woensdag 29 april 2026

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 1 t/m 22

We naderen 4 mei, de dag van de Nationale Herdenking van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Een goede aanleiding om alles wat ik in de loop van de tijd schreef onder de titel Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting onder elkaar te zetten, om zo de overzichtelijkheid te vergroten.

Twee fundamentele sociaalwetenschappelijke vragen zijn: (1) Hoe komen mensen ertoe om anderen te willen onderdrukken en overheersen? en (2) Hoe reageren mensen op pogingen om hen te onderdrukken en overheersen? Het onderzoek naar hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting levert belangrijk materiaal op voor de beantwoording van die tweede vraag.

Wat volgt is langer dan wat je hier gewend bent. Maar ik denk dat het belang van het onderwerp dat rechtvaardigt. Het gaat in totaal om 22 berichten. 

Het begint met het inleidinkje dat ik schreef tot de eerste 11 berichten. 

 

Als je sociale wetenschap beoefent, dan is het onvermijdelijk, ja, zelfs wenselijk, dat je sociaalwetenschappelijke inzichten en je eigen persoonlijke ervaringen en geschiedenis met elkaar in verband brengt.

Wat die persoonlijke geschiedenis betreft, denk ik in deze tijd van het jaar vaak terug aan wat misschien mijn vroegste herinnering is. Een herinnering aan een gebeurtenis aan het eind van mijn tweede levensjaar, ik werd geboren op 3 juni 1943, die enkele weken voor de Bevrijding van de Duitse Bezetting plaats vond. Die had er mee te maken dat mijn vader (Hendrik de Vos, 1907 - 1998) bij het Verzet betrokken was geraakt en dat er een deel van de in december 1944 door de Engelsen ten behoeve van het Verzet gedropte wapens bij ons in de bijkeuken verborgen lag. Over hoe die daar waarschijnlijk terecht kwamen schreef ik op Toegepaste Sociale Wetenschap een reeks berichten die begon op 4 mei 2021 met Het is vandaag 4 mei. Over een vroege herinnering en de wapens bij ons in de bijkeuken.

Als je opgroeit ben je geneigd om alles wat je aantreft als "normaal' te beschouwen. Je hebt immers nog geen vergelijkingsmateriaal. Dat betekent dat je pas veel later, bij het ouder worden, oog krijgt voor hoe die vroege ervaringen je denken en je kijk op de wereld hebben beïnvloed. Die vroege ervaringen slaan ook op de jaren na de Bevrijding, toen ik de toen heersende sfeer in me opnam. Er waren vreselijke dingen gebeurd, maar dat was nu achter de rug en we zouden er met zijn allen voor zorgen dat zoiets nooit meer zou kunnen gebeuren. Er waren lessen geleerd. Er zijn kwade krachten, maar die kunnen door het goede worden overwonnen en onderdrukt. En dat zal ook gebeuren.

Met die instelling ging ik in 1965 in Groningen sociologie studeren. Ik had een bepaald beeld van het vak, namelijk dat het zou bijdragen aan een "goede" maatschappij, die tegemoetkomt aan de behoeften van mensen. Bij mijn afscheid van de vakgroep Sociologie in 2010 sprak ik daarover: Om mens en menselijkheid - Over sociologie. Maar ik kwam in een heel ander vak terecht, waarin ik natuurlijk, wederom bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal, flink werd meegezogen. Pas gaandeweg en heel veel later ontstond er de ruimte om weer terug te keren naar die gedachte van een goede maatschappij. En dus naar een sociologie die ertoe doet, die inzichten verschaft in de krachten van het goede en de krachten van het kwade. Ik schreef daarover in 2020 in Een sociologie die ertoe doet: een realistisch normatief kader voor sociale hervormingen.

Diezelfde ruimte was er ook om weer stil te staan bij die vroege ervaringen. En dus bij de vraag of die vreselijke dingen die er gebeurd waren, ook inderdaad nooit meer zouden gebeuren. Wat zou daar sociaalwetenschappelijk over kunnen worden gezegd? Dus ging ik het onderzoek volgen naar hoe het rechts-extremistische, statuscompetitieve wereldbeeld (het kwaad) weer opnieuw de kop kon opsteken. Zie een van de vorige edities van deze Nieuwsbrief: De AIVD waarschuwt voor de gevaren van rechts-extremisme. Maar waardoor is dat rechts-extremisme toch zo toegenomen?

En ik ging me afvragen onder welke voorwaarden de goede krachten, die van het gemeenschapspatroon, sterk genoeg zijn om zich tegen dat rechts-extremisme te weer te stellen. Wat doet een bevolking als rechts-extremisten de de democratie omver willen werpen en de macht proberen te grijpen en overal vijanden zien die onderdrukt of zelfs "geëlimineerd" moeten worden? Of als die rechts-extremisten een ander land binnenvallen en aan zich willen onderwerpen?

Dat zijn heel algemene vragen, maar ik dacht in het bijzonder aan het heel specifieke geval van hoe de Nederlandse bevolking reageerde op de Duitse bezetting, de onderdrukking en de Jodenvervolging. Daarover begon ik op 16 augustus vorig jaar een reeks berichten, op zoek naar een antwoord. Dat heb ik nog niet gevonden en misschien vindt ik dat nooit. Maar lees hieronder het resultaat tot nu toe. Een long read, met de nodige aanpassingen, weglatingen en toevoegingen.

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 1 -

Het algemene beeld van de Bezetting is dat er zich in ons land een verzetsbeweging ontwikkelde, maar hoe groot was die? Bij het NIOD kom je de schatting tegen van 45.000 personen die in georganiseerd verband verzet pleegden. Dat getal tref je ook aan bij Shirley Haasnoot en Bas Kromhout (10 grote Nederlandse verzetshelden), die eraan toevoegen dat die door honderdduizenden anderen gesteund en geholpen werden. Dat verzet riskant was, blijkt er uit dat er aan het eind van de oorlog van die 45.000 nog zo'n 35.000 in leven waren. Tijdens de oorlogsjaren werden zo'n 20.000 mensen wegens verzetsdaden opgepakt. Er bestaat ook een schatting dat zo'n vijf procent van de bevolking (van 9 miljoen) actief was in het verzet, waartegenover er ook zo'n vijf procent actief meewerkten, collaboreerden, met de Duitsers. De rest "was niet ‘fout’ maar steunde ook geen verzet of vervolgden en ging zo goed en zo kwaad als dat ging door met het dagelijkse leven."

De bezetting door de Duitsers was een overname van het gezag van een soevereine staat en dus een geval van onderdrukking en overheersing van de bevolking van die staat. Hij kwam voort uit het extreem statuscompetitieve wereldbeeld van het Hitler-bewind, waarin Duitsland door oorlog andere landen aan zich diende te onderwerpen, omdat vermeende vijanden, het "internationale Jodendom" voorop, dienden te worden geëlimineerd. Eenzelfde wereldbeeld zien we nu, in 2022, weer om zich heen grijpen, met allerlei idiote samenzweringstheorieën, maar dat terzijde.

Even afgezien van die vijf procent die met de Duitsers collaboreerden, en die de bezetting dus niet als overheersing en onderdrukking ervoeren, welke reacties konden er sociaalwetenschappelijk gezien van Nederlanders worden verwacht? Heel algemeen geformuleerd, vallen er drie reactiemogelijkheden op bedreigingen te onderscheiden, die van het vechten of vluchten (beide mobilisatie met angst) en die van de immobilisatie en terugtrekking (immobilisatie met angst). Denk aan de polyvagaaltheorie van Stephen W. Porges, die helder wordt beschreven door Stanley Rosenberg in in De nervus vagus als bron van herstel. Zie ook hoofdstuk 2 (Body-Brain Connections) van The Body Keeps the Score van Bessel van der Kolk (Nederlandse vertaling: Traumasporen).

Weer heel algemeen geformuleerd, konden Nederlanders er dus na de Duitse inval en gedurende de bezetting voor "kiezen" om te vechten, dus actief verzet te plegen, te vluchten, zoals naar Engeland, zoals velen in mei 1940 deden of dat probeerden, of zich terug te trekken. Er waren er ook honderden die zichzelf om het leven brachten (zie De zelfmoordgolf van mei 1940). Eerlijk gezegd weet ik niet of je dat als ultieme vlucht moet zien of als ultieme terugtrekking. 

Van dat vluchten afgezien, was er dus een kleine minderheid die er vroeger of laten voor koos om te vechten. Dus om actief verzet te plegen. En een grote meerderheid die daar niet voor koos, oftewel om dat ze zich terugtrokken, oftewel om andere redenen. Want er zullen misschien veel meer zijn geweest van degenen die zo goed en zo kwaad mogelijk doorgingen met hun dagelijks leven, die wel mee hadden willen doen met het verzet als ze maar de mogelijkheden daartoe hadden gezien.

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 2 - Waardoor mislukte de Februaristaking?

Zonder ook maar iets af te doen aan het belang van het Nederlandse verzet tegen de Duitse bezetting van 1940 - 1945, kun je je toch afvragen waardoor dat verzet niet veel massaler was.

Een bezetting door een vreemde mogendheid, dat is toch iets waar je massaal tegen in opstand komt? Denk even aan het verzet van de Oekraïense bevolking tegen de invallende Russen. Er gingen filmpjes rond van Oekraïners die demonstreerden tegen Russische soldaten en hen uitjouwden. Er waren veel vrijwilligers die zich aanmelden om te vechten. Daarbij vergeleken liet de Nederlandse bevolking de Duitse inval gelaten over zich heen komen. Terwijl toch niet meer dan zo'n vijf procent, van de bevolking sympathiseerde met de Duitsers. 

Ook na de inval van mei 1940 nam het verzet, nogmaals, hoe belangrijk en heldhaftig ook, nooit massale vormen aan. De Februaristaking van 24 februari 1941 had daarvan het begin kunnen zijn. Tienduizenden Amsterdammers legden het werk neer als protest tegen de Jodenvervolging en de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Het verzet breidde zich uit naar Hilversum, Haarlem en Utrecht. Maar de Duitsers grepen hard in, waarbij doden en gewonden vielen. Op de Historiekpagina Februaristaking (1941) – Protest tegen de Jodenvervolging wordt gemeld dat de staking na twee dagen werd beëindigd, "ook onder druk van het Amsterdamse gemeentebestuur".

Het is zaak om bij dat laatste verder stil te staan. Want dat die Februaristaking toch helaas al vrij snel in elkaar zakte, zal ermee te maken hebben gehad dat het een spontane actie was, zonder centrale inspiratie en coördinatie. Waarbij je natuurlijk ook meteen bedenkt dat onderlinge communicatie, zonder internet en sociale media (zoals in Oekraïne nu), uiterst moeilijk was. En juist bij een spontane collectieve actie, met een potentieel grote steun, is het van cruciaal belang dat iedereen geïnformeerd raakt over die grote actiebereidheid van anderen. Als daar onzekerheid over is, dan wordt de kans op succes al gauw veel kleiner.

In termen van de Dual Mode-theorie gesteld, valt het meedoen aan het verzet, hier het meedoen aan die staking, te zien als een vorm van gemeenschapsgedrag. We zijn met zijn allen, in het bijzonder onze Joodse landgenoten, slachtoffer van overheersing en onderdrukking. Onze morele gemeenschapsintuïties vertellen ons dat we daartegen in opstand moeten komen. Dat doen we voor onszelf, maar juist ook voor elkaar. En in het bijzonder voor degenen die het meest gevaar lopen. 

Maar voor iedereen individueel geldt dat het van groot belang is om te weten hoeveel anderen er net zo over denken en bereid zijn om actie te ondernemen. In plaats van zich bij de onderdrukking neer te leggen en de ogenschijnlijke veiligheid van berusting en terugtrekking te zoeken. Als inderdaad velen actiebereid zijn, en hun gemeenschapsintuïties willen volgen, dan moet de informatie daarover zich over iedereen verspreiden. Waarna, Stelling 2 van de Dual Mode-theorie, de kans op een geslaagde collectieve actie snel toeneemt. 

Het kan dus zo geweest zijn dat het snel verzanden en mislukken van de Februaristaking er een gevolg van is geweest dat de informatie over de grote actiebereidheid zich niet goed kon verspreiden. Waarbij ook de afhoudende rol van het Amsterdamse gemeentebestuur van belang kan zijn geweest. Als dat gemeentebestuur, en andere overheidsdienaren, meer hun nek hadden uitgestoken, en als het nieuws daarover zich had kunnen verspreiden, dan had dat ook iets verteld over de onderliggende actiebereidheid. 

In dat verband is de vergelijking met Denemarken interessant. Denk aan het bericht Over hoe het kon dat zoveel joodse Nederlanders in 40 - 45 werden gedeporteerd en vermoord. De Deense regering en het koningshuis bleven na de Duitse inval aan en accepteerden een "vreedzame bezetting". Daar valt van alles over te zeggen, maar het had als voordeel dat regering en koning zich nog enigszins een onafhankelijke rol konden toe-eigenen en dat ook deden. 

Zo moet Koning Christiaan X hebben laten weten dat hij zelf ook de davidsster zou gaan dragen als dat zou worden opgelegd aan zijn joodse onderdanen. Dergelijke berichten moeten invloed op de Denen hebben gehad en hen hebben geholpen bij het bepalen van wat het juiste gedrag was. Ook al omdat mensen van elkaar wisten dat ze van die berichten op de hoogte waren. Het kan een element zijn geweest dat er voor gezorgd heeft dat de Deense bevolking wel, en de Nederlandse bevolking niet, met zoveel succes hun Joodse landgenoten hebben gered.

