Posts tonen met het label Thomas Hobbes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Thomas Hobbes. Alle posts tonen

woensdag 20 mei 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -37 - Een fase die kennelijk noodzakelijk was

Halverwege de zeventiende eeuw bestudeerde Thomas Hobbes de maatschappij als een geval van menselijke groepsvorming. Hier het vorige bericht. Op een wijze dus die zo voor de hand lag dat hij niet speciaal hoefde te worden gerechtvaardigd. We hebben inzicht in hoe mensen in elkaar zitten, in tot welk gedrag ze tegenover elkaar in staat zijn. Daaruit kunnen we opmaken dat er een sociaal inferieure collectieve uitkomst van dat gedrag mogelijk is, waarin "wanorde en burgeroorlog" heersen. Maar diezelfde menselijke sociale natuur maakt het ook mogelijk de sociaal superieure toestand van vrede, samenwerking en welvaart tot stand te brengen. Hobbes analyseerde hoe die toestand kan worden bereikt. Hij bestudeerde de maatschappij als mensenwerk en stelde zich tot taak dat werk te verbeteren.

Dat had een veelbelovend begin kunnen zijn van de ontwikkeling van een succesvolle sociale wetenschap. Maar die ontwikkeling begon in de negentiende eeuw te haperen, toen er in Frankrijk dat vak sociologie ontstond en zich van daaruit in de universiteiten vestigde. Dat vak dat leed aan het mankement van een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en aan het mankement van de fictie van het eigen domein. Het vak waarin ik werd gesocialiseerd toen ik in 1965 mijn studie sociologie begon. En waarvan ik in 1981 afstand had genomen, toen ik in mijn proefschrift pleitte voor de "compositieve methode".

Daarin verwees ik ook (p. 163) naar het werk van Thomas Hobbes en de Schotse moraalfilosofen. Hobbes' aanpak was precies die van de compositieve methode, van het laten zien hoe een maatschappelijke toestand voortkomt uit, een samenstelling is van, het gedrag van mensen. Dat Hobbes die aanpak niet als een bijzondere methode zag en er geen naam aan gaf, wijst erop dat hij als als voor de hand liggend beschouwde om zo te werk te gaan. Dat was zo vanzelfsprekend dat je er geen aandacht aan hoefde te besteden. Denk ook terug aan George Homans, die in 1964 zijn pleidooi om de mens terug te brengen in de sociologie besloot met:

Finally, I must acknowledge freely that everything I have said seems to me obvious. But why cannot we take the obvious seriously?  

Er had een vak sociologie ingang gevonden dat de overtuiging uitdroeg dat het voor de hand liggende diende te worden genegeerd.

Waar kwam die term compositieve methode eigenlijk vandaan?  Het is opmerkelijk dat de bron er van niet in het vak sociologie ligt, ondanks George Homans. En  ondanks James Coleman. Bij beide kom je wel de term "methodologisch individualisme" tegen, bij Homans op p. 61 van The Nature of Social Science uit 1967 en bij Coleman op p. 5 van zijn Foundations of Social Theory uit 1990. Daarmee wordt er op gedoeld dat verklaringen voor maatschappelijke verschijnselen worden gezocht in het gedrag van individuen en dat zulks niet betekent dat de maatschappij uitsluitend uit individuen zou bestaan. En niet ook uit maatschappelijke entiteiten als verenigingen, instituties en structurele veranderingen. Vandaar: methodologisch, en niet: ontologisch. Zowel Homans als Coleman verwijzen naar Karl Poppers beschouwing in deel 2 van The Open Society and Its Enemies, waar hij op p. 91 John Stuart Mill aanhaalt:

Thus 'all phenomena of society are phenomena of human nature', as Mill said; and 'the Laws of the phenomena of society are, and can be, nothing but the laws of the actions and passions of human beings', that is to say, 'the laws of individual human nature. Men are not, when brought together, converted into another kind of substance ..' 

Die verwarring tussen het verklaren van het een uit het ander en de bewering dat het een bestaat en het ander niet (of wel), tussen "methodologie" en "ontologie", kom je niet tegen bij de bron van de term compositieve methode. Die bron was voor mij in 1981 F.A. von Hayek, die hem in 1952 introduceerde op p. 67 van zijn The Counter-Revolution of Science. Studies on the Abuse of Reason:

While the method of the natural sciences is in this sense, analytic, the method of the social sciences is better described as compositive or synthetic

Ik was destijds een bewonderaar van Hayek en las met instemming veel van zijn boeken, zelfs ook The Road to Serfdom. Maar hij was ook de organisator van de Mont Pelerin Society, waarin rechtse economen en filosofen zich verenigden en die een invloedrijke rol speelde in de opkomst van het vermaledijde neoliberalisme in de jaren zeventig, waar we nu nog steeds onder lijden. Ik kijk er nu op terug als een fase in mijn ontwikkeling die kennelijk noodzakelijk was. Daarover later meer.  

Een en ander neemt niet weg dat veel van Hayeks werk nog altijd interessant en belangrijk is. Van alle boeken van hem die in mijn kast hebben gestaan, is alleen nog The Counter-Revolution of Science over. En dat is boeiend genoeg om er in het volgende bericht op terug te komen. Hier het vervolg.

dinsdag 28 april 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -36 - Hoe Thomas Hobbes niet gehinderd werd door een vak sociologie

Hobbes observeerde dat mensen streven naar lijfsbehoud, naar instandhouding van hun leven, en naar het vertrouwen op continuering daarvan in de toekomst, naar bestaanszekerheid. En hij nam waar dat mensen met het oog daarop naar macht streefden over datgene wat die bestaanszekerheid kan vergroten, macht over fysieke processen, de natuur, en macht over het gedrag van anderen. En doordat iedereen naar macht over anderen streeft en doordat de macht van de een de macht van de ander tegenwerkt, streven mensen er naar om meer macht te hebben dan anderen. Zo ontstaat de sociaal inferieure toestand van de onophoudelijke onderlinge machtsstrijd, van wanorde en burgeroorlog, waarin het leven solitary, poore, nasty, brutish, and short is. Hier het vorige bericht. 

