Posts tonen met het label August Comte. Alle posts tonen
Posts tonen met het label August Comte. Alle posts tonen

donderdag 9 april 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -34 - Diepte en de compositieve methode

Hoe zou de sociologie als een wetenschappelijk vak er uit moeten zien? Hier het vorige bericht. Dat vroeg ik me eind jaren 70 af toen ik aan mijn proefschrift werkte waar ik in 1981 op zou promoveren. Ik had een periode achter me waarin ik me in de wetenschapsfilosofie had verdiept. Daar had ik van geleerd dat het in de wetenschap draait om groei van kennis over hoe de werkelijkheid in elkaar zit en dat die wordt bereikt elke keer als blijkt dat een nieuwe theorie in staat is om 

  • te verklaren in welke gevallen een bestaande theorie klopt
  • te verklaren waarom hij in andere gevallen niet klopt
  • voor die andere gevallen nieuwe en correcte voorspellingen te genereren
  • nieuwe en correcte voorspellingen te genereren over een deel van de werkelijkheid waar de bestaande theorie niets over te zeggen had.

Anders gezegd, een nieuwe theorie is beter dan een bestaande theorie als hij ons een dieper inzicht verschaft en we daarmee de bestaande theorie kunnen herkennen als een benadering van de nieuwe theorie. 

Ik legde dat uit in mijn proefschrift (p.45-53) en baseerde me op het werk van Karl R. Popper (1902 - 1994), in het bijzonder op The Aim of Science, dat opgenomen werd in zijn Objective Knowledge. An Evolutionary Approach (1973). Popper behandelt daar als voorbeeld van diepte de verhouding tussen de nieuwe theorie van Newton en de bestaande theorieën van Galileo en Kepler. 

Ik vond dat spannende lectuur omdat Popper duidelijk maakte dat groei van kennis er niet alleen uit bestaat dat bestaande inzichten een groter bereik ("informatiegehalte") hebben dan eerst werd gedacht, maar bovenal uit het corrigeren van die bestaande inzichten door een nieuw inzicht. Waarin ligt besloten dat onze kennis van de werkelijkheid altijd gebrekkig en dus corrigeerbaar is. Waar weer uit volgt dat we altijd moeten blijven proberen om tot nieuwe en diepere inzichten te komen en zo de waarheid steeds dichter te benaderen, overigens zonder ooit te kunnen weten of we die bereikt hebben. 

Dat die onvermijdelijke onvolkomenheid van onze inzichten samenhangt met de omstandigheid dat ze altijd in taal zijn vervat, drong overigens pas veel later tot mij door. Zie Taal en waarneming en Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? 

Dat wetenschap op zoek is naar diepere theorieën en dat al onze kennis over de werkelijkheid corrigeerbaar is, lijkt nu niet zo controversieel. Maar er bestonden andere opvattingen. De logisch positivisten van de Wiener Kreis waren van mening dat wetenschap begint met uitspraken waarvan de waarheid door waarneming kan worden vastgesteld en van daaruit "opklimt" naar theorieën. Dat opklimmen zou een proces zijn van "inductie", maar de vraag wat dat proces dan zou moeten inhouden werd nooit opgelost. Ik herinner me dat ik toen ik in 1970 aan mijn doctoraalscriptie werkte, vergeefs probeerde te achterhalen waaruit de "inductieve logica" zou kunnen bestaan. Ik haalde A Treatise on Induction and Probability van G.H. von Wright uit de bibliotheek en liep er in vast. Uiteindelijk besloot ik dat ik Popper gelijk moest geven waar hij zelfbewust schreef: "I think that I have solved a major philosophical problem: the problem of induction." (Objective Knowledge, p. 1). Onze algemene inzichten of theorieën zijn nimmer door waarnemingen te rechtvaardigen. We kunnen ze wel corrigeren door middel van nieuwe, diepere inzichten, waardoor we de waarheid steeds iets dichter benaderen. 

