woensdag 30 september 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 50 - Het vak sociologie stond aan de zijlijn

Durkheim leefde in een tijd waarin de Industriële Revolutie zich al goeddeels had voltrokken. Net als andere West-Europese en Noord-Amerikaanse landen was Frankrijk al veranderd van een landbouwsamenleving in een land met een beroepsbevolking die ruwweg in drie gelijke delen verdeeld was over landbouw, industrie en diensten. Die ontwikkeling ging rond 1900 gepaard met snelle en ingrijpende veranderingen. Thomas Piketty vat dat op p. 138 van zijn Capital and Ideology (2020) samen als:

Between 1880 en 1914 the world was in perpetual flux. The automobile, the electric light, the trans-Atlantic steamship, the telegraph and radio - all were invented in the space of a few decades. The economic and social consequences of those inventions were surely as important as those of Facebook, Amazon and Uber.

Voor de mensen die toen leefden gingen de ontwikkelingen zo snel en waren ze zo ingrijpend dat Piketty een vergelijking met onze huidige tijd op zijn plaats vindt.

Durkheim scheert de social consequences van die ontwikkeling over de ene kam van de toename van de arbeidsverdeling en vraagt zich af hoe mensen toch nog de sociale verbanden vinden die ze zo nodig hebben. In 1893 in La Division du Travail Social komt hij nog met het idee dat die arbeidsverdeling zelf die sociale verbanden zal verschaffen. Mensen ervaren weliswaar niet meer de de onderlinge nabijheid en gelijkheid van vroeger, maar wel dat ze in verschillende beroepen en functies elkaar aanvullen, waardoor een "organische solidariteit" ontstaat. Maar drie jaar later, in Le Suicide, lijkt dat idee al weer vergeten en verwacht hij dat er nieuwe sociale verbanden zullen ontstaan tussen mensen die hetzelfde beroep uitoefenen. Hier het vorige bericht.

Want op het niveau van de beroepsgroep hebben mensen gemeenschappelijke belangen (arbeidsduur, gezondheid, loonhoogte, sociale verzekering) en de overheid staat daar te ver vanaf om passende regelingen te treffen. Daarom valt aan beroepsgroepen de taak toe (Suicide, p.380):

... presiding over companies of insurance, benevolent aid and pensions, the need of which are felt by so many good minds but which we rightly hesitate to place in the hands of the State, already so powerful and awkward; theirs should likewise be to preside over the disputes constantly arising between the branches of the same occupation, to fix conditions - but in different ways according to the different sorts of enterprise - with which contracts must agree in order to be valid, in the name of the common interest to prevent the strong from unduly exploiting the weak, etc.As labor is divided, law and morality assume a different form in each special function, though still resting on the same general principles. Besides the rights and duties common to all men, there are others depending on qualities peculiar to each ossupation (...)

Onze morele gemeenschapsintuïties (de general principles, de rights and duties commmon to all men) moeten in de maatschappij een bestendige vorm vinden en ik, Durkheim in 1896, denk dat de beroepsgroep daarvoor de eerste kandidaat is. En ik vraag me meteen af dat wel realistisch is (p.380-1):

When their present state is considered, of course, it is somewaht hard to conceive of their ever being elevated to the dignity of moral powers. (...) But when once they have so many things in common, when the relations between themselves and the group to which they belong are thus close and continuous, sentiments of solidarity as yet almost unknown will spring up, and the present cold moral temperature of this occupational environment, still so external to its members, would necessarily rise. (...) Thus the social fabric, the meshes of which are so dangerously relaxed, would tighten and be strenghened throughout its entire extent.

Wat valt op of zou ons moeten opvallen? Durkheims geringschatting, ja bagatellisering, van de mogelijkheid dat wij onze morele gemeenschapsintuïties vorm zouden kunnen geven in de democratische overheid. In zijn ogen was de staat zo machtig, maar tegelijk zo gebrekkig of knullig (in de oorspronkelijke Franse editie: si puissantes et si malhabiles), dat wij als sociologen er weinig van mogen verwachten. De collectieve regelingen die uit die gemeenschapsintuïties voortvloeien, moeten op een lager niveau vorm krijgen. Niet alleen is daar de nodige gedetailleerde informatie gemakkelijker beschikbaar, maar ook is er daar de grotere betrokkenheid van de deelnemers dan wanneer we die taken bij de nationale overheid zouden onderbrengen,. 

Durkheim kan gelijk hebben gehad dat de Franse landelijke overheid in zijn tijd wel erg machtig was, maar tegelijkertijd gebrekkig en knullig. Maar hoe dan ook valt het op dat hij in het geheel niet zag aankomen hoe die democratische overheid zich in de loop van de twintigste eeuw zou ontwikkelen. Ik noemde in het vorige bericht al de uitbreiding van het algemeen kiesrecht, de regulering van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en de progressieve belastingheffing. 

Het is wel belangrijk om daar nog eens bij stil te staan. Want niet alleen zag hij de verzorgingsstaat, de gemeenschap georganiseerd in de staat, niet aankomen, er ging van zijn werk ook geen enkele stimulerende invloed uit op die ontwikkeling. En daarmee samenhangend, geen enkele stimulerende rol van het vak sociologie. Die ontwikkeling vond plaats in de politiek, geheel op kracht van in de politiek, en dus onder het kiezersvolk, levende idealen, die voortkwamen uit de morele gemeenschapsintuïties van het iedereen-telt-mee. De maatschappij bleek mensenwerk te zijn.

Het vak sociologie stond daarbij als toeschouwer aan de kant. (Evenals trouwens het vak economie.) Het vak ontbeerde een theoretisch apparaat waarmee het de gunstige effecten van die ontwikkeling voor het menselijk welzijn uit de doeken had kunnen doen en de ontwikkeling had kunnen aanmoedigen.

Terugdenkend aan mijn studietijd realiseer ik me hoe afstandelijk de sociologie stond tegenover de naoorlogse opbouw van de verzorgingsstaat. Terwijl het in de politiek wel degelijk ging over mens en menselijkheid, stond het vak sociologie aan de zijlijn. 

vrijdag 25 september 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 49 - Durkheims zoektocht naar een nieuw sociaal verband

Durkheim was in 1896 nog niet in staat om zich een democratische overheid voor te stellen die maatregelen zou kunnen nemen om de "collective sadness" als gevolg van het verlies van sociale banden onder de bevolking te verminderen. En al helemaal niet dat mensen zich in een democratie met elkaar verbonden zouden kunnen voelen. Hij nam de bestaande toestand, die van de "bezittersmaatschappij", als een gegeven aan en ging op zoek naar waar zich spontaan, zoals dat hoort in een sociaal systeem, voor mensen nieuwe mogelijkheden zouden aandienen voor het zich voegen in een sociaal verband. Wat leverde die zoektocht op? Hier het vorige bericht.

Zou de overheid, de political society, zo een sociaal verband kunnen zijn? Nee dus, want die is te onpersoonlijk en staat te ver van de mensen af (Le Suicide, p.374): 

Especially today, in our great modern States, it (the political society) is too far removed from the individual to effect him uninteruptedly and with sufficient force.

De kerken dan misschien? De religious society? Nee, ook niet. Want die verwijst ons naar een bovenmenselijke autoriteit, die geen kritiek duldt en die dus strijdig is met de in de mensheidsgeschiedenis steeds toegenomen drang naar vrijheid van gedachten (p.375):

Religion, therefore, modifies the inclination to suicide only to the extent that it prevents men from thinking freely. This seizure of possession of human intelligence is difficult at present and will become more and more so. It offends our dearest sentiments. (...) the history of the human mind is the very history of the progress of free thought. 

Uiteraard merken we op dat Durkheim hier even tussendoor een menselijke sociale natuur invoert met een sterke afkeer (our dearest sentiments) van overheerst worden, die we herkennen als onderdeel van het gemeenschapspatroon. Hij had er dus een notie van dat de menselijke behoefte aan het deel uitmaken van een sociaal verband juist dezelfde behoefte is aan vrijheid van overheersing, dus gevrijwaard zijn van statuscompetitie. Anders gezegd, aan het deel uitmaken van een gemeenschap waarin mensen zichzelf kunnen zijn.

Kan de familie dan voorzien in de behoefte aan een sociaal verband? Ook niet, want  het familieverband valt uit elkaar doordat kinderen tegenwoordig uitzwermen (p.377-8):

As soon as the children's first growth is over, they very often leave to complete their education away from home; moreover, it is almost the rule that as they are adult they establish themselves away from their parents and the hearth is deserted. For most of the time, at present, the family may be said to be reduced to the married couple alone (...) 

Once, when each local environment was more or less closed to others by usages, traditions, the scarcity of communications, each generation remained perforce in its place of origin or at least could not move far from it. But these barriers vanish, as these small environments are levelled and blended with one another, the individuals inevitably disperse in accordance with their ambitions and to further their interests into the wider spaces now open to them. No scheme can therefore offset this inevitable swamring of the bees and restore the indivisibility which was once the family's strength.

Durkheim zal hier vast aan zichzelf gedacht hebben. Hij trok als jongeman uit het stadje Épinal in Lotharingen, waar zijn vader, grootvader en overgrootvader rabbijn geweest waren, naar de wereldstad Parijs om aan de École Normale Supérieure te studeren. En trok later verder naar Bordeaux, waar hij de eerste hoogleraar sociologie werd. Maar algemener nam hij natuurlijk al de toename van geografische mobiliteit waar, die in de negentiende eeuw met de industrialisering en de verstedelijking begon. De ontwikkeling die zich tot vandaag de dag voortzet en die veel te weinig aandacht van sociologen heeft gehad. Denk aan Over sociale vluchtigheid, sociaal isolement van gezinnen en de toegenomen afstand tot familie - En over sociologie. 

Wat zal dan wel de oplossing zijn? Welk sociaal verband dient zich dan wel aan?

Het antwoord komt van de Durkheim die drie jaar eerder zijn boek over de arbeidsverdeling uitbracht. Door de arbeidsverdeling ontstonden beroepen en dus beroepsgroepen. Hij meende dat die beroepsgroepen, beroepsbeoefenaars verenigd in een organisatorisch verband, de enige overgebleven mogelijkheid was om te voorzien in de behoefte aan een sociaal verband. Daarover meer in het volgende bericht.

vrijdag 11 september 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 48 - Durkheims belangrijke moment en zijn terugval in het functionalistische systeemdenken

Zoals de vorige berichten laten zien, ben ik me opnieuw in Durkheim gaan verdiepen. Ik raakte in de jaren 70 geïnteresseerd in de anomietheorie, omdat die over mensen ging, en de oorsprong daarvan ligt in het werk van Durkheim. Bij het nu herlezen vallen me zaken op waar ik destijds overheen las en die belangrijk zijn voor hoe het vak sociologie zich ontwikkelde. Hier het vorige bericht.

Neem nu het moment dat Durkheim in 1896 in zijn Le Suicide uiteindelijk tot de slotsom komt dat de toename van zelfmoordcijfers in zijn tijd als een aanwijzing opgevat moet worden dat er in de maatschappij dingen niet goed gaan. Dat is een belangrijk moment. Hij lijkt het functionalistische top-down denken achter zich te laten om zich af te vragen of de toestand waarin de maatschappij verkeert nog wel tegemoetkomt aan wat mensen voor hun welbevinden nodig hebben. De maatschappij is niet langer een zichzelf in stand houdend sociaal systeem, maar is het resultaat van mensenwerk. Werk dat kan worden beoordeeld naar de mate waarin het een goede maatschappij tot stand brengt, een "sociaal superieure" toestand, dan wel een "sociaal inferieure" toestand laat ontstaan, een toestand van anomie.

Een belangrijk moment omdat Durkheim daarmee vooruitloopt op de golf van sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de sociale en maatschappelijke voorwaarden voor menselijk welbevinden, die ongeveer een eeuw later begon. Ik denk even aan het precies 100 jaar na Le Suicide verschenen Unhealthy Societies. The Afflictions of Inequality van Richard G. Wilkinson, waarin Durkheim ook als voorloper wordt aangehaald (p.15-6):

An accurate overall conception of health has much in common with Durkheim's approach to suicide. Rather than analysing suicide purely in terms of individual psychology and circumstances, Durkheim saw suicide a a social product, Each society had a rate which reflected its social structure. (...) ...if Durkheim had been writing now, it seems likely that in the context of the modern burden of disease in developed societies, he would not have confined his analysis to suicide. The evidence is overwhelming that the rates of most diseases vary from society to society in ways that reflect, and indeed are indicative of, differences in their social and economic organisation.(...)

Looking at health from the standpont of society rather than of individuals can lead to a radically different view of the determinants of health. Instead of looking to see what makes one individual healthier than another, our aim in this book will be to see what makes one society healthier than another.

Durkheim dus als voorloper. Maar hoewel sociologie zich intussen had ontwikkeld tot een erkende academische discipline, droegen sociologen toch maar weinig bij aan die golf van onderzoek. Wilkinson studeerde economische geschiedenis en epidemiologie en was hoogleraar sociale epidemiologie. (Hij gaf in 2013 de WRR-lezing in de Nieuwe Kerk in Den Haag, waar ik van onder de indruk was. En hij schreef in 2018 samen met Kate Pickett The Inner Level. How More Equal Societies Reduce Stress, Restore Sanity and Improve Everyone’s Wellbeing.) 

Maar goed, daar op terugkijkend lag het dus voor de hand dat ik destijds in die Durkheim van de anomietheorie geïnteresseerd was.Terwijl ik tegelijk ongemak voelde bij dat vak sociologie als erkende academische discipline, waarin ik van 1965 tot 1971 werd opgeleid.. 

En ik ervaar nu ongemak als ik me verdiep in wat Durkheim in 1896 naar voren bracht over hoe de maatschappelijke toestand van zijn tijd kon worden verbeterd. Hoe kan de collective sadness (p.365) die sommigen ertoe brengt om hun leven te beëindigen, verminderd worden? Hoe brengen we de sociale verbanden terug die mensen nodig hebben om te voorkomen dat ze de ambities najagen die alleen maar tot leegte en uitzichtloosheid leiden (p.373-4):

Thus, the only remedy (...) is to restore enough consistency to social groups for them to obtain a firmer grip on the individual, and for him to feel himself bound to them. He must feel himself more solidary with a collective existence which preceds him in time, which survives him, and which encompasses him at all points. If this occurs, he will no longer find the only aim of his conduct in himself, and, understanding that he is the instrument of a purpose greater than himself, he will see that he is not without significance. Life will resume meaning in his eyes, because it will recover its natural aim and orientation.

Hier aangekomen verwacht je dat Durkheim met adviezen komt over hoe de maatschappij zo ingericht kan worden dat mensen zich weer onderdeel voelen van een groter geheel, van een collectief bestaan, waarin ze meetellen en dat hun leven zin geeft. Waarin ze zich niet verloren voelen en geheel op zichzelf aangewezen. Adviezen misschien in de lijn van die van Wilkinson een eeuw later: breng die grote ongelijkheid terug, omdat die de mensen aanzet tot de stressvolle en ziekmakende statuscompetitie p.222-3):

But how do we achieve a narrower income distribution and better social cohesion? The first step is for politicians and the public to recognise the importance of these issues. At the moment the management of the national economy is devoted almost exclusively to the pursuit of economic objectives. Thus must be changed. Policies on education, employment, industrial structure, taxation, the management of the business cycle, must all be assessed in term sof their impact on social justice and social divisions. Economic management must have the explicit aim of increasing social cohesion and the social quality of life.

Maar zou grotere gelijkheid dan niet ten koste gaan van welvaart en economische groei? Nee, integendeel. Wilkinson verwijst naar het toen al bekende onderzoek dat laat zien dat grotere ongelijkheid juist economische kosten met zich meebrengt. 

Treffen we iets in die richting aan bij Durkheim in 1896? Nee, in het geheel niet. Maar dat is natuurlijk deels goed te begrijpen, als we bedenken dat Wilkinson zich kan richten tot een democratische overheid die een geweldige invloed uitoefent op hoe de maatschappij is ingericht. Durkheim had natuurlijk met een heel andere overheid te maken. In het Frankrijk van zijn tijd was er wel het in 1848 ingevoerde algemeen kiesrecht, maar alleen voor mannen. 

En in de woorden van Thomas Piketty was Frankrijk net als trouwens andere landen nog een "bezittersmaatschappij", waarin de overheid er vooral was om het particuliere bezit te beschermen en waarin grote ongelijkheid heerste. Pas verderop in de twintigste eeuw werd het algemeen kiesrecht uitgebreid (in Frankrijk konden vrouwen pas vanaf 1945 hun stem uitbrengen) en kwamen er de regulering van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en de progressieve belastingheffing. Dat er in de tweede helft van de twintigste eeuw verzorgingsstaten zouden opkomen, waarin de gemeenschapsmoraal van het iedereen-telt-mee werd vormgegeven, dat was een ontwikkeling die Durkheim in de verste verte niet zag aankomen. Hij onderkende het bestaan van een gemeenschapsmoraal, van de "solidariteit met een collectief bestaan", maar dat die ooit vorm zou krijgen in een democratische verzorgingsstaat, daar zal hij zelfs niet over gefantaseerd hebben.

Nee, hij nam de bestaande toestand als een gegeven aan, keek om zich heen op zoek naar nieuwe mogelijkheden voor mensen om zich in te voegen in een sociaal verband, om zich onderdeel te voelen van een collectief bestaan. En daarmee valt hij gewoon terug op dat functionalistische systeemdenken, waarin het sociale systeem wordt geacht zichzelf aan te passen. Door maatschappelijke veranderingen zijn mensen een sociaal verband kwijtgeraakt en de werking van het systeem zorgt er voor dat daar als vanzelf iets anders voor in de plaats komt. Wat mij, Durkheim, als socioloog nu te doen staat is dat ik op zoek ga naar wat dat andere zou kunnen zijn.

Het volgende bericht gaat dus over Durkheims zoektocht. Maar nu al is duidelijk dat hij er uitdrukkelijk voor kiest om de maatschappij te blijven zien als een zichzelf in standhoudend sociaal systeem, als een spontane sociale orde. De mogelijkheid van een geconstrueerde sociale orde, van een democratische overheid, komt niet in beeld. En we zullen zien dat dat grote gevolgen had voor hoe het vak sociologie zich verder ontwikkelde. Hier het volgende bericht.