zondag 16 februari 2020

Zondagochtendmuziek - Barbara Hannigan with Reinbert de Leeuw: Live at Koerner Hall

Thuisgekomen na het (uitverkochte) optreden van het Jazz Orchestra of the Concertgebouw in TivoliVredenburg vrijdagavond, zette ik mijn telefoon aan en zag ik dat Reinbert de Leeuw was overleden.

De laatste keer dat ik Reinbert de Leeuw meemaakte, was toen hij nu bijna twee jaar geleden in de (uitverkochte) Grote Zaal van TivoliVredenburg Holland Baroque en het Nederlands Kamerkoor dirigeerde in de Johannes Passie. Onvergetelijk.

Maar ik denk natuurlijk ook aan die twee intrigerende series Toonmeesters die hij maakte samen met Cherry Duyns, die je op NPO Start terug kunt zien (als je destijds niet de DVD's hebt aangeschaft).

Bij Reinbert de Leeuw stond de muziek boven alles. Dat betekende ook dat hij zelf niet op de voorgrond hoefde te staan. Zoals bij dit concert uit 2017 in Toronto, waar hij de fenomenale Barbara Hannigan begeleidde.

donderdag 13 februari 2020

Wanneer begon het sociaalwetenschappelijk denken? - 1

Wanneer in de mensheidsgeschiedenis begon het sociaalwetenschappelijke denken? Dat vroeg ik me af nadat de gedachte bij me opkwam dat je de Bijbel, zoals geanalyseerd en uitgelegd door Carel van Schaik en Kai Michel in Het Oerboek van de mens, De evolutie en de Bijbel, kunt lezen als het vroegste sociaalwetenschappelijke geschrift. Dan gaat het in het bijzonder om het Oude Testament oftewel de Hebreeuwse Bijbel, begrippen die Van Schaik en Michel door elkaar gebruiken.

Die gedachte om de Bijbel als het vroegste sociaalwetenschappelijke, of sociologische, boek te bestempelen, is helemaal niet zo gek. Lees even deze alinea uit het inleidende hoofdstuk van Van Schaik en Michel (p. 8):
In de Bijbel vinden we antwoorden op de grote vragen van de mensheid. Dat bedoelen we niet in religieuze zin. De Bijbel kan duidelijk maken waar de angst voor de dood vandaan komt, hoe we met rampspoed omgaan en waar onze diepe behoefte aan gerechtigheid uit voortkomt. Hij laat zien hoe we leerden om te overleven in grote anonieme samenlevingen, waarom het moderne leven ons af en toe absurd voorkomt en velen van ons een onbestemd gevoel geeft dat we zullen omschrijven als een soort heimwee naar het paradijs. Kortom, zonder stralenkrans heeft de Bijbel ons allemaal iets te vertellen.
Naast die religieuze, hebben die Bijbelverhalen kennelijk dus ook een andere betekenis, die dan wel sociaalwetenschappelijk moet zijn. Die komt ook wel heel duidelijk naar voren als je bedenkt dat die verhalen de neerslag vormen van een van de drie stappen van de mensheidsgeschiedenis. namelijk de tweede stap, die van de overgang van jagen-verzamelen naar het beoefenen van landbouw als voornaamste middel van bestaan.
Zie het eerste bericht van de reeks berichten op dit blog over de de drie stappen van de mensheidsgeschiedenis: De mensheidsgeschiedenis tot nu toe in drie stappen - 1. En volg steeds de links naar de daaropvolgende berichten om die tweede stap, de landbouwrevolutie, tegen te komen. En uiteindelijk de derde stap, die van de Industriële Revolutie, die de voorwaarden schiep voor de ontwikkeling van de democratie als staatsvorm.
Als je die twee stappen probeert te overzien, de landbouwrevolutie en de industriële revolutie, dan valt je natuurlijk op dat dat het in beide gevallen gaat om een periode van grote veranderingen. In velerlei opzichten, demografisch, technologisch, economisch, maatschappelijk en sociaal.

Veranderingen die met grote individuele en collectieve uitdagingen gepaard gingen, waarvoor naar oplossingen moest worden gezocht. Op de oude voet doorgaan, dat was er niet meer bij. Er moest worden nagedacht en er moest worden overlegd. Wat was er allemaal aan de hand? Wat had dat voor gevolgen? Hoe moest daarop worden gereageerd? En wat viel er nog te verwachten?

Kortom, omstandigheden die vroegen om wetenschappelijk en vooral ook om sociaalwetenschappelijk denken.

Wat de industriële revolutie betreft, vinden we veel van dat denken terug in de geschriften van wat we later de klassieke sociologen gingen noemen: Karl Marx (1818 - 1883), Emile Durkheim (1858 - 1917) en Max Weber (1864 - 1920).

Je zou kunnen zeggen dat hun werk de aanstoot gaf tot de institutionalisering van het sociaalwetenschappelijk denken als academische discipline. Durkheim bezette de eerste universitaire leerstoel in de sociologie, in Bordeaux, gecombineerd met pedagogiek. Hij schreef in 1893, als zijn dissertatie, De la division du travail social, dat
voor het vak sociologie nogal invloedrijk is geweest. Het werd in 1933 vertaald in het Engels. Ik pakte net de editie uit 1964 uit de kast, met enige voorzichtigheid, omdat het door intensief gebruik door de jaren heen flink uit elkaar is gevallen

Toen ik er net, ook weer voorzichtig, door heen bladerde, bedacht ik me dat de thematiek ervan helemaal niet zo verschilt van die van de Bijbelverhalen van een paar duizend jaar geleden.

In beide gevallen vinden er ingrijpende maatschappelijke en sociale veranderingen plaats waar de menselijke natuur niet zomaar op is ingesteld om daar goed mee te kunnen omgaan. Wat zijn die veranderingen precies? Wat moeten we doen om ze in goede banen te geleiden en om ons er zo goed mogelijk bij aan te passen? Zijn onze morele intuïties (de "eerste natuur" van Van Schaik en Michel en de "segmental morality" of "mechanical solidarity" van Durkheim) nog wel zo geschikt om ons onder de nieuwe maatschappelijke verhoudingen goed bij te kunnen staan?

Op die overeenkomsten zal ik in een volgend bericht nog wel dieper ingaan, maar het vermoeden ligt voor de hand dat er een nagenoeg rechte lijn valt te trekken van de thematiek van de Bijbelverhalen naar de academische institutionalisering van het sociaalwetenschappelijke denken een paar duizend jaar later. Zo bezien begon het sociaalwetenschappelijk denken al een paar duizend jaar geleden.

Met dien verstande dat we het dan hebben over het denken dat op schrift is vastgelegd. Sociaalwetenschappelijk denken moet er natuurlijk ook daar voor al geweest zijn. Ook daarover meer in een volgend bericht.

dinsdag 11 februari 2020

Wat vertellen onze morele intuïties over het helpen van naasten en van vreemden?

Onze bereidheid om iets voor anderen te doen, om niet alleen maar aan onszelf te denken, anders gezegd onze bereidheid tot gemeenschapsgedrag, komt eruit voort dat we beschikken over morele intuïties. Intuïties die ons vertellen wat het moreel juiste gedrag is  Het belang van die intuïtieve grondslag voor pro-sociaal gedrag blijkt er uit dat we pro-socialer kiezen als we dat intuïtief doen dan wanneer we meer op ons verstand terugvallen.

Die morele intuïties van het gemeenschapsgedrag hebben zich in de mensheidsgeschiedenis ontwikkeld gedurende de lange periode van de Paleo Sociale Omgeving, toen we als jagers-verzamelaars voor onze overleving aangewezen waren op samenwerking en delen.

Dat was een sociale omgeving die vooral bestond uit vertrouwde anderen. Dat betekende dat het gestuurd worden door die gemeenschapsintuïties, doorgaans weinig complicaties met zich meebracht. Iemand had hulp nodig en je hielp. Het was duidelijk met wie je geacht werd te delen en dus deelde je. Als iemand zich zonder goede reden aan die intuïtieve verplichtingen onttrok, dan was het duidelijk dat die daarop kon worden aangesproken.

In een maatschappij als die waarin wij terecht zijn gekomen, hebben we niet alleen te maken met een kring van vertrouwde anderen, maar ook met vreemden. Die we bijvoorbeeld tegenkomen op straat. Of waarmee we als medeburger een indirecte relatie hebben via de instituties van de democratische overheid. Of waarmee we als wereldburgers in relatie staan, al was het maar doordat we als wereldbevolking voor de grote uitdagingen staan van klimaatverandering en het handhaven van de vrede.

We zijn nog steeds toegerust met die morele intuïties. In die zin klopt het dat de meeste mensen deugen. Maar het handelen volgens die intuïties is wel veel gecompliceerder geworden.

Want we kunnen er niet zomaar van uitgaan dat de anderen waarmee wij te maken hebben, zich ook volgens die intuïties zullen gedragen. Als er aanwijzingen zijn dat zij gericht zijn op de statuscompetitie, dan zijn we goed in staat om ons gedrag daarbij aan te passen. Al was het maar uit zelfbescherming. We willen best wel deugen, maar toch liever niet als anderen daar misbruik van maken.

Maar die gecompliceerdheid is er ook al zonder dat we met die statuscompetitie te maken krijgen. De nieuwe studie What We Owe to Family: The Impact of Special Obligations on Moral Judgment gaat precies daarop in.

De onderzoekers lieten mensen (inwoners van de Verenigde Staten) aan hen voorgelegde handelingen beoordelen waarbij iemand een naaste (een familielid) hielp of een vreemde of waarbij werd gekozen tussen het helpen van een naaste of een vreemde.

Daaruit kwam naar voren dat het helpen van een vreemde als moreel lovenswaardiger werd beoordeeld dan het helpen van een naaste. Maar als iemand voor de keuze werd gesteld om oftewel een naaste te helpen oftewel een vreemde, dan werd het als moreel juister geoordeeld om de naaste te helpen dan om de vreemde te helpen.

Dat laatste lijkt een aanpassing aan het probleem van het ook te maken hebben met vreemden. Onze morele intuïties zijn die van de goedgeefsheid, van het deugen. Dus van het iedereen wel willen helpen als we daartoe maar in staat zouden zijn. Maar als we moeten kiezen, dan hoort "het hemd nader te zijn dan de rok". We kunnen wel wereldburger zijn, maar niet onbeperkt.

De onderzoekers laten in dat verband zien dat er een verschil in het voelen van een morele verplichting in het spel is. Het helpen van een vreemde wordt minder gevoeld als een morele verplichting dan het helpen van een naaste.

Je zou denken als een aanpassing aan het besef of het vermoeden dat iedereen wel naasten zal hebben om op terug te vallen. Als er anderen meer aangewezen zijn om iemand in nood te helpen, dan voel jij minder de morele verplichting om dat te doen.

Je zou dus eigenlijk een onderzoek willen waarin het helpen van een vreemde die zijn naasten is kwijtgeraakt, wordt vergeleken met het helpen van een naaste van jezelf. Dat onderzoek is denk ik nog nooit uitgevoerd.

zondag 9 februari 2020

De Bijbelverhalen sociaalwetenschappelijk bekeken - Over Het Oerboek van de mens

In 2016 en 2017 schreef ik 17 blogberichten naar aanleiding van Het Oerboek van de mens van Carel van Schaik en Kai Michel. Omdat ik daar binnenkort een keer op terugkom, hier alvast al die berichten onder elkaar.Voor degenen die het gemist hebben. En voor anderen om het in de herinnering terug te roepen.

16 maart 2016 - Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel? - 1

Carel van Schaik en Kai Michel hebben een biologische antropologie van de Bijbel geschreven: Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel, de vertaling van The Good Book of Human Nature. An Evolutionary Reading of the Bible.

Ik heb het nog maar kort in huis, maar ben al genoeg gevorderd om het een en ander door te geven. De auteurs (zie over Carel van Schaik enkele berichten op dit blog, zoals hier, hier en hier) betogen dat de Bijbelverhalen handelen over "de grootste fout van de mensheid" (Jared Diamond), namelijk de overgang van de jagers-verzamelaarssamenlevingen naar de landbouwsamenlevingen.

Vaak wordt die overgang gezien als een soort bevrijding van de ellende en de barbarij van het pre-historische tijdperk van de jagers-verzamelaars. Denk aan Hobbes' kenschets van die natuurtoestand als een waarin het leven solitary, poore, nasty, brutish, and short is.

Maar het Bijbelboek Genesis suggereert in tegendeel dat die periode juist paradijselijk was. En daar valt biologisch-antropologisch nogal wat voor te zeggen. Alleen al omdat die periode zo lang duurde, verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis, dat ons gedrag opvallend goed aan de omgeving was aangepast. Citaat:
In de prehistorische leefwereld waarin de menselijke evolutie zich voltrok, waren de gevoelens en intuïties van onze eerste natuur de navigatie-instrumenten waarmee we het leven van alledag aankonden.
Met die eerste natuur zijn onze "aangeboren gevoelens, reacties en voorliefdes" bedoeld:
Ze impliceren een soort natuurlijke moraal ter regulering van het menselijk verkeer. Tot deze eerste natuur behoren zulke verschillende neigingen als: liefde tussen ouders en kinderen, gevoel voor rechtvaardigheid en verontwaardiging over onrecht en ongelijkheid, afschuw over inteelt en infanticide (het doden van kleine kinderen), angst voor onbekenden en zorg voor eigen reputatie; een gevoel van verplichting tegenover anderen na een geschenk en verleende hulp, jaloezie, weerzin en ook ons religieuze bewustzijn dat overal bovennatuurlijke actoren aan het werk ziet. De eerste natuur uit zich via intuïtie en buikgevoel.
Maar was die (eerste) sociale natuur van de mens niet innerlijk tegenstrijdig? Was er niet de strijdigheid tussen enerzijds onze gemeenschapsintuïties en anderzijds onze neiging tot statuscompetitie en het daarmee gepaard gaande egoïsme en wantrouwen?

Ja, dat klopt. Maar die statuscompetitieneigingen, die evolutionair gezien terug gaan tot het tijdperk van voor de komst van de zoogdieren, konden collectief onderdrukt worden op basis van dat gevoel van rechtvaardigheid en verontwaardiging over onrecht en ongelijkheid. Zie mijn bericht over
Zelforganisatie, onderlinge afhankelijkheid en oorsprong van de moraal. Die aangepastheid aan de omgeving van jagers-verzamelaars was er niet alleen op het individuele niveau, maar daarmee samenhangend vooral ook op het niveau van de groep. En voor de volledigheid: op het niveau van de relaties tussen groepen.

Wat hield nu die overgang naar de landbouwsamenleving in? Het is goed om je te realiseren dat de landbouw niet een "uitvinding" was die het leven veraangenaamde, maar een bittere noodzaak, waarschijnlijk als gevolg van lokale overbevolking. We weten dat mensen nog lang volhardden in jagen en verzamelen toen hun "buren" al op landbouw waren overgegaan. En er valt wat voor te zeggen dat jagers-verzamelaars het "zinvolle leven" leidden

De vestiging op vaste woonplaatsen, genoodzaakt door de landbouw, betekende een culturele kwantumsprong, die tot grote problemen leidden:
Binnen de kortste keren overspoelden nieuwe problemen de mensheid. In de allereerste plaats ziektes. Maar ook hongersnoden en geweld als gevolg van de nieuwe concurrentieverhoudingen betekenden een bedreiging voor het bestaan.
Van Schaik en Michel verwijzen naar schattingen van Sam Bowles dat de eerste landbouwers aanzienlijk meer tijd moesten investeren in eenzelfde hoeveelheid calorieën dan jagers-verzamelaars.
Zo'n snelle en dramatische verandering betekende dat genetische mutaties onvoldoende tijd hadden om aanpassing te realiseren. Onder zulke omstandigheden sterft een populatie doorgaans uit of vertrekt naar gunstiger streken.
Maar met vallen en opstaan slaagden onze voorouders erin om die problemen het hoofd te bieden. En daarvoor was de (verdere) ontwikkeling van onze derde natuur nodig, de verstand-natuur:
de cultureel verankerde grondregels, gewoonten in instituties die we op basis van een sterk bewuste rationaliteit naleven - vaak als uitkomst van een gerichte situatieanalyse.
En over de problemen die dat alles met zich meebracht, gaan dus die Bijbelverhalen. Ik lees verder en kom terug met volgende berichten.

Maar nu al: dit is een fascinerend boek. Koop het en lees met mij mee.


17 maart 2016 -  Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel? - 2 - Over nostalgie en hechting en over angst voor onbekenden

Voor we verder lezen, een kort commentaar bij de omschrijving van onze 'eerste natuur", onze aangeboren gevoelens, reacties en voorliefdes, door Carel van Schaik en Kai Michel in het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel. In het vorige bericht haalde ik dit citaat aan:
Ze impliceren een soort natuurlijke moraal ter regulering van het menselijk verkeer. Tot deze eerste natuur behoren zulke verschillende neigingen als: liefde tussen ouders en kinderen, gevoel voor rechtvaardigheid en verontwaardiging over onrecht en ongelijkheid, afschuw over inteelt en infanticide (het doden van kleine kinderen), angst voor onbekenden en zorg voor eigen reputatie; een gevoel van verplichting tegenover anderen na een geschenk en verleende hulp, jaloezie, weerzin en ook ons religieuze bewustzijn dat overal bovennatuurlijke actoren aan het werk ziet. De eerste natuur uit zich via intuïtie en buikgevoel.
Twee commentaren, niet om het per se beter te willen weten, maar omdat het misschien van belang is bij het verder lezen van het boek.

Als eerste neiging zien we de liefde tussen ouders en kinderen genoemd. Ik denk dat je dit beter kunt omschrijven als de algemenere neiging om voor anderen (verwanten en andere vertrouwden) te zorgen en je aan hen te hechten. En dat is trouwens weer een bijzonder geval van de nog algemenere neiging om ons te hechten aan dat wat veiligheid verschaft en om dat in stand te houden.

Bij dat laatste denk ik even aan dat mooie boek Huiswaarts. Het wonderbaarlijke instinct van trekvogels en andere migrerende dieren van Bernd Heinrich. Wat me daarvan bijbleef is dat bijvoorbeeld de zalm door natuurlijke selectie er toe is gebracht om na een lange reis door de oceaan terug te keren naar precies die plek in de rivier waar zijn leven begon. Om zich daar voort te planten. Er zullen vast veel andere plekken zijn die veilig zijn, maar van alleen die ene plek "weet" hij het zeker.

Net zoals wij mensen nostalgisch kunnen zijn over onze geboortegrond, een nostalgie die uit onze hechtingsneiging voortkomt, is de zalm aan die ene plek gehecht, met een onbedwingbare neiging om er terug te keren en met de vaardigheden om dat te volbrengen.

Kortom, liefde tussen ouders en kinderen geeft een veel te beperkte voorstelling van wat er aan de hand is.

Mijn tweede commentaar gaat over die angst voor onbekenden. Ik vraag me sterk af of jagers-verzamelaars in dat paradijs een angst voor vreemden hadden. Die zou evolutionair moeten zijn ontwikkeld. Maar een eigenschap wordt geselecteerd als hij van belang is om veel voorkomende uitdagingen tegemoet te kunnen treden. Dat suggereert dat jagers-verzamelaars vaak genoeg met onbekenden in aanraking moeten zijn gekomen om geselecteerd te kunnen worden op die angst voor onbekenden. Die angst zou dan moeten hebben bijgedragen aan overleving.

Maar alles wat we weten over jagers-verzamelaarssamenlevingen wijst er op dat ontmoetingen met vreemden nauwelijks voorkwamen. Je groeide op een een kring van vertrouwde anderen. Je had zo nu en dan contact met naburige groepen, maar die kende je ook. Er bestonden immers uithuwelijkingsrelaties tussen groepen. En verder reikte je wereld niet. Niemand ging in zijn eentje op reis.

In plaats van een angst voor vreemden te veronderstellen, lijkt het plausibeler om aan te nemen dat onze voorouders geen idee hadden hoe ze met onbekenden zouden moeten omgaan. Ze waren er niet op geselecteerd om dat goed te kunnen.

En dat verklaart ook waarom wij nu ook nog heel verschillend kunnen reageren op een ontmoeting met een onbekende. Dat kan variëren tussen achterdocht en wantrouwen en vertrouwen en openhartigheid. In de trein houden we vaak afstand tot onbekende medepassagiers, maar ook gebeurt het dat we in een diep gesprek verwikkeld raken. 


24 maart 2016 - Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel? - 3 - Afscheid uit het paradijs: het leven een geploeter
 
Van Schaik en Michel sluiten hoofdstuk 1 (Adam en Eva: de echte zondeval van de mens) van hun boek Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel af met een samenvatting van wat mensen werkelijk bezighield ten tijde van en na de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw. Zie hier, hier en hier voor de vorige berichten.

Wat mensen in ieder geval niet bezighield was het probleem van goed en kwaad. De moraal was er immers al. Die was evolutionair en cultureel ontstaan als antwoord op de uitdagingen van het jagers-verzamelaarsbestaan. De onderlinge afhankelijkheid maakte delen, samenwerking en onderlinge harmonie noodzakelijk. De moraal zoals wij die nu ook nog kennen (vrijgevigheid, elkaar bijstaan, rechtvaardigheid, erkenning van elkaars autonomie) was aanwezig toen de landbouw begon.

En precies die combinatie van moraal en landbouw schiep de problemen, nieuwe problemen dus, die aanleiding gaven tot nieuwe verhalen, de Bijbelverhalen. In die verhalen zijn er volgens Van Schaik en Michel steeds drie thema's:
verbazing dat het leven zo'n geploeter is; problemen met het accepteren van bezit; en het merkwaardige feit dat vrouwen ondergeschikt moeten zijn aan mannen.
Waarom was het leven nu ineens "zo'n geploeter"? (Over bezit en de ondergeschiktheid van vrouwen in het volgende bericht.)  Omdat het beoefenen van landbouw, althans in het begin, meer inspanning vereiste voor hetzelfde aantal calorieën. Omdat de bestaanszekerheid afnam, want oogsten konden mislukken. En land en opbrengsten moesten worden verdedigd (denk aan dat thema van het bezit). En door de verandering van dieet en door het samenleven met huisdieren ontstonden gezondheidsproblemen en epidemieën.

Doordat alles verslechterde de algemene gezondheidstoestand, zich uitend in een korter leven en in een geringere lichaamslengte. En dat leidde weer tot het fenomeen van de geboortepijnen:
Tot op heden is onopgemerkt gebleven dat de Bijbel gelijk heeft wanneer hij de geboortepijnen presenteert als een fenomeen dat verklaring behoeft. Ze zijn namelijk geen normaliteit: in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens gaat het om een betrekkelijk recent verschijnsel en dus een mismatch-fenomeen. Met de komst van de landbouw werden de vrouwen als gevolg van moeilijke leefomstandigheden en ziektes kleiner, maar de grootte van de kinderen (met name de omvang van het hoofd) bleef min of meer gelijk. Dat verzwaarde de weg door het geboortekanaal en vergrootte de pijnen en risico's bij de geboorte.
Waarop een verwijzing volgt naar paleodemografische analyses die aantonen dat de perinatale mortaliteit bij de eerste landbouwers hoger was dan bij de jagers-verzamelaars.

Dat het leven een geploeter werd en dat vrouwen in pijn kinderen moesten baren, moest dus als het ware in verhalen worden gerechtvaardigd. Het was maar beter om het te accepteren, want wat kon je er aan doen? Dus dook er in die verhalen een God op, in wier oordeel je je nu eenmaal moest schikken. Later, niet in het paradijsverhaal, duikt in dat verband de zondeval op.


 30 maart 2016 - Afscheid uit het paradijs: de gevolgen van eigendom (Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel- 4)

De Bijbelverhalen gaan over de problemen die voortkwamen uit de combinatie van jagers-verzamelaarsmoraal en de overgang naar een landbouwsamenleving. En er zijn drie thema's in te onderscheiden: het thema van het leven als een geploeter, het thema van het eigendom en het thema van de positie van de vrouw (en dus ook van de man). Zie Van Schaik en Michel, Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel.

In het vorige bericht ging het over het leven als een geploeter. Nu over de gevolgen van eigendom.

Het gaan beoefenen van landbouw betekende dat je het land moest bewerken en gewassen moest zaaien. Daardoor ontstond er zoiets als arbeid en daarmee de tijdsspanne tussen het verrichten van arbeid en het genieten van de opbrengsten daarvan. Economisch gezegd: er ontstond kapitaal: percelen grond en zaaigoed.

En dus ontstond het probleem van eigendom. Degene die de arbeid had verricht, claimde het eigendom van de grond en de opbrengst. Maar zulke claims gingen in tegen de bestaande moraal, wat Van Schaik en Michel de "eerste natuur" noemen. Want de jagers-verzamelaarsmoraal hield in dat je samenwerkte bij het jagen en verzamelen van voedsel en dat je alles met elkaar deelde. Samenwerken en delen was noodzakelijk om te overleven.

Er ontstond dus het probleem dat de moraal niet meer geschikt leek onder de nieuwe omstandigheden. Dat zal een rem zijn geweest op de introductie van de landbouw. En het verklaart de terughoudendheid om op landbouw over te gaan.

Maar toen er toch niets anders op leek te zitten, moest dus dat probleem van (claims op) eigendom worden opgelost. En zo ontstonden er verhalen, want verhalen gaan nooit over het bekende en het vanzelfsprekende, maar altijd over het nieuwe en het bijzondere.

Zo vond het verhaal ingang van Adam en Eva die van een verboden (!) vrucht aten. Iedereen ging het er over hebben dat het niet langer was toegestaan om je "iets toe te eigenen" dat "van een ander" was of zou kunnen zijn.

En daardoor, zo benadrukken Van Schaik en Michel, veranderden de sociale verhoudingen ingrijpend:
Daarmee werd een eenrichtingsweg ingeslagen naar een wereld waarin het leven materieel weliswaar steeds rijker werd, maar in sociaal en emotioneel opzicht verarmde. Relaties tot mensen buiten de familie verloren aan existentiële noodzaak. Bovendien moest bezit worden beschermd, zo nodig met geweld. Omdat de eigen familie de beste bondgenoot is - bloed is immers dikker dan water - blijven zonen bij vaders en broers wonen. Met als gevolg dat vrouwen ergens anders vandaan moeten worden gehaald. In het patriarchaat dat zich gaat vormen, worden zij handelswaar, bezit.
Waar de voorraadeconomie succes heeft, schieten de bevolkingsaantallen omhoog. Concurrentie overheerst, de sociale verschillen worden groter. Er ontstaan hiërarchieën, vormen van heerschappij. De onvrede bij mannen die geen bezit of vrouwen hebben, groeit. Dit alles leidt onvermijdelijk tot maar één ding: geweld.
Daarmee is in een notendop zo ongeveer de verdere mensheidsgeschiedenis geschetst. Sinds de Agrarische Revolutie voeren we de strijd tussen onze hang naar gelijkheid en gemeenschap en de neiging tot bescherming van bezit en zelfverrijking.

Anders gezegd: terwijl in de jagers-verzamelaarssamenlevingen de "economie" en "sociale leven" gelijk optrokken - elkaar ondersteunend en versterkend -, zijn die twee met de landbouw en het eigendom uit elkaar getrokken. Met als uitkomst: materieel rijk, sociaal verarmd.

En die strijd wordt natuurlijk gevoerd tot vandaag de dag. Ik moest denken aan het artikel Geld en "de rest". Over uitzwerming, teloorgang van gemeenschap en de noodzaak van gemeenschapsbeleid, dat ik in 2003 schreef. Daarin gaat het over een inwoner van het Drentse dorp Anderen, die terugkijkt op wat er in het dorp sinds zijn jeugd in de jaren 50 was veranderd. Wat hij daarvan denkt, weet hij kernachtig onder woorden te brengen: "Mensen hebben het van geld beter gekregen, maar de rest is minder geworden."

En het is overduidelijk wat hij met "de rest"bedoelde: het sociale leven.

Kortom, na de overgang naar landbouw lijk je de mensheidsgeschiedenis onder die ene noemer te kunnen brengen van de onophoudelijke strijd tussen "materieel rijk" en "sociaal rijk".


1 april 2016 - Het afscheid uit het paradijs was niet goed voor vrouwen (Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel? - 5)

De overgang naar landbouw in de mensheidsgeschiedenis had ingrijpende gevolgen voor de positie van de vrouw. Daarmee zijn we beland bij het derde thema in de Bijbelverhalen. Zie voor het eerste thema hier en het tweede hier.

In jagers-verzamelaarssamenlevingen was er een grote mate van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. En dat hing samen met de grote mate van gelijkheid tussen mannen. Voor hun overleving waren jagers-verzamelaars aangewezen op samenwerking en delen van voedsel en dus op sociale harmonie. Ten behoeve daarvan werd de neiging tot statuscompetitie individueel en zo nodig collectief onderdrukt.

Voor vrouwen betekende die gelijkheid dat ze nooit gedwongen konden worden zich aan een man te binden. Van Schaik en Michel daarover in Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel:
Weliswaar was er sprake van een zekere dominantie van de man, maar een vrouw kon altijd naar haar familie terugkeren of van man wisselen als haar eigen man zich te eigenmachtig gedroeg. De paarbinding was nog niet specifiek exclusief. Er bestonden wel monogame relaties, maar dat een vrouw zich haar hele leven lang zou moeten binden aan één man, was geen vaste praktijk.
Een vrouw kon diverse partners na elkaar hebben. Soms had ze ook op hetzelfde moment diverse relaties. Dat ging gemakkelijk, omdat de precieze vaderschapsverhoudingen niet vastgesteld konden worden. Het verkeer met meerdere mannen was in het belang van de vrouw; zo kon een netwerk van potentiële vaders worden opgebouwd die zich verantwoordelijk voor haar voelden.
En voor haar kinderen.

Dat veranderde met de introductie van eigendom in de landbouwsamenleving. Bezit moest worden beschermd en dat leidde er toe dat zonen bij hun vader bleven. Dus werden dochters uitgehuwelijkt en werden vrouwen van elders gehaald. Het fenomeen van de bruidsschat ontstond, waarmee vrouwen handelswaar werden.

Waardoor vrouwen ondergeschikt moesten worden aan mannen. En trouw aan hun man. Want omdat je bezit had en dat wilde doorgeven aan je kinderen, wilde je als man zekerheid over het vaderschap. Waar jagers-verzamelaarsmannen niet om maalden, werd voor landbouwers een prioriteit.

Bovendien leidde de toegenomen ongelijkheid er toe dat een man meer vrouwen kon nemen ('kopen"). Voor vrouwen hield dat in dat ze voor de keus konden komen te staan om een van de vrouwen van een rijke man te worden of de enige vrouw van een arme man. Het eerste was dan vaak aantrekkelijker.

En dat creëerde weer de omstandigheden waaronder de obsessie met de maagdelijkheid van de vrouw voor het huwelijk zich kon ontwikkelen. Door de omgang met huisdieren, ook in de vorm van sodomie, ontstonden de infectieziekten. Die sodomie werd juist ook uitgelokt doordat de rijke mannen de vrouwen monopoliseerden, waardoor een reservoir aan overgebleven mannen ontstond. Wat bijdroeg aan de cultus van de maagdelijkheid en de "reinheid" van vrouwen.

Kortom, de overgang naar de landbouw zorgde voor een terugkeer naar het alfa-mannetjes-model van de chimpansees en veel andere primaten. Terwijl het bij die primaten vooral gaat om verschillen in de fysieke kracht van de mannetjes, vandaar de seksuele dimorfie, gaf bij de landbouwers het bezit de doorslag. En de vrouwen delfden het onderspit.

En natuurlijk moeten we daarbij bedenken, aldus Van Schaik en Michel, dat de Bijbelverhalen werden geschreven door mannen en met het oog op de doeleinden van mannen. Dat vrouwen zouden moeten gehoorzamen aan hun man, is duidelijk niet te rijmen met de egalitaire morele intuïties van de jagers-verzamelaars. Vandaar dat in de Bijbelverhalen die gehoorzaamheid zo moest worden benadrukt.


11 april 2016 - Het verhaal van Kaïn en Abel diende om machtsverschillen te legitimeren - (Een biologische antropologie van de Bijbel - 6
 
Het probleem van eigendom, dat na de landbouwrevolutie de geschiedenis van de mensheid binnenkwam, bracht als vanzelf het probleem met zich mee hoe je bezit moest doorgeven. Dat je het doorgaf aan zonen, kwam er uit voort dat de landbouw ook weer als vanzelf een patriarchale samenleving voortbracht. Zie het vorige bericht in deze reeks over Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel: Het afscheid uit het paradijs was niet goed voor vrouwen.

Maar aan alle zonen? Dat zou leiden tot een steeds maar doorgaande versnippering van het bezit, gegeven dat landbouwgrond schaars was en dat het bezit dus niet onbelemmerd kon worden uitgebreid. De gekozen oplossing, die de steun krijgt van de God van de Hebreeuwse Bijbel, het eerste geboorterecht, zorgde er voor dat het bezit in stand bleef. Maar hij creëerde ook meteen nieuwe problemen: bezitloze broers en zussen en conflicten om bezit. Daarmee zijn we aangeland bij het verhaal van Kaïn en Abel en bij het geboorteuur van geweld (Hoofstuk 2).

Kaïn was de eerstgeborene, maar God accepteerde wel het offer van Abel, de jongere broer, en niet dat van Kaïn. Waarop Kaïn Abel doodsloeg, door God werd vervloekt en tot een zwervend bestaan werd veroordeeld. Maar hij werd door God beschermd (het Kaïnsteken), vestigde zich elders en werd stamvader van een succesvol geslacht.

Een merkwaardig verhaal. Dat zal er mee te maken hebben dat het kennelijk vele malen is omgewerkt. Maar dat het uiteindelijk deze vorm heeft gekregen is betekenisvol. Het eerste geboorterecht stuitte uiteraard op verzet. Het ging in tegen de egalitaire moraal van de jagers-verzamelaars. Om het toch te rechtvaardigen, moest aan die bezwaren wel aandacht worden besteed. Maar tegelijk moest ook de onvermijdelijkheid er van worden benadrukt.

En ten behoeve daarvan moest een plaats worden gegeven aan de egoïstische en competitieve impulsen, die in de jagers-verzamelaarsgroepen weliswaar succesvol werden onderdrukt, maar nog wel steeds deel uitmaakten van de menselijke sociale natuur (denk weer even aan de Dual-Mode theorie).  In de woorden van Van Schaik en Michel:
Maar in de nieuwe wereld moesten de clans, patrilineair georganiseerde families dus, de rijen sluiten om hun bezit te verdedigen. Dan komen egoïstische impulsen die nu eenmaal ook deel uitmaken van onze eerste natuur juist van pas. Ooit door de groep onder controle gehouden, geven de patriarchen hun egoïsme nu alle ruimte; dat moet ook wel, willen ze in de maatschappelijke concurrentie niet aan het kortste eind trekken. Met krachtige hand houden ze de familieclan bijeen en naar buiten toe vertrouwen ze op geweld.
Dat maakt begrijpelijk dat in het Bijbelverhaal het conflict een duidelijke plaats krijgt, maar dat bovendien Kaïn, de eerstgeborene, de stamvader wordt van een succesvolle stam. En daarmee de vader van alle culturen, goddelijk beschermd en gelegitimeerd.
De leden van de stam van Kaïn blijken, zo vertelt de Bijbel, uiterst getalenteerd in het monopoliseren van bezit, van vrouwen en van macht. Zij vormen de kiemcel voor tirannie en despotisme. En zij zijn het die de mensheid naar de volgende trappen van beschaving zullen leiden, naar de chiefdoms en de eerste staten. Bij hun oorlogen kijkt de wereld in spanning toe. Op het gevaar af dat we ons herhalen, de Bijbel slaat de spijker op de kop.
Het moeten roerige tijden zijn geweest, die van de overgang naar landbouw en naar eigendom. En roerige tijden vinden een uitdrukking in verhalen die worden doorverteld.

Waarbij de machtigen meer invloed hebben op het doorvertellen en het bewerken van de verhalen dan de zwakkeren. En dus blijven die verhalen over die de machtsverschillen afschilderen als nu eenmaal onvermijdelijk.

Met enige huivering besef je opeens hoe actueel eigenlijk dat verhaal van Kaïn en Abel nog steeds is.


18 april - Waarom toch die obsessie met stambomen in Genesis? - Een biologische antropologie van de Bijbel - 7

Carel van Schaik en Kai Michel attenderen de lezer in hoofdstuk 3 van hun Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel op de merkwaardige passages in Genesis waarin genealogische overzichten worden uiteengezet. Die uitvoerige opsommingen stellen het geduld van de lezer op de proef. Vanwaar deze obsessie met stambomen?

Volgens Van Schaik en Michel kwam die voort uit een in de tijd van de landbouwrevolutie opkomende anti-chaosstrategie:
De samenleving moest een sociaal netwerk knopen om tegenwicht te kunnen bieden aan de centrifugale krachten (...). Er moest van alles worden gedaan om te voorkomen dat het egoïstische belang van een enkeling de samenleving in chaos zou doen verzinken.
Er moest iets in de plaats komen van de grote mate van onderlinge vertrouwdheid waarop in de jagers-verzamelaarssamenlevingen de sociale orde van samenwerking en delen was gebaseerd. Omdat mensen vrij plotseling veel meer onder vreemden kwamen te verkeren, en die kring van onderlinge vertrouwdheid een klein eilandje werd in een grote zee van alle mensen die je tegenkwam, ontstond er een tot dan onbekend probleem. Hoe ga je om met vreemden? Wat kun je verwachten van vreemden?
Het uitzoeken van wie met wie verwant
is en of een vreemde misschien toch nog in een steeds maar uitdijende stamboom met jou verbonden is, dat werd een algemeen gedeelde interesse. Een obsessie, kun je wel zeggen. Want als zo verwantschap is ontdekt of via vele omwegen is gereconstrueerd, dan creëer je daarmee een soort gezamenlijkheid die een substituut wordt van de vertrouwdheid die je eigenlijk zou willen. En dan ga je daarnaar handelen en verwacht je dat de ander dat ook zal doen.

Dan kan zo ver gaan dat we het sjabloon van verwantschap ook gaan toepassen in die gevallen waarin een "echte" verwantschap niet gevonden is. Want we zijn toch allemaal familie?
Fascinerend wat er gebeurt: hier wordt een oeroude bron van menselijk altruïsme aangeboord. Als genealogieën een 'fictieve verwantschap' construeren, hebben we te maken met een 'culturele manipulatie van familiepsychologie' met als oogmerk om in grootschalige samenlevingen solidariteit tot stand te brengen. De Bijbel simuleert één grote familie en vervangt anonimiteit door een uit een gezamenlijk verleden voortkomende vertrouwdheid.
Vandaar het gebruik in religieuze groepen om elkaar als "broeders" en "zusters" aan te spreken. En vandaar het godsbeeld van een vaderfiguur.
(In het citaat hierboven wordt verwezen naar het artikel The Evolution of Religion: How Cognitive By-Products, Adaptive Learning Heuristics, Ritual Displays, and Group Competition Generate Deep Commitments to Prosocial Religions van Scott Atran en Joseph Henrich, dat nu op mijn leeslijst staat.)
Bedenk daarbij hoe ambivalent de Bijbelverhalen als geheel zijn. Want terwijl hier de boodschap is dat we eigenlijk allemaal familie van elkaar zijn, en we ons dus ook als familie zouden behoren te gedragen, dienen weer andere verhalen om grote machtsverschillen te legitimeren. In feite handelen we natuurlijk maar beperkt volgens die familieboodschap.

Waardoor er machtigen en machtelozen ontstaan. En de machtigen verspreiden de verhalen die uitdragen dat dat zo hoort en nu eenmaal onvermijdelijk is.

Het is eigenlijk maar een klein stapje van die Bijbelverhalen naar de mediaberichtgeving en de ideologieën van vandaag de dag.

(De figuur toont de stamboom van Abraham en is ontleend aan de wiki-pagina De geschiedenis van Abraham.)


19 april 2016 - Over vertrouwdheid en het verschil tussen een ultimate en een proximate verklaring - Een biologische antropologie van de Bijbel - 8

In het hoofdstuk van Het oerboek van de mens waarin Carel van Schaik en Kai Michel een evolutionair geïnspireerde verklaring geven voor die merkwaardige obsessie met stambomen die we in Genesis tegenkomen, tref je deze passage aan:
In de kleine groepen van jagers-verzamelaars waren er drie mechanismen die een garantie vormden voor altruïstisch gedrag: verwantschap ('als ik mijn familie help, help ik kopieën van mijn eigen genen'), wederkerigheid ('voor wat, hoort wat') en indirecte wederkerigheid ('ik help diegenen van wie ik weet dat ze ook anderen helpen - en draag zo bij aan mijn eigen reputatie, zodat anderen mij weer helpen').
En dat is een passage die om opheldering vraagt. Want Van Schaik en Michel presenteren hier drie ultimate verklarende mechanismen voor altruïsme (of pro-sociaal gedrag) alsof het proximate verklaringen zijn.

Wat is het verschil tussen ultimate (ongeveer: uiteindelijke) en proximate (ongeveer: dichtbije) verklaringen?  Daarvoor kunnen we even teruggaan naar het bericht "Wij samen" maakt pro-socialer - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (13), waarin ik dit citaat aanhaalde:
Kort gezegd gaan uiteindelijke verklaringen over waardoor een gedrag bestaat en gaan proximate verklaringen over hoe een gedrag werkt.
Iets uitgebreider: een ultimate verklaring geeft een antwoord op de vraag hoe een bepaald gedragspatroon in de evolutie heeft kunnen ontstaan. En vertelt ons dus hoe dat gedrag in het verleden meer heeft bijgedragen aan overleving en voortplanting dan mogelijke alternatieve patronen.

Daarentegen vertelt een proximate verklaring iets over de situaties waarin dat gedrag optreedt. Waarin het wordt getriggerd.

Ter illustratie: er is een ultimate verklaring voor seks, die inhoudt dat ons seksuele gedrag er is omdat het in het verleden bijdroeg aan evolutionair succes. Maar de proximate verklaring voor een seksuele handeling is dat er zich een situatie voordoet die daartoe triggert. Een romantisch samenzijn. Of het bekijken van porno. Alles wat onhandig onder woorden gebracht, maar u begrijpt wat ik bedoel.

Welnu, verwantschap en (indirecte) wederkerigheid zijn typisch ultimate verklarende mechanismen voor pro-sociaal gedrag. En vertellen ons dus niet hoe precies dat pro-sociale gedrag in die jagers-verzamelaarsgroepen tot stand kwam. Want jagers-verzamelaars waren niet bijzonder in verwantschap geïnteresseerd. Het maakte hen niet veel uit, ook al omdat vaak niet precies duidelijk was wie de vader was.

Ook waren ze niet berekenend in hun onderlinge gedrag, in de zin dat ze niet of nauwelijks bijhielden of er tegenover een dienst wel een wederdienst stond. Omdat meestal iedereen hielp als dat nodig was, hoefde je daar niet zo op te letten.

Nee, de proximate verklaring voor het pro-sociale gedrag was veel meer de omstandigheid dat er tussen alle groepsleden een grote mate van vertrouwdheid bestond. Je groeide in die groep op en leerde bij het opgroeien dat samenwerking en delen vanzelfsprekend waren.  Je wist niet beter dan dat je de mensen met wie je vertrouwd was, bijstond als dat nodig was. Net zo als je dat van hen verwachtte als jij hulp nodig had. Ga ook nog even weer terug naar het bericht Berust wederkerigheid op vertrouwdheid of op berekening?

Die vertrouwdheid, daar ging het om. (Update. En omdat verwantschap en vertrouwdheid sterk samenhingen, veel vertrouwden waren ook verwanten, kon pro-sociaal gedrag tussen vertrouwden dus evolutionair versterkt worden. Net zo werd de neiging om vertrouwden te helpen evolutionair aan volgende generaties doorgegeven, omdat vertrouwdheid altijd tweezijdig is.)

En precies die vertrouwdheid, die werd precair in de veel anoniemere landbouwsamenlevingen. Pro-sociaal gedrag werd niet meer als vanzelf getriggerd, omdat je ook vaak onder vreemden verkeerde. Waardoor voortdurend conflicten, chaos, competitie en geweld op de loer lagen. En dat gaf aanleiding tot al die Bijbelverhalen, in het bijzonder tot die obsessie met stambomen, waar het in het vorige bericht over ging.

Wie verdiende jouw hulp en bijstand wie niet? Om die vragen te beantwoorden, vonden mensen verwantschap uit als richtlijn. Inderdaad, een uitvinding.

Maar ook fictieve verwantschap, omdat er voor een vreedzame samenleving meer pro-sociaal gedrag nodig was dan alleen tussen verwanten. Van Schaik en Michel:
De Bijbel simuleert één grote familie en vervangt anonimiteit door een uit een gezamenlijk verleden voortkomende vertrouwdheid.
Precies! Het gaat om die vertrouwdheid. Liever de echte, maar als het niet anders kan, dan maar een geconstrueerde.


 19 mei 2016 - De toorn van God is een product van de landbouwrevolutie - Een biologische antropologie van de Bijbel - 9

De onderlinge vertrouwdheid in jagers-verzamelaarssamenlevingen zorgde voor voldoende pro-sociaal gedrag om samenwerking en delen in stand te houden. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Dat veranderde in de meer anonieme landbouwsamenlevingen. Carel van Schaik en Kai Michel vragen zich in hoofdstuk 4 van Het Oerboek van de mens dan ook af:
hoe kon altruïstisch gedrag overleven in samenlevingen waar niet iedereen elkaar meer kende - tegen de machtige egoïstische belangen van enkelingen in? Hun vergrijp bleef onder de nieuwe anonieme verhoudingen meestal zelfs onopgemerkt.
Voor dit nieuwe probleem groeide een oplossing: die van een toornige God, een God die zich bezig houdt met de menselijke moraal. In de Bijbel vinden we niet alleen passages waarin die moraal uit de doeken wordt gedaan, maar ook komen we vaak een boze God tegen. Die overtredingen streng bestraft. Een "hemelse tuchtmeester".

Religie als een geloof in bovennatuurlijke wezens kwam ook voor bij de jagers-verzamelaars. Mensen zijn er nu eenmaal van afhankelijk om de wereld om hen heen zo goed mogelijk te begrijpen en zoeken dus voor alles een verklaring. En onze afkeer van onzekerheid brengt ons er toe om elke mogelijke verklaring beter te vinden dan geen verklaring.

Die aangeboren verklaringsdrang (Alison Gopnik) combineren we gemakkelijk met de animistische neiging om achter alles een persoon of een dier of een bovennatuurlijk wezen te vermoeden die de veroorzaker is. Wat voort lijkt te komen uit de sociale lens waardoor we geneigd zijn naar de werkelijkheid te kijken. Onze grote hersenomvang lijkt immers vooral te zijn uitgelokt door de complexe sociale omgeving waarin we met die noodzaak van samenwerking en delen kwamen te verkeren.

Bij jagers-verzamelaars leidde die verklaringsdrang tot een geloof in geesten, vaak die van voorouders. Maar landbouwers hadden een een God nodig met een toezichthoudende en morele functie. Dus een toornige God. Die trouwens ook meteen weer mooi kon dienen om nieuwe soorten rampen te verklaren: overstromingen, mislukte oogsten, ziektes en epidemieën.

Bij de jagers-verzamelaars was de moraal nog een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven, waaraan weinig woorden hoefden te worden besteed. Maar voor landbouwers werd de moraal een allesoverheersend thema van communicatie en reflectie. En dus ook van religie. Geesten werden goden.

Zo ontstond het idee dat rampspoed een straf van God is voor begane overtredingen, voor zonde dus. Waardoor het van groot belang werd om zonden te onderkennen en dus om de juiste regels te vinden waartegen niet gezondigd mocht worden. Van Schaik en Michel:
Voor de religie betekende dit alles een enorme institutionaliseringsimpuls: telkens werden weer nieuwe regels opgesteld en uitgebouwd tot complexe regelsystemen, werden rituelen op de proef gesteld en nieuwe offerplaatsen gekozen. Steeds meer priesters moesten steeds meer middelen uitproberen om 'zondige' individuen te disciplineren of meteen maar helemaal te elimineren teneinde de toorn der goden te sussen. (...)
Het gaat hier dus om een nieuw soort moraal met regels die een verstandsproduct zijn van onze derde natuur. Men probeerde deze regels af te leiden uit de waarneming van de werkelijkheid.
Fascinerend. Ik bedacht me dat eigenlijk hier al de kiem ligt van wat ik de mythe van de opvoedbaarheid noemde. De gedachte dus dat morele intuïties in starre regels kunnen worden gegoten en dat die regels door expliciete instructie dienen te worden doorgegeven. Alleen is God dan vervangen door ouders en andere opvoeders. Zie nog eens Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God.


2 juni 2016 - De actualiteit van de aartsvaderverhalen - Een biologische antropologie van de Bijbel - 10

De aartsvaderverhalen van Genesis geven ons een inkijkje in de ontwikkeling van ongelijkheid, competitie en conflicten na de landbouwrevolutie.

Het gaat over Abraham, Isaak, Jacob en Jozef. Het zijn, volgens Van Schaik en Michel in het zesde hoofdstuk van hun Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel, oorspronkelijk afzonderlijke verhalen, die zijn doorverteld en met elkaar verbonden.

Ging het in het vorige bericht over de pogingen om na de landbouwrevolutie nog een moraal in stand te houden, met behulp van een toornige God, nu gaat het onverbloemd over ongelijkheid, competitie en conflict. Om liegen en bedriegen.

Dat alles kwam er uit voort dat de landbouw gepaard ging met eigendom van land, vee en voorraden. Als er dan overschotten ontstaan, kunnen sommigen die zich toe eigenen, waardoor er ongelijkheid ontstaat. Ongelijkheid die op zijn beurt een scala van gevolgen heeft.

Want rijke mannen, patriarchen, kunnen meer vrouwen onderhouden en streven dat ook na. Daardoor veranderde de positie van vrouwen. Ze werden "bezit" en waren genoodzaakt zich neer te leggen bij beslissingen van mannen. Ongelijkheid tussen mannen en vrouwen dus.

Door die polygynie moesten er wel mannen overblijven, degenen zonder vrouw, land en bezit. Ongelijkheid tussen mannen dus. Van Schaik en Michel:
Dan krijg je verliezers: het aantal mannen zonder bezit en zonder land groeit. Hun rest (ik zou zeggen: hen rest) vrijwel niets anders dan in te zetten op agressieve, risicovolle strategieën om kans te maken in de strijd om het schaarse goed 'vrouw'. 'Dat zal resulteren in hogere cijfers voor moord, diefstal, verkrachting, sociale ontwrichting, ontvoering (vooral van vrouwen), seksuele slavernij en prostitutie', concluderen antropologen. Wie met lege handen staat, vormt een gevaar; ongetrouwde mannen neigen eerder tot geweld.
Vervolgens moesten de patriarchen een oplossing bedenken voor de overdracht van hun bezit aan de volgende generatie. Verdeling over zonen (!) zal wel eens zijn voorgekomen, maar al gauw bleek dat het bezit dan uiteenviel. Dus groeide het eerstegeboorterecht. De oudste zoon erft alles.

Maar natuurlijk leidde dat tot conflicten. Zowel tussen de vrouwen van de patriarch, als tussen zijn zonen. Anders gezegd, dat eerstegeboorterecht wordt maar halfhartig gerespecteerd. Want de belangen zijn groot: je krijgt alles of niets. Of jouw zoon krijgt alles of niets.

Wat te doen om de clan toch zo goed mogelijk bij elkaar te houden? Het eerste wat zich aandient is om het bezit te vergroten. Hoe meer er is, hoe beter verliezers en opstandigen met geschenken kunnen worden zoetgehouden. En dat zie we in de patriarchenverhalen ook gebeuren: de aartsvaders worden rijker en rijker.

Daar komt bij dat er andere clans zijn die dezelfde strategie van expansie hanteren. Daardoor wordt macht en het demonstreren van macht van levensbelang. Toon altijd je vastberadenheid en je bereidheid om bij het verdedigen van je bezit tot het uiterste te gaan.

Vandaar Abrahams bereidwilligheid om zijn zoon Isaak te offeren. Van Schaik en Michel:
Hoewel deze episode doorgaat voor bewijs van Abrahams onvoorwaardelijke trouw aan God, rijst sinds jaar en dag toch de volgende vraag: waarom moet God Abraham zo in gewetensnood brengen? Waarom vraagt God Abraham nog om een bewijs van diens trouw? Dat heeft hij immers helemaal niet nodig: God weet wat hij aan Abraham heeft, anders zou hij hem niet hebben uitverkoren. Het bewijs is nodig om anderen te overtuigen. Het laat zien dat Abraham bereid is om tot het uiterste te gaan.
Kortom, met de ongelijkheid hebben we ook meteen de expansiedrang. En omdat machtsvertoon en vastberadenheid altijd moeten worden beantwoord met tenminste een zelfde vertoon, ontstaat er dus een geweldsspiraal. Statuscompetitie in volle omvang.
En voor de oorlogen die hieruit voortkomen, zijn er met de verliezers van deze maatschappelijke processen genoeg strijders voorhanden. Voor hen vormt geweld een laatste strohalm om toch nog aan een vrouw en bezit te komen - desnoods door middel van roof en doodslag. Despotische toestanden breken uit.
Waarbij je natuurlijk bedenkt hoe actueel dit allemaal is. Ik dacht even aan Hoe worden sommige jongemannen zo gevaarlijk dat ze aanslagen gaan plegen?


29 juni 2016 - Geloof in de enige God als bescherming tegen bestaansonzekerheid - Een biologische antropologie van de Bijbel - 11

Ga er even voor zitten en probeer je eens echt voor te stellen hoe mensen de overgang van jagen-verzamelen naar de landbouwsamenleving beleefd moeten hebben.

Hoe zo? Was dat dan zo ingrijpend?

Ja, dat was het zeker. Het was, om met Jared Diamond te spreken, de grootste vergissing die de mensheid gemaakt heeft. Want wat waren de gevolgen?

Door permanente vestiging en eigendom ontstonden maatschappelijke en sekse-ongelijkheid, conflicten en oorlogen. Door het zich blijvend vestigen ontstonden problemen op het vlak van hygiëne en een grotere vatbaarheid voor besmettingsziektes. Dat werd versterkt door het dicht opeen gaan wonen met huisdieren en vee.

En het leven van de opbrengsten van landbouw leidde weliswaar tot door de tijd genomen hogere gemiddelde opbrengsten per eenheid arbeid, maar oogsten konden ook mislukken. Plots konden hongersnoden ontstaan.

Door de overgang naar landbouw leerde de mensheid voor het eerst rampen en catastrofes kennen. Grote delen van de bevolking konden door een epidemie of een hongersnood of een inval van vijanden weggevaagd worden. Of konden tot slaven worden gemaakt. Nogmaals, ga er voor zitten en stel je voor hoe overlevenden dat moeten hebben ervaren.

De menselijke behoefte om verklaringen te zoeken, zeker voor iets dat nieuw en onbekend is, ligt aan de bron van het ontstaan van de wereldgodsdiensten ten tijde van de landbouwrevolutie. En aan de bron van de Bijbelverhalen, zoals uiteengezet door Carel van Schaik en Kai Michel in Het Oerboek van de Mens. De evolutie en de Bijbel. Zie hier voor het vorige bericht in deze reeks.

In hoofdstuk 7 (Mozes: Gods wil wordt wet) gaan Van Schaik en Michel in op "de overvloed aan wetten, regels, aanwijzingen" in de vier Mozes-boeken. Waar kwamen al die wetten vandaan? Waarom?

