zondag 15 mei 2022

Zondagochtendmuziek - LANTUAT SYMPHONY № 4 "TO THE FARAWAY BELOVED"

In de serie (voor mij) onbekende componisten is vandaag Lantuat Nguen (Nguyễn Lân Tuất) aan de beurt. Lantat Nguen werd geboren in 1935 in Hanoi, Vietnam, en overleed in 2014 in Novosobirsk, Rusland. In 1959 ging hij naar Rusland om daar in (toen nog) Leningrad te studeren. Toen de relaties tussen Noord-Vietnam en de Sovjet-Unie verslechterden, werd hem gesommeerd om naar Hanoi terug te keren. Om 'heropgevoed te worden". Toen hij dat weigerde, werd hij als verrader bestempeld en werd hij banneling. Hij moet ook nog in (toen) Kiev (nu Kyiv) en Lvov gewoond en gewerkt hebben. Sinds 1983 tot aan zijn dood in 2014 was hij hoogleraar aan het Conservatorium in Novosobirsk.

Na wat zoeken vond ik dit interview met hem uit 2012: Composer, who are thee? – The Russians love him: Lantuat Nguen. Over zijn Vierde Symfonie "To the faraway beloved", die hier in 2000 in Novosobirsk door Novosibirsk Philharmonic Camerata wordt uitgevoerd, vertelt hij

I really take my time with composing. There are people my age who author hundreds of works. I take time to think, sometimes years. Actual  writing is then pretty fast. The first movement, Adagio, of Symphony N 4, for example, is about my first love. It was 1953 or 1954, I was in the Vietnamese Artillery division, the first of its kind then. I met and fell in love with a singer named Tuấn Hồng from the Performing Troupe. I was 19 and she 15. Then, in 1959 when I went to the Soviet Union to study, we lost contact completely. By accident, I came across her in Sài Gòn in 1989 at the time she was getting ready to immigrate to Australia. Going back to Russia, I finished Adagio overnight. It is, however, one movement in Symphony N 4 titled “To The Faraway Beloved” that I completed in 1995 and dedicated to all the Vietnamese living abroad, myself included. “Adagio” is the contemplation about lives of Vietnamese people abroad. The second movement “Valse” is about my memories of the homeland. The third movement “Di Profundis” is a requiem for those Vietnamese buried under the sea on their search for freedom.

Na afloop komt de componist het podium op om applaus in ontvangst te nemen. 

Prachtige muziek!

vrijdag 13 mei 2022

Hoe de wapens in december 1944 waarschijnlijk naast ons huis belanden - en over rare tijden met grote risico's

Hoe kwamen een paar maanden voor de Bevrijding in 1945 die wapens bij ons in de bijkeuken terecht? In het vorige bericht en de berichten daar voor vertelde ik hoe mijn vader (Heit) betrokken raakte bij het verzet, dat wil zeggen bij het werk van de organisatie voor hulp aan onderduikers (LO). Er werden eind 1944 op verschillende locaties in Friesland door de Engelsen wapens gedropt, ten behoeve van sabotage acties door het verzet om de opmars van de geallieerden te ondersteunen en en ten behoeve van de uit het verzet voortgekomen Binnenlandse Strijdkrachten. De verspreiding van die wapens was een ingewikkelde en riskante operatie. Mijn vader heeft waarschijnlijk nooit geweten hoe die wapens in een nacht naast ons huis terechtkwamen. Hij trof ze daar 's ochtends aan en verborg ze, tot aan de bevrijding van Akkrum op 15 april 1945, in de bijkeuken.

Hij zal een vermoeden hebben gehad dat degenen die die wapens transporteerden, ze ergens kwijt moesten en dat ons huis hen een geschikte bestemming toe leek. Ze moeten dus geweten hebben dat dit een betrouwbaar adres was. En ze moeten tijdens dat transport in de buurt geweest zijn.

Nu, vele jaren later en lang na het overlijden van Heit in 1998, is het mogelijk om enig zicht te krijgen op wat er toen waarschijnlijk is gebeurd. Het moet gaan om wapens die op 3 december 1944 zijn gedropt in de Deelen, tussen Tijnje en Oldeboorn (Aldeboarn). Tsjitse Dotinga schrijft over het transport en de verspreiding van die wapens en baseert zich op wat anderen daar over schreven en zijn eigen herinneringen. Zie HET VERHAAL VAN DE WAPENS VOOR DISTRICT IX. Je leest er ook over in Verzet en verraad in de Lege Geaën van Hessel Bouma (p. 108-9) en in Deel III van Bezettingstijd in Friesland van P. Wijbenga (p. 261-2).

Hessel Bouma vertelt dat die wapens na de dropping op 3 december in de woonboot van Popke Zwerver, die in het afgelegen water- en rietgebied de Deelen lag, waren opgeborgen en dat ze op 12 december voor het District IX met een praam werden opgehaald door twee mannen uit Terzool, Ferdinand Keulen en Pieter Sikkema. Dat moet onder zeer barre weersomstandigheden gebeurd zijn. Volgens het KNMI begon die strenge winter van 1944-45 halverwege december. Uit Rusland kwam polaire lucht ons land binnen. Maar op 12 december zal het dus al wel flink koud zijn geweest, maar zal er nog geen ijs hebben gelegen.