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 3 - De bereidheid tot verzet was waarschijnlijk veel groter, maar genoeg vertrouwen in de bereidheid van anderen, ontbrak

Nog lang na de Tweede Wereldoorlog, en na de Holocaust van het Hitlerbewind, leek het vanzelfsprekend dat bedreigingen van de democratie vanuit rechts-extremistische hoek tot het verleden zouden behoren. De gedachte was dat de mensheid belangrijke lessen had geleerd.

Maar het eerste kwart van de eenentwintigste eeuw leert ons hoe naïef die hoop was. Het statuscompetitieve, rechts-extremistische wereldbeeld is weer helemaal terug en is in tal van landen een groot gevaar voor de democratie. De actuele vraag is of de verdediging van de democratie op tijd zal komen. Of dat we eerst weer een periode moeten doormaken waarin de kwade kant van de menselijke sociale natuur ruim baan krijgt. Met daarbij meteen de vraag of de door ons veroorzaakte klimaatverandering ons daarvoor wel voldoende tijd zal gunnen.

Wat kunnen we in dat verband van de gebeurtenissen uit het verleden leren? Zoals van de gebeurtenissen in het door het extreemrechtse Hitlerbewind bezette Nederland van 1940 tot 1945. Waardoor was het verzet van Nederlanders tegen die bezetting en onderdrukking niet veel massaler? Was er een massaler verzet mogelijk geweest?

In de sociale wetenschap is een bepaalde benadering van zo'n probleem van collectieve actie gangbaar, namelijk die van de door het economisch denken geïnspireerde rationele keuzetheorie. Aanhangers van die theorie, als ze nog bestaan, vatten problemen van collectieve actie op als meerpersoonsgevangenendilemma's, dat wil zeggen als sociale situaties waarin het weliswaar voor iedereen beter zou zijn om met zijn allen bij te dragen aan de collectieve actie, maar waarin het voor iedereen individueel beter is om dat niet te doen. Zie voor uitleg de wikipediapagina. De voorspelling van de rationele keuzetheorie is dan ook dat in zulk soort sociale situaties collectieve actie niet tot stand komt. Nederland in 1940-1945 zou dus dichter in de buurt komen van die voorspelling dan Denemarken in 1940-1945.

Over de waarde van die rationele keuzebenadering ontstonden al snel twijfels. Op dit blog stond ik in 2012 stil bij het in 1970 verschenen artikel Social interaction basis of cooperators' and competitors' beliefs about others van de sociaal-psychologen H.H. Kelley en A.J. Stahelski. Zie Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (2): samenwerking, competitie en het gedrag van anderen

Uit dat onderzoek bleek dat een grote groep mensen in een situatie van collectieve actie erop uit is om met anderen samen te werken. Maar tegelijk met de mogelijkheid rekening houdt dat er anderen kunnen zijn die daar niet op uit zijn. Afhankelijk van hun inschatting of waarneming hoeveel anderen ook op samenwerking uit zijn, zullen ze er voor kiezen om samen te werken. Hoe meer anderen samenwerken, hoe groter hun bereidheid om dat ook te doen. Hoe minder, hoe kleiner hun bereidheid. 

Daarnaast was er een kleinere groep die ervan uitging dat anderen nooit zullen samenwerken en die dat dus ook zelf niet deden.

Van beide groepen kun je zeggen dat ze zich gedroegen volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. Samenwerken is een vorm van gemeenschapsgedrag en volgens die stelling vertonen mensen meer gemeenschapsgedrag hoe meer anderen dat ook doen. Dat is het gedrag van de eerste, grotere, groep. Daarentegen keek de tweede, kleinere, groep met een statuscompetitieve blik naar de sociale wereld, waardoor ze ook zelf kozen voor competitie in plaats van samenwerking. Geheel in overeenstemming met Stelling 2. Zoals ik in dat bericht uit 2012 al opmerkte, luidde dat artikel van Kelley en Stahelski indertijd voor mij het einde van de rationele keuzetheorie in. Waar vele jaren later de Dual Mode-theorie voor in de plaats kwam.

Toegepast op de situatie waarin Nederlanders zich bevonden gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945, kun je dus als verklaring voor het beperkte karakter van het verzet aanvoeren dat misschien veel meer Nederlanders tot verzet bereid waren, maar er te weinig op vertrouwden dat anderen dat ook waren. Ze kregen te weinig signalen van die bereidheid. Bedenk wederom dat er geen internet en sociale media waren. Alle informatie moest komen van horen zeggen. En er was niet meer, zoals in Denemarken wel, een nog enigszins onafhankelijke overheid die zich tot woordvoerder van die grote bereidheid kon opwerpen.

Dus mislukte de Februaristaking. Dus was er geen massale opstand tegen de Jodenvervolging. Dus ging voor de niet-Joodse Nederlanders het gewone leven door terwijl hun Joodse landgenoten zich moesten laten registreren en de door henzelf betaalde en door een Nederlandse fabriek vervaardigde Jodenster moesten dragen. En stapsgewijs van het publieke leven werden uitgesloten. En uiteindelijk per trein, met Nederlands personeel, naar Westerbork en verder werden afgevoerd.

Dat kon allemaal gebeuren. Driekwart van de Nederlandse Joden werd door het Hitler-bewind vermoord. Door het ontbreken van massaal verzet, werd de Holocaust helaas maar weinig in de weg gelegd. 

Nogmaals, natuurlijk met erkenning van en waardering voor wat er wel aan verzet was. Maar navrant is het wel dat de bereidheid tot verzet waarschijnlijk veel groter was, maar dat een belangrijke voorwaarde daar voor, genoeg vertrouwen in de bereidheid van anderen, ontbrak.

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 4 - Had het verzet groter kunnen zijn als meer mensen gevraagd waren om er aan deel te nemen?

Dat er gedurende de Duitse Bezetting van 1940-1945 niet een massaler verzet was, kan eraan gelegen hebben dat er wel een grote bereidheid tot deelname aan het verzet was, maar dat er tegelijk onvoldoende zicht was op de bereidheid van anderen.

Daarbij moeten we bedenken dat verzet allerlei vormen aannam en had kunnen aannemen. Er was de Februaristaking van 1941, de april-mei staking van 1943 en de Spoorwegstaking van 1944. Er was het onderbrengen van en de hulp aan onderduikers, Joodse landgenoten of degenen die zich aan de verplichte tewerkstelling in Duitsland onttrokken. Dat hield ook in dat voedselbonnen en persoonsbewijzen werden vervalst en dat overvallen op bonnenbureaus en bevolkingsregisters werden gepleegd. En er waren sabotageacties, liquidaties en er was de illegale pers.  

Maar dat alles verhinderde dus niet dat driekwart van de Joodse landgenoten werden weggevoerd en vermoord. Directie en personeel van de Spoorwegen hadden kunnen weigeren om daaraan mee te werken. Directie en personeel van het bedrijf dat de Jodensterren vervaardigde, hadden kunnen weigeren om die opdracht aan te nemen. Politieagenten hadden op grotere schaal kunnen weigeren om mee te werken aan het oppakken en deporteren van Joodse landgenoten. Zie de Historiekpagina De Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog. Dat alles was natuurlijk niet zonder persoonlijke risico's geweest, maar die waren naar alle waarschijnlijkheid geringer geweest, hoe meer er aan hadden meegedaan. 

Hoe was dat laatste te bereiken geweest? En hoe zou het te bereiken zijn in soortgelijke situaties?

Dat voert me terug op de beslissing van mijn vader, toen hem ergens in 1943 gevraagd werd om mee te werken aan de hulp aan onderduikers. Zie Over de voedselvoorziening aan onderduikers tijdens de bezetting (vervolg). Wat hem gevraagd werd, bracht risico's met zich mee en hij had thuis vrouw en twee kinderen, mijn vijf jaar oudere broer en ikzelf, geboren op 3 juni 1943. Hij had tot dan niet aan het verzet deelgenomen. Hij zocht niet het gevaar en het avontuur. Maar hij moet wel al snel tot de conclusie zijn gekomen dat hij niet kon weigeren. Hier was een goede zaak waar hij aan moest bijdragen.

Hoeveel anderen, evenmin op zoek naar gevaar en avontuur, zouden ook zo hebben beslist, als ze maar gevraagd waren? Gevraagd om niet mee te werken aan het oppakken van Joodse landgenoten? Gevraagd om te weigeren de treinen te laten rijden waarmee die werden afgevoerd? Gevraagd om te weigeren de Jodensterren te vervaardigen? Gevraagd om onderduikers op te nemen of hen te helpen?

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 5 - Over hoe het Duitse volk zelf niet in verzet kwam

Bezetting, terreur en vervolging vormen een bijzonder geval van het vaker voorkomende verschijnsel van het collectief bedreigd zijn, waartegen een verdediging mogelijk zou zijn als maar genoeg mensen daaraan zouden meedoen. En dat laatste is dus vaak niet zo. Hoe komt dat?

Een ander geval van collectief bedreigd zijn is de situatie waarin de Duitsers zelf verkeerden gedurende de opkomst van Hitler in de jaren dertig en na het uitbreken van de oorlog, met de inval in Polen, in 1939. Hoewel de steun voor Hitler opliep, haalde hij bij de laatste Rijksdagverkiezing voor de machtsovername, op 5 maart 1933, geen meerderheid. En na de aanvankelijke economische (en militaire) successen werd het voor de Duitse bevolking al gauw duidelijk dat die succesvolle economie niet voor hun welzijn bedoeld was, maar voor het voeren van een roekeloze oorlog die slechts op een ramp kon uitlopen. 

Onder die oorlogseconomie en onder die oorlog had ook het Duitse volk zelf te lijden, dus nog afgezien van het leed dat aan anderen werd toegebracht. Er was weliswaar enig verzet en er waren een of twee mislukte aanslagen op Hitler. Maar ook toen de meeste Duitsers al wel door hadden gekregen dat ze zich door een narcistische fantast hadden laten begeesteren en dat het niet goed zou aflopen, bleven ze passief en zelfs apathisch en kwam er geen volksopstand.

Ik bladerde even door The Wages of Destruction van Adam Tooze. Nadat de militaire successen duidelijk tot het verleden behoorden en de geallieerde bombardementen op de Duitse steden waren begonnen, was er van die aanvankelijke begeestering weinig meer over. Tooze schrijft daarover (p. 602-3):

...the impact of the events of July 1943 (het bombardement op Hamburg) cannot be exaggerated. Even the most rabid adherents of the Third Reich could hardly deny that 'the end was nigh'. (...) Not surprisingly, as the news from Hamburg leaked, the Gestapo picked up reports of shock and dismay from across the country. (...) The SD noted that party members were no longer wearing their party badges in public and people were avoiding the Hitler salute wherever possible. Speer (Albert Speer) found that even party audiences no longer responded to his boasts about the triumphs of the armaments miracle. Amongst senior industrial leaders, the SD reported, there was no longer anyone who believed in the possibility of a German victory. To admit as much in public, however, was extremely dangerous.

Dat laatste slaat op de terreur van het bewind tegen de eigen bevolking. Een onafhankelijke rechtspraak bestond al lang niet meer. Tooze (p. 603):

The politcization of the judiciary, which had taken on ever more aggressive forms since the beginning of the war, was intensified. By 1943 the courts were issuing death penalties against Germans for defeatism and sabotage at the rate of a hundred a week. Even prominent businessmen were no longer immune. (...) In the autumn of 1943 two senior branch managers of the Deutsche Bank were arrested and executed for making defeatist remarks. A designated board member of the electricity giant RWE suffered the same fate...

Het is natuurlijk moeilijk om nog een goed beeld te krijgen van wat dit voor de Duitse bevolking betekende. Als je The German War. A Nation Under Arms, 1939-1945 van Nicholas Stargardt er op naslaat, dan lees je (p. 373-4):

Most ominously for a Security Service primed to prevent a repeat of the 1918 revolution, during the course of August 1943 it reported growing public dissent. When the Lord Mayor of Göttingen boarded a train from Hamburg, refugees spotted his golden Party badge and told him quitley that there would be a reckoning. A woman even held her sleeve up to his nose so that he could smell the stench of the smoke on her clothes. Party officals were so often abused and threatened in public, especially in cities which had recently been bombed, that in the late summer of 1943 many stopped wearing their uniforms and Party badges in public. (...) In Marburg, Lisa de Boor was thrilled: "'Everywhere in the streets, in the shops, at the station, people are talking to one another saying that it can't go on like this.' 

Ook lees je daar dat het onder de Duitse bevolking rond ging dat de bombardementen een wraakactie waren voor wat de Duitsers de Joden hadden aangedaan (p. 375):

As evacuees from northern and western Germany brought tales of horror they had endured to the unscathed south and east of the country, everywhere 'terror bombing' was ascribed to 'the Jewish retaliation'. Nazi propaganda had played its part in preparing this response by insisting that the Jewish lobby in London and Washingtom was behind the bombing in an attempt to exterminate the German nation. But the tenor of popular reasoning was now different: it was what the Germans had done to the Jews that had provoked them to use their power to bomb German cities.

Wat er meteen op wijst dat de bevolking behoorlijk goed op de hoogte was van de massamoord op de Joden. Denk ook aan Peter Longerichs "Davon haben wir nichts gewusst!". Die kennis drong zich nu natuurlijk op, maar dat zette ook nu niet aan tot verzet. Stargardt (p.380):

The regime could demand silence from the German people, but it could not alter the fact that the shared secret of the murder of the Jews had been broached openly across Germany and that such talk did not strenghten support for the regime. But it did not provoke real action either: dissent never progressed beyond the talk of regime change and a separate peace.

Het bleef dus bij woorden. De verschrikkingen gingen door. Tot uiteindelijk die narcistische fantast, waar ze al zo lang op waren uitgekeken, op 30 april 1945 in zijn Berlijnse bunker zelfmoord pleegde. Gedurende zijn leven kwam het Duitse volk niet in verzet.

Wat maakt dat collectief en massaal verzet tegen terreur en onderdrukking zo moeilijk van de grond komt? Wat hield de Nederlanders tegen gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945? Wat hield de Duitsers zelf tegen, nadat ze doordrongen waren geraakt van de ware aard van het Hitler-bewind?

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 6 - Over de immobilisatiereactie, het belang van wat anderen doen en het "Ontwaakt, verworpenen der aarde!"

Onderdrukt worden is een toestand van sociale onveiligheid, waarop mensen, afhankelijk van de omstandigheden en de toestand van hun autonome zenuwstelsel, reageren met vluchten (flight), het plegen van verzet (fight) of met die immobilisatiereactie. Reacties die dus voortkomen uit de diepere lagen van de menselijke sociale natuur. Geen weloverwogen, "rationele" daden (in het geval van vluchten of vechten) en niet een weloverwogen, "rationeel" afzien van daden, maar immobilisatie, verstijfd zijn door angst, verdringing, dissociatie, terugtrekking, blokkering. 

Mensen zijn nu eenmaal geen "koele kikkers", als die al bestaan, maar wezens van vlees en bloed en met een autonoom zenuwstelsel. Waardoor het niet plegen van verzet er dus ook uit kan voortkomen dat mensen immobiliseren, verstijfd zijn door angst en in die toestand zo goed mogelijk proberen door te leven, zichzelf voorhoudend dat er niets anders op zit. 

En als de onderdrukking een collectieve bedreiging is, dan hebben we in het geval dat veel mensen terechtkomen in die immobilisatiereactie dus te maken met een collectief trauma. De afwezigheid van verzet komt niet door weloverwogen passiviteit of onverschilligheid, maar door angst en blokkering. 

Individuele trauma's, angststoornissen en daarmee samenhangende aandoeningen kunnen behandeld worden en vaak met succes. Succes bestaat er dan uit dat het "sociale betrokkenheidssysteem", dus het gemeenschapspatroon, zodanig geactiveerd wordt dat mensen uit dat statuscompetitiepatroon van de immobilisatie kunnen ontsnappen. Daarmee leren ze dat het niet langer nodig is om naar de wereld te kijken als vol van gevaren en bedreigingen. Het herwonnen gevoel van veiligheid maakt dat ze weer op anderen betrokken kunnen zijn. Denk aan de op het autonome zenuwstelsel gerichte therapie op basis van de polyvagaaltheorie zoals uiteengezet door Stanley Rosenberg in De nervus vagus als bron van herstel. Of denk aan het werk van psychiater Bessel van der Kolk.

Maar hoe doe je dat met een collectief gevoel van onveiligheid? Dat bovendien niet een nasleep is van in het verleden ervaren onveiligheid, zoals met individuele trauma's, maar voortkomt uit bedreigingen in het hier en nu. 

Precies hier komt de Dual Mode-theorie binnen en wel in het bijzonder Stelling 2. Die houdt immers in dat mensen beïnvloed worden door wat ze in hun sociale omgeving ervaren. Hoe meer gemeenschapsgedrag je ervaart, hoe veiliger je sociale omgeving en hoe meer ook jouw gemeenschapsgedrag wordt geactiveerd. Dus hoe actiever jouw sociale betrokkenheidssysteem. En andersom, hoe meer je in aanraking komt met statuscompetitiegedrag, in dit geval in de vorm van blootstelling aan onderdrukking, hoe onveiliger je sociale omgeving en hoe sterker jouw terugtrekkingsreactie.

Daar is dus tegenwicht nodig. Die kan er zijn als de onderdrukten over elkaar geïnformeerd raken en over elkaars bereidheid om in verzet te komen. En verzet tegen onderdrukking is een vorm van gemeenschapsgedrag. Het is de strijd tegen het statuscompetitiepatroon en een strijd die je niet alleen voor jezelf, maar ook voor alle andere onderdrukten voert. Als de onderdrukten uit hun isolement bevrijd worden, en dus over elkaars bereidheid tot verzet geïnformeerd raken, dan groeit het tegenwicht tegen ieders terugtrekking en verlamming. Door de met elkaar gedeelde bereidheid tot het gemeenschapsgedrag van het verzet, gloort er hoop..

Kort gezegd, collectief en massaal verzet zal opbloeien hoe meer de informatie zich verspreidt over ieders bereidheid tot verzet. Vandaar het belang van demonstraties in de straten en op de pleinen. Vandaar het belang van sociale media. Mensen moeten het van elkaar weten. Vandaar ook de pogingen van de onderdrukkers om die informatieverspreiding tegen te gaan. Door censuur, propaganda en afsluiten van het internet.

En vandaar ook het belang van gebeurtenissen die de onderdrukten een indruk geven van de algemene bereidheid tot verzet. En die dat verzet uitlokken. Zo'n uitlokkende gebeurtenis was in Iran de dood van de 22-jarige Mahsa Amini, die vanwege het niet juist dragen van de hoofddoek door de "moraliteitspolitie" was opgepakt. Niet alleen was iedereen daar verontwaardigd over, ook was iedereen er meteen van overtuigd dat ieder ander daar verontwaardigd over was. Die overtuiging zorgde er voor dat mensen de straat opgingen in de vaste verwachting dat ze niet de enige zouden zijn. Dus massale demonstraties, die op hun beurt weer nieuwe demonstraties uitlokten.

Toch nog even terug naar die rationele keuzetheorie. Merk op dat het voor die theorie niet uitmaakt wat mensen weten over de bereidheid van anderen. Hoe klein of groot die bereidheid ook is, het blijft voor ieder individu de beste ("rationele") optie om niet mee te doen. En wel te profiteren van wat andere eventueel doen. Een mistroostig, maar vooral ook onrealistisch mensbeeld.

Als het inderdaad zo is dat die immobilisatiereactie tot het menselijk gedragsrepertoire behoort, dan zou je mogen verwachten dat mensen daar ook zelf weet van hebben. Dat het tot de algemeen gedeelde kennis behoort. Dat lijkt ook het geval. We hebben er immers naast een sociaalwetenschappelijke vakterm als immobilisatie ook woorden voor in onze omgangstaal: verstijfd door angst, blokkering, terugtrekking. Woorden waarvan iedereen weet wat er mee bedoeld wordt.

Ik dacht ook even aan de eerste vier woorden van de Internationale: "Ontwaakt, verworpenen der aarde!" Hier de vertaling door Henriëtte Roland Holst uit 1899 van de oorspronkelijk Franse tekst. Daarin worden onderdrukten opgeroepen om te ontwaken. Ontwaken uit de sluimer van de immobilisatie. En wordt gewezen op de groeiende bereidheid om in verzet te komen: "Reed‘lijk willen stroomt over de Aarde, en die stroom rijst al meer en meer".

Na deze omweg gaan we in het volgende bericht weer terug naar de vraag waarmee deze reeks begon: waardoor was er niet een massaler verzet van de Nederlanders tegen de Duitse bezetting en de Jodenvervolging van 1940-1945?

Als het statuscompetitiepatroon vrij baan krijgt, dan voelt iedereen, ook de onderdrukker, zich onveilig. - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 7 -

Dat gedurende de Duitse Bezetting slechts zo'n vijf procent van de Nederlandse bevolking actief was in het georganiseerde verzet, hield ook in dat het verzet maar weinig zichtbaar was. De indruk kon niet ontstaan dat massaal verzet op het punt stond door te breken. Juist omdat het zo gering van omvang was, moest het zich in het verborgene afspelen. Van een doorbraak naar demonstraties in straten en op pleinen is het nooit gekomen. 

Dat kwam natuurlijk ook doordat de bezetter erop uit was, zoals onderdrukkers dat altijd zijn, om verzet in de kiem te smoren. Die immobilisatiereactie is precies wat de onderdrukker beoogt te bereiken. Dus intimidatie, door buitensporig geweld, represailles, martelingen. Het Duitse bombardement op Rotterdam in mei 1940 had natuurlijk ook de bedoeling om te intimideren. Het behoort tot het "natuurlijke "gedrag van de onderdrukker om angst en vrees aan te jagen. 

Het sociale patroon van de onderdrukking is dat van de statushiërarchie, waarin de onderdrukker zijn eigen veiligheidsgevoel najaagt door de onveiligheidsgevoelens van de onderdrukten, dus van iedereen, zoveel mogelijk aan te wakkeren. Denk aan de paranoia van Stalin en zijn schrikbewind, waarin iedereen elke nacht van zijn bed kon worden gelicht. 

En denk aan de paranoia van Poetin en de vele moordaanslagen op zijn tegenstanders, de "verraders". Op 7 oktober 2006, op Poetins verjaardag, werd de kritische journaliste Anna Politkovskaja vermoord, nadat eerder een poging was gedaan haar te vergiftigen. Zulke vergiftigingspogingen waren er meer. En er waren opvallend veel tegenstanders die omkwamen doordat ze uit het raam vielen of overboord sloegen. Niet alleen om die personen uit de weg te ruimen, maar vooral ook vanwege de algehele intimidatie die er het effect van is.

Als het statuscompetitiepatroon vrij baan krijgt, dan voelt iedereen zich onveilig. De onderdrukten zijn verstijfd van angst. En de onderdrukker lijdt aan paranoia.

Over verzet in Rusland tegen Poetin en een oproep om de angst te overwinnen - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 8-

De 23-jarige activist en oud-student wiskunde aan de Moskouse Staatsuniversiteit Dimitri Ivanov werd tot 8,5 jaar strafkolonie veroordeeld wegens "ondermijning van de autoriteit van het Russische leger". Geert Groot Koerkamp berichtte erover in de Volkskrant

Ivanov is een voorbeeld van iemand die tegen een onderdrukkende en intimiderende macht in verzet komt. De heersende macht in Rusland, Poetin en de mensen om hem heen, willen Groot Rusland terug en kunnen daarom een zelfstandig en democratisch Oekraïne niet tolereren. Vandaar de inval, de "speciale militaire operatie". Die minder voorspoedig liep dan gedacht. 

Bovendien hadden de machthebbers in het Kremlin al vanaf het begin door dat die inval bij de Russische bevolking niet alleen maar op instemming kon rekenen. Dus moest kritiek worden onderdrukt en moest er een beeld van massale steun gefabriceerd worden. Daarom werd besloten dat kritiek, ja, zelfs het gebruik van het woord oorlog, streng moest worden bestraft. Bedenk dat Rusland geen onafhankelijke rechtspraak kent.

Ivanov deelde via een mede door hem opgericht Telegramkanaal berichten over het optreden van Russische troepen in Boetsja en over bombardementen op Marioepol. Dat was in strijd met de officiële berichtgeving van het ministerie van Defensie en moest dus worden bestraft.

Opvallend is dat Ivanov in de rechtszaal vanuit de kooi waarin hij verbleef het woord mocht voeren. Waarschijnlijk toegestaan om de schijn van vrijheid min of meer in stand te houden. Geert Groot Koerkamp haalt de volgende citaten aan van wat hij gezegd heeft.

Mijn mening is dat je je niet moet overgeven aan je angst, maar moet doorgaan met de strijd, jezelf blijven. Mijn voorbeeld moet u niet bang maken, integendeel. Waar we ons ook bevinden, we kunnen heel veel doen voor ons land en het moment dichterbij brengen waarop, onvermijdelijk, deze oorlog zal stoppen.
Ze willen iedereen bang maken, in Rusland en daarbuiten. Ik ben niet bang en heb iets te zeggen. U moet begrijpen dat Rusland niet hetzelfde is als Poetin. Wij hebben niet op hem gestemd en hij heeft ons niet gevraagd deze oorlog te beginnen met onze naaste buren. Ik weet dat tientallen miljoenen mensen hier in Rusland tegen deze criminele oorlog zijn.

Veel Russen hebben vrienden en familieleden in Oekraïne, weet hij.

We voelen de pijn. Deze oorlog is een grote tragedie voor alle Oekraïners, maar het is ook een tragedie voor Russen die in vrede willen leven met hun buren en nu lijden onder een dictatuur. We beleven een duister moment in onze geschiedenis. Maar de grootste duisternis gaat vooraf aan de zonsopkomst.

Wat hier gebeurt is iconisch voor het algemene verschijnsel van een angst aanjagende onderdrukker waartegen iemand in verzet is gekomen die oproept om niet aan die angst toe te geven. Een oproep aan tientallen miljoenen anderen die ook verzet zouden willen plegen, maar bij wie met succes angst is aangejaagd. 

Dat wil zeggen dat de onderdrukking hen in de "immobilisatiereactie op ervaren onveiligheid" heeft doen belanden.

In het Nederland van 40-45 was er, en in het Rusland van nu is er, een grote meerderheid die door angst en intimidatie niet in verzet komt en een kleine minderheid die de angst overwint. Als je bedenkt dat er in beide gevallen ook een minderheid was en is die het land ontvluchtte, dan heb je de drie mogelijke reacties op ervaren onveiligheid compleet: vechten (verzet plegen), vluchten en immobilisatie door angst.

De grote vraag is natuurlijk hoe je kunt bereiken dat in zulke gevallen van onderdrukking meer mensen hun angst overwinnen en in verzet komen. Want als er maar genoeg van hen zijn, dan is er uitzicht op succesvol verzet.

"Hoe heeft dit alles hier kunnen gebeuren?" - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 9 -

De EO-documentaire Gaat dit over ons? Herdenken in Nederland polderland van Alfred Edelstein gaat over de vraag hoe het zo lang kon duren voor er ons nationale herdenkingsbeleid aandacht werd besteed aan de Jodenvervolging. Lang ging het alleen maar over de gesneuvelde militairen en de verzetshelden. Daan Scheider haalde in de VPRO-gids Bart Wallet aan, hoogleraar Joodse studies:

‘Voor het uitzonderlijke leed dat de Joden, Roma en Sinti is aangedaan was in het nationale verhaal na de oorlog geen ruimte,’ stelt Bart Wallet, hoogleraar Joodse Studies. De Joden werd het zwijgen opgelegd en van de Roma en Sinti werd in de in die tijd nog überhaupt niet gerept. Om die reden kozen zij ervoor hun leed in eigen kring te herdenken.

Waarna het schrijnende relaas volgt van de pogingen van de na de oorlog overgebleven Joodse gemeenschap om op het Jonas Daniël Meijerplein, waar in 1941 de eerste grote razzia's plaatsvonden, een monument op te richten ter nagedachtenis aan degenen die waren afgevoerd. De gemeente Amsterdam traineerde dat initiatief. In plaats daarvan werd in 1952 op datzelfde plein het beeld van De Dokwerker onthuld, ter nagedachtenis aan de Februaristaking van 1941.

Het leed van de Joden moest letterlijk plaatsmaken voor het heldhaftige zelfbeeld van Nederland als verzetsland. 'Symbolischer kun je het niet hebben,' aldus Wallet.

Dat die Februaristaking, "in heel bezet Europa het enige massale en openlijke protest tegen de jodenvervolging" (Joods Monument, Februaristaking), wordt herdacht, is natuurlijk zeer terecht. Maar de verdenking ligt wel erg voor de hand dat de herdenking ervan, samen met de stilte rond de Jodenvervolging zelf, ook diende om een slecht geweten te sussen. 

Het heeft wel heel lang geduurd voor die stilte op nationaal niveau werd doorbroken. Pas in 2020 bood de Nederlandse staat bij monde van premier Rutte excuses aan voor de rol van het staatsapparaat bij de Jodenvervolging. En pas in 2021 werd in Amsterdam het indrukwekkende Holocaust Namenmonument opgericht, ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden, Roma en Sinti. Die allerprangendste vraag – hoe heeft dit alles hier kunnen gebeuren? – werd door de Nederlandse overheid te lang omzeild, maar wordt in de documentaire onomwonden beantwoord. In de woorden van schrijver Wim de Wagt:

‘Het Namenmonument laat zien waar een teveel aan consensus en coöperatief medewerken en een gebrek aan weerbaarheid toe kunnen leiden. Dat is de schaduwzijde van het Nederlandse poldermodel.’ 

Die verwijzing naar het Nederlandse poldermodel als antwoord op die prangende vraag verraste mij.

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 10 -

Nederlanders legden er zich gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945 bij neer, of werkten er zelfs aan mee, dat driekwart van hun Joodse landgenoten door de Duitsers werden afgevoerd en vermoord. Dat is een zo beschamende constatering dat er na 1945 lang over werd gezwegen. Maar de vraag hoe dat kon gebeuren is in menselijk opzicht zo cruciaal, en van zo groot belang voor het menselijk vermogen tot zelfinzicht, dat hij niet blijvend kon worden genegeerd. 

En hij is ook sociaalwetenschappelijk van het allergrootste belang. De Duitse bezetting was een geval van onderdrukking, dus van een toestand waarin het statuscompetitiepatroon actueel is in de vorm van een statushiërarchie. Het gevaar daarvan is dat hij overgaat in een stabiele "evenwichtstoestand", dat wil zeggen in een toestand waarin er van binnenuit geen verandering meer optreedt. In feite was dat gevaar gerealiseerd, want Nederland was voor de bevrijding afhankelijk van krachten van buitenaf, van de inspanningen van de Geallieerden.

Na die te lange periode van stilzwijgen kon gaandeweg het inzicht naar boven komen dat we hier te maken hebben met een schandvlek in onze nationale geschiedenis. In 2005 was het zover dat de Nederlandse Spoorwegen hun excuses ervoor aanboden dat de organisatie zo gewillig de Duitse opdracht uitvoerde om de Joodse Nederlanders en de Roma en de Sinti naar het doorgangskamp Westerbork te transporteren en zich daar voor liet betalen. Daarna was er nog heel wat voor nodig om de stap te zetten naar een financiële compensatie voor overlevenden en nabestaanden. Zie Over hoe het kon dat zoveel joodse Nederlanders in 40 - 45 werden gedeporteerd en vermoord. Ook werd er aan het NIOD de opdracht verstrekt voor een diepgaande onderzoek naar de rol van de Spoorwegen met betrekking tot het faciliteren van de Duitse oorlogs- en vernietigingsindustrie. Centraal staat de vraag naar het functioneren van verschillende bestuurslagen, afdelingen en individuen van De Nederlandse Spoorwegen tijdens de bezetting, evenals hun betrokkenheid bij, en verantwoordelijkheid voor, het uitvoeren van (transport)opdrachten op last van de Duitsers gedurende het verloop van de oorlog. (Onderzoek naar De Nederlandse Spoorwegen tijdens de Tweede Wereldoorlog)

En pas in 2020 (!) bood de Nederlandse staat bij monde van premier Rutte excuses aan voor de rol van het staatsapparaat bij de Jodenvervolging. Gevolgd in 2021 door de oprichting in Amsterdam van het indrukwekkende Holocaust Namenmonument, ter nagedachtenis aan de vermoorde Joden, Roma en Sinti. Eerder, in 2007, werd in ons land begonnen met het plaatsen van de struikelstenen of "stenen des aanstoots" in het trottoir voor de huizen waar verdreven en vermoorde Joden woonden.

Een en ander heeft natuurlijk de nodige aandacht gekregen. Maar je kunt je afvragen of aandacht alleen voldoende is om lessen te kunnen trekken over hoe het kon gebeuren. Hoe het kon gebeuren dat de Nederlandse bevolking en het ambtenarenapparaat toekeken of zelfs meewerkten aan het isoleren, de verontrechting, de deportatie en het vermoorden van een deel van de bevolking. En die vraag is zoals gezegd ook van fundamentele sociaalwetenschappelijk belang.

Gelukkig worden historici, ook driekwart eeuw na de Bevrijding, niet moe het materiaal aan te dragen dat voor het beantwoorden van die vraag noodzakelijk is. In 2020 verscheen Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie van Rob Bakker (ruim 700 bladzijden) en vorig jaar Buitengewone transporten. Deportaties van Joden, Roma en Sinti uit Nederland, 1940-1945 (ruim 300 bladzijden).

De vluchtreactie en de immobilisatiereactie in mei 1940 - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 11 -

Nadat Nederland de vechtreactie op de Duitse inval in 1940 met de capitulatie vooralsnog had afgesloten, was er gaandeweg de bezetting het vechten in de vorm van het ondergrondse verzet.

Maar er was ook de vluchtreactie. Er waren Nederlanders die erin slaagden om Engeland te bereiken. Maar vooral was er natuurlijk de vlucht van koningin Wilhelmina, het koninklijk huis en de ministers naar Engeland. Ze vertrokken hals over kop, zonder dat de ministers instructies achterlieten voor hun secretarissen-generaal. Rob Bakker daarover in zijn Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie (p. 40-46):

Ze (de secretarissen-generaal) werden in het diepe gegooid, met als enige boei de geheime Aanwijzingen, ooit opgeschreven in 1937. ("Aanwijzingen betreffende de houding, aan te nemen ... in geval van vijandelijken inval.") Daar werd op 20 mei via de BBC van minister-president D.J. de Geer nog een boodschap aan toegevoegd, overigens zonder overleg met zijn kabinet, dat het de plicht was van de administratieve instanties 'zo goed zij kunnen met de Duitse autoriteiten samen te werken en daardoor de bevolking zoveel mogelijk te helpen'. De bevolking werd gevraagd zich 'kalm en hartelijk' te gedragen. (...)
H. Colijn, viervoudig premier voor de oorlog en de belangrijkste vooroorlogse politicus, (...), meende in zijn brochure Op de grens van twee werelden die op 25 juni werd uitgegeven, dat 'Duitsland zal bestemmen welke positie Nederland na de vrede innemen zal'. Men moest accepteren deel uit te maken van een 'Nieuw Europa' onder Duitse leiding.

Nadat in de eerste twee weken van de bezetting generaal en opperbevelhebber Winkelman nog belast was met het militaire en civiele gezag, ging het officiële gezag op 29 mei over op de bezetter in de persoon van de Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete Arthur Seiss-Inquart. De secretarissen-generaal waren bij zijn installatie in de Ridderzaal aanwezig. 

Seiss-Inquart had na zijn installatie aan de secretarissen-generaal gevraagd of zij bereid waren 'als goede Nederlanders' op hun post te blijven. De secretarissen-generaal vroegen en kregen toestemming van de niet meer in functie zijnde opperbevelhebber generaal Winkelman voor die toezegging aan Seiss-Inquart. 

Vervolgens lees je dat de secretaris-generaal H.M. Hirschfeld de Duitsers ervan overtuigden dat ze met het College van Secretarissen-generaals konden samenwerken. Het College verklaarde zich bereid tot loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden

Daarbij werd de afspraak gemaakt dat een secretaris-generaal zonder strafmaatregelen zou mogen aftreden als hij zijn werk niet meer in overeenstemming zou vinden met zijn functie of geweten. Wat echter ook inhield dat hij niet tegelijk kon aanblijven en de medewerking aan een ongewenste maatregel weigeren. Van enig verzet in functie kon geen sprake zijn.

In feite schikte het hele Nederlandse ambtenarenapparaat inclusief de rechters zich in de nieuwe verhoudingen. 

Seiss-Inquart had in zijn eerste verordening de bepaling opgenomen dat alle rechters, ambtenaren en leerkrachten moesten verklaren dat zij de verordeningen en andere regelingen van de Reichskommissar en van de aan hem ondergeschikte Duitse diensten stipt zouden uitvoeren en dat zij geen enkele anti-Duitse handeling zouden plegen. 

Dat mocht juridisch geen eed worden genoemd, want dat zou in strijd zijn geweest met het Landoorlogreglement en dus als landverraad kunnen worden beschouwd. Daar schrok dus iedereen voor terug. Uiteindelijk werd besloten tot een "plechtige verklaring", die luidde:

'Ik verklaar hierbij plechtig dat ik, zolang ik mijn ambt waarneem, de verordeningen en andere bepalingen van de rijkscommissaris en zijn organen, naar eer en geweten zal naleven en mij zal onthouden van elke handeling gericht tegen het Duitse rijk of de Duitse weermacht.'

Ik weet het niet, het is nu meer dan tachtig jaar geleden en dus gemakkelijk om te oordelen, maar mij lijkt dit, weliswaar niet naar de vorm, maar wel materieel, gewoon een daad van landverraad.

Dat alles is natuurlijk bekend. Maar je leest het toch met enige huiver. Want in feite herkennen we hier de immobilisatiereactie, de reactie van de volledige overgave. Na de vlucht van het staatshoofd en de ministers voegde het hele ambtenarenapparaat zich zonder enige terughouding naar wat de bezetter oplegde en nog kon opleggen. Elke notie van verzet, van de vechtreactie, ontbrak. 

Dat kan niet anders dan een geweldige invloed hebben gehad op de reactie van de Nederlandse bevolking. De neiging tot immobilisatie, tot het zich terugtrekken, zich neerleggen bij de nederlaag en de intimidatie van de nieuwe machthebber, zal er natuurlijk al geweest zijn. Maar die zal zowel door de vlucht van staatshoofd en regering als door de totale overgave van het ambtenarenapparaat versterkt zijn.

Daarmee werden al meteen de voorwaarden gecreëerd waaronder je inderdaad niet anders kon verwachten dat slechts zo'n vijf procent van de bevolking daadwerkelijk tot verzet, tot de vechtreactie, overging. 

En dus ook de voorwaarden waaronder de bevolking toeliet of er zelfs aan meewerkte dat driekwart van de Joodse landgenoten en de Sinti en Roma door de bezetter werden afgevoerd en vermoord. 

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 12 -

Gedurende de Duitse bezetting van ons land in 1940-1945 was er weliswaar actief verzet, maar daar nam toch slechts zo'n vijf procent van de bevolking aan deel. En hoewel er Nederlanders actief waren in de hulp aan Joodse onderduikers, liet het gros van de bevolking het gebeuren dat Joodse medeburgers hun rechten werden ontnomen en dat ze werden geïsoleerd en afgevoerd. En werkte het Nederlandse ambtenarenapparaat aan die behandeling mee. 

Daar is, vanaf enkele tientallen jaren na de Bevrijding, al veel over gezegd en geschreven. Maar het kan (en zal) aan mij liggen, maar een poging om dat gedrag sociaalwetenschappelijk te verklaren, ken ik eigenlijk niet.

Hoe zou zo een verklaring eruit kunnen zien als we uitgaan van de sociaalwetenschappelijke inzichten die je op dit blog vaak tegenkomt?

We zouden er dan mee kunnen beginnen dat de inval en de bezetting door de Duitsers door de Nederlandse bevolking, minus de ongeveer vijf procent die de Duitsers goedgezind waren, werd ervaren als een toestand van sociale onveiligheid en bedreigd zijn. We hebben het dan over een statuscompetitieve toestand waarin een machtige partij een nagenoeg machteloze partij aan zich onderwerpt. Het Nederlandse militaire verzet werd in een paar dagen opgerold en de bevolking werd daardoor en door het bombardement op Rotterdam geïntimideerd.

In een toestand van sociaal bedreigd zijn, kunnen mensen zich te weer stellen, vechten, zich uit de voeten maken, vluchten, of zich in zichzelf terugtrekken, verstijven en immobiliseren. Vechten of doorvechten bleek dus al snel niet een haalbare optie. Wie kon vluchten, zoals door de oversteek te maken naar Engeland, deed dat. Dat was een kleine minderheid, maar daartoe behoorden het koningshuis en de regering. Bleef over het zich neerleggen bij de stand van zaken, de reactie die in het meest extreme geval een toestand van immobilisatie-door-angst wordt. 

Die meest extreme gevallen kennen we vooral van het onderzoek naar en de behandeling van individuele trauma's. Maar er zijn natuurlijk veel vaker minder extreme gevallen en er zijn collectieve trauma's. Het met geweld en intimidatie bezet worden door een buitenlandse mogendheid mag je wel een collectief trauma noemen. Dat het voor sommigen als een extreme bedreiging en individueel trauma werd ervaren, blijkt eruit dat er ook zelfdodingen waren als reactie op de Duitse inval.

Extreme en acute immobilisatie-door-angst gaat gepaard met een verminderd bewustzijn. In de veel vaker voorkomende en minder extreme gevallen is er die angstervaring, maar is er ook de bewuste verwerking daarvan. Die zal inhouden dat je nog alert bent op mogelijkheden om toch in actie te komen. Zoals op de mogelijkheid om je bij het verzet dat er wel is aan te sluiten als je daar voor gevraagd wordt. En je zult je passiviteit, je immobilisatie, proberen zo goed mogelijk voor jezelf te rechtvaardigen. In de trant van: ik zou wat moeten doen, maar ik doe het niet, want dat heeft immers toch geen zin.

En bij dat laatste speelt een belangrijke rol wat je anderen ziet doen of wat je verwacht dat anderen doen. Als anderen maar weinig in actie komen, dan is dat een aanwijzing voor de zinloosheid ervan. 

En precies in dat verband moet wel een grote rol gespeeld hebben dat het koningshuis en de regering naar Engeland vluchtten en dat bovendien de secretarissen-generaal, de rechters en het ambtenarenapparaat in functie bleven en zich in de nieuwe verhoudingen schikten. Er kon maar beter met de Duitse machthebbers worden samengewerkt. Er was geen enkele oproep tot verzet, sterker, het College van Secretarissen-generaals verklaarde zich bereid tot loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden

Dat moet ontzettend behulpzaam zijn geweest bij de pogingen van de bevolking om de eigen passiviteit te rechtvaardigen. Zo bezien, is het bijna verwonderlijk dat toch nog zo'n vijf procent van de bevolking tot actief verzet overging.

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 13 - 

Als je land met grote overmacht door een vreemde mogendheid wordt bezet, dan mag je dat wel een toestand van grote ervaren sociale onveiligheid noemen. Gezien vanuit het statuscompetitiepatroon is er opeens een overheerser die zijn wil aan jou kan en wil opleggen. Hoe te reageren?

Zo'n toestand van sociale onveiligheid lokt gemakkelijk de immobilisatiereactie uit, het angstig in elkaar duiken en het zich terugtrekken, om zo de overheerser te laten weten dat je je geheel hebt overgegeven en dat verder geweld niet nodig is. En om bij jezelf de neiging om je te weer te stellen en in verzet te komen te onderdrukken. Die neiging is er natuurlijk, maar het lijkt te gevaarlijk om er aan toe te geven. Het is een reactie die de schade beperkt, zonder dat zulks een bewust motief hoeft te zijn.

Alles wijst erop dat die terugtrekkingsreactie onder de bevolking algemeen was. En alles wijst erop dat hij versterkt en zelfs gelegitimeerd werd door de reacties van het koningshuis en de regering, die het land ontvluchtten, en van de hoogste ambtenaren en het ambtenarenapparaat, die zich bij de bezetting en het buiten werking stellen van de parlementaire democratie neerlegden, in functie bleven en zelfs met de bezetter samenwerkten. Die onderdanigheid op het hoogste niveau moet op de rest van de bevolking grote invloed hebben gehad. Rob Bakker (Boekhouders van de Holocaust) citeert op p. 66 socioloog Cor Lammers (Vreemde overheersing. Bezetten en bezetting in sociologisch perspectief):

Zolang onze topambtenaren en topindustriëlen hun daarin voorgingen, waren in de periode 1940-1945 hun ondergeschikten en veel andere brave Nederlanders maar al te gauw geneigd op gezag van deze nationale elites aan te nemen dat het moreel verantwoord was je te houden aan Duitse verordeningen en aanwijzingen.

"Moreel verantwoord". Eigenlijk zou je je behoren te verzetten, maar nog los van de praktische haalbaarheid daarvan, kwam er van hogerhand de boodschap dat het afzien van verzet moreel viel te billijken.

Zo was de stand van zaken aan het begin van de Bezetting en die verklaart zeker voor een groot deel dat het verzet, dat op den duur wel tot stand kwam, hoe moedig ook, beperkt bleef tot de naar schatting vijf procent van de bevolking. 

Maar daar kwam naar alle waarschijnlijkheid, en dat is pijnlijk om onder ogen te zien, de Jodenvervolging bij. Want die begon al eind 1940 en kon de indruk wekken dat de Duitse agressie zich op de Joodse bevolking zou concentreren en dat je als niet-Joodse Nederlander buiten schot zou kunnen blijven. Hoewel er zeker Nederlanders waren die de Joodse landgenoten te hulp schoten, dringt de vervelende gedachte zich op dat de Jodenvervolging bij de anderen juist hun onveiligheidsgevoelens verminderden. En daarmee ook de bereidheid om in verzet te komen. Hoe meer de agressie van de overheerser zich op een bepaald bevolkingsdeel concentreert, hoe meer de rest van de bevolking hoop heeft op een voor hen gunstige afloop.

Nogmaals, pijnlijk om onder ogen te zien. Maar het is wel een voor de hand liggende gedachte. Waarvan ik me trouwens niet kan herinneren hem eerder te zijn tegengekomen. Misschien dat daardoor de verwerking van deze "zwarte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis" (Rob Bakker, p. 696) zo traag is verlopen en verloopt.

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 14 -

Daarmee is het decor geschilderd waartegen je de reactie van verreweg de meeste Nederlanders op de Duitse maatregelen tegen hun Joodse landgenoten kunt verklaren, Zo'n (poging tot) verklaring is van groot belang, maar hoeft natuurlijk geenszins in te houden dat je die reactie ook zou kunnen billijken. 

Mensen kunnen op een bedreiging ook reageren met een vecht- of een vluchtreactie. Maar na de Duitse inval overheerste de immobilisatie- of terugtrekkingsreactie. In extreme gevallen kan die gepaard gaan met een verminderd bewustzijn. Hoe vaak dat gebeurde weten we natuurlijk niet. In de meeste gevallen zullen mensen echter de behoefte hebben gehad om hun passiviteit en lijdzaamheid te rechtvaardigen. 

Daarbij zal een grote rol gespeeld hebben wat mensen anderen zagen doen. Doordat er slechts een kleine minderheid van naar schatting zo'n vijf procent actief werd in het verzet, waren ook maar weinigen daarvan goed op de hoogte. De neiging tot terugtrekking moet dus versterkt zijn door de indruk dat die reactie algemeen was. 

En, zoals gezegd, door de die boodschap van hogerhand. Er was geen enkele oproep tot verzet, sterker, wat er over was van het nationale bestuur, het College van Secretarissen-generaals van de ministeries, verklaarde zich publiekelijk bereid tot loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden

Achteraf gezien kun je zeggen dat daarmee het lot van de Joodse landgenoten al was bezegeld. 

Over het lot van Joden in Duitsland moet onder de Nederlandse bevolking al veel bekend zijn geweest, Al in 1935 waren daar de Neurenberger Rassenwetten uitgevaardigd, die de Joden grotendeels rechteloos maakten. Er waren al de vele gewelddadige acties tegen Joden en hun bezittingen geweest, culminerend in het Schicksalsjahr 1938 (Hoofdstuk 8 in Michael Wildt, Volksgemeinschaft als Selbstermächtigung. Gewalt gegen Juden in der deutschen Provinz, 1919 - 1939). En er waren al zo'n 30.000 Joodse vluchtelingen geweest die zich aan de grens hadden gemeld.

Aanvankelijk kon nog gehoopt worden dat het in Nederland zo'n vaart niet zou lopen. De Bezetter had de Oostenrijkse jurist Friedrich Wimmer aangesteld als toezichthouder op het Nederlandse binnenlands bestuur. Die moet bij de aanvang van de bezetting tegenover de Secretarissen-generaal verklaard hebben dat "er geen Joods vraagstuk voor de Duitse bezetter in dit land bestond". Maar al snel veranderde dat omdat "de omstandigheden waren veranderd" (Rob Bakker, p. 139). 

Hoe dan ook, Rob Bakker vertelt (p. 135-137) hoe al voor de eerste anti-Joodse maatregelen er Nederlanders waren die daarop vooruit liepen, die bereid waren "te werken in de geest van de Führer":

Nog voor enige officiële Duitse verordening werd geïntroduceerd kregen Joodse medewerkers van de Luchtbeschermingsdienst al te horen "dat ze niet meer hoefden te komen", In Eindhoven werd deze maatregel al van kracht op 14 mei 1940, dus zelfs nog vóór de capitulatie. De publieke omroep AVRO ontsloeg in mei 1940 alle Joodse medewerkers. (...)

Een commissie van Justitie die in juli 1940 nieuwe politie-officieren selecteerde, hield ongevraagd als richtlijn aan dat Joden voor dergelijke benoemingen niet meer in aanmerking kwamen. Dat was voordat de Duitsers het politieapparaat omvormden naar hun wensen. (...)

Een eerste café met anti-Joodse plakkaten in Den Haag stuitte nog op een veto van burgemeester en wethouders, maar na een paar maanden, te beginnen in Amsterdam, hing het overal in het land al snel vol met bordjes "Joden niet gewenst".

Dat het na de Duitse inval en de capitulatie enige tijd duurde voor er georganiseerd verzet ontstond, valt natuurlijk goed te begrijpen. Maar dat er al vrijwel meteen door sommigen op anti-Joodse maatregelen werd vooruitgelopen, dat gaat zelfs verder dan lijdzaamheid. 

En dat beloofde natuurlijk niet veel goeds.

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 15 - 

Hoe moet dat voor Nederlanders geweest zijn, nadat in mei 1940 de Duitsers ons land binnenvielen, de binnenstad van Rotterdam bombardeerden en na de snelle capitulatie van het Nederlandse leger het land bezetten en het bestuur overnamen? Nadat het koningshuis en de regering naar Engeland waren gevlucht? En nadat wat er over was van het nationale bestuur, het College van Secretarissen-generaals van de ministeries, zich publiekelijk bereid had verklaard tot loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden?

Als je land gewelddadig bezet wordt door een vreemde mogendheid, waar een dictator het volk ophitst tegen de Joden en andere "vijanden van het volk", dan kun je dat wel een traumatische ervaring noemen. Daar kun je verschillend op reageren, maar het lijkt aannemelijk dat de reactie van het je terugtrekken, van de immobilisatie, werd versterkt door de boodschap die van hogerhand werd verspreid. Want die boodschap was moeilijk anders uit te leggen dan als een oproep om je bij de nieuwe stand van zaken neer te leggen. Hoewel bekend was of kon zijn dat de bezetter kwaadaardige bedoelingen had, waarom anders de vlucht van koningshuis en regering?, werd opgeroepen tot berusting, ja, zelfs samenwerking.

Daarmee was er dus een decor opgetrokken waartegen je de reacties van de Nederlanders moet begrijpen. Dus ook de reacties op de anti-Joodse maatregelen die al spoedig volgden.

Toevallig ben ik aan het lezen in Etty Hillesum, Het verhaal van haar leven van Judith Koelemeijer. (Met dank aan Colette de Groot van MHOOM, die mij het boek uitleende.) 

Etty Hillesum (Middelburg, 1914 - Auschwitz, ca. 30 november 1943) begon in Amsterdam op 9 maart 1941 met het schrijven van een dagboek, waarvan een groot deel in 1981 werd uitgegeven (Het verstoorde leven). 

Judith Koelemeijer vertelt (p.49-51) dat Etty zich op 19 maart van dat jaar liet registreren als "van joodschen bloede" omdat de bezetter zulks had verordend. De vervolging en de moord op de Nederlandse Joden begon met deze maatregel. Die onschuldig oogde, of beter die kennelijk  als onbeduidend werd opgevat:

Op 19 maart ging ze naar een lager school bij haar in de buurt om zich te melden. Ze zag er geen kwaad in en leek weinig doordrongen van wat de aanmelding voor haar persoonlijk kon betekenen. (...)

'Zojuist even aangifte gedaan van m'n uitverkoren bloedsomloop,' noteerde Etty na de registratie in haar dagboek. 'Dat Hollandse volk is me zeer dierbaar.' (...)

De Nederlandse klerken achter de tafel in het klaslokaal behandelden de 'merkwaardige zaak' met een 'zeldzame gedistingeerdheid, begrip en zeer beschaafde humor.' Geen medelijden, maar 'bijzondere zachtheid en menselijkheid ging er van die paar mensen met hun kantoorgezichten uit.' Alsof ze de spreekkamer van een dokter binnenkwam; er klonk geen luid woord en alles ging even geruisloos en plezierig. Wat haar vooral trof, was de 'affectloosheid waarmee die paar Hollanders tegenover dat stukje Jodendom stonden.' (...)

Op 1 oktober 1941 werd een overzicht van alle aanmeldingen gemaakt door de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters. Vrijwel alle Nederlandse Joden hadden zich keurig laten registreren. (...)

Er werd erg hard gewerkt door de betreffende ambtenaren om de registratie voor de beoogde datum rond te krijgen.