Ze kwamen er uit voort dat mensen in hun wanhoop niet in staat waren om een andere verklaring voor die rampen en catastrofes te vinden dan dat iemand, een naar de menselijke psychologie gemodelleerd opperwezen, door menselijke misstappen ontstemd was geraakt. Rampen en catastrofes waren straffen:
Wat de Thora ons voorschotelt berust op een simpele vooronderstelling: als een catastrofe of een ziekte een straf is van God, moet daar ook een misstap van een mens aan vooraf zijn gegaan. Niemand straft zonder dat daar een reden voor is. Het gaat er om die reden te ontdekken teneinde te verhinderen dat God opnieuw getart wordt.
Bovendien nam daarmee de behoefte toe aan een opperwezen als enige God. Het geloof in één God maakte het immers makkelijker om zijn beweegredenen te doorgronden. Met een heel leger van goden was dat veel te ingewikkeld. Tegelijk maakte de omvang van de rampen en catastrofes die ene God tot ene wel heel grote en machtige.

En daardoor ontstonden de wetten van de eerste categorie, die van de bescherming tegen onderling geweld ("Heb uw naasten lief"), van de tweede categorie, bescherming tegen ziektes, van de derde categorie, bescherming van Gods ordening, van de vierde categorie, bescherming tegen het ongewisse, en van de vijfde categorie, die van de offerpraktijken.

Er valt natuurlijk veel meer over te zeggen, maar mij viel in dat in feite met de overgang naar de landbouwsamenleving het probleem van de bestaansonzekerheid de mensheidsgeschiedenis binnenkomt. En dat misschien vanaf dat moment het overgrote deel van alle menselijke individuele en collectieve inspanningen er op gericht is om die bestaansonzekerheid terug te dringen. Om die ene grote vergissing maar weer zoveel als mogelijk te herstellen.

Toegegeven, het is een flinke sprong, maar wat dat aangaat staat die discussie over morele intuïties en het basisinkomen in een heel lange historische ontwikkeling.


30 augustus 2016 - De protowetenschappelijke rampenafweer van vandaag de dag - Een biologische antropologie van de Bijbel - 12

Van Schaik en Michel laten in Het Oerboek van de mens. De evolutie en de bijbel overtuigend zien dat de Genesis-verhalen een cultureel beschermingssysteem behelzen. Zie hier het vorige bericht in deze reeks.

Door de overgang naar landbouw waren rampspoed en bestaansonzekerheid het collectieve leven gaan beheersen. Daardoor groeide de behoefte aan een verklaring. Waar hebben wij dit aan verdiend? Wat doen wij verkeerd? De Bijbelverhalen en in het algemeen de religie ontwikkelden zich in antwoord op die vragen. Dat hield ook de opkomst van het monotheïsme in. Want het was eenvoudiger om je die ene almachtige en toornige God voor te stellen als veroorzaker van die rampspoed, als bestraffer van verkeerd handelen en als oorsprong van regels en voorschriften, dan een verwarrende veelheid van goden.

Rampspoed werd dus gezien als bestraffing en het werd dus van het grootste belang uit te vinden wat verkeerd was gedaan en hoe beter te handelen en zo God gunstiger te stemmen. Zo ontstonden de vermoedens over hoe juist te handelen. En sommige van die vermoedens bleken correcter te zijn dan andere, in de zin dat ze rampspoed leken weg te houden en dus kennelijk God gunstig stemden. Van Schaik en Michel:
De Thora is dus, zoals de naam al zegt, 'onderwijzing' om een goede God te verkrijgen. De schrijvers van de Bijbel waren ervan overtuigd met de Thora het huishoudelijk reglement van Gods schepping in handen te hebben. Als iedereen zich daaraan houdt, wordt de wereld een paradijs (...)
de mensen zagen zich geconfronteerd met de hachelijkste problemen. Hoewel ze de werkelijke oorzaken daarvan niet te weten kwamen, wisten ze niettemin een adequaat functionerend preventiesysteem op te bouwen. God diende daarbij als heuristisch middel dat, ondanks het gebrek aan kennis, bijdroeg aan het vinden van goede oplossingen. Een wonderbaarlijk mechanisme: een foute premisse (een epidemie komt nu eenmaal niet van God) leidt tot intensieve studie en analyse van de historische werkelijkheid en op basis daarvan worden maatregelen genomen die effectief zijn. Bepalingen die de hygiëne bevorderen, maken het risico op infectie kleiner; huwelijkswetten dringen erfelijke ziektes terug, sociale geboden zorgen voor betere samenwerking.
Als je hier vanuit de eenentwintigste eeuw op terugkijkt, dan valt je natuurlijk meteen op dat religie nog altijd bestaat, ondanks dat ons wereldbeeld sterk wetenschappelijk is geworden. Dat zou er deels aan kunnen liggen dat de 'functie' van religie wat is veranderd. Draaide het ten tijde van de komst van de landbouw om bescherming van de samenleving, tegenwoordig, zo merken Van Schaik en Michel op, gaat het meer om de spirituele nood van de enkeling.

Daar zit wat in. Maar toch zijn er redenen om te denken dat die vroegere functie nog steeds werkzaam is. Want we weten dat ook nu nog armoede en bestaansonzekerheid meer samengaan met de opvatting dat geloof in een God noodzakelijk is voor moreel gedrag. Het verband tussen de kans op rampspoed en het geloof in een almachtige en strenge God lijkt in de mensheidsgeschiedenis een constante. Zie Is geloof in God nodig voor moreel gedrag?

Maar protowetenschappelijke verklaringen hoeven niet per se uitgesproken religieus van aard te zijn. We zien onder onze ogen het samengaan van groeiende bestaansonzekerheid als gevolg van neoliberaal geïnspireerde economische politiek met het sektarische geloof in sterk moreel getinte opvattingen over overheidstekorten (schulden!) en werkloosheid en armoede (tegenprestaties, korten op uitkeringen).

En vooral in Duitsland lijkt dat geloof ook echt een religieuze oorsprong te hebben, met name in het werk van Maarten Luther. Wat in de kern er op neer lijkt te komen dat vooral iedereen zijn eigen straatje schoon moet vegen. Op zich niets mis mee, maar er is nu eenmaal meer dan dat, want onze (macro-)economische inzichten zijn wel wat verder ontwikkeld. Het Duitse economische beleid à la de Schwäbische Hausfrau, dat tot nu toe zo succesvol aan Europa wordt opgedrongen, is daarmee eigenlijk net zo protowetenschappelijk als al die voorschriften uit de Thora.

De protowetenschappelijke rampenafweer van vandaag de dag.


18 september 2016 - Wat is de oorsprong van de God die overwon? - Een biologische antropologie van de Bijbel - 13

Waar komt het beeld vandaan van God (de Heer, Jezus) die overwon? Die de zegekroon draagt? Die muren neerhaalt en bolwerken afbreekt? Voor wiens troon je neerknielt?

Dat beeld komt bijvoorbeeld naar voren uit de bij veel gelovigen populaire Opwekking 764 - Zegekroon. Hier vind je de tekst van dat lied en kun je meemaken hoe het wordt gezongen en krijg je enig idee van wat het doet met de gelovigen die het zingen. En kun je lezen op welke Bijbelpassages de tekst is gebaseerd.

Als je de video tot het einde blijft bekijken, krijg je
ook een idee van de gevoelens die de tekst en het zingen daarvan oproepen. De armen gaan omhoog, soms met een gestrekte wijsvinger. Het lijkt dat het overwinnen wordt belichaamd. Dat wil zeggen, de vereenzelviging met de overwinnaar. Want, zie het eerste couplet, die overwinnaar is ook tegelijk "mijn vriend".

Nu kun je dat overwinnen opvatten als het overwinnen van de dood, zoals in het voorlaatste couplet gebeurt. Maar als je de hele tekst tot je laat doordringen (strijden, zegekroon, glorie, bestrijden, de wereld overwon, neergehaalde muren, afgebroken bolwerken), dan lijkt het alsof het beeld van God als overwinnaar historisch gemodelleerd is naar dat van een wereldlijke overwinnaar.

En dat dat zo is, wordt aannemelijk gemaakt door Carel van Schaik en Kai Michel in hoofdstuk 8 (Jahwe: De God met twee levens) van Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel. Zie hier het vorige bericht in deze reeks. Hoe ging dat in zijn werk?

Vanuit een toestand van "een bonte mix aan stedelijke en regionale goden, aangevuld met allerlei vormen van familiaire devotie", ontstond in de koninkrijkjes Israël en Juda "behoefte aan een officiële staatsgod". Want wat was het geval? De twee rijkjes werden eeuwenlang bedreigd, aangevallen, belegerd, veroverd of tot vazal gemaakt door het oppermachtige Assyrië. Er waren niet alleen de "gewone" epidemieën, droogtes en vluchtelingennood, maar er waren ook de oorlogsrampen. Die een ware oorlogspsychose creëerden (de term is afkomstig van Max Weber)

Die toestand heeft langs twee wegen invloed uitgeoefend op het ontstaan van het beeld van Jahwe als de God die overwon. De eerste weg begint bij de gedachte dat oorlogsrampen een straf zijn van God. en hoe groter de rampen, hoe machtiger die God moet zijn:
Ook dat is het resultaat van een dwingende logica: als een nederlaag Gods straf is, volgt hieruit noodzakelijkerwijs dat de grote Assyrische koning het koninkrijk Israël alleen verovert omdat God hierdoor zijn volk wil straffen. Wanneer de Babyloniërs Jeruzalem brandschatten, zijn ze een folterinstrument in Gods handen.
En die macht is natuurlijk het grootst als God geen andere goden naast zich duldt. Vandaar het beeld van Jahwe als alleenheerser, als overwinnaar. En het gebod om geen andere goden te aanbidden.

Maar daar kwam een tweede weg bij. Want de staatsvorming van Israël en Juda was een geval van zogenaamde secundaire staatsvorming. Andere rijken, zoals dat oppermachtige Assyrië, waren er al en konden tot voorbeeld dienen.
"Zo op aarde, zo in de hemel," zegt Robert Wright (in The Evolution of God). Het bovenaardse is geneigd het spoor te volgen van het politieke. (..) bij secundaire staatsvorming (...) oriënteerde men zich op bestaande voorbeelden. Toen Israël en Juda staten werden, hadden ze te maken met reusachtige imperia en absolute monarchen die over grote volken heersten. Ook als het aan eigen macht ontbrak werden deze als voorbeeld voor de eigen instituties genomen en werd de eigen staatsgod met dezelfde absolutistische kwaliteiten uitgerust.Zeker ook opdat in elk geval hun eigen God de vreemde grootmachten het hoofd zou kunnen bieden.
 Kortom, Jahwe werd gemodelleerd naar het voorbeeld van de grote koning van Assyrië. En naar de verplichtingen die die koning oplegde. De verplichting om
geen oog te hebben voor een andere heer dan de grote koning van Assyrië. (...) Ze moeten de grote koning beloven "volledig loyaal te zijn," "hem lief te hebben" en elke poging om hen van deze exclusieve verhouding af te brengen en te bewegen zich tot de farao te wenden, genadeloos brandmerken en straffen, zelfs als het om hun eigen vrouw of kinderen gaat".
Waarna Van Schaik en Michel een passage uit Deuteronomium aanhalen waarin Jahwe voorschrijft hoe om te gaan met degene die andere goden dient:
wees onverbiddelijk, heb geen medelijden met hem en houd hem niet de hand boven het hoofd. U moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen tot de dood erop volgt, en u moet zelf de eerste steen werpen. Dat is zijn straf, want hij heeft geprobeerd u te vervreemden van de HEER, uw God, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. Het hele volk van Israël moet daardoor worden afgeschrikt, zodat dergelijke wandaden zich niet zullen herhalen.
Wat zich na de overgang van jagen-verzamelen naar de landbouwsamenlevingen lijkt te hebben voltrokken is dus het ontstaan van absolute heersers, die gehoorzaamheid, ja zelfs liefde, van hun onderdanen eisten en vervolgens als voorbeeld dienden voor de constructie van een oppermachtige, alleenheersende God.