Hessel Bouma over de tocht van de twee mannen:

(De wapens) werden opgehaald met een praam via de Brekken, door het Terzoolster sluisje langs Terhorne naar Akkrum. Vandaar ging het door Oldeboorn, naar de Deelen, onder barre weersomstandigheden. De praam moest worden voortbewogen met een boom of lopend vanaf de wal met een lijn worden getrokken. Bij Popke Zwerver werden de wapens goed gecamoufleerd, eerst onder een laag riet en dan onder een laag turf. Zo konden beide mannen voor turfhalers doorgaan...

Op de terugweg ging het eerst naar Grouw, waar het deel bestemd voor de Grouwster en Wargaaster BS werd overgenomen door Sikke Bangma en Pieter Eisenga. Die twee hebben de wapens bij Hendrik van der Meer onder Goëngahuizen ondergebracht. Het deel voor Warga is daar vrij snel weer weggehaald. De rest is daar, na zware mishandeling van Bangma door de Duitsers, door hen gevonden. Daarna gingen ze weer naar Akkrum. (...) In Akkrum wachtte hen een teleurstelling. De boer, bij wie ze dachten het voor de BS van Utingeradeel bestemde deel te kunnen lossen, weigerde de ontvangst. Dus werd de terugtocht met alle wapens aanvaard via Terhorne en het Terzoolster sluisje naar de Brekken.

Vervolgens lees je over de problemen die ze daar nog moesten overwinnen. 

Maar tijdens die terugtocht zijn ze over de Boorn, die veel later tot twee keer toe is omgelegd ten behoeve van woningbouw, vlak achter ons huis langs gevaren. Het moet ondertussen nacht zijn geworden. Ze moeten hebben aangelegd en het voor Utingeradeel bestemde deel van de wapens naast ons huis hebben neergelegd. Het moet zo geweest zijn dat Popke Zwerver, die op de hoogte was van de rol die mijn vader speelde bij de voedselvoorziening van de onderduikers (zie het vorige bericht), hen ons huis heeft aangewezen als een geschikte bestemming voor het geval dat die eerdergenoemde boer de wapens zou weigeren. Daar werd kennelijk al rekening mee gehouden.

Natuurlijk was het niet gebruikelijk om wapens achter te laten zonder de ontvanger van tevoren om toestemming te vragen. Maar het waren rare tijden. Waarin grote risico's moesten worden genomen en niet altijd alleen voor jezelf. Bij Wijbenga lees je dat ook een deel van de resterende wapens bij Terzool "zonder diens voorkennis bij Y. Beeksma in het schiphuis (werden) opgeslagen." (Deel III, p. 262). Wordt vervolgd.

woensdag 11 mei 2022

Over de voedselvoorziening aan onderduikers tijdens de bezetting (vervolg)

Het zal ergens in 1943 geweest zijn dat mijn vader (Heit) zich bereid verklaarde om mee te werken aan de (illegale) voedselvoorziening aan onderduikers in Friesland. Op de slachterij waar hij werkte, de FCE in Akkrum, legde hij overdag zo onopvallend mogelijk vlees op zij om dat 's nachts met een roeibootje op te halen. Zie hier het vorige bericht. Wat valt er nu, meer dan driekwart eeuw later, nog boven water te halen over hoe dat vlees werd verspreid over de boerderijen waar mensen zaten ondergedoken? Of algemener, over hoe de voedselvoorziening aan onderduikers verliep?

Van de enkele keren dat Heit na de oorlog over zijn illegale werk vertelde, hebben mijn jongere broer Thom en ik overgehouden dat daar op zijn minst twee dorpsgenoten bij waren betrokken, een werknemer van de boterfabriek, die bekend stond als "de Kûper", van wie ik de echte naam nooit heb geweten, en Cees Postma, de visboer van het dorp. De boterfabriek lag ook aan de Boorn, maar dan meer richting de dorpskern. (Alles ten oosten van de spoorweg.) 

De Kûper (Kuiper) zal verantwoordelijk zijn geweest voor de botervaten, waarvoor het hout werd geleverd door Halbertsma in Grou. In Grou staat een beeld van een kuiper. Zijn betrokkenheid duidt er op dat er ook boter illegaal terechtkwam bij onderduikers. Opmerkelijk is dat hij in het laatste van het rijtje huizen woonde dat bij de boterfabriek hoorde, vlakbij het haventje waar melk werd aangevoerd. Net als mijn vader kon hij dus 's nachts vrijwel ongezien opereren.

Verder valt te vermoeden dat Cees Postma erbij betrokken was omdat hij zal hebben beschikt over een koeling en zijn viswinkel, weliswaar middenin in het dorp, maar ook aan het water lag en dus met het roeibootje bereikbaar. Ik stel me voor dat Heit en de Kûper 's nachts samen opereerden en de spullen afleverden bij Cees Postma. Vandaar uit zullen vlees en boter verder zijn verspreid.

Over hoe dat in zijn werk ging, is weinig te achterhalen. Misschien verliep het zo goed dat er later weinig over is geschreven. In het hoofdstuk over de LO in Friesland in Deel II van Pieter Wijbenga's Bezettingstijd in Friesland (1995) lees je op p. 73 dat "op lager niveau de verzorging van de onderduikers vrijwel geruisloos verliep". 

Maar verderop lees je dat de Duitsers in de loop van 1944 actiever werden in het opsporen van onderduikers. En dan kom je een verhaal tegen over een andere dorpsgenoot, Sjerp de Vries, die in het verzet Piet werd genoemd. Hij was voor de LO verantwoordelijk voor het district Utingeradeel en Rauwerderhem en was als technisch ambtenaar in dienst van de gemeente Utingeradeel, waarvan het gemeentehuis in Akkrum stond. (Dat staat er nog steeds, tegenover het station, maar is nu een woonhuis. Die gemeenten bestaan natuurlijk al niet meer.) Dat hij voor zijn werk vaak de weg op moest, gaf hem een dekmantel voor zijn activiteiten in het kader van de verdeling van voedsel over boerderijen met onderduikers. Wijbenga vertelt dan (p. 289) dat Piet "op een ongeluksdag" begin mei 1944:

over Terhorne, Terkaple en Akmarijp (fietst) in de richting van Joure. Onderin zijn fietstassen lagen bonkaarten die hij moest bezorgen, daarboven vlees in pakjes. Het laatste was afkomstig van de coöperatieve exportslachterij in Akkrum die grotendeels voor de Duitsers werkte; door de goede zorgen van Popke Zwerver werd echter een deel achtergehouden voor onderduikers, vooral Joden, die niet in rijk voorziene boerderijen onderdak hadden gevonden.

Het verhaal gaat dan verder dat Piet door landwachters (Nederlanders in Duitse politiedienst) wordt aangehouden en dat die het vlees ontdekken. Ze willen hem arresteren, maar hij weet op een onbewaakt ogenblik te ontvluchten. Toch wordt hij later thuis opgehaald en opgesloten in de politiecel in het gemeentehuis. Daaruit wordt hij bevrijd door toedoen van de burgemeester (!), P.M. van Baerdt van Sminia, die echter werd verraden en dat niet overleefde. Lees hier meer daarover.

Daarmee hebben we dus een inkijkje in hoe die verdeling van het voedsel over de onderduikers verliep. En in de risico's die daarbij moesten worden gelopen. 

En er valt de naam van Popke Zwerver, de naam die na de oorlog ook wel eens door Heit werd genoemd, die schaarse keren dat hij wel wat wilde vertellen. Diezelfde Popke Zwerver zullen we ook tegenkomen als het gaat over de vraag hoe die wapens bij ons in de bijkeuken terechtkwamen. Daarover in het volgende bericht.

maandag 9 mei 2022

Een toename van bestaansonzekerheid wakkert het statuscompetitieve wereldbeeld aan en samenzweringstheorieën zijn daar onderdeel van

Er zijn op dit blog al veel berichten voorbijgekomen over de grote negatieve effecten van een toename van bestaansonzekerheid. Kijk achter het label bestaansonzekerheid

Overkoepelend valt over die effecten te zeggen dat ze voortkomen uit het statuscompetitieve wereldbeeld dat door bestaansonzekerheid wordt aangewakkerd. Een toename van bestaansonzekerheid kan een individuele ervaring zijn, bijvoorbeeld als gevolg van werkloos worden. Maar het kan vooral ook op grotere schaal voorkomen als gevolg van snelle en ingrijpende maatschappelijke en economische veranderingen. In de studie The Complex Relationship Between Conspiracy Belief and the Politics of Social Change noemt Christopher M. Federico de veranderingen in Oost-Europese landen na de val van de Sovjet-Unie als voorbeeld. Maar er valt natuurlijk ook te denken aan de ongeveer in dezelfde periode door de neoliberale politiek in gang gezette maatschappelijke en economische veranderingen in westerse landen die de bestaanszekerheid vergrootten. Zie Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd? 

De kern van dat statuscompetitieve wereldbeeld is dat de wereld onveilig is en een eerste indicatie voor onveiligheid is een gebrek aan vertrouwdheid. Niet alleen kunnen die snelle en grootschalige veranderingen de fysieke bestaansonzekerheid vergroten (dreigende armoede), maar daarnaast kan ook dat verlies van vertrouwdheid het gevoel van controle over het leven aantasten. En vooral dat laatste lijkt er de oorzaak van te zijn dat een toename van bestaansonzekerheid de kans op het ontstaan van samenzweringstheorieën vergroot. 

Federico noemt Richard Hofstadter (1916 - 1970) als een van de eersten die dat verband onder de aandacht bracht. In zijn The Paranoid Style in American Politics and Other Essays uit 1966 maakte Hofstadter aannemelijk dat maatschappelijke veranderingen rechts-extremistische samenzweringstheorieën aanwakkerden, waarin "kosmopolieten" en "intellectuelen" en voorstanders van de verzorgingsstaat ("socialisten") als vijanden werden aangewezen. We zien nu, in 2022, dat de Republikeinse partij dat rechts-extremistische, statuscompetitieve wereldbeeld weer volledig heeft omarmd.

Als je de recente ontwikkelingen in die partij een beetje probeert te volgen, dan valt je op hoezeer Hofstadters karakterisering van het toenmalige rechtse samenzweringsdenken overeenkomt met het huidige. Met geringe aanpassingen (vervang "communists" door "liberals" en "Roosevelt" door "Biden") zou deze passage ook actueel kunnen zijn (p.25-6):

The basic elements of contemporary right-wing thought can be reduced to three: First, there has been the now familiar sustained conspiracy, running over more than a generation, and reaching its climax in Roosevelt's New Deal, to undermine free capitalism, to bring the economy under the direction of the federal government, and to pave the way for socialism or communism. Details might be open to argument among right-wingers, but many would agree with Frank Chodorov, the author of The Income Tax. The Root of All Evil,  that this campaign began with the passage of the income tax amendment to the Constitution in 1913. The second contention is that top government officialdom has been so infiltrated by Communists that American policy, at least since the days leading up to Pearl Harbor, bas been dominated by sinister men who were shrewdly and consistently selling out American national interests.The final contention is that the country is infused with a network of Communist agents. just as in the old days it was infilrated by Jesuit agents, so that the whole apparatus of education, religion, the press, and the mass media are engaged in a common effort to paralyze the resistance of loyal Americans.

Federico verwijst ook naar An Existential Threat Model of Conspiracy Theories, waarin Jan Willem van Prooijen van de Vrije Universiteit Amsterdam een fraaie poging doet om bestaande inzichten over het verband tussen bestaansonzekerheid en samenzweringstheorieën theoretisch samen te vatten. Daarover later meer.

zondag 8 mei 2022

Zondagochtendmuziek - Lars Vogt

Vrijdagavond speelde pianist Lars Vogt in TivolVredenburg werk van Janáček , Mozart en Beethoven. Het was niet helemaal mijn programma. Ik denk dat ik de muziek van Janáček niet goed begrijp en de Hammerklavier-sonate van Beethoven is wat mij betreft een vreemde eend in de bijt van zijn 32 pianosonates. Mozart kun je natuurlijk altijd goed tot je nemen. 

Lars Vogt is niet alleen een van de grootste hedendaagse pianisten, hij is ook begonnen aan een dirigentenloopbaan. Hier vertelt hij over de overgang van uitvoerend musicus naar dirigent. Die vindt hij niet zo groot, want ook als pianist ben je eigenlijk altijd in zekere zin aan het dirigeren. Er spreekt een mannetje in je hoofd dat je vertelt hoe het zou moeten klinken. En dan probeer je te doen wat dat mannetje je influistert. Als je dirigent bent, moet je anderen er toe zien te krijgen dat te doen.

Hier, in de huiskamer vanwege corona, speelt hij een ander stuk van Janáček, dat ik weer niet goed begrijp. 

Maar daarna de meest indringende pianosonate die ooit is gecomponeerd, Schuberts D-960. Met een inleidende toelichting. Ook onbegrijpelijke muziek, maar dan onbegrijpelijk geniaal.

vrijdag 6 mei 2022

Over de voedselvoorziening aan onderduikers tijdens de bezetting - En over hoe mijn vader bij het verzet betrokken raakte

Hoe mensen zich in uitzonderlijke omstandigheden gedragen is natuurlijk een heel belangrijk sociaalwetenschappelijk vraagstuk. Zulke uitzonderlijke omstandigheden bestonden er in Nederland gedurende de Duitse bezetting in 1940 - 1945. Die periode is nog altijd een belangrijk onderwerp van de geschiedschrijving van Nederland, want lang niet alles wat er toen gebeurd is, is bekend en beschreven en op waarde geschat. Sociaalwetenschappelijk is het een boeiende tijd, omdat de bezetting en de onderdrukking het leven voor velen onveilig maakte en omdat de kwestie van veiligheid of onveiligheid cruciaal is voor hoe mensen zich gedragen. Zie de paragraaf over het belang van de aard van de sociale omgeving in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen

Zoals in de vorige drie berichten beschreven (hier het vorige bericht), heb ik een heel vroege herinnering aan een gebeurtenis in april 1945, een paar weken voor de bevrijding. Mijn moeder (Mem) had zich met mij verborgen in de kelder omdat Duitse soldaten van huis tot huis gingen en omdat er wapens bij ons in huis waren. Gelukkig liep dat goed af. Je kunt wel zeggen dat de aanwezigheid van die wapens, afkomstig van een wapendropping door de Engelsen ten behoeve van het verzet en de vanuit het verzet opgerichte Binnenlandse Strijdkrachten, het leven voor mijn ouders zacht gezegd onveilig maakte. En voor mijn oudere broer Wobbe, geboren in 1938 en overleden in 2002. En voor mij, maar ik was, ondanks die heel vroege herinnering, nog te jong om daar veel besef van te hebben.

Die wapens lagen bij ons verborgen. Ze waren een paar maanden voor de Bevrijding 's nachts naast ons huis achtergelaten, waar mijn vader (Heit) ze aantrof toen hij 's ochtends vroeg naar zijn werk ging. Hij werkte bij de slachterij in het dorp, de Friese Coöperatieve Exportslachterij (FCE). (Zwaar werk, dat hij tot de sluiting van de fabriek in de jaren zestig heeft volgehouden.) Hij verborg de wapens tot de Bevrijding in de bijkeuken en heeft waarschijnlijk nooit geweten wie ze 's nachts had achtergelaten. Degenen die dat gedaan hadden, moeten hebben geweten dat Heit in het verzet zat en dat dit een veilig adres was.

Ondertussen is het mogelijk om op basis van wat er is beschreven over de wapendroppings in de laatste maanden van de oorlog in Friesland en de verspreiding van de wapens, een vermoeden te hebben over hoe die wapens naast ons huis terechtkwamen. Daarover later meer. Eerst maar even over hoe Heit in het verzet terechtkwam.

In Friesland zaten in de oorlog veel mensen ondergedoken, Joden, mensen uit het verzet en mannen die zich onttrokken aan de tewerkstelling (Arbeitseinsatz) in Duitsland. Lees daarover Friesland als veilige haven van Meike Jongejan. Er waren veel afgelegen boerderijen en het land was vlak, zodat je iedereen van ver zag aankomen. Veel boeren waren bereid om onderduikers op te nemen. Maar dat waren natuurlijk wel extra monden die gevoed moesten worden. Sinds 1943 was er de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (de LO), die niet alleen onderduikers zo goed mogelijk verdeelde, maar ook op zich nam om onderduikers buiten het legale circuit om van voedsel te voorzien. Dat gebeurde door "distributiekraken" te plegen, om zo voedselbonnen te bemachtigen.

Maar ook meldden vertegenwoordigers van de LO zich bij de Directie van de FCE in Akkrum, met het dringende verzoek om, uiteraard illegaal, vlees af te staan ten behoeve van de voedselvoorziening aan onderduikers. In het in 1966 uitgegeven boekje FCE, een begrip van IJ.K. Tamminga en M. Bakker, dat ik ooit in handen heb gehad, maar waarvan ik alleen nog een kopie heb van enkele pagina's, is een hoofdstuk gewijd aan de oorlog en daar lees je (p.49-50):

Slechts degene, die deze vijf jaren bewust hebben meegemaakt kan zich een voorstelling maken van de situatie, waarin het bedrijf tijdens de Duitse bezetting verkeerde. De ontreddering van het economisch  en maatschappelijk leven was algemeen. Het uitvallen van de vervoersgelegenheid enerzijds en de teruggang van het veebestand anderzijds waren o.a. oorzaak van een steeds verdergaande daling van de grondstoffenaanvoer. Was deze aanvoer in de eerste jaren nog vrij behoorlijk, in 1942 was ze reeds gehalveerd. In 1944 werden slechts 18.318 dieren aangevoerd en in 1945 werd het dieptepunt van nog geen 17.000 stuks bereikt. Voegen wij hierbij de eis die van de zijde der illegaliteit werd gesteld, om meer producten te harer beschikking te stellen, dan is het wel duidelijk dat in het bijzonder in de laatste bezettingsjaren de verantwoordelijkheid zwaar op de schouders van de directie drukte.

(Dat boekje wordt genoemd op de pagina Directie en werknemers van F.C.E. van de Stifting Akkrum Ald en Nij, waar je ook veel foto's aantreft. Zoals de foto hieronder van het fabriekscomplex, met daarachter de Boorn. En waar je ook een idee krijgt van het belang van de fabriek voor de werkgelegenheid en voor het dorp. De FCE had een eigen toneelclub en een visclub. Uit mijn jeugd herinner ik mij het FCE-voetbalelftal. Het was een tijd waarin de economie nog veel kleinschaliger was dan tegenwoordig. En dus ook veel meer een sociale functie kon hebben.)


Die eis van de LO werd door de directie ingewilligd. Maar dan wel zo dat ze zelf zoveel mogelijk buiten schot kon blijven. Dat werd zo uitgewerkt dat mijn vader werd gevraagd om een en ander op zich te nemen. Hij zou overdag vlees apart moeten leggen en dat 's nachts moeten ophalen. Hij zal gevraagd zijn omdat hij als betrouwbaar bekend stond, maar vooral ook omdat hij dichtbij woonde, aan het eind van de straat en op zo'n honderd meter afstand van de Boorn, de rivier die zich door het dorp slingert, waar ook de FCE aan lag. Hij zou 's nachts ongezien met een roeibootje het vlees kunnen ophalen.

Ik weet niet hoe lang Heit daarover heeft nagedacht. Het was natuurlijk niet zonder risico's. De Duitse bezetting oefende toezicht uit op de gang van zaken in de fabriek, in de figuur van een Oberzahlmeister. Lees In toenmalige F.C.E. fabriek klonk dikwijls kreet: "Abbleiben, du Schweinhund." Hij had vrouw en twee kinderen thuis. Maar hij stemde er in toe. En raakte zo betrokken bij het verzet. Met dus ook als gevolg dat er op een ochtend wapens naast het huis lagen. Wordt vervolgd. Hier het vervolg.

dinsdag 3 mei 2022

Over heel vroege herinneringen en de invloed van de "cultuur" van het ouderlijk gezin

Hoe kwamen die geweren een paar maanden voor de Bevrijding naast ons huis terecht? En hoe raakte mijn vader (Heit) bij het verzet betrokken? Dat waren de vragen waarmee ik het vorige bericht afsloot.

Maar voor ik daarop inga, even terug naar die heel vroege herinnering van mij. Ik moet op een kleine twee maanden na twee jaar zijn geweest. Dat is de leeftijd waar vanaf je beschikt over een zelfbewustzijn en je bewuste herinneringen kunt hebben. Het is een dag in de eerste helft van april 1945. Ik zit met mijn moeder (Mem) verscholen in de kelder, kijk omhoog naar het kelderraam en zie, en hoor, soldatenlaarzen voorbijkomen. 

Zoals ik al vertelde, gingen die Duitse soldaten van deur tot deur om eventueel nog aanwezige fietsen te vorderen. Ze waren bij het binnenkomen van de straat mijn vader tegengekomen die met vrienden een dag ging vissen. Hij was doorgelopen om geen argwaan te wekken. Er lagen namelijk in onze bijkeuken wapens verborgen. Mem had die soldaten zien aankomen (wij woonden aan het eind van de doodlopende straat), had de deuren afgesloten en zich met mij verstopt in de kelder. Die soldaat die om het huis heenliep, zal aan de gesloten achterdeur gerammeld hebben en op zijn schreden zijn teruggekeerd. Of Mem wist dat ze alleen maar op fietsen uit waren of vermoedde dat ze naar wapens zochten, weet ik niet. 

Heit was niet alleen doorgelopen, maar was ook "gewoon" gaan vissen. Ook om maar geen argwaan te wekken. Hij zal, mentaal geblokkeerd en in knagende onzekerheid over de afloop, een moeilijke dag gehad hebben. Nadat de soldaten waren vertrokken, ging Mem uithuilen bij de buurvrouw, haar "tweede moeder". Ze liet mij even alleen en een andere vroege herinnering is dat ze weer de kamer binnenkwam. Ik vermoed dat ze mijn vader naderhand kwalijk nam dat hij niet eerder was teruggekomen. Het had immers ook heel anders kunnen aflopen. Het besef daarvan moet het gebeuren voor beiden tot een welhaast traumatische ervaring hebben gemaakt.

Ik zal nog te jong zijn geweest om goed te beseffen welke gevaren er dreigden. De angst van mijn moeder moet ik haast wel gevoeld hebben, maar een bewuste herinnering is daar van niet overgebleven. In ieder geval vonden Heit en Mem mij nog te jong om "het er over te hebben". De enkele keren dat het gebeuren later ter sprake kwam, gaven zij een lezing ervan die met mijn herinnering in strijd was. De Duitse soldaten zouden halverwege de straat zijn gestopt. En ons huis dus niet hebben bereikt. Onwaarschijnlijk. Maar in die tijd, en zeker in ons gezin, moesten kinderen worden gevrijwaard van alles "wat erg was".  In het bijzijn van de kinderen, en al helemaal met hen, werd daar niet over gesproken. Vandaar ook dat Mem mij niet meenam naar de buurvrouw. Een huilende moeder moest mij bespaard blijven. En er werd aangenomen dat ik nog te jong was om een herinnering aan het gebeuren te kunnen overhouden.

Die sfeer van "het er niet over hebben" zal er voor gezorgd hebben dat ik nooit de moed kon opbrengen om iets tegen die ouderlijke lezing in te brengen. Ik had een keer kunnen zeggen: "Maar we zaten toch in de kelder? Ik zag die soldatenlaarzen voorbijkomen." Dat was onbestaanbaar. Ik ging er niet tegenin. Ik "parkeerde" die herinnering ergens in een hoekje. En liet het daarbij. Er kwamen allerlei uitdagingen en verantwoordelijkheden, van school, studie, werk, gezin, kinderen, die meer aandacht vroegen dan wat zich zo lang geleden had afgespeeld.

Het is denk ik een mooie illustratie van het sociaalwetenschappelijke inzicht dat ouders, of meer algemeen, de "cultuur" van het ouderlijk gezin, een geweldige invloed op kinderen kunnen hebben. Zeker in de heel vroege jeugd zijn je ouders het venster op de wereld. Je kunt niet anders dan daar blindelings op vertrouwen.

Een invloed waar je je pas op latere leeftijd, als die uitdagingen en verantwoordelijkheden zijn weggevallen, en als je ouders niet meer in leven zijn, min of meer aan kunt onttrekken. Ik ben nu 78 en pas, zeg, vijf tot tien jaar geleden wurmde die herinnering zich uit dat hoekje naar boven. Pas toen was er de ruimte om dat conflict met die ouderlijke lezing echt onder ogen te zien.

Nogmaals, deze berichten zijn veel persoonlijker dan wat op dit blog meestal voorbijkomt. Maar sociale wetenschap beoefenen zonder aandacht voor relaties met persoonlijke ervaringen is ondenkbaar. Of zou dat moeten zijn.

In het volgende bericht dan toch over die wapens en over de rol die mijn vader in het verzet speelde. Hier het volgende bericht.

maandag 2 mei 2022

Het is overmorgen 4 mei. Over een herinnering aan een voorval in april 1945 en over de wapens in de bijkeuken. Vervolg van vorig jaar.

Vorig jaar op 4 mei schreef ik een bericht over een vroege herinnering aan een gebeurtenis in april 1945 en over wapens in de bijkeuken. Dat bericht was niet af en ik beloofde een vervolg. Dat kwam er maar steeds niet van, maar nu het bijna weer 4 mei is, moet het toch maar gebeuren.

Ik vertelde dat mijn moeder (Trijntje Nieuwland, 1911 - 1996), roepnaam Tine, die ik verder Mem zal noemen (dit alles speelt zich af in Akkrum, Friesland), mijn vader (Hendrik de Vos, 1907 - 1998), die ik verder Heit zal noemen, zal hebben nagewuifd toen hij de straat uit liep om een dag met vrienden te gaan vissen. Dat is vermoedelijk in april 1945 geweest, maar nog voor 15 april, toen Akkrum door de Canadezen werd bevrijd.

Op dat moment kwamen Duitse soldaten de straat in, die van deur tot deur gingen. Om fietsen te vorderen, maar dat kon Mem nog niet weten. De nog aanwezige Duitse soldaten hadden weinig materieel meer, probeerden de opmars van de geallieerde troepen te vertragen door bruggen op te blazen en zochten fietsen om zich sneller te kunnen verplaatsen. (Hessel Bouma schrijft daarover in Droppingveld Wardrobe. Wapens in De Deelen, 4-mei comité Akkrum-Aldeboarn (p. 23-4)).

Zoals ik vorig jaar schreef:

Mem raakte denk ik wat in paniek. Ze deed de deuren op slot en nam mij mee naar de kelder. Daar zal ze toen de Duitsers bij ons huis aankwamen, misschien haar hand voor mijn mond hebben gehouden. Ik heb een herinnering aan het door het kelderraam zien voorbijkomen van soldatenlaarzen. Een Duitse soldaat zal achterom zijn gelopen, aan de gesloten achterdeur hebben gerammeld, door de ramen naar binnen hebben gekeken en weer zijn teruggelopen. Het was in die tijd niet gewoon dat ergens niemand thuis was, maar hij zal het zo gelaten hebben. 

Mem zal lang gewacht hebben tot ze dacht dat de kust wel veilig was, nam mij weer mee naar boven en posteerde mij in de woonkamer met dat kammetje. (Een kammetje met een vloeipapiertje erom heen dat ze mij had gegeven.) Ze moest even alleen naar "buurvrouw De Leeuw" (jazeker, de familie De Vos en de familie De Leeuw woonden naast elkaar) om haar emoties van zich af te praten. (Hoewel zulke woorden toen nooit werden gebruikt.) Buurvrouw De Leeuw was voor haar een soort tweede moeder, nadat ze al vrij jong haar eigen moeder had verloren. 

Waarom liep Heit niet gewoon terug toen hij die Duitse soldaten zag? Waarom wilde hij geen argwaan wekken? En waarom raakte mijn moeder in paniek en verstopte ze zich met mij in de kelder? Ze had ook gewoon die soldaat kunnen laten zien dat er in huis geen fietsen waren. Wat zo was, want die waren al eerder ingevorderd.

Het had er mee te maken dat er in de bijkeuken, wat wij "het hok" noemden, onder de vuile was, of onder de steenkool, de verhalen verschillen, wapens verborgen lagen. In de maanden daar voor waren er in Friesland vanuit Engeland op verschillende plekken wapendroppings geweest, ten behoeve van het verzet en de Binnenlandse Strijdkrachten. De Duitsers waren daar natuurlijk van op de hoogte en waren op zoek naar die wapens. Als die bij jou gevonden werden, dan liep dat niet goed af.

Maar hoe kwamen die wapens bij ons in de bijkeuken terecht? 

Die laatste vraag heeft een kort, maar nog onvolledig antwoord, dat mij al van jongs af aan bekend was. Het moet een paar maanden eerder gebeurd zijn. Heit ging 's ochtends vroeg de (achter-)deur uit op weg naar zijn werk op de slachterij in het dorp (de Friese Coöperatieve Exportslachterij, FCE) en trof aan de zijkant van het huis geweren aan. Ik weet dat niet, maar ik neem aan dat ze verpakt waren in een foedraal. Hoeveel het er waren weet ik ook niet. Allemaal vragen die ik ten onrechte niet aan mijn vader stelde toen hij nog leefde, (Waarom eigenlijk niet?) Heit verborg de wapens in het hok, misschien onder de steenkolen die daar lagen opgeslagen.

Er moeten leden van het Friese verzet zijn geweest die wapens afkomstig van een dropping vervoerden en die in die nacht mijn ouderlijk huis als een veilige plek beoordeelden om een deel van die wapens achter te laten. Ze moeten dus op een of andere manier geweten hebben dat Heit een verzetsman was. Dat spreekt niet vanzelf, want als je in het verzet zat, dan was het zaak dat zo weinig mogelijk mensen daarvan wisten. 

Voor zover ik weet heeft Heit nooit geweten wie de wapens daar hadden neergelegd. Hij bleef ze verbergen in de bijkeuken, waar ze nog steeds lagen toen die Duitse soldaten langskwamen. Na de Bevrijding van Akkrum door de Canadezen op 15 april werd Heit als ex-verzetsman lid van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) en werden de geweren gebruikt om NSB'ers en anderen die fout waren geweest op te pakken. Een ruimte in de FCE werd gebruikt als gevangenis. Je ziet hier een foto van die BS van de regio rondom Heerenveen die in 1945 is gemaakt en ooit in een krant heeft gestaan. In het midden is iemand omcirkeld. Dat is mijn vader. Je ziet vooral mannen. Maar ik tel drie vrouwen. Update. De foto staat ook op de Oorlog 1940 - 1945 pagina van de Stifting 'Akkrum Ald en Nij'.

In het volgende bericht meer over wat ik door zoeken op internet ("research") te weten ben gekomen over hoe en waarom die geweren naast ons huis werden achtergelaten. Althans over wat het meest waarschijnlijke antwoord is. Maar ook over hoe mijn vader in het verzet terechtkwam en over de risico's die hij liep.

Dit alles is natuurlijk persoonlijker van aard dan de meeste berichten op dit blog. Maar er valt ook sociaalwetenschappelijk het een en ander over te zeggen. Dat komt nog. Hier het vervolg.

zondag 1 mei 2022

Zondagochtendmuziek - Julia Lezhneva (Юлия Лежнева) | Mozart: Voi avete un cor fedel , K.217 |...

Gisteren in het Amsterdamse Concertgebouw was het een barokspektakel: Julia Lezhneva met Concerto Kölln, rechtstreeks uitgezonden op Radio 4. Vijf jaar geleden waren ze er ook.

Wat een feest! Met vier toegiften. Hans Haffmans was lyrisch: "naturel", "ontroerend". 

Dit is van het Salzburgfestival 2020. Met het Mozarteumorchester. Mozart: Voi avete un cor fedel, K.217.  Misschien geschikter om een rustige zondag mee te beginnen dan dat overigens prachtige barokcircus van gistermiddag.

 


vrijdag 29 april 2022

Een extreem statuscompetitief wereldbeeld, waarin vermeende vijanden altijd op het punt staan aan te vallen en waarin alleen een eigen grootmacht, met bruut geweld tot stand gebracht, veiligheid kan verschaffen.

De ambivalentie tussen statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag tref je aan op alle niveaus waar mensen met elkaar omgaan. Op het niveau van de kortstondige ontmoetingen, van persoonlijke relaties, van organisaties, van nationale staten en van de internationale verhoudingen. 

Op dat laatste, "hoogste", niveau hebben we een opmerkelijke gebeurtenis meegemaakt toen in 1991 de Sovjet-Unie uiteenviel. De toestand daaraan voorafgaand kun je zien als een bipolaire wereld, waarin twee grootmachten streden om de hoogste status en elkaar min of meer in evenwicht hielden. Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, was er een duidelijke winnaar, de Verenigde Staten en het Westen, en een duidelijke verliezer.

Verliezen in een statuscompetitie gaat gepaard met gevoelens van vernedering. Gevoelens die door degenen die dat Sovjet-bewind droegen, als persoonlijk werden ervaren. En doordat er in Rusland, de "opvolger" van de Sovjet-Unie, geen nieuwe generatie leiders opstond, kregen we te maken met een voormalige grootmacht die werd geleid door machthebbers die onvermijdelijk ooit een uitweg zouden zoeken voor hun persoonlijke gevoelens van vernederd zijn.

Wat we nu meemaken, Poetins inval in Oekraïne, lijkt het resultaat van die zoektocht. Analoog aan wat er zich in Duitsland ontwikkelde in de jaren na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog, groeide er in Rusland onder de voormalige Sovjet-elite het beeld van een vijandige wereld waarin alleen valt te overleven door de eigen macht te vergroten en iedereen die daarbij in de weg staat, aan te vallen en zo nodig te vernietigen. 

In Duitsland na de Eerste Wereldoorlog werd dat het nationaalsocialistische wereldbeeld met "het internationale Jodendom" als grote vijand, die door een oppermachtig Duitsland moest worden "vernietigd". 

In het huidige Rusland zien we zich een wereldbeeld ontwikkelen waarin westerse democratieën de grote vijand zijn en waarin een grote Euraziatische grootmacht, met Rusland aan de leiding, nodig is om die vijand te verslaan. Jane Burbank, emeritus hoogleraar Russische geschiedenis, beschrijft die ontwikkeling in de New York Times: The Grand Theory Driving Putin to War

Dat wereldbeeld dateert al van na de Russische revolutie in 1917, werd door de communistische machthebbers als rivaal beschouwd en onderdrukt, maar kwam in de perestroika periode van de late jaren tachtig weer in de belangstelling. Net zo als in het nationaalsocialistische wereldbeeld de geschiedenis er een was van een strijd tussen "rassen", is in die Euraziatische revival de geschiedenis een strijd tussen etniciteiten en zou er onder de leiding van een charismatische leider een "super-ethnos" moeten ontstaan, een grootmacht die zijn wil oplegt aan andere etniciteiten. 

De huidige variant van dat streven naar een etnische grootmacht is die van de filosoof Alexandr Dugin, die invloed op Poetin heeft of heeft gehad:

In Mr. Dugin’s adjustment of Eurasianism to present conditions, Russia had a new opponent — no longer just Europe, but the whole of the “Atlantic” world led by the United States. And his Eurasianism was not anti-imperial but the opposite: Russia had always been an empire, Russian people were “imperial people,” and after the crippling 1990s sellout to the “eternal enemy,” Russia could revive in the next phase of global combat and become a “world empire.” On the civilizational front, Mr. Dugin highlighted the long-term connection between Eastern Orthodoxy and Russian empire. Orthodoxy’s combat against Western Christianity and Western decadence could be harnessed to the geopolitical war to come.
 
Al in 1997 kom je in het werk van Dugin tegen dat de soevereiniteit van Oekraïne een grote bedreiging is van dat streven naar een Euraziatische grootmacht. 
 
Total military and political control of the whole north coast of the Black Sea was an “absolute imperative” of Russian geopolitics. Ukraine had to become “a purely administrative sector of the Russian centralized state.” 

Poetin heeft volgens Jane Burbank die boodschap omarmd. De doorstane vernedering kan alleen door grootscheeps geweld en vernietiging en onderdrukking teniet worden gedaan.

In 2013, he declared that Eurasia was a major geopolitical zone where Russia’s “genetic code” and its many peoples would be defended against “extreme Western-style liberalism.” In July last year he announced that “Russians and Ukrainians are one people,” and in his furious rant on the eve of invasion, he described Ukraine as a “colony with a puppet regime,” where the Orthodox Church is under assault and NATO prepares for an attack on Russia.

Een extreem statuscompetitief wereldbeeld, waarin vermeende vijanden altijd op het punt staan aan te vallen en waarin alleen een eigen grootmacht, met bruut geweld tot stand gebracht, veiligheid kan verschaffen.