We naderen 4 mei, de dag van de Nationale Herdenking van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Een goede aanleiding om alles wat ik in de loop van de tijd schreef onder de titel Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting onder elkaar te zetten, om zo de overzichtelijkheid te vergroten.
Twee fundamentele sociaalwetenschappelijke vragen zijn: (1) Hoe komen mensen ertoe om anderen te willen onderdrukken en overheersen? en (2) Hoe reageren mensen op pogingen om hen te onderdrukken en overheersen? Het onderzoek naar hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting levert belangrijk materiaal op voor de beantwoording van die tweede vraag.
Wat volgt is langer dan wat je hier gewend bent. Maar ik denk dat het belang van het onderwerp dat rechtvaardigt. Het gaat in totaal om 22 berichten.
Als je sociale wetenschap beoefent, dan is het onvermijdelijk, ja,
zelfs wenselijk, dat je sociaalwetenschappelijke inzichten en je eigen
persoonlijke ervaringen en geschiedenis met elkaar in verband brengt.
Wat die persoonlijke geschiedenis betreft, denk ik in deze tijd van
het jaar vaak terug aan wat misschien mijn vroegste herinnering is. Een
herinnering aan een gebeurtenis aan het eind van mijn tweede levensjaar,
ik werd geboren op 3 juni 1943, die enkele weken voor de Bevrijding van
de Duitse Bezetting plaats vond. Die had er mee te maken dat mijn vader
(Hendrik de Vos, 1907 - 1998) bij het Verzet betrokken was geraakt en
dat er een deel van de in december 1944 door de Engelsen ten behoeve van
het Verzet gedropte wapens bij ons in de bijkeuken verborgen lag. Over
hoe die daar waarschijnlijk terecht kwamen schreef ik op Toegepaste Sociale Wetenschap een reeks berichten die begon op 4 mei 2021 met Het is vandaag 4 mei. Over een vroege herinnering en de wapens bij ons in de bijkeuken.
Als je opgroeit ben je geneigd om alles wat je aantreft als
"normaal' te beschouwen. Je hebt immers nog geen vergelijkingsmateriaal.
Dat betekent dat je pas veel later, bij het ouder worden, oog krijgt
voor hoe die vroege ervaringen je denken en je kijk op de wereld hebben
beïnvloed. Die vroege ervaringen slaan ook op de jaren na de Bevrijding,
toen ik de toen heersende sfeer in me opnam. Er waren vreselijke dingen
gebeurd, maar dat was nu achter de rug en we zouden er met zijn allen
voor zorgen dat zoiets nooit meer zou kunnen gebeuren. Er waren lessen
geleerd. Er zijn kwade krachten, maar die kunnen door het goede worden
overwonnen en onderdrukt. En dat zal ook gebeuren.
Met die instelling ging ik in 1965 in Groningen sociologie studeren.
Ik had een bepaald beeld van het vak, namelijk dat het zou bijdragen
aan een "goede" maatschappij, die tegemoetkomt aan de behoeften van
mensen. Bij mijn afscheid van de vakgroep Sociologie in 2010 sprak ik
daarover: Om mens en menselijkheid - Over sociologie.
Maar ik kwam in een heel ander vak terecht, waarin ik natuurlijk,
wederom bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal, flink werd meegezogen.
Pas gaandeweg en heel veel later ontstond er de ruimte om weer terug te
keren naar die gedachte van een goede maatschappij. En dus naar een
sociologie die ertoe doet, die inzichten verschaft in de krachten van
het goede en de krachten van het kwade. Ik schreef daarover in 2020 in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.
Diezelfde ruimte was er ook om weer stil te staan bij die vroege
ervaringen. En dus bij de vraag of die vreselijke dingen die er gebeurd
waren, ook inderdaad nooit meer zouden gebeuren. Wat zou daar
sociaalwetenschappelijk over kunnen worden gezegd? Dus ging ik het
onderzoek volgen naar hoe het rechts-extremistische, statuscompetitieve
wereldbeeld (het kwaad) weer opnieuw de kop kon opsteken. Zie een van de
vorige edities van deze Nieuwsbrief: De AIVD waarschuwt voor de gevaren van rechts-extremisme. Maar waardoor is dat rechts-extremisme toch zo toegenomen?
En ik ging me afvragen onder welke voorwaarden de goede krachten,
die van het gemeenschapspatroon, sterk genoeg zijn om zich tegen dat
rechts-extremisme te weer te stellen. Wat doet een bevolking als
rechts-extremisten de de democratie omver willen werpen en de macht
proberen te grijpen en overal vijanden zien die onderdrukt of zelfs
"geëlimineerd" moeten worden? Of als die rechts-extremisten een ander
land binnenvallen en aan zich willen onderwerpen?
Dat zijn heel algemene vragen, maar ik dacht in het bijzonder aan
het heel specifieke geval van hoe de Nederlandse bevolking reageerde op
de Duitse bezetting, de onderdrukking en de Jodenvervolging. Daarover
begon ik op 16 augustus vorig jaar een reeks berichten, op zoek naar een
antwoord. Dat heb ik nog niet gevonden en misschien vindt ik dat nooit.
Maar lees hieronder het resultaat tot nu toe. Een long read, met de nodige aanpassingen, weglatingen en toevoegingen.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 1 -
Het algemene beeld van de Bezetting is dat er zich in ons land een
verzetsbeweging ontwikkelde, maar hoe groot was die? Bij het NIOD kom je
de schatting tegen van 45.000 personen die in georganiseerd verband
verzet pleegden. Dat getal tref je ook aan bij Shirley Haasnoot en Bas
Kromhout (10 grote Nederlandse verzetshelden),
die eraan toevoegen dat die door honderdduizenden anderen gesteund en
geholpen werden. Dat verzet riskant was, blijkt er uit dat er aan het
eind van de oorlog van die 45.000 nog zo'n 35.000 in leven waren.
Tijdens de oorlogsjaren werden zo'n 20.000 mensen wegens verzetsdaden
opgepakt. Er bestaat ook een schatting
dat zo'n vijf procent van de bevolking (van 9 miljoen) actief was in
het verzet, waartegenover er ook zo'n vijf procent actief meewerkten,
collaboreerden, met de Duitsers. De rest "was niet ‘fout’ maar steunde
ook geen verzet of vervolgden en ging zo goed en zo kwaad als dat ging
door met het dagelijkse leven."
De bezetting door de Duitsers was een overname van het gezag van een
soevereine staat en dus een geval van onderdrukking en overheersing van
de bevolking van die staat. Hij kwam voort uit het extreem
statuscompetitieve wereldbeeld van het Hitler-bewind,
waarin Duitsland door oorlog andere landen aan zich diende te
onderwerpen, omdat vermeende vijanden, het "internationale Jodendom"
voorop, dienden te worden geëlimineerd. Eenzelfde wereldbeeld zien we
nu, in 2022, weer om zich heen grijpen, met allerlei idiote samenzweringstheorieën, maar dat terzijde.
Even afgezien van die vijf procent die met de Duitsers
collaboreerden, en die de bezetting dus niet als overheersing en
onderdrukking ervoeren, welke reacties konden er sociaalwetenschappelijk
gezien van Nederlanders worden verwacht? Heel algemeen geformuleerd,
vallen er drie reactiemogelijkheden op bedreigingen te onderscheiden,
die van het vechten of vluchten (beide mobilisatie met angst) en die van
de immobilisatie en terugtrekking (immobilisatie met angst). Denk aan
de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges, die helder wordt beschreven
door Stanley Rosenberg in in De nervus vagus als bron van herstel. Zie ook hoofdstuk 2 (Body-Brain Connections) van The Body Keeps the Score van Bessel van der Kolk (Nederlandse vertaling: Traumasporen).
Weer heel algemeen geformuleerd, konden Nederlanders er dus na de
Duitse inval en gedurende de bezetting voor "kiezen" om te vechten, dus
actief verzet te plegen, te vluchten, zoals naar Engeland, zoals velen
in mei 1940 deden of dat probeerden, of zich terug te trekken. Er waren
er ook honderden die zichzelf om het leven brachten (zie De zelfmoordgolf van mei 1940). Eerlijk gezegd weet ik niet of je dat als ultieme vlucht moet zien of als ultieme terugtrekking.
Van dat vluchten afgezien, was er dus een kleine minderheid die er
vroeger of laten voor koos om te vechten. Dus om actief verzet te
plegen. En een grote meerderheid die daar niet voor koos, oftewel om dat
ze zich terugtrokken, oftewel om andere redenen. Want er zullen
misschien veel meer zijn geweest van degenen die zo goed en zo kwaad
mogelijk doorgingen met hun dagelijks leven, die wel mee hadden willen
doen met het verzet als ze maar de mogelijkheden daartoe hadden gezien.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op
de Duitse Bezetting - 2 - Waardoor mislukte de Februaristaking?
Zonder ook maar iets af te doen aan het belang van het Nederlandse
verzet tegen de Duitse bezetting van 1940 - 1945, kun je je toch
afvragen waardoor dat verzet niet veel massaler was.
Een bezetting door een vreemde mogendheid, dat is toch iets waar je
massaal tegen in opstand komt? Denk even aan het verzet van de
Oekraïense bevolking tegen de invallende Russen. Er gingen filmpjes rond
van Oekraïners die demonstreerden tegen Russische soldaten en hen
uitjouwden. Er waren veel vrijwilligers die zich aanmelden om te
vechten. Daarbij vergeleken liet de Nederlandse bevolking de Duitse
inval gelaten over zich heen komen. Terwijl toch niet meer dan zo'n vijf
procent, van de bevolking sympathiseerde met de Duitsers.
Ook na de inval van mei 1940 nam het verzet, nogmaals, hoe belangrijk en heldhaftig ook, nooit massale vormen aan. De Februaristaking van 24 februari 1941
had daarvan het begin kunnen zijn. Tienduizenden Amsterdammers legden
het werk neer als protest tegen de Jodenvervolging en de verplichte
tewerkstelling in Duitsland. Het verzet breidde zich uit naar Hilversum,
Haarlem en Utrecht. Maar de Duitsers grepen hard in, waarbij doden en
gewonden vielen. Op de Historiekpagina Februaristaking (1941) – Protest tegen de Jodenvervolging wordt gemeld dat de staking na twee dagen werd beëindigd, "ook onder druk van het Amsterdamse gemeentebestuur".
Het is zaak om bij dat laatste verder stil te staan. Want dat die
Februaristaking toch helaas al vrij snel in elkaar zakte, zal ermee te
maken hebben gehad dat het een spontane actie was, zonder centrale
inspiratie en coördinatie. Waarbij je natuurlijk ook meteen bedenkt dat
onderlinge communicatie, zonder internet en sociale media (zoals in
Oekraïne nu), uiterst moeilijk was. En juist bij een spontane
collectieve actie, met een potentieel grote steun, is het van cruciaal
belang dat iedereen geïnformeerd raakt over die grote actiebereidheid
van anderen. Als daar onzekerheid over is, dan wordt de kans op succes
al gauw veel kleiner.
In termen van de Dual Mode-theorie
gesteld, valt het meedoen aan het verzet, hier het meedoen aan die
staking, te zien als een vorm van gemeenschapsgedrag. We zijn met zijn
allen, in het bijzonder onze Joodse landgenoten, slachtoffer van
overheersing en onderdrukking. Onze morele gemeenschapsintuïties
vertellen ons dat we daartegen in opstand moeten komen. Dat doen we voor
onszelf, maar juist ook voor elkaar. En in het bijzonder voor degenen
die het meest gevaar lopen.
Maar voor iedereen individueel geldt dat het van groot belang is om
te weten hoeveel anderen er net zo over denken en bereid zijn om actie
te ondernemen. In plaats van zich bij de onderdrukking neer te leggen en
de ogenschijnlijke veiligheid van berusting en terugtrekking te zoeken.
Als inderdaad velen actiebereid zijn, en hun gemeenschapsintuïties
willen volgen, dan moet de informatie daarover zich over iedereen
verspreiden. Waarna, Stelling 2 van de Dual Mode-theorie, de kans op een geslaagde collectieve actie snel toeneemt.
Het kan dus zo geweest zijn dat het snel verzanden en mislukken van
de Februaristaking er een gevolg van is geweest dat de informatie over
de grote actiebereidheid zich niet goed kon verspreiden. Waarbij ook de
afhoudende rol van het Amsterdamse gemeentebestuur van belang kan zijn
geweest. Als dat gemeentebestuur, en andere overheidsdienaren, meer hun
nek hadden uitgestoken, en als het nieuws daarover zich had kunnen
verspreiden, dan had dat ook iets verteld over de onderliggende
actiebereidheid.
In dat verband is de vergelijking met Denemarken interessant. Denk aan het bericht Over hoe het kon dat zoveel joodse Nederlanders in 40 - 45 werden gedeporteerd en vermoord.
De Deense regering en het koningshuis bleven na de Duitse inval aan en
accepteerden een "vreedzame bezetting". Daar valt van alles over te
zeggen, maar het had als voordeel dat regering en koning zich nog
enigszins een onafhankelijke rol konden toe-eigenen en dat ook deden.
Zo moet Koning Christiaan X hebben laten weten dat hij zelf ook de
davidsster zou gaan dragen als dat zou worden opgelegd aan zijn joodse
onderdanen. Dergelijke berichten moeten invloed op de Denen hebben gehad
en hen hebben geholpen bij het bepalen van wat het juiste gedrag was.
Ook al omdat mensen van elkaar wisten dat ze van die berichten op de
hoogte waren. Het kan een element zijn geweest dat er voor gezorgd heeft
dat de Deense bevolking wel, en de Nederlandse bevolking niet, met
zoveel succes hun Joodse landgenoten hebben gered.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op
de Duitse Bezetting - 3 - De bereidheid tot verzet was waarschijnlijk
veel groter, maar genoeg vertrouwen in de bereidheid van anderen,
ontbrak
Nog lang na de Tweede Wereldoorlog, en na de Holocaust van het
Hitlerbewind, leek het vanzelfsprekend dat bedreigingen van de
democratie vanuit rechts-extremistische hoek tot het verleden zouden
behoren. De gedachte was dat de mensheid belangrijke lessen had geleerd.