De God die overwon.

Ik ben geen gelovige, dus waar bemoei ik me mee, maar soms denk ik, was die toestand van een bonte mix van goden, waarin elke god door een ander kon worden tegengesproken, niet veel beter voor ons geweest?


12 oktober 2016 - Waarom een staatsgod? Over statushiërarchie en narcisme - Een biologische antropologie van de Bijbel - 14
 
In hoofdstuk 9 (Het morrende volk: Protest van onze eerste natuur) en 10 (De les van de uittocht: De erfenis van de Thora) van Het  Oerboek van de Mens. De evolutie en de Bijbel gaan Van Schaik en Michel in op de opkomst en vestiging van de intellectueel-institutionele religie, die van Jahwe als staatsgod. Zie Wat is de oorsprong van de God die overwon? - Een biologische antropologie van de Bijbel - 14 voor het vorige bericht in deze reeks.

Dat was een volkomen nieuwe ontwikkeling en de grote vraag is hoe die zich heeft kunnen voltrekken. Hoe kon deze staatsgod zich ontwikkelen "bovenop" het al bestaande domein van religie dat meer rechtstreeks voortkwam uit de aangeboren intuïties van mensen?

Die intuïtieve religie betrof vooral het alledaagse leven van individu, familie, dorp en de boven-lokale cultus. Daarin gaat het om welzijn, gezondheid, vriendschappen, goede oogst en vruchtbaarheid. En om voorschriften op het gebied van het geven van geschenken, het bereiden van voedsel, het vieren van feesten, het vereren van voorouders. In deze religie van de alledaagse werkelijkheid speelden vrouwen de belangrijkste rol.

Dat alles vinden we niet terug in het nieuwe domein van de intellectueel-institutionele religie. Dat is het domein van mannen en van "de God die overwon", van de staatsgod die geen andere goden naast zich duldt. En dat maakt meteen al duidelijk waar de oorsprong van dat domein ligt: in de komst van koninkrijken en staten. Van Schaik en Michel:
Met de komst van koninkrijken en staten ontstaat er een derde domein van goden met een politieke functie. Dat domein kent professionele priesters. In hun heiligdommen wordt steeds meer expertise opgebouwd. Met de komst van het schrift ontstaan er bundels met heilige teksten. Vaak fungeert de vorst als opperpriester voor de staatsgod. Omdat staatsvorming met centralisatie gepaard gaat, moet ook op religieus gebied elke vorm van tussenmacht verwijderd worden.
Ik moest wat Van Schaik en Michel daar verder over te melden hebben een poos tot me laten doordringen voor ik tot de conclusie kwam dat het ontstaan van die staatsgod twee ontstaansgronden gekend moet hebben.

De eerste is dat er voor dat nieuwe grootschalige publieke domein van omgang met vreemden nieuwe richtlijnen en voorschriften ("wetten") nodig waren. Vooral omdat grootschalige rampspoed moest worden voorkomen: epidemieën, mislukte oogsten, gewelddadige conflicten en verovering door naburige volken.

Dat alles was nieuw en kon worden begrepen als bestraffing van door een oppermachtige god. Die dus door goed gedrag gunstig gestemd moest worden. En de priesters en de opperpriester (de koning zelf) waren er om studie te maken van wat God wel en niet goedkeurde en om de uitkomsten daarvan in wetten vast te leggen. Dat werd de lijst van 613 geboden en verboden van de Thora.

Intellectueel ("rationeel") opgebouwd, zonder veel verband met bestaande intuïties. Vandaar de noodzaak van propaganda en indoctrinatie. De nieuwe regels moesten geïnternaliseerd worden. En dat verklaart de praktijk van de dagelijkse zelfhypnose, zoals Van Schaik en Michel dat noemen. Zoals in het Sjema Israël (de Joodse geloofsbelijdenis):
Luister Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! Heb daarom de HEER lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten. Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad.
Je zou kunnen zeggen dat deze eerste ontstaansgrond gelegen is in de maatschappelijke functie er van: bevordering van samenwerking, tegengaan van rampspoed. Het hele intellectuele en institutionele gebouw had zulke gunstige uitwerkingen dat het zich kon handhaven.

Maar tegelijk was er bij voortduring het thema van "het morrende volk". En dat moet wel wijzen op een tweede ontstaansgrond, die van de statushiërarchieën en de machtsconcentraties die door de overgang naar landbouw, eigendom en ongelijkheid de mensheidsgeschiedenis binnenkwamen. Anders gezegd, er was ook een seculiere ontwikkeling, die van overheersing en onderdrukking. Met een volk dat zich daarin schikte of in opstand kwam.

En in de instituties van de staatsgod lijken de religieuze en de wereldlijke ontwikkelingen hand in hand te gaan. De koning, het hoofd van de statushiërarchie is altijd beducht op interne en externe concurrenten. Die moeten worden uitgeschakeld. Dan helpt het als hij als opperpriester een speciale band met God kan claimen, ja, kan claimen zelf goddelijk te zijn.

Dat versterkt de noodzaak van het beeld van een oppermachtige god, die niemand naast zich duldt. En die niet alleen gehoorzaamheid eist, maar meer dan dat, oplegt dat het volk hem lief moet hebben.

Het zou wel eens kunnen zijn dat we hier in de mensheidsgeschiedenis de introductie zien van het sociale verschijnsel van de oppermachtige leider, ja, van de oppermachtige, narcistische leider. Die niet alleen overal tegenstanders ziet, maar die ook ten koste van alles uit de weg wil ruimen. En die elke associatie met gewone en dus minderwaardige schepsels zo onverdraaglijk vindt dat hij zichzelf wel een goddelijke status moet toe-eigenen.

Want aangenomen dat narcisten altijd hebben bestaan, is het te verwachten dat als er een keer statushiërarchieën bestaan ze er meer dan gemiddeld op uit zijn om aan de top daarvan terecht te komen.

Ze blijven ook in dat opzicht actueel, die verhalen van het Oude Testament. Ik denk maar even aan


28 november 2016 - Een God waar je maar beperkt blij van wordt - Een biologische antropologie van de Bijbel - 15

Ik betrapte me er op dat ik na deel I (Genesis: toen het leven moeilijk werd) en deel II (Mozes, Jahwe en het morrende volk: hoe de enige God ontstond) van het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel van Carel van Schaik en Kai Michel de grote lijn wat was kwijtgeraakt. En daarmee was kennelijk ook mijn interesse om verder te lezen wat verminderd.

Maar nu heb ik ook deel III (Koningen en profeten: de moraal komt voortaan van God) gelezen en doe ik een poging om de lijnen van het verhaal weer op te pakken. (Zie Waarom een staatsgod? Over statushiërarchie en narcisme voor het vorige bericht in deze reeks.)

Hoe begon het allemaal? Voorafgaand aan de landbouw hadden we de jagers-verzamelaarssamenlevingen met hun egalitaire moraal van samenwerken en delen. En daarmee met hun collectieve onderdrukking van neigingen tot statuscompetitie, conflict en pogingen tot overheersing.

De overgang naar landbouw leidde tot eigendom, grootschaligheid en risico. Dat risico slaat op de toegenomen kans op rampspoeden: mislukte oogsten, epidemieën, conflicten, vijandelijke invallen, moordpartijen en slavernij.

Je moet er even voor gaan zitten om tot je te laten doordringen wat een geweldige indruk dat op mensen moet hebben gemaakt. De uitwerking er van op hun denken is bijna niet voor te stellen.

Maar we kunnen proberen te reconstrueren wat er aan de hand geweest moet zijn. Dat kan, lijkt me, in de volgende zeven stappen.

1. Rampspoed vraagt om een verklaring. Jager-verzamelaars waren er al best goed in om naturalistische verklaringen te vinden voor de gebeurtenissen in hun dagelijkse omgeving. Hun wijze van leven was gebaseerd op een groot reservoir van cultureel gecumuleerde kennis van hun fysieke omgeving (planten, dieren, seizoenen) en van hun eigen groepsleven. Voor zaken die ze (nog) niet begrepen, bedachten ze het ingrijpen van geesten , inclusief geesten van voorouders. Voor de onvoorstelbare grote rampen die zich na de landbouwrevolutie voordeden waren dringend verklaringen nodig. Wat te doen om ze in de toekomst te voorkomen? De naturalistische kennis ontbrak nog. De gebeurtenissen waren te groot om aan "gewone" geesten te kunnen worden toegeschreven. Of aan een god van veel andere goden. Dus drong zich het beeld op van de ene, machtige en gewelddadige God, wiens toorn kennelijk was opgewekt. Het monotheïsme kwam de geschiedenis binnen.

2. De jagers-verzamelaarsmoraal van samenwerken en delen kwam in het gedrang door eigendom, ongelijkheid en grootschaligheid. Maar de emotionele kracht van die moraal was onverminderd groot. Dus werd naar wegen gezocht om die moraal, nu meer expliciet, een nieuwe vorm te geven en daarmee haar geldingskracht te behouden.

3. Dat laatste hield in dat het beeld van de enige God werd gevuld met moraal. En daarmee met de straffende hand. Rampspoed kon daarmee worden gezien als bestraffing voor verkeerd handelen en de moraal zoals overgeheveld naar de regels en voorschriften van die morele God, vertelde wat verkeerd was (het kwade) en wat goed was.

4. Maar de rampen, en dus de straffen, waren zo onvoorstelbaar groot, dat God kennelijk niet alleen een goede God was, de drager van de moraal, maar ook een kwaadaardige en wraakzuchtige. Vandaar al die gruwelijkheden waar de Bijbel over verhaalt. Sla even de citaten op die Van Schaik en Michel aanhalen in hoofdstuk 13 van Bijbelwetenschapper Raymond Schwager en van bioloog en atheïst Richard Dawkins. En lees ook even de opsomming van gruwelijkheden die Maarten 't Hart geeft in het hoofdstuk Zeshonderduizend doden van zijn De Schrift betwist. De Bijbel gelezen en gefileerd. Ik kan het niet laten even te citeren:
En dan moet Bodar beweren dat het lezen van de bijbel een 'afnemend besef van normen en waarden' kan keren, terwijl er zeshonderdduizend mensen zonder enig gewetensbezwaar door God zelf of zijn dienstknechten opgespietst, van de rots af gedonderd, met builenpest geslagen, verbrijzeld, met de scherpte des zwaards afgeslacht, dan wel door speren of tentpinnen doorboord worden. En dan zwijgen we nog over al die gevallen waarin geen aantallen genoemd worden.
5. Grootschaligheid en ongelijkheid samen schiepen de voorwaarden voor de groei van de georganiseerde en gerationaliseerde religie. Er kwamen specialisten die Gods straffen en "tekenen" uitlegden en de regels en voorschriften opstelden waaraan ieder zich moest houden. Een soort proto-wetenschap. Dit gebeurde onder de hoede van de wereldlijke heersers, die met een flinke dosis narcisme voor zichzelf een goddelijke status opeisten en de gehoorzaamheid, ja, zelfs liefde, van hun onderdanen afdwongen.

6. Daarmee hebben we dus de combinatie van de almachtige en gewelddadige God, de morele God en de God die de wereldlijke macht legitimeert. Kortom, een God waar je maar beperkt blij van wordt.

7. In het verdere verloop van de geschiedenis is die priesterlijke proto-wetenschap gaandeweg omgevormd en vervangen door een wetenschappelijker wereldbeeld. Dat uiteindelijk, ik citeer Van Schaik en Michel
in de loop van duizenden jaren de kennis opleverde van wat er werkelijk achter zwaard, honger en pest stak: machtswellust, wanbeheer, klimaatverandering, bodemerosie, plaattektoniek, microben. Ironisch genoeg was het dus de wetenschap die God ontlastte: hij werd vrijgesproken van de verdenking dat hij de impulsieve bruut was voor wie hij altijd was gehouden. Als dat niet geestig is: de wetenschap was een van de krachten die van God de lieve God van nu maakte.
Volgende keer over deel IV. Psalmen, Job en de ontdekking van het hiernamaals: de tweede God in de Bijbel.


13 januari 2017 - Was de nieuwe God van "de Heer is mijn herder" het antwoord op de individualisering? - Een biologische antropologie van de Bijbel (16)

In de psalter, de bundel van honderdvijftig liederen in de Geschriften. komt een God naar voren
tot wie iedereen zich op momenten van existentiële nood kan wenden. Dit is een nieuwe God die we eerder in de Bijbel niet tegenkwamen.
We zijn aanbeland bij hoofdstuk 14 (De Psalmen: Mijn God!) van Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel van Carel van Schaik en Kai Michel. Zie het vorige bericht in deze reeks over de God waar je maar beperkt blij van wordt.

Deze nieuwe God is de God van "De Heer is mijn herder", van:
Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij, uw stok en uw staf, zij geven mij moed.
Dit is, zeggen Van Schaik en Michel, een nieuw type God, "een tot wie niet alleen profeten en aartsvaders, maar alle mensen zich kunnen richten".

Sterker, er valt veel voor te zeggen om hier van een nieuw soort religie te spreken:
het soort religie dat bij de meeste mensen opkomt wanneer het over hun eigen geloof gaat. (...) voor veel christenen zijn de Psalmen het enige boek uit het Oude Testament dat voor hen betekenis heeft. 'De Heer is mijn licht, mijn behoud, wie zou ik vrezen? Bij de Heer is mijn leven veilig, voor wie zou ik bang zijn?' De Psalmen laten ons God zien als een 'levend U', bij wie de mens 'zijn hart uitstorten' kan.
De vraag is dan natuurlijk waar deze God vandaan komt. De oorsprong van de oude God, de gewelddadige en de wraakzuchtige, was er in gelegen dat mensen verklaringen zochten voor de grote rampspoeden die de eerste landbouwsamenlevingen teisterden. God moest daar de hand in hebben en wel om degenen te straffen die fout gehandeld hadden.

Het was een God die door epidemieën, binnenvallende legers en mislukte oogsten zijn ongenoegen kenbaar maakte. En de aartsvaders en de profeten kregen tot taak om uit te vinden wat mensen verkeerd hadden gedaan en wat anders moest. Dat maakte de God een collectieve God, een God die tot het volk sprak.

Maar kijk aan, de nieuwe God spreekt tot het individu dat smeekt om hulp:
Keer u tot mij en wees mij genadig, ik ben alleen en ellendig. Mijn hart is vol van angst, bevrijd mij uit mijn benauwenis.
Behoed mij en bevrijd mij, maak mij niet te schande, want ik schuil bij u.
Daarmee komt de nieuwe God niet voort uit een verklaringsbehoefte voor de grote rampen die het volk treffen, maar uit een individuele behoefte aan steun en bescherming en mededogen in tijden van individuele nood en crisissituaties.

Maar was dan die individuele behoefte groter geworden?

Van Schaik en Michel attenderen er nog eens op dat de mensheid een hypersociale soort is, die tot voor de landbouwrevolutie in groepen samenleefde op basis van samenwerken en delen. Anderen waren er als vanzelfsprekend en even vanzelfsprekend was dat je voor elkaar opkwam. Denk aan de Paleo Sociale Omgeving. Alleen zijn bestond, maar dan uitsluitend als zelfgekozen tijdelijke afzondering. Eenzaamheid zal hoogst uitzonderlijk zijn geweest.

Met de overgang naar de landbouw veranderde die sociale structuur ingrijpend. De egalitaire op samenwerking gebaseerde groepen vielen uiteen. Doordat de onderlinge afhankelijkheid verbrokkelde en doordat er bezitsverhoudingen ontstonden en dus ongelijkheid en competitie om land, goederen, partners en status. Het eerstegeboorterecht maakte dat de meeste jonge mannen het maar zelf moesten uitzoeken.

Daar kwam bij, en daar leggen Van Schaik en Michel de nadruk op, dat de besmettelijke ziektes door het culturele beschermingssysteem van de oude, collectieve God, die natuurlijk ook nog bestond, als straf voor begane zonde werden gezien. De priesters hadden bedacht dat contact met zieken dus moest worden vermeden. En die quarantaine bleek inderdaad het gunstige gevolg te hebben dat de epidemie zich niet verder verspreidde.

Daar kwam een geheel nieuw sociaal verschijnsel uit voort: mensen die ziek werden en dus in nood kwamen te verkeren, werden juist niet geholpen. De zieke
heeft een misstap begaan. Dan is troost niet op zijn plaats. Zijn ziekte maakt zijn zonde voor iedereen zichtbaar - en vormt een teken voor zijn medemensen dat ze hem moeten mijden om niet zelf bij God in ongenade te vallen.
Door verschillende oorzaken was verbondenheid met anderen niet meer vanzelfsprekend. Sociale afwijzing en eenzaamheid deden hun intrede. Er was "individualisering". Dat is weliswaar een hedendaagse term, maar wat er mee wordt aangeduid, begon al in de landbouwsamenlevingen.

Vandaar de groeiende behoefte aan een God waar je je mee verbonden kunt voelen. Een God die
functioneert als de ideale, want altijd bereik- en aanspreekbare stabiele contactpersoon die voorziet in de behoefte van de mens aan veiligheid en geborgenheid.
Daarmee zijn we bij een hybride God beland, een mix van de oude, bestraffende en wraakzuchtige, God en de nieuwe God bij wie je altijd terecht kunt en die zijn armen om je heen slaat.

Een innerlijk tegenstrijdige mix, zou je denken. Maar de vereniging van beide "functies" lijkt er de verklaring voor te zijn dat deze God zo populair werd. Hij was er niet alleen voor de samenleving, maar ook voor de individuele mens.


7 april 2017 - Over Godsgeloof, gerechtigheid, de dood, de oerzonde en de rechtvaardige wereld - Een biologische antropologie van de Bijbel (17)

In het Oerboek van de mens waren we, in hoofdstuk 14, aanbeland bij
een hybride God, een mix van de oude, bestraffende en wraakzuchtige, God en de nieuwe God bij wie je altijd terecht kunt en die zijn armen om je heen slaat.

Dat hybride karakter zou wel eens de verklaring kunnen zijn voor de toen groeiende populariteit van deze God. Je kon voor allerlei behoeften bij hem terecht. Hij verschafte verklaringen voor rampspoeden, maar was ook de altijd aanwezige metgezel als oplossing voor het collectieve probleem van de individualisering en het individuele probleem van eenzaamheid.

Maar daarmee was niet alles opgelost. Want terwijl in de jagers-verzamelaarssamenlevingen de morele intuïties van rechtvaardigheid en wederkerigheid als vanzelfsprekend in de dagelijkse praktijk van het samenleven tot uitdrukking kwamen, stuitte dat in de landbouwsamenlevingen op grote problemen.

Dat is het thema van het boek Job, waarin het gaat over het vanuit een rechtvaardigheidsgezichtspunt onverklaarbare lijden dat Job moet ondergaan. Als dat ook het werk van God is, en van de enige God, hoe kunnen we ons dan bij dat lijden neerleggen, het aanvaarden, en tegelijk in God geloven?

Op die vraag moesten antwoorden worden gevonden. Die zoektocht kon ertoe leiden dat er in de hemelse hofhouding een Satan werd bedacht, waar God zich door liet uitdagen om Jobs Godsgeloof op de proef te stellen.

Maar ook andere oplossingen dienden zich aan. Misschien was het zo dat God de gerechtigheid en wederkerigheid uitsmeerde over vele generaties. Denk aan:
Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
Tegenslag in het heden zou dus moeten worden opgevat als boetedoening voor wandaden ergens in een vorige generatie begaan.

Maar dat strookte natuurlijk niet zo goed met het beeld van God als metgezel en beschermer van ieder individu afzonderlijk. Volgens dat beeld zou ieder individu gedurende het leven gerechtigheid mogen verwachten. Een verwachting die vaak niet bewaarheid werd.
De kwaden worden niet bestraft, de goeden niet beloond. Job klaagt: "Waarom leven goddelozen lang, tot in hun ouderdom welvarend en gezond?
Het lijkt alsof dit nijpende probleem de aanleiding vormde tot de ontdekking van het hiernamaals. Als er immers na dit leven nog een vervolg was, dan kon je er nog op hopen dat de gerechtigheid gedurende dat vervolg zou worden hersteld. Daardoor wordt de dood in het Nieuwe testament een "hot item":
Al dat gissen naar wat er op de dood volgt, al die pogingen om te schilderen hoe hemel en hel eruit kunnen zien, wijzen maar in één richting: geen enkel hiernamaalsconcept weet echt te overtuigen. Het zijn allemaal hersenspinsels om de idee van een rechtvaardige God af te stemmen op de onloochenbare ongerechtigheid op aarde. Geen van die visies op het hiernamaals is overtuigend voor onze intuïties. Je moet erin geloven. En wanneer we iets moeten geloven, rijst er altijd twijfel.
Misschien is het daardoor dat er zich nog een laatste oplossing aandiende. Die bestond eruit om elke tegenslag en rampspoed op te vatten als een aanwijzing voor een in het verleden begane zonde. Ook als die niet publiekelijk bekend was, dan moest hij wel gepleegd zijn. Want als de rampspoed niet werd rechtgezet
kon dat maar één ding betekenen: de mens had zijn ongeluk verdiend. Dan moest hij wel een zondaar zijn, ook al was hij zich van geen misstap bewust. Een verschrikkelijke gedachte - maar wel een die in het christendom opgang zou maken. Met de uitvinding van de oerzonde, met de gedachte dat door de misstap van Adam en Eva in het paradijs ieder mens vanaf zijn geboorte een zondaar was, kon alle onrecht in de wereld bij voorbaat worden gerechtvaardigd.
Die oplossing is een vast onderdeel van het menselijk denken geworden. In de sociale wetenschappen komen we hem tegen als de just-world hypothesis. Mensen hebben de neiging om te denken dat de wereld behoorlijk rechtvaardig in elkaar zit. Als het met iemand niet goed gaat, welnu, dan zal hij het er wel naar gemaakt hebben.

Daarmee kun je verklaren dat mensen neerkijken op armoedzaaiers en uitkeringstrekkers en zelfs vluchtelingen en immigranten.

En het is een deel van de verklaring voor het gegeven dat een eenmaal ontstane ongelijkheid zichzelf in standhoudt en versterkt. Zie Perceptions of Low-Status Workers and the Maintenance of the Social Class Status Quo. En eerder het bericht Is toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces?