Onze sociale omgeving bestaat enerzijds uit onze persoonlijke relaties, gezinsleden, familie, vrienden buren, collega's. Maar daarbuiten hebben we een wijdere kring van buurtgenoten, dorps- of stadsgenoten, streekgenoten, landgenoten, ja zelfs, de kring van alle medemensen. Want hoewel we al die mensen in die wijdere kring niet persoonlijk kennen, zijn we via allerlei wegen wel van hun bestaan en vaak van hun wederwaardigheden op de hoogte. En we delen met hen een web van onderlinge afhankelijkheden.
Met buurt-, dorps- en stadsgenoten creëren we een publieke ruimte, die als veiliger, afstandelijker of onveiliger kan worden ervaren. Met landgenoten delen we een democratisch verband, waarin iedereen hoort mee te tellen en houden we dat wel of niet in stand. Of als we in een dictatuur leven delen we een verband dat alles bij elkaar genomen die toestand van overheersing laat voortbestaan of er een einde aan maakt. En met alle medemensen op aarde delen we een verband met oorlogen of vrede of zelfs met een internationale rechtsorde als mogelijke uitkomsten. En met wel of niet de instandhouding van de voorwaarden voor het voortbestaan van de mensheid als uitkomst.
Dat is het complexe sociale landschap waarin wij ons leven doorbrengen en waarin we een weg proberen te vinden. In die zoektocht zijn we aangewezen op wie we zijn, op wat we kunnen en willen, dat wil zeggen op onze innerlijk tegenstrijdige, en daardoor flexibele, sociale natuur. We zijn een sociale diersoort, die er op geselecteerd is om een sociaal veilige omgeving te zoeken. Die vinden we over het algemeen in dat domein van de persoonlijke en dus vertrouwde relaties. Daarin wordt gemakkelijk ieders gemeenschapsmoraal van iedereen-telt-mee geactiveerd, zodat we elkaar die verlangde sociale veiligheid verschaffen. Er gelden dat wat Homans in 1951 in The Human Group de waarden van de kleine groep noemde.
Die moraal stond aan de oorsprong van de mensheidsgeschiedenis, toen het voortbestaan zo onzeker was geworden dat onze vroege voorouders alleen door samenwerken en delen konden overleven. Dat kon alleen slagen als iedereen er van uit kon gaan dat met hem/haar rekening zou worden gehouden, ook als het individueel een keer zou tegenzitten. En daar was weer voor nodig dat het rekening houden met anderen als een morele verplichting werd gevoeld. In plaats van als een altijd onzekere uitkomst van een rationele berekening aangestuurd door het individuele eigenbelang. Want die moraal moest daartegen opboksen, tegen het al bestaande vermogen tot onderlinge statuscompetitie, waarin het ieder-voor-zich voorop stond.
Dat vermogen en de wil tot statuscompetitie staat tot onze beschikking en wordt gemakkelijk geactiveerd als we onze sociale omgeving als onveilig ervaren. En dat is meer het geval hoe meer we bij anderen dat statuscompetitiegedrag of signalen daarvan waarnemen.
We zijn dus, uitgerust met die sociale flexibiliteit in de huidige maatschappij terechtgekomen. En precies in die wijdere sociale omgeving komt die ons van pas. Ieder van ons zoekt op eigen houtje de beste aanpassing. Die meer uit gemeenschapsgedrag bestaat, hoe meer ik datzelfde gedrag in mijn omgeving waarneem. En meer uit statuscompetitiegedrag, hoe meer dat zich voordoet.
Met natuurlijk als complicatie dat we over het gedrag van anderen grotendeels heel indirect worden geïnformeerd. We nemen anderen waar in de publieke ruimte, op straat, in het verkeer, in het openbaar vervoer. Maar veel dringt tot ons door via de sociale media en de traditionele media. En al die waarnemingen, die natuurlijk maar een deel zijn van wat we hadden kunnen waarnemen, generaliseren we naar het geheel. En zo komen, vaak onder het expliciete bewustzijnsniveau, tot een inschatting van de veiligheid dan wel onveiligheid van onze wijdere sociale omgeving, die op zijn beurt ons eigen gedrag aanstuurt, in het ene geval meer gemeenschapsgedrag, in het andere geval meer statuscompetitiegedrag.
