Posts tonen met het label inkomenssegregatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label inkomenssegregatie. Alle posts tonen

woensdag 2 november 2016

Pro-sociaal gedrag van mensen met hogere status is meer strategisch en berekenend

Dat pro-sociaal gedrag zo duidelijk sociaal is ingebed, komt er uit voort dat het een uit de Paleo Sociale Omgeving overgeleverd gedragspatroon is. In jagers-verzamelaarssamenlevingen waren mensen sterk onderling afhankelijk en waren samenwerking en delen essentieel voor overleving.

Wat wij nu pro-sociaal gedrag noemen - gedrag dat ook anderen ten goede komt - dat was in die egalitaire sociale omgeving vanzelfsprekend. Kinderen leerden het bij het opgroeien. En mocht iemand toch eens toegeven aan egoïstische (statuscompetitieve) impulsen, dan waren er altijd anderen om duidelijk te maken dat zulks niet werd gewaardeerd. Zie Zelforganisatie, onderlinge afhankelijkheid en oorsprong van de moraal.

Maar we leven niet meer in een egalitaire samenleving, waarin samenwerking en delen altijd vanzelfsprekend zijn. Wat betekent maatschappelijke ongelijkheid, het bestaan van statusverschillen, voor de kans op pro-sociaal gedrag?

Wat je zou kunnen verwachten is dat degenen met lagere status meer een sociale omgeving om zich heen hebben waarin elkaar bijstaan en delen belangrijk is om rond te komen dan degenen met hogere status. De rijkeren redden zich ook wel alleen, terwijl de armeren nog wel eens elkaars hulp kunnen gebruiken. Bedenk daarbij dat armeren en rijkeren ook in verschillende sociale werelden leven (inkomenssegregatie).

Die redenering zou betekenen dat je bij mensen met lagere status, dus aan de onderkant van de samenleving, meer pro-sociaal gedrag verwacht dan bij de rijkeren. En er is inderdaad onderzoek dat in die richting wijst. Zie het bericht Hogere status maakt mensen minder pro-sociaal,

Maar er is ook onderzoek dat juist op het tegendeel wijst. Rijkeren zouden procentueel meer aan goede doelen geven en hulpvaardiger zijn dan armeren. Zie A Large Scale Test of the Effect of Social Class on Prosocial Behavior.

Wat zou hier aan de hand kunnen zijn? Een mogelijke oplossing is dat het uitmaakt of het om openbaar, publiekelijk, pro-sociaal gedrag gaat of niet.

En precies dat is onderzocht in de nieuwe studie Social Class and Prosocial Behavior. The Moderating Role of Public Versus Private Contexts.

In dat onderzoek blijkt namelijk dat als het gaat om het publiekelijk bijdragen aan een goed doel, dus met naam en toenaam doneren, de kans dat iemand met hogere status (inkomen, opleiding, beroepsstatus) bijdraagt groter is dan de kans dat iemand met lagere status dat doet.

En in het zogenaamde Dictator-spel waren mensen met hogere status vrijgeviger als ze met naam en toenaam bekend waren dan wanneer een en ander anoniem gebeurde. Dit in tegenstelling tot degenen met lagere status, waarbij het omgekeerde het geval was.

Dat doet de gedachte opkomen dat het pro-sociale gedrag van degenen met hogere status meer strategisch van aard is. Meer voortkomend uit het streven naar een goede reputatie dan uit echte bekommernis en empathie.

En dat komt er mee overeen dat degenen met hogere status meer aangaven zich op hun werk bezig te houden met "netwerken", dus met een instrumenteel doel sociale contacten aan te gaan en te onderhouden. Ook gaven ze meer aan dan degenen met lagere status dat ze trots waren op hun vrijgevige gedrag. Wat de neiging doet vermoeden om er mee te pronken.

De onderzoekers concluderen:
These differences appear to arise from reputational concerns: Whereas lower class individuals exhibited greater prosocial behavior in private than in public contexts, upper class individuals’ tendency to expect pride following prosocial acts predicted a tendency to favor public over private prosociality.
It is interesting to speculate about how social class shapes the nature of relationship patterns. For example, relatively upper and lower class individuals may respond to relationship needs for different reasons: Lower class individuals may be more motivated by the avoidance of threat and suffering, whereas upper class individuals may be more motivated by public reputation concerns. Recent evidence suggesting that upper class individuals spend more time socializing with friends than with neighbors or family members than lower class individuals seems to support this possibility (Bianchi & Vohs, 2016).
Een en ander bevestigt dat de sociale omgeving van de rijkeren verder af staat van de Paleo Sociale Omgeving dan die van de armeren. En dat het pro-sociale gedrag van de rijkeren, als het er is, minder vanzelfsprekend is en meer voortkomt uit berekening en strategie.
(De afbeelding is er een van mensen die lijken te netwerken. Overgenomen van deze site.)

vrijdag 23 januari 2015

Door lokale blootstelling aan ongelijkheid meer antisociaal gedrag van jongens

We weten al dat de inkomensongelijkheid van een land negatieve gevolgen heeft voor de bevolking. Denk aan het onderzoek van Richard Wilkinson, waar ik hier aandacht aan besteedde. Een van die gevolgen is dat ongelijkheid statuscompetitief gedrag aanwakkert en daarmee de kans op antisociaal gedrag en geweldscriminaliteit vergroot. Zie hoofdstuk 10 (Violence: gaining respect) van The Spirit Level. Why More Equal Societies Almost Always Do Better van Wilkinson en Kate Pickett.

Er is nu nieuw onderzoek dat ons leert dat ditzelfde verschijnsel zich voordoet op lokaal niveau. Uit de studie Living alongside more affluent neighbors predicts greater involvement in antisocial behavior among low-income boys (betaalpoort) blijkt dat de kans op antisociaal gedrag van jongens toeneemt, hoe meer die jongens in hun buurt aan ongelijkheid blootstaan.

Neem de Figuur hieronder, waarin het gaat om jongens uit gezinnen met een laag inkomen. Op de horizontale as zijn vier soorten buurten onderscheiden. Te beginnen aan de rechterkant met een buurt met heel veel arme gezinnen (75-100%). Naar links toe neemt het aantal arme gezinnen af en het aantal niet-arme gezinnen dus toe. Een jongen uit een arm gezin kan dus te midden van andere arme gezinnen wonen (rechts) of te midden van niet-arme gezinnen (links).Hoe meer naar links, hoe meer die jongen uit dat arme gezin aan ongelijkheid wordt blootgesteld.



Op de verticale as staat de mate van antisociaal gedrag van jongens uit arme gezinnen afgebeeld. In deze figuur gaat het om jongens van 5 jaar, maar het beeld verandert niet als die jongens 7, 10 of 12 jaar oud zijn. We zien dat de staafjes naar links toe hoger worden. Jongens uit gezinnen die in armoede leven, gedragen zich antisocialer als ze omgeven worden door niet-arme (rijkere) gezinnen dan wanneer ze in een arme buurt wonen.

We zien dus dat het voor de kans op antisociaal gedrag van jongens uit arme gezinnen uitmaakt met hoeveel ongelijkheid ze in aanraking komen. Als ze in hun dagelijks leven vooral armoede zien en dus weinig merken van ongelijkheid, gedragen ze zich minder antisociaal dan wanneer ze rijkdom om zich heen zien.

Maar hoe zit dat dan met niet-arme jongeren? Voor hen geldt in feite hetzelfde. Als ze in een niet-arme buurt wonen, gedragen ze zich weinig antisociaal. Maar hoe meer ze in hun buurt met armoede in aanraking komen, en dus met ongelijkheid, hoe meer antisociaal gedrag. Ook zij worden door meer ongelijkheid geprikkeld tot meer statuscompetitief gedrag.

Dat antisociale gedrag werd vastgesteld door de moeder en een leraar er over te ondervragen. Dat gebeurde met vragen over delinquent en agressief gedrag uit de Aschenbach Checklist, een veel gebruikt en gevalideerd instrument. In de statistische analyses werd gecontroleerd voor kenmerken van de buurt, zoals de collectieve zelfredzaamheid, en een eventuele geschiedenis van antisociaal gedrag van de ouders.

Wat moet je hieruit nu concluderen? De onderzoekers neigen er toe om te suggereren dat het dus geen goed idee is om buurten te creëren waarin inkomens sterk variëren. Maar liever geen gemengde wijken, want dat leidt maar tot meer antisociaal gedrag.

Maar dat is wel een heel cynische conclusie, omdat je daarmee de inkomensongelijkheid nog zou bevorderen. Zie Meer inkomensongelijkheid en meer inkomenssegregatie, Rijken bij de rijken en armen bij de armen: inkomenssegregatie in de V.S. En in Nederland? en Is toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces?

Nee, ook dit onderzoek is weer een ondersteuning voor een politiek gericht op een meer gelijke en dus meer ontspannen en solidaire maatschappij. Op alle niveau's, tussen landen en binnen landen en dus ook op het lokale niveau.

donderdag 24 november 2011

Rijken bij de rijken en armen bij de armen: inkomenssegregatie in de V.S. En in Nederland?

Via Jared Bernstein kwam ik bij de studie van de sociologen Reardon en Bischoff terecht, die laten zien dat sinds 1970 in de Verenigde Staten de residentiële inkomenssegregatie sterk is toegenomen. Peter Orszag wees op het verband tussen toegenomen inkomensongelijkheid en toename van inkomenssegregatie, waar ik in dit bericht aandacht aan besteedde.

Vergelijkbare gegevens voor Nederland bestaan geloof ik niet. Ik vond wel deze boekaflevering van Mens en Maatschappij van 2005, met daarin een hoofdstuk van Fenne Pinkster over inkomenssegregatie in Nederlandse steden. Daaruit blijkt dat de inkomenssegregatie in Den Haag het hoogst is en tussen 1994 en 2000 toenam. De ruimtelijke scheiding tussen rijken en armen was toen in Amsterdam het laagst en nam in diezelfde periode af. Fenne Pinkster promoveerde in 2009 op het proefschrift Living in concentrated poverty, waarin ze de negatieve gevolgen van geconcentreerde armoede laat zien.

woensdag 23 november 2011

Meer inkomensongelijkheid en meer inkomenssegregatie

Peter Orszag (zie het bericht hieronder) wijst er op dat in de Verenigde Staten de sterk toegenomen inkomensongelijkheid geleid heeft tot een sterk toegenomen segregatie naar inkomens. Dat laatste wil zeggen dat rijkeren er steeds meer in zijn geslaagd om in buurten te wonen waarin uitsluitend andere rijkeren wonen. En dat armeren steeds meer in uitsluitend armere buurten wonen.

En omdat er een sterk verband is tussen inkomen en politieke voorkeur (rijkeren stemmen op de Republikeinen en armeren op de Democraten), kan hier een verklaring liggen voor de toegenomen politieke polarisatie in de V.S.

Rijkeren komen minder in aanraking met mede-burgers die arm zijn of tot de middenklasse behoren. Dat maakt het makkelijker om opinies te cultiveren die rijkdom moreel rechtvaardigen en die armoede toeschrijven aan individuele en moreel verwijtbare kenmerken ("ze zijn lui").

Dit voegt een nadeel toe aan al die nadelen van inkomensongelijkheid die we al kennen.

'via Blog this'