vrijdag 20 maart 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -33 - Over een bijna vergeten hoofdstuk van een proefschrift. En over August Comte en Thomas Hobbes

Thomas Hobbes (1588 - 1697) schreef zijn Leviathan or The Matter, Forme, & Power of a Common-Wealth Ecclesiasticall and Civill in 1651. Hij had door dat mensen in hun onderlinge betrekkingen op het niveau van een nationale staat, wat in zijn tijd neerkwam op een monarchie, in staat waren om zowel een inferieure toestand (burgeroorlog, anarchie, armoede) als een superieure toestand (vrede, welvaart) tot stand te brengen. En hij stelde zich ten doel om uit te zoeken hoe die eerste toestand (condition of Warre) kan worden vermeden en die tweede toestand (Common-Wealth) kan worden bereikt.De eerste 80 bladzijden van de oorspronkelijke editie van bijna 400 bladzijden gaan over de menselijke natuur, in het bijzonder over de menselijke sociale natuur. Op grond van de inzichten die hij daar te berde brengt, beschrijft hij hoe de toestand van vrede en welvaart tot stand kan worden gebracht.

Eind jaren 70, toen ik op het NIAS in Wassenaar mijn proefschrift schreef, was ik al tot het inzicht gekomen dat Hobbes "tot de vroegste grondleggers van de sociologie moet worden gerekend" (Verklaring en interpretatie in de sociologie, p.15). Dat sprak niet vanzelf, want hij kwam niet voor in het rijtje van de klassieke sociologen: Durkheim, Marx, Weber, aangevuld met Simmel en Pareto, dat mij in het eerste jaar van de studie was voorgehouden. Daar is trouwens weinig aan veranderd, want ook nu nog worden Durkheim, Marx en Weber als de grondleggers van het vak beschouwd. Zie bijvoorbeeld het recente Classical Sociological Theory. A Reader.

De samenstelling van dat rijtje is erop gebaseerd dat het vak sociologie eigenlijk pas in de negentiende eeuw ontstond en bovenal in continentaal Europa. De Fransman August Comte (1798 - 1857) was niet alleen de naamgever, maar was er daarmee ook verantwoordelijk voor dat het als een geheel nieuw vak moest worden beschouwd. Dat van de grond af moest worden opgebouwd, naar het voorbeeld van de wiskunde en de natuurwetenschappen. Die hadden immers al zulke indrukwekkende resultaten geboekt en laten zien dat allerlei alledaagse inzichten niet klopten. 

Die ontwikkeling van het wetenschappelijk denken moest nu worden bekroond met het toepassen van de wetenschappelijke methode van de ratio en de observatie op hoe de maatschappij in elkaar zit (sociale statica) en hoe die zich ontwikkelt (sociale dynamica). Ten behoeve daarvan moesten alle alledaagse inzichten worden losgelaten, want die waren  nog afkomstig uit het religieuze dan wel uit het metafysische stadium van de menselijke evolutie. Met het nieuwe vak sociologie zou het hoogste, want positieve, stadium van die menselijke evolutie worden bereikt.

Hier lag de bron van die twee mankementen van het vak sociologie waarmee ik tijdens mijn studie kennismaakte, de curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en de fictie van het eigen domein. Alleen de door onderzoek vastgestelde "sociale feiten" waren wetenschappelijk van belang. De socioloog wordt geacht alles naast zich neer te leggen wat niet door middel van dat onderzoek is vastgesteld. Wat hij denkt te weten, niet alleen over de maatschappij, maar vooral ook over de menselijke natuur, is voor hem in zijn rol als socioloog niet relevant, want dat is allemaal voorwetenschappelijk door speculatie en introspectie tot stand gekomen.

Maar daar had ik dus in 1981 afstand van genomen, door Thomas Hobbes tot de vroegste grondleggers van de sociologie te rekenen. Want Hobbes inventariseerde zijn inzichten in de menselijke sociale natuur en leidde daaruit af dat die een sociaal inferieure maatschappelijke toestand van burgeroorlog en armoede waarschijnlijk maakt, maar dat mensen eveneens in staat zijn om die toestand te voorkomen en de superieure toestand van vrede en welvaart tot stand te brengen. 

Hoe zou het vak dat ik studeerde eruit hebben gezien als August Comte niet had geleefd of als zijn werk,  snel in de vergetelheid was geraakt? Het had waarschijnlijk geen sociologie geheten, maar wat dan wel? Sociale wetenschap? Mens- en maatschappijwetenschap? Hoe dan ook, de kans is groot dat Thomas Hobbes meteen zou worden genoemd als een van de grondleggers van het vak. (Een lastige, maar boeiende vraag is wat in dat geval de rol van Durkheim zou zijn geweest. Ik acht het denkbaar dat een Durkheim-zonder-Comte interessanter was geweest dan de Durkheim-met-Comte. Als je zijn retoriek over de "sociale feiten" wegdenkt, blijft er veel waardevols over. Ik noemde al dat ik hem naar zijn inhoudelijk werk beoordeeld interessanter vind dan Marx of Weber.)

Oké, ik was dus gedurende de jaren 1965 - 1971 in dat Durkheim-Marx-Weber vak sociologie gesocialiseerd, maar had me daar tien jaar later van losgemaakt. Wat was er in de tussentijd gebeurd? Dat was kennelijk diep in mijn geheugen weggezakt, want ik had geen helder beeld meer paraat. Had ik maar een dagboek bijgehouden. Maar toen bedacht ik me dat ik daar toch in mijn proefschrift over moest hebben geschreven. En jawel, ik pakte het erbij, en "herontdekte" dat ik in Hoofdstuk 5 (Verklarende sociologie: de compositieve methode) uit de doeken doe wat er zich had afgespeeld. En vooral, wat ik in die 10 jaar had gelezen. En ik realiseerde me dat het om een cruciale etappe gaat van die lange weg waar ik het in de titel van deze reeks berichten over heb. Daar kom ik dus op terug.

En waar ik ook op terugkom is waarom Thomas Hobbes na bijna vier eeuwen nog steeds zo actueel is. 

Geen opmerkingen: