vrijdag 6 maart 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -32 - Een periode van fragmentatie

Nadat ik vanaf september 1970 student-assistent was bij Pedagogiek en Onderwijskunde, begon mijn academische loopbaan op 1 maart 1971 bij de Groningse sociologie. Dat assistentschap hield in dat ik meedeed aan een zogenaamd actie-onderzoek naar kleine scholen op het platteland. Actie, omdat het onderzoek erop gericht was ouders te doen inzien dat een grotere school voor hun kinderen beter zou zijn. Het was, ik noemde het al, de tijd van het begin van de schaalvergroting. Ik had daarnaast nog andere baantjes, zoals loopjongen bij Vroom & Dreesmann en interviewer voor een groot onderzoek van de Fryske Akademy naar het lezen van Friestalige boeken. Ik was ondertussen getrouwd en vader van twee kinderen en er moest geld verdiend worden. (Omdat dit geen autobiografie is, komen alle gebeurtenissen op het meer persoonlijke vlak niet of maar summier aan de orde.) Hier het vorige bericht.

Mijn aanstelling begon als wetenschappelijk medewerker van Lolle Nauta (1929 - 2006), die hoogleraar wetenschapsfilosofie en sociale filosofie was aan de faculteit Wijsbegeerte en de Subfaculteit Sociaal-Culturele Wetenschappen, die bestond uit Sociologie en Culturele Antropologie. Maar na een paar jaar was ik op de wetenschapsfilosofie wel uitgekeken. Dat klinkt wat wijsneuzig, maar ik had het idee dat wat ik daar kon leren wel geleerd had. Zo ingewikkeld is het ook weer niet om te bepalen wat wetenschap precies inhoudt. Het Subfaculteitsbestuur willigde mijn verzoek in om mijn taakomschrijving te veranderen in sociologie, in het bijzonder sociologische theorie. 

Maar wat moest die sociologische theorie inhouden? We zijn in de jaren 70 beland. Het was duidelijk geworden dat het structureel-functionalistische systeemdenken niet voldeed als de theoretische grondslag voor een vak sociologie. Hetzelfde gold voor de al genoemde ruiltheorie, die was voortgekomen uit Homans' keuze voor de Skinneriaanse gedragstheorie, en het marxistische historisch-materialisme. Er bestond kortom geen sociologisch zicht op mensen en hun samenleving. Er was weliswaar het in 1959 verschenen boekje The Sociological Imagination, waarin C. Wright Mills probeerde om zo'n sociologisch zicht te presenteren, maar dat bleef toch in algemeenheden steken over de wisselwerkingen tussen persoonlijke levenslopen en maatschappelijke ontwikkelingen. Joshua Pritchard daarover:

Neither the life of an individual, nor the history of a society,” writes Mills, “can be understood without understanding both.” This was a relatively new idea during Mills’s time, when the modern understanding of sociology as an academic discipline and a social science in general was in its infancy.

Dat zo'n algemeenheid, zo niet een open deur, als relatief nieuw gezien werd, zegt inderdaad veel over de onderontwikkelde staat van het vak. 

Er nu op terugblikkend was dat een toestand die in drie opzichten met fragmentatie gepaard ging: de fragmentatie van de specialisaties, de fragmentatie van de sociologische "referentiekaders" en de fragmentatie van de middle-range theorieën. 

De eerste bestond eruit dat je als je je als socioloog bekendmaakte, meteen de vraag kreeg: Socioloog van wat? Want je was een gezinssocioloog of een medisch socioloog of een socioloog van arbeid en organisatie of een rechtssocioloog of een socioloog van bouwen en wonen of een politiek socioloog of een socioloog van kunst en cultuur. Ik moest dan zeggen dat ik niets van dat alles was, maar een theoretisch socioloog. Dan viel het stil, ook van mijn kant, want daar viel verder weinig over te vertellen. En er waren specialisaties of vakken die buiten de sociologie waren ontstaan, maar daarnet zo goed toe hadden kunnen behoren, zoals criminologie en bedrijfskunde en politicologie. 

Binnen het vak was er niet te vergeten ook de specialisatie van de methoden en technieken. Want die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting dat alleen onderzoeksuitslagen, de "sociale feiten", wetenschappelijk relevant konden zijn, leidde tot een groot gewicht van het doen van onderzoek. Als er maar genoeg sociale feiten werden verzameld, dus statistisch vastgestelde samenhangen tussen variabelen, dan zouden daar op den duur, inductief, wel theorieën uit naar voren komen. 

Als tweede was er de fragmentatie van de sociologische referentiekaders. In het Groningse studieprogramma was er in het tweede studiejaar een vak met die naam. Dat er ook een aan het vak eigen, gemeenschappelijk theoretisch kader zou kunnen bestaan, een sociologisch zicht op mensen en hun samenleving, kwam niet eens ter sprake. De theoretische fragmentatie was de als vanzelfsprekend geaccepteerde stand van zaken. Het ging over, jawel, het structureel-functionalisme, de ruiltheorie, de conflictsociologie, het symbolisch interactionisme, de historisch sociologie. Ik gaf een aantal jaren het symbolisch interactionisme, omdat ik in George Herbert Mead (1863 - 1931), de grondlegger daarvan, geïnteresseerd was geraakt. 

Tenslotte die middle-range theorieën. Dat gemis aan een gemeenschappelijk theoretisch kader werd ook wel degelijk door sommigen opgemerkt. Hoe daarmee om te gaan? Door van de nood een deugd te maken. Dat was de oplossing die Robert K. Merton al in 1949 voorstelde in zijn On Sociological Theories of the Middle Range, als hoofdstuk verschenen in zijn monumentale Social Theory and Social Structure, dat in 1957 en 1968 werd heruitgegeven. Die laatste editie heeft lang in mijn boekenkast gestaan. 

Merton nam waar dat er in het vak aan de ene kant die ambitieuze, "alles verklarende", systeemtheorieën waren, hij zal ongetwijfeld aan het werk van zijn collega Talcott Parsons hebben gedacht, en aan de andere kant de "werkhypothesen" die je tegenkomt in het verspreide day-to-day onderzoek. Denk wat dat laatste betreft weer aan aan "zoveel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie". Dat eerste moeten we niet willen, want daar is het vak nog lang niet aan toe. En dat tweede vinden we te weinig. Precies daartussenin moeten we middle-range theorieën willen ontwikkelen en dat doen we ook al. 

Middle-range theory is principally used in sociology to guide empirical inquiry. It is intermediate to general theories of social systems which are too remote from particular classes of social behavior, organization, and change to account for what is observed and to those detailed orderly descriptions of particulars that are not generalized at all. 

Waar denkt Merton dan aan? Aan de theorie over sociale vergelijking (referentiegroepen), de theorie over sociale mobiliteit, de theorie over rolconflicten en de theorie over het ontstaan van sociale normen. Als we zulke deeltheorieën nu maar in onderzoek verder ontwikkelen, dan komen we op den duur en stap voor stap wel tot een algemenere theorie. Maar hoe die er uit zal zien, dat kunnen we nu nog niet weten. En dat is ook de normale gang van zaken, want dat gebeurde in de natuurwetenschappen immers ook. Daarin zijn we immers ook stapsgewijs opgeklommen naar Einsteins relativiteitstheorieën en de kwantumfysica.

En precies daar zien we dat Mertons betoog zich blijft afspelen binnen die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting die bij Durkheim begon. Er hoort geen verschil te zijn tussen hoe de natuurwetenschappen naar hun object van onderzoek kijken en hoe de sociologie dat doet. Dat sociologen deel uitmaken van hun object van onderzoek, daarin zijn opgegroeid en in gesocialiseerd, hoort geen rol te spelen. Ze moeten er naar kijken als een nog onbekend terrein. Alleen de door middel van onderzoek vastgestelde "sociale feiten" zijn van belang. 

Merton was weliswaar Amerikaan, maar bleef als socioloog binnen het continentaal-Europese denken waar de sociologie uit voortkwam. En dat had dus ook anders gekund. Er had ook een vak sociologie kunnen ontstaan op de basis van de Angelsaksische "omgekeerde methode" van Thomas Hobbes en de latere Schotse moraalfilosofen Locke, Hume, Ferguson, Smith). Waarin we uitgaan van bekende, maar natuurlijk altijd voor verbetering vatbare, inzichten in de menselijke sociale natuur en van daaruit "opklimmen" naar inzichten in samenleving en maatschappij. Denk weer terug aan aflevering 24 van deze reeks: Had het met de sociologie ook anders gekund? 

Meer over hoe het anders gekund had en alsnog kan in het vervolg.

Geen opmerkingen: