vrijdag 9 oktober 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 51 - Maatschappijkritiek waar weinig mee werd gedaan. De maatschappij bleef een studieobject.

Het wordt tijd dat we Durkheim achter ons laten. Ik vond in de jaren 70 de anomietheorie zo belangrijk dat ik er college over gaf en de ontwikkeling van die theorie begon bij Durkheim. Hij kwam met het idee dat mensen individueel, dus zonder een sociaal verband, onverzadigbaar zijn. Ze hebben een voorstellingsvermogen dat hen ertoe brengt om altijd meer te willen dat ze al hebben. Alleen door deel uit te maken van een groter sociaal geheel, een gemeenschap, zijn ze in staat om beperkingen te aanvaarden en tevreden te zijn. Zonder zo'n gemeenschap heerst er in de maatschappij een toestand van anomie, van normloosheid. Hier het vorige bericht.

Welke literatuur ik voor dat college gebruikte en aan studenten voorschreef, kan ik me niet meer herinneren en kan ik ook niet meer achterhalen. Uit het literatuuroverzicht Anomie Theory in de Oxford Research Encyclopedia of Criminology and Criminal Justice van 2019 maak ik op dat de ontwikkeling van de anomietheorie en het onderzoek nog tot in de huidige eeuw is doorgegaan. Maar destijds zal er niet veel meer geweest zijn dan de bijdragen van Robert K. Merton, die uit 1983 (Social Structure and Anomie) en het vervolg daarop uit 1949 in zijn Social Theory and Social Structure, waarvan ik toen de editie van 1968 in huis had (zie editie 32 van deze reeks). 

Hoe dan ook, mij zal aan die anomietheorie geïnteresseerd hebben dat hij ingaat op de vraag hoe de maatschappij aansluit of dat juist niet doet op wat mensen kunnen en nodig hebben. Merton formuleerde dat in termen van cultuur en sociale structuur. De maatschappij kan mensen in cultureel opzicht (culturally defined goals, purposes, and interests) ertoe aanzetten om materieel succes en status na te jagen, maar daarmee vergeleken weinig nadruk leggen op de legitimiteit van de middelen (institutional means) die daarbij gebruikt kunnen worden. Die combinatie opent de weg voor "afwijkend gedrag", voor onwettige, criminele, handelingen om cultureel goedgekeurde, ja, wenselijke, doelen te bereiken. Als de maatschappij dan ook in economisch opzicht (structural) sterk ongelijk is, dan levert dat een mogelijke verklaring op voor een hoge mate van criminaliteit. 

Daarmee werd eigenlijk een maatschappijkritische analyse gegeven van de donkere kant van de American Dream. Iedereen wordt aangespoord om succes na te streven, maar niet iedereen krijgt dezelfde kansen om daarin op legitieme wijze te slagen. Richard A. Cloward en Lloyd E. Ohlin werkten dat in 1960 uit in hun Delinquency and Opportunity: A Theory of Delinquent Gangs,een destijds bekende studie die ik in dat college zeker behandeld heb.

Die maatschappijkritiek vond ik toen natuurlijk wel interessant. Maar het zal me toen al wel zijn opgevallen dat daar in de sociologie weinig mee werd gedaan. Maatschappelijke ongelijkheid werd weliswaar bestudeerd, als "sociale stratificatie", maar grote ongelijkheid werd niet als een sociaal inferieure toestand naar voren gebracht waar urgent iets aan gedaan zou moeten worden. Voor sociologen bleef de maatschappij bovenal een studieobject, in plaats van een collectief menselijk project aan de verbetering waarvan hun vak zou kunnen bijdragen. Dat er voor hun vak een theoretisch kader zou kunnen bestaan voor maatschappijverbetering, in moreel opzicht en naar menselijk welzijn, was voor sociologen een onbekend inzicht. 

Voor mijzelf ook. Maar daar begon verandering in te komen. Daarvoor was het nodig om de maatschappij echt als mensenwerk te gaan zien.