Posts tonen met het label baanonzekerheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label baanonzekerheid. Alle posts tonen

dinsdag 25 september 2018

Nieuwe aanwijzing voor negatieve gezondheidseffecten van baanonzekerheid - Menselijke behoeftes stroken slecht met de eisen van de markt

Er zijn steeds meer aanwijzingen dat het in de afgelopen decennia om zich heen grijpende marktdenken (ook wel neoliberalisme genoemd) tegen zijn grenzen oploopt. Anders gezegd, dat de vertaling van dat denken in beleid grote negatieve gevolgen heeft.

Onderdeel van dat denken is dat de arbeidsmarkt als een markt als alle andere dient te worden beschouwd. En dat deregulering nodig is om de flexibiliteit te verhogen en de markt dus beter te laten werken. In dat denken is "marktwerking" voor overheidsbeleid het laatste criterium, met verwaarlozing van wat mensen aankunnen en van wat ze nodig hebben.

Ontslagbescherming? Weg ermee. Als werknemers daardoor meer baanonzekerheid ervaren, dan is dat juist een bedoeld effect. Want mensen hebben immers prikkels nodig om zich in te spannen.

Een nieuwe studie die wijst op de negatieve gezondheidsgevolgen van zulk beleid is de masterscriptie (!) The causal effect of job insecurity on health – Study based on a sample of the elderly from 20 different European countries, waar ESB op attendeert. Zie voor eerder onderzoek naar de negatieve gevolgen van baanonzekerheid, niet alleen voor de gezondheid, maar ook voor de kans op rechts-extremisme, de berichten op dit blog achter het label baanonzekerheid.

De onderzoeker analyseert de data van de Survey of Health, Aging and Retirement in Europe, die in 20 Europese landen gedurende meerdere jaren is afgenomen onder werknemers van 40 tot 70 jaar. Daarin was zowel gevraagd naar de ervaren mate van baanonzekerheid als naar een heel scala aan gezondheidsaspecten. Doordat in de analyses de mate van ontslagbescherming per land als instrumentele variabele werd meegenomen, kon ook echt een oorzakelijk verband tussen baanonzekerheid en gezondheid worden vastgesteld.
Het zou zo kunnen zijn dat werknemers met meer gezondheidsproblemen meer in onzekere banen terechtkomen. Maar die omgekeerde oorzakelijkheid kon dus worden uitgesloten.
Het blijkt dan dat het negatieve effect van baanonzekerheid op de gezondheid aanzienlijk is. Zo verhoogt baanonzekerheid de kans op een depressie met 13 procentpunten.

Zoals gezegd, dat marktdenken gaat over een fantasiewereld waarin mensen zich geruisloos aanpassen aan wat de markt vraagt. Alles wat we weten over het grote belang van bestaanszekerheid voor mensen wordt genegeerd.
Toevallig is er vandaag ook de nieuwe studie over het belang van dagelijkse routines voor het gevoel een zinvol leven te leiden: Routines and Meaning in Life. Mensen hebben nu eenmaal behoeftes en het is wel heel naïef om te denken dat die altijd stroken met de eisen die de markt stelt.

maandag 2 oktober 2017

Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd?

Donderdag a.s. geef ik onder de titel Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd? een presentatie op het Jaarcongres van het Trendbureau Overijssel in Deventer.

Zie hier het programma, de locatie en mogelijkheid tot aanmelden: JAARCONGRES 2017.

En bekijk hier de powerpoint.

Samenvatting
Terwijl een gevoel van bestaanszekerheid een fundamentele behoefte is, is de bestaansonzekerheid de laatste decennia toegenomen. Er zijn aanwijzingen voor de negatieve gevolgen daarvan, zowel op het persoonlijke vlak als op het vlak van de maatschappelijke verhoudingen. De oorzaken van deze ontwikkeling zijn voor een flink deel toe te schrijven aan in het verleden gemaakte politieke keuzes. Dat wijst op de wenselijkheid van een politieke herbezinning.
De presentatie is een uitwerking van en vervolg op het Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding, dat als hoofdstuk is opgenomen in het boek dat donderdag gepresenteerd wordt.
Update. Hoofdstuk 3 in: Hans Peter Benschop (red.), Nieuwe tegenstellingen. Wat doen we ermee? Den Haag: Boom bestuurskunde.

dinsdag 8 augustus 2017

Meer over baanonzekerheid en rechts-extremisme

Ik was op zoek naar meer onderzoek naar het verband tussen bestaansonzekerheid en het hebben van rechts-extremistische opvattingen (zie eerder: Beleid dat bestaansonzekerheid zaait, oogst rechts-extremisme).

En ik kwam terecht bij het vorig jaar al verschenen, maar niet eerder opgemerkte Baanonzekerheid en sympathie voor extreemrechtse partijen.

De Vlaamse onderzoekers Dave Stynen en Hans De Witte laten daarin, aan de hand van een niet-representatieve steekproef (oververtegenwoordiging van jongeren en ouderen en van hoogopgeleiden), zien dat de ervaren baanonzekerheid samenhangt met de mate van sympathie voor het extreem-rechtse Vlaams Belang (in vergelijking met de mate van sympathie voor andere partijen.

Bovendien kunnen ze laten zien langs welke weg dat verband tot stand komt. Je ziet verwachte en gevonden verbanden afgebeeld in het plaatje.

Die statusangst slaat op de bezorgdheid over de eigen financiële toekomst en over de status van de buurt en alledaags racisme op het zich cultureel en economisch bedreigd voelen door migranten.

Een en ander pleit ervoor om niet alleen meer aandacht te hebben voor de negatieve gezondheidseffecten van de flexibele arbeidsmarkt en van de daaruit voortkomende baanonzekerheid, maar ook voor de vervelende politieke gevolgen.

woensdag 21 december 2016

Miezerig herstel? Zelfs helemaal geen herstel, volgens Breed Welvaartsbegrip

Door het domme bezuinigingsbeleid van achtereenvolgende kabinetten als reactie op de crisis van 2008 zien we dat er weliswaar herstel is, maar veel trager dan na vorige crises. Door het beleid van Rutte II was er de bekende dubbele dip: het ontluikende herstel werd de kop ingedrukt. Zie hier het laatste bericht in de serie over de bezuinigingszeepbel: Coen Teulings over de schade van het bezuinigingsbeleid - De continuing story van de bezuinigingszeepbel.

Maar in feite is de situatie nog ernstiger. Dat blijkt als je onze welvaart niet alleen meet met de bekende indicatoren als het Bruto Binnenlands Product, de werkloosheid en het aantal banen, maar er breder naar kijkt,

Precies dat gebeurt in de vandaag gepresenteerde Brede Welvaartsindicator van de Rabobank en de Universiteit Utrecht. Zie hier het persbericht van de UU: Eerste integrale welvaartsindicator van Nederland gelanceerd. Economische groei vertaalt zich niet in welvaart Nederlandse huishoudens. En zie hier de toelichting van Jan Luiten van Zanden: Een brede welvaartsindex in het statistisch polderland.

In die Brede Welvaartsindicator gaat het ook om zaken als baanzekerheid, onderwijs, gezondheid, milieu, huisvesting, veiligheid, politieke participatie en geluk. Hier zie je het plaatje de infographic waarin een en ander wordt samengevat. Lees daaronder verder.


Je ziet dat het vooral de indicatoren zijn op de dimensie Banen die de brede welvaart naar beneden drukken. En dan gaat het niet alleen over werkloosheid, maar vooral ook over de flexibilisering en de baanonzekerheid.

Natuurlijk is de uitkomst van zo'n exercitie sterk afhankelijk van welke indicatoren je kiest en hoe je ze weegt. Maar wat blijft staan is dat je nog helemaal geen herstel ziet als je er voor kiest om naar meer indicatoren te kijken. Zelfs als daar ook indicatoren bij zitten die zich wel gunstig hebben ontwikkeld, zoals veiligheid, levensverwachting en milieu.

Dat werkloosheid en baanonzekerheid zo sterk meewegen, kan zeer goed worden gerechtvaardigd. We kennen immers de sterk negatieve effecten van werkloosheid: Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders.

Die er overigens ook zijn voor degenen die (nog) niet werkloos zijn: Werkloosheid maakt werklozen én werkenden ongelukkiger. Want het klopt ook dat het ervaren van baanonzekerheid sterke negatieve effecten heeft: Over rotbanen, baanonzekerheid en psychische aandoeningen.

Wat er mee te maken heeft dat mensen nu eenmaal bestaansonzekerheid slecht verdragen: Meer fysieke pijn bij grotere bestaansonzekerheid - Komt door verlies van controle over het leven.

Vandaar ook dat overheden ooit, toen het neoliberalisme nog niet had toegeslagen, een anticyclisch macro-economisch beleid voerden en de financiële sector aan banden legden.

dinsdag 18 oktober 2016

Meer over het littekeneffect en het angsteffect van werkloosheid - En over het belang van volledige werkgelegenheid

In het huidige sociaal-economische beleid, dat sterk geïnspireerd is door de neo-liberale fantasiewereld van zoveel mogelijk marktwerking en een zo klein mogelijke overheid, wordt lichtzinnig omgesprongen met werkloosheid. Het lijkt al weer lang geleden dat volledige werkgelegenheid als doel van het macro-economische en het begrotingsbeleid vanzelfsprekend was.

Die vanzelfsprekendheid kwam voort uit het inzicht dat je als overheid (wij met zijn allen) een verantwoordelijkheid draagt voor het realiseren van bestaanszekerheid voor je burgers. En in de maatschappij waarin wij leven is betaald werk voor vrijwel iedereen de basis van die bestaanszekerheid.

De toename van bestaansonzekerheid als gevolg van dat neo-liberale beleid is goed gedocumenteerd door Cok Vrooman in zijn oratie Meedoen in onzekerheid. De negatieve gevolgen daarvan zijn bekend. Mensen hechten aan stabiliteit. Bestaansonzekerheid blijkt gepaard te gaan met fysieke pijn en een een groter gebruik van pijnstillers. Zie Het basisinkomen is een (de?) oplossing voor het probleem van de toegenomen bestaansonzekerheid.

En we weten dat werkloosheid de bestaansonzekerheid aanwakkert, niet alleen bij de werklozen zelf, maar ook bij de werkenden. Waardoor werkloosheid een breed scala aan ernstige negatieve effecten heeft, ook voor de kinderen van werklozen. Zie Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. En we kennen de negatieve effecten van baanonzekerheid. Zie Gezondheid en sociale omgeving (11): sociaal-economische statusverschillen, baanonzekerheid.

Er waren dus heel goede redenen om als overheid volledige werkgelegenheid als belangrijk doel voorop te stellen. Temeer omdat het macro-economische instrumentarium ook voorhanden is om dat doel te bereiken.

Maar in de neo-liberale fantasiewereld is werkgelegenheid slechts een middel om andere doelen te bereiken. De fantasie is dat het voor economische groei, de maat voor menselijk welzijn, noodzakelijk is dat het bereik van het marktmechanisme zo groot mogelijk moet zijn en dat van de overheid zo klein mogelijk. En dat de markt altijd weer als vanzelf naar evenwicht tendeert als je dat proces maar zijn gang laat gaan. Update. En de fantasie dat het bereikte evenwicht ook altijd het best mogelijke is.

Werkloosheid is in die fantasie niet meer dan een middel op weg naar dat evenwicht. Een aanwijzing dat de lonen te hoog zijn. En dus zorgt het leger van
werklozen er als vanzelf voor dat de lonen omlaag gaan. Werkloosheid wordt dus eigenlijk weg gedefinieerd: iedereen vindt werk, als hij maar niet een te hoog loon wil. Vandaar ook die neo-liberale behoefte om uitkeringen te verlagen en uitkeringstrekkers het leven moeilijk te maken.

Al met al een lange inleiding tot waar het vandaag eigenlijk om gaat. Onderzoekers van de Gentse Universiteit hebben gegevens van de European Social Survey (ESS) geanalyseerd op het verband tussen werkloosheid en de latere levenstevredenheid. En ze doen daarvan verslag in ESB: De gevolgen van (jeugd)werkloosheid voor de latere levenstevredenheid.

Hun analyses zijn belangrijk voor hoe we de langdurende negatieve gevolgen van werkloosheid moeten begrijpen. Bekend is dat werkloosheid een zogenaamd littekeneffect heeft en een angsteffect. Het littekeneffect houdt in dat werkloos geweest zijn een blijvend lagere levenstevredenheid tot gevolg heeft. Ook als je daarna weer werk gevonden hebt, blijft er een litteken achter.

Een deel van dat negatieve effect hangt er mee samen dat werkloos geweest zijn de angst vergroot dat nog een keer te worden. Anders gezegd, de werk- of baanonzekerheid neemt er door toe.

Uit de analyses blijkt nu dat beide effecten bestaan voor de gehele steekproef, dat wil zeggen voor alle 25 tot 69-jarigen. Dus ook als je dat angsteffect meeneemt, blijft het littekeneffect significant. Mensen zijn angstiger geworden, maar ook zonder die vrees om weer werkloos te worden, is de levenstevredenheid blijvend lager.

Maar als je kijkt naar de groep van jongeren (25 tot 34 jaar), dan blijkt dat daar de gehele achteruitgang van levenstevredenheid als gevolg van werkloosheid kan worden toegeschreven aan het angsteffect. Werkloos geweest zijn op jonge leeftijd verlaagt het welzijn door de toegenomen angst voor herhaling. Maakt jongeren onzeker en met die angst en onzekerheid staan ze dus aan het begin van hun werkzame leven.

Wel curieus, en tekenend voor de neo-liberale tijdgeest, dat de auteurs volstaan met beleidsaanbevelingen op het vlak van de begeleiding van werklozen en het vergroten van hun inzetbaarheid. De gedachte dat hun bevindingen aanleiding zouden kunnen geven om weer eens na te denken over dat belang van volledige werkgelegenheid, die komt niet bij hen op.

maandag 7 september 2015

Sociale én economische argumenten tegen de dynamische arbeidsmarkt - drie berichten

Volgens de neoliberale sociale zeepbel die rondwaart, moet de arbeidsmarkt worden hervormd. Arbeid moet flexibeler, wat onder meer wil zeggen dat het gemakkelijker moet worden om werknemers te ontslaan. Bedrijven moeten sneller kunnen reageren op veranderingen in de vraag en moeten dus ook sneller niet meer renderende banen kunnen afstoten.

En dat er wordt hervormd, dat blijkt ook inderdaad uit de snelle uitbreiding van de flexibele arbeid. Volgens CBS en TNO is het aandeel werkenden met een flexibele arbeidsrelatie toegenomen van 15 procent (2004) tot 22 procent (2014). En het aandeel zzp’ers is in diezelfde periode toegenomen van 8 naar 12 procent.

Het wordt dus tijd om eens stil te staan bij de grote nadelen van deze ontwikkeling. Aan de hand van drie berichten die langskwamen.