En toevallig las ik eergisteren in het interview dat Marjon Bolwijn in de Volkskrant had met de 100-jarige Dicky Baars:

'In 1940 haalde ik mijn HBS-diploma. De oorlog was uitgebroken, in die tijd was het niet makkelijk om aan werk te komen. (...) Ik besloot een opleiding steno en typen te volgen. In december van datzelfde jaar ontsloeg de Rijksverzekeringsbank alle Joodse ambtenaren en kon ik als ponstypiste de plaats innemen van een Joods meisje. Haar naam zal ik nooit vergeten: Doortje Liehman,'

Hoe vond u het om haar plaats in te nemen?

'Heel belastend. Pas anderhalf jaar nadat ik haar baan had overgenomen, begon mij te dagen wat er met Joden gebeurde.'

Twee indringende inkijkjes in het Nederland van 1940. Er was in het geheel geen sprake van dat Nederlandse ambtenaren weigerden om aan die registratie van hun Joodse landgenoten mee te werken. En er was in het geheel geen sprake van dat de Rijksverzekeringsbank of andere instellingen weigerden om hun Joodse medewerkers te ontslaan. Gebeurtenissen die naadloos opgingen in dat decor van loyalster Zusammenarbeit mit den deutschen Besätzungsbehörden.

Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 16 -

Er ontstonden na de inval door de Duitsers in 1940 natuurlijk, zacht gezegd, problemen met de rechtsstatelijkheid van het overheidshandelen. Maar voor ik daar op inga, is het interessant om een uitstapje te maken naar het heden en naar de huidige problemen met rechtstatelijkheid. Destijds kwamen de bedreigingen van buiten ons land binnen, en hadden Nederlanders zich daartoe te verhouden, nu zijn ze intern ontstaan. En hebben we opnieuw onder ogen te zien hoe Nederlanders zich daartoe te verhouden.

In de Nederlandse politiek bestaan er nu, in 2024, zorgen over de rechtsstatelijkheid. Die waren er al wat langer, maar sinds de PVV, de eenmanspartij van Geert Wilders, bij de verkiezingen van 22 november vorig jaar de grootste partij is geworden, zijn die zorgen acuut. Drie partijen, de VVD, het NSC en de BBB hebben zich bereid verklaard met de PVV een informatieronde aan te gaan over de vorming van een nieuwe regering.

Een aangekondigd onderdeel van die informatieronde is een gesprek over de rechtsstatelijke voorwaarden. Geert Wilders heeft laten weten bereid te zijn om delen van zijn verkiezingsprogramma die in strijd zijn met de Grondwet "in de ijskast te zetten". Inmiddels lijkt het dat de vier partijen al inhoudelijk onderhandelen en is het onduidelijk wat dat gesprek over rechtsstatelijkheid heeft opgeleverd. Hoewel volgens het laatste nieuws de spanningen tussen de partijen hoog oplopen en de uitkomst onzeker is.

Op de website Nederland Rechtsstaat. Over Grondwet en rechtsstaat wordt een en ander als problematisch beschouwd:

Problematisch, omdat partij(leider) Wilders zegt zijn antirechtsstatelijke plannen slechts te ‘parkeren’, waarmee hij er geen inhoudelijk afstand van neemt en hen desgewenst op elk geschikt moment verder kan brengen. Daarnaast zijn de toezeggingen ongeloofwaardig, want slechts gedaan in het reële vooruitzicht van regeringsdeelname en mogelijk zelfs het premierschap, dat volgens Wilders nu eenmaal –  op zich zelf waar – ‘een andere rolinvulling’ verlangt dan die van een oppositieleider. Bovenal staat Wilders’ tijdelijke ‘inkeer’ haaks op zijn huidige verkiezingsprogramma en zijn twintigjarige antirechtsstatelijke agenda. Deze agenda blijkt uit onder andere uit zijn film Fitna,  uitlatingen waarvoor hij zelfs strafrechtelijk is veroordeeld, alle eerdere verkiezingsprogramma’s en het parlementaire handwerk van moties en zelfs initiatiefwetsvoorstellen.

Geert Wilders heeft inmiddels laten weten drie van zulke initiatiefwetsvoorstellen in te trekken. Het gaat om voorstellen voor een verbod op islamitische uitingen (zoals moskeebezoek, bezit van een koran), een verbod op meervoudige nationaliteiten bij ambtsdragers en het ontnemen van het kiesrecht bij mensen met een dubbel paspoort en een voorstel voor "administratieve detentie". Die voorstellen dateren al van 2018, maar hebben tot nu toe weinig aandacht getrokken. 

Het is een gunstige bijkomstigheid dat ze die aandacht nu wel krijgen. Want ze laten open en bloot zien wat dat narcistische rechts-extremisme inhoudt: het ontnemen van rechten aan een bevolkingsgroep en het buiten werking stellen van de onafhankelijke rechtspraak. Narcisten zien altijd vijanden, die om te beginnen rechteloos moeten worden gemaakt, en en ze verdragen het niet dat hun handelen door een onafhankelijke rechter beoordeeld zou kunnen worden.

Hoe geloofwaardig het intrekken van die voorstellen is, zou iedereen zich behoren af te vragen:

De decennialange systematisch opgebouwde anti-islamagenda en concrete stappen ter realisering daarvan duiden op een structurele wens tot invoering van een parallelle samenleving en een parallel rechtssysteem. Daarmee komt strijdigheid met de openbare orde in het vizier. De vrijheid van politieke partijen gaat erg ver, maar kent zijn grenzen, zo heeft ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herhaaldelijk benadrukt. 

Wat Wilders drijft is zonder meer een obsessie met de islam en een obsessie is niet iets wat je even kunt uitgummen. En kunt inruilen voor "andere prioriteiten". Want "De islam zal nooit uit ons DNA gaan..".

Er wordt dus nu onderhandeld over de vorming van een regering met een partij die antirechtsstatelijke opvattingen in zijn DNA heeft, maar die nu even geen prioriteit geeft.

Het is zacht gezegd problematisch.

Ook al doordat we dit probleem na de Tweede Wereldoorlog niet eerder hebben meegemaakt. Het brengt de gedachten terug naar wat er gebeurde nadat de Duitsers, dat wil zeggen het nazibewind van Adolf Hitler, die meteen nadat hij aan de macht kwam de democratische rechtsstaat afschafte, ons land waren binnengevallen. Terwijl nu de rechtsstaat van binnenuit wordt bedreigd, was dat toen het geval door een bezetter van buitenaf. 

Over hoe dat concreet in zijn werk ging, kunnen we weer te rade gaan bij Rob Bakkers Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie. Nadat de Nederlandse regering en het koningshuis het land waren ontvlucht, ontbonden de Bezetters de democratie, dat wil zeggen, de volksvertegenwoordiging. Maar in feite waren de rest van het Nederlandse bestuur, de bestaande wetten en de rechtspraak nog intact. Of beter, was de status ervan vooralsnog onduidelijk. Er was nog de Grondwet, er was de Hoge Raad, er waren rechters, er was de politiemacht, maar wat hield dat alles nog in?

Hoewel er al eerder incidentele aanwijzingen waren welke kant het zou opgaan, werd het eind augustus 1940 duidelijk wat het Duitse bewind voor de rechtsstatelijkheid inhield. Toen liet Wimmer, de Duitse toezichthouder op het Nederlandse bestuur, aan de Secretarissen-generaal van de ministeries weten dat ze geen Joden meer in overheidsdienst mochten aannemen en dat ze de Joden die al in overheidsdienst waren, niet meer mochten bevorderen. 

Daar werd intern eerst nog als bezwaar besproken dat er geen eenduidige definitie bestond van het begrip Joods. Rob Bakker (p. 141-142):

Totdat de secretarissen-generaal enkele dagen later ontdekten dat dit onderscheid ten aanzien van overheidsfuncties tegen artikel 5 van de Grondwet indruiste: ('Iedere Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar.'). De notulen verluidden dat het volgens de Grondwet 'onmogelijk was om mee te werken, art. 176 liet daarover geen twijfel bestaan'.

Opvallend dat men een paar dagen nodig had om dit te ontdekken. Maar eveneens opvallend dat nog van de geldigheid van de Grondwet werd uitgegaan.

Wat te doen? De poot stijf houden en ronduit weigeren om de maatregel uit te voeren?

Nee, dat was niet waartoe werd besloten. Er ging een brief naar Wimmer waarin op de grondwettelijke bezwaren werd gewezen. Maar vergezeld van een advies over hoe die bezwaren zouden kunnen worden omzeild! Als de Reichskommisar (Seiss-Inquart) een verordening uitvaardigde, dan zou er geen probleem zijn.

Dat was voor Wimmer geen bezwaar en hij verordende op 6 september dat er voorlopig geen benoemingen werden gedaan. Dus geen Joodse benoemingen. Met die strekking ging het College van SG akkoord. Een week later kwam Seyss-Inquart met een eigen verdergaande verordening inhoudende dat aanstelling en nu ook ontslag konden worden geregeld 'in afwijking van het geldende recht'. Artikel 5 van de Grondwet was nu officieel opgeheven. Het departement van Binnenlandse Zaken stuurde op 30 september 1940 een brief naar het gehele overheidsapparaat met de melding van het verbod om Joden te benoemen of te bevorderen in een overheidsfunctie. Het bericht werd verzonden als Duitse verordening nr. 108/1940, als 'maatregel op administratief-rechtelijk gebied.'

Zo werd stapsgewijs het decor van loyale samenwerking met de Bezetter verder opgetrokken. Het Nederlandse ambtenarenapparaat lag niet dwars, maar ging meehelpen bij de uitvoering van de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter. Wat volgens de Grondwet voor onmogelijk werd gehouden, werd een 'maatregel op administratief-rechtelijk gebied'.

In het volgende bericht meer over de afbraak van de rechtsstatelijkheid, meer in het bijzonder over de rol van het hoogste Nederlandse rechtscollege, de Hoge Raad. Die afbraak kwam weliswaar van buiten, maar er werd van binnenuit niet moeilijk over gedaan of zelfs aan meegewerkt. 

Wat precies de voorwaarden zijn waaronder zo'n proces van inschikkelijkheid en zelfs collaboratie zich kan gaan afspelen, dat blijft een indringend sociaalwetenschappelijke vraagstuk. En dus een actueel vraagstuk.

Gewenning aan het kwaad - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 17 -

Waardoor was er na de Duitse inval in mei 1940 en gedurende de vijf jaren van bezetting, onderdrukking en Jodenvervolging zo weinig verzet onder de Nederlandse bevolking? Naar schatting nam niet meer dan vijf procent van de bevolking actief deel aan het verzet.

Zoals gezegd, een belangrijke rol moet hebben gespeeld dat na de inval het koningshuis en de ministers naar Engeland vluchtten en dat de boodschap van wat er van het Nederlandse bestuur resteerde er vooral uit bestond dat met de bezetter zoveel mogelijk zou worden samengewerkt. In plaats van op te roepen tot verzet was er integendeel de oproep om zich bij de nieuwe situatie neer te leggen. Er was toch niets aan te doen, de Duitse overmacht was immers overweldigend, en het was zaak om erger te voorkomen. 

Sociaalwetenschappelijk gezien werd daarmee de terugtrekkingsreactie (de "immobilisatie") op de ontstane toestand van ervaren sociale onveiligheid gelegitimeerd. En werd de vechtreactie ontmoedigd. 

Dat moet er ook mede een oorzaak van zijn geweest dat de Nederlandse bevolking zo lankmoedig reageerde op de Jodenvervolging die al aan het eind van 1940 op gang kwam. Waardoor in ons land een groter deel van de Joodse bevolking kon worden afgevoerd en vermoord dan in enig ander door de Duitsers bezet land. Over die rol van bestuur en ambtenaren in volgende berichten meer. 

Daarnaast moet ook een rol hebben gespeeld dat die Jodenvervolging zich in kleine stapjes voltrok. Van verplichte registratie naar ariërverklaring naar ontslag uit overheidsdienst naar het persoonsbewijs naar de borden "Voor Joden verboden" naar verwijdering van Joodse kinderen van openbare en bijzondere scholen naar de invoering van de Jodenster naar het reisverbod naar de gettovorming naar de razzia's en naar de transporten naar Westerbork en naar de concentratiekampen. (Enkele tussenstapjes ontbreken nog.)

Door die Duitse strategie van cumulerende kleine stapjes kon een proces van gewenning aan het kwaad in werking worden gezet. Bij de Nederlandse bevolking, bij de Nederlandse uitvoerders van de Duitse maatregelen (de boekhouders van de Holocaust, de politieleiding en -agenten en de NS-directie en -werknemers die de transporten verzorgden) en waarschijnlijk ook voor een deel bij de Duitse uitvoerders zelf. Want niet iedere Duitser was een kwaadaardige antisemiet.

Over dat proces van gewenning aan het kwaad schreven Tali Sharot en Cass Sunstein vorige week in de New York Times het essay Why People Fail to Notice Horrors Around Them. Als het kwaad in kleine porties tot je komt, dan kan het zijn dat je gaandeweg wandaden laat passeren waar je met grote morele verontwaardiging op had gereageerd als die aan het begin hadden gestaan. 

Dat kan ook het geval zijn als dat kwaad in jezelf huist. Sharot en Sunstein halen de onderzoeken van Stanley Milgram uit het begin van de jaren zestig terug in de herinnering. Daaruit bleek dat gewone mensen ertoe gebracht kunnen worden om aan iemand elektrische shocks toe te dienen als een  onderzoeker, met het gezag van de wetenschap, hen daarom vraagt. Het ging Milgram erom te onderzoeken hoe gehoorzaam mensen kunnen zijn. 

Maar zijn resultaten laten ook zien hoe mensen door gewenning tot kwaadaardig gedrag gebracht kunnen worden. Want als je er eenmaal in toestemde om die schokken toe te brengen, dan begon het met heel lichte schokken, die langzaam werden opgevoerd. De proefpersonen kregen dus te tijd om er aan te wennen dat ze iemand pijn toebrachten, waardoor sommigen zo ver doorgingen dat de schokken levensbedreigend werden. ((In werkelijkheid was er niet een ontvanger van die schokken, maar dat wisten de proefpersonen niet.) De veronderstelling is dat de proefpersonen die doorgingen tot die levensbedreigende schokken, er nooit in hadden toegestemd als hen aan het begin was gevraagd om zo'n zware schok toe te brengen. 

Als dat zo is, dan moet er een gewenning aan de eigen kwaadaardigheid hebben plaatsgevonden. Kwaadaardigheid in de zin van moreel afkeurenswaardig, want de kern van onze moraal bestaat er immers uit dat je anderen geen leed toebrengt.

Dat gewenningsproces werd onderzocht in de studie The brain adapts to dishonesty, met Tali Sharot als een van de onderzoekers. In dat onderzoek ging het om zelfzuchtig oneerlijk gedrag waar iemand anders nadeel van ondervindt. De onderzoekers konden met hersenonderzoek laten zien dat de amygdala (de amandelkern), die reageert op onveiligheid, afnemend geactiveerd werd bij herhaling van het oneerlijke gedrag. Oneerlijk gedrag creëert onveiligheid omdat anderen er weet van kunnen krijgen en er dan afkeurend op zullen reageren. 

Als je dus eenmaal begint je immoreel te gedragen en je komt er mee weg, dan neemt de stress die daarvan het gevolg is, gaandeweg af. Doordat gaandeweg blijkt dat het veilig is om te doen. 

Mensen zijn morele wezens, maar dat houdt niet in dat we allemaal bestand zijn tegen de gevaren van de gewenning aan het eigen immorele gedrag. Dat proces moet haast wel ook een rol gespeeld hebben in de passieve houding van verreweg de meeste Nederlanders tegenover de Jodenvervolging gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945. Als je een keer de eerste "kleine" stapjes (de registratie, de ariër-verklaring, de ontslagen) zonder protest hebt laten gebeuren, dan neemt de kans dat je daarna nog in verzet komt, sterk af. 

Je amygdala reageert niet meer. Je kunt het kwaad voor jou veilig laten gebeuren.

Dat onderbouwt ook het pijnlijke vermoeden dat het aan het relatieve gevoel van veiligheid van de Nederlandse bevolking bijdroeg dat de Duitse agressie zich concentreerde op de Joodse landgenoten.

Is er naast de gewenning aan ook de onderschatting van het kwaad? - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 18 -

Hoe verder je vordert in Judith Koelemeijers biografie Etty Hillesum, Het verhaal van haar leven, hoe moeilijker het wordt om door te lezen. Want je weet hoe dat leven afloopt en je huivert alleen al bij de gedachte daaraan, laat staan bij de beschrijving ervan.

Etty was op 6 juni 1943 opnieuw in Westerbork aangekomen. (Ik realiseer me dat ik drie dagen eerder werd geboren, in het Friese Akkrum, op 56 kilometer afstand van Westerbork. Het voelt alsof dat de  gebeurtenissen dichterbij brengt. Het was noch naar ruimte noch naar tijd ver weg.) Etty was Joodse Raad-medewerkster en had een paar maanden "met verlof" thuis in Amsterdam doorgebracht. Op dinsdagochtend 8 juni was ze er getuige van dat een "transport" van 1350 vrouwen, 613 mannen en 1051 kinderen, dat een paar uur eerder uit kamp Vught was aangekomen, verder werd gedeporteerd (p. 399-400):

Etty had een rustig plekje gevonden in een uithoek van het kamp om te schrijven. Ze zat in de zon, onder een prachtig blauwe hemel, tussen wat laag struikgewas. De trein was volgeladen, de deuren gingen dicht. Ze klom op een kist om het aantal wagons te tellen en kwam tot 35, maar ze vergiste zich. In werkelijkheid waren het er liefst 46; het grootste transport van Joden uit Nederland. Uit de openingen in de wagons staken handen, "die zwaaiden, net als bij drenkelingen'. De bestemming was Sobibor in Oost-Polen - maar dat wisten ze nog niet.

"De locomotief geeft een vreselijke gil, het hele kamp houdt de adem in, er vertrekken weer 3000 Joden. (...) De lucht is vol vogels, de paarse lupinen staan daar zo vorstelijke en vredig, op die kist zijn twee oude, keuvelende vrouwtjes gaan zitten, de zon schijnt op m'n gezicht en vlak voor onze ogen geschiedt een massamoord, het is zo onbegrijpelijk alles."

---

Massamoord, schreef Etty. Alsof ze wist dat niemand van de gedeporteerden het vernietigingskamp Sobibor zou overleven. Maar zo duidelijk was het voor Etty niet, óók niet in de zomer van 1943. Ze begreep wel dat de zwakkeren - zieke kinderen, bejaarden - weinig kans maakten de dagenlange treinreis of de ongetwijfeld barre omstandigheden in het 'werkkamp' te overleven."Verschillende baby's met longontsteking liggen daar in de goederenwagens," noteerde ze ontzet. Maar dat er in het oosten werkelijk een massamoord plaatsvond, een industriële vernietiging van mensenlevens, daarvan had ze geen idee. 

De bange vermoedens die er natuurlijk waren, moeten zijn verdrongen. Etty heeft het over een "werkkamp" waar ze terecht zullen komen. Met ontberingen, maar misschien toch een kans om te overleven. 

"Reeds honderdduizend van onze rasgenoten uit Holland zwoegen onder een onbekende hemel of liggen te rotten in een onbekende aarde. Wij weten niets over hun lot."

Dat laatste zinnetje werd de titel van het in 2012 verschenen 'Wij weten niets van hun lot'. Gewone Nederlanders en de Holocaust van Bart van der Boom. In 2022 is het heruitgegeven, maar ik heb een paar dagen geleden de uitgave uit 2012 via boekwinkeltjes.nl aangeschaft. 

Bart van der Boom probeert daarin aan de hand van bestudering van 164 dagboeken uit de tijd van de bezetting de vraag te beantwoorden wat de Nederlanders wisten van de Holocaust, dus van die industriële massamoord op de Joden (en de Sinti en de Roma). Ik heb het in die paar dagen natuurlijk nog niet helemaal kunnen lezen (het telt ruim 500 pagina's). Maar in de laatste twee alinea's van hoofdstuk 11 (Kennis; gewusst?) geeft Van der Boom zelf deze samenvattende conclusie:

De gewone Nederlander wist niets over het lot van de Joden. Maar hij vermoedde, veronderstelde, vreesde wel iets. Hij bezat geen zekerheid, maar wel een verwachting. En die verwachting viel binnen een duidelijke bandbreedte. Aan de en kant werd die begrensd door de werkelijkheid van Auschwitz en Sobibor. Die was voor de tijdgenoot onvoorstelbaar. De meeste mensen overwogen de mogelijkheid van onmiddellijke, industriële moord niet eens; ze verwachtten, zo is wel gezegd, het ergste - niet het ondenkbare.

Maar dat betekent niet dat de gewone Nederlander de leugens van reguliere arbeidsinzet geloofde; die leugen vormde de andere grens van de bandbreedte. Niemand zag de deportatie van de Joden als een onschuldige operatie. Dat zij slecht behandeld zouden worden, dat er op termijn veel doden zouden vallen, was vanzelfsprekend. De vraag was hóé slecht, hoevéél doden en op wélke termijn. Dat was allemaal hoogst onzeker.

Wat hier ongetwijfeld een cruciale rol heeft gespeeld, is die van de onvoorstelbaarheid. Dat is ook de titel van een paragraaf van dat hoofdstuk (p, 383-383). Gevolgd door een paragraaf met Verdringing als titel. Die twee begrippen grijpen in elkaar. 

Die onvoorstelbaarheid komt voort uit de innerlijk tegenstrijdige menselijke sociale natuur. Als het gemeenschapspatroon actief is, dan kunnen we ons de uitwassen van het statuscompetitiepatroon (het kwaad) niet dan met grote moeite of zelfs helemaal niet en al helemaal niet levendig voor de geest halen. Het is onvoorstelbaar. Het is hoogstens een besef van een abstracte mogelijkheid, waar we inderdaad met verdringing op reageren. 

Dat betekent dat er naast de gewenning aan het kwaad, als het met kleine stapjes tot ons komt, ook altijd een proces is van de onderschatting van het kwaad. 

Want als de uitwassen van het statuscompetitiepatroon sterk gedoseerd onder onze aandacht worden gebracht, dan kan dat ertoe leiden dat ons eigen statuscompetitiepatroon beetje bij beetje wordt geactiveerd. Het kwaad wordt "genormaliseerd". We leggen ons erbij neer en proberen er onder de gegeven omstandigheden voor onszelf het beste van te maken. 

Beide processen, de gewenning aan en de onderschatting van het kwaad zullen een rol hebben gespeeld in hoe Nederlanders reageerden op de Duitse bezetting en de Jodenvervolging.

Waar ligt het moment dat het kwaad moet worden tegemoetgetreden? - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 19 -

De opening van het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam doet ons terugdenken aan het verleden, aan de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland, maar is evenzeer een oproep om de actualiteit van het huidige rechts-extremisme onder ogen te zien. Zoals je op de website van het museum kunt lezen:

Hier komen bezoekers te weten hoe de Holocaust heeft kunnen gebeuren, wie de slachtoffers en verantwoordelijken waren en hoe we kunnen voorkomen dat dit opnieuw gebeurt. (...)

In het Nationaal Holocaustmuseum herdenk je de slachtoffers en bespreek je de gevolgen van onverschilligheid en discriminatie, toen en nu.

Een antwoord op de vraag hoe het kon dat Nederlanders het lieten gebeuren dat driekwart van hun Joodse landgenoten werden afgevoerd en vermoord, is niet alleen van historisch, maar ook van groot actueel belang. En het is een bijzonder geval van de fundamentele sociaalwetenschappelijke vraag naar de voorwaarden waaronder de extreme uitingsvormen van het statuscompetitiepatroon, het kwaad, in een samenleving ruim baan krijgen.

Wat die laatste vraag betreft, zagen we al hoe het natuurlijke tegenwicht tegen het kwaad van dat statuscompetitiepatroon, het gemeenschapspatroon, kan falen als het kwaad in kleine stapjes wordt toegediend. Er kan dan namelijk een switch plaatsvinden naar de activering van het statuscompetitiepatroon. Want hoe meer mensen dat patroon in hun omgeving waarnemen, hoe groter de kans dat ook hun eigen gedrag erdoor geleid gaat worden. Geheel volgens Stelling 2 van de Dual Mode-theorie. 

Het beeld van een onveilige wereld wordt dan overgenomen. Waardoor je ook gaat geloven dat er vijanden zijn (de Joden, de vreemdelingen, de linkse intellectuelen) die moeten worden bestreden. Of waardoor je in je schulp kruipt en probeert om het er door die "immobilisatie" nog zo goed mogelijk van af te brengen. In het eerste geval wordt je een meeloper of een collaborateur. En in het tweede geval maak je je kwetsbaar voor de beschuldiging van de onverschilligheid, van het wegkijken.

En we zagen dat mensen zich er zolang hun gemeenschapspatroon geactiveerd is, maar moeilijk het kwaad van dat statuscompetitiepatroon kunnen voorstellen. We kunnen aan ons beeld van een veilige wereld zo lang mogelijk willen vasthouden en daardoor het kwaad laten voortwoekeren tot het te laat is.

Er zijn dus verschillende wegen waarlangs het "gemeenschapsverzet" tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon niet tot stand komt. Terwijl dat verzet soms zo hoog nodig is.

Daarmee zijn we aangekomen bij het onderscheid dat Richard Wrangham in zijn The Goodness Paradox. The Strange Relationship Between Virtue and Violence in Human Evolution maakt tussen reactieve en proactieve agressie. 

Reactieve agressie is de agressie die voortkomt uit het geactiveerd zijn van het statuscompetitiepatroon. Je gaat er vanuit dat het in de wereld draait om ieder-voor-zich en dat je dus altijd op je hoede moet zijn en geen gelegenheid voorbij moet laten gaan om te laten zien hoe sterk en krachtig jij bent. Alles is al snel een aanleiding om je te laten gelden en anderen op hun nummer te zetten. Het is de vorm van agressie die je bij vrijwel alle dieren tegenkomt, omdat het statuscompetitiepatroon nu eenmaal zo wijd verbreid is. Wrangham noemt het the "hot" type of aggression. Hot in de zin van direct voortkomend uit de emoties van het onveilige wereldbeeld van het statuscompetitiepatroon. 

Daarentegen heeft zich in de menselijke evolutie ook het vermogen tot proactieve agressie ontwikkeld. En dan gaat het precies over dat gemeenschapsverzet tegen het kwaad van het statuscompetitiepatroon. Die proactieve agressie heeft het mogelijk gemaakt dat de mensheid zichzelf heeft "gedomesticeerd".  Dat wil zeggen, zich tot een soort heeft ontwikkeld die in grote mate staat is tot onderlinge goedaardigheid, dus tot gemeenschapsgedrag. 

Maar daarvoor was nodig dat mensen in dat verzet, dus het verzet tegen degenen die de baas willen spelen en willen onderdrukken en overheersen, en met dat oogmerk reactief agressief zijn, onderling samenwerkten. En precies dat is waar onze vroege voorouders, de jager-verzamelaars, toe in staat waren. Ze wisten door collectief optreden, voorafgegaan door onderling overleg, eerst zachtzinnig, zoals door overreding en sociale uitsluiting, maar zo nodig met "proactieve agressie", overheersingsgedrag te onderdrukken. Wrangham geeft daar fraaie beschrijvingen van, deels op basis van onderzoek door Christopher Boehm (Moral Origins. The Evolution of Virtue, Altruism, and Shame). Die proactieve agressie is "cold", planned and deliberate.

Dat het gemeenschapsverzet in die jager-verzamelaars samenlevingen vaak succesvol was, komt doordat het statuscompetitiegedrag meestal maar bij een enkel groepslid voorkwam, snel werd opgemerkt en er daardoor snel op kon worden gereageerd. Dat is een groot verschil met huidige samenlevingen, waarin immers statuscompetitiegedrag en de bijbehorende agressie zich gemakkelijk kan uitbreiden. Zoals wanneer een vijandelijk leger met kwaadaardige bedoelingen je land binnenvalt. Of zoals wanneer kwaadaardig rechts-extremisme zich weet uit te breiden. 

Wat bepaalt dan de kans dat gemeenschapsverzet zal ontstaan en succesvol is? In plaats van die switch naar het statuscompetitiepatroon of van dat in je schulp kruipen?

Het begint met verbale agressie - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 20 -

Het lijkt erop dat het gemeenschapsverzet tegen het kwaad van de onderdrukking en overheersing van het statuscompetitiepatroon tegen twee problemen aanloopt: 

  1. het probleem van de kleine stapjes. Als het kwaad zich stapsgewijs ontwikkelt, dan dreigt het gevaar dat we het te lang laten gebeuren, waardoor we in een latere fase uit ons eigen gedrag en dat van anderen gaan opmaken dat het aanvaardbaar of zelfs wenselijk is. We maken dan een switch van het gemeenschapspatroon naar het statuscompetitiepatroon. Dat houdt in dat we in het wereldbeeld van onveiligheid terechtkomen, waarop statuscompetitiegedrag het passende antwoord is.
  2. het probleem van de onderschatting. Als je gemeenschapspatroon geactiveerd is, dan is dat het resultaat van een sociaal proces, namelijk van het elkaar verschaffen van sociale veiligheid door middel van gemeenschapsgedrag. Gemeenschapsgedrag is ons dan vertrouwd, waardoor informatie over statuscompetitiegedrag moeilijk cognitief verwerkt wordt. En dat maakt dat de omvang van het kwaad dat uit de activering van het statuscompetitiepatroon voortkomt, moeilijk voorstelbaar is. De informatie dringt niet tot ons door. Dus onderschatting. Zie ook Why is it hard to believe that some people are evil?

Als die problemen inderdaad bestaan, dan zouden we daar iets aan moeten doen. 

Er is natuurlijk een oplossing die zich gemakkelijk opdringt: wees bedacht op die eerste kleine stapjes en onderschat die niet. Maar dat vereist inzicht in de aard van die eerste kleine stapjes.

Daar valt met enige reflectie wel iets over te zeggen. Want wat is het eerste signaal van statuscompetitiegedrag? Dat is natuurlijk de verbale agressie, het beledigen, intimideren, kleineren, bespotten, bedreigen, pesten.
 
 In het statuscompetitieve wereldbeeld zijn er vijanden, die als minderwaardig gezien worden en die moeten worden bestreden. Dat die vijanden bestaan is een bedreiging voor de eigen superioriteitsclaim en daar moet altijd als eerste stap met verbale agressie, met het naar beneden halen, op gereageerd worden. 
 
Die voortkomt uit een gemoedstoestand die vroeg of laat ook fysieke agressie, of oproepen tot fysieke agressie, teweegbrengt. Maar verbale agressie is de eerste uitingsvorm van de activering van het statuscompetitiepatroon. Zie ook Verbal Aggression: Understanding the Psychological Antecedents and Social Consequences

Dat is niet een onbekend inzicht. We kennen het als het inzicht dat de Holocaust begon met woorden. Niet pas met de borden 'Voor Joden verboden', maar al met de agressieve redevoeringen van Adolf Hitler tien jaar eerder. Die voortkwamen uit een gemoedstoestand en bij de toehoorders een gemoedstoestand teweegbrachten die de industriële massamoord op de Joden mogelijk maakten. 

Verbale agressie is altijd het eerste signaal. En de neiging tot verbale agressie kennen we van rechts-extremistische politici waar en wanneer dan ook. Van Geert Wilders. Van Donald Trump. De onschuld van "het zijn maar woorden" bestaat niet.

Het allereerste waarschuwingssignaal - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 21-

In de documentaire Werktuig van de nazi's komt journalist Hans Knoop aan het woord. Hij schreef een boek over het optreden van de Joodse Raad gedurende de Duitse bezetting van 1940-1945. 

Hij zegt daar een paar keer dat de Joodse Raad moest handelen "in een vacuüm". Daar bedoelt hij mee dat het Nederlandse bestuur en de Nederlandse ambtenaren de Jodenvervolging hebben laten gebeuren en er zelfs aan hebben meegewerkt. Tegen dat licht moet het optreden van de Joodse Raad worden beoordeeld. 

Er valt wat voor te zeggen dat Asscher en Cohen, de twee voormannen van de Raad, er weliswaar nog het beste van probeerden te maken, maar dat ze toch ook medeplichtig waren aan de deportatie van de Joden. Doordat ze in feite uitvoering gaven aan de anti-Joodse maatregelen die de Duitsers oplegden. 

Toch is hen dat na de oorlog niet nagedragen, dat wil zeggen niet in de zin dat ze voor een rechter werden gedaagd om verantwoording af te leggen. Hoe kon dat? Hans Knoop daarover (vanaf 38:42 in de documentaire):

Als Asscher en Cohen daadwerkelijk een strafproces zouden hebben gekregen waarin hen medeplichtigheid aan de moord op 106.000 Nederlandse Joden ten laste zou worden gelegd, dan zouden ze hun mond hebben opengetrokken. Dan zouden ze de rechters hebben verteld in welk vacuüm ze hebben moeten opereren. Hoe de rechterlijke macht heeft gecollaboreerd. Welke rechter kan een oordeel uitspreken over Asscher en Cohen? De Nederlandse rechters bleven in functie toen hun allerhoogste baas, de president van de Hoge Raad, heeft moeten aftreden. Er is er niet één geweest die solidair met mr. Visser was, de aftredende president van de Hoge Raad. Asscher en Cohen zouden een ontluisterend beeld van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben geschetst. Daar zat Nederland op dat moment niet op te wachten. 

Een ontluisterend beeld van Nederland. 

Net zo is het optreden van de Hoge Raad, Nederlands hoogste rechtscollege, gedurende de bezetting lang geen onderwerp geweest van kritische beoordeling. Uiteindelijk verscheen in 2011 De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog van Corjo Jansen. Mr. Visser was Joods en moest als president aftreden als onderdeel van de anti-Joodse maatregelen. De overige leden van de Hoge Raad legden zich daarbij zonder protest neer en bleven aan.

Het heeft lang geduurd voordat Nederland uiteindelijk wel onder ogen ging zien hoe ontluisterend dat beeld was. Rob Bakker in de Inleiding van zijn in 2020 verschenen Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie (p. 12-13):

In dit boek wordt duidelijk gemaakt dat in Nederland de collaboratie in de Jodenvervolging geen zaak was van individuele ambtenaren, maar dat het gehele Nederlandse overheidssysteem onder leiding van de secretarissen-generaal, de Joodse populatie stap voor stap opofferde aan het voortbestaan van zijn eigen bestuur. Dat werd gezien als een landsbelang, dat in een reeks van fatale ambtelijke beslissingen uitsteeg boven het belang van een minderheidsgroepering als de Joden.

Het systeem van de bureaucratie overleefde omdat het behoud van het bestuur de eerste prioriteit was van alle onderdelen en lagen van het systeem. De collectieve verantwoordelijkheid dekte iedere individuele verantwoordelijkheid af, maakte iedere ambtelijke beslissing in de anti-Joodse maatregelen juridisch deugdelijk in de naoorlogse beoordeling. Na de oorlog is er ook geen enkele ambtenaar in functie veroordeeld vanwege medewerking aan de Jodenvervolging.De Nederlandse overheid bood als laatste West-Europese land in 2020 haar excuses aan voor haar rol in de Jodenvervolging.

Toen de naoorlogse discussies over die individuele en collectieve verantwoordelijkheid uiteindelijk op gang kwamen, heeft daarin een rol gespeeld in hoeverre mensen (de leden van de Joodse Raad, de Nederlandse rechters en ambtenaren, de Nederlandse bevolking) er wel van op de hoogte waren dat de afgevoerde Joden industrieel werden vermoord. Daarover schreef Bart van der Boom 'Wij weten niets van hun lot'. Gewone Nederlanders en de Holocaust (2012). Dezelfde discussie speelde speelde natuurlijk ook in Duitsland (Peter Longerich, "Davon haben wir nichts gewusst!" Die Deutschen und die Judenverfolgung 1933 - 1945). Zie voor meer daarover ook "Davon haben wir nichts gewusst"- Over geweld en propaganda.

Maar de vraag of men van dat lot wel of niet op de hoogte was, gaat er geheel aan voorbij dat die verantwoordelijkheid natuurlijk al veel eerder begon dan het moment dat de Joden werden opgepakt en afgevoerd. Die was al begonnen met de ambtelijke registratie van de Joden. En met de eis van ondertekening van de ariërverklaring.

Dat waren al maatregelen die met zelfs een minimum van moreel besef nooit hadden moeten worden geaccepteerd. Laat staan dat er aan de uitvoering ervan werd meegewerkt. Maatregelen die overduidelijk  al in strijd waren met de morele gemeenschapsintuïties van iedereen-telt-mee. Die onmogelijk als "onschuldig" konden worden beschouwd.

Dat dat laatste toch gebeurde, blijft een uiterst ongemakkelijke en verontrustende constatering. Verontrustend, omdat zoiets dus weer kan gebeuren.

In dat licht is het zo belangrijk om onder ogen te zien dat het kwaad van de Holocaust, en het kwaad in zijn algemeenheid, altijd al, nog voorafgaand aan de eerste maatregelen, begint met de verbale agressie. Het allereerste waarschuwingssignaal is de verbale agressie. 

Dat zou een wijdverbreid inzicht moeten zijn

Een uiterst belangrijke vraag - Een sociaalwetenschappelijk zicht op hoe Nederlanders reageerden op de Duitse Bezetting - 22 -

In Hoofdstuk 5 van Rob Bakkers Boekhouders van de Holocaust (2020) gaat het over de ariërverklaring. De Duitsers wilden registratie van alle Joodse ambtenaren en om dat te bereiken eisten ze van alle ambtenaren een verklaring dat zij "ariër" dan wel "geheel of gedeeltelijk" Joods waren. Anders gezegd, er moest onderscheid gemaakt worden, er moest worden gediscrimineerd. 

De Duitse eis kwam in de eerste week van september 1940 binnen bij het College van Secretarissen-Generaal (SG) in de vorm van een brief waarin om een opgave werd gevraagd van alle ambtenaren die geheel of gedeeltelijk Joods waren. Rob Bakker (p. 143-145):

Waarom deze opgave werd gevraagd, werd niet nader uitgelegd, maar het kon niet onbekend zijn dat in 1933 in nazi-Duitsland het Berufsbeamtengesetz werd ingevoerd, waardoor Joden werden uitgesloten van bepaalde beroepen. De notulen van het College van SG geven geen discussie over de rechtmatigheid van de eis van een niet-Joodverklaring.

Integendeel, er volgden "lange besprekingen (...) over de opstelling van het vragenformulier, dat bekend zou worden als de ariërverklaring".

Het ging niet om een letterlijke verklaring van ariërschap - waar ook geen definitie van werd gegeven - maar om een onmiskenbare niet-Joodverklaring met de tekst 'dat naar beste weten noch hijzelf, noch zijn echtgenote/verloofde, noch een zijner ouders of grootouders ooit heeft behoord tot de Joodse geloofsgemeenschap'.

De rechtmatigheid stond dus niet ter discussie. Het College van SG ging over tot uitvoering van de Duitse aanwijzingen. 

Vervolgens maakten de notulen, zonder enige reactie aan te geven, melding van een onheilspellende mededeling (van de Duitsers) aan secretaris-generaal Hirschfeld die zal worden opgedragen 'opgave te doen van al het vermogen in Joodse handen, alsmede alle hier te lande vertoevende Joden'.

Dat de Duitsers de registratie van Joden wilden was natuurlijk al onheilspellend genoeg. Dat ze ook nog de vermogens wilden weten, had dat dan niet een grens moeten zijn die niet diende te worden overgestoken?

Nee, hoor. 

Begin oktober werd de registratie van de Joodse ambtenaren gestart met een eerste alomvattende registratie van alle overheidsmedewerkers. Hier werden alle ambtenaren op alle niveaus voor het eerst aan den lijve geconfronteerd met een ambtelijke discriminatie van Joden - geen anonieme Joodse burgers, maar collega's. Uiterlijk 1 november 1940 moesten alle formulieren ingevuld en opgestuurd zijn naar het departement.

Naar het departement. De registratie van Joden en hun vermogens werd uitgevoerd door een Nederlandse instantie en door Nederlandse ambtenaren. 

Was daartegen geen verzet? Niet of nauwelijks. Rob Bakker noemt twee ambtenaren die weigerden mee te werken en ontslag namen. Een van de twee werd door de Duitsers, tot maart 1943, gegijzeld.

Hadden ze niet het werk kunnen weigeren? Hadden niet heel veel ambtenaren massaal het werk kunnen weigeren? 

Ja, natuurlijk, dat had gekund. Net zo als het College van SG had kunnen weigeren om uitvoering te geven aan de Duitse eis. Maar dat gebeurde niet. Hoe kan dat?

Een uiterst belangrijke vraag, die je wel tot de kern kunt rekenen van de sociaalwetenschappelijke bestudering van het menselijk gedrag. Die dus ook een actuele betekenis heeft.