Posts tonen met het label Ezra Klein. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ezra Klein. Alle posts tonen

donderdag 21 december 2017

We maken een tijd mee waarin het statuscompetitiepatroon gaat overheersen in het publieke domein

Mensen zijn toegerust met twee aan elkaar tegengestelde sociale gedragspatronen, dat van het statuscompetitiegedrag en dat van het gemeenschapsgedrag. In het statuscompetitiepatroon zie je anderen als tegenstrevers of zelfs vijanden en ben je voortdurend op je hoede. In het gemeenschapspatroon vertrouw je anderen, ben je bereid tot samenwerken en delen en voel je je veilig en geborgen.

De kans dat je het ene dan wel het andere patroon uitvoert, wordt sterk beïnvloed door hoeveel anderen in jouw omgeving datzelfde doen. Zijn anderen competitief, dan rest jou weinig anders dan dat ook te zijn. Vertonen anderen daarentegen gemeenschapsgedrag, dan ben jij daartoe ook graag bereid. Zie hier voor meer over wat ik ooit de Dual Mode-theorie ben gaan noemen.

Dat het menselijke sociale gedrag zo in elkaar lijkt te steken, ligt aan onze unieke evolutionaire geschiedenis. Maar we leven nu in een grootschalige maatschappij, waarin we naast het persoonlijke domein van relaties met familie en vrienden, ook het publieke, anonieme domein kennen.

We zijn bijvoorbeeld met medeburgers verbonden in de geografische en institutionele context van een nationale staat. Dat publieke domein is historisch gezien nieuw en onbekend. We weten dus van nature niet zo goed hoe we ons in dat domein moeten gedragen. Gaat het meer de kant op van het gemeenschapsgedrag, dan krijgt die nationale staat het karakter van een verzorgingsstaat. Maar het is ook mogelijk dat het meer de statuscompetitiekant opgaat en dan wordt die nationale staat een strijdveld waarin de sterkeren de zwakkeren gaan overheersen. Gaan uitbuiten, zoals Karl Marx dat noemde.

We leven nu in een tijd waarin we in veel landen de overgang meemaken van een overheersend gemeenschapspatroon naar een overheersend statuscompetitiepatroon. Denk even aan de sterk toegenomen ongelijkheid binnen de meeste landen, zoals die blijkt uit het World Inequality Report 2018 van Thomas Piketty en anderen.

Hoe gaat zo'n overgang precies in zijn werk? Wat gebeurt er in het denken van mensen die die overgang ten uitvoer brengen? Je zou er je vinger achter willen krijgen.

Dat lukt misschien een beetje als je je concentreert op één land, zoals de Verenigde Staten. Want daar is die ruk naar het statuscompetitiepatroon (de ruk naar rechts) al tientallen jaren behoorlijk open en bloot aan de gang in de Republikeinse partij. Gedocumenteerd in boeken als Veering Right. How the Bush Administration Subverts the law for Conservative Causes van Charles Tiefer, Conservatives Without Conscience van John W. Dean en The Party Is Over. How Republicans Went Crazy, Democrats Became Useless, and the Middle Class Got Shafted van Mike Lofgren.

Die ontwikkeling is nu geculmineerd in het aan de macht komen van Donald Trump (hoe precies, dat wordt nog uitgezocht) en in de belasting"hervorming" die de Republikeinen, met voorbijgaan aan alle gangbare procedures, door het Huis van Afgevaardigden en de Senaat hebben weten te jagen.

En als je de (onpartijdige) analyses leest van die "hervormingen", dan zie je daarin het statuscompetitiepatroon in volle werking. De rijken en nog meer de extreem rijken krijgen hun zin en gaan minder belasting betalen. Lees The Republican tax bill is an American betrayal. The American people voted for populism. They got plutocracy van Ezra Klein.

Vanessa Williamson karakteriseert het vandaag in de Washington Post als de omgekeerde Robin Hood-herverdeling: How tax cuts for the wealthy became Republican orthodoxy. En ze geeft een korte beschrijving van hoe dat proces begon in het Reagan-tijdperk, met de strijd van de "hardwerkende belastingbetalers" tegen de "undeserving uitkeringstrekkers".

Het is een ontwikkeling die niet alleen de verzorgingsstaat bedreigt, maar ook de democratie. Want:
“Anti-tax” activism in the Reagan era was stoked by long-standing white resentment to the extension of benefits to people of color, a political dynamic with a very long history in the United States. Indeed, the white-supremacist governments in the post-Reconstruction South described themselves as a return to the “rule of the taxpayer” — that is to say, rule by wealthy white plantation owners to the exclusion of newly emancipated black people and poor whites.
Het is een beweging terug naar de tijd van voor het algemene kiesrecht, toen alleen degenen die daar op grond van rijkdom en bezit geschikt voor leken mochten stemmen.

Is het gek dat ik dit alles nogal verontrustend vind?

maandag 18 mei 2015

Was de explosie van CEO-beloningen een kwestie van normverandering?

Paul Krugman had zo zijn gedachten bij dit plaatje:



Je ziet afgebeeld hoe de verhouding tussen de salarissen van de ondernemingsbestuurders (CEO's) en de gewone werknemers zich ontwikkelde in de Verenigde Staten vanaf 1965. In 1965 verdiende een CEO gemiddeld 20 maal zoveel dan de gemiddelde werknemer. Tot eind jaren tachtig steeg dat heel langzaam tot bijna 30 maal. Maar toen kwam wat je wel een explosie kunt noemen: in 2000 was de verhouding tot bijna 400 maal gestegen.

Dat roept de vraag op wat er begin jaren 90 veranderde wat je als oorzaak voor die snelle stijging zou kunnen aanwijzen. Economisch geredeneerd zou er iets moeten zijn veranderd in de schaarsteverhoudingen. Want beloningen zouden immers schaarsteverschillen moeten weerspiegelen. Het leiden van een onderneming zou dus in die korte periode plotsklaps zoveel lastiger moeten zijn geworden dat de vereiste vaardigheden veel minder aanwezig waren.

Daarvoor zijn er eigenlijk geen aanwijzingen. Er moet iets anders zijn geweest.

Paul Krugman herinnert zich een gesprek met een CEO die als verklaring te berde bracht dat in die periode de televisie begon met het uitzenden van American football. Dat trok zoveel kijkers, met zulke hoge reclame-inkomsten, dat de salarissen van de spelers sterk begonnen te stijgen. En omdat CEO's veel naar die uitzendingen keken, gingen ze zich afvragen waarom zij zelf eigenlijk ook niet zoveel zouden kunnen verdienen. "Waarom wij ook niet?"

En toen bleek dat de hoogte van de CEO-salarissen niet werd bepaald door de markt, maar door sociale normen. Want de CEO's benoemden zelf de commissie's die bepaalden hoe hoog hun salarissen zouden moeten zijn. En tot dan heerste de norm dat het fatsoenlijk was om niet meer dan dan zo'n 20 tot 30 keer meer dan de gewone werknemer te verdienen. Maar fatsoensnormen kunnen veranderen en dat gebeurde. Er kwamen een paar CEO's die zich zelf flink meer toe lieten stoppen en toen was het hek van de dam. Want waarom zou ik minder waard zijn, gingen anderen denken.

Kortom, het proces van onderlinge sociale beïnvloeding zorgde er eerst voor dat de hebzucht werd bedwongen, maar vervolgens werd het de norm om je nergens wat van aan te trekken en te pakken wat je maar kunt pakken. Denk ook nog even weer aan Hoe kan bandeloze hebzucht ontstaan? Over kapitalisme en moraal. De explosie van CEO-beloningen was niet een economisch, maar een sociologisch verschijnsel.

Krugman denkt dat hier wel wat in zit, hoewel hij er meteen aan toevoegt dat het blijft bij speculatie.

Vandaag heeft Ezra Klein een interessante toevoeging. Want, zegt hij, bedenk wel dat de hoogste tarieven in de inkomstenbelasting gedurende de jaren 50 en 60 nog op 90 procent stonden. En in 1980 nog 70 procent bedroegen. Waarna ze snel daalden (Reagan!) tot ze in 1990 het niveau van 30 tot 40 procent bereikt hadden. Zie de groene lijn in de figuur hieronder. Door die veel lagere tarieven werd het voor CEO's (en andere veelverdieners) ook aantrekkelijker om te proberen hun beloningen te verhogen. 
Anders gezegd, normen zullen zeker ook een rol hebben gespeeld, maar er was ook een institutionele verandering. In de sfeer van de inkomstenbelasting.

Maar daar kun je meteen weer bij bedenken dat die tariefsverlaging ook wel iets met normverandering te maken zal hebben gehad. Dat hoge tarief van 90 procent was natuurlijk een uiting van een algemeen heersende fatsoensnorm over de wenselijke hoogte van inkomensverschillen. En die norm werd in het derde kwart van de vorige eeuw kennelijk over boord gegooid. Er was dus in de Amerikaanse maatschappij als geheel misschien iets aan de hand op het gebied van normverandering.

Oké. Maar lees dan ook nog eens dat bericht Hoe kan bandeloze hebzucht ontstaan? Over kapitalisme en moraal, dat ik hierboven al aanhaalde. Want daarin lees je ook over de afnemende macht van de vakbeweging. Wat was daarvan dan weer de oorzaak? En over de opkomst van CEO's met een financiële achtergrond, die minder uit de onderneming zelf afkomstig zijn en dus minder een band hebben met het bedrijf. En wat zal daar dan weer de oorzaak van geweest zijn?

dinsdag 6 december 2011

Ezra Klein over de Duitse psychologie van de euro

Ezra Klein heeft in Berlijn leden van de Merkel-regering, leden van de sociaal-democratische oppositie, industriëlen en bankiers geïnterviewd. Zijn conclusie is dat geen van hen ook maar de geringste neiging heeft om de eurozone in elkaar te laten storten. Nee, ze willen allemaal de euro redden. Alleen nu nog niet.

Dat is te verklaren doordat ze de run van de financiële markten op Italië, Griekenland, Portugal en Spanje niet zien als een defect (een bug) in het systeem van de eurozone. In de analyse van Paul de Grauwe komt die run juist wel voort uit een defect. Door het toegetreden zijn tot de eurozone en het ontbreken van een centrale bank met een lender of last resort functie, zijn landen in de problemen gekomen.

Niet omdat die landen een slechter economisch beleid zijn gaan voeren dan daarvoor. Of slechter dan vergelijkbare landen buiten de eurozone die niet in de problemen komen. Maar omdat beleggers die constructie niet vertrouwen. En daarom uitwijken naar sterkere landen binnen de eurozone, waardoor die zwakkere landen hogere rentes moeten betalen en nog zwakker worden. Die negatieve feedback leidt er toe dat die sterkere landen (Duitsland, Nederland, Finland, Luxemburg, Oostenrijk) meer geld in het noodfonds moeten stoppen om die zwakkere landen te redden. En daardoor worden die sterkere landen ook zwakker en wenden de beleggers zich van hen af. Waardoor ze hun heil buiten de eurozone gaan zoeken. Vandaar dat er nu ook voor hen een verlaging van de kredietstatus dreigt. Wat we hebben is dus een zichzelf versterkend mechanisme dat als het zo doorgaat de eurozone in de afgrond stort.

Maar de Duitsers zien dit dus niet als een defect, maar als een eigenschap van het systeem, die ze nu gebruiken om de zwakkere landen een beter beleid te laten voeren. Ze moeten zuiniger worden en de arbeidsmarkt hervormen, net zo als Duitsland dat heeft gedaan, zodat ze meer kunnen gaan exporteren. (Net zo als Duitsland dat doet, denk je dan, maar niet alle landen kunnen meer exporteren dan importeren. Wat jij exporteert, moet ergens iemand anders importeren.)

Deze Duitse strategie heeft natuurlijk enig succes gehad. Kijk naar de regeringswisselingen in Griekenland en Italië en naar de drastische bezuinigingen in de zwakkere landen. Maar noem het maar succes. Want doordat de sterkere landen ook bezuinigen, komt die export van de zwakkere landen natuurlijk niet op gang. Het resultaat is in ieder geval een recessie.

Dit alles betekent volgens Ezra Klein niet dat de Duitsers egoïstisch en calculerend zijn. Dat ze een beter beleid willen van die zwakkere landen waarmee ze een gemeenschappelijke munt hebben, is begrijpelijk. Maar wat ze nu doen, is zonder het zelf goed te beseffen, wel roekeloos. Ze buiten die negatieve spiraal uit om de regels van de eurozone te veranderen in de richting van een fiscale unie met centraal toezicht op de begrotingen. Ook begrijpelijk. Maar het lijkt op de dokter die van een ongezonde patiënt met verschijnselen van een hartaanval eist om eerst te gaan afvallen voor hij zijn leven redt.

En er blijft, denk ik, het probleem van het ontbreken van een centrale bank met een lender of last resort functie in de euorozone. Want ook als uiteindelijk de euro, vooreerst, gered is, en als die zwakkere landen een beter beleid zijn gaan voeren, dan blijft het "probleem" bestaan dat niet alle landen economisch even sterk kunnen zijn. Niet iedereen kan, zoals in Lake Wobegon, boven het gemiddelde zitten. Dat moet, als Paul de Grauwe gelijk heeft, betekenen dat ook dan nog steeds het gevaar dreigt van een run van de financiële markten op het land dat dan het zwakste is. Misschien is dat dan Duitsland wel. Of Nederland.

'via Blog this'