Vanaf hoofdstuk 14 van Leviathan probeert Hobbes de vraag te beantwoorden hoe mensen aan die sociaal inferieure toestand kunnen ontsnappen. Over dat antwoord, en meer in het algemeen over hoe je Hobbes' werk moet interpreteren, bestaan verschillende opvattingen. Raphael wijdt de laatste twee hoofdstukken van zijn Hobbes. Morals and Politics aan die verschillende interpretaties. Zo gaat het bijvoorbeeld over de vraag of Hobbes er wel of niet van uit ging dat mensen puur egoïstisch zijn. Raphael (p.43) erkent dat er in Hobbes' eerdere werk aanwijzingen zijn te vinden voor een egoïstisch mensbeeld, in de zin dat mensen weliswaar anderen helpen, maar uitsluitend omdat ze zichzelf daardoor beter voelen. In Leviathan daarentegen is er een mensbeeld waarin mensen gemotiveerd kunnen worden door de wens iets goeds te doen voor een ander:

...it is perfectly clear that the definition of benevolence or good will or charity in Leviathan is straightforward and satisfactory, the desire of good to another.

En dat lijkt te kloppen. In Hoofdstuk 6 (Of the Interiour Beginnings of Voluntary Motions; commonly called the PASSIONS. And the Speeches by which they are expressed) geeft Hobbes een opsomming van de menselijke passies en daar wordt Welwillendheid (Benevolence) omschreven als 

Desire of good to another, BENEVOLENCE, GOOD WILL, CHARITY. If to man generally, GOOD NATURE.

Ik sta daar even bij stil omdat er een populair beeld van Leviathan bestaat dat mensen alleen tot het slechtste geneigd zijn en er door een oppermachtige Leider toe gebracht moeten worden om zich sociaal te gedragen. Mensen zijn dus niet alleen uit op macht over anderen, met het oog op lijfsbehoud, maar kunnen het daartegenover ook goed voor hebben met anderen. Hobbes had dus oog voor de innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur.

Hoe dan ook, ik ga voorbij aan de complicatie van al die verschillende interpretaties en baseer me zo veel mogelijk op de tekst van Leviathan

Hobbes begint hoofdstuk 14 (Of the first and second NATURAL LAWES, and of CONTRACTS) met die inferieure toestand van wanorde en burgeroorlog te kenschetsen als een toestand waarin iedereen de vrijheid, het recht, heeft om te doen wat hij beoordeelt als bijdragend aan zijn lijfsbehoud. 

And because the condition of Man (...) is a condition of Warre of everyone against everyone; (...) it followeth, that in such a condition, every man has a Right to every thing; even to one anothers body. And therefore, as long as this naturall Right of every man to every thing endureth, there can be no security to any man, (how strong or wise soever he be,) of living out the time, which Nature ordinarily alloweth men to live.

Daaruit volgt dat iedereen naar vrede zou moeten streven, zolang hij mag hopen dat die bereikbaar is. Hobbes noemt dat de Fundamental Law of Nature. Doordat mensen in staat zijn om in te zien dat ze met zijn allen zowel een superieure toestand van vrede en veiligheid als een inferieure toestand van burgeroorlog en onveiligheid tot stand kunnen brengen, voelen ze een morele verplichting om als dat kan bij te dragen aan vrede en veiligheid. Maar doordat ze dat niet in hun eentje kunnen doen, hebben ze elkaar nodig.

En daaruit volgt de Second Law of Nature, die luidt:

That a man be willing, when others are so too, as farre-forth, as for Peace, and defence of himselfe he shall think it necessary, to lay down this right to all things; and be contented with so much liberty against other men, as he would allow other men against himselfe. (...) This is that Law of the Gospell; Whatsoever you require that others should do to you, that do ye to them.

"When others are so too." Iedereen is bereid zijn vrijheid in te leveren voor zover dat nodig is voor vrede en veiligheid, maar onder de voorwaarde dat anderen die bereidheid ook hebben (en in daden omzetten). Dus moet er iets zijn om er voor te zorgen dat aan die voorwaarde is voldaan. Dat het contract of convenant wordt nageleefd. Dat gevoel van morele verplichting is niet voldoende, want iedereen kan altijd terugvallen op dat natuurlijke recht op vrijheid als hij denkt dat hem dat beter uitkomt. Daarom is er een hogere macht nodig die zo nodig naleving kan afdwingen. Hobbes daarover in hoofdstuk 17 (Of the Causes, Generation, and Definition of a COMMON-WEALTH):

For the Laws of Nature (as Justice, Equity, Modesty, Mercy, and (in summe) doing to others, as we would be done to,) of themselves, without the terrour of some Power, to cause them to be observed, are contrary to our naturall Passions, that carry us to Partiality, Pride, Revenge, and the like. And Covenants, without the Sword, are but Words 

En daar ontmoeten we die innerlijke tegenstrijdigheid van de menselijke sociale natuur. Mensen kennen enerzijds de moraal, die hen influistert dat ze naar vrede dienen te streven en dus naar rechtvaardigheid. bescheidenheid, barmhartigheid, kortom naar Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Maar anderzijds kennen ze ook de drijfveren die partijdigheid (discriminatie), trots, wraaklust en dergelijke opwekken. En doordat die drijfveren altijd de kop kunnen opsteken, is het noodzakelijk dat de morele voornemens, afspraken en beloftes van onszelf en vooral ook van anderen ondersteund worden door de macht van het zwaard, door sanctionering van morele overtredingen.

Het is van belang om hier op te merken dat Hobbes redeneert als een bioloog die onderzoekt hoe groepsvorming bij verschillende diersoorten in zijn werk gaat. Want hij werpt op dat sommige dieren, zoals bijen en mieren, vreedzaam samenleven zonder dat er een macht is die samenwerking afdwingt. Kan dat met mensen dan ook niet, zou je je kunnen afvragen. Waarna hij zes redenen geeft waarom dat niet kan. Met als eerste twee:

First, that men are continually in competition for Honour and Dignity, which these creatures are not; and consequently amongst men there ariseth on that ground, Envy and Hatred, and finally Warre; but amongst these not so.

Secondly, that amongst these creatures, the Common good differeth not from the Private; and being by nature enclined to their private, they procure thereby the common benefit. But man, whose Joy consisteth in comparing himselfe with other men, can relish nothing but what is eminent.

En als laatste:

Lastly, the agreement of these creatures is Naturall; that of men, is by Covenant only, which is Artificall: and therefore it is no wonder if there be somewhat else required (besides Covenant) to make their Agreement constant and lasting; which is a Common Power, to keep them in awe, and to direst their actions to the Common Power.

Wat bij bijen en mieren als vanzelf tot stand komt, moeten wij mensen via de omweg van moraal, convenant en de institutie van een gemeenschappelijke macht tot stand brengen. 

This is more than Consent, or Concord; it is a real Unitie of them all, in one and the same Person, made by Covenant of every man with every man, in such manner, as if every man should say to every man, I Authorise and give up my Right of Governing my selfe, to this Man, or to this Assembly of men, on this condition, that thou give up thy Right to him, and Authorise all his Actions in like manner. 

Die persoon, of vereniging van personen, wordt geacht te regeren in het algemeen belang, dat wil zeggen, met het oog op het handhaven van de superieure toestand van vrede en veiligheid. Daarbij is hij autonoom en soeverein, wat wil zeggen dat hij zich niet door deelbelangen laat beïnvloeden. 

Hedendaags democratisch gezegd, gaat het om de volksvertegenwoordiging die periodiek met algemeen kiesrecht wordt gekozen. Die kende Hobbes nog niet. Maar hij loopt daar wel op vooruit. Want iedereen behoudt het natuurlijke recht om zichzelf te verdedigen als die gemeenschappelijke macht, de Soeverein, tekortschiet. Daarover gaat het in hoofdstuk 21 (Of the LIBERTY of Subjects):

The Obligation of Subjects to the Sovereign, is understood to last as long, and no longer, than the power lasteth, by which he is able to protect them. For the right men have by Nature to protect themselves, when none else can protect them, can by no Covenant relinquished.

Samengevat, halverwege de zeventiende eeuw analyseerde Thomas Hobbes het fundamentele probleem van het menselijk samenleven, de menselijke groepsvorming. Daarbij ging hij sociaalwetenschappelijk te werk. Hij zag in dat de menselijke sociale natuur zo in elkaar zit dat zowel een sociaal inferieure als een sociaal superieure toestand mogelijk zijn. En hij gaf de weg aan waarlangs mensen die superieure toestand van vrede en veiligheid kunnen bereiken. Daarmee liep hij vooruit op de latere ontwikkeling van democratische staten en op de hedendaagse pogingen om de democratie in stand te houden.

Hij werd niet gehinderd door een vak sociologie dat een paar eeuwen later ontstond en dat gebaseerd was op een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en op de fictie van een eigen domein. Hij zag de maatschappij als een uitkomst van mensenwerk en wilde dat werk verbeteren. Hier het vervolg.

vrijdag 17 april 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -35 - Hobbes over zelfbehoud, streven naar macht en de sociaal inferieure toestand

Net zo als wij nu, leefde Thomas Hobbes (1588 - 1679) in woelige tijden. In Engeland woedden de Burgeroorlogen, conflicten tussen het Parlement en de Koning over de verdeling van de macht, resulterend in de executie van Karel I in 1649, conflicten tussen de Parlementarians onderling en de oorlog met Schotland. Hier het vorige bericht.

Hobbes was van eenvoudige komaf, maar kon met behulp van een gefortuneerde oom in Oxford studeren. Daarna werd hij door William Cavendish, de Graaf van Devonshire, aangenomen als de leermeester van diens zoon, wat hem in staat stelde om enkele periodes in Parijs door te brengen. Vandaar uit reisde hij naar Florence om daar Galileo Galilei te bezoeken, die hij bewonderde. Hij hield daar zijn "deductieve methode" aan over, het verklaren van verschijnselen uit hun eenvoudigste principes. Ook in Parijs schreef hij zijn hoofdwerk, Leviathan or the Matter, Forme, & Power of a Common-Wealth Ecclesiasticall and Civill, dat in 1651 in Londen verscheen. Ik heb de Pelican Classics - uitgave uit 1979 in mijn boekenlast staan, met een introductie van C.B. Macpherson. Ik baseer me daarnaast ook op Hobbes. Morals and Politics van D.D. Raphael.

Het probleem dat Hobbes wilde oplossen is hoe we een vreedzame en geordende maatschappij tot stand kunnen brengen en in stand kunnen houden en hoe we wanorde en burgeroorlog kunnen vermijden. Hij had er dus een besef van dat mensen zowel een sociaal superieure als een sociaal inferieure toestand tot stand kunnen brengen en zag het als de opdracht van de civil philosophy, hedendaags gezegd: de sociale wetenschap, om uit te zoeken hoe zoveel mogelijk die superieure toestand kan worden bereikt.

Hoe dan te werk te gaan? Door "de methode van Galileo" toe te passen, de methode van ontbinding en samenstelling. MacPherson (p. 27): 

In short, the resolutive stage of the Galilean method, as applied to political science, consisted in resolving political society into the motion of its parts - individual human beings - and resolving their motions in turn into imagined or hypothetical simple forces which, compounded, could be shown to explain them.

These imagined or hypothetical forces had to be ones which would be self-evident to any reasonable inquirer who would take the trouble to look into himself.

Om een idee te geven van hoe Hobbes dat laatste zelf verwoordde, citeer ik hem uit de Inleiding tot Leviathan (p.82-3):

... whosoever looketh into himself, and considereth what he doth, he does think, opine, feare, &c, and upon what grounds; he shall thereby read and know, what are the thoughts, and Passions of all other men, upon the like occasions. I say the similitude of Passions, which are the same in all men, desire, fear, hope, &c; not the similitude of the objects of the Passions, which are the things desired, feared, hoped &c: for these the constitution individuall, and particular education do so vary, and they are so easy to be kept from our knowledge, that the characters of mans heart, blotted and confounded as they are, with dissembling, lying, counterfeiting, and erroneous docrtines, are legible onely to him that searcheth hearts. And though by mens actions wee do discover their designe sometimes; yet to do it without comparing them with our own and distinguishing all circumstances, by which the case may come to be altered, is to decypher without a key, and be for the most part deceived, by too much trust, or by too much diffidence; as he that reads, is himself a good or evil man.

Kortom, we kunnen door bij ons zelf te rade te gaan en door het gedrag van anderen waar te nemen en door rekening te houden met de bijzondere en wisselende omstandigheden waarin anderen en wijzelf handelen, een behoorlijk goed idee ontwikkelen van de menselijke sociale natuur. Mensen kunnen inzicht hebben in hoe ze in elkaar zitten, niet alleen in hun individuele, bijzondere eigenschappen, in hoe elk van hen uniek is, maar vooral ook in de algemene principes van hun gedrag, in hoe ze met anderen overeenkomen. 

Natuurlijk zijn die inzichten door wetenschappelijk onderzoek corrigeerbaar, maar ook als dat nog niet gebeurd is, zijn ze waarheidsgetrouw genoeg om er de aard en oorzaken van maatschappelijke verschijnselen mee te analyseren. Voor Thomas Hobbes: om er mee te analyseren hoe mensen een sociaal inferieure toestand tot stand kunnen brengen en hoe ze een sociaal superieure toestand dichterbij kunnen brengen.

Hobbes begint zijn analyse met het inzicht dat mensen zoals alle organismen uit zijn op zelfbehoud, op de instandhouding van hun leven. Dat brengt met zich mee dat ze toestanden zoeken die ze als aangenaam ervaren (pleasure) en onaangename toestanden (pain) vermijden. Maar ook proberen ze er voor te zorgen dat ze in de toekomst meer aangename toestanden zullen ervaren en minder onaangename toestanden. Raphael verwoordt dat zo (p.30 -31):

According to Hobbes, man's desire for continued preservation leads him to desire not only pleasure now but a store of pleasure for the future, since that means a store of continued life in the future.

Anders gezegd, mensen zijn uit op een gevoel van bestaanszekerheid, een geruststellend vertrouwen dat zich in de toekomst niet allerlei rampen en bedreigingen zullen voordoen. 

How can one lay up a store of future pleasure? By acquiring power. Power is the means to satisfy our desires. Therefore every man naturally desires power and more power, 'a perpetual and restless desire of power after power, that ceaseth only in death' (Leviathan, Chapter 11).

Voor dat geruststellend vertrouwen is nodig dat je het gevoel hebt dat je voldoende controle hebt over de zaken die voor jou overleving belangrijk zijn. Dus dat je voldoende macht hebt, zowel over de fysieke zaken, zoals de middelen voor onderdak en voedselzekerheid, als over sociale omstandigheden, dus over wat anderen doen of nalaten wat voor jou van belang is. Macht over de natuur en macht over anderen.

En doordat iedereen naar macht, en meer macht, streeft, en doordat alles wat aangenaam is schaars is, gaat het niet alleen om macht, maar vooral ook om machtiger zijn dan anderen. McPherson (p.34-37):

What is to be noticed here is that a man's natural power is defined not as his faculties of body and mind, but as the eminence of his faculties compared with those of other men, and that his acquired powers are those he has acquired by means of that eminence. A man's power consists of the amount by which his faculties, riches, reputation, and friends exceed those of other men.

Nu is niet iedereen in gelijke mate uit op het verwerven van meer macht. Sommigen zijn eerder tevreden en gerustgesteld dan anderen. Maar zolang er mensen zijn voor wie het streven naar macht onbegrensd is, en die zijn er altijd, moet iedereen zich daar tegen verdedigen en zal er zich onvermijdelijk een machtsstrijd van allen tegen allen ontwikkelen. 

 It is only if some men's desires are without limit that the other men are necessarily moved to resist having some of their powers transferred (and the only way they can resist is to get into the struggle for power). (...)

Everyone, those with moderate as well as those with immoderate desires, is necessarily pulled into a constant competitive struggle for power over others, or at least to resist his powers being commanded by others. Man's need for power has now become a necessarily harmful thing.

Daarmee zijn we dus aanbeland bij die sociaal inferieure toestand, van wanorde en burgeroorlog, die mensen met elkaar tot stand kunnen brengen. Mensen zitten zo in elkaar dat ze streven naar lijfsbehoud en naar het uitzicht op lijfsbehoud in de toekomst. Daar hebben ze macht voor nodig en doordat ze elkaar in de weg kunnen zitten, meer macht dan anderen. Als bovendien dat machtsstreven ongeremd is, niet noodzakelijkerwijs bij iedereen, dan is een voortdurende onderlinge machtsstrijd het onvermijdelijke gevolg.

McPherson wijst er in zijn Inleiding op (p. 37) dat Hobbes al deze inzichten ontleent aan zijn observaties van zijn eigen gedrag en dat van de mensen om hem heen en van de maatschappij waarin hij leefde. De maatschappij die McPherson als de bourgeois market society kenschetst. Hij doet dat in de eerste 11 hoofdstukken van Leviathan. Hij beoefent daar wat we tegenwoordig sociale wetenschap noemen, met het middel dat hem ter beschikking stond; zo goed mogelijk observeren. Pas later (in hoofdstuk 13) introduceert hij de "denkbeeldige natuurtoestand" waarmee hij vaak wordt vereenzelvigd, de toestand waarin het leven solitary, poore, nasty, brutish, and short is. Voor zijn conclusie dat mensen die sociaal inferieure toestand tot stand kunnen brengen, heeft hij die natuurtoestand niet nodig.

En hij bleef beoefenaar van sociale wetenschap toen hij vervolgens wilde uitzoeken hoe mensen uit die sociaal inferieure toestand kunnen ontsnappen. Daarover meer in het vervolg

donderdag 9 april 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -34 - Diepte en de compositieve methode

Hoe zou de sociologie als een wetenschappelijk vak er uit moeten zien? Hier het vorige bericht. Dat vroeg ik me eind jaren 70 af toen ik aan mijn proefschrift werkte waar ik in 1981 op zou promoveren. Ik had een periode achter me waarin ik me in de wetenschapsfilosofie had verdiept. Daar had ik van geleerd dat het in de wetenschap draait om groei van kennis over hoe de werkelijkheid in elkaar zit en dat die wordt bereikt elke keer als blijkt dat een nieuwe theorie in staat is om 

  • te verklaren in welke gevallen een bestaande theorie klopt
  • te verklaren waarom hij in andere gevallen niet klopt
  • voor die andere gevallen nieuwe en correcte voorspellingen te genereren
  • nieuwe en correcte voorspellingen te genereren over een deel van de werkelijkheid waar de bestaande theorie niets over te zeggen had.

Anders gezegd, een nieuwe theorie is beter dan een bestaande theorie als hij ons een dieper inzicht verschaft en we daarmee de bestaande theorie kunnen herkennen als een benadering van de nieuwe theorie. 

Ik legde dat uit in mijn proefschrift (p.45-53) en baseerde me op het werk van Karl R. Popper (1902 - 1994), in het bijzonder op The Aim of Science, dat opgenomen werd in zijn Objective Knowledge. An Evolutionary Approach (1973). Popper behandelt daar als voorbeeld van diepte de verhouding tussen de nieuwe theorie van Newton en de bestaande theorieën van Galileo en Kepler. 

Ik vond dat spannende lectuur omdat Popper duidelijk maakte dat groei van kennis er niet alleen uit bestaat dat bestaande inzichten een groter bereik ("informatiegehalte") hebben dan eerst werd gedacht, maar bovenal uit het corrigeren van die bestaande inzichten door een nieuw inzicht. Waarin ligt besloten dat onze kennis van de werkelijkheid altijd gebrekkig en dus corrigeerbaar is. Waar weer uit volgt dat we altijd moeten blijven proberen om tot nieuwe en diepere inzichten te komen en zo de waarheid steeds dichter te benaderen, overigens zonder ooit te kunnen weten of we die bereikt hebben. 

Dat die onvermijdelijke onvolkomenheid van onze inzichten samenhangt met de omstandigheid dat ze altijd in taal zijn vervat, drong overigens pas veel later tot mij door. Zie Taal en waarneming en Hoe nemen mensen de werkelijkheid waar? 

Dat wetenschap op zoek is naar diepere theorieën en dat al onze kennis over de werkelijkheid corrigeerbaar is, lijkt nu niet zo controversieel. Maar er bestonden andere opvattingen. De logisch positivisten van de Wiener Kreis waren van mening dat wetenschap begint met uitspraken waarvan de waarheid door waarneming kan worden vastgesteld en van daaruit "opklimt" naar theorieën. Dat opklimmen zou een proces zijn van "inductie", maar de vraag wat dat proces dan zou moeten inhouden werd nooit opgelost. Ik herinner me dat ik toen ik in 1970 aan mijn doctoraalscriptie werkte, vergeefs probeerde te achterhalen waaruit de "inductieve logica" zou kunnen bestaan. Ik haalde A Treatise on Induction and Probability van G.H. von Wright uit de bibliotheek en liep er in vast. Uiteindelijk besloot ik dat ik Popper gelijk moest geven waar hij zelfbewust schreef: "I think that I have solved a major philosophical problem: the problem of induction." (Objective Knowledge, p. 1). Onze algemene inzichten of theorieën zijn nimmer door waarnemingen te rechtvaardigen. We kunnen ze wel corrigeren door middel van nieuwe, diepere inzichten, waardoor we de waarheid steeds iets dichter benaderen. 

Interessant is dat je bij de voorlopers van dat logisch positivisme ook August Comte tegenkomt (volg de link in de vorige alinea). Dezelfde Comte die dus via zijn invloed op Durkheim van het vak sociologie een positivistische wetenschap maakte, die uitdroeg dat er een domein van "sociale feiten" zou bestaan. 

En er was de toen veelbesproken Tractatus Logico-Philosophicus, waarin Ludwig Wittgenstein declameerde dat de wereld bestaat uit feiten (Sachverhalten) die in taal kunnen worden weergegeven. Veelbesproken, deels doordat W.F. Hermans er een groot aanhanger van was (Wittgenstein in de mode en Kazemier niet). Mijn indruk is dat zowel Wittgenstein als W.F. Hermans nu goeddeels zijn vergeten.

Terug naar de sociologie. Eind jaren 70 dacht ik na over de vraag wat dat streven naar diepere theorieën voor de sociologie zou moeten inhouden. Dat leidde tot Hoofdstuk 5 (Verklarende sociologie: de compositieve methode) van mijn proefschrift. Daarin gaat het er over dat in de sociologie een diepere theorie niet een nieuwe theorie hoeft te zijn, zoals in de natuurwetenschappen, maar juist ook kan bestaan uit al een bekend, psychologisch of alledaags, inzicht in het menselijk gedrag. 

Als we die twee mankementen van de sociologie achter ons laten, dan opent zich voor ons de taak om te laten zien hoe sociale en maatschappelijke verschijnselen voortkomen uit, gegenereerd worden door, het sociale proces van mensen die reageren op omstandigheden, die onderling samenwerken, met elkaar concurreren en/of elkaar beïnvloeden. De verklaring, de winst aan diepte, bestaat er dan uit dat je kunt laten zien dat die sociale en maatschappelijke verschijnselen het resultaat zijn van het "mensenwerk" waarvan de aard, de principes van de menselijke sociale natuur, ons al bekend waren. We stellen dan als het ware die macroverschijnselen samen uit de elementaire en al bekende elementen. Vandaar die compositieve methode. Denk als voorbeeld aan de verklaring die ik gaf voor de grote verkiezingswinst van de PVV in 2023, of algemener voor de opkomst van extreemrechts partijen, in Waardoor werd de PVV zo groot?

Het idee van een sociaalwetenschappelijk vak dat zo te werk gaat, ligt zo voor de hand dat het al veel eerder moet hebben bestaan. Dat klopt. Het bestond al in de zeventiende eeuw, toen Thomas Hobbes in 1651 zijn Leviathan schreef. Daarover meer in het volgende bericht. 

vrijdag 20 maart 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -33 - Over een bijna vergeten hoofdstuk van een proefschrift. En over August Comte en Thomas Hobbes

Thomas Hobbes (1588 - 1697) schreef zijn Leviathan or The Matter, Forme, & Power of a Common-Wealth Ecclesiasticall and Civill in 1651. Hij had door dat mensen in hun onderlinge betrekkingen op het niveau van een nationale staat, wat in zijn tijd neerkwam op een monarchie, in staat waren om zowel een inferieure toestand (burgeroorlog, anarchie, armoede) als een superieure toestand (vrede, welvaart) tot stand te brengen. En hij stelde zich ten doel om uit te zoeken hoe die eerste toestand (condition of Warre) kan worden vermeden en die tweede toestand (Common-Wealth) kan worden bereikt.De eerste 80 bladzijden van de oorspronkelijke editie van bijna 400 bladzijden gaan over de menselijke natuur, in het bijzonder over de menselijke sociale natuur. Op grond van de inzichten die hij daar te berde brengt, beschrijft hij hoe de toestand van vrede en welvaart tot stand kan worden gebracht. Hier het vorige bericht.

Eind jaren 70, toen ik op het NIAS in Wassenaar mijn proefschrift schreef, was ik al tot het inzicht gekomen dat Hobbes "tot de vroegste grondleggers van de sociologie moet worden gerekend" (Verklaring en interpretatie in de sociologie, p.15). Dat sprak niet vanzelf, want hij kwam niet voor in het rijtje van de klassieke sociologen: Durkheim, Marx, Weber, aangevuld met Simmel en Pareto, dat mij in het eerste jaar van de studie was voorgehouden. Daar is trouwens weinig aan veranderd, want ook nu nog worden Durkheim, Marx en Weber als de grondleggers van het vak beschouwd. Zie bijvoorbeeld het recente Classical Sociological Theory. A Reader.

De samenstelling van dat rijtje is erop gebaseerd dat het vak sociologie eigenlijk pas in de negentiende eeuw ontstond en bovenal in continentaal Europa. De Fransman August Comte (1798 - 1857) was niet alleen de naamgever, maar was er daarmee ook verantwoordelijk voor dat het als een geheel nieuw vak moest worden beschouwd. Dat van de grond af moest worden opgebouwd, naar het voorbeeld van de wiskunde en de natuurwetenschappen. Die hadden immers al zulke indrukwekkende resultaten geboekt en laten zien dat allerlei alledaagse inzichten niet klopten. 

Die ontwikkeling van het wetenschappelijk denken moest nu worden bekroond met het toepassen van de wetenschappelijke methode van de ratio en de observatie op hoe de maatschappij in elkaar zit (sociale statica) en hoe die zich ontwikkelt (sociale dynamica). Ten behoeve daarvan moesten alle alledaagse inzichten worden losgelaten, want die waren  nog afkomstig uit het religieuze dan wel uit het metafysische stadium van de menselijke evolutie. Met het nieuwe vak sociologie zou het hoogste, want positieve, stadium van die menselijke evolutie worden bereikt.

Hier lag de bron van die twee mankementen van het vak sociologie waarmee ik tijdens mijn studie kennismaakte, de curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en de fictie van het eigen domein. Alleen de door onderzoek vastgestelde "sociale feiten" waren wetenschappelijk van belang. De socioloog wordt geacht alles naast zich neer te leggen wat niet door middel van dat onderzoek is vastgesteld. Wat hij denkt te weten, niet alleen over de maatschappij, maar vooral ook over de menselijke natuur, is voor hem in zijn rol als socioloog niet relevant, want dat is allemaal voorwetenschappelijk door speculatie en introspectie tot stand gekomen.

Maar daar had ik dus in 1981 afstand van genomen, door Thomas Hobbes tot de vroegste grondleggers van de sociologie te rekenen. Want Hobbes inventariseerde zijn inzichten in de menselijke sociale natuur en leidde daaruit af dat die een sociaal inferieure maatschappelijke toestand van burgeroorlog en armoede waarschijnlijk maakt, maar dat mensen eveneens in staat zijn om die toestand te voorkomen en de superieure toestand van vrede en welvaart tot stand te brengen. 

Hoe zou het vak dat ik studeerde eruit hebben gezien als August Comte niet had geleefd of als zijn werk,  snel in de vergetelheid was geraakt? Het had waarschijnlijk geen sociologie geheten, maar wat dan wel? Sociale wetenschap? Mens- en maatschappijwetenschap? Hoe dan ook, de kans is groot dat Thomas Hobbes meteen zou worden genoemd als een van de grondleggers van het vak. (Een lastige, maar boeiende vraag is wat in dat geval de rol van Durkheim zou zijn geweest. Ik acht het denkbaar dat een Durkheim-zonder-Comte interessanter was geweest dan de Durkheim-met-Comte. Als je zijn retoriek over de "sociale feiten" wegdenkt, blijft er veel waardevols over. Ik noemde al dat ik hem naar zijn inhoudelijk werk beoordeeld interessanter vind dan Marx of Weber.)

Oké, ik was dus gedurende de jaren 1965 - 1971 in dat Durkheim-Marx-Weber vak sociologie gesocialiseerd, maar had me daar tien jaar later van losgemaakt. Wat was er in de tussentijd gebeurd? Dat was kennelijk diep in mijn geheugen weggezakt, want ik had geen helder beeld meer paraat. Had ik maar een dagboek bijgehouden. Maar toen bedacht ik me dat ik daar toch in mijn proefschrift over moest hebben geschreven. En jawel, ik pakte het erbij, en "herontdekte" dat ik in Hoofdstuk 5 (Verklarende sociologie: de compositieve methode) uit de doeken doe wat er zich had afgespeeld. En vooral, wat ik in die 10 jaar had gelezen. En ik realiseerde me dat het om een cruciale etappe gaat van die lange weg waar ik het in de titel van deze reeks berichten over heb. Daar kom ik dus op terug.

En waar ik ook op terugkom is waarom Thomas Hobbes na bijna vier eeuwen nog steeds zo actueel is. Hier het vervolg.

dinsdag 2 december 2025

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -24 - Had het met de sociologie ook anders gekund?

Recapitulerend: het vak sociologie in de tijd dat ik studeerde leed aan twee mankementen: de eis van een curieuze wetenschapsopvatting (alleen "sociale feiten" tellen) en de eis van (de fictie van) het eigen domein. In de poging om aan die twee eisen te voldoen ging het vak de richting op van de theoretische onbestemdheid van de variabelensociologie (zo veel mogelijk empirie en zo weinig mogelijk theorie) en de richting van de macrosociologie. Maar ik kondigde nog een derde "richting" aan, die van het niet zo serieus nemen van die twee eisen. Hier het vorige bericht.

Als je er op terugkijkt, kun je haast niet anders concluderen dan dat die twee eisen irreëel waren. Ze stonden een vruchtbare ontwikkeling van het vak in de weg. En doordat het vak er nooit met zoveel woorden afscheid van heeft genomen, is dat eigenlijk nog steeds zo. Want doordat die twee eisen in de retoriek van het vak hun invloed bleven uitoefenen, ontstond er niet de ruimte om een theoretisch kader te ontwikkelen waarmee "de maatschappij als mensenwerk" kon worden bestudeerd en waarmee de uitkomsten van dat mensenwerk konden worden beoordeeld aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen. De sociologie moest het doen en moet het tot op de dag van vandaag blijven doen zonder een realistisch normatief kader.

Dat was een stand van zaken die met zich meebracht dat die twee eisen weliswaar in de retoriek werden beleden, maar in de praktijk niet zo serieus werden genomen. 

En dat is al meteen vanaf het begin, dus in het werk van Durkheim, waar te nemen. Hij grijpt in zijn redeneringen achter zijn zoektocht naar "sociale feiten" (statistische verbanden tussen variabelen) vrijelijk terug op inzichten waarvan hij zelf ook zou toegeven dat ze tot het domein van de psychologie behoren. Of tot het domein van de alledaagse, en dus "onwetenschappelijke", kennis.  Denk aan zijn redenering hoe de arbeidsverdeling kan zorgen voor solidariteit. De solidariteit was er voorafgaand aan de arbeidsverdeling op gebaseerd dat mensen met elkaar overeenkomen en daarna op de omstandigheid dat mensen weliswaar verschillen, maar juist daardoor elkaar aanvullen. Als mensen met elkaar overeenkomen, dan leiden ze hetzelfde soort leven en raken ze gemakkelijk met elkaar vertrouwd. Maar ook, als mensen van elkaar verschillen, dan is de kans groot dat elk iets te bieden heeft waarover de ander niet beschikt. Dan zijn ze aanvankelijk misschien wel vreemden voor elkaar, maar doordat ze elkaar iets te bieden hebben, groeit er toch solidariteit.

Dat was niet een in de psychologie van Durkheims tijd bestaande theorie. Het is een (ad hoc) theorie van zijn eigen makelij, die hij ontleende aan zijn eigen alledaagse mensenkennis. In zijn eigen ogen dus onwetenschappelijk, maar wel noodzakelijk  voor het "ontdekken" van het wetenschappelijke "sociale feit" van het verband tussen de variabele "mate van arbeidsverdeling" en "mate van solidariteit". In die zin zijn in Durkheims werk allerlei psychologische theorieën aan te wijzen. Zie ook Three psychological theories of a classical sociologist uit 1975 van Siegwart Lindenberg (die in 1981 mijn copromotor was).

Het was dus een ongemakkelijke situatie waarin het vak sociologie zich met die twee mankementen had gemanoeuvreerd. Die psychologische en/of alledaagse inzichten werden weggezet als onwetenschappelijk, maar in de praktijk bleek je er niet zonder te kunnen.

Had dat niet anders gekund? Jazeker. Met Durkheim kreeg het vak sociologie een positivistische oorsprong, namelijk in het werk van Saint-Simon (1760 - 1825) en August Comte (1798 - 1857). De laatste introduceerde de term sociologie en zag het als taak van die nieuwe wetenschap om de wetten te doorgronden en te formuleren die de sociale werkelijkheid beheersen. In navolging van Saint-Simon meende hij dat er een historisch, 'wetmatige", ontwikkeling is in drie stadia, het theologische stadium, waarin verklaringen gezocht worden in bovennatuurlijke krachten, het metafysische stadium, waarin de verschijnselen teruggevoerd worden tot abstracte begrippen (de Ziel, de Rede) en het positieve stadium, waarin verschijnselen door middel van wetten door andere verschijnselen verklaard worden. Die "historisch wetmatigheid" doet denken aan Karl Marx. En het is inderdaad zo dat Marx al heel jong in aanraking kwam met de ideeën van Saint-Simon (George Lichtheim, Marxism. An historical and critical study, 1964, p. 20).

 Dat was dus het continentaal-Europese denken waar de sociologie uit voortkwam. Maar er was ook het Angelsaksische denken, dat een heel andere weg was ingeslagen. Ik herinnerde me dat ik me in mijn proefschrift Verklaring en interpretatie in de sociologie in 1981 met Thomas Hobbes, John Locke en de Schotse moraalfilosofen had beziggehouden en zocht dat even op (p. 15-19). 

Hobbes kende, via zijn vriend de anatoom William Harvey (1578 - 1657), de natuurwetenschappelijke methode als het leren kennen van dingen door ze, in realiteit of in gedachten, te ontbinden in hun eenvoudigste elementen (de methode van ontbinding) en ze vervolgens uit deze elementen opnieuw samen te stellen (de methode van compositie). Deze compositie zal slagen als de 'eerste principes' zijn ontdekt die de eenvoudigste elementen sturen. In de natuurwetenschappen zijn de te ontbinden verschijnselen ons het meest vertrouwd. Dat zijn de dingen 'van middelbare grootte', die zich direct aan ons voordoen. En die eenvoudigste elementen en eerste principes moeten ontdekt worden. 

Maar in de sociale wetenschap (civil philosophy), zo redeneerde Hobbes, ligt dat precies andersom. Juist de eenvoudigste elementen, de individuen, en de eerste principes, de wetten van de menselijke natuur, zijn ons het meest vertrouwd.. Terwijl wat daaruit voortkomt, de maatschappij, de commonwealth, verder van ons af staat. Dat die maatschappij mensenwerk is, dat weten we al. En onze eigen geest en ons eigen handelen kennen we. 

Hobbes' omgekeerde methode (...) komt er dus op neer dat we niet hoeven te zoeken naar de eenvoudigste elementen en de eerste principes, omdat we ze reeds van zeer nabij kennen. De taak van de sociale wetenschap is niet om iets nieuws te ontdekken, maar om te laten zien hoe de staat (de maatschappij) ontstaat uit de werking van de ons bekende eerste principes. Van deze principes hoopte Hobbes dat de intuïtief net zo voor de hand zouden liggen als Euclides' axioma's. Hij zag ook sterke overeenkomsten tussen de sociale wetenschap en de meetkunde: beide zijn bewijzende wetenschappen, omdat ze zich bezighouden met objecten (resp. staten en meetkundige figuren), die door mensen gemaakt zijn. Omdat de objecten van de natuurwetenschappen dat niet zijn, moeten daarvan de elementen en principes worden ontdekt.

Hobbes bepleitte dus een sociaalwetenschappelijke werkwijze die precies tegengesteld is aan wat Durkheim voor ogen stond voor het vak sociologie. Hobbes' invloed reikte ver, tot het werk van Spinoza en via John Locke tot dat van de Schotse moraalfilosofen (David Hume, Adam Ferguson, Francis Hutcheson en Adam Smith). 

Maar niet zo ver dat het kon voorkomen dat dat vak sociologie zich vooral ontwikkelde als het vak met die twee mankementen, dat van die curieuze wetenschapsopvatting en dat van de fictie van het eigen domein. Hier het vervolg.