donderdag 15 augustus 2013

Een Centrum voor Jeugd en Gezin dat werkt, kan dat? Over Evalien Verschuren en het CJG Beijum

Je hoort weinig meer over de Centra voor Jeugd en Gezin. De eerste werden geopend in 2008, maar het is onduidelijk of ze al in het hele land zijn "uitgerold", zoals zulks is gaan heten. Vorig jaar waren er berichten dat ze niet goed functioneren en dat sommige al weer werden gesloten. Zie mijn eerdere bericht daarover, waarin ik het CJG Beijum (Groningen) als voorbeeld noemde van hoe het zou moeten.

Voor het succes van dat CJG Beijum is allereerst Evalien Verschuren verantwoordelijk. Zij is de drijvende kracht en was dat al toen het nog het Ouder-en Kind Centrum heette. Over haar werk en haar ervaringen heeft ze nu het boekje Het CJG werkt! geschreven en het is heel leerzaam om dat te lezen. Ik kreeg het van haar toegestuurd, met als opdracht: "Beste Henk. Ik lees altijd met veel plezier je inspirerende blogs. Hoop dat je mijn boekje ook met plezier leest. Groet, Evalien".

Ik meld dat maar, om het verwijt dat ik heimelijk reclame maak te voorkomen. Ik kan dus wat bevooroordeeld zijn in positieve zin. (Maar ik heb, aan het eind, ook een bedenking.)

Wat leer je van Evalien?

Allereerst dat het mogelijk is om in een buurt vanuit het niets een trefpunt te creëren waar ouders elkaar ontmoeten. Evalien begon heel eenvoudig, met een koffietafel en een speelhoekje in de wachtkamer van het consultatiebureau. Een bloemetje op tafel. En ook omdat ze daar natuurlijk zelf aanwezig was, veranderde de sfeer, bleven ouders napraten en werd de wachtkamer al gauw te klein. Dus kwam er een huiskamer.

Maar ook trok Evalien de wijk in.
Ik liep vaak door het winkelcentrum en over de wijkmarkt, ging schoolpleinen en speeltuintjes af, schoof aan bij de koffietafel van de peuterspeelzaal en was te vinden op alle wijkfeesten en informatiemarkten.
Dat werkte en er kwam een groepsruimte bij, een kantoortje en een keuken. En tien vaste vrijwilligers, doorlopende enkele stagiaires en heel veel bezoekers. Die laatsten waren wel vooral moeders. Evalien bracht ze niet alleen met elkaar in contact, maar wist hen ook allerlei ideeën voor activiteiten te ontlokken. Die ze dan vooral ook zelf, met enige hulp, organiseerden. Zo ontstond bijvoorbeeld het ruilwinkeltje. En er ontstonden moedergroepen, zoals een jonge moeder-groep en een groep voor moeders met een kind met een beperking. En er ontstond een naschoolse opvang voor kinderen die thuis weinig aandacht en niet zo goed te eten kregen.

Het blijkt dan dat het CJG voor moeders met geldzorgen, beperkte sociale vaardigheden, gezondheidsproblemen of weinig stabiele relaties een heel belangrijke functie gaat vervullen. Niet alleen omdat ze wat meer onder de mensen komen, maar ook omdat ze de kans krijgen ergens verantwoordelijkheid voor te nemen. Maar ook komen er moeders zonder zulke problemen, maar die wel erg bezig zijn met de opvoeding. Of, anders gezegd, die perfecte opvoeders willen zijn en daar hulp bij zoeken. Die twee groepen blijken nauwelijks te mengen.
De moeders-met-problemen praten over eten, seks en relaties en zijn erg direct. De anderen willen bijvoorbeeld weten wat een goede moederfiets is en wat de leukste vakanties en uitjes met kinderen zijn. De groepen gebruiken verschillende woorden, zien er anders uit en irriteren elkaar. Je ziet ouders die in het CJG komen, eerst kijken wie er in de huiskamer zitten, en dan pas de keuze maken of ze wel of niet plaatsnemen.
En Evalien meldt dat het niet werkt om te proberen die afstand te doorbreken. Maar is het al niet mooi dat ze elkaar eens van dichtbij meemaken? Het verkleinen van sociale afstand gaat altijd in kleine stapjes. (Ik moest even denken aan die man van de Marokkaanse Ouderraad van een wijk in Utrecht die mij vertelde dat hij drie jaar lang zijn Nederlandse buurman elke dag netjes bleef groeten en dat ze vervolgens de beste vrienden waren geworden.)

Wat is mij na lezing van Het CJG werkt! vooral bijgebleven?
  1. De indruk dat het initiëren en ondersteunen van ontmoeting tussen ouders (eigenlijk alleen moeders) voorop stond. En de indruk dat het beantwoorden van opvoedvragen daarbij vergeleken een bijzaak is. Mij lijkt dat de goede prioriteit.
  2. De indruk dat het succes van het CJG op deze manier sterk afhankelijk is van de persoon van de professional en dus van het vermogen van die persoon om persoonlijke relaties aan te gaan. Zo iemand moet betrokken, hulpvaardig, stevig, energiek, vasthoudend, realistisch en creatief zijn. In staat zijn om "echt contact" te maken. Evalien houdt daarom bewust privé en werk niet strikt gescheiden. In haar woorden: "Laat gerust zien dat je een 'gewoon mens' bent en vertel ook over jezelf. Als ik doe wat ik op de opleiding geleerd heb, zou ik ontwijkend moeten antwoorden op vragen als: 'Heb je zelf ook kinderen?' Onzin. Als ik denk dat het in de situatie past, heb ik het gewoon over mijn kinderen of mijn huis. Belangrijk is dat je écht in contact komt, dat je mensen weet te binden. Dat lukt niet als je je opstelt als een koele, afstandelijke professional."
  3. Met dat laatste samenhangend, de indruk dat er voor dit soort werk misschien geen opleiding bestaat. Of in ieder geval dat de huidige opleiding er niet goed op voorbereidt. En de indruk dat verwerkte levenservaring misschien van groter belang is dan dat wat je op een opleiding leert. In dat verband, zijn het niet te vaak juist de jongeren, die net van de opleiding komen, die dit soort belangrijke werk krijgen toegewezen? Zodat de ouderen een managementfunctie kunnen vervullen?
  4. De indruk dat dit succes alleen is te bereiken bij volstrekte afwezigheid van een afrekencultuur. Zo meldt Evalien dat ze geen registratie bij houdt van de bezoekers en waarvoor ze komen. Dat lijkt mij belangrijk.
Tenslotte de aangekondigde bedenking. Mijn visie op de Centra voor Jeugd en Gezin houdt in dat ze een functie zouden moeten vervullen in het tot stand brengen van buurten voor kinderen. Omdat het sociale isolement van gezinnen slecht uitwerkt voor de sociale en morele ontwikkeling van kinderen. Naast de ouders, die werk en gezin moeten zien te combineren, zijn het de kinderen die van dat sociale isolement de nadelen ondervinden. Die nadelen zijn uit sociaalwetenschappelijk onderzoek bekend.

Maar het lijkt er op dat de nadelen voor de ouders meer aandacht krijgen. Hoe dat komt, ik weet het niet. Maar daardoor lijkt het wel alsof die Centra voor Jeugd en Gezin eigenlijk beter Centra voor Ouders genoemd zouden kunnen worden. Wat kinderen aan sociale opgroei-omgeving nodig hebben, dat komt maar beperkt in beeld.

En dat geldt ook voor het CJG Beijum, hoe succesvol dat ook is in het bij elkaar brengen van moeders. Evalien meldt dat ze in de beginfase op moest boksen tegen het "misverstand" dat het CJG een instantie was voor kinderen. Ze moest vaak uitleggen dat het CJG zich niet richt op kinderen, maar op opvoeders. 

Maar ik pleit er juist voor dat de CJG's kinderen centraal stellen en wat kinderen in sociaal opzicht nodig hebben. En er aan bijdragen dat kinderen in buurten opgroeien die aan hun sociale ontwikkelingsbehoeften tegemoet komen. Buurten waarvan bewoners elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen of samen doen. Waardoor kinderen veel met zulk gedrag in aanraking komen in plaats van alleen maar "opgevoed" te worden. Zie bijvoorbeeld dit bericht over de mythe van de opvoedbaarheid. Dat het CJG er is voor kinderen, nee, dat zou ik dus geen misverstand noemen. Toch nog een bedenking.

4 opmerkingen:

  1. Gabriëlle Jurriaans16 augustus 2013 om 13:26

    Wat een goede punten. Bij punt 2 en 3 moest ik denken aan een gesprek met het hoofd van een hogeschool, die ik sprak over de stagiairs die een sociale opleiding deden. De kwaliteit van mensen die bijna afgestudeerd waren, was om te huilen. Sommigen waren zo bang van cliënten dat ze zich in kantoor verstopten met de deur op slot.
    Louis Tavecchio schreef een tijd terug dat de kwaliteit van kinderopvang zou verbeteren, als er HBO-ers op de groep zouden worden gezet. Ik denk dat dit zo'n misrekening is. Ik moet denken aan het boek van Yvonne Keuls 'Jan Rap en zijn maat'. Puntje bij paaltje was de (ongeschoolde) kok de beste hulpverlener. Hij kende de jongeren vanuit een intrinsieke medemenselijkheid. Dat leer je niet tijdens een opleiding, zo moet je als mens zijn. Hopelijk lezen beleidsmakers mee.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dag Gabriëlle, Bedankt voor de reactie. En voor je verwijzing naar dat boek van Yvonne Keuls. En ik hoop met je mee. Groet,
      Henk

      Verwijderen
  2. Henk,
    Dank je wel voor de mooie woorden in je blog over CJG-Beijum en mijn boekje. En ja, ik kan het niet laten om even op je 'bedenking' te reageren. Ik denk dat we het aardig eens zijn, maar ik zou mijn ideaalbeeld wat anders verwoorden. Wat mij betreft verdwijnen de 'centra voor jeugd en gezin' om plaats te maken voor 'centra voor mensen in de wijk'. Laagdrempelige ontmoetingsplekken van waaruit van alles georganiseerd wordt, waar wijkbewoners alle ruimte krijgen om samen dingen te doen en waar beroepskrachten en vrijwilligers rondlopen om te stimuleren en te assisteren. Die centra versterken de betrokkenheid van de wijkbewoners bij elkaar en bevorderen de gemeenschapszin. Ze richten zich niet speciaal op een bepaalde groep als ouderen of kinderen, maar op de wijksamenleving en dragen daardoor bij aan een goed opvoedklimaat.
    Groet Evalien

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dag Evalien, Helemaal eens met jouw ideaalbeeld. Ik had ook al wel gedacht dat we het daarover eens zouden zijn. En ik hoop dat je nog lang doorgaat met je goede werk. Groet,
      Henk

      Verwijderen