dinsdag 23 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 41 - Persoonlijke standpunten (Van Doorn) of meningen (Schuyt)

Hoewel Van Doorn dus heel kritisch was op de concentratie van het vak sociologie op het doen van onderzoek, met verwaarlozing van toepassing en beleidsadvisering, vroeg hij zich niet af waar die opvallende concentratie op onderzoek vandaan kwam. Hier het vorige bericht. Er was in zijn ogen verder niets mis met het vak. Sociologen zouden zich naast het doen van al dat onderzoek ook eens meer moeten gaan interesseren voor toepassing en beleidsadvisering. Waarom ze dat niet deden, en waardoor sociologie geen verbetervak was, zoals bijvoorbeeld het vak economie dat wel was, die vraag kwam niet bij hem op. 

Daardoor ontging het hem dat die concentratie, ja, fixatie, op onderzoek voortkwam uit het vak zoals het was. Als alles wat sociologen kunnen weten over de menselijke samenleving uitsluitend tot stand kan komen door wetenschappelijk onderzoek en als de menselijke sociale natuur als een tabula rasa dient te worden beschouwd, dan rest er weinig anders dan dat nog onbekende terrein van de maatschappij maar zoveel mogelijk te onderzoeken en te hopen dat zulks op den duur inzichten op zal leveren waar je in de praktijk en in het beleid wat mee kunt. Het alledaagse inzicht dat de menselijke samenleving door mensenwerk tot stand komt en dus als alle mensenwerk kan worden bestudeerd en verbeterd, moet immers als onwetenschappelijk worden genegeerd. 

Het is ook in die trant dat Van Doorn in 1964 probeerde om aan te geven hoe die oriëntatie op toepassing en beleid er uit zou moeten zien. Daarin gaat het niet over mensen, hun gedrag en de mogelijkheden om dat gedrag te beïnvloeden en te veranderen. Het gaat er over (p.110) "dat het functioneren van iedere samenleving en van ieder sociaal systeem, groot en klein, slechts mogelijk is indien bepaalde centrale processen tenminste enigermate geregeld plaats vinden." En het gaat over (p.150-155): richtpunten die gevonden dienen te worden "in de cultuur en inrichting van onze democratische maatschappij", over "institutionele componenten", waarin "de maatschappelijke orde als geheel vorm krijgt en veranderingen verwerkt", over "onderling min of meer samenhangende organisatievormen, die er borg voor staan dat de belangenbehartiging - zo men wil: de vervulling van de specifieke maatschappelijke functies - zo goed mogelijk kan plaats vinden", over "het raamwerk der institutionele normen" waarin ook de socioloog zijn normen vindt, over de "betrokkenheid op de centrale strijdvragen binnen de sector van zijn werkzaamheid", waardoor hij (de socioloog) "de gelegenheid (krijgt) een standpunt te kiezen en te verdedigen, waardoor zijn intellectuele bijdragen tot waarlijk professionele bijdragen kunnen uitgroeien en als zodanig begrepen kunnen worden."

De structuur van de instituties en organisaties dwingt de socioloog zich bezig te houden met de instanties, die de maatschappelijke beslissingen uiteindelijk nemen. Hij moet, gegeven deze realiteit, zich analytisch zo dicht mogelijk wagen in de buurt van de krachtencentra in onze samenleving. Het is één ding via onderzoek aan te tonen, dat arbeiders in bedrijven een eigen groepsgedrag vertonen, los van de gestelde organisatie; het is al iets méér te ontdekken dat dit gedrag een verzet inhoudt tegen alle organisatie; maar uiteindelijk zal de hoofdtaak van deze socioloog moeten bestaan in het helpen opsporen van de meest adequate organisatie van het moderne bedrijf.

Voor de sociologie-opleiding zou dit moeten betekenen dat "niet zozeer de 'scientist' als wel de 'professional'" als model dient. 

Terwijl de eerstgenoemde de maatschappij uitsluitend als studieobject ziet, heeft de tweede de maatschappij als 'cliënt'. Hij gebruikt zijn wetenschappelijke inzichten om maatschappelijke vraagstukken op te lossen, niet slechts om deze te verklaren. Hij beweegt zich niet uitsluitend in de kring der vakgenoten, zoals de wetenschapsbeoefenaar, maar in de diverse maatschappelijke milieus. Zijn problemen en zorgen zijn die van de maatschappelijke sector waar hij werkt, niet van de wetenschappelijke sector die hem leerde werken.

Wat hebben we? We hebben een vak sociologie dat de maatschappij uitsluitend op het macro-niveau bestudeert, als een systeem van bepaalde centrale processen, institutionele componenten, organisatievormen, maatschappelijke functies en institutionele normen. Een systeem is er op ingericht om op "problemen" met terugkoppeling te reageren en zo zichzelf in stand te houden. Als de maatschappij de cliënt is, dan zijn er maatschappelijke sectoren die met problemen te kampen hebben en ze aan de socioloog als professional voorleggen. Die maakt vervolgens die problemen tot de zijne, want "zijn problemen en zorgen zijn die van de maatschappelijke sector waar hij werkt". Dat moet wel betekenen dat hij de overstap maakt van de wetenschap van het systeem naar het systeem zelf.

Dat roept meteen twee vragen op. Waar komen de problemen vandaan? En wat heeft de socioloog-professional te bieden?

Het antwoord op die eerste vraag kennen we al. Het vak sociologie heeft niet een theoretisch kader waarmee het als vak maatschappelijke problemen kan aanwijzen. Het theoretische kader dat er wel is, is dat van het systeemdenken en daarin zijn er eigenlijk geen problemen, want verstoringen van het evenwicht worden door terugkoppeling opgelost. Er is alleen de werking van het systeem en nu citeer ik mezelf:

waarin mensen geacht worden zo flexibel te zijn dat ze zich aanpassen aan wat het systeem vraagt. En waarin wordt genegeerd dat er een menselijke sociale natuur zou kunnen bestaan, met vaardigheden en behoeften, waaraan de uitkomsten van de werking van het sociale systeem kunnen worden beoordeeld. 

Problemen kunnen niet uit het vak zelf tevoorschijn komen, ze worden door de maatschappij aangeleverd. We zagen al dat dit er wel toe moest leiden dat de socioloog weliswaar sociale problemen bestudeert, maar dat die pas kunnen optreden als ze door de mensen zelf als zodanig worden ervaren en opgemerkt.

En wat de socioloog-professional dan te bieden heeft is nog niet eens zo duidelijk. Hij zou eigenlijk vanuit dat systeemdenken standaard kunnen adviseren om gewoon de werking van het systeem, de terugkoppelingen, af te wachten. Maar dat is zo'n zwaktebod dat je je goed kunt voorstellen dat sociologen zich dan maar liever niet aan advisering wagen en zich tot het doen van onderzoek beperken. En een theoretisch kader over de voorwaarden waaronder het systeem zijn werk doet, zoals waar de economen op kunnen terugvallen als het gaat over de werking van het marktmechanisme, staat hen niet ter beschikking. Hoe kan hij "de hoofdtaak" van "het helpen opsporen van de meest adequate organisatie van het moderne bedrijf" uitvoeren als er een sociologisch normatief kader ontbreekt over wat adequaat is?.

Wat dan wel te doen? Wat er lijkt over te blijven is dat je inderdaad de overstap maakt naar het systeem zelf, deel gaat uitmaken van een maatschappelijke sector, daar net als anderen "de gelegenheid (krijgt) een standpunt te kiezen en te verdedigen", en erop hoopt dat jouw standpunt om een of andere reden hoger wordt aangeslagen dan dat van anderen. Maar dat die reden er mee te maken heeft dat jouw standpunt een wetenschappelijk normatief onderbouwd advies is, dat is dan uit het zicht verdwenen.

Je zou denken dat als je hier bent aangekomen, je je zou gaan afvragen of je met dat macrosociologische systeemdenken wel op de goede weg bent. Moet je eigenlijk niet helemaal opnieuw beginnen?. De mens terugbrengen, de maatschappij zien als mensenwerk en als iets wat bestudeerd en beoordeeld moet worden aan de menselijke sociale natuur, aan wat mensen kunnen en willen?

Toch hebben de meeste sociologen, laten we zeggen, het vak als geheel, die stap nooit gezet. Ik moet nu denken aan die andere invloedrijke Nederlandse socioloog, C.J. M. (Cees) Schuyt, die zich zo intensief bezighield met de opbouw van de verzorgingsstaat en de latere bijstellingen, versobering en afbraak ervan. Maar zoals ik in Een sociologie die er toe doet liet zien, ontberen zijn beschouwingen (in Steunberen van de samenleving);

een specifiek sociologisch normatief kader. Je komt er wel normatieve stellingnames in tegen, maar die worden als persoonlijke oordelen binnengehaald. Zoals wanneer het gaat om het beginsel van menselijke waardigheid en zelfrespect (p. 51), dat zonder twijfel tot de intuïties van het gemeenschapspatroon kan worden gerekend. Daardoor kom je, als het echt om beoordelingen gaat, vaak de frase “naar mijn mening”  tegen (p. 44, 45, 48, 52, 56, 87). Wat natuurlijk te verwachten is als het vak zelf niet een normatief kader te bieden heeft.

Persoonlijke standpunten (Van Doorn) of meningen (Schuyt), dat is waarop het macrosociologische systeemdenken dat meer wil doen dan alleen maar onderzoek, uiteindelijk op terugvalt.

donderdag 18 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 40 - De sociologische vijver bleef rimpelloos

Van Doorn zag het in 1964 dus als een probleem dat het vak sociologie en dus ook de sociologie-opleidingen zo uitsluitend op het doen van onderzoek geconcentreerd waren. Hier het vorige bericht. En hij pleitte voor een bredere beroepsopvatting, waarin net als in andere academische vakken vanzelfsprekend aandacht uit gaat naar toepassing en advisering. Niet alleen naar het bestuderen van maatschappelijke problemen, maar ook naar het oplossen ervan. Uit het volgende langere citaat mag blijken dat hij dat een belangrijke en urgente kwestie vond (p.147):

Natuurlijk is onderzoek en zelfs diepgaand onderzoek vaak noodzakelijk, wil de socioloog tot bruikbare resultaten komen. Maar dat geldt ook voor andere intellectuele beroepen, waarvan de beoefenaars niettemin primair gericht zijn op het oplossen van problemen en eerst ten dienste hiervan het diepgaand onderzoeken van problemen als beroepstaak zien. Ook de arts, de advocaat, de rechter, de ingenieur en wie niet zouden vaak langer tijd voor studie en diagnose beschikbaar willen hebben. Maar als vervullers van maatschappelijke functies worden zij terecht geacht hun deel te dragen van de last, die de maatschappelijke arbeidsverdeling van allen vraagt. Wáár die last ondraaglijk wordt, moet ieder voor zichzelf vaststellen.

De beroepsrol van de sociaal onderzoeker pur sang is om die reden sociaal gezien slechts in een deel van de geboden posities adequaat. De sociologische gemeenschap kan en moet aandringen op meer fundamenteel onderzoek en op meer ruimte voor wetenschappelijke research ten behoeve van beleidsmaatregelen. Maar zij schiet tezelfdertijd tekort, indien zij deze beroepsrol zou presenteren als norm of ideaal van sociologische werkzaamheid.

Doet zij dit toch, dan verspeelt zij bovendien een belangrijk deel van haar maatschappelijke kansen. Indien de psycholoog, de econoom, de medicus of de technicus hun beroepsinterpretatie zouden beperken tot die van wetenschappelijk onderzoeker, zouden hun maatschappelijke functies tot een fractie van de huidige ineenschrompelen. Het is niet in te zien, waarom uitgerekend de socioloog met die fractie genoegen zou nemen.

Dit praktische en toch niet alleen praktische argument klemt te meer, omdat, naar men aanneemt, in de toekomst een relatief steeds kleiner deel van de afgestudeerde sociologen in onderzoek werkzaam zullen kunnen zijn. Alleen al de wassende stroom van jonge sociologen werpt de vraag op, waarheen zij moeten worden geleid en hoe zij op dit perspectief kunnen worden voorbereid. Het is een dubbele vraag: hoe is de maatschappelijke functie van de socioloog-niet onderzoeker, en hoe ziet een adequate opleiding er dan uit?

Belangrijk en urgent. Ik herinner me dat ik dit destijds las en het er natuurlijk mee eens was. Ik was immers geïnspireerd geraakt door Willem Bannings betoog dat in het vak sociologie de verantwoordelijkheid voor mens en menselijkheid voorop zou moeten staan. Dat het een verbetervak zou moeten zijn, net zo als andere vakken. Van Doorns pleidooi wees ook in de richting van een verbetervak. Er leek iets fundamenteels te mankeren aan dat vak waarin ik was terechtgekomen.

Zoals gezegd, Van Doorn werd en wordt beschouwd als een van de grondleggers van de naoorlogse Nederlandse sociologie. Dit pleidooi voor een bredere beroepsopvatting dan alleen die van onderzoeker is ongetwijfeld door vrijwel iedereen in het vak opgemerkt. Je zou verwachten dat het tot reuring en bezinning had geleid. Tot levendige discussies over de vraag of het vak wel op de goede weg was. 

Maar ik herinner me niets daarvan. Het bleef stil en de sociologische vijver bleef rimpelloos. Er veranderde zo weinig dat Arie Glebbeek en ik in 2000 konden pleitten voor een bredere sociologische beroepsopvatting met vrijwel hetzelfde citaat van Van Doorn uit 1964 als hierboven, dat aan actualiteit nog niets had verloren. En ons pleidooi, Heeft de sociologie een toekomst? Over de hardnekkige onvolledigheid van de sociologische beroepsopvatting, bracht weliswaar enige reuring teweeg, maar geen merkbare verandering (anders dan in de Groningse sociologie-opleiding, waarover later natuurlijk meer).

Hoe kon dat? Daarop terugkijkend denk ik dat het eraan lag dat het Van Doorn ontbrak aan inzicht in de mankementen van het vak zoals het bestond. Hij omarmde het vak zoals het was en vond alleen dat er een oriëntatie op toepassing en beleid aan moest worden toegevoegd. Ik meldde al dat hij invloedrijk was, maar niet in vernieuwende zin. Hij zag niet onder ogen dat die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting en de fictie van het eigen domein onvermijdelijk de toeschouwersrol en de waardevrijheid van het vak met zich meebrachten. 

Dat wordt duidelijk als je je verdiept in hoe hij in 1964 die oriëntatie op toepassing en advisering vorm wilde geven. Daarover in het volgende bericht. 

dinsdag 16 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -39 - Over Jacques van Doorn en de sociologie als onderzoeksvak

Er was dus interne kritiek op het vak sociologie dat ik van 1965 tot 1971 studeerde, de kritiek namelijk van George C. Homans en James S. Coleman. En er was eerder al, in 1952, de kritiek van buiten het vak, door de econoom Friedrich Hayek. Hier het vorige bericht. In die kritiek stond kort gezegd voorop dat de mens moest worden teruggebracht in het vak. En daarmee samenhangend dat de maatschappij niet als een eigenstandig sociaal systeem diende te worden bestudeerd, maar als de voortdurend veranderende uitkomst van mensenwerk. 

Maar als je er nu op terugkijkt, moet je wel constateren dat die kritiek niet zo veel effect heeft gehad. Ik noemde al dat ik Hayek niet in mijn studie was tegengekomen. En de kritiek van Homans en Coleman leidde weliswaar tot het omarmen, ook door mijzelf, van de rationele keuzetheorie als "mensbeeld", maar de invloed daarvan op de rest van het vak bleef zeer beperkt. In de International Sociological Association kwam er als een van de tientallen een Research Committee on Rational Choice. En dat moet al lang weer zijn opgeheven, want ik kom het in het huidige overzicht niet tegen. Later, zoals gezegd, meer over die rationele keuzetheorie.

Er was nog een andere kritiek die eveneens weinig effect heeft gehad, namelijk die van de Nederlandse socioloog Jacques van Doorn (1925 - 2008). Van Doorn wordt beschouwd als een van de grondleggers van de naoorlogse Nederlandse sociologie. Hij was inderdaad invloedrijk, maar niet in vernieuwende zin. We kwamen hem al tegen in aflevering 19 van deze reeks: Het vak dat ik studeerde, was een sociologie die nooit problemen zag ontstaan. Daarin ging het over zijn betoog uit 1955 dat de integratie van mensen in hun buurt zonder problemen kon worden vervangen door de zogenaamde functionele integratie, de contacten met collega's. De maatschappij, het sociale systeem, veranderde, stelde andere eisen aan mensen en mensen zouden zich aan sociale vluchtigheid moeten en kunnen aanpassen. De menselijke sociale natuur had op zichzelf zo weinig te betekenen, dat je hem kon opvatten als een afgeleide van de steeds veranderende maatschappelijk sociale en economische "structuren". 

Daarmee bevond Van Doorn zich natuurlijk meteen in het centrum van die top-down benadering van het structureel-functionalistische systeemdenken. Ik ben geen groot kenner van zijn werk, maar mijn indruk is dat hij daar altijd gebleven is. Je treft bij hem geen kritiek aan op het mankement van die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting, noch op het mankement van de fictie van het eigen domein, noch op het mankement, dat van de zogenaamde waardevrijheid van het vak

Maar hij constateerde wel een consequentie van het bestaan van die mankementen, namelijk dat het vak en de opleiding zich concentreerden op het doen van onderzoek. Hij deed dat al vroeg, in 1964 in zijn Beeld en betekenis van de Nederlandse sociologie, dat ik in 1967 als tweedejaars aanschafte. Als ik het me goed herinner, speelde dat boek in ons studieprogramma geen enkele rol, maar ik was nieuwsgierig.

We hebben gezien waar die concentratie op onderzoek vandaan kwam. De sociologie moest de maatschappij benaderen als een nog onbekend terrein, met als voorbeeld de natuurwetenschapper. Alles wat je al meende te weten, je alledaagse kennis, diende te worden genegeerd. Dat de processen die zich daar afspelen door gedrag van mensen gegenereerd worden, vergeet het. Van de principes van dat gedrag zijn we nog onkundig, de menselijke natuur moet als een tabula rasa worden opgevat. Alle kennis die wetenschappelijk genoemd mag worden, rijst pas op uit het onderzoek dat we verrichten. En dat onderzoek is dat van de variabelensociologie, van de "sociale feiten". Als we nu maar veel onderzoek doen, dan zullen we gaandeweg dat ons nu nog onbekende domein beter leren kennen.

Dat sociologie ook als een verbetervak zou kunnen worden beoefend, als een vak dat in een democratie beleidsvoorstellen doet met het oog op verbetering van het mensenwerk, dat komt daarin helemaal niet aan de orde. Want daarvoor zou je het alledaagse inzicht moeten toelaten dat je met mensenwerk te maken hebt, en dat is nu juist niet de bedoeling. Je mag de opgelegde beperking tot het domein van de variabelentaal, van de "sociale feiten", niet opheffen.

Van Doorn merkte dus in 1967 die concentratie op onderzoek op. Hij zag in dat de sociologie-opleidingen onderzoekersopleidingen waren, maar dat slechts een klein deel van het toen toenemende aantal afgestudeerde sociologen in het onderzoek terechtkwamen (p. 144-5):

Hoewel de ongeëvenaarde uitgroei van het sociologisch wetenschappelijk onderwijs en onderzoek aan heel wat sociologen de gelegenheid geeft deze beroepsrol te adapteren blijft daarbuiten uiteraard de veel grotere categorie van andere sociologen, die hun weg in de maatschappij moeten zoeken. Voor hen is de confrontatie met actuele maatschappelijke vraagstukken onvermijdelijk. Het is om de oplossing van die problemen dat zij maatschappelijk gevraagd zijn.

Maar:

Getrouw aan de Nederlandse traditie - en aan die van de internationaal dominerende sociologie-opvatting - zien zij hun werkzaamheid als socioloog in de eerste plaats als sociaal onderzoeker. Niet advies en zeker niet beleid, maar onderzoek is hetgeen zijn hebben te offreren.

Hun opleidingen hebben dit beroepsbeeld helpen opbouwen en bevestigen. De geleidelijke verandering der studieprogramma's en de benoemingspolitiek wijzen in de richting van een onderzoekersopleiding.

Dat Van Doorn dit als een probleem zag, dat valt in hem te prijzen. Hij had, ik denk eigenlijk als enige, door dat er iets mis was met het vak. Maar wat deed hij met dat inzicht? En wat werd er in het vak mee gedaan? Daarover meer in het vervolg.

dinsdag 2 juni 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving -38 - Mankementen gepresenteerd als verworvenheden

Het vak sociologie dat in de loop van de vorige eeuw academische erkenning kreeg, door leerstoelen en studierichtingen, was onder een verkeerd gesternte geboren. Want het leed aan het mankement van een curieuze wetenschappelijkheidsopvatting, aan het mankement van de fictie van het eigen domein en uit die twee voortvloeiend aan het mankement van de waardevrijheid

Dat had niet gehoeven. Want er had zich binnen de universiteiten ook een sociale wetenschap kunnen ontwikkelen zonder die mankementen, voortbouwend op denkers als Thomas Hobbes, die de meer voor de hand liggende weg volgden om de maatschappij als mensenwerk te onderzoeken en om te proberen dat mensenwerk te verbeteren.  Dat inzicht begon in de tweede helft van de vorige eeuw ook tot sommige sociologen door te dringen. Zoals tot George C. Homans, die het voordeel had dat hij niet als socioloog was opgeleid en die er in 1964 voor pleitte om de mens in de sociologie terug te brengen. En zoals tot James S. Coleman, die op zijn beurt het voordeel had dat hij voor hij aan de sociologie-opleiding begon, al een studie technische scheikunde achter de rug had.

Maar buiten het vak sociologie waren de eigenaardigheden ervan al eerder opgevallen.  Ik noemde in het vorige bericht de econoom F.A. Hayek, die in 1952 een aantal artikelen die al in de jaren veertig waren verschenen, bijeenbracht in The Counter-Revolution of Science. Studies on the Abuse of Reason. Daarin betoogde hij dat het ontstaan van dat vak sociologie een geval is van de scientistische fout, namelijk van het slaafs toepassen van de methoden van de natuurwetenschappen op de studie van het sociale domein, van de menselijke samenleving. 

Omdat we in de natuurwetenschappen het alledaagse en bekende verklaren uit het onbekende en niet direct waarneembare, zouden we dat in de studie van de maatschappij net zo moeten doen. We moeten onze alledaagse inzichten opzij zetten en de maatschappelijke verschijnselen benaderen als nog onbekend terrein. We zullen dan regelmatigheden tegenkomen ("sociale feiten"), die we door steeds meer onderzoek hopen te kunnen verklaren uit algemenere regelmatigheden (andere "sociale feiten"). Denk aan die curieuze wetenschappelijkheidsopvatting die we bij Durkheim tegenkwamen:

... als we sociologen opleiden dan moeten we hen het besef aanleren dat ze hun studieobject op dezelfde manier moeten benaderen als de natuurkundestudenten dat doen met het terrein van de kwantummechanica. Laat alles varen wat je alledaagse ervaringen je hebben geleerd over hoe mensen samenleven. Vergeet het. Er zijn voor jou als socioloog vanaf nu alleen maar de inzichten, de "sociale feiten", die door sociologisch onderzoek tot stand zijn gekomen. Je gaat een nieuw rijk binnen, net zo nieuw als het rijk van de kwantummechanica. 

Hayek bespreekt in het tweede deel van zijn boek uitvoerig de bronnen van die scientistische fout, in het werk van Saint-Simon en Comte, waar hij ook ingaat op de verrassende overeenkomsten met het werk van Hegel. En eerder al komen we die fictie van het eigen domein tegen als The Collectivism of the Scientistic Approach (hoofdstuk 6) en The Historicism of the Scientistic Approach (hoofdstuk 7). 

In dat hoofdstuk 6 treffen we fraaie karakteriseringen van wat ik de variabelensociologie noemde. In het streven om net zo "objectief" te willen zijn als de natuurwetenschappen, behandelt de variabelensocioloog sociale verschijnselen (p.94-104):

not as something of which the human mind is a part and the principles of whose organization we can reconstruct from the familiar parts, but as if they were objects directly perceived by us as wholes. (...)

... there is the rather vague idea that since "social phenomena" are to be the object of study, the obvious procedure is to start from the direct observation of these "social phenomena," where the existence in popular usage of such terms as society or economy is naively taken as evidence that there must be definite "objects" corresponding to them. (...)

The endeavor to grasp social phenomena as wholes finds its most characteristic expression in the desire to gain a distant and comprehensive view in the hope that thus regularities will reveal themselves which remain obscure at closer range. Whether it is the conception of an observer from a distant planet, (...) , or whether it is the survey of long stretches of time through which it is hoped that constant configurations or regularities will reveal themselves, it is always the same endeavor to get away from our inside knowledge of human affairs and to gain a view of the kind which, it is supposed, would be commanded by somebody who was not himself a man but stood to men in the same relation as that in which we stand to the external world.

En in hoofdstuk 7 gaat het in feite over wat ik de richting van de (marxistische) macrosociologie noemde. Zie De richting van de macrosociologie en de fout van de misplaatste concreetheid en Van Marx' visie op de menselijke sociale natuur naar zijn macrosociologie

En in de hoofdstukken 3 (The Subjective Character of the Data of the Social Sciences) en 4 (The Individualist and "Compositive" Method of the Social Sciences) maken we kennis met hoe een sociale wetenschap wel te werk zou moeten gaan. Door de maatschappij als mensenwerk te beschouwen en te bestuderen. Waardoor ook de opdracht in zicht kan komen om dat mensenwerk niet alleen te bestuderen, maar ook om daarmee inzichten te verwerven waarmee het kan worden verbeterd. 

Het treft mij als opvallend dat in de tijd dat het vak sociologie zo veelbelovend leek, en in de tijd dat ik dat vak ging studeren, er van buiten dat vak al zo'n fundamentele kritiek op was gegeven. Ik ben er vrij zeker van dat ik tijdens mijn studie, van 1965 tot 1971, noch in de colleges noch in de tentamenliteratuur de naam van Hayek ben tegengekomen. Het vak werd gepresenteerd als een gevestigd en succesvol vak. 

Natuurlijk kwamen die drie mankementen aan de orde, alleen:niet als problemen, maar integendeel als verworvenheden. Pas nadat ik aan de universiteit was aangesteld, begon die kritiek tot me door te dringen en ging ik Hayek lezen. Zodat ik het in 1981 in mijn proefschrift over de compositieve methode kon hebben. Hier het vervolg.