Maar het zoeken naar wat individueel de beste oplossing is, kan collectief gezien zowel tot een superieure uitkomst leiden, een gemeenschapstoestand, als tot een inferieure uitkomst, een statuscompetitietoestand. Inferieur omdat de onveiligheid van de strijd om status stressvol en ziekmakend is. En omdat die strijd ook de vorm van discriminatie, geweld, oorlog en zelfs genocide kan aannemen.
Oké, dat was de theorie. Nu een blik op de empirie. De aanleiding daartoe is het verschijnen van het rapport In 25-Country Survey, Americans Especially Likely To View Fellow Citizens as Morally Bad van het Pew Research Center. Ik kwam daarop terecht doordat Robert Reich erop attendeerde: Why do Americans hate each other while Canadians love each other?
In een groot aantal landen kreeg een representatieve steekproef van inwoners de vraag voorgelegd hoe ze "de moraal en ethiek" van hun landgenoten beoordelen, van heel goed tot heel slecht. Dat valt op te vatten als een meting van de gemiddelde inschatting van de mate waarin bij de inwoners het gemeenschapspatroon geactiveerd is.We zien dat die inschattingen tussen landen sterk uiteenlopen. De Verenigde Staten valt op als het enige land waarin een minderheid, 47 procent, hun landgenoten als moreel en ethisch goed inschat, terwijl dat percentage in Canada, dat met de V.S. een grens deelt van bijna 9000 kilometer, 92 bedraagt. In Nederland vindt 80 procent hun landgenoten moreel en ethisch goed.
Die diversiteit komt overeen met de vergelijkbare vraag in ander onderzoek naar het "interpersoneel vertrouwen", de vraag of in het algemeen andere mensen zijn te vertrouwen. Zie INTERPERSONAL
TRUST ACROSS THE WORLD.
Een en ander klopt met de gedachte dat mensen zich over dat wijdere sociale domein altijd op gebrekkige signalen moeten baseren, veel gebrekkiger dan als het gaat om het domein van de persoonlijke relaties. Het is waarschijnlijk ook geen toeval dat mij geen onderzoek bekend is naar hoe mensen de moraal van hun vertrouwde anderen inschatten. Of naar de mate waarin ze vertrouwde anderen vertrouwen. De kringen van persoonlijke relaties berusten immers over het algemeen juist op die moraal en op het onderlinge vertrouwen, vermoedelijk op de basis van selectie- en beïnvloedingsprocessen. Zie ook het bericht Over morele eilandjes in een boze buitenwereld, met onderzoek dat laat zien we in ons dagelijkse persoonlijke leven vooral met moreel gedrag in aanraking komen. En dat we vooral van horen zeggen en via de media over immorele gedragingen te weten komen.
Al met al is het dus vooral die wijdere sociale omgeving waarin wij tegenwoordig ook ons leven doorbrengen die het zo ingewikkeld maakt om de gewenste sociaal superieure gemeenschapstoestand te bereiken. Dat is tragisch, want hoe meer we daar dat immorele, statuscompetitieve gedrag we daar menen waar te nemen, hoe meer we ook zelf, als dat flexibele sociale wezen, daaraan meedoen.
In dat wijdere sociale domein, van nationale staten en van de wereldbevolking, ligt dus vermoedelijk een aanzienlijke potentie aan sociale verbetering klaar om te worden gerealiseerd. Daar voor zou nodig zijn dat we veel beter over elkaars goede bedoelingen, dus over elkaars bereidheid tot gemeenschapsgedrag, geïnformeerd worden. Diezelfde flexibiliteit zou er dan voor zorgen dat "ons betere ik" geactiveerd wordt.
Maar wat dat betreft valt er van onze huidige media weinig goeds te verwachten.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten