dinsdag 28 juli 2026

Een lange weg naar een sociaalwetenschappelijk zicht op mensen en samenleving - 44 - Durkheim en de oorsprong van de anomietheorie

De oorsprong van die anomietheorie waarmee ik het vorige bericht afsloot ligt al in het werk van Emile Durkheim. In zijn functionalistische systeemdenken bedreigde de ontwikkeling van de marktmaatschappij, in zijn woorden: de groei van de arbeidsverdeling, de solidariteit die voor de instandhouding van het sociale systeem noodzakelijk is. Maar er vindt een terugkoppeling plaats: de arbeidsverdeling zorgt zelf wel weer voor het zich ontwikkelen van een nieuwe vorm van solidariteit. Berustte de vroegere  "mechanische solidariteit" erop dat mensen in hun levensomstandigheden sterk met elkaar overeenkwamen en daardoor gemakkelijk vriendschappelijke verhoudingen tot stand brachten, zouden die verhoudingen in de nieuwe marktmaatschappij juist ontstaan doordat mensen van elkaar verschillen en daardoor elkaar aanvullen. In dat sociale systeem van de arbeidsverdeling draagt iedereen zijn eigen steentje bij aan het geheel en voelen mensen zich daardoor met elkaar verbonden. Er ontwikkelt zich een "organische solidariteit". Denk terug aan Het top down van het structureel-functionalisme.

Dat had Durkheim natuurlijk fraai bedacht, maar hij keek genoeg om zich heen om waar te nemen dat de maatschappelijke werkelijkheid er anders uitzag. Hij moet zich hebben afgevraagd hoe hij daarmee om moest gaan. Zijn oplossing (voor het zelf gecreëerde probleem van het systeemdenken) was dat hij "abnormale vormen" van arbeidsverdeling invoerde en daar in 1893 Deel 3 van zijn The Division of Labor in Society aan wijdde. In het eerste hoofdstuk van dat deel gaat het over de "anomische arbeidsverdeling". En precies daar ontmoeten we de oorsprong van die anomietheorie. En algemener van het sociologische onderzoeksterrein van het afwijkende gedrag.

Durkheim maakt eigenlijk pas daar, na veel omhaal van woorden, duidelijk wat hij verstaat onder een normale, en dus ook een abnormale, arbeidsverdeling (p.372 van mijn editie, cursivering van mij):

For, normally, the role of each special function does not require that the indivual close himself in, but that he keeps himself in constant relations with neighboring functions, take conscience of their needs, of the changes which they undergo, etc. The division of labor presumes that the worker, far from being hemmed in by his task, does not lose sight of his collaborators, that he acts upon them, and reacts to them. He is, then, not a machine who repeats his movements without knowing their meaning, but he knows that they tend, in some way, towards an end that he conceives more or less disntinctly. He feels that he is serving something.

Hij voelt dat zijn inspanningen in dienst staan van iets wat groter is dan hijzelf. En daarmee voelt hij zich onderdeel van een groter geheel. Natuurlijk merken we dan allereerst op dat Durkheim hier ad hoc het domein van de "sociale feiten" verlaat en een veronderstelling over de menselijke sociale natuur invoert. En we merken op dat die veronderstelling cruciaal en interessant is. Hij opent het venster waardoor we zicht krijgen op wat een abnormale, anomische toestand van de arbeidsverdeling is.

Want een toestand waarin mensen zich onderdeel voelen van het grotere geheel is een toestand waarin de onderlinge verhoudingen die uit de arbeidsverdeling voortkomen, als rechtvaardig worden ervaren. Die verhoudingen komen tot stand door middel van ruiltransacties en de uitkomsten van die transacties zijn rechtvaardig als voor iedere verkoper de opbrengsten van de ruil overeenkomen met de inspanningen die zijn verricht (de arbeid) en met de waarde die het geruilde product heeft voor de verkoper. (Durkheim gebruikt hier dezelfde arbeidswaardeleer als die van Karl Marx.) Een ruiltransactie is dus onrechtvaardig als (p.383-4):

... the price of the object bears no relation to the trouble it cost and the services it renders.

This definition set forth, we shall say that a contract is fully consented to only if the services exchanged have an equivalent social value. Under these conditions each receives in effect the thing he desires and delivers what he gives in return so that each has a value for the other.

Eenvoudiger gezegd, wil de marktmaatschappij als rechtvaardig worden beoordeeld, dan horen alle transacties plaats te vinden tussen aan elkaar gelijkwaardige partijen. Dat is het morele criterium ("the moral conditions of exchange") waar de marktmaatschappij aan behoort te voldoen. En daaraan is niet voldaan:

If one class of society is obliged, in order to live, to take any price for its services, while another can abstain from such action thanks to resources at its disposal which, however, are not necessiraly due to any social superiority, the second has an unjust advantage over the first at law. In other words, there cannot be rich and poor at birth without there being unjust contracts. This was still more the case when social status itself was hereditary and law sanctioned all sorts of inequalities.

Laten we er even bij stil staan dat we hier, bij Durkheim in 1893, wel degelijk een theorie tegenkomen die het mogelijk maakt een sociaal inferieure toestand (een toestand van anomie, dus van ongelijkheid en daardoor onderdrukking van de een door de ander) te onderscheiden van een sociaal superieure toestand (een van rechtvaardige verhoudingen). Bij dezelfde Durkheim dus die als de grondlegger wordt beschouwd van dat top-down systeemdenken waarin er geen menselijke sociale natuur zou bestaan waaraan een maatschappelijke toestand kan worden beoordeeld. Een sociologie die nooit problemen zag ontstaan.

Om alle mogelijke twijfel weg te nemen (p.387-8):

The task of the most advanced societies is, then, a work of justice. That they, in fact, feel the necessity of orienting themselves in this direction is what we have already shown and what every-day experience proves to us. Just as the ideal of lower societies was to create or maintain as intense a common life as possible, in which the individual was absorbed, so our ideal is to make social relations always more equitable, so as to assure the free development of all our socially useful forces. (...)

Just as ancient people needed, above all, a common faith to live by, so we need justice ...

De oorsprong van de anomietheorie ligt dus bij de Durkheim die in 1893 inzag dat mensen, als ze in een marktmaatschappij leven, rechtvaardige verhoudingen nodig hebben. Vier jaar later, in Le Suicide, werkte hij dat inzicht verder uit. Daarover en over de latere ontwikkelingen in die anomietheorie meer in het vervolg.

Maar het valt dus goed te begrijpen dat die anomietheorie tijdens mijn studie en later in de 70 toen ik er colleges over gaf, mijn belangstelling wekte. Ik denk dat ik er iets in aantrof van mijn verwachting dat het in de sociologie zou moeten gaan om "mens en menselijkheid".

Geen opmerkingen: