit vernietigt en de aarde catastrofaal opwarmt. En ons blootstelt aan pandemieën, waarvan de corona-crisis waarschijnlijk slechts een voorbode is.

Geen wonder dat het inzicht doorbreekt dat "de overheid terug is", dat we voor opgaven zijn komen te staan die we met zijn allen moeten oplossen of waaraan we ten onder gaan. Waarmee de vraag opkomt wat dan de richtlijn moet zijn voor overheidshandelen. Nu we immers inzien dat we van de overheid meer moeten verwachten dan "het aan de markt overlaten". waar moeten we ons dan met zijn allen door laten leiden? In het bijzonder, wat hebben vakken als economie of sociologie, of algemener, wat heeft de toegepaste sociale wetenschap dan te bieden als wetenschappelijke bijdrage aan de politiek en de democratische besluitvorming. En kunnen daar morele oordelen buiten de deur blijven?

Dat die vraag zich nu opdringt, ligt eraan dat in de afgelopen periode van "uitbesteding aan de markt" de indruk kon ontstaan dat morele oordelen geen rol meer speelden. En ook niet meer mochten spelen. De allesoverheersende indruk was immers dat de politiek zich kon laten leiden door wat het vak economie als wetenschap voorschreef. Het vak economie had uitgevonden welk beleid het beste was. Dus viel daar eigenlijk niet meer over te discussiëren. Vandaar TINA: There is no alternative. 

Maar dat was natuurlijk alleen maar een indruk. Die weliswaar de neoliberale politiek een wetenschappelijk cachet gaf, waardoor velen er in meegingen, maar toch niet meer dan een indruk. Want als je beter kijkt, dan zie je wel degelijk morele oordelen. De vermeende superioriteit van het marktmechanisme wordt er immers door gerechtvaardigd dat het de optelsom is van alle vrijwillige transacties. Dat wil zeggen, bij volledige concurrentie. De markt zou niet alleen efficiënt zijn, maar ook moreel goed, omdat niemand tot iets wordt gedwongen. Er is geen overheersing, er is geen macht. En vrijheid van overheersing is inderdaad een van onze morele gemeenschapsintuïties. 

De neoliberale politiek kent dus wel degelijk een morele rechtvaardiging. Maar daar kun je meteen twee vragen bij stellen. Is vrijheid van overheersing dan de enige gemeenschapsintuïtie? Nee natuurlijk. En dat marktmechanisme, dat mag als een abstractie tegemoetkomen aan die morele eis van vrijheid van overheersing, maar wat betekent dat voor de praktische realiteit, waarin volledige concurrentie eigenlijk niet bestaat? Wat heb je aan vrijheid van overheersing in een fantasiewereld?

Over die vragen in het volgende bericht meer.

maandag 19 oktober 2020

Hoe zal het met Trump aflopen? En over hoe het afliep met die andere kwaadaardige narcist, Adolf Hitler

Hoe zal het met de narcist Donald Trump aflopen? Zie ook het bericht uit maart 2018. Over ruim twee weken, op 3 november, zijn de Amerikaanse presidentsverkiezingen. In veel staten is het stemmen al begonnen. Waar de Republikeinen aan de macht zijn, proberen ze het stemmen te ontmoedigen in die districten waar Democraten het sterkst zijn. Toch wordt er volop gestemd, ook als mensen daar uren voor in de rij moeten staan. Vermoedelijk zijn dat vooral Biden-stemmers. Alle opiniepeilingen laten al een hele tijd een stabiele voorsprong van Biden zien. Alles wijst er op dat er een Blue wave zit aan te komen, die niet alleen een einde maakt aan het presidentschap van Donald Trump, maar ook de Democraten de meerderheid in de Senaat zal bezorgen.

Als we er even van uitgaan dat de, mede door Moskou in gang gezette, pogingen mislukken om de verkiezingen te ontregelen, hoe zal het dan met Trump aflopen? En met zijn aanhang? 

Wat die aanhang betreft, wees de Washington Post-columnist E, J, Dionne, Jr, er gisteren op dat het Trumpisme, dus het krankzinnige rechts-extremisme natuurlijk al langer bestaat in de Amerikaanse samenleving en politiek:

What’s often missed about Trump, Trumpism and the transformation of the Republican Party is that much of what is going on now harks back to the 1960s — but the other 1960s that most people don’t think about. Not the civil rights and antiwar movements or the New Left, but the far right that was at least as important at the time: the John Birch Society, the Minutemen, the White Citizens’ Councils and comparable groups. This wacky right wing has gained more traction in our time than it did then because of right-wing media and an Internet that did not exist 60 years ago.

Een socioloog, althans een socioloog van mijn leeftijd, denkt
dan meteen aan het in 1970 verschenen The Politics of Unreason. Right-wing extremism in America, 1790-1970 van Seymour Martin Lipset en Earl Raab. Hier te lezen. Maar toen dat boek verscheen, dacht ik dat het vooral over het verleden ging. Dat het nu, vijftig jaar later, zo actueel is, dat is wel heel pijnlijk.

Maar terug naar hoe het met Trump zal aflopen. In dat bericht waar ik hierboven naar linkte, verwees ik al naar de mogelijke overeenkomsten met hoe het met die andere narcistische leider, Adolf Hitler, afliep. In beide gevallen gaat het om een kwaadaardige narcist die aan de macht is gekomen, veel ellende veroorzaakt en uiteindelijk zijn nederlaag onder ogen moet zien. Terwijl hij tot dat laatste fundamenteel niet in staat is.

Ik sloeg er wat Hitler betreft nog even Tot de laatste man. Duitsland, 1944 - 1945 van Ian Kershaw op na. En daarin, op p. 335-336 kom je een passage tegen die voor hoe het met Trump afloopt enige voorspellende waarde zou kunnen hebben:

Hitlers eigen droomwereld tijdens nachtelijke bezoeken aan de kelders van de Nieuwe Rijkskanselarij wanneer hij bij de maquette zat van zijn geboorteplaats Linz, geconstrueerd door zijn architect Hermann Giesler, zoals deze eruit zou zien aan het eind van een gewonnen oorlog, verschafte ook hem een tijdelijke afleiding van de klamme oorlogsdruk. Daarnaast pasten zijn fantasieën bij het masker dat hij zelfs nu nog op had, weigerend om aan zichzelf of iemand anders toe te geven dat zijn wereld in puin was gevallen. Hij had op z'n laatst sinds het mislukken van het Ardennenoffensief geweten dat de nederlaag zeker was. Maar hij kon dat niet openlijk toegeven. Dit vormde onderdeel van het doorgaande toneelspel van de onverzettelijke Führer dat hij steeds tijdens de toenemende tegenslag vol had gehouden - het voortdurend doen alsof, tegenover zichzelf zowel als zijn omgeving, dat alles uiteindelijk goed zou komen. Zijn dromen en illusies trotseerden de realiteit die hem de meeste tijd in de greep had - die van een verloren oorlog en van een naderend einde waar zijn eigen dood op moest volgen. Aangezien hij overgave nimmer kon overwegen, zou het immense lijden en de verwoesting van de oorlog zolang hij leefde, doorgaan. En aangezien hij zichzelf niet gevangen zou laten nemen, was zelfmoord de enige uitweg. Zijn monsterlijk grote ego had hem allang tot de slotsom gebracht dat het Duitse volk zich hem onwaardig had betoond. Hun nederlaag had laten zien dat ze zwak waren. Ze verdienden het niet om te overleven. Hij kon gene traan om hen laten. Maar hij moest nog beslissen wanneer en waar hij een einde aan zijn leven zou maken.

Natuurlijk zijn er naast de overeenkomsten ook grote verschillen tussen de persoonlijkheden van Hitler en Trump. Dat kwaadaardige narcisme gaat bij Trump samen met karaktereigenschappen die de associatie met kleutergedrag hebben opgeroepen (The Toddler in Chief). Wat dat gaat betekenen voor hoe het met hem afloopt? We weten het misschien snel, maar toch valt het moeilijk te voorspellen.

zondag 18 oktober 2020

Zondagochtendmuziek - Arvo Pärt, Tabula Rasa

Dinsdag nog het concert van Amsterdam Sinfonietta in TivoliVredenburg bijgewoond, met Candida Thompson en Simone Lamsma als solisten in werken van Johan Sebastian Bach en Arvo Pärt. Dat kon nog net, want vanaf vanaf donderdag werden verdere concerten afgelast

Het was voor het eerst dat ik een live uitvoering van muziek van Pärt meemaakte, in dit geval van zijn Tabula rasa. Ik stond sceptisch tegenover zijn muziek, die toch bij veel mensen weerklank vindt. Maar ik moet toegeven dat ik toch heel geïntrigeerd luisterde. Ook, of juist, als je niet meegaat in die spirituele  diepzinnigheid die velen er in horen, is het gewoon heel intrigerende muziek. Waar je zo in wordt meegenomen dat je het jammer vindt als het is afgelopen. Als je het thuis opzet, denk je al gauw na een poosje: laat maar, zo is het wel genoeg.

Dat wijst wel op het belang van live concerten. Die natuurlijk wel het nadeel hebben van de aanwezigheid van een hoestend en kuchend publiek, zoals bij deze uitvoering door de Lviv Virtuosos uit 2013. 

vrijdag 16 oktober 2020

Na WO II was er nationaal en internationaal het perspectief op "het gemeenschapsevenwicht". Juist toen. Hoe zijn we dan terechtgekomen waar we nu zijn?

De grondleggers van de naoorlogse verzorgingsstaat, de leden van de Commissie-Van Rhijn, benoemden als rechtsgrond daarvan de algemeen gedeelde overtuiging dat de in de bevolking levende morele gemeenschapsintuïties vorm kregen in de instituties van die verzorgingsstaat. Vandaar de beroemde zin:

De gemeenschap, georganiseerd in den Staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde, dat alle leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen.

Die algemeen gedeelde overtuiging noemde ik in het vorige bericht de begintoestand. Er waren verschrikkingen aan voorafgegaan. De crisis van de jaren dertig, de tweede Wereldoorlog, de bezetting door de Duitsers, het misdadige Hitler-bewind en de Holocaust. Er moesten lessen geleerd worden en de lessen die zich opdrongen behelsden dat er voor de democratische overheid een fundamentele rol was weggelegd in het garanderen van bestaanszekerheid van zijn burgers. Dat was dus zowel de erkenning van het grote belang van bestaanszekerheid voor mensen, hun welzijn en hun gedrag, als van het bestaan van algemeen gedeelde morele intuïties op grond waarvan de organisatie van die bestaanszekerheid door de democratische overheid gerechtvaardigd kon worden.

Op nationaal niveau leidde die algemeen gedeelde overtuiging tot de uitbouw van de verzorgingsstaat, van al die sociale voorzieningen en volksverzekeringen die mensen moesten "vrijwaren van gebrek", dus van de gevolgen van ziekte en ouderdom, werkloosheid en ongevallen. Ook mochten er niet langer financiële belemmeringen zijn voor de toegang tot voortgezet en hoger onderwijs. Ik ging als zoon uit een arbeidersgezin in 1965 studeren met een combinatie van studiebeurs en renteloos voorschot.

Parallel daaraan was er de internationaal gedeelde overtuiging dat mensenrechten universeel behoorden te worden vastgelegd en gehandhaafd. Op 10 december 1948 namen de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aan, die in veel daaropvolgende internationale afspraken en verdragen werd uitgewerkt. Om een idee te geven van de geest waaruit die verklaring voortkwam, citeer ik even het begin van de Preambule en Artikel 1:

Overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld; 
Overwegende, dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens; 
Overwegende, dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen worde om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tyrannie en onderdrukking; 
Overwegende, dat het van het grootste belang is om de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de naties te bevorderen; 
Overwegende, dat de volkeren van de Verenigde Naties in het Handvest hun vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de mens en in de gelijke rechten van mannen en vrouwen opnieuw hebben bevestigd, en besloten hebben om sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen;

Artikel 1 Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

Er was dus zowel nationaal als internationaal kort na de Tweede Wereldoorlog een begintoestand die zonder meer te duiden valt als het bestaan van de algemeen gedeelde overtuiging van het grote belang voor de mensheid van de morele gemeenschapsintuïties. In de verzorgingsstaat krijgen die intuïties vorm in het recht: "de gemeenschap, georganiseerd in de staat". En internationaal gaat het over "inherente waardigheid", "gelijke en onvervreemdbare rechten", "vrij ... van vrees en gebrek", "vriendschappelijke betrekkingen tussen naties", "gelijke rechten van mannen en vrouwen" en "een geest van broederschap".

Je kunt wel zeggen dat hier voor het eerst in de mensheidsgeschiedenis een perspectief werd geopend op de mogelijkheid van het bereiken van wat ik het gemeenschapsevenwicht noemde. Niet alleen op de mogelijkheid, maar ook op het grote belang er van. Want de wereld had immers net een periode achter de rug van "terzijdestelling en minachting voor de rechten van de mens (die) geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan" en van "tyrannie en onderdrukking". 

Wat betekent dat er ook het urgente besef bestond dat het met de mensheid ook de heel andere kant op kan gaan, de kant van het statuscompetitie-evenwicht. De toestand die allerlei verschijningsvormen heeft, maar ook die van barbarij en onderdrukking.

Nu, in 2020, kun je niet anders dan met grote teleurstelling op de latere ontwikkelingen terugkijken. Want we zitten in een tijd waarin juist het statuscompetitiepatroon in het publieke domein gaat overheersen. Dus in het volgende bericht verder met de dringende vraag hoe we hier zijn terechtgekomen.

woensdag 14 oktober 2020

Sociaalwetenschappelijk zicht op het wel of niet naleven van de regels in de corona-crisis - Wat als Rutte wel een socioloog was geweest?

We gaan een "gedeeltelijke lockdown" in. Die is nodig omdat "teveel mensen zich niet aan de regels hebben gehouden" (Rutte gisteren). NRC.nl daarover:

En inderdaad, veel burgers hielden zich daar minder aan. Maar ook de overheid leverde niet wat zij beloofde. Het sociale contract waarmee Nederland de eerste golf eronder kreeg, staat onder druk.

Dat suggereert dat wat de overheid gedaan heeft of nagelaten ook een rol speelde in het gedrag van de burgers. Tijdens de eerste golf van de verspreiding van het coronavirus bestond er kennelijk nog zoiets als een sociaal contract tussen overheid en burgers en burgers onderling. Er dreigde rampspoed en daar moesten we met zijn allen wat aan doen. Dat deden we ook, want de verspreiding van het virus werd ingedamd.

Maar tussen toen en nu is er van alles gebeurd, of juist niet gebeurd, waardoor we nu in de tweede golf terecht zijn gekomen. NRC.nl:

Want de dijkbewaking tegen een tweede golf kwam niet op orde. De mobiele app die De Jonge in april aankondigde om uitbraken op te sporen en in te dammen, kwam er pas afgelopen weekend. Het testbeleid werd wel uitgebreid, maar onvoldoende om de golf aan mensen snel te kunnen testen. Het bron- en contactonderzoek dat in de zomer met moeite de brandhaarden in kaart kon brengen, is inmiddels vrijwel overal stopgezet. Het regionale maatwerk dat het kabinet aankondigde als dé manier om strenge landelijke maatregelen te voorkomen, werd beperkt tot Randstedelijke kroegen die iets eerder dicht moesten. Met eerder en gerichter ingrijpen waren brandhaarden wellicht geblust en was de maatschappelijke en economische schade nu beperkt gebleven.

Wat is hier sociaalwetenschappelijk gezien aan de hand? Die vraag dringt zich op nu er ook kritiek valt te horen op hoe de regering zich heeft laten adviseren. De NRC Nieuwsbrief De Haagse stemming meldt vandaag:

Als Rutte wordt gevraagd of Nederlanders zich slechter aan de regels houden dan andere Europese landen, antwoordt hij standaard: „Daar waag ik mij niet aan, ik ben geen socioloog.” Dat lijkt steeds een oproep aan zichzelf om eens met sociologen of andere gedragswetenschappers te praten over welke regels het meeste effect hebben op het gedrag van mensen. Maar zelf heeft Rutte daar blijkbaar een ander idee over, want het OMT bestaat vooral uit medici en er zit geen socioloog bij. De adviesteams in andere landen hebben een veel diversere samenstelling.

Wat zou een socioloog hebben kunnen bijdragen? Hij of zij zou er denk ik op hebben gewezen dat mensen in een toestand van dreigend gevaar informatie nodig hebben over hoe ernstig het gevaar is en over hoe belangrijk hun eigen bijdrage is aan het afwenden van het gevaar.

Als het gevaar ernstig is, dan is het belangrijk dat mensen daar ook van doordrongen raken. Ze moeten gaan inzien dat de gevaren zo ernstig en urgent zijn dat de dagelijkse gang van zaken en de dagelijkse routine niet zomaar doorgang kan vinden. Dat is belangrijk omdat mensen hechten aan wat als vertrouwd en daardoor als veilig wordt beschouwd

In de eerste golf van besmettingen waren het de berichten over de snel oplopende ziekenhuisopnames en sterftecijfers die "als vanzelf" zorgden voor het ontstaan van het besef dat de gevaren groot waren. Het bleek te gaan om zaken van leven en dood. De cijfers en de media deden hun werk 

Dat maakte dat de overheid het in zekere zin gemakkelijk had. Er moesten diep ingrijpende maatregelen genomen worden, aanvankelijk nog beperkt tot adviezen vaker handen te wassen en geen hand te geven, maar al snel opgeschaald tot afstand houden, thuiswerken en een complete lockdown

Maatregelen die economische gevolgen hadden, waardoor de overheid diep in de buidel moest tasten om mensen en bedrijven voor inkomensverlies te compenseren en om zo de economie zoveel mogelijk aan de praat te houden. Terwijl eerder nog de "bezuinigingszeepbel" heerste en het kwaad van te grote overheidstekorten breed werd uitgemeten, kon dat alles nu zonder problemen aan de kant worden geschoven. Het huishoudboekjesdenken waar de politiek zo lang door was bevangen en dat aan de kiezers als hoogste economische wijsheid was voorgehouden, moest en kon zonder enige tegenspraak worden verlaten. De corona-crisis leerde een les over de rol van geld en van de overheidsbegroting.

Niet alleen was er het inzicht in de ernst van de gevaren, ook was het mensen duidelijk wat het belang was van wat ze met het eigen gedrag konden bijdragen. Door zoveel mogelijk thuis te blijven en door afstand te houden verkleinde je de kans zelf besmet te raken, maar ook de kans anderen te besmetten. Dat laatste maakt je eigen gedrag tot een morele kwestie. Het je aan de regels houden werd daarmee een geval van pro-sociaal gedrag. Je doet het immers niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen. De morele intuïties van het gemeenschapsgedrag kwamen in werking.

En dan komt het sociaalwetenschappelijke inzicht binnen dat mensen zich gemakkelijker pro-sociaal gedragen hoe meer ze zien dat anderen dat ook doen. Pro-sociaal gedrag lokt pro-sociaal gedrag uit.  En in die eerste golf waren er maar weinig of zelfs geen berichten dat anderen zich weinig van de regels aantrokken. Wat waarschijnlijk sterk heeft bijgedragen aan het naleven van de regels.

Samengevat, dat de eerste golf besmettingen vrij snel werd ingedamd, kan er dus uit worden verklaard dat mensen de ernst van het gevaar inzagen en dat ze erop konden vertrouwen dat ook anderen zich aan de regels hielden.

Met precies dezelfde inzichten kan dan ook worden verklaard hoe de tweede golf kon ontstaan. Er kwamen allerlei berichten in de media die twijfel zaaiden over de ernst van de gevaren en over het belang van de eigen bijdrage. In juli stopten Rutte en De Jonge met hun persconferenties en gingen ze op vakantie. Daarmee de indruk wekkend dat de problemen achter de rug waren. Er circuleerden berichten dat het coronavirus vergelijkbaar zou zijn met een griepje en dat eigenlijk alleen kwetsbare ouderen erdoor getroffen worden. En berichten over de negatieve effecten van de genomen maatregelen. Mensen die zich door die maatregelen in hun vrijheid beknot voelden, kregen gretig gehoor in de media. Denk aan de talkshows, waarvan je soms denkt dat hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel minder zwaar weegt dan het belang van de kijkcijfers.

Daardoor waren er meer overtredingen van de regels. Die natuurlijk "nieuwswaardiger" zijn dan al die gevallen waarin mensen zich wel aan de regels houden. Die scheve verdeling van de inhoud van het nieuws maakte dat meer mensen de indruk kregen dat steeds minder anderen de regels naleefden, waardoor ze dat dus ook zelf minder gingen doen. Waarbij natuurlijk niet hielp dat uitgerekend de minister van Justitie, Ferdinand Grapperhaus, zich niet aan de regels bleek te hebben gehouden. Dat had door zijn aftreden kunnen worden gerepareerd, maar daar werd niet voor gekozen.

Ook hielp het niet dat de overheid, dus minister De Jonge, het testbeleid en het bron- en contactonderzoek niet van de grond kreeg. Het had, ook om de ernst van de gevaren te blijven benadrukken, geweldig geholpen als zichtbaar en snel de benodigde middelen en menskracht waren ingezet. Juist door dat na te laten, kon de indruk ontstaan dat de problemen misschien wel achter de rug waren. Wat hier misging zou nog eens grondig moeten worden uitgezocht.

Kortom, het gedrag van burgers zowel tijdens de eerste als de tweede golf van besmettingen lijkt behoorlijk goed met sociaalwetenschappelijke inzichten te kunnen worden verklaard.

Voor het overheidsbeleid zou daaruit volgen dat het belangrijk is om te blijven hameren op de ernst van de gevaren en op het belang van ieders bijdrage. Berichten die daartegen in gaan, horen duidelijk te worden weersproken. Tegenover berichten over het niet naleven van de regels door sommigen, horen te berichten te staan over het wel naleven van de meesten. Omdat het naleven van de regels ook een morele kwestie is, horen oproepen tot goed gedrag ook een morele lading te hebben. 

En uiteraard hoort een minister die geen goed gedrag vertoont, af te treden. Ook zonder hem die overtreding persoonlijk zo sterk aan te rekenen, had het aftreden van Grapperhaus veel kunnen bijdragen aan de indruk van het grote belang van die regels.

zondag 11 oktober 2020

Zondagochtendmuziek - ON THE SUNNY SIDE OF THE STREET - Bar Colombia, Sant Andreu, Joan Chamor...

Nog mooier dan muziek in de concertzaal is muziek op straat! 

Dit was ruim een jaar geleden in Barcelona. On the sunny side of the street. Om even terug te denken aan Louis Armstrong. En om vrolijk van te worden.

zaterdag 10 oktober 2020

Hoe zijn we hier terechtgekomen? De begintoestand: "De gemeenschap, georganiseerd in den Staat..." (13 april 1943)

 Van de twee vragen uit het vorige bericht:

  • hoe zijn we hier terecht gekomen?
  • nu de overheid terug is, kun je dan als toegepaste sociale wetenschap (sociologie, economie) morele oordelen buiten de deur blijven houden?
kun je de tweede beter begrijpen en dus beantwoorden als het antwoord op de eerste bekend is. 

Als achtergrond van dat antwoord kan de reeks berichten dienen over de mensheidsgeschiedenis-in-drie-stappen. Maar voor het antwoord zelf kunnen we teruggaan naar het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Want toen begon de opbouw van de verzorgingsstaat. De plannen daarvoor werden al ontwikkeld tijdens de oorlog in Londen door de Commissie-Van Rhijn, met als voorbeeld het Engelse Beveridge-rapport. In het Rapport-Van Rhijn wordt de rechtsgrond voor de verzorgingsstaat omschreven als:

De gemeenschap, georganiseerd in den Staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde, dat alle leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen. (Geciteerd uit Ton Kappelhof, 'Omdat het historisch gegroeid is.' De Londense Commissie-Van Rhijn en de ontwikkeling van de sociale verzekeringen in Nederland (1937-1952.)

Die zin is nog vaak aangehaald, maar vaak zonder de portee ervan volledig te onderkennen. Want wat wordt daar in de eerste zes woorden eigenlijk gezegd? Dat er voorafgaand aan de staat al iets bestaat, dat met het woord gemeenschap wordt aangeduid. 

Waarmee kennelijk bedoeld is dat die leden die zich in de staat organiseren niet een losse verzameling individuen is, die nog niets met elkaar te maken hebben, maar die al in een gemeenschap met elkaar verbonden zijn. En dat kan niet anders betekenen dan dat ze over en weer morele aanspraken en verplichtingen erkennen. Geheel volgens de morele gemeenschapsintuïties van zorg voor elkaar, eerlijk delen en vrijheid van onderdrukking, die tot het menselijke gemeenschapspatroon behoren.

Dat is om over na te denken. De verzorgingsstaat, en de democratie die er onlosmakelijk mee verbonden is, vormen de institutionele vormgeving van bestaande morele intuïties. Die nu eenmaal nodig is omdat we niet meer in het kleine verband van de jagers-verzamelaarsgroep leven. Om toch recht te kunnen blijven doen aan wat die intuïties ons influisteren, moeten we ons organiseren in de democratische verzorgingsstaat.

Het is veelzeggend dat de breed samengestelde Commissie-Van Rhijn het er in zijn eerste vergadering op 13 april 1943 over die rechtsgrond snel eens was. Kappelhof daarover (p. 85):

Iedereen kon zich met deze formulering verenigen en op een onbetekenende wijziging na kwam deze ook in het eindrapport van de commissie te staan.

Dat was de begintoestand. In 1943. En in 1945, toen na de bevrijding het rapport van de commissie verscheen. 

Maar wat gebeurde er daarna? En hoe zijn we terechtgekomen waar we nu zijn, in 2020, nu we inzien dat de overheid terug is? Wordt vervolgd. Hier het vervolgbericht.

donderdag 8 oktober 2020

De overheid is terug. Het vak economie kan niet meer terugvallen op "de markt doet het wel". En de sociologie moet haar maatschappelijke opdracht nu toch echt serieus nemen.

Update. Dat de overheid terug is, dat valt zacht gezegd ook wel op te maken uit het interview dat Marieke Stellinga vandaag had met de directeuren van de drie grote planbureaus, Pieter Hasekamp van het CPB, Kim Putters van het SCP en Hans Mommaas van het PBL: Planbureaus aan kabinet: ‘alleen de coronabrand blussen is niet genoeg’. Citaat:

Al die miljarden die het kabinet uitgeeft, moeten óók worden gebruikt om al langer bestaande problemen op te lossen, zoals de groeiende sociale kloof in Nederland en de klimaatverandering.

En:

Putters heeft een hartenkreet bij de belofte van het kabinet om ons ‘uit de crisis te investeren’: „De politiek heeft de mond vol van sociale cohesie: we moeten in deze crisis voor elkaar zorgen, luidt het morele appèl. Maar daar kan de overheid óók in investeren. In mantelzorg, gezondheidszorg en onderwijs. Dit kabinet heeft ook de ambitie scheidslijnen te doen vervagen. Dan is het een ongelooflijke gemiste kans al die miljarden die je nu uitgeeft niet ook daarop te richten.”
 

Nu het neoliberale tijdperk, dat van het aandeelhouderskapitalisme, op zijn einde loopt, en het inzicht doorbreekt dat "de overheid terug is", dringen zich in ieder geval twee vragen op:

  • hoe zijn we hier terecht gekomen?
  • nu de overheid terug is, kun je dan als toegepaste sociale wetenschap (sociologie, economie) morele oordelen buiten de deur blijven houden?
Die tweede vraag kwam aan de orde in het bericht met precies die titel. Daarin ging het erom dat de fraude en misleiding waarmee de extreme vermogensopbouw van dat aandeelhouderskapitalisme tot stand kwam, weliswaar moreel veroordeeld mag worden, maar dat die morele veroordeling niet tot de economische analyse behoort. 

Dat als toegepaste wetenschap buiten de deur houden van morele oordelen is een gebruikelijke gang van zaken, we weten niet beter, maar is dat nu in 2020, nu de overheid terug is, nog wel vol te houden? Zijn we eigenlijk al tientallen jaren op de verkeerde weg en wordt het hoog tijd om op onze schreden terug te keren? Vandaar dus die eerste vraag: hoe zijn we hier terechtgekomen?

Ik verwees in dat vorige bericht al naar mijn reeks berichten over hoe de sociologie een maatschappelijk belangrijker vak kan worden. Met een link naar het begin van die reeks. Want daarin ontwikkelde ik een empirisch onderbouwd normatief kader voor een toegepaste sociologie. Op de basis van empirische inzichten in wat mensen kunnen en willen, vallen twee maatschappelijke evenwichtstoestanden te onderscheiden, het gemeenschapsevenwicht en het statuscompetitie-evenwicht, waarvan eveneens op de basis van empirische inzichten het gemeenschapsevenwicht naar menselijk welzijn de voorkeur verdient. 

En daarmee ook in moreel opzicht valt te prefereren. Want onze morele intuïties zijn die van het gemeenschapspatroon: rekening houden met anderen, zowel in de zin van anderen geen leed willen toebrengen als in de zin van anderen accepteren, goedgezind zijn en bijstaan en ondersteunen. In termen van "goed" en "kwaad" is het gemeenschapsevenwicht duidelijk goed en het statuscompetitie-evenwicht duidelijk kwaad. Dat een toestand die mensen meer welzijn, ja, zelfs gezondheid, verschaft, ook moreel als beter wordt beoordeeld, is natuurlijk geen verrassing.

Dat overwegende kun je je afvragen hoe het kan dat het gebruikelijk is om in vakken als sociologie en economie morele oordelen buiten de deur te houden. Kan het te maken hebben met hoe het vak economie zich na de opbouw van de verzorgingsstaat heeft ontwikkeld? Dus met de neoliberale opvatting dat al het wenselijke kan worden verkregen door zoveel mogelijk gebruik te maken van het marktmechanisme? De markt als oplossing voor alle kwalen? Zodat je niet meer hoefde na te denken over wat mensen nu eigenlijk willen en kunnen?

Als dat zo zou zijn, en later daarover meer, dan is het niet verrassend dat vragen naar wat mensen echt willen (welzijn, sociale welvaart, brede welvaart) en kunnen weer de kop opsteken, nu de overheid terug is. Want de democratische overheid, dat zijn wij met zijn allen. Dan moeten we dus ook met zijn allen beslissen over wat goed voor ons is. Wat het juiste beleid is, ook in moreel opzicht. Dat valt immers niet meer "uit te besteden" aan de markt.

En dat is natuurlijk de grote uitdaging voor elke toegepaste sociale wetenschap, dus voor het vak economie en voor een maatschappelijk belangrijk vak sociologie. De economie kan niet meer terugvallen op "de markt doet het wel". En de sociologie moet haar maatschappelijke opdracht nu toch echt serieus nemen.

Wordt vervolgd.

dinsdag 6 oktober 2020

Over de eercultuur (statuscompetitie-evenwicht) en de cultuur van de menselijke waardigheid (gemeenschapsevenwicht) - En over de Republikeinen en de Democraten

Mensen hebben zich in hun evolutie zo ontwikkeld dat ze over een flexibele sociale natuur beschikken. Die flexibiliteit maakt dat ze adequaat kunnen reageren op verschillen in hun sociale omgeving. Als die sociale omgeving veilig is, als ze op de goedgezindheid van anderen kunnen vertrouwen, wordt hun gemeenschapspatroon getriggerd. Maar als de sociale omgeving vijandig is of zou kunnen zijn, dan komt hun statuscompetitiepatroon in werking.

Zoals we zagen, betekent dit dat er in elke menselijke samenleving twee sociale evenwichten mogelijk zijn, evenwichten in de zin van stabiele toestanden. In het gemeenschapsevenwicht verschaffen mensen elkaar de sociale veiligheid die het gemeenschapspatroon uitlokt. En daartegenover, in het statuscompetitie-evenwicht bestaat er de sociale onveiligheid die iedereen aanzet tot statuscompetitiegedrag. 

Ook zagen we dat het gemeenschapsevenwicht valt te prefereren boven het statuscompetitie-evenwicht. Maar dan gaat het om een globale beoordeling. Voor iedereen individueel hangt het geprefereerde gedrag af van de aard van de sociale omgeving. Als die sociaal veilig is, dus als het gemeenschapsgedrag overheerst, doet het individu graag met dat gedrag mee. Maar als het statuscompetitiegedrag overheerst, dan is het maar beter om je daar bij aan te passen. 

Als je het inzicht van het kunnen bestaan van die twee aan elkaar tegengestelde evenwichten al in het sociaalwetenschappelijk onderzoek tegenkomt, dan is het meestal zonder die evolutionaire achtergrond en in andere bewoordingen. Voor het idee van een sociaal evenwicht wordt dan de term cultuur gebruikt. Dit gebeurt in het onderzoek naar de eercultuur (culture of honor), waarin het gaat om het statuscompetitie-evenwicht. En waarin het gemeenschapsevenwicht wordt aangeduid als de cultuur van de menselijke waardigheid (culture of dignity). 

Neem de pas verschenen studie Implications of culture of honor theory and research for practitioners and prevention researchers. De onderzoekers beschrijven de eercultuur als een toestand waarin je gevoel van zelfwaardering afhankelijk is van hoe anderen over jou denken, in het bijzonder van het ontzag dat anderen voor jou hebben. Je zult er dus altijd op uit zijn om je reputatie, je eer, te verdedigen. Je moet altijd krachtig overkomen en nooit de indruk wekken dat je afhankelijk bent van anderen. Maar omdat dat voor anderen ook geldt, ontwikkelt zich dus een statuswedloop. Als anderen krachtig overkomen, moet jij daar weer over heen gaan. Zie ook het eerdere bericht Statuscompetitie en de eercultuur (culture of honor), met daarin de lijst van zestien stellingen waarmee onderzoekers vaststellen in hoeverre iemand die eercultuur aanhangt. Waaruit ook het verband met "mannelijkheid" (machismo) naar voren komt ("A real man can always take care of himself", "A real man will never back down from a fight", "A real man never leaves a score unsettled").

Dat die eercultuur inderdaad een clustering is van statuscompetitiegedrag blijkt er uit dat hij geografisch kan worden gelokaliseerd. In de Verenigde Staten bestaat hij in de zuidelijke staten en in de Mountain West (Arizona, Colorado, Idaho, Montana, Nevada, New Mexico, Utah en Wyoming). De oorsprong er van wordt ermee in verband gebracht dat de eerste Europese immigranten (Engelsen, Duitsers, Nederlanders) overwegend veehouders waren en zichzelf en hun vee moesten beschermen, ook al doordat centrale wetshandhaving en andere overheidsvoorzieningen nog nauwelijks bestonden. Er was een toestand van sociale onveiligheid. Die zichzelf reproduceert en versterkt doordat hij statuscompetitiegedrag aanwakkert.

In de overige staten en in Noord- en West-Europa tref je meer de clustering aan van de cultuur van de menselijke waardigheid. Zelfwaardering wordt daarin meer bepaald door het besef van een inherente menselijke waardigheid, die je dus hebt los van hoe anderen over je oordelen en die je dus ook niet door anderen kan worden ontnomen. Zoals dat dus wel het geval is met eer, reputatie en status. Omdat ieders waardigheid verzekerd is, bij wijze van onderlinge "afspraak", kan er daarover dus ook geen competitie ontstaan. Iedereen "mag er zijn", om het maar eigentijds uit te drukken. Als dat zo is, dan is er ook de steun voor overheidsvoorzieningen die voor iedereen beschikbaar zijn, dus voor de verzorgingsstaat. Dat bij elkaar genomen maakt dat er een toestand heerst van sociale veiligheid, die in een feedbackloop weer het gemeenschapsgedrag aanwakkert.

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar die eercultuur en de cultuur van de menselijke waardigheid wordt eigenlijk als vanzelfsprekend aangenomen wat ik hier en hier empirisch onderbouwde, namelijk dat de cultuur van de menselijke waardigheid valt te prefereren boven de eercultuur. Er zijn omstandigheden waaronder die eercultuur ontstaat en zich handhaaft, maar dat valt te betreuren en het zou beter zijn die omstandigheden weg te nemen. Zoals door de opbouw van een verzorgingsstaat. Zie Een maatschappelijk belangrijker vak sociologie had kunnen optreden als verdediger van de verzorgingsstaat

In het artikel dat ik hierboven noemde, gaan de onderzoekers specifiek in op drie negatieve elementen van de eercultuur: geweld tegen vrouwen, geweld in scholen en het meer voorkomen van psychische aandoeningen gecombineerd met terughoudendheid in het zoeken van hulp (en het daardoor meer voorkomen van suïcide).

In de actualiteit van de Amerikaanse politiek zien we zich een strijd afspelen tussen de aanhangers van de eercultuur, de Republikeinen, en de aanhangers van de cultuur van de menselijke waardigheid, de Democraten. Waarbij inderdaad de Republikeinen de verzorgingsstaat zoveel mogelijk willen afbreken en de Democraten die juist willen uitbreiden. Dat de eercultuur te prefereren valt, blijkt er uit dat de Amerikanen overwegend aanhangers zijn van de verzorgingsstaat. En blijkt er uit dat de Republikeinen inzien dat ze in de minderheid zijn en alleen door het opzij zetten van de democratie aan de macht kunnen blijven.