Neem nu het bericht Friends at Work? Not So Much uit de New York Times, waaruit we leren dat het aantal Amerikanen dat een goede vriend als collega heeft, is afgenomen van 50 procent in 1985 naar 30 procent in 2004. Het werk als bron van vriendschappen is dus aan het afnemen. En dat zal er aan hebben bijgedragen dat het vriendschapsnetwerk van Amerikanen zoveel kleiner is geworden. Dat is jammer, omdat we weten hoe groot de bijdrage is van sociale relaties aan welzijn en gezondheid.

Uit hetzelfde bericht leren we ook dat de afname van de langdurige arbeidsrelaties hier een belangrijke oorzaak van is. Als mensen vaak van baan wisselen, dan is de kans op het ontstaan van vriendschappen kleiner. Anders gezegd, hoe dynamischer de arbeidsmarkt, hoe geringer de sociale waarde van het werk. Als bron dus van sociale relaties. Dat is een sociaal argument tegen flexibilisering van de arbeid.

Maar de argumenten tegen zoveel flexibiliteit zijn niet alleen sociaal van aard. Zo is er ook de studie Workplace Stressors & Health Outcomes: Health Policy for the Workplace, die laat zien dat baanonzekerheid, die natuurlijk groter is bij meer flexibiliteit, de kans op gezondheidsproblemen met 50 procent verhoogt. Zie voor meer dat in die richting wijst ook hier en hier. De menselijke natuur is nu eenmaal zo dat we onzekerheid niet zo goed verdragen en het zou goed zijn om daar rekening mee te houden. Uiteraard brengen die gezondheidsproblemen niet alleen menselijk lijden met zich mee, maar als kosten van ziekteverzuim en gezondheidszorg ook economische lasten.

En dan is er als derde bericht de studie Rigidities through flexibility: flexible labour and the rise of management bureaucracies van Alfred Kleinknecht e.a. Daaruit leren we dat het grotere verloop van personeel in bedrijven er toe leidt dat het vertrouwen in elkaar en in het bedrijf en de loyaliteit aan en binding met het bedrijf afnemen. Daardoor wordt het lastiger om een bedrijf goed te leiden, wat weer tot gevolg heeft dat de laag van managers en leidinggevenden groeit. Wat weer verklaart dat in de Angelsaksische landen, met flexibeler arbeidsmarkten, de managementlaag een groter deel uitmaakt van het werknemersbestand dan in Europa (12 procent tegenover 2-6 procent).

Hier gaan dus een sociaal en en economisch argument gelijk op. Niet alleen minder vertrouwen, loyaliteit en binding, maar ook een dikkere, en duurdere, managementlaag. En dan zien we er nog van af dat beide slecht uitwerken op het vermogen tot innovatie.

Nee, die vanzelfsprekendheid van de grote voordelen van dynamiek en flexibiliteit op de arbeidsmarkt, dat heeft wel sterk de trekken van een sociale zeepbel.

woensdag 4 februari 2015

Over rotbanen, baanonzekerheid en psychische aandoeningen. En over symptoombestrijding

Medewerkers van het Trimbos-instituut hebben een studie gedaan naar het verband tussen werkomstandigheden en psychische aandoeningen. Het gaat om de studie The association between type and number of adverse working conditions and mental health during a time of economic crisis (2010–2012) (betaalpoort). Het Trimbos-instituut wijdt er vandaag een bericht aan. Het gaat om resultaten van een grootschalig epidemiologisch onderzoek, de Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2.

De onderzoekers keken naar vier kenmerken van de werkomstandigheden die zouden kunnen bijdragen aan de kans op psychische aandoeningen: een gebrek aan autonomie, psychische belasting, baanonzekerheid en gebrek aan sociale steun op het werk.

Werknemers met lage scores op tenminste drie van deze vier kenmerken werden gekarakteriseerd als degenen met een lage kwaliteit-baan. Zeg maar, met een rotbaan. Als je die mensen vergelijkt met degenen die op geen van de kenmerken laag scoorden, dan hebben ze een 3 tot 5 maal hogere kans op een psychische aandoening. Dat wil zeggen op oftewel een stemmingsstoornis (zoals depressie), een angststoornis of drugs- of alcoholafhankelijkheid.

Een rotbaan blijkt dus ook echt een rotbaan te zijn. Dat blijkt er ook uit dat het hebben van een rotbaan wat de kans op een psychische aandoening betreft vergelijkbaar blijkt te zijn met werkloos zijn of arbeidsongeschikt. Dat bevestigt maar weer dat het hebben van werk goed voor je is, maar dat dat niet zomaar geldt voor het werk zelf. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee.

Daarnaast valt in de resultaten vooral ook op dat van die vier baankenmerken de mate van baanonzekerheid het sterkste effect heeft op de kans op psychische aandoeningen. Werknemers met een hoge mate van baanonzekerheid hadden een 2 maal zo grote kans op elk van die drie psychische aandoeningen.

Je zou zeggen, dat pleit ervoor om terughoudend te zijn in het steeds maar flexibeler maken van de arbeidsmarkt. Mensen hebben nu eenmaal een sterke behoefte aan bestaanszekerheid en het zou goed zijn om daar in de inrichting van onze economie en arbeidsmarkt rekening mee te houden. En uiteraard pleit het er voor om een macro-economisch beleid te voeren dat gericht is op volledige werkgelegenheid.

Maar het valt op dat de onderzoekers geen aanbevelingen in die richting doen. Geheel en al in de lijn van de trend van symptoombestrijding, pleiten ze er voor dat werknemers moet worden geleerd om beter met baanonzekerheid om te gaan. Ik moest uiteraard meteen terugdenken aan het bericht Zoveel symptoombestrijding! Naar aanleiding van Rutger Bregman over de Week van de Werkstress. En verder commentaar hoeft dan eigenlijk niet meer.

Voor het overige liggen de resultaten in dezelfde lijn van de eerdere berichten Is flexibilisering van de arbeidsmarkt een goed idee? en Sociaal-economische statusverschillen en baanonzekerheid. En niet te vergeten Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out.

dinsdag 3 april 2012

Gezondheid en sociale omgeving (11a): is flexibilisering van de arbeidsmarkt een goed idee?

Lage sociaal-economische status verhoogt de kans op chronische angst- en onveiligheidsgevoelens, die samenhangen met het gevoel van een gebrek aan controle over het eigen leven. De chronische stress die daaruit voortkomt beïnvloedt de gezondheid negatief (zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (11)). In datzelfde bericht ging ik in op de negatieve gezondheidseffecten van baanonzekerheid, die meer voorkomt bij lagere statusberoepen, zoals die uit onderzoek blijken.

Dit brengt me op de gedachte die je nu veel tegenkomt dat flexibilisering van de arbeidsmarkt een goed middel is om de economische groei te bevorderen. Het zijn vooral de werkgevers die er voor pleiten om het ontslagrecht te versoepelen. Het idee is dat bedrijven gemakkelijker nieuw personeel aantrekken als ze er ook weer gemakkelijk vanaf kunnen als dat nodig is. Dus: wil je de werkloosheid terugdringen, versoepel dan het ontslagrecht.

Nu kun je daar dus tegen in brengen dat het gemakkelijker kunnen worden ontslagen de baanonzekerheid sterk zal vergroten. Waardoor we de gezondheid van onze werknemers negatief zouden beïnvloeden. En dat gezondheidseffect brengt natuurlijk ook economische kosten met zich mee. De vraag is dus wat per saldo verstandig is.

Maar daar komt nog bij dat meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt ook nog wel eens rechtstreeks economisch gezien nadelen kan hebben. Alfred Kleinknecht wijst daar vandaag op in zijn column in de Volkskrant. Wat blijkt?
... er is ... veelvuldig aangetoond dat soepeler ontslag en loonmatiging leiden tot lagere groeivoeten van de arbeidsproductiviteit en tot minder innovatie. En anders dan verwacht levert het ook geen economische groei op.
Het onderzoek ken ik niet, maar er zijn zeker argumenten die dit plausibel maken. Zo noemt Kleinknecht dat kortere verbintenissen de sociale binding en loyaliteit van werknemers met het bedrijf verminderen. En dat zal leiden tot meer opportunistisch gedrag en dus tot slechtere arbeidsprestaties of zelfs gedragingen die het bedrijf schaden. Daardoor is er meer toezicht en controle nodig, wat leidt tot meer managementlagen. Zo is het aandeel van managers van de beroepsbevolking veel hoger in de flexibelere Angelsaksische landen (12 tot 19 procent) dan in de "starre" Europese landen (2 tot 6 procent). Ook zijn kortere verbintenissen slecht voor de cumulatie (en de overdracht) van moeilijk te documenteren en persoonsgebonden ervaringskennis. En daardoor, en door die geringere binding met het bedrijf, zal er minder innovatie plaats vinden. En uiteraard zullen bedrijven minder geneigd zijn te investeren in scholing.

Maar waar Kleinknecht ook op wijst is dat een soepeler ontslagrecht de machtsverhoudingen in het bedrijf verandert. Werknemers zullen meer beducht zijn, misschien ten onrechte, voor problemen met de baas en zullen zich dus minder kritisch opstellen. Ook in die gevallen waarin hun kritiek gerechtvaardigd is en waarin het bedrijf er belang bij zou hebben. Door die grotere slaafsheid van het personeel zul je aan de top meer 'zonnekoning-gedrag' zien.

Dat laatste wijst er op dat je met een flexibele arbeidsmarkt bevordert dat de sociale structuur van ondernemingen meer die van de statushiërarchie wordt. Met alle nadelen die daaraan zijn verbonden. Zie al mijn berichten onder het label statushiërarchie (in de rechterkolom). Nog anders gezegd, zorg je er met meer flexibilisering voor dat in de bedrijven de onderlinge verhoudingen meer in het teken staan van het Dictator-spel en minder in het teken van het Ultimatum-spel. En iemand tot dictator maken, ook als het de leiding van een bedrijf is, heeft heel vervelende sociale gevolgen. Zie dit bericht en dit bericht.

Trouwens: het is goed voorstelbaar dat veel werkgevers op de hoogte zijn van al deze inzichten. Ze kennen natuurlijk heel goed de grote voordelen van langdurige verbintenissen. Vandaar dat ze ook vaak proberen om ontslag van personeel zo lang mogelijk te voorkomen. Maar desondanks lijkt het waarschijnlijk dat ze zich door een "star" ontslagrecht in hun autonomie beperkt voelen. En ze zullen vaker stilstaan bij die gevallen waarin ze een slecht functionerende werknemer moeilijk kunnen ontslaan dan bij al die gevallen waarin ze profiteren van werknemers die loyaal en kritisch zijn doordat ze niet voortdurend bang hoeven te zijn voor ontslag.

Gisteren waarschuwde Paul de Grauwe er voor om de arbeidsmarkt te flexibiliseren in een tijd van recessie. Je zou daarmee de automatische stabilisatoren om zeep helpen. Maar los daarvan is hij voorstander van meer flexibilisering in landen als Spanje en Italië. Nu kan het zijn dat in die landen de macht (en dus de Dictator-positie) teveel berust bij de werknemer. Maar Paul de Grauwe gaat wel geheel voorbij aan alle overwegingen die ik hier boven noem.

dinsdag 6 maart 2012

Gezondheid en sociale omgeving (11): sociaal-economische statusverschillen, baanonzekerheid

Grote inkomensongelijkheid heeft schadelijke gezondheidseffecten (zie dit bericht). Dat geldt voor alle inkomensgroepen, dus ook voor mensen met hogere inkomens, zoals Wilkinson en Pickett in 2008 hebben laten zien.

Maar daarnaast blijken er grote sociaal-economische statusverschillen in gezondheid te bestaan. Sociaal-economische status staat voor kenmerken als inkomen, opleiding en beroepsstatus. Diezelfde Wilkinson schreef daar in 2000 een aardig boekje over, waarin hij wat toen bekend was, samenvatte. Hij meldt daar (p. 6) dat die verschillen blijven bestaan als je controleert voor roken, beweging en ander gedrag dat je gezondheid beïnvloedt. Of voor de kwaliteit van de ontvangen medische zorg. Anders gezegd, het kan wel zo zijn dat mensen met lagere status meer ongezond gedrag vertonen en minder goede zorg ontvangen, maar dit verklaart niet volledig dat ze ongezonder zijn dan mensen met hogere status. Hetzelfde geldt voor verschillen in woonomstandigheden, blootstelling aan luchtvervuiling, ongezond eten en andere materiële omstandigheden. (Update. Ook kan het zogenaamde selectie-effect het gezondheidsverschil niet volledig verklaren. Dat effect houdt in dat de kans om in een lagere statuspositie terecht te komen, hoger is als je meer gezondheidsproblemen hebt.) Uit onderzoek werd steeds duidelijker dat de oorzaak ligt in de sociale aspecten van statusverschillen. Wilkinson schrijft daarover (p. 7, mijn vertaling):
Achteraf gezien lijkt het alsof we leden aan een opmerkelijk niet-gesocialiseerd beeld van mensen. We namen aan dat de belangrijkste relaties die waren tussen mensen en dingen - een geloof dat zonder twijfel werd versterkt door het economische gezichtspunt dat welzijn afhangt van individuele, materiële consumptie. De sociale aspecten waren op de een of andere manier te vluchtig om mee te wegen naast de concrete milieuproblemen. Sindsdien heeft onderzoek ons er geleidelijk toe gedwongen om in te zien dat dat wat er het meest toe doet (en waarschijnlijk zelfs voor mensen die te lijden hebben van luchtvervuiling en slechte huisvesting) het psychosociale welzijn is en de kwaliteit van de sociale omgeving. Dit wil niet zeggen dat de directe effecten van materiële factoren onbelangrijk zijn; maar we moeten onderkennen dat de indirecte psychosociale effecten van relatieve deprivatie onverwacht krachtig zijn.
Die psychosociale effecten lijken er uit te bestaan dat lage status meer gepaard gaat met chronische angst- en onveiligheidsgevoelens, die weer samenhangen met het gevoel van een gebrek aan controle over het eigen leven. Het negatieve gezondheidseffect komt dan voort uit de chronische stress (type II allostatische overbelasting) die daarmee wordt opgeroepen.

Een concrete oorzaak van onveiligheidsgevoelens kan onzekerheid over het behoud van de eigen baan zijn. En baanonzekerheid lijkt meer voor te komen bij lagere sociaal-economische status. Uit dit onderzoek uit 2010 op basis van gegevens uit 16 (op Israël na Europese) landen blijkt dat het ervaren van baanonzekerheid een 39% grotere kans op een slechte (zelf-gerapporteerde) gezondheid met zich mee brengt. Dat is een belangrijk gegeven als we bedenken dat baanonzekerheid over de gehele linie toeneemt. "We" willen een flexibelere arbeidsmarkt, want daarmee hervormen we de economie en bevorderen we de economische groei. Maar dan houden we misschien te weinig rekening met die negatieve gezondheidseffecten en het lijden, en de economische kosten, die daaruit voortkomen.

In Nederland houdt het RIVM zich in het kader van het Nationaal Kompas Volksgezondheid bezig met sociaal-economische gezondheidsverschillen. Een prominent Nederlands onderzoeker op dit terrein is Johan P. Mackenbach van de Erasmus Universiteit.