Interessant is dat je bij de voorlopers van dat logisch positivisme ook August Comte tegenkomt (volg de link in de vorige alinea). Dezelfde Comte die dus via zijn invloed op Durkheim van het vak sociologie een positivistische wetenschap maakte, die uitdroeg dat er een domein van "sociale feiten" zou bestaan. 

En er was de toen veelbesproken Tractatus Logico-Philosophicus, waarin Ludwig Wittgenstein declameerde dat de wereld bestaat uit feiten (Sachverhalten) die in taal kunnen worden weergegeven. Veelbesproken, deels doordat W.F. Hermans er een groot aanhanger van was (Wittgenstein in de mode en Kazemier niet). Mijn indruk is dat zowel Wittgenstein als W.F. Hermans nu goeddeels zijn vergeten.

Terug naar de sociologie. Eind jaren 70 dacht ik na over de vraag wat dat streven naar diepere theorieën voor de sociologie zou moeten inhouden. Dat leidde tot Hoofdstuk 5 (Verklarende sociologie: de compositieve methode) van mijn proefschrift. Daarin gaat het er over dat in de sociologie een diepere theorie niet een nieuwe theorie hoeft te zijn, zoals in de natuurwetenschappen, maar juist ook kan bestaan uit al een bekend, psychologisch of alledaags, inzicht in het menselijk gedrag. 

Als we die twee mankementen van de sociologie achter ons laten, dan opent zich voor ons de taak om te laten zien hoe sociale en maatschappelijke verschijnselen voortkomen uit, gegenereerd worden door, het sociale proces van mensen die reageren op omstandigheden, die onderling samenwerken, met elkaar concurreren en/of elkaar beïnvloeden. De verklaring, de winst aan diepte, bestaat er dan uit dat je kunt laten zien dat die sociale en maatschappelijke verschijnselen het resultaat zijn van het "mensenwerk" waarvan de aard, de principes van de menselijke sociale natuur, ons al bekend waren. We stellen dan als het ware die macroverschijnselen samen uit de elementaire en al bekende elementen. Vandaar die compositieve methode. Denk als voorbeeld aan de verklaring die ik gaf voor de grote verkiezingswinst van de PVV in 2023, of algemener voor de opkomst van extreemrechts partijen, in Waardoor werd de PVV zo groot?

Het idee van een sociaalwetenschappelijk vak dat zo te werk gaat, ligt zo voor de hand dat het al veel eerder moet hebben bestaan. Dat klopt. Het bestond al in de zeventiende eeuw, toen Thomas Hobbes in 1651 zijn Leviathan schreef. Daarover meer in het volgende bericht. 

vrijdag 20 maart 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -33 - Over een bijna vergeten hoofdstuk van een proefschrift. En over August Comte en Thomas Hobbes

Thomas Hobbes (1588 - 1697) schreef zijn Leviathan or The Matter, Forme, & Power of a Common-Wealth Ecclesiasticall and Civill in 1651. Hij had door dat mensen in hun onderlinge betrekkingen op het niveau van een nationale staat, wat in zijn tijd neerkwam op een monarchie, in staat waren om zowel een inferieure toestand (burgeroorlog, anarchie, armoede) als een superieure toestand (vrede, welvaart) tot stand te brengen. En hij stelde zich ten doel om uit te zoeken hoe die eerste toestand (condition of Warre) kan worden vermeden en die tweede toestand (Common-Wealth) kan worden bereikt.De eerste 80 bladzijden van de oorspronkelijke editie van bijna 400 bladzijden gaan over de menselijke natuur, in het bijzonder over de menselijke sociale natuur. Op grond van de inzichten die hij daar te berde brengt, beschrijft hij hoe de toestand van vrede en welvaart tot stand kan worden gebracht. Hier het vorige bericht.

Eind jaren 70, toen ik op het NIAS in Wassenaar mijn proefschrift schreef, was ik al tot het inzicht gekomen dat Hobbes "tot de vroegste grondleggers van de sociologie moet worden gerekend" (Verklaring en interpretatie in de sociologie, p.15). Dat sprak niet vanzelf, want hij kwam niet voor in het rijtje van de klassieke sociologen: Durkheim, Marx, Weber, aangevuld met Simmel en Pareto, dat mij in het eerste jaar van de studie was voorgehouden. Daar is trouwens weinig aan veranderd, want ook nu nog worden Durkheim, Marx en Weber als de grondleggers van het vak beschouwd. Zie bijvoorbeeld het recente Classical Sociological Theory. A Reader.

De samenstelling van dat rijtje is erop gebaseerd dat het vak sociologie eigenlijk pas in de negentiende eeuw ontstond en bovenal in continentaal Europa. De Fransman August Comte (1798 - 1857) was niet alleen de naamgever, maar was er daarmee ook verantwoordelijk voor dat het als een geheel nieuw vak moest worden beschouwd. Dat van de grond af moest worden opgebouwd, naar het voorbeeld van de wiskunde en de natuurwetenschappen. Die hadden immers al zulke indrukwekkende resultaten geboekt en laten zien dat allerlei alledaagse inzichten niet klopten. 

Die ontwikkeling van het wetenschappelijk denken moest nu worden bekroond met het toepassen van de wetenschappelijke methode van de ratio en de observatie op hoe de maatschappij in elkaar zit (sociale statica) en hoe die zich ontwikkelt (sociale dynamica). Ten behoeve daarvan moesten alle alledaagse inzichten worden losgelaten, want die waren  nog afkomstig uit het religieuze dan wel uit het metafysische stadium van de menselijke evolutie. Met het nieuwe vak sociologie zou het hoogste, want positieve, stadium van die menselijke evolutie worden bereikt.

Hier lag de bron van die twee mankementen van het vak sociologie waarmee ik tijdens mijn studie kennismaakte, de curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en de fictie van het eigen domein. Alleen de door onderzoek vastgestelde "sociale feiten" waren wetenschappelijk van belang. De socioloog wordt geacht alles naast zich neer te leggen wat niet door middel van dat onderzoek is vastgesteld. Wat hij denkt te weten, niet alleen over de maatschappij, maar vooral ook over de menselijke natuur, is voor hem in zijn rol als socioloog niet relevant, want dat is allemaal voorwetenschappelijk door speculatie en introspectie tot stand gekomen.

Maar daar had ik dus in 1981 afstand van genomen, door Thomas Hobbes tot de vroegste grondleggers van de sociologie te rekenen. Want Hobbes inventariseerde zijn inzichten in de menselijke sociale natuur en leidde daaruit af dat die een sociaal inferieure maatschappelijke toestand van burgeroorlog en armoede waarschijnlijk maakt, maar dat mensen eveneens in staat zijn om die toestand te voorkomen en de superieure toestand van vrede en welvaart tot stand te brengen. 

Hoe zou het vak dat ik studeerde eruit hebben gezien als August Comte niet had geleefd of als zijn werk,  snel in de vergetelheid was geraakt? Het had waarschijnlijk geen sociologie geheten, maar wat dan wel? Sociale wetenschap? Mens- en maatschappijwetenschap? Hoe dan ook, de kans is groot dat Thomas Hobbes meteen zou worden genoemd als een van de grondleggers van het vak. (Een lastige, maar boeiende vraag is wat in dat geval de rol van Durkheim zou zijn geweest. Ik acht het denkbaar dat een Durkheim-zonder-Comte interessanter was geweest dan de Durkheim-met-Comte. Als je zijn retoriek over de "sociale feiten" wegdenkt, blijft er veel waardevols over. Ik noemde al dat ik hem naar zijn inhoudelijk werk beoordeeld interessanter vind dan Marx of Weber.)

Oké, ik was dus gedurende de jaren 1965 - 1971 in dat Durkheim-Marx-Weber vak sociologie gesocialiseerd, maar had me daar tien jaar later van losgemaakt. Wat was er in de tussentijd gebeurd? Dat was kennelijk diep in mijn geheugen weggezakt, want ik had geen helder beeld meer paraat. Had ik maar een dagboek bijgehouden. Maar toen bedacht ik me dat ik daar toch in mijn proefschrift over moest hebben geschreven. En jawel, ik pakte het erbij, en "herontdekte" dat ik in Hoofdstuk 5 (Verklarende sociologie: de compositieve methode) uit de doeken doe wat er zich had afgespeeld. En vooral, wat ik in die 10 jaar had gelezen. En ik realiseerde me dat het om een cruciale etappe gaat van die lange weg waar ik het in de titel van deze reeks berichten over heb. Daar kom ik dus op terug.

En waar ik ook op terugkom is waarom Thomas Hobbes na bijna vier eeuwen nog steeds zo actueel is. Hier het vervolg.

dinsdag 2 december 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -24 - Had het met de sociologie ook anders gekund?

Recapitulerend: het vak sociologie in de tijd dat ik studeerde leed aan twee mankementen: de eis van een curieuze wetenschapsopvatting (alleen "sociale feiten" tellen) en de eis van (de fictie van) het eigen domein. In de poging om aan die twee eisen te voldoen ging het vak de richting op van de theoretische onbestemdheid van de variabelensociologie (zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie) en de richting van de macrosociologie. Maar ik kondigde nog een derde "richting" aan, die van het niet zo serieus nemen van die twee eisen. Hier het vorige bericht.

Als je er op terugkijkt, kun je haast niet anders concluderen dan dat die twee eisen irreëel waren. Ze stonden een vruchtbare ontwikkeling van het vak in de weg. En doordat het vak er nooit met zoveel woorden afscheid van heeft genomen, is dat eigenlijk nog steeds zo. Want doordat die twee eisen in de retoriek van het vak hun invloed bleven uitoefenen, ontstond er niet de ruimte om een theoretisch kader te ontwikkelen waarmee "de maatschappij als mensenwerk" kon worden bestudeerd en waarmee de uitkomsten van dat mensenwerk konden worden beoordeeld aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen. De sociologie moest het doen en moet het tot op de dag van vandaag blijven doen zonder een realistisch normatief kader.

Dat was een stand van zaken die met zich meebracht dat die twee eisen weliswaar in de retoriek werden beleden, maar in de praktijk niet zo serieus werden genomen. 

En dat is al meteen vanaf het begin, dus in het werk van Durkheim, waar te nemen. Hij grijpt in zijn redeneringen achter zijn zoektocht naar "sociale feiten" (statistische verbanden tussen variabelen) vrijelijk terug op inzichten waarvan hij zelf ook zou toegeven dat ze tot het domein van de psychologie behoren. Of tot het domein van de alledaagse, en dus "onwetenschappelijke", kennis.  Denk aan zijn redenering hoe de arbeidsverdeling kan zorgen voor solidariteit. De solidariteit was er voorafgaand aan de arbeidsverdeling op gebaseerd dat mensen met elkaar overeenkomen en daarna op de omstandigheid dat mensen weliswaar verschillen, maar juist daardoor elkaar aanvullen. Als mensen met elkaar overeenkomen, dan leiden ze hetzelfde soort leven en raken ze gemakkelijk met elkaar vertrouwd. Maar ook, als mensen van elkaar verschillen, dan is de kans groot dat elk iets te bieden heeft waarover de ander niet beschikt. Dan zijn ze aanvankelijk misschien wel vreemden voor elkaar, maar doordat ze elkaar iets te bieden hebben, groeit er toch solidariteit.

Dat was niet een in de psychologie van Durkheims tijd bestaande theorie. Het is een (ad hoc) theorie van zijn eigen makelij, die hij ontleende aan zijn eigen alledaagse mensenkennis. In zijn eigen ogen dus onwetenschappelijk, maar wel noodzakelijk  voor het "ontdekken" van het wetenschappelijke "sociale feit" van het verband tussen de variabele "mate van arbeidsverdeling" en "mate van solidariteit". In die zin zijn in Durkheims werk allerlei psychologische theorieën aan te wijzen. Zie ook Three psychological theories of a classical sociologist uit 1975 van Siegwart Lindenberg (die in 1981 mijn copromotor was).

Het was dus een ongemakkelijke situatie waarin het vak sociologie zich met die twee mankementen had gemanoeuvreerd. Die psychologische en/of alledaagse inzichten werden weggezet als onwetenschappelijk, maar in de praktijk bleek je er niet zonder te kunnen.

Had dat niet anders gekund? Jazeker. Met Durkheim kreeg het vak sociologie een positivistische oorsprong, namelijk in het werk van Saint-Simon (1760 - 1825) en August Comte (1798 - 1857). De laatste introduceerde de term sociologie en zag het als taak van die nieuwe wetenschap om de wetten te doorgronden en te formuleren die de sociale werkelijkheid beheersen. In navolging van Saint-Simon meende hij dat er een historisch, 'wetmatige", ontwikkeling is in drie stadia, het theologische stadium, waarin verklaringen gezocht worden in bovennatuurlijke krachten, het metafysische stadium, waarin de verschijnselen teruggevoerd worden tot abstracte begrippen (de Ziel, de Rede) en het positieve stadium, waarin verschijnselen door middel van wetten door andere verschijnselen verklaard worden. Die "historisch wetmatigheid" doet denken aan Karl Marx. En het is inderdaad zo dat Marx al heel jong in aanraking kwam met de ideeën van Saint-Simon (George Lichtheim, Marxism. An historical and critical study, 1964, p. 20).

 Dat was dus het continentaal-Europese denken waar de sociologie uit voortkwam. Maar er was ook het Angelsaksische denken, dat een heel andere weg was ingeslagen. Ik herinnerde me dat ik me in mijn proefschrift Verklaring en interpretatie in de sociologie in 1981 met Thomas Hobbes, John Locke en de Schotse moraalfilosofen had beziggehouden en zocht dat even op (p. 15-19). 

Hobbes kende, via zijn vriend de anatoom William Harvey (1578 - 1657), de natuurwetenschappelijke methode als het leren kennen van dingen door ze, in realiteit of in gedachten, te ontbinden in hun eenvoudigste elementen (de methode van ontbinding) en ze vervolgens uit deze elementen opnieuw samen te stellen (de methode van compositie). Deze compositie zal slagen als de 'eerste principes' zijn ontdekt die de eenvoudigste elementen sturen. In de natuurwetenschappen zijn de te ontbinden verschijnselen ons het meest vertrouwd. Dat zijn de dingen 'van middelbare grootte', die zich direct aan ons voordoen. En die eenvoudigste elementen en eerste principes moeten ontdekt worden. 

Maar in de sociale wetenschap (civil philosophy), zo redeneerde Hobbes, ligt dat precies andersom. Juist de eenvoudigste elementen, de individuen, en de eerste principes, de wetten van de menselijke natuur, zijn ons het meest vertrouwd.. Terwijl wat daaruit voortkomt, de maatschappij, de commonwealth, verder van ons af staat. Dat die maatschappij mensenwerk is, dat weten we al. En onze eigen geest en ons eigen handelen kennen we. 

Hobbes' omgekeerde methode (...) komt er dus op neer dat we niet hoeven te zoeken naar de eenvoudigste elementen en de eerste principes, omdat we ze reeds van zeer nabij kennen. De taak van de sociale wetenschap is niet om iets nieuws te ontdekken, maar om te laten zien hoe de staat (de maatschappij) ontstaat uit de werking van de ons bekende eerste principes. Van deze principes hoopte Hobbes dat de intuïtief net zo voor de hand zouden liggen als Euclides' axioma's. Hij zag ook sterke overeenkomsten tussen de sociale wetenschap en de meetkunde: beide zijn bewijzende wetenschappen, omdat ze zich bezighouden met objecten (resp. staten en meetkundige figuren), die door mensen gemaakt zijn. Omdat de objecten van de natuurwetenschappen dat niet zijn, moeten daarvan de elementen en principes worden ontdekt.

Hobbes bepleitte dus een sociaalwetenschappelijke werkwijze die precies tegengesteld is aan wat Durkheim voor ogen stond voor het vak sociologie. Hobbes' invloed reikte ver, tot het werk van Spinoza en via John Locke tot dat van de Schotse moraalfilosofen (David Hume, Adam Ferguson, Francis Hutcheson en Adam Smith). 

Maar niet zo ver dat het kon voorkomen dat dat vak sociologie zich vooral ontwikkelde als het vak met die twee mankementen, dat van die curieuze wetenschapsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Hier het vervolg.

dinsdag 9 september 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -16 - Het top down van het structureel-functionalisme

In de tijd dat ik studeerde werd het structureel-functionalisme wel zo ongeveer als mainstream sociologie beschouwd. Niet in de zin dat het een theorie te bieden had die gemakkelijk onderzoekbare vragen genereerde. Zoals gezegd, veel van het sociologisch onderzoek werd gekenmerkt door het "zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie" van de variabelensociologie. Maar stel dat iemand  destijds gevraagd had "Heeft jullie vak eigenlijk ook theorie?", dan was de kans groot dat er in het antwoord werd verwezen naar het structureel-functionalisme. Als de voornaamste poging om een macrosociologie tot stand te brengen. Hier het vorige bericht.

Waaruit bestond die poging? Kort gezegd uit het opvatten van de maatschappij als een systeem. Een systeem met onderdelen die een functie hebben in de instandhouding ervan. Als er van buiten een veranderende kracht optreedt die het systeem bedreigt, dan worden een of meer van de onderdelen actief, die die verandering neutraliseren. Met onderdelen wordt in dat structureel-functionalisme dan gedoeld op "instituties", zoals de economie, het onderwijs, het gezin, de religie en de media. 

Zie Functionalist Perspective & Theory in Sociology voor een eerste kennismaking met het structureel-functionalisme. En sta even stil bij het tweede "main idea":

Sociologists should study society scientifically in a way that looks for the general laws explaining human action on a macro level.

En merk op dat de eis van wetenschappelijkheid meteen ermee wordt verbonden dat je moet zoeken naar algemene wetten die "menselijk gedrag op een macroniveau" verklaren. 

Wat? Ja, wat daar gebeurt is dat de maatschappelijke (macro) uitkomsten van menselijk gedrag, zoals die tot stand komen door mensen die met elkaar samenwerken of juist onderling concurreren en die elkaar beïnvloeden, aan dat gedrag gelijkgesteld worden. Waarmee dus de onderliggende sociale processen geen deel uit mogen maken van de analyse, in een black box verborgen dienen te blijven. Het is inderdaad een curieuze opvatting van wetenschappelijkheid. Curieus, maar door vele generaties sociologen als een soort vanzelfsprekendheid, als zoete koek, geslikt. (Ik behoor natuurlijk zelf tot een van die generaties, maar daarover later meer.)

Dat systeemdenken kreeg in die tijd veel aandacht. Het stond ook wel bekend als cybernetica, de term die Norbert Wiener (1894 - 1964) introduceerde in zijn Cybernetics: Or Control and Communication in the Animal and the Machine uit 1948. Daarin gaat het over van alles, maar ook over organismen en machines als zichzelf in stand houdende systemen. (Als je de link aanklikt, kun je een synopsis lezen.) Het werk van Wiener wordt gezien als een voorloper van het onderzoek naar kunstmatige intelligentie: From Cybernetics to AI: the pioneering work of Norbert Wiener. 

In Nederland was er in 1958 het boek Cybernetica. Hoe sturen wij ons leven, ons werk en onze machines? van S.T. Bok, dat de aandacht trok. Ik kreeg die Aula pocket destijds door oudere broer Wobbe, die scheikunde studeerde, in de handen geduwd. "Moet je lezen. Interessant." Ik heb het kennelijk niet bewaard, want ik kan het in mijn boekenkasten niet terugvinden. Bok was neurobioloog en was door zijn onderzoek naar het menselijke zenuwstelsel bij de cybernetica, terechtgekomen. 

Het systeemdenken hing dus in de lucht en het structureel-functionalisme in de sociologie zal daar van hebben geprofiteerd. Maar de directe oorsprong ervan  ging terug naar het werk van Emile Durkheim, die weer beïnvloed was door August Comte (1798 - 1857). In zijn The division of labor in society betoogt Durkheim dat we de arbeidsverdeling niet alleen in het licht van het economische effect, toename van welvaart, maar ook in het licht van "het morele effect" moeten zien. En dat effect is de functie ervan, namelijk het zorgen voor de onderlinge solidariteit die voor het voortbestaan van een maatschappij nodig is.

Zijn redenering is dat die solidariteit in een eerder stadium van de mensheidsgeschiedenis tot stand kwam doordat mensen in grote mate aan elkaar gelijk waren. Ze leidden hetzelfde soort leven en konden daardoor goed met elkaar overweg. Dat was de tijd van wat Durkheim "mechanische solidariteit" noemde. Maar toen kwam de arbeidsverdeling en die ging ermee gepaard dat de levens die mensen leidden uit elkaar gingen groeien. De een werd schoenmaker, een ander bakker en nog een ander slager. Ik noem maar wat. Daardoor begonnen ze vreemden voor elkaar te worden en dat bemoeilijkte de onderlinge solidariteit en bedreigde dus het voortbestaan van het maatschappelijke systeem.

Maar doordat die maatschappij trekken heeft van een systeem, was er ook meteen een terugkoppeling. Want wat is het geval? Die arbeidsverdeling zorgt zelf ook meteen voor een nieuwe vorm van solidariteit, die Durkheim "organische solidariteit" noemt. Net zo als vriendschap kan berusten op onderlinge overeenkomst, kan hij dat ook op onderlinge verschillen als die elkaar aanvullen. Ik citeer even uit mijn (stukgelezen) editie uit 1964 (p.55-6):

If one of two people has what the other has not, but desires, in that fact lies the point of departure for a positive attraction. Thus it is that a theorist, a subtle and reasoning individual, often has a very special sympathy for practical men, with their quick sense and rapid intuitions; the timid for the firm and resolute, the weak for the strong, and conversely. As richly endowed as we may be, we always lack something, and the best of us realize our own insufficiency. That is why we seek in our friends the qualities that we lack, since in joining them, we particpate in some measure in their nature and thus feel less incomplete. So it is that small friendly associations are formed wherein each one plays a role conformable to his character, where there is a true exchange of services. One urges on , another consoles; this one advises, that one follows the advice, and it is this apportionment of functions or, to use the usual expression, this division of labor, which determines the relations of friendship.

En daar hebben we die morele functie van de arbeidsverdeling: juist ook door verschillen trekken mensen elkaar aan. Er vindt een ingrijpende verandering plaats, de groei van de arbeidsverdeling, maar het maatschappelijk systeem houdt zichzelf in stand. (Merk op dat Durkheim ten behoeve van deze onderbouwing even het wetenschappelijke domein van de sociale feiten verlaat en gebruik maakt van onwetenschappelijke, alledaagse ideeën over vriendschap. Hij heeft dat nodig om van de onafhankelijke variabele "mate van arbeidsverdeling" tot de afhankelijke variabele "onderlinge solidariteit" te komen. Daar kom ik nog op terug.)

Dat Durkheim deze nieuwe vorm van solidariteit "organisch" noemt, ligt eraan dat hij, in navolging van de al genoemde August Comte, van mening is dat je de maatschappij kunt beschouwen naar analogie met een biologisch organisme. Net zo als een organisme organen heeft (hart, longen, maag, lever, zenuwstelsel, etc.), die elk een bijdrage leveren aan de instandhouding ervan, heeft het maatschappelijk systeem "instituties". 

Durkheim verwijst 17 keer naar Comte, de eerste keer op p.62-3, waar hij het heeft over de maatschappij als "een sociaal lichaam", dat door de specialisering van taken, de arbeidsverdeling, in evenwicht blijft. En waar Comte wordt opgevoerd als de eerste socioloog die dat inzicht verwoordde. Met deze zin uit een citaat van Comte uit 1830:

It is thus the continuous repartition of different human endeavors which especially constitutes social solidarity and which becomes the elementary cause of the extension and growing complication of the social organism."

De maatschappij als een sociaal organisme dat door aanpassing aan veranderingen zich uitbreidt en groeit in complexiteit. Dat denken over de maatschappij als een organisch systeem kwam toen meer voor. Durkheim verwijst in een noot naar Bau und Leben des sozialen Körpers van Albert Schäffle uit 1875.  Als je de link aanklikt, kun je de tweede druk daarvan, uit 1895, doorbladeren. 

Dat kost enige moeite, maar als je die neemt, krijg je wel een mooie indruk van de manier van denken. Zo kom je al onderaan pagina 1 de redenering tegen dat er een sociologie nodig is omdat de studie van het gedrag van individuen ("de wetenschap van het individuele geestesleven") niet volstaat. Omdat immers het individu zonder maatschappij niets is. Het individu, "de individuele geest", ontstaat in en door de maatschappij. "Die Gesellschaft ist keineswegs blosz Product des individuellen Geistes." 

Natuurlijk is dat zo. De mens is een sociale diersoort. Maar Schäffle, en met hem Comte en Durkheim, trekken daaruit de conclusie dat je met de maatschappij moet beginnen, dat je die als een zelfstandig systeem moet bestuderen en dat je vandaar uit, top down, pas iets te weten kunt komen over mensen en hun gedrag. "Die Gesellschaft ist vielmehr eine selbtständige, die geistige Individualentwicklung bedingende und überragende Tatsache, in welche nicht blosz die individuellen Psychen, sondern alle Körper und Kräfte der Natur einbezogen werden."

Daarmee zijn we bij de oorsprong van die structureel-functionalistische macrosociologie aanbeland. Omdat de mens een sociale diersoort is, kunnen we hem alleen bestuderen als een afgeleide van de groep of maatschappij waar de individuen van die soort deel van uitmaken. 

Maar dan komt dus de vraag hoe je die maatschappij moet bestuderen, terwijl je moet doen alsof je nog niets weet over mensen en hun sociale natuur. Door ergens anders een idee vandaan te halen over hoe die maatschappij werkt. En zo kun je bedenken dat die maatschappij wel wat lijkt op een biologisch organisme. Een systeem met organen die elk een functie hebben in de instandhouding ervan. 

Terwijl je er dan geheel aan voorbijgaat dat die individuen die bij jou slechts als afgeleide in beeld komen, die je als tabula rasa moet behandelen, precies die biologische organismen zijn die je wel gebruikt als analogie. Wat je weet over de hoedanigheden van organismen, is belangrijk genoeg om als analogie te dienen om de maatschappij te bestuderen, maar niet om vanaf het begin te bepalen hoe de menselijke natuur in elkaar zit. 

Anders gezegd, het zal en moet top down. Over wat dat dan betekende voor het sociologisch onderzoek en voor het mensbeeld dat we daar in tegenkomen, en dat ik tegenkwam toen ik studeerde, meer in het volgende bericht.