vrijdag 11 september 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 48 - Durkheims belangrijke moment en zijn terugval in het functionalistische systeemdenken

Zoals de vorige berichten laten zien, ben ik me opnieuw in Durkheim gaan verdiepen. Ik raakte in de jaren 70 geïnteresseerd in de anomietheorie, omdat die over mensen ging, en de oorsprong daarvan ligt in het werk van Durkheim. Bij het nu herlezen vallen me zaken op waar ik destijds overheen las en die belangrijk zijn voor hoe het vak sociologie zich ontwikkelde. Hier het vorige bericht.

Neem nu het moment dat Durkheim in 1896 in zijn Le Suicide uiteindelijk tot de slotsom komt dat de toename van zelfmoordcijfers in zijn tijd als een aanwijzing opgevat moet worden dat er in de maatschappij dingen niet goed gaan. Dat is een belangrijk moment. Hij lijkt het functionalistische top-down denken achter zich te laten om zich af te vragen of de toestand waarin de maatschappij verkeert nog wel tegemoetkomt aan wat mensen voor hun welbevinden nodig hebben. De maatschappij is niet langer een zichzelf in stand houdend sociaal systeem, maar is het resultaat van mensenwerk. Werk dat kan worden beoordeeld naar de mate waarin het een goede maatschappij tot stand brengt, een "sociaal superieure" toestand, dan wel een "sociaal inferieure" toestand laat ontstaan, een toestand van anomie.

Een belangrijk moment omdat Durkheim daarmee vooruitloopt op de golf van sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de sociale en maatschappelijke voorwaarden voor menselijk welbevinden, die ongeveer een eeuw later begon. Ik denk even aan het precies 100 jaar na Le Suicide verschenen Unhealthy Societies. The Afflictions of Inequality van Richard G. Wilkinson, waarin Durkheim ook als voorloper wordt aangehaald (p.15-6):

An accurate overall conception of health has much in common with Durkheim's approach to suicide. Rather than analysing suicide purely in terms of individual psychology and circumstances, Durkheim saw suicide a a social product, Each society had a rate which reflected its social structure. (...) ...if Durkheim had been writing now, it seems likely that in the context of the modern burden of disease in developed societies, he would not have confined his analysis to suicide. The evidence is overwhelming that the rates of most diseases vary from society to society in ways that reflect, and indeed are indicative of, differences in their social and economic organisation.(...)

Looking at health from the standpont of society rather than of individuals can lead to a radically different view of the determinants of health. Instead of looking to see what makes one individual healthier than another, our aim in this book will be to see what makes one society healthier than another.

Durkheim dus als voorloper. Maar hoewel sociologie zich intussen had ontwikkeld tot een erkende academische discipline, droegen sociologen toch maar weinig bij aan die golf van onderzoek. Wilkinson studeerde economische geschiedenis en epidemiologie en was hoogleraar sociale epidemiologie. (Hij gaf in 2013 de WRR-lezing in de Nieuwe Kerk in Den Haag, waar ik van onder de indruk was. En hij schreef in 2018 samen met Kate Pickett The Inner Level. How More Equal Societies Reduce Stress, Restore Sanity and Improve Everyone’s Wellbeing.) 

Maar goed, daar op terugkijkend lag het dus voor de hand dat ik destijds in die Durkheim van de anomietheorie geïnteresseerd was.Terwijl ik tegelijk ongemak voelde bij dat vak sociologie als erkende academische discipline, waarin ik van 1965 tot 1971 werd opgeleid.. 

En ik ervaar nu ongemak als ik me verdiep in wat Durkheim in 1896 naar voren bracht over hoe de maatschappelijke toestand van zijn tijd kon worden verbeterd. Hoe kan de collective sadness (p.365) die sommigen ertoe brengt om hun leven te beëindigen, verminderd worden? Hoe brengen we de sociale verbanden terug die mensen nodig hebben om te voorkomen dat ze de ambities najagen die alleen maar tot leegte en uitzichtloosheid leiden (p.373-4):

Thus, the only remedy (...) is to restore enough consistency to social groups for them to obtain a firmer grip on the individual, and for him to feel himself bound to them. He must feel himself more solidary with a collective existence which preceds him in time, which survives him, and which encompasses him at all points. If this occurs, he will no longer find the only aim of his conduct in himself, and, understanding that he is the instrument of a purpose greater than himself, he will see that he is not without significance. Life will resume meaning in his eyes, because it will recover its natural aim and orientation.

Hier aangekomen verwacht je dat Durkheim met adviezen komt over hoe de maatschappij zo ingericht kan worden dat mensen zich weer onderdeel voelen van een groter geheel, van een collectief bestaan, waarin ze meetellen en dat hun leven zin geeft. Waarin ze zich niet verloren voelen en geheel op zichzelf aangewezen. Adviezen misschien in de lijn van die van Wilkinson een eeuw later: breng die grote ongelijkheid terug, omdat die de mensen aanzet tot de stressvolle en ziekmakende statuscompetitie p.222-3):

But how do we achieve a narrower income distribution and better social cohesion? The first step is for politicians and the public to recognise the importance of these issues. At the moment the management of the national economy is devoted almost exclusively to the pursuit of economic objectives. Thus must be changed. Policies on education, employment, industrial structure, taxation, the management of the business cycle, must all be assessed in term sof their impact on social justice and social divisions. Economic management must have the explicit aim of increasing social cohesion and the social quality of life.

Maar zou grotere gelijkheid dan niet ten koste gaan van welvaart en economische groei? Nee, integendeel. Wilkinson verwijst naar het toen al bekende onderzoek dat laat zien dat grotere ongelijkheid juist economische kosten met zich meebrengt. 

Treffen we iets in die richting aan bij Durkheim in 1896? Nee, in het geheel niet. Maar dat is natuurlijk deels goed te begrijpen, als we bedenken dat Wilkinson zich kan richten tot een democratische overheid die een geweldige invloed uitoefent op hoe de maatschappij is ingericht. Durkheim had natuurlijk met een heel andere overheid te maken. In het Frankrijk van zijn tijd was er wel het in 1848 ingevoerde algemeen kiesrecht, maar alleen voor mannen. 

En in de woorden van Thomas Piketty was Frankrijk net als trouwens andere landen nog een "bezittersmaatschappij", waarin de overheid er vooral was om het particuliere bezit te beschermen en waarin grote ongelijkheid heerste. Pas verderop in de twintigste eeuw werd het algemeen kiesrecht uitgebreid (in Frankrijk konden vrouwen pas vanaf 1945 hun stem uitbrengen) en kwamen er de regulering van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en de progressieve belastingheffing. Dat er in de tweede helft van de twintigste eeuw verzorgingsstaten zouden opkomen, waarin de gemeenschapsmoraal van het iedereen-telt-mee werd vormgegeven, dat was een ontwikkeling die Durkheim in de verste verte niet zag aankomen. Hij onderkende het bestaan van een gemeenschapsmoraal, van de "solidariteit met een collectief bestaan", maar dat die ooit vorm zou krijgen in een democratische verzorgingsstaat, daar zal hij zelfs niet over gefantaseerd hebben.

Nee, hij nam de bestaande toestand als een gegeven aan, keek om zich heen op zoek naar nieuwe mogelijkheden voor mensen om zich in te voegen in een sociaal verband, om zich onderdeel te voelen van een collectief bestaan. En daarmee valt hij gewoon terug op dat functionalistische systeemdenken, waarin het sociale systeem wordt geacht zichzelf aan te passen. Door maatschappelijke veranderingen zijn mensen een sociaal verband kwijtgeraakt en de werking van het systeem zorgt er voor dat daar als vanzelf iets anders voor in de plaats komt. Wat mij, Durkheim, als socioloog nu te doen staat is dat ik op zoek ga naar wat dat andere zou kunnen zijn.

Het volgende bericht gaat dus over Durkheims zoektocht. Maar nu al is duidelijk dat hij er uitdrukkelijk voor kiest om de maatschappij te blijven zien als een zichzelf in standhoudend sociaal systeem, als een spontane sociale orde. De mogelijkheid van een geconstrueerde sociale orde, van een democratische overheid, komt niet in beeld. En we zullen zien dat dat grote gevolgen had voor hoe het vak sociologie zich verder ontwikkelde.