Maar het eerste kwart van de eenentwintigste eeuw leert ons hoe
naïef die hoop was. Het statuscompetitieve, rechts-extremistische
wereldbeeld is weer helemaal terug en is in tal van landen een groot
gevaar voor de democratie. De actuele vraag is of de verdediging van de
democratie op tijd zal komen.
Of dat we eerst weer een periode moeten doormaken waarin de kwade kant
van de menselijke sociale natuur ruim baan krijgt. Met daarbij meteen de
vraag of de door ons veroorzaakte klimaatverandering ons daarvoor wel
voldoende tijd zal gunnen.
Wat kunnen we in dat verband van de gebeurtenissen uit het verleden
leren? Zoals van de gebeurtenissen in het door het extreemrechtse
Hitlerbewind bezette Nederland van 1940 tot 1945. Waardoor was het
verzet van Nederlanders tegen die bezetting en onderdrukking niet veel
massaler? Was er een massaler verzet mogelijk geweest?
In de sociale wetenschap is een bepaalde benadering van zo'n
probleem van collectieve actie gangbaar, namelijk die van de door het
economisch denken geïnspireerde rationele keuzetheorie.
Aanhangers van die theorie, als ze nog bestaan, vatten problemen van
collectieve actie op als meerpersoonsgevangenendilemma's, dat wil zeggen
als sociale situaties waarin het weliswaar voor iedereen beter zou zijn
om met zijn allen bij te dragen aan de collectieve actie, maar waarin
het voor iedereen individueel beter is om dat niet te doen. Zie voor
uitleg de wikipediapagina.
De voorspelling van de rationele keuzetheorie is dan ook dat in zulk
soort sociale situaties collectieve actie niet tot stand komt. Nederland
in 1940-1945 zou dus dichter in de buurt komen van die voorspelling dan
Denemarken in 1940-1945.
Over de waarde van die rationele keuzebenadering ontstonden al snel
twijfels. Op dit blog stond ik in 2012 stil bij het in 1970 verschenen
artikel Social interaction basis of cooperators' and competitors' beliefs about others van de sociaal-psychologen H.H. Kelley en A.J. Stahelski. Zie Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen.
Uit dat onderzoek bleek dat een grote groep mensen in een situatie
van collectieve actie erop uit is om met anderen samen te werken. Maar
tegelijk met de mogelijkheid rekening houdt dat er anderen kunnen zijn
die daar niet op uit zijn. Afhankelijk van hun inschatting of waarneming
hoeveel anderen ook op samenwerking uit zijn, zullen ze er voor kiezen
om samen te werken. Hoe meer anderen samenwerken, hoe groter hun
bereidheid om dat ook te doen. Hoe minder, hoe kleiner hun bereidheid.
Daarnaast was er een kleinere groep die ervan uitging dat anderen
nooit zullen samenwerken en die dat dus ook zelf niet deden.
Van beide groepen kun je zeggen dat ze zich gedroegen volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie.
Samenwerken is een vorm van gemeenschapsgedrag en volgens die stelling
vertonen mensen meer gemeenschapsgedrag hoe meer anderen dat ook doen.
Dat is het gedrag van de eerste, grotere, groep. Daarentegen keek de
tweede, kleinere, groep met een statuscompetitieve blik naar de sociale
wereld, waardoor ze ook zelf kozen voor competitie in plaats van
samenwerking. Geheel in overeenstemming met Stelling 2. Zoals ik in dat
bericht uit 2012 al opmerkte, luidde dat artikel van Kelley en Stahelski
indertijd voor mij het einde van de rationele keuzetheorie in. Waar
vele jaren later de Dual Mode-theorie voor in de plaats kwam.
Toegepast op de situatie waarin Nederlanders zich bevonden gedurende
de Duitse bezetting van 1940-1945, kun je dus als verklaring voor het
beperkte karakter van het verzet aanvoeren dat misschien veel meer
Nederlanders tot verzet bereid waren, maar er te weinig op vertrouwden
dat anderen dat ook waren. Ze kregen te weinig signalen van die
bereidheid. Bedenk wederom dat er geen internet en sociale media waren.
Alle informatie moest komen van horen zeggen. En er was niet meer, zoals
in Denemarken wel, een nog enigszins onafhankelijke overheid die zich
tot woordvoerder van die grote bereidheid kon opwerpen.
Dus mislukte de Februaristaking. Dus was er geen massale opstand
tegen de Jodenvervolging. Dus ging voor de niet-Joodse Nederlanders het
gewone leven door terwijl hun Joodse landgenoten zich moesten laten
registreren en de door henzelf betaalde en door een Nederlandse fabriek
vervaardigde Jodenster moesten dragen. En stapsgewijs van het publieke
leven werden uitgesloten. En uiteindelijk per trein, met Nederlands
personeel, naar Westerbork en verder werden afgevoerd.
Dat kon allemaal gebeuren. Driekwart van de Nederlandse Joden werd door het Hitler-bewind vermoord. Door het ontbreken van massaal verzet, werd de Holocaust helaas maar weinig in de weg gelegd.
Nogmaals, natuurlijk met erkenning van en waardering voor wat er wel
aan verzet was. Maar navrant is het wel dat de bereidheid tot verzet
waarschijnlijk veel groter was, maar dat een belangrijke voorwaarde daar
voor, genoeg vertrouwen in de bereidheid van anderen, ontbrak.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op
de Duitse Bezetting - 4 - Had het verzet groter kunnen zijn als meer
mensen gevraagd waren om er aan deel te nemen?
Dat er gedurende de Duitse Bezetting van 1940-1945 niet een massaler
verzet was, kan eraan gelegen hebben dat er wel een grote bereidheid
tot deelname aan het verzet was, maar dat er tegelijk onvoldoende zicht
was op de bereidheid van anderen.
Daarbij moeten we bedenken dat verzet allerlei vormen aannam en had
kunnen aannemen. Er was de Februaristaking van 1941, de april-mei
staking van 1943 en de Spoorwegstaking van 1944. Er was het onderbrengen
van en de hulp aan onderduikers, Joodse landgenoten of degenen die zich
aan de verplichte tewerkstelling in Duitsland onttrokken. Dat hield ook
in dat voedselbonnen en persoonsbewijzen werden vervalst en dat
overvallen op bonnenbureaus en bevolkingsregisters werden gepleegd. En
er waren sabotageacties, liquidaties en er was de illegale pers.
Maar dat alles verhinderde dus niet dat driekwart van de Joodse
landgenoten werden weggevoerd en vermoord. Directie en personeel van de
Spoorwegen hadden kunnen weigeren om daaraan mee te werken. Directie en
personeel van het bedrijf dat de Jodensterren vervaardigde, hadden
kunnen weigeren om die opdracht aan te nemen. Politieagenten hadden op
grotere schaal kunnen weigeren om mee te werken aan het oppakken en
deporteren van Joodse landgenoten. Zie de Historiekpagina De Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog.
Dat alles was natuurlijk niet zonder persoonlijke risico's geweest,
maar die waren naar alle waarschijnlijkheid geringer geweest, hoe meer
er aan hadden meegedaan.
Hoe was dat laatste te bereiken geweest? En hoe zou het te bereiken zijn in soortgelijke situaties?
Dat voert me terug op de beslissing van mijn vader, toen hem ergens
in 1943 gevraagd werd om mee te werken aan de hulp aan onderduikers. Zie
Over de voedselvoorziening aan onderduikers tijdens de bezetting (vervolg).
Wat hem gevraagd werd, bracht risico's met zich mee en hij had thuis
vrouw en twee kinderen, mijn vijf jaar oudere broer en ikzelf, geboren
op 3 juni 1943. Hij had tot dan niet aan het verzet deelgenomen. Hij
zocht niet het gevaar en het avontuur. Maar hij moet wel al snel tot de
conclusie zijn gekomen dat hij niet kon weigeren. Hier was een goede
zaak waar hij aan moest bijdragen.
Hoeveel anderen, evenmin op zoek naar gevaar en avontuur, zouden ook
zo hebben beslist, als ze maar gevraagd waren? Gevraagd om niet mee te
werken aan het oppakken van Joodse landgenoten? Gevraagd om te weigeren
de treinen te laten rijden waarmee die werden afgevoerd? Gevraagd om te
weigeren de Jodensterren te vervaardigen? Gevraagd om onderduikers op te
nemen of hen te helpen?
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op
de Duitse Bezetting - 5 - Over hoe het Duitse volk zelf niet in verzet
kwam
Bezetting, terreur en vervolging vormen een bijzonder geval van het
vaker voorkomende verschijnsel van het collectief bedreigd zijn,
waartegen een verdediging mogelijk zou zijn als maar genoeg mensen
daaraan zouden meedoen. En dat laatste is dus vaak niet zo. Hoe komt
dat?
Een ander geval van collectief bedreigd zijn is de situatie waarin
de Duitsers zelf verkeerden gedurende de opkomst van Hitler in de jaren
dertig en na het uitbreken van de oorlog, met de inval in Polen, in
1939. Hoewel de steun voor Hitler opliep, haalde hij bij de laatste
Rijksdagverkiezing voor de machtsovername, op 5 maart 1933, geen
meerderheid. En na de aanvankelijke economische (en militaire) successen
werd het voor de Duitse bevolking al gauw duidelijk dat die succesvolle
economie niet voor hun welzijn bedoeld was, maar voor het voeren van
een roekeloze oorlog die slechts op een ramp kon uitlopen.
Onder die oorlogseconomie en onder die oorlog had ook het Duitse
volk zelf te lijden, dus nog afgezien van het leed dat aan anderen werd
toegebracht. Er was weliswaar enig verzet en er waren een of twee
mislukte aanslagen op Hitler. Maar ook toen de meeste Duitsers al wel
door hadden gekregen dat ze zich door een narcistische fantast hadden
laten begeesteren en dat het niet goed zou aflopen, bleven ze passief en
zelfs apathisch en kwam er geen volksopstand.
Ik bladerde even door The Wages of Destruction
van Adam Tooze. Nadat de militaire successen duidelijk tot het verleden
behoorden en de geallieerde bombardementen op de Duitse steden waren
begonnen, was er van die aanvankelijke begeestering weinig meer over.
Tooze schrijft daarover (p. 602-3):
...the impact of the events of July 1943 (het bombardement op
Hamburg) cannot be exaggerated. Even the most rabid adherents of the
Third Reich could hardly deny that 'the end was nigh'. (...) Not
surprisingly, as the news from Hamburg leaked, the Gestapo picked up
reports of shock and dismay from across the country. (...) The SD noted
that party members were no longer wearing their party badges in public
and people were avoiding the Hitler salute wherever possible. Speer (Albert Speer)
found that even party audiences no longer responded to his boasts about
the triumphs of the armaments miracle. Amongst senior industrial
leaders, the SD reported, there was no longer anyone who believed in the
possibility of a German victory. To admit as much in public, however,
was extremely dangerous.
Dat laatste slaat op de terreur van het bewind tegen de eigen
bevolking. Een onafhankelijke rechtspraak bestond al lang niet meer.
Tooze (p. 603):
The politcization of the judiciary, which had taken on ever more
aggressive forms since the beginning of the war, was intensified. By
1943 the courts were issuing death penalties against Germans for
defeatism and sabotage at the rate of a hundred a week. Even prominent
businessmen were no longer immune. (...) In the autumn of 1943 two
senior branch managers of the Deutsche Bank were arrested and executed
for making defeatist remarks. A designated board member of the
electricity giant RWE suffered the same fate...
Het is natuurlijk moeilijk om nog een goed beeld te krijgen van wat dit voor de Duitse bevolking betekende. Als je The German War. A Nation Under Arms, 1939-1945 van Nicholas Stargardt er op naslaat, dan lees je (p. 373-4):
Most ominously for a Security Service primed to prevent a repeat of
the 1918 revolution, during the course of August 1943 it reported
growing public dissent. When the Lord Mayor of Göttingen boarded a train
from Hamburg, refugees spotted his golden Party badge and told him
quitley that there would be a reckoning. A woman even held her sleeve up
to his nose so that he could smell the stench of the smoke on her
clothes. Party officals were so often abused and threatened in public,
especially in cities which had recently been bombed, that in the late
summer of 1943 many stopped wearing their uniforms and Party badges in
public. (...) In Marburg, Lisa de Boor was thrilled: "'Everywhere in the
streets, in the shops, at the station, people are talking to one
another saying that it can't go on like this.'
Ook lees je daar dat het onder de Duitse bevolking rond ging dat de
bombardementen een wraakactie waren voor wat de Duitsers de Joden hadden
aangedaan (p. 375):
As evacuees from northern and western Germany brought tales of
horror they had endured to the unscathed south and east of the country,
everywhere 'terror bombing' was ascribed to 'the Jewish retaliation'.
Nazi propaganda had played its part in preparing this response by
insisting that the Jewish lobby in London and Washingtom was behind the
bombing in an attempt to exterminate the German nation. But the tenor of
popular reasoning was now different: it was what the Germans had done
to the Jews that had provoked them to use their power to bomb German
cities.
Wat er meteen op wijst dat de bevolking behoorlijk goed op de hoogte was van de massamoord op de Joden. Denk ook aan Peter Longerichs "Davon haben wir nichts gewusst!". Die kennis drong zich nu natuurlijk op, maar dat zette ook nu niet aan tot verzet. Stargardt (p.380):
The regime could demand silence from the German people, but it could
not alter the fact that the shared secret of the murder of the Jews had
been broached openly across Germany and that such talk did not
strenghten support for the regime. But it did not provoke real action
either: dissent never progressed beyond the talk of regime change and a
separate peace.
Het bleef dus bij woorden. De verschrikkingen gingen door. Tot
uiteindelijk die narcistische fantast, waar ze al zo lang op waren
uitgekeken, op 30 april 1945 in zijn Berlijnse bunker zelfmoord pleegde.
Gedurende zijn leven kwam het Duitse volk niet in verzet.
Wat maakt dat collectief en massaal verzet tegen terreur en
onderdrukking zo moeilijk van de grond komt? Wat hield de Nederlanders
tegen gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945? Wat hield de Duitsers
zelf tegen, nadat ze doordrongen waren geraakt van de ware aard van het
Hitler-bewind?
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op
de Duitse Bezetting - 6 - Over de immobilisatiereactie, het belang van
wat anderen doen en het "Ontwaakt, verworpenen der aarde!"
Onderdrukt worden is een toestand van sociale onveiligheid, waarop
mensen, afhankelijk van de omstandigheden en de toestand van hun
autonome zenuwstelsel, reageren met vluchten (flight), het plegen van verzet (fight) of met die immobilisatiereactie.
Reacties die dus voortkomen uit de diepere lagen van de menselijke
sociale natuur. Geen weloverwogen, "rationele" daden (in het geval van
vluchten of vechten) en niet een weloverwogen, "rationeel" afzien van
daden, maar immobilisatie, verstijfd zijn door angst, verdringing,
dissociatie, terugtrekking, blokkering.
Mensen zijn nu eenmaal geen "koele kikkers", als die al bestaan,
maar wezens van vlees en bloed en met een autonoom zenuwstelsel.
Waardoor het niet plegen van verzet er dus ook uit kan voortkomen dat
mensen immobiliseren, verstijfd zijn door angst en in die toestand zo
goed mogelijk proberen door te leven, zichzelf voorhoudend dat er niets
anders op zit.
En als de onderdrukking een collectieve bedreiging is, dan hebben we
in het geval dat veel mensen terechtkomen in die immobilisatiereactie
dus te maken met een collectief trauma. De afwezigheid van verzet komt
niet door weloverwogen passiviteit of onverschilligheid, maar door angst
en blokkering.
Individuele trauma's, angststoornissen en daarmee samenhangende
aandoeningen kunnen behandeld worden en vaak met succes. Succes bestaat
er dan uit dat het "sociale betrokkenheidssysteem", dus het
gemeenschapspatroon, zodanig geactiveerd wordt dat mensen uit dat
statuscompetitiepatroon van de immobilisatie kunnen ontsnappen. Daarmee
leren ze dat het niet langer nodig is om naar de wereld te kijken als
vol van gevaren en bedreigingen. Het herwonnen gevoel van veiligheid
maakt dat ze weer op anderen betrokken kunnen zijn. Denk aan de op het
autonome zenuwstelsel gerichte therapie op basis van de
polyvagaaltheorie zoals uiteengezet door Stanley Rosenberg in De nervus vagus als bron van herstel. Of denk aan het werk van psychiater Bessel van der Kolk.
Maar hoe doe je dat met een collectief gevoel van onveiligheid? Dat
bovendien niet een nasleep is van in het verleden ervaren onveiligheid,
zoals met individuele trauma's, maar voortkomt uit bedreigingen in het
hier en nu.
Precies hier komt de Dual Mode-theorie
binnen en wel in het bijzonder Stelling 2. Die houdt immers in dat
mensen beïnvloed worden door wat ze in hun sociale omgeving ervaren. Hoe
meer gemeenschapsgedrag je ervaart, hoe veiliger je sociale omgeving en
hoe meer ook jouw gemeenschapsgedrag wordt geactiveerd. Dus hoe
actiever jouw sociale betrokkenheidssysteem. En andersom, hoe meer je in
aanraking komt met statuscompetitiegedrag, in dit geval in de vorm van
blootstelling aan onderdrukking, hoe onveiliger je sociale omgeving en
hoe sterker jouw terugtrekkingsreactie.
Daar is dus tegenwicht nodig. Die kan er zijn als de onderdrukten
over elkaar geïnformeerd raken en over elkaars bereidheid om in verzet
te komen. En verzet tegen onderdrukking is een vorm van
gemeenschapsgedrag. Het is de strijd tegen het statuscompetitiepatroon
en een strijd die je niet alleen voor jezelf, maar ook voor alle andere
onderdrukten voert. Als de onderdrukten uit hun isolement bevrijd
worden, en dus over elkaars bereidheid tot verzet geïnformeerd raken,
dan groeit het tegenwicht tegen ieders terugtrekking en verlamming. Door
de met elkaar gedeelde bereidheid tot het gemeenschapsgedrag van het
verzet, gloort er hoop..
Kort gezegd, collectief en massaal verzet zal opbloeien hoe meer de
informatie zich verspreidt over ieders bereidheid tot verzet. Vandaar
het belang van demonstraties in de straten en op de pleinen. Vandaar het
belang van sociale media. Mensen moeten het van elkaar weten. Vandaar
ook de pogingen van de onderdrukkers om die informatieverspreiding tegen
te gaan. Door censuur, propaganda en afsluiten van het internet.
En vandaar ook het belang van gebeurtenissen die de onderdrukten een
indruk geven van de algemene bereidheid tot verzet. En die dat verzet
uitlokken. Zo'n uitlokkende gebeurtenis was in Iran de dood van de
22-jarige Mahsa Amini, die vanwege het niet juist dragen van de
hoofddoek door de "moraliteitspolitie" was opgepakt. Niet alleen was
iedereen daar verontwaardigd over, ook was iedereen er meteen van
overtuigd dat ieder ander daar verontwaardigd over was. Die overtuiging
zorgde er voor dat mensen de straat opgingen in de vaste verwachting dat
ze niet de enige zouden zijn. Dus massale demonstraties, die op hun
beurt weer nieuwe demonstraties uitlokten.
Toch nog even terug naar die rationele keuzetheorie. Merk op dat het
voor die theorie niet uitmaakt wat mensen weten over de bereidheid van
anderen. Hoe klein of groot die bereidheid ook is, het blijft voor ieder
individu de beste ("rationele") optie om niet mee te doen. En wel te
profiteren van wat andere eventueel doen. Een mistroostig, maar vooral
ook onrealistisch mensbeeld.
Als het inderdaad zo is dat die immobilisatiereactie tot het
menselijk gedragsrepertoire behoort, dan zou je mogen verwachten dat
mensen daar ook zelf weet van hebben. Dat het tot de algemeen gedeelde
kennis behoort. Dat lijkt ook het geval. We hebben er immers naast een
sociaalwetenschappelijke vakterm als immobilisatie ook woorden voor in
onze omgangstaal: verstijfd door angst, blokkering, terugtrekking.
Woorden waarvan iedereen weet wat er mee bedoeld wordt.
Ik dacht ook even aan de eerste vier woorden van de Internationale: "Ontwaakt, verworpenen der aarde!" Hier de vertaling door Henriëtte Roland Holst
uit 1899 van de oorspronkelijk Franse tekst. Daarin worden onderdrukten
opgeroepen om te ontwaken. Ontwaken uit de sluimer van de
immobilisatie. En wordt gewezen op de groeiende bereidheid om in verzet
te komen: "Reed‘lijk willen stroomt over de Aarde, en die stroom rijst
al meer en meer".
Na deze omweg gaan we in het volgende bericht weer terug naar de
vraag waarmee deze reeks begon: waardoor was er niet een massaler verzet
van de Nederlanders tegen de Duitse bezetting en de Jodenvervolging van
1940-1945?
Als het statuscompetitiepatroon vrij baan krijgt, dan voelt
iedereen, ook de onderdrukker, zich onveilig. - Een
sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de
Duitse Bezetting - 7 -
Dat gedurende de Duitse Bezetting slechts zo'n vijf procent van de
Nederlandse bevolking actief was in het georganiseerde verzet, hield ook
in dat het verzet maar weinig zichtbaar was. De indruk kon niet
ontstaan dat massaal verzet op het punt stond door te breken. Juist
omdat het zo gering van omvang was, moest het zich in het verborgene
afspelen. Van een doorbraak naar demonstraties in straten en op pleinen
is het nooit gekomen.
Dat kwam natuurlijk ook doordat de bezetter erop uit was, zoals
onderdrukkers dat altijd zijn, om verzet in de kiem te smoren. Die
immobilisatiereactie is precies wat de onderdrukker beoogt te bereiken.
Dus intimidatie, door buitensporig geweld, represailles, martelingen.
Het Duitse bombardement op Rotterdam in mei 1940 had natuurlijk ook de
bedoeling om te intimideren. Het behoort tot het "natuurlijke "gedrag
van de onderdrukker om angst en vrees aan te jagen.
Het sociale patroon van de onderdrukking is dat van de
statushiërarchie, waarin de onderdrukker zijn eigen veiligheidsgevoel
najaagt door de onveiligheidsgevoelens van de onderdrukten, dus van
iedereen, zoveel mogelijk aan te wakkeren. Denk aan de paranoia van
Stalin en zijn schrikbewind, waarin iedereen elke nacht van zijn bed kon
worden gelicht.
En denk aan de paranoia van Poetin en de vele moordaanslagen op zijn
tegenstanders, de "verraders". Op 7 oktober 2006, op Poetins
verjaardag, werd de kritische journaliste Anna Politkovskaja vermoord,
nadat eerder een poging was gedaan haar te vergiftigen. Zulke
vergiftigingspogingen waren er meer. En er waren opvallend veel tegenstanders die omkwamen doordat ze uit het raam vielen of overboord sloegen. Niet alleen om die personen uit de weg te ruimen, maar vooral ook vanwege de algehele intimidatie die er het effect van is.
Als het statuscompetitiepatroon vrij baan krijgt, dan voelt iedereen
zich onveilig. De onderdrukten zijn verstijfd van angst. En de
onderdrukker lijdt aan paranoia.
Over verzet in Rusland tegen Poetin en een oproep om de angst te
overwinnen - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders
reageerden op de Duitse Bezetting - 8-
De 23-jarige activist en oud-student wiskunde aan de Moskouse
Staatsuniversiteit Dimitri Ivanov werd tot 8,5 jaar strafkolonie
veroordeeld wegens "ondermijning van de autoriteit van het Russische
leger". Geert Groot Koerkamp berichtte erover in de Volkskrant.
Ivanov is een voorbeeld van iemand die tegen een onderdrukkende en
intimiderende macht in verzet komt. De heersende macht in Rusland,
Poetin en de mensen om hem heen, willen Groot Rusland terug en kunnen
daarom een zelfstandig en democratisch Oekraïne niet tolereren. Vandaar
de inval, de "speciale militaire operatie". Die minder voorspoedig liep
dan gedacht.
Bovendien hadden de machthebbers in het Kremlin al vanaf het begin
door dat die inval bij de Russische bevolking niet alleen maar op
instemming kon rekenen. Dus moest kritiek worden onderdrukt en moest er
een beeld van massale steun gefabriceerd worden. Daarom werd besloten
dat kritiek, ja, zelfs het gebruik van het woord oorlog, streng moest
worden bestraft. Bedenk dat Rusland geen onafhankelijke rechtspraak
kent.
Ivanov deelde via een mede door hem opgericht Telegramkanaal
berichten over het optreden van Russische troepen in Boetsja en over
bombardementen op Marioepol. Dat was in strijd met de officiële
berichtgeving van het ministerie van Defensie en moest dus worden
bestraft.
Opvallend is dat Ivanov in de rechtszaal vanuit de kooi waarin hij
verbleef het woord mocht voeren. Waarschijnlijk toegestaan om de schijn
van vrijheid min of meer in stand te houden. Geert Groot Koerkamp haalt
de volgende citaten aan van wat hij gezegd heeft.
Mijn mening is dat je je niet moet overgeven aan je angst, maar moet
doorgaan met de strijd, jezelf blijven. Mijn voorbeeld moet u niet bang
maken, integendeel. Waar we ons ook bevinden, we kunnen heel veel doen
voor ons land en het moment dichterbij brengen waarop, onvermijdelijk,
deze oorlog zal stoppen.
Ze willen iedereen bang maken, in Rusland en daarbuiten. Ik ben niet
bang en heb iets te zeggen. U moet begrijpen dat Rusland niet hetzelfde
is als Poetin. Wij hebben niet op hem gestemd en hij heeft ons niet
gevraagd deze oorlog te beginnen met onze naaste buren. Ik weet dat
tientallen miljoenen mensen hier in Rusland tegen deze criminele oorlog
zijn.
Veel Russen hebben vrienden en familieleden in Oekraïne, weet hij.
We voelen de pijn. Deze oorlog is een grote tragedie voor alle
Oekraïners, maar het is ook een tragedie voor Russen die in vrede willen
leven met hun buren en nu lijden onder een dictatuur. We beleven een
duister moment in onze geschiedenis. Maar de grootste duisternis gaat
vooraf aan de zonsopkomst.
Wat hier gebeurt is iconisch voor het algemene verschijnsel van een
angst aanjagende onderdrukker waartegen iemand in verzet is gekomen die
oproept om niet aan die angst toe te geven. Een oproep aan tientallen
miljoenen anderen die ook verzet zouden willen plegen, maar bij wie met
succes angst is aangejaagd.
Dat wil zeggen dat de onderdrukking hen in de "immobilisatiereactie op ervaren onveiligheid" heeft doen belanden.
In het Nederland van 40-45 was er, en in het Rusland van nu is er,
een grote meerderheid die door angst en intimidatie niet in verzet komt
en een kleine minderheid die de angst overwint. Als je bedenkt dat er in
beide gevallen ook een minderheid was en is die het land ontvluchtte,
dan heb je de drie mogelijke reacties op ervaren onveiligheid compleet:
vechten (verzet plegen), vluchten en immobilisatie door angst.
De grote vraag is natuurlijk hoe je kunt bereiken dat in zulke
gevallen van onderdrukking meer mensen hun angst overwinnen en in verzet
komen. Want als er maar genoeg van hen zijn, dan is er uitzicht op
succesvol verzet.
"Hoe heeft dit alles hier kunnen gebeuren?" - Een
sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de
Duitse Bezetting - 9 -
De EO-documentaire Gaat dit over ons? Herdenken in Nederland polderland
van Alfred Edelstein gaat over de vraag hoe het zo lang kon duren voor
er ons nationale herdenkingsbeleid aandacht werd besteed aan de
Jodenvervolging. Lang ging het alleen maar over de gesneuvelde
militairen en de verzetshelden. Daan Scheider haalde in de VPRO-gids Bart Wallet aan, hoogleraar Joodse studies:
‘Voor het uitzonderlijke leed dat de Joden, Roma en Sinti is
aangedaan was in het nationale verhaal na de oorlog geen ruimte,’ stelt
Bart Wallet, hoogleraar Joodse Studies. De Joden werd het zwijgen
opgelegd en van de Roma en Sinti werd in de in die tijd nog überhaupt
niet gerept. Om die reden kozen zij ervoor hun leed in eigen kring te
herdenken.
Waarna het schrijnende relaas volgt van de pogingen van de na de
oorlog overgebleven Joodse gemeenschap om op het Jonas Daniël
Meijerplein, waar in 1941 de eerste grote razzia's plaatsvonden, een
monument op te richten ter nagedachtenis aan degenen die waren
afgevoerd. De gemeente Amsterdam traineerde dat initiatief. In plaats
daarvan werd in 1952 op datzelfde plein het beeld van De Dokwerker onthuld, ter nagedachtenis aan de Februaristaking van 1941.
Het leed van de Joden moest letterlijk plaatsmaken voor het
heldhaftige zelfbeeld van Nederland als verzetsland. 'Symbolischer kun
je het niet hebben,' aldus Wallet.
Dat die Februaristaking, "in heel bezet Europa het enige massale en openlijke protest tegen de jodenvervolging" (Joods Monument, Februaristaking),
wordt herdacht, is natuurlijk zeer terecht. Maar de verdenking ligt wel
erg voor de hand dat de herdenking ervan, samen met de stilte rond de
Jodenvervolging zelf, ook diende om een slecht geweten te sussen.
Het heeft wel heel lang geduurd voor die stilte op nationaal niveau
werd doorbroken. Pas in 2020 bood de Nederlandse staat bij monde van
premier Rutte excuses aan voor de rol van het staatsapparaat bij de
Jodenvervolging. En pas in 2021 werd in Amsterdam het indrukwekkende Holocaust Namenmonument
opgericht, ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden, Roma en Sinti. Die
allerprangendste vraag – hoe heeft dit alles hier kunnen gebeuren? –
werd door de Nederlandse overheid te lang omzeild, maar wordt in de
documentaire onomwonden beantwoord. In de woorden van schrijver Wim de
Wagt:
‘Het Namenmonument laat zien waar een teveel aan consensus en
coöperatief medewerken en een gebrek aan weerbaarheid toe kunnen leiden.
Dat is de schaduwzijde van het Nederlandse poldermodel.’
Die verwijzing naar het Nederlandse poldermodel als antwoord op die prangende vraag verraste mij.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 10 -
Nederlanders legden er zich gedurende de Duitse bezetting van
1940-1945 bij neer, of werkten er zelfs aan mee, dat driekwart van hun
Joodse landgenoten door de Duitsers werden afgevoerd en vermoord. Dat is
een zo beschamende constatering dat er na 1945 lang over werd gezwegen.
Maar de vraag hoe dat kon gebeuren is in menselijk opzicht zo cruciaal,
en van zo groot belang voor het menselijk vermogen tot zelfinzicht, dat
hij niet blijvend kon worden genegeerd.
En hij is ook sociaalwetenschappelijk van het allergrootste belang.
De Duitse bezetting was een geval van onderdrukking, dus van een
toestand waarin het statuscompetitiepatroon actueel is in de vorm van
een statushiërarchie. Het gevaar daarvan is dat hij overgaat in een
stabiele "evenwichtstoestand",
dat wil zeggen in een toestand waarin er van binnenuit geen verandering
meer optreedt. In feite was dat gevaar gerealiseerd, want Nederland was
voor de bevrijding afhankelijk van krachten van buitenaf, van de
inspanningen van de Geallieerden.
Na die te lange periode van stilzwijgen kon gaandeweg het inzicht
naar boven komen dat we hier te maken hebben met een schandvlek in onze
nationale geschiedenis. In 2005 was het zover dat de Nederlandse
Spoorwegen hun excuses ervoor aanboden dat de organisatie zo gewillig de
Duitse opdracht uitvoerde om de Joodse Nederlanders en de Roma en de
Sinti naar het doorgangskamp Westerbork te transporteren en zich daar
voor liet betalen. Daarna was er nog heel wat voor nodig om de stap te
zetten naar een financiële compensatie voor overlevenden en
nabestaanden. Zie Over hoe het kon dat zoveel joodse Nederlanders in 40 - 45 werden gedeporteerd en vermoord.
Ook werd er aan het NIOD de opdracht verstrekt voor een diepgaande
onderzoek naar de rol van de Spoorwegen met betrekking tot het
faciliteren van de Duitse oorlogs- en vernietigingsindustrie. Centraal
staat de vraag naar het functioneren van verschillende bestuurslagen,
afdelingen en individuen van De Nederlandse Spoorwegen tijdens de
bezetting, evenals hun betrokkenheid bij, en verantwoordelijkheid voor,
het uitvoeren van (transport)opdrachten op last van de Duitsers
gedurende het verloop van de oorlog. (Onderzoek naar De Nederlandse Spoorwegen tijdens de Tweede Wereldoorlog)
En pas in 2020 (!) bood de Nederlandse staat bij monde van premier
Rutte excuses aan voor de rol van het staatsapparaat bij de
Jodenvervolging. Gevolgd in 2021 door de oprichting in Amsterdam van het
indrukwekkende Holocaust Namenmonument, ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden, Roma en Sinti. Eerder, in 2007, werd in ons land begonnen met het plaatsen van de struikelstenen of "stenen des aanstoots" in het trottoir voor de huizen waar verdreven en vermoorde Joden woonden.
Een en ander heeft natuurlijk de nodige aandacht gekregen. Maar je
kunt je afvragen of aandacht alleen voldoende is om lessen te kunnen
trekken over hoe het kon gebeuren. Hoe het kon gebeuren dat de
Nederlandse bevolking en het ambtenarenapparaat toekeken of zelfs
meewerkten aan het isoleren, de verontrechting, de deportatie en het
vermoorden van een deel van de bevolking. En die vraag is zoals gezegd
ook van fundamentele sociaalwetenschappelijk belang.
Gelukkig worden historici, ook driekwart eeuw na de Bevrijding, niet
moe het materiaal aan te dragen dat voor het beantwoorden van die vraag
noodzakelijk is. In 2020 verscheen Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie van Rob Bakker (ruim 700 bladzijden) en vorig jaar Buitengewone transporten. Deportaties van Joden, Roma en Sinti uit Nederland, 1940-1945 (ruim 300 bladzijden).
De vluchtreactie en de immobilisatiereactie in mei 1940 - Een
sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de
Duitse Bezetting - 11 -
Nadat Nederland de vechtreactie op de Duitse inval in 1940 met de
capitulatie vooralsnog had afgesloten, was er gaandeweg de bezetting het
vechten in de vorm van het ondergrondse verzet.
Maar er was ook de vluchtreactie. Er waren Nederlanders die erin
slaagden om Engeland te bereiken. Maar vooral was er natuurlijk de
vlucht van koningin Wilhelmina, het koninklijk huis en de ministers naar
Engeland. Ze vertrokken hals over kop, zonder dat de ministers
instructies achterlieten voor hun secretarissen-generaal. Rob Bakker
daarover in zijn Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie (p. 40-46):
Ze (de secretarissen-generaal) werden in het diepe gegooid, met als enige boei de geheime Aanwijzingen,
ooit opgeschreven in 1937. ("Aanwijzingen betreffende de houding, aan
te nemen ... in geval van vijandelijken inval.") Daar werd op 20 mei via
de BBC van minister-president D.J. de Geer nog een boodschap aan
toegevoegd, overigens zonder overleg met zijn kabinet, dat het de plicht
was van de administratieve instanties 'zo goed zij kunnen met de Duitse
autoriteiten samen te werken en daardoor de bevolking zoveel mogelijk
te helpen'. De bevolking werd gevraagd zich 'kalm en hartelijk' te
gedragen. (...)
H. Colijn, viervoudig premier voor de oorlog en de belangrijkste vooroorlogse politicus, (...), meende in zijn brochure Op de grens van twee werelden
die op 25 juni werd uitgegeven, dat 'Duitsland zal bestemmen welke
positie Nederland na de vrede innemen zal'. Men moest accepteren deel
uit te maken van een 'Nieuw Europa' onder Duitse leiding.
Nadat in de eerste twee weken van de bezetting generaal en
opperbevelhebber Winkelman nog belast was met het militaire en civiele
gezag, ging het officiële gezag op 29 mei over op de bezetter in de
persoon van de Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete Arthur Seiss-Inquart. De secretarissen-generaal waren bij zijn installatie in de Ridderzaal aanwezig.
Seiss-Inquart had na zijn installatie aan de secretarissen-generaal
gevraagd of zij bereid waren 'als goede Nederlanders' op hun post te
blijven. De secretarissen-generaal vroegen en kregen toestemming van de
niet meer in functie zijnde opperbevelhebber generaal Winkelman voor die
toezegging aan Seiss-Inquart.
Vervolgens lees je dat de secretaris-generaal H.M. Hirschfeld de
Duitsers ervan overtuigden dat ze met het College van
Secretarissen-generaals konden samenwerken. Het College verklaarde zich
bereid tot loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden.
Daarbij werd de afspraak gemaakt dat een secretaris-generaal zonder
strafmaatregelen zou mogen aftreden als hij zijn werk niet meer in
overeenstemming zou vinden met zijn functie of geweten. Wat echter ook
inhield dat hij niet tegelijk kon aanblijven en de medewerking aan een
ongewenste maatregel weigeren. Van enig verzet in functie kon geen
sprake zijn.
In feite schikte het hele Nederlandse ambtenarenapparaat inclusief de rechters zich in de nieuwe verhoudingen.
Seiss-Inquart had in zijn eerste verordening de bepaling opgenomen
dat alle rechters, ambtenaren en leerkrachten moesten verklaren dat zij
de verordeningen en andere regelingen van de Reichskommissar en
van de aan hem ondergeschikte Duitse diensten stipt zouden uitvoeren en
dat zij geen enkele anti-Duitse handeling zouden plegen.
Dat mocht juridisch geen eed worden genoemd, want dat zou in strijd zijn geweest met het Landoorlogreglement
en dus als landverraad kunnen worden beschouwd. Daar schrok dus
iedereen voor terug. Uiteindelijk werd besloten tot een "plechtige
verklaring", die luidde:
'Ik verklaar hierbij plechtig dat ik, zolang ik mijn ambt waarneem,
de verordeningen en andere bepalingen van de rijkscommissaris en zijn
organen, naar eer en geweten zal naleven en mij zal onthouden van elke
handeling gericht tegen het Duitse rijk of de Duitse weermacht.'
Ik weet het niet, het is nu meer dan tachtig jaar geleden en dus
gemakkelijk om te oordelen, maar mij lijkt dit, weliswaar niet naar de
vorm, maar wel materieel, gewoon een daad van landverraad.
Dat alles is natuurlijk bekend. Maar je leest het toch met enige
huiver. Want in feite herkennen we hier de immobilisatiereactie, de
reactie van de volledige overgave. Na de vlucht van het staatshoofd en
de ministers voegde het hele ambtenarenapparaat zich zonder enige
terughouding naar wat de bezetter oplegde en nog kon opleggen. Elke
notie van verzet, van de vechtreactie, ontbrak.
Dat kan niet anders dan een geweldige invloed hebben gehad op de
reactie van de Nederlandse bevolking. De neiging tot immobilisatie, tot
het zich terugtrekken, zich neerleggen bij de nederlaag en de
intimidatie van de nieuwe machthebber, zal er natuurlijk al geweest
zijn. Maar die zal zowel door de vlucht van staatshoofd en regering als
door de totale overgave van het ambtenarenapparaat versterkt zijn.
Daarmee werden al meteen de voorwaarden gecreëerd waaronder je
inderdaad niet anders kon verwachten dat slechts zo'n vijf procent van
de bevolking daadwerkelijk tot verzet, tot de vechtreactie, overging.
En dus ook de voorwaarden waaronder de bevolking toeliet of er zelfs
aan meewerkte dat driekwart van de Joodse landgenoten en de Sinti en
Roma door de bezetter werden afgevoerd en vermoord.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 12 -
Gedurende de Duitse bezetting van ons land in 1940-1945 was er
weliswaar actief verzet, maar daar nam toch slechts zo'n vijf procent
van de bevolking aan deel. En hoewel er Nederlanders actief waren in de
hulp aan Joodse onderduikers, liet het gros van de bevolking het
gebeuren dat Joodse medeburgers hun rechten werden ontnomen en dat ze
werden geïsoleerd en afgevoerd. En werkte het Nederlandse
ambtenarenapparaat aan die behandeling mee.
Daar
is, vanaf enkele tientallen jaren na de Bevrijding, al veel over gezegd
en geschreven. Maar het kan (en zal) aan mij liggen, maar een poging om
dat gedrag sociaalwetenschappelijk te verklaren, ken ik eigenlijk niet.
Hoe
zou zo een verklaring eruit kunnen zien als we uitgaan van de
sociaalwetenschappelijke inzichten die je op dit blog vaak tegenkomt?
We
zouden er dan mee kunnen beginnen dat de inval en de bezetting door de
Duitsers door de Nederlandse bevolking, minus de ongeveer vijf procent
die de Duitsers goedgezind waren, werd ervaren als een toestand van
sociale onveiligheid en bedreigd zijn. We hebben het dan over een
statuscompetitieve toestand waarin een machtige partij een nagenoeg
machteloze partij aan zich onderwerpt. Het Nederlandse militaire verzet
werd in een paar dagen opgerold en de bevolking werd daardoor en door
het bombardement op Rotterdam geïntimideerd.
In een toestand van
sociaal bedreigd zijn, kunnen mensen zich te weer stellen, vechten, zich
uit de voeten maken, vluchten, of zich in zichzelf terugtrekken,
verstijven en immobiliseren. Vechten of doorvechten bleek dus al snel
niet een haalbare optie. Wie kon vluchten, zoals door de oversteek te
maken naar Engeland, deed dat. Dat was een kleine minderheid, maar
daartoe behoorden het koningshuis en de regering. Bleef over het zich
neerleggen bij de stand van zaken, de reactie die in het meest extreme
geval een toestand van immobilisatie-door-angst wordt.
Die meest
extreme gevallen kennen we vooral van het onderzoek naar en de
behandeling van individuele trauma's. Maar er zijn natuurlijk veel vaker
minder extreme gevallen en er zijn collectieve trauma's. Het met geweld
en intimidatie bezet worden door een buitenlandse mogendheid mag je wel
een collectief trauma noemen. Dat het voor sommigen als een extreme
bedreiging en individueel trauma werd ervaren, blijkt eruit dat er ook
zelfdodingen waren als reactie op de Duitse inval.
Extreme en
acute immobilisatie-door-angst gaat gepaard met een verminderd
bewustzijn. In de veel vaker voorkomende en minder extreme gevallen is
er die angstervaring, maar is er ook de bewuste verwerking daarvan. Die
zal inhouden dat je nog alert bent op mogelijkheden om toch in actie te
komen. Zoals op de mogelijkheid om je bij het verzet dat er wel is aan
te sluiten als je daar voor gevraagd wordt. En je zult je passiviteit,
je immobilisatie, proberen zo goed mogelijk voor jezelf te
rechtvaardigen. In de trant van: ik zou wat moeten doen, maar ik doe het
niet, want dat heeft immers toch geen zin.
En bij dat laatste
speelt een belangrijke rol wat je anderen ziet doen of wat je verwacht
dat anderen doen. Als anderen maar weinig in actie komen, dan is dat een
aanwijzing voor de zinloosheid ervan.
En precies in dat verband
moet wel een grote rol gespeeld hebben dat het koningshuis en de
regering naar Engeland vluchtten en dat bovendien de
secretarissen-generaal, de rechters en het ambtenarenapparaat in functie
bleven en zich in de nieuwe verhoudingen schikten. Er kon maar beter
met de Duitse machthebbers worden samengewerkt. Er was geen enkele
oproep tot verzet, sterker, het College van
Secretarissen-generaals verklaarde zich
bereid tot loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden.
Dat
moet ontzettend behulpzaam zijn geweest bij de pogingen van de
bevolking om de eigen passiviteit te rechtvaardigen. Zo bezien, is het
bijna verwonderlijk dat toch nog zo'n vijf procent van de bevolking tot
actief verzet overging.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 13 -
Als je land met grote overmacht door een vreemde mogendheid wordt
bezet, dan mag je dat wel een toestand van grote ervaren sociale
onveiligheid noemen. Gezien vanuit het statuscompetitiepatroon is er
opeens een overheerser die zijn wil aan jou kan en wil opleggen. Hoe te
reageren?
Zo'n
toestand van sociale onveiligheid lokt gemakkelijk de
immobilisatiereactie uit, het angstig in elkaar duiken en het zich
terugtrekken, om zo de overheerser te laten weten dat je je geheel hebt
overgegeven en dat verder geweld niet nodig is. En om bij jezelf de
neiging om je te weer te stellen en in verzet te komen te onderdrukken.
Die neiging is er natuurlijk, maar het lijkt te gevaarlijk om er aan toe
te geven. Het is een reactie die de schade beperkt, zonder dat zulks
een bewust motief hoeft te zijn.
Alles wijst erop dat die
terugtrekkingsreactie onder de bevolking algemeen was. En alles wijst
erop dat hij versterkt en zelfs gelegitimeerd werd door de reacties van
het koningshuis en de regering, die het land ontvluchtten, en van de
hoogste ambtenaren en het ambtenarenapparaat, die zich bij de bezetting
en het buiten werking stellen van de parlementaire democratie
neerlegden, in functie bleven en zelfs met de bezetter samenwerkten. Die
onderdanigheid op het hoogste niveau moet op de rest van de bevolking
grote invloed hebben gehad. Rob Bakker (Boekhouders van de Holocaust) citeert op p. 66 socioloog Cor Lammers (Vreemde overheersing. Bezetten en bezetting in sociologisch perspectief):
Zolang
onze topambtenaren en topindustriëlen hun daarin voorgingen, waren in
de periode 1940-1945 hun ondergeschikten en veel andere brave
Nederlanders maar al te gauw geneigd op gezag van deze nationale elites
aan te nemen dat het moreel verantwoord was je te houden aan Duitse
verordeningen en aanwijzingen.
"Moreel
verantwoord". Eigenlijk zou je je behoren te verzetten, maar nog los van
de praktische haalbaarheid daarvan, kwam er van hogerhand de boodschap
dat het afzien van verzet moreel viel te billijken.
Zo
was de stand van zaken aan het begin van de Bezetting en die verklaart
zeker voor een groot deel dat het verzet, dat op den duur wel tot stand
kwam, hoe moedig ook, beperkt bleef tot de naar schatting vijf procent
van de bevolking.
Maar daar kwam naar
alle waarschijnlijkheid, en dat is pijnlijk om onder ogen te zien, de
Jodenvervolging bij. Want die begon al eind 1940 en kon de indruk wekken
dat de Duitse agressie zich op de Joodse bevolking zou concentreren en
dat je als niet-Joodse Nederlander buiten schot zou kunnen blijven.
Hoewel er zeker Nederlanders waren die de Joodse landgenoten te hulp
schoten, dringt de vervelende gedachte zich op dat de Jodenvervolging
bij de anderen juist hun onveiligheidsgevoelens verminderden. En daarmee
ook de bereidheid om in verzet te komen. Hoe meer de agressie van de
overheerser zich op een bepaald bevolkingsdeel concentreert, hoe meer de
rest van de bevolking hoop heeft op een voor hen gunstige afloop.
Nogmaals,
pijnlijk om onder ogen te zien. Maar het is wel een voor de hand
liggende gedachte. Waarvan ik me trouwens niet kan herinneren hem eerder
te zijn tegengekomen. Misschien dat daardoor de verwerking van deze
"zwarte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis" (Rob Bakker, p. 696)
zo traag is verlopen en verloopt.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 14 -
Daarmee is het decor geschilderd waartegen
je de reactie van verreweg de meeste Nederlanders op de Duitse
maatregelen tegen hun Joodse landgenoten kunt verklaren, Zo'n (poging
tot) verklaring is van groot belang, maar hoeft natuurlijk geenszins in
te houden dat je die reactie ook zou kunnen billijken.
Mensen
kunnen op een bedreiging ook reageren met een vecht- of een
vluchtreactie. Maar na de Duitse inval overheerste de immobilisatie- of
terugtrekkingsreactie. In extreme gevallen kan die gepaard gaan met een
verminderd bewustzijn. Hoe vaak dat gebeurde weten we natuurlijk niet.
In de meeste gevallen zullen mensen echter de behoefte hebben gehad om
hun passiviteit en lijdzaamheid te rechtvaardigen.
Daarbij
zal een grote rol gespeeld hebben wat mensen anderen zagen doen.
Doordat er slechts een kleine minderheid van naar schatting zo'n vijf
procent actief werd in het verzet, waren ook maar weinigen daarvan goed
op de hoogte. De neiging tot terugtrekking moet dus versterkt zijn door
de indruk dat die reactie algemeen was.
En,
zoals gezegd, door de die boodschap van hogerhand. Er was geen enkele
oproep tot verzet, sterker, wat er over was van het nationale bestuur,
het College van
Secretarissen-generaals van de ministeries, verklaarde zich
publiekelijk bereid tot loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden.
Achteraf gezien kun je zeggen dat daarmee het lot van de Joodse landgenoten al was bezegeld.
Over het lot van Joden in Duitsland moet onder de Nederlandse bevolking al veel bekend zijn geweest, Al in 1935 waren daar de Neurenberger Rassenwetten
uitgevaardigd, die de Joden grotendeels rechteloos maakten. Er waren al
de vele gewelddadige acties tegen Joden en hun bezittingen geweest,
culminerend in het Schicksalsjahr 1938 (Hoofdstuk 8 in Michael Wildt, Volksgemeinschaft als Selbstermächtigung. Gewalt gegen Juden in der deutschen Provinz, 1919 - 1939). En er waren al zo'n 30.000 Joodse vluchtelingen geweest die zich aan de grens hadden gemeld.
Aanvankelijk
kon nog gehoopt worden dat het in Nederland zo'n vaart niet zou lopen.
De Bezetter had de Oostenrijkse jurist Friedrich Wimmer aangesteld als
toezichthouder op het Nederlandse binnenlands bestuur. Die moet bij de
aanvang van de bezetting tegenover de Secretarissen-generaal verklaard
hebben dat "er geen Joods vraagstuk voor de Duitse bezetter in dit land
bestond". Maar al snel veranderde dat omdat "de omstandigheden waren
veranderd" (Rob Bakker, p. 139).
Hoe
dan ook, Rob Bakker vertelt (p. 135-137) hoe al voor de eerste
anti-Joodse maatregelen er Nederlanders waren die daarop vooruit liepen,
die bereid waren "te werken in de geest van de Führer":
Nog
voor enige officiële Duitse verordening werd geïntroduceerd kregen
Joodse medewerkers van de Luchtbeschermingsdienst al te horen "dat ze
niet meer hoefden te komen", In Eindhoven werd deze maatregel al van
kracht op 14 mei 1940, dus zelfs nog vóór de capitulatie. De publieke
omroep AVRO ontsloeg in mei 1940 alle Joodse medewerkers. (...)
Een
commissie van Justitie die in juli 1940 nieuwe politie-officieren
selecteerde, hield ongevraagd als richtlijn aan dat Joden voor
dergelijke benoemingen niet meer in aanmerking kwamen. Dat was voordat
de Duitsers het politieapparaat omvormden naar hun wensen. (...)
Een
eerste café met anti-Joodse plakkaten in Den Haag stuitte nog op een
veto van burgemeester en wethouders, maar na een paar maanden, te
beginnen in Amsterdam, hing het overal in het land al snel vol met
bordjes "Joden niet gewenst".
Dat
het na de Duitse inval en de capitulatie enige tijd duurde voor er
georganiseerd verzet ontstond, valt natuurlijk goed te begrijpen. Maar
dat er al vrijwel meteen door sommigen op anti-Joodse maatregelen werd
vooruitgelopen, dat gaat zelfs verder dan lijdzaamheid.
En dat beloofde natuurlijk niet veel goeds.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 15 -
Hoe moet dat voor Nederlanders geweest zijn, nadat in mei 1940 de
Duitsers ons land binnenvielen, de binnenstad van Rotterdam
bombardeerden en na de snelle capitulatie van het Nederlandse leger het
land bezetten en het bestuur overnamen? Nadat het koningshuis en de
regering naar Engeland waren gevlucht? En nadat wat er over was van het
nationale bestuur, het College van
Secretarissen-generaals van de ministeries, zich publiekelijk bereid had
verklaard tot loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden?
Als
je land gewelddadig bezet wordt door een vreemde mogendheid, waar een
dictator het volk ophitst tegen de Joden en andere "vijanden van het
volk", dan kun je dat wel een traumatische ervaring noemen. Daar kun je
verschillend op reageren, maar het lijkt aannemelijk dat de reactie van
het je terugtrekken, van de immobilisatie, werd versterkt door de
boodschap die van hogerhand werd verspreid. Want die boodschap was
moeilijk anders uit te leggen dan als een oproep om je bij de nieuwe
stand van zaken neer te leggen. Hoewel bekend was of kon zijn dat de
bezetter kwaadaardige bedoelingen had, waarom anders de vlucht van
koningshuis en regering?, werd opgeroepen tot berusting, ja, zelfs
samenwerking.
Daarmee was er dus een decor opgetrokken waartegen
je de reacties van de Nederlanders moet begrijpen. Dus ook de reacties
op de anti-Joodse maatregelen die al spoedig volgden.
Toevallig ben ik aan het lezen in Etty Hillesum, Het verhaal van haar leven van Judith Koelemeijer. (Met dank aan Colette de Groot van MHOOM, die mij het boek uitleende.)
Etty
Hillesum (Middelburg, 1914 - Auschwitz, ca. 30 november 1943) begon in
Amsterdam op 9 maart 1941 met het schrijven van een dagboek, waarvan een
groot deel in 1981 werd uitgegeven (Het verstoorde leven).
Judith
Koelemeijer vertelt (p.49-51) dat Etty zich op 19 maart van dat jaar
liet registreren als "van joodschen bloede" omdat de bezetter zulks had
verordend. De vervolging en de moord op de Nederlandse Joden begon met
deze maatregel. Die onschuldig oogde, of beter die kennelijk als
onbeduidend werd opgevat:
Op
19 maart ging ze naar een lager school bij haar in de buurt om zich te
melden. Ze zag er geen kwaad in en leek weinig doordrongen van wat de
aanmelding voor haar persoonlijk kon betekenen. (...)
'Zojuist
even aangifte gedaan van m'n uitverkoren bloedsomloop,' noteerde Etty
na de registratie in haar dagboek. 'Dat Hollandse volk is me zeer
dierbaar.' (...)
De
Nederlandse klerken achter de tafel in het klaslokaal behandelden de
'merkwaardige zaak' met een 'zeldzame gedistingeerdheid, begrip en zeer
beschaafde humor.' Geen medelijden, maar 'bijzondere zachtheid en
menselijkheid ging er van die paar mensen met hun kantoorgezichten uit.'
Alsof ze de spreekkamer van een dokter binnenkwam; er klonk geen luid
woord en alles ging even geruisloos en plezierig. Wat haar vooral trof,
was de 'affectloosheid waarmee die paar Hollanders tegenover dat stukje
Jodendom stonden.' (...)
Op
1 oktober 1941 werd een overzicht van alle aanmeldingen gemaakt door de
Rijksinspectie van de bevolkingsregisters. Vrijwel alle Nederlandse
Joden hadden zich keurig laten registreren. (...)
Er werd erg hard gewerkt door de betreffende ambtenaren om de registratie voor de beoogde datum rond te krijgen.
En toevallig las ik eergisteren in het interview dat Marjon Bolwijn in de Volkskrant had met de 100-jarige Dicky Baars:
'In
1940 haalde ik mijn HBS-diploma. De oorlog was uitgebroken, in die tijd
was het niet makkelijk om aan werk te komen. (...) Ik besloot een
opleiding steno en typen te volgen. In december van datzelfde jaar
ontsloeg de Rijksverzekeringsbank alle Joodse ambtenaren en kon ik als
ponstypiste de plaats innemen van een Joods meisje. Haar naam zal ik
nooit vergeten: Doortje Liehman,'
Hoe vond u het om haar plaats in te nemen?
'Heel belastend. Pas anderhalf jaar nadat ik haar baan had overgenomen, begon mij te dagen wat er met Joden gebeurde.'
Twee
indringende inkijkjes in het Nederland van 1940. Er was in het geheel
geen sprake van dat Nederlandse ambtenaren weigerden om aan die
registratie van hun Joodse landgenoten mee te werken. En er was in het
geheel geen sprake van dat de Rijksverzekeringsbank of andere
instellingen weigerden om hun Joodse medewerkers te ontslaan.
Gebeurtenissen die naadloos opgingen in dat decor van loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden.
Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 16 -
Er ontstonden na de
inval door de Duitsers in 1940 natuurlijk, zacht gezegd, problemen met
de rechtsstatelijkheid van het overheidshandelen. Maar voor ik daar op
inga, is het interessant om een uitstapje te maken naar het heden en
naar de huidige problemen met rechtstatelijkheid. Destijds kwamen de
bedreigingen van buiten ons land binnen, en hadden Nederlanders zich
daartoe te verhouden, nu zijn ze intern ontstaan. En hebben we opnieuw
onder ogen te zien hoe Nederlanders zich daartoe te verhouden.
In
de Nederlandse politiek bestaan er nu, in 2024, zorgen over de
rechtsstatelijkheid. Die waren er al wat langer, maar sinds de PVV, de
eenmanspartij van Geert Wilders, bij de verkiezingen van 22 november
vorig jaar de grootste partij is geworden, zijn die zorgen acuut. Drie
partijen, de VVD, het NSC en de BBB hebben zich bereid verklaard met de
PVV een informatieronde aan te gaan over de vorming van een nieuwe
regering.
Een aangekondigd onderdeel van die informatieronde is
een gesprek over de rechtsstatelijke voorwaarden. Geert Wilders heeft
laten weten bereid te zijn om delen van zijn verkiezingsprogramma die in
strijd zijn met de Grondwet "in de ijskast te zetten". Inmiddels lijkt
het dat de vier partijen al inhoudelijk onderhandelen en is het
onduidelijk wat dat gesprek over rechtsstatelijkheid heeft opgeleverd.
Hoewel volgens het laatste nieuws de spanningen tussen de partijen hoog oplopen en de uitkomst onzeker is.
Op de website Nederland Rechtsstaat. Over Grondwet en rechtsstaat wordt een en ander als problematisch beschouwd:
Problematisch, omdat partij(leider) Wilders zegt zijn
antirechtsstatelijke plannen slechts te ‘parkeren’, waarmee hij er geen
inhoudelijk afstand van neemt en hen desgewenst op elk geschikt moment
verder kan brengen. Daarnaast zijn de toezeggingen ongeloofwaardig, want
slechts gedaan in het reële vooruitzicht van regeringsdeelname en
mogelijk zelfs het premierschap, dat volgens Wilders nu eenmaal – op
zich zelf waar – ‘een andere rolinvulling’ verlangt dan die van een
oppositieleider. Bovenal staat Wilders’ tijdelijke ‘inkeer’ haaks op
zijn huidige verkiezingsprogramma en zijn twintigjarige
antirechtsstatelijke agenda. Deze agenda blijkt uit onder andere uit
zijn film Fitna, uitlatingen waarvoor hij zelfs strafrechtelijk is
veroordeeld, alle eerdere verkiezingsprogramma’s en het parlementaire
handwerk van moties en zelfs initiatiefwetsvoorstellen.
Geert Wilders heeft inmiddels laten weten
drie van zulke initiatiefwetsvoorstellen in te trekken. Het gaat om
voorstellen voor een verbod op islamitische uitingen (zoals
moskeebezoek, bezit van een koran), een verbod op meervoudige
nationaliteiten bij ambtsdragers en het ontnemen van het kiesrecht bij
mensen met een dubbel paspoort en een voorstel voor "administratieve
detentie". Die voorstellen dateren al van 2018, maar hebben tot nu toe
weinig aandacht getrokken.
Het is een gunstige bijkomstigheid dat
ze die aandacht nu wel krijgen. Want ze laten open en bloot zien wat
dat narcistische rechts-extremisme inhoudt: het ontnemen van rechten aan
een bevolkingsgroep en het buiten werking stellen van de onafhankelijke
rechtspraak. Narcisten zien altijd vijanden, die om te beginnen
rechteloos moeten worden gemaakt, en en ze verdragen het niet dat hun
handelen door een onafhankelijke rechter beoordeeld zou kunnen worden.
Hoe geloofwaardig het intrekken van die voorstellen is, zou iedereen zich behoren af te vragen:
De decennialange systematisch opgebouwde anti-islamagenda en concrete
stappen ter realisering daarvan duiden op een structurele wens tot
invoering van een parallelle samenleving en een parallel rechtssysteem.
Daarmee komt strijdigheid met de openbare orde in het vizier. De
vrijheid van politieke partijen gaat erg ver, maar kent zijn grenzen, zo
heeft ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herhaaldelijk
benadrukt.
Wat Wilders drijft is zonder
meer een obsessie met de islam en een obsessie is niet iets wat je even
kunt uitgummen. En kunt inruilen voor "andere prioriteiten". Want "De islam zal nooit uit ons DNA gaan..".
Er
wordt dus nu onderhandeld over de vorming van een regering met een
partij die antirechtsstatelijke opvattingen in zijn DNA heeft, maar die
nu even geen prioriteit geeft.
Het is zacht gezegd problematisch.
Ook
al doordat we dit probleem na de Tweede Wereldoorlog niet eerder hebben
meegemaakt. Het brengt de gedachten terug naar wat er gebeurde nadat de
Duitsers, dat wil zeggen het nazibewind van Adolf Hitler, die meteen
nadat hij aan de macht kwam de democratische rechtsstaat afschafte, ons
land waren binnengevallen. Terwijl nu de rechtsstaat van binnenuit wordt
bedreigd, was dat toen het geval door een bezetter van buitenaf.
Over hoe dat concreet in zijn werk ging, kunnen we weer te rade gaan bij Rob Bakkers Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie.
Nadat de Nederlandse regering en het koningshuis het land waren
ontvlucht, ontbonden de Bezetters de democratie, dat wil zeggen, de
volksvertegenwoordiging. Maar in feite waren de rest van het Nederlandse
bestuur, de bestaande wetten en de rechtspraak nog intact. Of beter,
was de status ervan vooralsnog onduidelijk. Er was nog de Grondwet, er
was de Hoge Raad, er waren rechters, er was de politiemacht, maar wat hield dat alles nog in?
Hoewel
er al eerder incidentele aanwijzingen waren welke kant het zou opgaan,
werd het eind augustus 1940 duidelijk wat het Duitse bewind voor de
rechtsstatelijkheid inhield. Toen liet Wimmer, de Duitse toezichthouder
op het Nederlandse bestuur, aan de Secretarissen-generaal van de
ministeries weten dat ze geen Joden meer in overheidsdienst mochten
aannemen en dat ze de Joden die al in overheidsdienst waren, niet meer
mochten bevorderen.
Daar werd intern
eerst nog als bezwaar besproken dat er geen eenduidige definitie bestond
van het begrip Joods. Rob Bakker (p. 141-142):
Totdat
de secretarissen-generaal enkele dagen later ontdekten dat dit
onderscheid ten aanzien van overheidsfuncties tegen artikel 5 van de
Grondwet indruiste: ('Iedere Nederlander is tot elke landsbediening
benoembaar.'). De notulen verluidden dat het volgens de Grondwet
'onmogelijk was om mee te werken, art. 176 liet daarover geen twijfel
bestaan'.
Opvallend dat men een paar
dagen nodig had om dit te ontdekken. Maar eveneens opvallend dat nog van
de geldigheid van de Grondwet werd uitgegaan.
Wat te doen? De poot stijf houden en ronduit weigeren om de maatregel uit te voeren?
Nee,
dat was niet waartoe werd besloten. Er ging een brief naar Wimmer
waarin op de grondwettelijke bezwaren werd gewezen. Maar vergezeld van
een advies over hoe die bezwaren zouden kunnen worden omzeild! Als de Reichskommisar (Seiss-Inquart) een verordening uitvaardigde, dan zou er geen probleem zijn.
Dat
was voor Wimmer geen bezwaar en hij verordende op 6 september dat er
voorlopig geen benoemingen werden gedaan. Dus geen Joodse benoemingen.
Met die strekking ging het College van SG akkoord. Een week later kwam
Seyss-Inquart met een eigen verdergaande verordening inhoudende dat
aanstelling en nu ook ontslag konden worden geregeld 'in afwijking van
het geldende recht'. Artikel 5 van de Grondwet was nu officieel
opgeheven. Het departement van Binnenlandse Zaken stuurde op 30
september 1940 een brief naar het gehele overheidsapparaat met de
melding van het verbod om Joden te benoemen of te bevorderen in een
overheidsfunctie. Het bericht werd verzonden als Duitse verordening nr.
108/1940, als 'maatregel op administratief-rechtelijk gebied.'
Zo
werd stapsgewijs het decor van loyale samenwerking met de Bezetter
verder opgetrokken. Het Nederlandse ambtenarenapparaat lag niet dwars,
maar ging meehelpen bij de uitvoering van de anti-Joodse maatregelen van
de Duitse bezetter. Wat volgens de Grondwet voor onmogelijk werd
gehouden, werd een 'maatregel op administratief-rechtelijk gebied'.
In
het volgende bericht meer over de afbraak van de rechtsstatelijkheid,
meer in het bijzonder over de rol van het hoogste Nederlandse
rechtscollege, de Hoge Raad. Die afbraak kwam weliswaar van buiten, maar
er werd van binnenuit niet moeilijk over gedaan of zelfs aan
meegewerkt.
Wat precies de voorwaarden
zijn waaronder zo'n proces van inschikkelijkheid en zelfs collaboratie
zich kan gaan afspelen, dat blijft een indringend
sociaalwetenschappelijke vraagstuk. En dus een actueel vraagstuk.
Gewenning aan het kwaad - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 17 -
Waardoor was er na de Duitse inval in mei 1940 en gedurende de vijf
jaren van bezetting, onderdrukking en Jodenvervolging zo weinig verzet
onder de Nederlandse bevolking? Naar schatting nam niet meer dan vijf
procent van de bevolking actief deel aan het verzet.
Zoals
gezegd, een belangrijke rol moet hebben gespeeld dat na de inval het
koningshuis en de ministers naar Engeland vluchtten en dat de boodschap
van wat er van het Nederlandse bestuur resteerde er vooral uit bestond
dat met de bezetter zoveel mogelijk zou worden samengewerkt. In plaats
van op te roepen tot verzet was er integendeel de oproep om zich bij de
nieuwe situatie neer te leggen. Er was toch niets aan te doen, de Duitse
overmacht was immers overweldigend, en het was zaak om erger te
voorkomen.
Sociaalwetenschappelijk gezien werd daarmee de
terugtrekkingsreactie (de "immobilisatie") op de ontstane toestand van
ervaren sociale onveiligheid gelegitimeerd. En werd de vechtreactie
ontmoedigd.
Dat moet er ook mede een oorzaak van zijn geweest dat
de Nederlandse bevolking zo lankmoedig reageerde op de Jodenvervolging
die al aan het eind van 1940 op gang kwam. Waardoor in ons land een
groter deel van de Joodse bevolking kon worden afgevoerd en vermoord dan
in enig ander door de Duitsers bezet land. Over die rol van bestuur en
ambtenaren in volgende berichten meer.
Daarnaast moet ook een rol
hebben gespeeld dat die Jodenvervolging zich in kleine stapjes voltrok.
Van verplichte registratie naar ariërverklaring naar ontslag uit
overheidsdienst naar het persoonsbewijs naar de borden "Voor Joden
verboden" naar verwijdering van Joodse kinderen van openbare en
bijzondere scholen naar de invoering van de Jodenster naar het
reisverbod naar de gettovorming naar de razzia's en naar de transporten
naar Westerbork en naar de concentratiekampen. (Enkele tussenstapjes
ontbreken nog.)
Door die Duitse strategie van cumulerende kleine stapjes kon een proces van gewenning aan het kwaad in werking worden gezet. Bij de Nederlandse bevolking, bij de Nederlandse uitvoerders van de Duitse maatregelen (de boekhouders van de Holocaust, de politieleiding en -agenten en de NS-directie en -werknemers die de transporten verzorgden) en waarschijnlijk ook voor een deel bij de Duitse uitvoerders zelf. Want niet iedere Duitser was een kwaadaardige antisemiet.
Over dat proces van gewenning aan het kwaad schreven Tali Sharot en Cass Sunstein vorige week in de New York Times het essay Why People Fail to Notice Horrors Around Them.
Als het kwaad in kleine porties tot je komt, dan kan het zijn dat je
gaandeweg wandaden laat passeren waar je met grote morele
verontwaardiging op had gereageerd als die aan het begin hadden
gestaan.
Dat kan ook het geval zijn als dat kwaad in jezelf
huist. Sharot en Sunstein halen de onderzoeken van Stanley Milgram uit
het begin van de jaren zestig terug in de herinnering. Daaruit bleek dat
gewone mensen ertoe gebracht kunnen worden om aan iemand elektrische
shocks toe te dienen als een onderzoeker, met het gezag van de
wetenschap, hen daarom vraagt. Het ging Milgram erom te onderzoeken hoe
gehoorzaam mensen kunnen zijn.
Maar zijn resultaten laten ook
zien hoe mensen door gewenning tot kwaadaardig gedrag gebracht kunnen
worden. Want als je er eenmaal in toestemde om die schokken toe te
brengen, dan begon het met heel lichte schokken, die langzaam werden
opgevoerd. De proefpersonen kregen dus te tijd om er aan te wennen dat
ze iemand pijn toebrachten, waardoor sommigen zo ver doorgingen dat de
schokken levensbedreigend werden. ((In werkelijkheid was er niet een
ontvanger van die schokken, maar dat wisten de proefpersonen niet.) De
veronderstelling is dat de proefpersonen die doorgingen tot die
levensbedreigende schokken, er nooit in hadden toegestemd als hen aan
het begin was gevraagd om zo'n zware schok toe te brengen.
Als
dat zo is, dan moet er een gewenning aan de eigen kwaadaardigheid hebben
plaatsgevonden. Kwaadaardigheid in de zin van moreel afkeurenswaardig,
want de kern van onze moraal bestaat er immers uit dat je anderen geen leed toebrengt.
Dat gewenningsproces werd onderzocht in de studie The brain adapts to dishonesty,
met Tali Sharot als een van de onderzoekers. In dat onderzoek ging het
om zelfzuchtig oneerlijk gedrag waar iemand anders nadeel van
ondervindt. De onderzoekers konden met hersenonderzoek laten zien dat de
amygdala (de amandelkern), die reageert op onveiligheid, afnemend
geactiveerd werd bij herhaling van het oneerlijke gedrag. Oneerlijk
gedrag creëert onveiligheid omdat anderen er weet van kunnen krijgen en
er dan afkeurend op zullen reageren.
Als je dus eenmaal begint je
immoreel te gedragen en je komt er mee weg, dan neemt de stress die
daarvan het gevolg is, gaandeweg af. Doordat gaandeweg blijkt dat het
veilig is om te doen.
Mensen zijn morele wezens, maar dat houdt
niet in dat we allemaal bestand zijn tegen de gevaren van de gewenning
aan het eigen immorele gedrag. Dat proces moet haast wel ook een rol
gespeeld hebben in de passieve houding van verreweg de meeste
Nederlanders tegenover de Jodenvervolging gedurende de Duitse bezetting
van 1940-1945. Als je een keer de eerste "kleine" stapjes (de
registratie, de ariër-verklaring, de ontslagen) zonder protest hebt
laten gebeuren, dan neemt de kans dat je daarna nog in verzet komt,
sterk af.
Je amygdala reageert niet meer. Je kunt het kwaad voor jou veilig laten gebeuren.
Dat onderbouwt ook het pijnlijke vermoeden
dat het aan het relatieve gevoel van veiligheid van de Nederlandse
bevolking bijdroeg dat de Duitse agressie zich concentreerde op de
Joodse landgenoten.
Is er naast de
gewenning aan ook de onderschatting van het kwaad? - Een
sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de
Duitse Bezetting - 18 -
Hoe verder je vordert in Judith Koelemeijers biografie Etty Hillesum, Het verhaal van haar leven,
hoe moeilijker het wordt om door te lezen. Want je weet hoe dat leven
afloopt en je huivert alleen al bij de gedachte daaraan, laat staan bij
de beschrijving ervan.
Etty
was op 6 juni 1943 opnieuw in Westerbork aangekomen. (Ik realiseer me
dat ik drie dagen eerder werd geboren, in het Friese Akkrum, op 56
kilometer afstand van Westerbork. Het voelt alsof dat de gebeurtenissen
dichterbij brengt. Het was noch naar ruimte noch naar tijd ver weg.)
Etty was Joodse Raad-medewerkster en had een paar maanden "met verlof"
thuis in Amsterdam doorgebracht. Op dinsdagochtend 8 juni was ze er
getuige van dat een "transport" van 1350 vrouwen, 613 mannen en 1051
kinderen, dat een paar uur eerder uit kamp Vught was aangekomen, verder
werd gedeporteerd (p. 399-400):
Etty
had een rustig plekje gevonden in een uithoek van het kamp om te
schrijven. Ze zat in de zon, onder een prachtig blauwe hemel, tussen wat
laag struikgewas. De trein was volgeladen, de deuren gingen dicht. Ze
klom op een kist om het aantal wagons te tellen en kwam tot 35, maar ze
vergiste zich. In werkelijkheid waren het er liefst 46; het grootste
transport van Joden uit Nederland. Uit de openingen in de wagons staken
handen, "die zwaaiden, net als bij drenkelingen'. De bestemming was
Sobibor in Oost-Polen - maar dat wisten ze nog niet.
"De
locomotief geeft een vreselijke gil, het hele kamp houdt de adem in, er
vertrekken weer 3000 Joden. (...) De lucht is vol vogels, de paarse
lupinen staan daar zo vorstelijke en vredig, op die kist zijn twee oude,
keuvelende vrouwtjes gaan zitten, de zon schijnt op m'n gezicht en vlak
voor onze ogen geschiedt een massamoord, het is zo onbegrijpelijk
alles."
---
Massamoord,
schreef Etty. Alsof ze wist dat niemand van de gedeporteerden het
vernietigingskamp Sobibor zou overleven. Maar zo duidelijk was het voor
Etty niet, óók niet in de zomer van 1943. Ze begreep wel dat de
zwakkeren - zieke kinderen, bejaarden - weinig kans maakten de
dagenlange treinreis of de ongetwijfeld barre omstandigheden in het
'werkkamp' te overleven."Verschillende baby's met longontsteking liggen
daar in de goederenwagens," noteerde ze ontzet. Maar dat er in het
oosten werkelijk een massamoord plaatsvond, een industriële vernietiging
van mensenlevens, daarvan had ze geen idee.
De
bange vermoedens die er natuurlijk waren, moeten zijn verdrongen. Etty
heeft het over een "werkkamp" waar ze terecht zullen komen. Met
ontberingen, maar misschien toch een kans om te overleven.
"Reeds
honderdduizend van onze rasgenoten uit Holland zwoegen onder een
onbekende hemel of liggen te rotten in een onbekende aarde. Wij weten
niets over hun lot."
Dat laatste zinnetje werd de titel van het in 2012 verschenen 'Wij weten niets van hun lot'. Gewone Nederlanders en de Holocaust
van Bart van der Boom. In 2022 is het heruitgegeven, maar ik heb een
paar dagen geleden de uitgave uit 2012 via boekwinkeltjes.nl
aangeschaft.
Bart van der Boom probeert
daarin aan de hand van bestudering van 164 dagboeken uit de tijd van de
bezetting de vraag te beantwoorden wat de Nederlanders wisten van de
Holocaust, dus van die industriële massamoord op de Joden (en de Sinti
en de Roma). Ik heb het in die paar dagen natuurlijk nog niet helemaal
kunnen lezen (het telt ruim 500 pagina's). Maar in de laatste twee
alinea's van hoofdstuk 11 (Kennis; gewusst?) geeft Van der Boom zelf deze samenvattende conclusie:
De
gewone Nederlander wist niets over het lot van de Joden. Maar hij
vermoedde, veronderstelde, vreesde wel iets. Hij bezat geen zekerheid,
maar wel een verwachting. En die verwachting viel binnen een duidelijke
bandbreedte. Aan de en kant werd die begrensd door de werkelijkheid van
Auschwitz en Sobibor. Die was voor de tijdgenoot onvoorstelbaar. De
meeste mensen overwogen de mogelijkheid van onmiddellijke, industriële
moord niet eens; ze verwachtten, zo is wel gezegd, het ergste - niet het
ondenkbare.
Maar dat
betekent niet dat de gewone Nederlander de leugens van reguliere
arbeidsinzet geloofde; die leugen vormde de andere grens van de
bandbreedte. Niemand zag de deportatie van de Joden als een onschuldige
operatie. Dat zij slecht behandeld zouden worden, dat er op termijn veel
doden zouden vallen, was vanzelfsprekend. De vraag was hóé slecht,
hoevéél doden en op wélke termijn. Dat was allemaal hoogst onzeker.
Wat hier ongetwijfeld een cruciale rol heeft gespeeld, is die van de
onvoorstelbaarheid. Dat is ook de titel van een paragraaf van dat
hoofdstuk (p, 383-383). Gevolgd door een paragraaf met Verdringing als
titel. Die twee begrippen grijpen in elkaar.
Die
onvoorstelbaarheid komt voort uit de innerlijk tegenstrijdige
menselijke sociale natuur. Als het gemeenschapspatroon actief is, dan
kunnen we ons de uitwassen van het statuscompetitiepatroon (het kwaad)
niet dan met grote moeite of zelfs helemaal niet en al helemaal niet
levendig voor de geest halen. Het is onvoorstelbaar. Het is hoogstens een besef van een abstracte mogelijkheid, waar we inderdaad met verdringing op reageren.
Dat betekent dat er naast de gewenning aan het kwaad, als het met kleine stapjes tot ons komt, ook altijd een proces is van de onderschatting van het kwaad.
Want
als de uitwassen van het statuscompetitiepatroon sterk gedoseerd onder
onze aandacht worden gebracht, dan kan dat ertoe leiden dat ons eigen
statuscompetitiepatroon beetje bij beetje wordt geactiveerd. Het kwaad
wordt "genormaliseerd". We leggen ons erbij neer en proberen er onder de
gegeven omstandigheden voor onszelf het beste van te maken.
Beide
processen, de gewenning aan en de onderschatting van het kwaad zullen
een rol hebben gespeeld in hoe Nederlanders reageerden op de Duitse
bezetting en de Jodenvervolging.
Waar ligt het moment
dat het kwaad moet worden tegemoetgetreden? - Een
sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de
Duitse Bezetting - 19 -
De opening van het Nationaal Holocaustmuseum
in Amsterdam doet ons terugdenken aan het verleden, aan de geschiedenis
van de Jodenvervolging in Nederland, maar is evenzeer een oproep om de
actualiteit van het huidige rechts-extremisme onder ogen te zien. Zoals je op de website van het museum kunt lezen:
Hier komen bezoekers te weten hoe de Holocaust heeft kunnen gebeuren,
wie de slachtoffers en verantwoordelijken waren en hoe we kunnen
voorkomen dat dit opnieuw gebeurt. (...)
In het Nationaal Holocaustmuseum herdenk je de slachtoffers en bespreek
je de gevolgen van onverschilligheid en discriminatie, toen en nu.
Een
antwoord op de vraag hoe het kon dat Nederlanders het lieten gebeuren
dat driekwart van hun Joodse landgenoten werden afgevoerd en vermoord,
is niet alleen van historisch, maar ook van groot actueel belang. En het
is een bijzonder geval van de fundamentele sociaalwetenschappelijke
vraag naar de voorwaarden waaronder de extreme uitingsvormen van het
statuscompetitiepatroon, het kwaad, in een samenleving ruim baan
krijgen.
Wat die laatste vraag betreft,
zagen we al hoe het natuurlijke tegenwicht tegen het kwaad van dat
statuscompetitiepatroon, het gemeenschapspatroon, kan falen als het
kwaad in kleine stapjes wordt toegediend. Er kan dan namelijk een switch
plaatsvinden naar de activering van het statuscompetitiepatroon. Want
hoe meer mensen dat patroon in hun omgeving waarnemen, hoe groter de
kans dat ook hun eigen gedrag erdoor geleid gaat worden. Geheel volgens
Stelling 2 van de Dual Mode-theorie.
Het
beeld van een onveilige wereld wordt dan overgenomen. Waardoor je ook
gaat geloven dat er vijanden zijn (de Joden, de vreemdelingen, de linkse
intellectuelen) die moeten worden bestreden. Of waardoor je in je
schulp kruipt en probeert om het er door die "immobilisatie" nog zo goed
mogelijk van af te brengen. In het eerste geval wordt je een meeloper
of een collaborateur. En in het tweede geval maak je je kwetsbaar voor
de beschuldiging van de onverschilligheid, van het wegkijken.
En
we zagen dat mensen zich er zolang hun gemeenschapspatroon geactiveerd
is, maar moeilijk het kwaad van dat statuscompetitiepatroon kunnen
voorstellen. We kunnen aan ons beeld van een veilige wereld zo lang
mogelijk willen vasthouden en daardoor het kwaad laten voortwoekeren tot
het te laat is.
Er zijn dus
verschillende wegen waarlangs het "gemeenschapsverzet" tegen het kwaad
van het statuscompetitiepatroon niet tot stand komt. Terwijl dat verzet
soms zo hoog nodig is.
Daarmee zijn we aangekomen bij het onderscheid dat Richard Wrangham in zijn The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution maakt tussen reactieve en proactieve agressie.
Reactieve
agressie is de agressie die voortkomt uit het geactiveerd zijn van het
statuscompetitiepatroon. Je gaat er vanuit dat het in de wereld draait
om ieder-voor-zich en dat je dus altijd op je hoede moet zijn en geen
gelegenheid voorbij moet laten gaan om te laten zien hoe sterk en
krachtig jij bent. Alles is al snel een aanleiding om je te laten gelden
en anderen op hun nummer te zetten. Het is de vorm van agressie die je
bij vrijwel alle dieren tegenkomt, omdat het statuscompetitiepatroon nu
eenmaal zo wijd verbreid is. Wrangham noemt het the "hot" type of aggression. Hot in de zin van direct voortkomend uit de emoties van het onveilige wereldbeeld van het statuscompetitiepatroon.
Daarentegen
heeft zich in de menselijke evolutie ook het vermogen tot proactieve
agressie ontwikkeld. En dan gaat het precies over dat gemeenschapsverzet
tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon. Die proactieve
agressie heeft het mogelijk gemaakt dat de mensheid zichzelf heeft
"gedomesticeerd". Dat wil zeggen, zich tot een soort heeft ontwikkeld
die in grote mate staat is tot onderlinge goedaardigheid, dus tot
gemeenschapsgedrag.
Maar daarvoor was
nodig dat mensen in dat verzet, dus het verzet tegen degenen die de baas
willen spelen en willen onderdrukken en overheersen, en met dat oogmerk
reactief agressief zijn, onderling samenwerkten. En precies dat is waar
onze vroege voorouders, de jager-verzamelaars, toe in staat waren. Ze
wisten door collectief optreden, voorafgegaan door onderling overleg,
eerst zachtzinnig, zoals door overreding en sociale uitsluiting, maar zo
nodig met "proactieve agressie", overheersingsgedrag te onderdrukken.
Wrangham geeft daar fraaie beschrijvingen van, deels op basis van
onderzoek door Christopher Boehm (Moral Origins. The Evolution of Virtue, Altruism, and Shame). Die proactieve agressie is "cold", planned and deliberate.
Dat
het gemeenschapsverzet in die jager-verzamelaars samenlevingen vaak
succesvol was, komt doordat het statuscompetitiegedrag meestal maar bij
een enkel groepslid voorkwam, snel werd opgemerkt en er daardoor snel op
kon worden gereageerd. Dat is een groot verschil met huidige
samenlevingen, waarin immers statuscompetitiegedrag en de bijbehorende
agressie zich gemakkelijk kan uitbreiden. Zoals wanneer een vijandelijk
leger met kwaadaardige bedoelingen je land binnenvalt. Of zoals wanneer
kwaadaardig rechts-extremisme zich weet uit te breiden.
Wat bepaalt dan de kans dat gemeenschapsverzet zal ontstaan en succesvol is? In plaats van die switch naar het statuscompetitiepatroon of van dat in je schulp kruipen?
Het begint met verbale agressie - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 20 -
Het lijkt erop dat het gemeenschapsverzet tegen het kwaad van de
onderdrukking en overheersing van het statuscompetitiepatroon tegen twee
problemen aanloopt:
- het
probleem van de kleine stapjes. Als het kwaad zich stapsgewijs
ontwikkelt, dan dreigt het gevaar dat we het te lang laten gebeuren,
waardoor we in een latere fase uit ons eigen gedrag en dat van anderen
gaan opmaken dat het aanvaardbaar of zelfs wenselijk is. We maken dan
een switch van het gemeenschapspatroon naar het
statuscompetitiepatroon. Dat houdt in dat we in het wereldbeeld van
onveiligheid terechtkomen, waarop statuscompetitiegedrag het passende
antwoord is.
- het probleem van de onderschatting. Als je
gemeenschapspatroon geactiveerd is, dan is dat het resultaat van een
sociaal proces, namelijk van het elkaar verschaffen van sociale
veiligheid door middel van gemeenschapsgedrag. Gemeenschapsgedrag is ons
dan vertrouwd, waardoor informatie over statuscompetitiegedrag moeilijk
cognitief verwerkt wordt. En dat maakt dat de omvang van het kwaad dat
uit de activering van het statuscompetitiepatroon voortkomt, moeilijk
voorstelbaar is. De informatie dringt niet tot ons door. Dus
onderschatting. Zie ook Why is it hard to believe that some people are evil?
Als die problemen inderdaad bestaan, dan zouden we daar iets aan moeten doen.
Er
is natuurlijk een oplossing die zich gemakkelijk opdringt: wees bedacht
op die eerste kleine stapjes en onderschat die niet. Maar dat vereist
inzicht in de aard van die eerste kleine stapjes.
Daar valt
met enige reflectie wel iets over te zeggen. Want wat is het eerste
signaal van statuscompetitiegedrag? Dat is natuurlijk de verbale
agressie, het beledigen, intimideren, kleineren, bespotten, bedreigen,
pesten.
In het statuscompetitieve wereldbeeld
zijn er vijanden, die als minderwaardig gezien worden en die moeten
worden bestreden. Dat die vijanden bestaan is een bedreiging voor de
eigen superioriteitsclaim en daar moet altijd als eerste stap met
verbale agressie, met het naar beneden halen, op gereageerd worden.
Die
voortkomt uit een gemoedstoestand die vroeg of laat ook fysieke
agressie, of oproepen tot fysieke agressie, teweegbrengt. Maar verbale
agressie is de eerste uitingsvorm van de activering van het
statuscompetitiepatroon. Zie ook
Het allereerste
waarschuwingssignaal - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe
Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 21-
In de documentaire Werktuig van de nazi's
komt journalist Hans Knoop aan het woord. Hij schreef een boek over het
optreden van de Joodse Raad gedurende de Duitse bezetting van
1940-1945.
Hij zegt daar een paar keer dat de Joodse Raad moest
handelen "in een vacuüm". Daar bedoelt hij mee dat het Nederlandse
bestuur en de Nederlandse ambtenaren de Jodenvervolging hebben laten
gebeuren en er zelfs aan hebben meegewerkt. Tegen dat licht moet het
optreden van de Joodse Raad worden beoordeeld.
Er valt wat voor
te zeggen dat Asscher en Cohen, de twee voormannen van de Raad, er
weliswaar nog het beste van probeerden te maken, maar dat ze toch ook
medeplichtig waren aan de deportatie van de Joden. Doordat ze in feite
uitvoering gaven aan de anti-Joodse maatregelen die de Duitsers
oplegden.
Toch is hen dat na de oorlog niet nagedragen, dat wil
zeggen niet in de zin dat ze voor een rechter werden gedaagd om
verantwoording af te leggen. Hoe kon dat? Hans Knoop daarover (vanaf
38:42 in de documentaire):
Als
Asscher en Cohen daadwerkelijk een strafproces zouden hebben gekregen
waarin hen medeplichtigheid aan de moord op 106.000 Nederlandse Joden
ten laste zou worden gelegd, dan zouden ze hun mond hebben
opengetrokken. Dan zouden ze de rechters hebben verteld in welk vacuüm
ze hebben moeten opereren. Hoe de rechterlijke macht heeft
gecollaboreerd. Welke rechter kan een oordeel uitspreken over Asscher en
Cohen? De Nederlandse rechters bleven in functie toen hun allerhoogste
baas, de president van de Hoge Raad, heeft moeten aftreden. Er is er
niet één geweest die solidair met mr. Visser was, de aftredende
president van de Hoge Raad. Asscher en Cohen zouden een ontluisterend
beeld van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben geschetst.
Daar zat Nederland op dat moment niet op te wachten.
Een ontluisterend beeld van Nederland.
Net
zo is het optreden van de Hoge Raad, Nederlands hoogste rechtscollege,
gedurende de bezetting lang geen onderwerp geweest van kritische
beoordeling. Uiteindelijk verscheen in 2011 De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog
van Corjo Jansen. Mr. Visser was Joods en moest als president aftreden
als onderdeel van de anti-Joodse maatregelen. De overige leden van de
Hoge Raad legden zich daarbij zonder protest neer en bleven aan.
Het
heeft lang geduurd voordat Nederland uiteindelijk wel onder ogen ging
zien hoe ontluisterend dat beeld was. Rob Bakker in de Inleiding van
zijn in 2020 verschenen Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie (p. 12-13):
In
dit boek wordt duidelijk gemaakt dat in Nederland de collaboratie in de
Jodenvervolging geen zaak was van individuele ambtenaren, maar dat het
gehele Nederlandse overheidssysteem onder leiding van de
secretarissen-generaal, de Joodse populatie stap voor stap opofferde aan
het voortbestaan van zijn eigen bestuur. Dat werd gezien als een
landsbelang, dat in een reeks van fatale ambtelijke beslissingen
uitsteeg boven het belang van een minderheidsgroepering als de Joden.
Het
systeem van de bureaucratie overleefde omdat het behoud van het bestuur
de eerste prioriteit was van alle onderdelen en lagen van het systeem.
De collectieve verantwoordelijkheid dekte iedere individuele
verantwoordelijkheid af, maakte iedere ambtelijke beslissing in de
anti-Joodse maatregelen juridisch deugdelijk in de naoorlogse
beoordeling. Na de oorlog is er ook geen enkele ambtenaar in functie
veroordeeld vanwege medewerking aan de Jodenvervolging.De Nederlandse
overheid bood als laatste West-Europese land in 2020 haar excuses aan
voor haar rol in de Jodenvervolging.
Toen
de naoorlogse discussies over die individuele en collectieve
verantwoordelijkheid uiteindelijk op gang kwamen, heeft daarin een rol
gespeeld in hoeverre mensen (de leden van de Joodse Raad, de Nederlandse
rechters en ambtenaren, de Nederlandse bevolking) er wel van op de
hoogte waren dat de afgevoerde Joden industrieel werden vermoord.
Daarover schreef Bart van der Boom 'Wij weten niets van hun lot'. Gewone Nederlanders en de Holocaust (2012). Dezelfde discussie speelde speelde natuurlijk ook in Duitsland (Peter Longerich, "Davon haben wir nichts gewusst!" Die Deutschen und die Judenverfolgung 1933 - 1945). Zie voor meer daarover ook "Davon haben wir nichts gewusst"- Over geweld en propaganda.
Maar
de vraag of men van dat lot wel of niet op de hoogte was, gaat er
geheel aan voorbij dat die verantwoordelijkheid natuurlijk al veel
eerder begon dan het moment dat de Joden werden opgepakt en afgevoerd.
Die was al begonnen met de ambtelijke registratie van de Joden. En met
de eis van ondertekening van de ariërverklaring.
Dat
waren al maatregelen die met zelfs een minimum van moreel besef nooit
hadden moeten worden geaccepteerd. Laat staan dat er aan de uitvoering
ervan werd meegewerkt. Maatregelen die overduidelijk al in strijd waren
met de morele gemeenschapsintuïties van iedereen-telt-mee. Die
onmogelijk als "onschuldig" konden worden beschouwd.
Dat
dat laatste toch gebeurde, blijft een uiterst ongemakkelijke en
verontrustende constatering. Verontrustend, omdat zoiets dus weer kan
gebeuren.
In dat licht is het zo
belangrijk om onder ogen te zien dat het kwaad van de Holocaust, en het
kwaad in zijn algemeenheid, altijd al, nog voorafgaand aan de eerste
maatregelen, begint met de verbale agressie. Het allereerste waarschuwingssignaal is de verbale agressie.
Dat zou een wijdverbreid inzicht moeten zijn
Een uiterst belangrijke vraag - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 22 -
In Hoofdstuk 5 van Rob Bakkers Boekhouders van de Holocaust (2020) gaat het over de ariërverklaring. De Duitsers wilden registratie van alle Joodse ambtenaren en om dat te
bereiken eisten ze van alle ambtenaren een verklaring dat zij "ariër"
dan wel "geheel of gedeeltelijk" Joods waren. Anders gezegd, er moest
onderscheid gemaakt worden, er moest worden gediscrimineerd.
De
Duitse eis kwam in de eerste week van september 1940 binnen bij het
College van Secretarissen-Generaal (SG) in de vorm van een brief waarin
om een opgave werd gevraagd van alle ambtenaren die geheel of
gedeeltelijk Joods waren. Rob Bakker (p. 143-145):
Waarom deze opgave werd gevraagd, werd niet nader uitgelegd, maar het kon niet onbekend zijn dat in 1933 in nazi-Duitsland het Berufsbeamtengesetz
werd ingevoerd, waardoor Joden werden uitgesloten van bepaalde
beroepen. De notulen van het College van SG geven geen discussie over de
rechtmatigheid van de eis van een niet-Joodverklaring.
Integendeel,
er volgden "lange besprekingen (...) over de opstelling van het
vragenformulier, dat bekend zou worden als de ariërverklaring".
Het
ging niet om een letterlijke verklaring van ariërschap - waar ook geen
definitie van werd gegeven - maar om een onmiskenbare
niet-Joodverklaring met de tekst 'dat naar beste weten noch hijzelf,
noch zijn echtgenote/verloofde, noch een zijner ouders of grootouders
ooit heeft behoord tot de Joodse geloofsgemeenschap'.
De rechtmatigheid stond dus niet ter discussie. Het College van SG ging over tot uitvoering van de Duitse aanwijzingen.
Vervolgens
maakten de notulen, zonder enige reactie aan te geven, melding van een
onheilspellende mededeling (van de Duitsers) aan secretaris-generaal
Hirschfeld die zal worden opgedragen 'opgave te doen van al het vermogen
in Joodse handen, alsmede alle hier te lande vertoevende Joden'.
Dat
de Duitsers de registratie van Joden wilden was natuurlijk al
onheilspellend genoeg. Dat ze ook nog de vermogens wilden weten, had dat
dan niet een grens moeten zijn die niet diende te worden overgestoken?
Nee, hoor.
Begin
oktober werd de registratie van de Joodse ambtenaren gestart met een
eerste alomvattende registratie van alle overheidsmedewerkers. Hier
werden alle ambtenaren op alle niveaus voor het eerst aan den lijve
geconfronteerd met een ambtelijke discriminatie van Joden - geen
anonieme Joodse burgers, maar collega's. Uiterlijk 1 november 1940
moesten alle formulieren ingevuld en opgestuurd zijn naar het
departement.
Naar het departement. De
registratie van Joden en hun vermogens werd uitgevoerd door een
Nederlandse instantie en door Nederlandse ambtenaren.
Was
daartegen geen verzet? Niet of nauwelijks. Rob Bakker noemt twee
ambtenaren die weigerden mee te werken en ontslag namen. Een van de twee
werd door de Duitsers, tot maart 1943, gegijzeld.
Hadden ze niet het werk kunnen weigeren? Hadden niet heel veel ambtenaren massaal het werk kunnen weigeren?
Ja,
natuurlijk, dat had gekund. Net zo als het College van SG had kunnen
weigeren om uitvoering te geven aan de Duitse eis. Maar dat gebeurde
niet. Hoe kan dat?
Een uiterst
belangrijke vraag, die je wel tot de kern kunt rekenen van de
sociaalwetenschappelijke bestudering van het menselijk gedrag. Die dus
ook een actuele betekenis heeft.