Ik somde al eens de aanwijzingen op die in dit blog voorbijkwamen, voor de gedachte dat toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces is. Een proces dus dat zich, gegeven de combinatie van menselijke natuur en het kapitalistische stelsel, gemakkelijk voltrekt en dat zich alleen door bijzondere omstandigheden, zoals revolutie en oorlog, laat onderbreken. Volgens die gedachte was de periode na de Tweede Wereldoorlog tot ongeveer 1980 een korte onderbreking van de trend naar meer ongelijkheid.
Er zijn vandaag drie berichten uit Duitsland, die het denken weer in gang zetten. Zo is er het bericht Wass bleibt für mich?, een voorpublicatie uit het boek Der Lohnklau. Warum wir nicht verdienen, was wir verdienen, und wer daran Schuld ist van Mark Schieritz. Schieritz wijst daarin op de opvallende teruggang van het arbeidsaandeel in de totale economie in de grootste industriële landen. Die er uit voortkomt dat de lonen systematisch achterblijven bij de toename van de arbeidsproductiviteit.
Doordat dat al een poos aan de gang is, drukt dat de vraag naar goederen en diensten en leidt het tot economische stagnatie. De gevolgen zijn niet alleen te lage lonen, waardoor ook de armoede onder werkenden groeit, maar ook onnodig hoge en vooral langdurige werkloosheid.
Het machtsevenwicht tussen kapitaal en arbeid is kortom verstoord. Hoe dat precies gebeurd is, wie zal het zeggen, maar de vakbonden hebben veel aan macht ingeboet. En de overheden hebben het laten gebeuren, gevangen in de neoliberale hype van bezuinigen en deregulering.
Daarop sluit perfect het bericht aan dat in Duitsland, ondanks de relatief geringe werkloosheid, de middenklasse snel krimpt. Tussen 1993 en 2013 moet het aandeel van de huishoudens met een middeninkomen zijn afgenomen van 56 naar 48 procent. En tegelijk steeg het aandeel van de lage lonen en dus van de werkenden die in armoede leven. Met onzekere arbeid en zonder sociale voorzieningen.
Wat zijn de gevolgen? Zicht daarop geeft het bericht Gewalt in Heidenau. Demonstriert lieber gegen die Banken van Jakob Augstein. Tot geweld tegen vreemdelingen, tegen de onderkomens van vluchtelingen en tegen die vluchtelingen zelf, wat in Duitsland nu schering en inslag is. De sociaaldemocratische voorman Sigmar Gabriel heeft de daders voor tuig uitgemaakt. Maar geeft er geen blijk van er inzicht in te hebben dat de wortels van zulke wandaden liggen in de toenemende maatschappelijke onrechtvaardigheid.
Augstein geeft een fraai citaat van de socioloog Wilhelm Heitmeyer, dat het waard is om hier in extenso over te nemen:
Unsere Analysen lassen erwarten, dass eine Zunahme menschenfeindlicher Einstellungen und Verhaltensweisen davon abhängt, inwieweit immer mehr Menschen in unsichere Arbeits- und Lebensverhältnisse, politische Ohnmachtsempfindungen und instabile emotionale Situationen, kurz: in prekäre Anerkennungsverhältnisse geraten."En voegt daar aan toe:
So ist es eingetreten. Je weniger Anerkennung ein Mensch selbst erfährt, desto weniger kann er für andere Menschen aufbringen.Als je het proces van toenemende ongelijkheid en van toenemende onzekerheid en gebrek aan erkenning voor velen zijn gang laat gaan, dan mag je wel bang zijn voor waar dat toe zal leiden.